Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33400-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 19 september 2012



33 400 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2013

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

3

     

B.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

4

     

1

Leeswijzer

4

     

2

Het beleid

7

2.1

De beleidsagenda

7

2.1.1

Belangrijkste mutaties ontwerp-begroting 2013

22

2.2

De Beleidsartikelen

25

2.2.1

Eenheid van het algemeen regeringsbeleid

25

 

11. Goed functionerende economie en markten

25

 

12. Een sterk innovatievermogen

33

 

13. Een excellent ondernemingsklimaat

47

 

14. Een doelmatige en duurzame energievoorziening

59

 

15. Een sterke internationale concurrentiepositie

72

 

16. Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

81

 

17. Groen onderwijs van hoge kwaliteit

103

 

18. Natuur en regio

110

2.3

De niet-beleidsartikelen

127

 

40. Apparaat

127

 

41. Nominaal en onvoorzien

130

     

3

De baten-lastendiensten

131

 

Aansluiting raming begroting baten-lastendiensten met financiering door moederdepartementen EL&I

131

 

Agentschap NL (AgNL)

133

 

Agentschap Telecom (AT)

139

 

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

146

 

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

152

 

Dienst Regelingen (DR)

158

 

Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)

163

     

4

Bijlagen

169

4.1

Moties en toezeggingen

169

4.2

ZBO’s en RWT’s

218

4.3

Europese geldstromen

225

4.4

Overzicht evaluatieonderzoek

237

4.5

Verdiepingshoofdstuk

243

4.6

Subsidieoverzicht

259

4.7

Lijst van afkortingen

271

A. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het jaar 2013 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastendiensten voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendienten.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen

B. Artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Begrotingsstructuur

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK, 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid.

Beleidsagenda

De beleidsagenda bestaat uit de volgende vijf actielijnen:

  • Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren;

  • Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap;

  • Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur;

  • Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij;

  • Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening.

Voorts bevat de beleidsagenda een overzichtstabel die inzicht geeft in de Rijksmiddelen die worden ingezet voor het Bedrijfslevenbeleid en de Topsectoren en is een overzicht opgenomen met de meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen. Tenslotte zijn in de beleidsagenda de belangrijkste budgettaire mutaties vermeld vanaf de Voorjaarsnota 2012.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling opgenomen. De financiële instrumenten worden toegelicht en voorzien van de voornaamste acties in 2013, waarmee de actielijnen uit de beleidsagenda nader worden uitgewerkt.

Met Verantwoord Begroten wordt niet langer gewerkt met operationele doelstellingen. Daar waar dit toegevoegde waarde heeft voor de presentatie van het voorgenomen beleid en de hiervoor geoormerkte middelen, zijn de financiële instrumenten geclusterd naar artikelonderdelen. Dit is van toepassing voor de beleidsartikelen 14 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening), 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 18 (Natuur en regio). Bij de andere beleidsartikelen (11, 12, 13, 15, 17) is de reguliere opzet van Verantwoord Begroten (zonder operationele doelen/artikelonderdelen) gevolgd.

De bedragen in de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn «x € 1 mln» weergegeven. In de budgettaire tabellen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar onder andere de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan baten-lastendiensten, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

2. Prestatiegegevens

Algemeen

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de minister van EL&I voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. Bij de doelstellingen waarbij EL&I een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en moet worden volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn prestatie-indicatoren opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

Monitoring bedrijfslevenbeleid

In het kader van de monitoring van het bedrijfslevenbeleid zijn de hoofddoelstellingen van het bedrijfslevenbeleid in de beleidsartikelen 12 en 13 opgenomen:

  • 1. Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld (in 2020);

  • 2. Stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het Bruto Binnenlands Product (in 2020);

  • 3. Topconsortia voor Kennis en Innovatie waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 500 mln waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven (in 2015).

Daarnaast zijn bij deze beleidsartikelen op instrumentniveau prestatie-indicatoren opgenomen. Bij het meten van de effecten van het bedrijfslevenbeleid is gekozen voor een aanpak waarbij de indicatoren en streefwaarden een zo direct mogelijke relatie hebben met de beleidsinspanningen, sectoractiviteiten en de beleidsoutput. Dit gebeurt zowel bij de generieke instrumenten als voor de topsectoren. Door bij effectmeting dicht bij de directe output van de beleidsinspanningen te blijven, ontstaat een beter zicht op de directe resultaten van het beleid.

In samenwerking met Agentschap NL, het Centraal Bureau Statistiek (CBS) en het Economische Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (EIM) wordt gewerkt aan een nulmeting voor de topsectoren. Deze nulmeting legt de basis voor de monitoring en voor de toekomstige evaluatie van het op de topsectoren gerichte beleid. Daarnaast worden in iedere topsector meetbare indicatoren en streefwaarden gekoppeld aan de doelen en ambities die de topteams hebben geformuleerd. In de sectoragenda’s, innovatiecontracten en human capitalagenda’s hebben de topteams acties opgenomen die zij ten uitvoer zullen brengen en waarvan zij de voortgang zullen monitoren. Bij de monitoring en effectmeting van het bedrijfslevenbeleid maakt het kabinet ook gebruik van de adviezen die een externe werkgroep (met experts van onder andere CBS, Centraal Plan Bureau (CPB), Algemene Rekenkamer en wetenschap) onder leiding van prof. dr. J. Theeuwes gegeven.

Naast de in de begroting opgenomen informatie heeft AgentschapNL een pilotwebsite, www.volginnovatie.nl, waarop resultaten van innovatiebeleid vanaf 2010 worden getoond. Hiermee wordt ook tegemoet gekomen aan de motie Koppejan1 en de aanbevelingen uit het rapport Innovatiebeleid van de Algemene Rekenkamer. Ook zal jaarlijks een voortgangsrapportage over het bedrijfslevenbeleid naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

3. Groeiparagraaf

De volgende toezeggingen van de Staatssecretaris van EL&I tijdens het Begrotingsonderzoek «Landbouw en Natuur» van 24 november 2011 zijn in deze begroting verwerkt:

  • Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer (TK, 33 000 XIII, nr. 186), is de transparantie van de begroting 2013 verbeterd. Dit komt tot uiting in de nieuwe opzet van de beleidsartikelen volgens de uitgangspunten van Verantwoord Begroten.

  • Om de informatievoorziening richting Tweede Kamer inzake de uitvoeringsbudgetten van de baten-lastendiensten te verbeteren, is in hoofdstuk 3 (De baten-lastendiensten) een overzichtstabel baten-lastendiensten opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de baten-lastenparagrafen en de «bijdrage aan baten-lastendiensten» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen.

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

De motie Schouw c.s. (TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537) verzoekt de regering de landenspecifieke aanbevelingen voor Nederland in het kader van het Europees semester een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen, zodat duidelijk is hoe met de aanbevelingen wordt omgegaan. De voor het beleidsterrein van EL&I meest relevante aanbeveling is de volgende:

Innovatie, investeringen in particulier onderzoek en ontwikkeling en nauwere banden tussen de wetenschapswereld en het bedrijfsleven te stimuleren, alsook industriële vernieuwing te bevorderen door middel van passende prikkels in het kader van het bedrijfslevenbeleid, en daarbij de toegankelijkheid voor niet tot de topsectoren behorende ondernemingen te waarborgen en het fundamenteel onderzoek veilig te stellen.

Deze aanbeveling heeft een plaats gekregen in artikel 12 (Een sterk innovatievermogen) van deze begroting.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (TK, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van

€ 1 mln. De totale uitgaven van EL&I voor Caribisch Nederland in 2013 bedragen € 2,2 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de begrotingsartikelen 11, 13, 14, 18 en 40. De uitgaven per begrotingsartikel zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln. Hierdoor zijn de uitgaven van EL&I voor Caribisch Nederland niet apart opgenomen in de budgettaire tabellen.

2. HET BELEID

2.1 De Beleidsagenda

Gezien de demissionaire status van het kabinet, is gekozen voor een beperkte technische invulling van de begroting 2013. De Beleidsagenda zal vooral ingaan op relevante beleidsarme ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de artikelen worden, zoals in andere jaren, de relevante financiële uitgaven vermeld, evenals beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven.

Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) staat voor een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en met oog voor duurzaamheid. We zetten ons in voor een uitstekend ondernemersklimaat. Door de juiste randvoorwaarden te creëren en door ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien. Door aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Door samenwerking te stimuleren tussen onderzoekers en ondernemers. Zo bouwen we onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie verder uit en investeren we in een krachtig en duurzaam Nederland.

In 2013 werkt EL&I onder andere aan de volgende hoofdpunten:

1. Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren

  • Start van Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), waarmee overheid en bedrijfsleven samen zorgen voor meer uitgaven aan R&D, ter bevordering van onderzoek en innovatie in de topsectoren.

  • Uitvoering van Human Capital Agenda’s (HCA), Masterplan Bèta en Technologie en centra voor innovatief vakmanschap, voor een betere aansluiting tussen (vak)onderwijs en arbeidsmarkt in sectoren waar Nederland internationaal concurrerend wil blijven.

  • Versterken van de positie Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf (MKB) in opkomende markten, door mogelijkheden te bieden voor financieringsgarantie, gerichte (financiële) ondersteuning en nauwere samenwerking met de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken (uitvoering van recente Kamerbrief «Exportbeleid»).

  • Het komende jaar worden 17 handelsmissies georganiseerd, vooral naar landen waar ondernemers uit de negen topsectoren de grootste kansen zien. Met deze missies wil EL&I de kansen van het Nederlandse bedrijfsleven op interessante markten bevorderen.

2. Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap

  • Ondernemers hebben ruimte nodig om te ondernemen. Daarom schrapt het kabinet in 2013 bijna € 110 mln aan administratieve lasten. Zo worden rond het natuurbeleid de administratieve lasten (5 %) en nalevingskosten (8%) verminderd.

  • Ondernemers hebben daarnaast kapitaal nodig om hun groeiplannen te financieren. Daarom wordt het Innovatiefonds MKB+ uitgebreid ter ondersteuning van de later stage risicokapitaalmarkt. Hier profiteert met name het MKB van. Daarnaast wordt het budget voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) verhoogd tot € 1 mld en worden maatregelenonderzocht om de regeling meer kostendekkend te maken. Hierover wordt de Kamer nog voor de begrotingsbehandeling geïnformeerd.

  • Het kabinet zal een kabinetsbrede visie op e-privacy aan de Kamer sturen. Daarbij zal vanaf 1 januari 2013 nieuwe wetgeving omtrent zogenoemde trackingcookies inwerkingtreden. Hierdoor worden eindgebruikers beter beschermd tegen het volgen van hun surfgedrag.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur

  • De afwikkeling van de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies.

  • Behandelen en ten uitvoer brengen van het wetsvoorstel Wet Natuurbescherming, gericht op behoud van de natuur, met ruimte voor ondernemerschap.

  • Het afronden van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) door bestuurlijke vaststelling en het starten van de vergunningverlening en het aanwijzen van de resterende Natura2000-gebieden.

  • Maatschappelijk verantwoord ondernemen en het tegengaan van mensenrechtenschendingen door bedrijven worden gestimuleerd door verdere implementatie van de OESO-Richtlijnen en het Ruggie Framework in samenwerking met het bedrijfsleven en het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij

  • Een sterk, groen en vereenvoudigd Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid vanaf 2014 en een duurzaam en innovatief Gemeenschappelijk Visserijbeleid.

  • Een afname van antibioticagebruik in de veehouderij in 2013 met 50% ten opzichte van 2009 en in 2015 een reductie met 70% tenopzichte van 20091. Tevens implementatie in 2013 van de UDD-maatregel, waarbij een veehouder alleen onder strikte voorwaarden zelf antibiotica mag toedienen.

  • Implementatie van het stelsel verantwoorde mestafzet en verplichte mestverwerking in 2013 en onderhandelingen over een akkoord met de Europese Commissie over het Vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 en een nieuwe derogatie.

  • Aanpak van de schaalgrootte van de veehouderij, waarin ketengestuurde verduurzaming en een zorgvuldige inpassing van veehouderijbedrijven in de lokale leefomgeving centraal staan.

5. Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening

  • In 2020 moet 14% van de energie duurzaam zijn opgewekt. Daarom zal ook in 2013 de Stimuleringsregeling Duurzame energieproductie (SDE+) beschikbaar zijn voor burgers en ondernemers die zelf duurzame energie willen opwekken. Het open te stellen budget wordt afgestemd op het structureel beschikbare jaarlijks kasbudget van € 1,4 mld.

  • Om meer besparing van energie te stimuleren, neemt het kabinet in 2013 een besluit over de grootschalige uitrol van slimme energiemeters.

  • Algehele herziening van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en experimenteer-AMvB voor lokale duurzame initiatieven. Doel is de transitie naar duurzame energie te ondersteunen, een vermindering van regeldruk, investeringsrisico’s en uitvoeringslasten en betere aansluiting op de EU-regels.

Na een korte analyse van de te verwachtten economische ontwikkelingen in 2013, worden hieronder aan de hand van vijf actielijnen de hoofdpunten van het beleid van het kabinet in 2013 uiteengezet.

Ontwikkelingen in de Nederlandse economie: Na tweede dip volgt traag herstel

De Nederlandse economie is in veel opzichten sterk. We hebben na Luxemburg en de Verenigde Staten het hoogste bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking. Nederland is op de wereldranglijst de vijfde exporteur en de zevende buitenlandse investeerder. Wat betreft de concurrentiekracht is Nederland dit jaar met twee plaatsen gestegen naar de vijfde plaats2. Daarnaast draagt onze reputatie van goed economisch en budgettair beleid ertoe bij dat we een lage risicopremie betalen op de financiële markten. Daardoor behoort de rente in Nederland tot de laagste van Europa.

Desondanks hebben de financiële crisis en de eurocrisis de Nederlandse economie zwaar getroffen. Halverwege vorig jaar begon in Nederland opnieuw een periode van economische krimp, terwijl de Nederlandse economie nog niet volledig was hersteld van de vorige recessie. Door de aanhoudende onrust zal de Nederlandse economie naar verwachting ook dit jaar krimp vertonen. Het CPB raamt voor 2012 een krimp van 0,5% en voor 2013 een groei van 0,75%. De werkloosheid loopt op. Ze lag in juni 2012 op 5,1% volgens de EU-definitie, ruim onder het gemiddelde van het Eurogebied van 11,2%. Een belangrijke verklaring voor de recessie zijn de achterblijvende binnenlandse bestedingen, vooral van huishoudens. Dit hangt samen met de daling van reële inkomens en vermogensverliezen, maar ook met de verhoging van pensioenpremies, -kortingen op pensioenuitkeringen en afbouw van schulden.

Het herstel van de Nederlandse economie is zeker in 2012 in grote mate afhankelijk van de internationale handel. Het zwaartepunt daarvan ligt voor Nederland voorlopig in Europa. Nog altijd is meer dan driekwart van onze export gericht op Europa. Dat tempert het herstel. Momenteel zet de Europese Unie (EU) belangrijke stappen om de eurocrisis te boven te komen, variërend van de opzet van noodfondsen tot versterking van budgettaire en economische coördinatie. Ook voeren landen door heel Europa ambitieuze structurele hervormingen door om het groeivermogen te versterken. Het kabinet zet zich in voor een sterke Europese groeiagenda, onder meer door te zorgen dat bedrijven en kennisinstellingen optimaal gebruik kunnen maken van de EU-innovatiegelden, door de kosten voor een Europees octrooi te verlagen, de interne markt te versterken en meer ruimte te creëren voor het MKB. De Europese schuldencrisis duurt voorlopig wel voort. De financiële sector staat nog niet op vaste grond. Ondanks een voorzichtig herstel van de wereldhandel begin 2012, zijn de Europese exportcijfers matig. En zelfs de opkomende economieën, een belangrijke drijfveer van de wereldhandel, blijken niet immuun voor de heersende onrust. Het is de verwachting dat de economie van de EU als geheel in 2012 niet zal groeien. In 2013 wordt een gematigde economische groei van 1,3% verwacht voor de EU, tegen een groei in de wereld als geheel van 3,75%. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat de Nederlandse economie slechts gematigd herstelt.

De overheidsfinanciën herstellen wel voorspoedig. Dankzij het Begrotingsakkoord 2013 komt het begrotingstekort in 2013 volgens de nieuwe ramingen van het CPB uit op 2,7% van het BBP. Daarmee wordt de 3%-tekortdoelstelling van de EU gehaald. Dit vergroot het vertrouwen van de financiële markten in de kredietwaardigheid van ons land.

De uitgangspositie van Nederland is, ondanks de economische situatie, behoorlijk goed. Wel is er geen reden om achterover te leunen. Alle zeilen moeten worden bijgezet voor duurzaam herstel. Duurzaam herstel dat de komende periode een ambitieuze inzet op Europees niveau vergt om de schuldencrisis te boven te komen en vertrouwen te herstellen. Om onze welvaart voor de toekomst veilig te stellen moeten we investeren in innovatie, onderwijs en vergroening van de economie. Via de onderstaande vijf actielijnen wil EL&I zorgen voor duurzame groei en banen, nu en in de toekomst.

1. Inzetten op de top en Nederland internationaal sterk positioneren

Nederland heeft alles in huis om te behoren tot de leidende kenniseconomieën van de wereld. Vooral in de topsectoren van onze economie kunnen ondernemers, onderzoekers en onderwijs ervoor zorgen dat Nederland een van de meest concurrerende en innovatieve landen ter wereld is en blijft. Opdat we ook in de toekomst onze welvaart behouden en verzekerd zijn van goede zorg, onderwijs en pensioenen heeft het kabinet het nieuwe bedrijfslevenbeleid opgezet.

Dit beleid streeft een excellent ondernemers- en innovatieklimaat na voor alle ondernemers (zie paragraaf 2); met extra focus op de versterking van negen topsectoren 3 van de Nederlandse economie.

In de topsectorenaanpak zitten ondernemers, onderzoekers en onderwijsinstellingen zelf aan het stuur. Zíj weten het beste hoe ze de concurrentiekracht van hun sector kunnen versterken. De overheid faciliteert door te zorgen voor excellente randvoorwaarden en door de samenwerking te stimuleren tussen ondernemers, onderzoekers en onderwijsinstellingen. Ook de positie van het ongebonden fundamentele onderzoek blijft hierbij geborgd. EL&I werkt daarbij nauw samen met het Ministerie van OCW. Privaatpublieke samenwerking is dus cruciaal. Het regionale beleid sluit aan op het topsectorenbeleid. De samenwerking binnen de topsectoren heeft in 2012 geleid tot het eerste Nederlandse Kennis- en Innovatiecontract, de Human Capital Agenda’s (HCA), de Roadmap ICT en de internationaliseringsoffensieven 4. Daarnaast is Biobased Economy als dwarsdoorsnijdend thema voor de topsectoren vastgesteld. De innovatiecontracten en de inzet van kennisinstellingen, departementen en bedrijven worden in 2013 geactualiseerd (zogenaamde rolling agenda’s).

Doel van het Kennis- en Innovatiecontract is het verhogen van met name de private investeringen in R&D. Want vooral met de private R&D loopt Nederland achter in Europa. Via het Kennis- en Innovatiecontract investeert het bedrijfsleven in 2013 ongeveer € 1,8 mld. Hier staat een publieke bijdrage van kennisinstellingen en (regionale) overheden tegenover van ruim € 0,9 mld. Dit najaar brengen de kennisinstellingen hun inzet voor de jaren 2014 en 2015 uit. Dat is van groot belang om de private investeringen echt los te krijgen, want succesvol investeren in innovatie slaagt alleen bij een langjarig (financieel) commitment.

Mede om de gestelde ambitie in de innovatiecontracten gezamenlijk te realiseren zijn in iedere topsector Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) ingericht. TKI’s zijn structurele verbanden waarin partijen uit het bedrijfsleven, de wetenschap en de (semi-)publieke sector samenwerken om richting te geven aan onderzoek, innovatie en valorisatie (kennis, kunde, kassa). In het najaar van 2012 doen de topteams concrete voorstellen voor de verdere vormgeving, structuur en werkwijze van de TKI’s, zodat ze kunnen starten in 2013. Om deze privaatpublieke samenwerking verder te stimuleren, introduceert de overheid in 2013 de generiek vormgegeven TKI-toeslag met een budget van € 77,1 mln. Dit budget zal oplopen in 2016 naar € 89 mln. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de private cash-bijdrage van de topsector zelf. Om te zorgen dat ook het MKB maximaal kan meedoen aan het onderzoek van de TKI’s, heeft iedere TKI een MKB-loket ingericht. Het loket moet kennis over de TKI’s verspreiden in de topsectoren en de positie van het MKB in EU-programma’s als Horizon 2020 en Eureka/Eurostars versterken. In 2013 zullen de Innovatieprestatiecontracten (IPC’s) nauwer op het topsectorenbeleid worden aangesloten.

Om transparanter aan te geven wat de resultaten zijn van de door het kabinet gesteunde innovatieprojecten, kunnen deze op elk moment worden bekeken gevolgd op de website www.agentschapnl.nl/volginnovatie. Hiermee is transparant welke bedrijven innovatiegelden ontvangen en wat de resultaten zijn5.

Doel van de Human Capital Agenda’s (HCA) is onder meer om leerlingen beter op te leiden voor die beroepen waar de arbeidsmarkt om vraagt, vooral in de topsectoren van onze economie. Daarom wordt in 2013 in iedere topsector minimaal één centrum voor innovatief vakmanschap (MBO) en minimaal één center of expertise (HBO) opgericht. Bij het uitvoeren van de HCA’s wordt nauw samengewerkt met OCW. Een ander belangrijk doel van de HCA’s is om het bestaande personeelsbestand optimaal te benutten, bijvoorbeeld via een leven lang leren en sociale innovatie. Doel van de Roadmap ICT is om in de topsectoren optimaal gebruik te maken van de kansen die ICT biedt.

De topsectorenaanpak gaat nadrukkelijk over de landsgrenzen heen. Door middel van internationaliseringsoffensieven zijn de internationale ambities van de topsectoren medio 2012 vastgesteld. Deze ambities zijn medebepalend voor de internationale inzet van het kabinet. EL&I zet in op het bevorderen van handel, technologische samenwerking en investeringsacquisitie. In Europa, maar ook daarbuiten. In EU-verband streven de topteams naar een optimale aansluiting op de programma’s van Horizon 2020 (de opvolger van 7e Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling). Daarnaast bestaan andere EU-middelen die bij kunnen dragen aan het topsectorenbeleid, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor innovatie, werkgelegenheid en duurzame economische groei in specifieke regio’s. Momenteel onderhandelt EL&I in Brussel over de verordeningen voor de nieuwe periode EFRO (2014–2020). Deze zullen in 2013 worden afgerond.

De Nederlandse overheid zet de internationale ambities van de topsectoren kracht bij door extra in te zetten op economische diplomatie. Dat betreft het slechten van handelsbarrières, het openen van nieuwe markten en trouble shooting voor Nederlandse bedrijven, evenals samenwerking op het gebied van kennis en innovatie met internationale partijen. Ook het aangaan van strategische partnerschappen ter bevordering van de voorzieningszekerheid van grondstoffen behoort tot deze inzet. EL&I organiseert daartoe 17 handelsmissies in 2013 (onder andere naar de opkomende markten), de economische en landbouwafdelingen op de posten zullen nauwer samenwerken in één cluster voor een samenhangende dienstverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven. Tevens zal het kabinet werken aan een beter financieringspakket voor ondernemers bij export en buitenlandse investeringen6. Ook wordt de Transitiefaciliteit uitgebreid, in samenwerking met Ontwikkelingssamenwerking.

In EU-verband spant het kabinet zich in om bilaterale handelsakkoorden af te sluiten tussen de Europese Unie en in economisch opzicht interessante landen en regio’s. Naar verwachting worden de onderhandelingen met Canada en Singapore dit jaar afgerond, zodat deze akkoorden in 2013 kunnen worden toegepast. Mogelijk kunnen in 2013 de onderhandelingen met Maleisië en India worden afgerond. Naar verwachting worden met Japan en de Verenigde Staten onderhandelingen gestart. Deze akkoorden zullen een grote stimulans zijn voor het handelsverkeer met deze landen en leiden tot groei van de welvaart en de werkgelegenheid in de EU.

Economische diplomatie wordt ook ingezet om buitenlandse bedrijven naar Nederland te halen. De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) staat hiervoor aan de lat. De nadruk ligt op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren, met speciale aandacht voor hoofdkantoren en R&D-centra. Bedrijven en kennisinstellingen worden actiever betrokken bij het acquisitiebeleid. Ook de Rijksoverheid en regionale overheden gaan nauwer samenwerken, om Nederland als één geheel te positioneren in het buitenland. De NFIA heeft in 2013 als doel om voor € 700 mln strategische investeringen naar Nederland te halen.

2. Ruimte bieden aan innovatief ondernemerschap7

Eén op de acht werkende Nederlanders verdient zijn geld als ondernemer. Het MKB zorgt voor maar liefst tweederde van de nieuwe banen. Met het bedrijfslevenbeleid zorgt het kabinet dat ondernemers de ruimte krijgen om te innoveren, te investeren en te exporteren. We pakken onnodige regels en bureaucratie aan. We zorgen voor betere toegang tot financiering. En we verbeteren de publieke dienstverlening. Zo bouwt de overheid aan een uitstekend ondernemings- en vestigingsklimaat.

Goede toegang tot financiering is essentieel voor een innovatief en concurrerend Nederland. Maar kleine, innovatieve bedrijven en starters hebben steeds meer moeite met het vinden van financiering. Daarom helpt EL&I ondernemers via verschillende instrumenten aan betere toegang tot kapitaal, waaronder de algemene garantieregelingen als de Borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) en de Groeifaciliteit en via instrumenten als het Innovatiefonds MKB+, de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) en de Research & Development Aftrek (RDA). Om nieuw aanbod van financiering voor het MKB te stimuleren zal er een pilot worden gestart waarmee de BMKB wordt opengesteld voor niet-banken. Ook wordt er bekeken of de garantieregelingen Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en Groeifaciliteit onder voorwaarden gebruikt worden om de financiering van nieuwe aanbieders van MKB-financiering te ondersteunen.

Op het terrein van innovatiefinanciering is per 1 januari 2012 het Innovatiefonds MKB+ van start gegaan. Via dit revolverende fonds is € 500 mln beschikbaar voor risicokapitaal en leningen in de periode 2012 tot en met 2015. Bedrijven betalen deze financieringen terug wanneer hun investering succesvol is. En daarmee kunnen weer andere ondernemers worden geholpen.

Verschillende (fiscale) regelingen stimuleren de investeringen in kennis en innovatie. Ondernemers krijgen via de Wet bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) extra belastingaftrek voor de loonkosten van R&D-personeel. Via de nieuwe Research & Development Aftrek (RDA) is er sinds dit jaar een extra belastingaftrek geïntroduceerd in de inkomsten- of vennootschapsbelasting voor de overige R&D-kosten en uitgaven.

Uit de WBSO-evaluatie over de periode 2006–2010 blijkt dat het instrument doet wat het beoogt: het bevorderen van de private loonuitgaven aan speur- en ontwikkelingswerk. In 2013 zal het plafond van de WBSO worden aangepast, de eerste schijf zal worden verlengd, het hoge percentage zal worden gereduceerd en bezien zal worden of de aanvraagsystematiek verder kan worden verbeterd. De vergoedingspercentages van de RDA zullen in 2013 worden aangepast naar gelang het beroep op de regeling en het beschikbare budget.

Een overheid die ondernemerschap wil stimuleren moet de regeldruk tot een minimum beperken. Het verlagen van regeldruk is en blijft daarom een kabinetsspeerpunt. Met succes: sinds het einde van 2010 zijn ondernemers € 950 mln minder kwijt aan het voldoen aan van administratieve verplichtingen en aan het naleven van regels. Het kabinet heeft bovendien maatregelen voorbereid die leiden tot nog een miljard minder administratieve lasten en € 250 mln lagere nalevingkosten tussen 2012 en 2015. Specifiek voor Zelfstandigen zonder personeel (ZZP) is het ZZP-actieplan uitgebracht met maatregelen om ook de administratieve lasten voor deze ondernemers verregaand te verminderen. Ook gemeenten en provincies spelen een belangrijke rol bij het terugdringen van regeldruk. Provincies en gemeenten hebben afgesproken dat ze vanaf 2012 de lokale administratieve lasten met 5% per jaar verminderen. Zo verbeteren veel gemeenten hun dienstverlening aan bedrijven door een Bewijs van Goede Dienst te halen en hun Digitale Steden Agenda uit te voeren.

In het kader van lastenverlichting voor ondernemers zijn per 1 januari 2013 de heffingen van de Kamers van Koophandel (KvK) afgeschaft. Bovendien worden de KvK’s gemoderniseerd en samengevoegd met Syntens [tot één zelfstandig bestuursorgaan]. Daardoor kunnen ondernemers voor al hun overheidszaken straks naar het Ondernemersplein. Het organisatieontwerp voor het Ondernemersplein is inmiddels met de Tweede Kamer besproken. Momenteel ligt het wetsvoorstel dat deze fusie mogelijk maakt bij de Raad van State en wordt er tevens gewerkt aan de praktische implementatie.

In het verlagen van de administratieve lasten speelt ICT een belangrijke rol. De overheid verbetert de dienstverlening door ICT toepassingen uit de Digitale agenda, zoals het Ondernemersdossier. Hierdoor treden er ook minder administratieve lasten op. Deze Digitale Agenda.nl focust zich op het effectief inzetten van ICT voor groei en welvaart en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn. Daarnaast is in het kader van het stimuleren van de biobased economy gestart met een project gericht op het opheffen van belemmeringen in wet- en regelgeving op dit gebied.

De overheid werkt ook aan het vergroten van het vertrouwen van gebruikers in internet en ICT. Dat is cruciaal voor ondernemers, aangezien vrijwel alle sectoren afhankelijk zijn van een goed functionerend internet- en telecominfrastructuur. In 2013 zal een kabinetsbrede visie op e-privacy aan de Tweede Kamer worden gepresenteerd en invulling worden gegeven aan de Europese cybersecurity strategie die eind 2012 vastgesteld zal worden. EL&I werkt daarbij nauw samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

EL&I zet zich in voor goedwerkende markten, onder andere voor de telecommarkt. De vraag naar bandbreedte neemt per jaar met 30% tot 40% toe. In 2012 en 2013 komt meer beschikbaar voor sneller mobiel dataverkeer. Eind oktober 2012 start de multiband-veiling. Afhankelijk van de uitslag treden ook nieuwkomers toe op de markt voor mobiele communicatie en worden de huidige 900 MHz en 1 800 MHz vergunningen tijdelijk verlengd om vergunninghouders voldoende tijd en gelegenheid te geven hun netwerken om te zetten naar de nieuwe frequenties, zonder dat de continuïteit van de huidige GSM dienstverlening risico loopt. In 2013 zal – op basis van het in 2012 geconsulteerde uitgiftebeleid – een verdeling plaatsvinden van beschikbare ruimte in de 3.5 Ghz frequentieband voor mobiel dataverkeer.

Gelet op lange transitietermijnen (de operators moeten ruim van tevoren technische plannen kunnen maken voor het eventueel verplaatsen van hun klanten naar nieuwe frequenties en toepassingen) en gelet op het zorgvuldig ontwikkelen van een verdeelmodel, zal al in 2013 het verdeelbeleid voor de 2 GHz-frequenties (mobiel dataverkeer) worden geformuleerd. Op 1 september 2013 dienen alle landelijke radio-omroepen, zowel commercieel als publiek, digitale radio aan te bieden in een geografisch verzorgingsgebied dat minimaal 40% van Nederland beslaat.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur8

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. De p van profit is onlosmakelijk verbonden met de p van planeet en de p van personen. Daarbij gaat het om een aantrekkelijke leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten en een duurzame economische ontwikkeling met een brede verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen. Het kabinet streeft naar groene groei. Het doel is om de toekomstige welvaart te vergroten, rekening houdend met schaarste van natuur en grondstoffen, en daarbij de belasting van het milieu te verlagen.

Natuur draagt bij aan een welvarende samenleving en is belangrijk voor duurzame economische groei en welvaart. Het kabinet werkt in 2013 aan het adequaat beschermen van natuur en biedt tegelijkertijd voldoende ruimte voor economische ontwikkeling. Dat doet het kabinet in 2013 onder meer via de decentralisatie van het natuurbeleid, door regels te vereenvoudigen en door de afronding en brede inzet van de PAS. Via het wetsvoorstel Wet Natuurbescherming blijft de bescherming van natuur op niveau, terwijl ruimte voor ondernemerschap wordt geoptimaliseerd. De nieuwe wet moet leiden tot een vermindering van de administratieve lasten rond natuurbeleid van 5%, alsmede een reductie van de nalevingskosten van 8%. De regelgeving wordt vereenvoudigd en moet de taakverdeling tussen bestuurslagen eenduidiger maken, mede in het licht van de decentralisatie van natuurtaken. Verder gebeurt het ook via de vergroening van de economie binnen het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en door nieuwe vormen van publiekprivate samenwerking, zoals de Green Deals.

In 2013 gaat het kabinet verder met de uitvoering van de decentralisatie-afspraken, zoals afgesproken in het bestuursakkoord. De decentralisatie maakt maatwerk mogelijk om gebiedsprocessen te versnellen en om inrichting en beheer slagvaardig vorm te geven. De beschikbare middelen van de herijkte Ecologische Hoofd Structuur (EHS) worden hiervoor ter beschikking gesteld aan de provincies. In 2013 wordt de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) gewijzigd. EL&I blijft verantwoordelijk voor de nakoming van internationale afspraken rond natuur en biodiversiteit. In 2013 werkt het kabinet aan het opzetten van een verbeterd monitoringsysteem om de voortgang van te behalen internationale natuurdoelen te bewaken. Het nieuwe systeem kan vanaf 2014 gebruikt worden voor rapportages op het gebied van natuur en biodiversiteit. De Nederlandse TEEB-studies 9, waarin de economische waarde van natuur en ecosystemen beter in beeld komt, worden afgerond en beoordeeld op kansrijke handelingsperspectieven voor markt en overheden.

In 2013 wordt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) afgerond, na bestuurlijk akkoord hierover eind 2012. Doel van de PAS is het versterken van de natuurkwaliteit, waarbij ook de economische ontwikkeling in en rond Natura2000-gebieden wordt gefaciliteerd en de vergunningverlening vereenvoudigd. In ruim 90% van de gebieden zal de PAS oplossing bieden voor de stikstofproblematiek, voor de overige gebieden wordt met stevige inzet gezocht naar maatwerkoplossingen.

In het Begrotingsakkoord 2013 zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor natuur en duurzame economie. De inzet van de natuurmiddelen zal onder andere gericht zijn op beheer en herstelbeheer10. Op deze manier worden, conform de lijn van het decentralisatieakkoord, de middelen zo doelmatig mogelijk ingezet om de internationale verplichtingen in te vullen. Daarnaast zal middels een uitvoeringsprogramma natuurontwikkeling het afronden en inrichten van robuuste natuurgebieden een extra impuls krijgen. De uitwerking van het Begrotingsakkoord wordt in samenwerking met de provincies en maatschappelijke partijen opgepakt.

Een belangrijke vorm van publiekprivate samenwerking op het terrein van duurzaamheid is de Green Deal. De rijksoverheid heeft in 2011 en 2012 in totaal 131 Green Deals11 met verschillende partijen in de samenleving, op het gebied van energie en duurzaamheid in den brede, waaronder 24 op het terrein van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Het gaat om concrete initiatieven, die als voorbeeld kunnen dienen voor andere partijen en daarmee de totale markt in beweging zetten. In 2013 blijft het kabinet inzetten op praktische afspraken met bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden voor het bevorderen van een groene economie en een betere afstemming tussen economie en ecologie (biodiversiteit en ecosysteemdiensten). De uitvoering van de Green Deals ligt op schema, de resultaten worden momenteel uitgevraagd en in oktober 2012 zal de voortgang aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd. De Subsidieregeling Green Deal Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie (BEE) wordt opengesteld, gericht op innovatieve initiatieven van bedrijven op het terrein van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Voor een periode van vijf jaar is hiervoor in totaal € 10 mln beschikbaar.

Bij een duurzame samenleving hoort ook een duurzame manier van produceren. Op basis van de vernieuwde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling richtlijnen (OESO-richtlijnen) voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) zet het kabinet zich in voor aandacht van Nederlandse bedrijven voor mens en milieu in het buitenland. EL&I doet dit door internationale kaders MVO te bevorderen en een realistische invulling te geven aan ketenverantwoordelijkheid. Het Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO Richtlijnen zal samen met het nieuwe kabinet de bestuurders van grote bedrijven, waaronder de financiële sector, benaderen om met hen te bezien hoe de OESO-richtlijnen voor internationale bedrijfsactiviteiten nog meer bekend en geïmplementeerd kunnen worden. In 2013 zal het kabinet met name de MVO-samenwerking met China en India versterken.

Ook zal EL&I met BUZA de UN Principles on Business and Human Rights (Ruggie Framework) nader uitwerken, onder meer door concreet te maken hoe deze principes zich verhouden tot het Nederlandse handelsbeleid en het beleid ter bescherming van buitenlandse investeringen.

In maart 2013 zal in Den Haag de plenaire vergadering van de Voluntary Principles on Safety and Human Rights (VP's) plaatshebben. Deze plenaire vergadering markeert de overdracht van het Nederlandse voorzitterschap in 2012 waarin promotie van en de uitbreiding van deelnemers aan de VP's centraal stonden. Nederland zal tijdens het voorzitterschap van de VP's ook inzetten op de vestiging van een permanent secretariaat voor de VP's in Nederland als logisch vervolg op de door Nederland gefaciliteerde oprichting van de rechtspersoonlijkheid voor de VP's naar Nederlands recht.

Het kabinet zet zich tevens in voor het versterken van de positie van de consument door kennisontwikkeling van consumenten, verbreding van de laagdrempelige geschilbeslechting en een publieke toezichthouder. Zo worden de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Consumentenautoriteit samengevoegd tot de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De beoogde inwerkingtreding van het ACM is 1 januari 2013. Verder wordt de positie van de consument versterkt door de implementatie van de richtlijn consumentenrechten, waarin onder meer de verplichting is opgenomen om telefonisch gesloten contracten te ondertekenen. EL&I ziet er ook op toe dat bedrijven en consumenten niet worden gehinderd door onnodig belemmerende en complexe consumentenwet- en regelgeving. Door een in 2012 afgesloten convenant met de telecomsector wordt de consument inmiddels beter geïnformeerd over zijn verbruik datagebruik boven de datalimiet, bijvoorbeeld met een waarschuwings-SMS, om torenhoge rekeningen («bill shocks») te kunnen voorkomen.

4. Werken aan duurzame productie en ketens in land- en tuinbouw en visserij12

Een duurzame land- en tuinbouwproductie is onlosmakelijk verbonden met onze duurzame welvaart in de toekomst. Deze sectoren leveren niet alleen een belangrijke bijdrage aan onze economische groei, maar zorgen ook voor innovatieve oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. EL&I zet zich, onder meer via de relatie met de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, in voor een toekomstbestendige, maatschappelijk gewaardeerde, duurzame sector, nationaal, Europees en mondiaal. Daarnaast zet het kabinet zich in voor een concurrerende visserijketen die de natuur ontziet met gezonde producten. Uitgangspunt is dat ondernemers primair zelf verantwoordelijk zijn, het kabinet stelt waar nodig kaders (voedselveiligheid, dier- en plantgezondheid), bewaakt de voortgang en faciliteert waar nodig.

Het Nederlandse agrocomplex is sterk internationaal georganiseerd. Nederland is de 2e agro-exporteur van de wereld en het agrocomplex verdient zijn geld voor een groot deel in het buitenland. De exportwaarde van dierlijke en plantaardige producten naar landen buiten de Europese Unie bedraagt samen € 7 mld (20–30% van de totale exportwaarde van deze producten). Duurzaamheid is daarbij een bedrijfseconomisch en maatschappelijk vereiste. EL&I ondersteunt bedrijven eveneens om agrogrondstoffenstromen zoals cacao, soja en palmolie te verduurzamen.

In 2013 zal met de andere EU-landen een politiek akkoord worden gesloten over het nieuwe GLB 2014–2020. Kernpunten voor Nederland zijn daarbij het (op termijn) vervangen van het huidige systeem van directe betalingen door doelgerichte betalingen. Doelen zijn vergroening, versterking van concurrentiekracht, duurzaamheid, en innovatievermogen van de landbouwsector en de beloning voor bovenwettelijke maatschappelijke prestaties op het terrein van bijvoorbeeld innovatie, natuur, milieu, landschap, diergezondheid en dierenwelzijn. Tevens is van belang vereenvoudiging ten behoeve van verlaging administratieve lasten voor boeren en een efficiënte uitvoering door de betaalorganen. Hierbij moet de rechtmatigheid van de besteding van EU-middelen geborgd zijn.

In 2013 zal eveneens besluitvorming plaatsvinden over de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) 2013–2023. Inzet in de onderhandelingen is duurzaam gebruik en instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen in EU-wateren en daarbuiten. Visserij toestaan op een duurzaam niveau (Maximum Sustainable Yield) en het uitbannen van het overboord gooien van ongewenste bijvangsten door inzet op selectieve, innovatieve vismethodes en een aanlandplicht. Tegelijkertijd het bieden van toekomstperspectief aan de visserijsector. Besluitvorming over het nieuwe EU-Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij is voorzien voor het einde van 2013. Met financiële middelen uit dit fonds kan de overheid het proces van verdere verduurzaming en innovatie in de visserij en versterking van de maritieme economie ondersteunen.

EL&I draagt ook bij aan de oplossing van mondiale uitdagingen, zoals voedselzekerheid en klimaatverandering. De Nederlandse expertise op het gebied van landbouw kan worden ingezet voor de ontwikkeling van de agro-food sector in ontwikkelingslanden, terwijl dit ook afzetmogelijkheden oplevert voor Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen. Hiertoe worden samen met de Wereldbank en VN-organisatie voor landbouw en voedsel (FAO) daarom ook een aantal pilots in ontwikkelingslanden ontwikkeld. Daarnaast zet het kabinet zich in om de internationale reputatie van Nederland te behouden en te versterken, bijvoorbeeld als voorloper op het gebied van climate-smart agriculture.

Gezonde, welzijnsvriendelijk gehouden dieren, gezonde planten en gezond plantmateriaal zijn van groot belang voor de Nederlandse concurrentiepositie. Het kabinet levert in 2013 op veterinair en fytosanitair gebied versterkte actieve inbreng in bilateraal en multilateraal verband (onder andere door economische diplomatie) voor markttoegang en exportkansen voor het Nederlandse bedrijfsleven, het voorkomen van onnodige handelsbelemmeringen en het versterken van de Nederlandse concurrentiekracht. Dit zal ook de inzet zijn bij de aanstaande wijzigingen van EU-wetgeving op fytosanitair gebied. De Nieuwe Nota Duurzame Gewasbescherming voor de periode 2013–2023 wordt gepresenteerd en geïmplementeerd.

EL&I geeft mede vorm aan Europese wettelijke kaders en EU-beleid op het terrein van de veiligheid van voedsel, vleeskeuring, diervoeders, diergeneesmiddelen en nieuwe technologieën. Voor de verduurzaming van de voedselproductie zet het kabinet in op een vraaggestuurde ketenbenadering. Speerpunten zijn het verwaarden van reststromen (voedselverspilling) en transparantie in de keten over duurzame productiewijzen. Daarnaast zet het kabinet in op economisch vitale en duurzaam opererende plantaardige ketens, waar Nederland een vooraanstaande mondiale positie bekleedt. In 2020 zal een transitie hebben plaatsgevonden naar een toekomstbestendige duurzame en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij. Om dat te bereiken stimuleert en faciliteert het kabinet onder andere integraal duurzame stallen en houderijmethoden voor de veehouderij. De aanpak is gericht op twee sporen: ketengestuurde verduurzaming en een zorgvuldige inpassing van veehouderijbedrijven in de lokale leefomgeving. In dat kader staat ook de discussie over de schaalgrootte intensieve veehouderij. Via de Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens worden deze ontwikkelingen verder gestimuleerd en gemonitord13.

Het kabinet zet in op verbetering dierenwelzijn door onder meer verhoging van dierenwelzijnsambitie en welzijnsnormen in EU-verband en verbetering van de naleving van de bestaande regels voor dierenwelzijn. Inzet op spoedige uitvoering van het «Convenant onbedwelmd ritueel slachten volgens religieuze riten,» mede door wettelijke borging van de convenantsafspraken in een AMvB. Ook zet het kabinet nationaal en in EU- en internationaal verband in op een hoog niveau van diergezondheid.

Belangrijke stap hiertoe is de vermindering van het antibioticagebruik in de veehouderij met 50% in 2013 (ten opzichte van 2009) en een verdere reductie daarvan in 201514. Daarnaast werkt het kabinet aan de preventie van dierziekten, een maatschappelijk verantwoorde dierziektebestrijding met inzet van (nood)vaccinatie en het verminderen van risico op insleep van dierziekten uit andere landen.

In Nederland wordt meer mest geproduceerd dan milieuverantwoord op Nederlandse bodem afgezet kan worden. Het kabinet zet in op inwerkingtreding van de nieuwe mestwet per 1 januari 2013, waarmee gestuurd wordt op de aanpak van het mestoverschot en niet langer op dieraantallen. Het komend jaar werkt het kabinet met de sector aan verantwoorde mestafzet en verplichte mestverwerking, mede ter vervanging van de dierproductierechten. Dit stelsel beoogt een impuls te geven aan het tot waarde brengen van mest door ondernemers, beoogt de druk op de mestmarkt te verlagen en daarmee ook de milieudruk te verminderen15. Tevens moet het een stevige basis bieden voor onderhandelingen en inhoudelijke overeenstemming met de Europese Commissie uiterlijk in het voorjaar van 2013 over het Vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 en een nieuwe derogatie.

Ten aanzien van het groen onderwijs werkt het kabinet in 2013 de prestatie-en profileringsafspraken uit de Strategische Agenda Hoger onderwijs uit. Ook wordt gewerkt aan versterking van de grijs-groene samenwerking binnen het onderwijsveld, gericht op de doelen van de Human Capital Agenda's (HCA). De grootste uitdaging wordt de uitrol van deze HCA, met als belangrijke onderdelen het verbeteren van de (regionale) verbinding tussen onderwijs en bedrijfsleven en versterken van het imago van goed werkgeverschap van de topsectoren.

5. Werken aan een toekomstbestendige energievoorziening16

Energie is een noodzakelijke voorwaarde voor het functioneren van de economie. De gehele energiesector omvat zo’n € 36 mld, ruim 6% van het BBP en een arbeidsvolume van meer dan 100 000 arbeidsplaatsen. De energiesector is een belangrijke economische kracht die groei, banen en inkomsten oplevert. Nederland wordt op de lange termijn minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en schakelt geleidelijk over op hernieuwbare energie. Met dit doel voor ogen streeft het kabinet naar een evenwichtige mix van verschillende vormen van energie. Dat verzekert een betrouwbare aanvoer van energie, voorkomt onnodig hoge energiekosten voor mensen en bedrijven en mobiliseert de kracht van de energiesector.

Het is de ambitie van dit kabinet om te komen tot 20% CO2-reductie en 14% duurzame energieproductie in 2020, conform de EU-afspraken (zoals vastgelegd in het energierapport 2011). Het huidige aandeel van duurzame energie in de Nederlandse productie is ruim 4%. Belangrijk middel voor de bevordering van een groter aandeel duurzame energie is de stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+). Het doel van de SDE+ is om zoveel mogelijk duurzame energie te produceren per publieke euro, daarom geeft het kabinet voorrang aan de meest kostenefficiënte duurzame energie projecten. Op de langere termijn zijn nieuwe technologieën voor de productie van duurzame energie belangrijk. Deze technieken, zoals het gebruik van wind op zee zijn nu nog relatief duur. Om duurzame energie goedkoper te maken, stimuleert het kabinet ook in 2013 de ontwikkeling van nieuwe energietechnieken via het energie-innovatiebeleid, waarin de topsectorenaanpak centraal staat. In het Begrotingsakkoord zijn onder andere extra middelen beschikbaar gesteld om de aanschaf van zonnepanelen voor de eigen energiebehoefte te stimuleren en om decentrale energie-opwekking aantrekkelijker te maken.

EL&I streeft ook bij de uitwerking van het specifieke energie- en klimaatbeleid voor de landbouw naar het stimuleren van groene(re) economische groei (win-win). Decentrale duurzame energieopwekking door de landbouw (biogas, groen gas, windenergie, zonne-energie en aardwarmte) speelt daarbij een sleutelrol.

Kernenergie vormt een onderdeel van de energiemix. Veiligheid staat daarbij vanzelfsprekend voorop. De uitkomsten van de in 2012 uitgevoerde stresstest bij alle nucleaire inrichtingen worden in 2013 geïmplementeerd. Kernenergie en het gebruik van radioactieve stoffen vraagt om een goed oplossing voor het radioactieve afval. In 2013 start een interactief beleidsproces zodat in 2014 een radioactief afvalstoffenplan kan worden vastgesteld. In 2014 zal een International Atomic Energy Agency (IAEA) review team ons land bezoeken en beoordelen of Nederland voldoet aan de eisen die deze organisatie stelt. De IAEA schrijft voor dat Nederland in 2013 een zelfevaluatie uitvoert.

De Gasrotondestrategie wordt voortgezet: gas is niet alleen cruciaal voor onze voorzieningszekerheid, maar levert ook belangrijke economische activiteiten en speelt een belangrijke rol bij de inpassing van duurzame energie zoals windenergie. In 2013 zal aandacht worden gegeven aan o.a. de vergroening van de Gasrotonde middels de inpassing van groen gas, de flexibele inzet van gas in een duurzame energiehuishouding en het Innovatiecontract Gas in het kader van Topgebied Energie en Green Deal LNG. Op internationaal niveau zal verder worden ingezoomd op nieuwe innovaties en technologieën om zodoende de concurrentiekracht van de gassector te versterken. Tevens zal in opdracht van EL&I onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheden en effecten van schaliegas in Nederland, dat in potentie kan bijdragen aan de energievoorzieningszekerheid, economisch potentieel en technische innovaties. In 2013 zal de derde Voortgangsrapportage Gasrotonde worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

De rijkscoördinatieregeling is eveneens van groot belang voor het realiseren van andere grote energieprojecten. Dit betreft onder meer investeringen in betrouwbare en betaalbare elektriciteit- en gasnetten. Deze zijn cruciaal voor de energievoorziening. Binnen het Pentalaterale Energie Forum richt de aandacht zich in 2013 op het versterken van de regionale marktintegratie, de samenwerking op het gebied van leveringszekerheid (ontwikkeling vraag en aanbod) en de ontwikkeling van een robuuste infrastructuur. In dit kader is in 2013 de invoering van een verdergaande marktkoppeling voorzien.

Met het oog op een betrouwbare, duurzame en betaalbare elektriciteitsvoorziening in Caribisch Nederland ondersteunt het ministerie de transitie naar nieuwe renderende elektriciteitsbedrijven per ultimo 2013 op Saba en St. Eustatius onder meer met de inzet van een transitiemanager. Het streven van het bestuur van Bonaire om de elektriciteitsvoorziening op orde te krijgen wordt onder meer ondersteund door een audit vanuit het ministerie op het elektriciteitsbedrijf WEB. Inmiddels wordt ook gewerkt aan een regulerend kader voor de elektriciteitsvoorziening op alle eilanden dat in 2013 geïmplementeerd zal worden.

De Elektriciteit- en gasregelgeving borgt de publieke belangen van voorzieningszekerheid en betaalbaarheid en heeft bijgedragen aan efficiënt beheer van de energienetten en daarmee aan concurrerende tarieven. Veelvuldige wijzigingen aan de Elektriciteits- en Gaswet hebben geleid tot complexe wetgeving. In 2013 zal het wetsvoorstel Stroom worden ingediend bij de Tweede Kamer. Naast veiligheid en voorzieningzekerheid zal betaalbaarheid een belangrijk element zijn in deze wet. De algehele herziening van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 is er op gericht de wetgeving beter aan te laten sluiten op vormgeving van de EU- regels, de transitie naar duurzame energie te ondersteunen en regeldruk, investeringsrisico’s en uitvoeringslasten te verminderen. In dit kader zal EL&I onder meer een algemene maatregel van bestuur vormgeven die het mogelijk maakt experimenten met lokale duurzame initiatieven te doen in afwijking van de reguliere wettelijke kaders.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

In de aansluitende tabel wordt een meerjarig overzicht gegeven van de middelen die in 2012–2016 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het topsectorenbeleid. Een afnemend deel van deze middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. De verantwoording over deze budgetten vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren (kasbedragen x € 1 mln)
 

2012

2013

2014

2015

2016

Budgethouder

I Generiek

           

A. Ondernemerschap, innovatie en onderwijs

           

– Innovatiefonds MKB+

76

89

100

111

64

EL&I

– RDA

250

375

500

500

500

EL&I/FIN

– Aanvullend fiscaal innovatiepakket (WBSO, 30% expatregeling)1

30

10

10

10

10

EL&I/FIN

II Specifiek voor topsectoren

           

B. Kennis en innovatie

           

– NWO/KNAW aandeel topsectoren2

179

179

260

350

350

OCW

– Toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO)

215

211

230

250

250

EL&I, DEF

– Bevorderen innovatiekracht topsectoren3

286

325

267

191

144

EL&I

– Profilering kennisinfrastructuur

46

46

46

46

46

OCW

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

           

– Professionele masters

0

7

7

7

7

OCW

– Centra voor Innovatief Vakmanschap

4

4

4

4

0

OCW/EL&I

– Stimuleren beta en techniek

23

16

5

5

0

OCW

– Centers of Expertise

21

21

21

21

21

OCW

D. Internationaal

           

– Internationaal ondernemen en ontwikkelingsamenwerking

200

235

270

300

300

BuZa

– Internationaal ondernemen

10

10

10

10

10

EL&I

E. Specifieke bijdragen departementen

           

– VWS: Life Sciences & Health/zorg

98

86

68

49

55

VWS

– EL&I: Energie-innovatie (excl. ECN)4

81

100

90

101

70

EL&I

– EL&I: Voeding + tuinbouw

30

35

40

50

50

EL&I

– I&M: Logistiek

3

5

17

25

25

I&M

– I&M: Water

12

13

13

25

25

I&M

– OCW: Creatief5

0

11

11

11

11

OCW

– Defensie

16

16

16

16

16

DEF

– V&J: Cyber security

1

0

0

0

0

V&J

             

Totaal

1 581

1 794

1 985

2 082

1 954

 
X Noot
1

Het bedrag in 2012 is bestemd voor het vaststellen van het plafond in de WBSO op € 14 mln en voor aanpassingen in de 30% regeling voor expats (zie Belastingplan 2012). In 2013 en verder is het bedrag bestemd voor aanpassingen in de 30%–regeling. De oorspronkelijk bedoelde RDA+ wordt als gevolg van besluitvorming in 2012 vormgegeven als een TKI–toeslag en is als zodanig in artikel 12 van de EL&I–begroting weergegeven, zie ook punt 7 van deze tabel.

X Noot
2

Voor 2014–2016 zijn dit streefcijfers.

X Noot
3

Inclusief TKI–toeslag (zie artikel 12 van de EL&I–begroting).

X Noot
4

Het budget genoemd onder onderdeel 13 EL&I: Energie–innovatie (exclusief ECN) is te herleiden uit meerdere posten genoemd in de tabel budgettaire gevolgen van beleid onder artikel 14. Het gaat hierbij om de volgende posten: Topsectoren Energie, Energie–Innovatie, SDE+, Overige subsidies en bijdrage baten–lastendiensten.

X Noot
5

Dit bedrag is voor 2013–2016 gecommitteerd in het kader van de Basisinfrastructuur Cultuur.

Agendering beleidsdoorlichtingen

Artikel

2013

2014

2015

2016

11

Goed functionerende economie en markten

   

x

 

12

Een sterk innovatievermogen

   

x

 

13

Een excellent ondernemingsklimaat

 

x

   

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

x

     

15

Een sterke internationale concurrentiepositie

 

x

   

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

 

x

   

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

x

     

18

Natuur en regio

   

x

 

Toelichting

Het instrument van de periodieke beleidsdoorlichting is in de geïntegreerde EL&I-begroting voortgezet. De in begroting 2012 voorgenomen planning wordt ongewijzigd gehandhaafd. Vanaf 2013 zullen alle algemene beleidsdoelstellingen periodiek worden doorgelicht. De uitkomsten hiervan worden aan de Tweede Kamer aangeboden.

2.1.1 Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2013

Onderstaand is een selectie opgenomen van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) vanaf de standen van de Voorjaarsnota. Bijlage 4.5 van de begroting, de Verdiepingsbijlage, geeft de toelichting op alle nieuwe mutaties.

I. Uitgaven (x € 1 mln)

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerpbegroting 2012

5 372,8

5 091,0

4 722,3

4 566,3

4 399,9

 

Mutaties Voorjaarsnota 2012

126,3

56,8

17,1

20,2

– 2,4

 

Stand Voorjaarsnota 2012

5 499,1

5 147,8

4 739,4

4 586,5

4 397,5

 
             

Nieuwe mutaties

           

Artikel 12: Toeslag Topconsortia Kennis en Innovatie

 

90,0

90,0

90,0

90,0

 

Artikel 13: Schadebetalingen BMKB

27,0

28,0

18,0

6,0

   

Artikel 13: Beperking taakstelling NBTC

0,2

4,7

5,7

4,0

4,0

 

Artikel 14: Wijziging uitfinanciering MEP/SDE

– 8,5

– 30,7

– 49,9

– 17,3

– 6,7

 

Artikel 17: Niet invoeren leeftijdsgrens van 30 jaar bij MBO

 

7,3

10,0

14,9

14,9

 

Artikel 18: Decentralisatie naar PF en GF

– 47,6

– 25,6

– 25,8

– 18,6

– 12,9

 

Diverse artikelen: Taakstelling Begrotingsakkoord 2013

0

– 53,0

– 53,0

– 53,0

– 53,0

 

Totaal van de overige nieuwe mutaties, incl. kasschuif

– 35,0

60,7

80,4

– 48,5

51,5

 

Stand ontwerpbegroting 2013

5 435,2

5 229,2

4 814,8

4 564,0

4 485,3

4 412,8

Toelichting nieuwe mutaties

Artikel 12, Toeslag Topconsortia Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

De TKI-toeslag is bedoeld om privaatpublieke samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie te stimuleren. Deze samenwerking is vormgegeven in Topconsortia voor Kennis en Innovatie. Binnen de TKI’s wordt op programmatische basis samengewerkt op terreinen, zoals belegd binnen de innovatiecontracten van de topsectoren.

Artikel 13, Schadebetalingen BMKB

Als gevolg van de verslechtering van het economisch klimaat leiden in het verleden afgegeven garanties van de BMKB tot meer schadebetalingen in 2012 dan eerder geraamd. De verwachting is dat hiervoor in 2012 een bedrag van € 67 mln noodzakelijk is. Hiervan is € 40 mln bij Voorjaarsnota 2012 aan artikel 13 toegevoegd, thans wordt het resterende aandeel van € 27 mln beschikbaar gesteld. Ook voor de jaren 2013 tot en met 2015 worden meer schadebetalingen verwacht op afgegeven borgstellingen.

Artikel 13, Beperking taakstelling Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC)

Deze mutatie is het gevolg van de toezegging aan de Tweede Kamer, tijdens de begrotingsbehandeling 2012, om de structurele korting op de subsidie aan het NBTC te beperken tot 50%.

Artikel 14, Wijziging uitfinanciering MEP/SDE

De betalingen op reeds toegezegde beschikkingen van de MEP en SDE regelingen vallen in de eerstkomende jaren lager uit dan geraamd. Daarnaast is sprake van vertraging in de oplevering van SDE-projecten waardoor de uitfinanciering van de SDE voor een deel zal verschuiven naar de jaren 2018–2031. De per saldo in de eerstvolgende jaren optredende vrijval van middelen wordt aangewend ter dekking van de financiële problematiek op de EL&I begroting. Dit betreft onder andere de verhoging van het CBS-budget voor nieuwe verplichte EU-statistieken (artikel 11), zorgdragen voor co-financiering Eureka en JTI (artikel 12), het beperken van de taakstelling van de NBTC (artikel 13) en het in evenwicht brengen van het geheel van knelpunten en beschikbare middelen over de jaren.

Artikel 17, Niet invoeren leeftijdsgrens van 30 jaar bij MBO

In het Begrotingsakkoord 2013 is besloten af te zien van het invoeren van een leeftijdsgrens van 30 jaar voor bekostiging MBO. Hierdoor blijft de publieke bekostiging voor MBO-studenten van 30 jaar en ouder gehandhaafd.

Artikel 18, Decentralisatie naar Provinciefonds (PF) en Gemeentefonds (GF)

Het rijksbeleid ten aanzien van het herstructureren van bedrijventerreinen is gewijzigd. Uit het convenant tussen Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal overleg (IPO) en het Rijk vloeit onder meer voort dat waar mogelijk en wenselijk de beschikbare rijksmiddelen worden gedecentraliseerd. Het gaat onder andere om de bedrijventerreinen «Port Valley stadshavens Rotterdam» en het project OLV-Greenport voor de verbetering van de aansluiting van Greenpoort Aalsmeer en veilingcomplex Flora Holland op het logistieke gebiedsontwikkeling van Schiphol. Daarnaast worden de nog niet verplichte middelen voor de Zuiderzeelijn overgeheveld naar de noordelijke provincies.

II. Begrotingsakkoord 2013

Intensiveringen Begrotingsakkoord

In het Begrotingsakkoord is in het kader van de vergroening onder andere afgesproken extra middelen uit te trekken voor intensivering duurzame economie (€ 200 mln) en intensivering natuur (€ 200 mln). Deze extra middelen zijn voorlopig geraamd op een Aanvullende Post van de Rijksbegroting, uitgezonderd de middelen voor de subsidieregelingen zonnepanelen (€ 22 mln in 2012 en € 30 mln in 2013) die in de Voorjaarsnota 2012 op de EL&I begroting zijn verwerkt. Wanneer het beoogde beleid vertaald is in concrete maatregelen, zullen de betreffende middelen aan de departementale begrotingen worden toegevoegd.

Taakstelling Begrotingsakkoord

In het Begrotingsakkoord is aan departementen een structurele taakstelling opgelegd van € 875 mln. Het EL&I-aandeel bedraagt € 53 mln per jaar vanaf 2013. Voor de eerste jaren van de taakstelling is gebruik gemaakt van de vrijval in de betalingsverplichtingen MEP en SDE (artikel 14). Voor 2017 wordt de taakstelling ingevuld door een proportionele verdeling over de beleidsartikelen en een specifieke éénmalige verlaging op de budgetten voor innovatieprogramma’s (– € 7 mln) en innovatieprestatiecontracten (– € 9 mln) op artikel 12 , KvK’s/ ondernemerspleinen (– € 10 mln) op artikel 13 en de uitgaven voor inkoop (– € 7 mln) op artikel 40. Structureel (vanaf 2018) wordt de taakstelling ingevuld door een proportionele verdeling van de taakstelling over de beleidsartikelen en een stucturele verlaging van de uitgaven voor inkoop.

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Taakstelling begrotingsakkoord

           

Artikel 11 Goed functionerende economie markten

       

– 1,4

– 1,7

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

       

– 2,3

– 18,8

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

       

– 1,6

– 12,0

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

– 53,0

– 50,5

– 47,1

– 35,7

– 6,2

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-,visserij- en voedselketens

       

– 1,9

– 2,4

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

   

– 2,5

– 2,9

– 4,5

– 4,2

Artikel 18 Natuur en regio

       

– 0,6

– 0,7

Artikel 40 Apparaat

     

– 3,0

– 5,0

– 7,0

             

Totaal taakstelling

 

– 53,0

– 53,0

– 53,0

– 53,0

– 53,0

III. Ontvangsten (in € mln)

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Stand ontwerp- begroting 2012

12 932,6

11 664,1

10 140,7

9 840,7

9 728,6

 

Ontvangstenmutaties Voorjaarsnota

– 349,6

1 472,1

2 471,7

2 375

1 862,7

 

Stand ontwerp-begroting na Voorjaarsnota

12 583,0

13 136,2

12 612,4

12 215,7

11 591,3

 
             

Nieuwe mutaties

           

Artikel 14: Aardgasbaten

200,0

– 250,0

50,0

650,0

1 150,0

 

Artikel 16: Douanerechten op landbouwproducten

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

 

Totaal van de overige nieuwe mutaties

17,4

– 15,9

– 16,7

– 16,9

– 16,2

 

Stand ontwerpbegroting 2013

12 750,4

12 820,3

12 595,7

12 798,8

12 675,1

12 214,3

Toelichting nieuwe mutaties

Artikel 14, Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2012 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro Economische Verkenning (MEV). Hierbij wordt voor 2013 uitgegaan van een productievolume van 72 mld/m3 beursprijs voor aardgas van 23,9 ct/m3, Euro/dollarkoers van 1,25 en een olieprijs van 95 (Brent, $).

Artikel 16, Douanerechten op landbouwproducten

Als gevolg van de economische crisis in Europa is sprake van een afname van de hoeveelheid ingevoerde landbouwproducten.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid.

Rol en Verantwoordelijkheid

In een vooral regisserende rol bevordert de Minister van EL&I het goed functioneren van markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving. EL&I gaat mededingingsbeperkende gedragingen tegen met de Mededingingswet en schept de voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden met de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet en de Metrologiewet. Het wetvoorstel Aanbestedingswet beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen. Daarnaast bevordert de Minister een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid. Tot slot draagt de Minister bij aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem), diverse organisaties op gebied van metrologie en markttoezichthouders (NMa, OPTA en Consumentenautoriteit).

EL&I heeft op grond van de Telecommunicatiewet de taak om regels te stellen voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Dit onder andere door verkeersregels op te stellen voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld. Door verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte worden hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen gerealiseerd. EL&I financiert daartoe een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en verricht uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

Met de Postwet wordt de postmarkt gereguleerd en een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post gewaarborgd (universele postdienst).

De Minister van EL&I heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Ingevolge de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek (Staatsblad 2003, 516), heeft het ZBO CBS tot taak het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken en is het CBS op nationaal niveau belast met de productie van communautaire statistieken. EL&I financiert het CBS daartoe.

Beleidswijzigingen

Per 1 januari 2013 gaat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) van start, die ontstaat door de samenvoeging van de NMa, OPTA en Consumentenautoriteit. Vanaf die datum is de ACM belast met de taken die nu nog bij de NMa, OPTA en Consumentenautoriteit zijn belegd. Tevens vindt in 2013, naar verwachting, de parlementaire behandeling plaats van het wetsvoorstel dat de procedures en het handhavingsinstrumentarium van de ACM vereenvoudigt en stroomlijnt. Dit wetsvoorstel beoogt het ACM toezicht effectiever en efficiënter te maken.

In 2013 treedt naar verwachting de wijziging van de Postwet 2009 in werking, waarmee de bevoegdheden van OPTA op het gebied van informatievordering en het opleggen van boetes wordt aangescherpt. Daarnaast vindt naar verwachting de parlementaire behandeling plaats van het wetsvoorstel waarmee het toezicht op de postmarkt wordt aangevuld met een aanmerkelijke marktmacht (AMM) instrument. Zo’n instrument geeft OPTA vergaande bevoegdheden om, wanneer de markt onvoldoende concurrerend is, ex ante verplichtingen op te leggen aan een partij die een aantoonbare dominante positie heeft. Hiermee kan worden voorkomen dat die positie gebruikt kan worden om concurrentie te belemmeren. Afhankelijk van de uitkomst van nader onderzoek naar de maandagbezorging, wordt daarbij mogelijk ook voorgesteld het aantal verplichte bezorgdagen in de universele postdienst terug te brengen van zes naar vijf dagen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln
   

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

236,9

230,5

218,2

197,5

193,0

190,3

192,8

UITGAVEN

237,7

234,5

219,9

198,6

193,0

191,1

190,6

Waarvan juridisch verplicht

   

97%

       
                 

Subsidies

             

Digitalisering regionale radio

0,0

1,1

1,7

1,7

1,4

0,1

1,1

Opdrachten

             

Onderzoek en Opdrachten

2,9

1,6

2,7

2,5

2,6

2,8

2,8

PIANOo/TenderNed

6,1

6,8

5,9

6,9

6,9

6,5

6,5

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

4,9

6,0

4,2

3,9

5,8

6,5

5,5

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

Agentschap Telecom

11,0

11,5

11,1

10,3

10,1

10,1

10,0

Agentschap NL

0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

             

Metrologie

14,6

14,7

14,3

13,9

13,7

13,6

13,6

Raad voor Accreditatie

0,2

0,2

0,2

0,3

0,1

0,1

0,1

ACM (NMa/OPTA)

2,9

3,1

3,1

2,3

2,2

2,2

2,1

CBS

191,7

185,6

172,8

152,8

146,5

145,3

145,1

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

0,8

1,1

1,1

1,1

1,0

1,2

1,2

Internationale organisaties

2,3

2,8

2,7

2,7

2,6

2,6

2,6

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

                 

ONTVANGSTEN

77,0

71,9

52,3

52,3

52,3

43,4

20,2

Ontvangsten NMa

3,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

High Trust

21,4

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

20,0

Diverse ontvangsten

52,2

40,8

21,2

21,2

21,2

12,3

0,2

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln.
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

BTW-vrijstelling Post

202

203

215

213

210

207

204

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2013 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 74% juridisch verplicht, het betreft uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen en uitgaven die op grond van de Aanbestedingswet worden gedaan door PIANOo en TenderNed.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2013 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 190 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO's/RWT's. Hiervan is 98% niet flexibel inzetbaar in 2013 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave De Digitale Economie van het CBS.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Raming 2013

Streef-

waarde

Planning

Bron

Penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens

<1%

2012

>5%

50%

2016

CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop en leidt daarnaast tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen op één centrale plaats alle openbare (overheids)opdrachten vinden. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet zullen aanbestedende diensten verplicht worden het aankondigingenplatform van TenderNed te gebruiken.

Daarnaast streeft Nederland ernaar dat ook op Europees niveau wordt gekomen tot vereenvoudiging en modernisering van de Europese aanbestedingsregels. Nederland participeert in de onderhandelingen tot herziening van de Europese aanbestedingsregels.

Voornaamste acties in 2013:

  • Afhankelijk van de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet in 2013 zullen alle openbare (overheids)opdrachten op TenderNed te vinden zijn. Daarnaast zal TenderNed in 2013 een inschrijfmodule en bedrijfsregister bevatten wat zal leiden tot aanvullende lastenvermindering voor ondernemers.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

De begrote bedragen zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties:

  • De huidige UMTS vergunningen lopen in 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in de UMTS band (2 GHz) wordt voor de zomer geconsulteerd.

  • Het omroepdistributiebeleid (het beleid ten aanzien van de verspreiding van omroeptoepassingen via de verschillende infrastructuren (kabel, Internet Protocol TV, ether en satelliet), inclusief besluitvorming over de bestemming van het Ultra High Frequence spectrum (470–790 MHz) wordt verder uitgewerkt en geïmplementeerd.

  • Ten behoeve van een succesvolle introductie van digitale etherradio wordt de samenwerking tussen de betrokken partijen, waaronder de commerciële en publieke omroepen, gestimuleerd en gefaciliteerd onder meer door hen bij elkaar brengen in een overlegplatform en hen te ondersteunen bij de promotie van digitale radio.

  • In 2013 zal – op basis van het in 2012 geconsulteerde uitgiftebeleid – een verdeling plaatsvinden van beschikbare ruimte in de 3,5 GHz-frequentieband. Naast de Europese verplichtingen voor deze frequentieband staan de marktbehoeften centraal.

  • Nederland zal de wijziging van de richtlijn voor radio- en randapparatuur (R&TTE) in 2013 implementeren in een voorstel voor wetswijziging (Telecommunicatiewet). De richtlijn beschrijft de essentiële (veiligheids)eisen waaraan genoemde apparatuur moet voldoen om op de Europese markt gebracht te mogen worden.

  • Er komt een integrale aanpassing van het Nationaal Frequentieplan (NFP), met daarin onder andere de aanpassingen naar aanleiding van de door de ministeries in te dienen Behoefte-onderbouwingsplannen (BOP) met betrekking tot het gebruik van spectrum voor vitale overheidstaken.

  • De juridische procedures naar aanleiding van genomen besluiten ten aanzien van uitgifte van vergunningen (waaronder de veiling van de 800/900/1800 MHz-frequenties) en bestemmingswijzigingen in het NFP, worden behandeld.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3 763

3 874

3 802

3 7111

dalend

Bron: TNO

X Noot
1

betreft waarde van derde kwartaal 2011

Toelichting

De Herfindahl-Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Daardoor zou de HHI-waarde moeten dalen.

De doelstelling is om het aantal vergunningscategorieën23 met tien procent terug te brengen (van 47 naar 42) in een periode van 5 jaar. Dit heeft tot gevolg dat gebruiksmogelijkheden van frequenties worden verruimd en wordt aangesloten bij veranderende marktomstandigheden en technologische ontwikkelingen.

Indicator

Referentie-

Waarde

Peil-

datum

Raming 2012

Streef-

waarde

Planning

Bron

Het aantal vergunningscategorieën ten behoeve van het gebruik van frequentiebanden

47

1 januari 2009

dalend

42

2013

Agentschap Telecom

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken.

Voornaamste acties in 2013:

  • Het wetsvoorstel Verzamelwet Telecommunicatiewet, dat diverse inhoudelijke wijzigingen van deze wet bevat en dat de effectiviteit van het bestaande beleid zal versterken, wordt in de tweede helft van 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • De wet- en regelgeving over continuïteit wordt aangescherpt en de voorstellen bevatten passende organisatorische en technische maatregelen ter borging van de continuïteit.

  • Met netwerkaanbieders worden oplossingen uitgewerkt om in geval van grote verstoringen gebruik te maken van elkaars netwerken.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie.

ACM (NMa/OPTA)

Het toezicht op de naleving van de Mededingingswet is opgedragen aan de NMa. De NMa handhaaft het verbod op kartels en op misbruik van een economische machtspositie en toetst eveneens fusies en overnames. Naast het toezicht op de Mededingingswet is de NMa belast met het toezicht op een aantal sectorspecifieke wetten: de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet op het gebied van energie (zie artikel 14) en een aantal wetten op het gebied van vervoer die vallen onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van de Raad van Bestuur van de NMa. De apparaatsuitgaven van de NMa zijn geraamd op artikel 40.

Als onderdeel van het beleid dat is gericht op het goed functioneren van markten financiert EL&I de Consumentenautoriteit (CA; waarvan de apparaatsuitgaven zijn geraamd op artikel 40), die samen met de NMa en OPTA op zal gaan in de ACM. ConsuWijzer is een samenwerking tussen de toezichthouders CA, NMa en OPTA en biedt op laagdrempelige wijze informatie over de rechten en plichten van consumenten. Daarnaast heeft ConsuWijzer als doel om de ACM te voorzien van toezichtsinformatie (signaalfunctie).

OPTA houdt toezicht op de telecommunicatie- en postmarkt. Het geraamde bedrag in de tabel is het deel van de kosten voor dit toezicht dat door de overheid wordt gedragen, namelijk de kosten voor uitvoeringstoetsen op voorgenomen wet-en regelgeving, voor bezwaar en beroep en voor een klein deel van het toezicht op de uitgevers van persoonsgebonden gekwalificeerde certificaten (Trusted Third Parties). Alle overige taken van OPTA worden door de onder toezichtgestelde partijen in de telecommunicatie-, respectievelijk postsector gefinancierd.

Per 1 januari 2013 gaat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) van start.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming 2013

Streefwaarde

Planning

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

47%

48%

2015

ConsuWijzer

Klanttevredenheid ConsuWijzer

7,4

2011

7,2

7,21

2015

ConsuWijzer

Aantal bezoeken website

2,0 mln

2011

2,1 mln

2,1 mln

2015

ConsuWijzer

Percentage hulpmiddelen geraadpleegd door consumenten

8%

2011

9%

10%

2015

ConsuWijzer

X Noot
1

Gegeven de vergelijking met andere websites, is 7,2 een realistisch streven.

Toelichting

Voor meting van de effectiviteit van ConsuWijzer.nl, wordt onderzocht hoeveel hulpmiddelen zoals voorbeeldbrieven en checklists op de website worden geraadpleegd. Deze hulpmiddelen stellen de consument beter in staat om zijn recht te halen. Verder wordt tweejaarlijks onderzocht wat het percentage consumenten is dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan de website.

In de internationale vergelijking op een aantal onderwerpen die raken aan het vertrouwen van consumenten, scoort Nederland relatief hoog. De Omgevingsindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen. De score van Nederland in deze index bedraagt 69 voor het jaar 2011, daar waar de vergelijkbare EU27 index 62 is. Voor een uitgebreide benchmark van de Nederlandse score op gebied van consumentenvertrouwen wordt verwezen naar de jaarlijkse Country Consumer Statistics rapportage: http://ec.europa.eu/consumers/consumer_research/editions/cms7_en.htm.

CBS

Het CBS wil een toonaangevend kennisinstituut zijn dat kan inspelen op de vraag naar statistische informatie van beleid, wetenschap en maatschappij. Dit door het samenstellen en publiceren van onbetwiste, samenhangende, actuele statistische informatie die relevant is voor praktijk, beleid en wetenschap. Om dit te realiseren is het vereist dat de kwaliteit van de statistische informatie gegarandeerd is. Hiermee wordt de (wetenschappelijke) kwaliteit van de statistieken geborgd en wordt het CBS door de gebruikers als gezaghebbende bron van betrouwbare en valide statistische informatie beschouwd. Tevens wordt het optimaliseren van het gebruik van de statistieken van het CBS voor de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid door onder meer de ministeries (en daarmee de maatschappelijke relevantie van het CBS) nagestreefd.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van de werkzaamheden die voortvloeien uit richtlijn 98/34/EG over de notificatie van normen en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die gaat over het geven van informatie over normen. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • International Telecommunications Union (ITU): De activiteiten in de ITU zullen zich richten op de afspraken die op de World Conference International Telecommunications (WCIT) van december 2012 worden gemaakt. Hier zijn nieuwe International Telecommunications Regulations (internationaal verdragsrecht) vastgelegd op onder andere onderwerpen als internationale roaming en spam.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen.

  • The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC): EL&I streeft naar een betere «accountability and transparancy» van de private organisatie ICANN door deze kwestie te blijven agenderen in GAC. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van nieuwe internetextensies die ICANN zal uitgeven in samenwerking met de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN).

  • Internet Governance Forum (IGF): Het Internet Governance Forum is het discussieforum waar ontwikkelingen op het gebied van internet met alle betrokken partijen (overheid, markt, non-profit organisaties) worden besproken.

  • Bijdragen aan internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten uit boetes die toezichthouders van EL&I opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de NMa.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat Nederland in 2020 mondiaal tot de top 5 van de kenniseconomieën behoort. Nederland neemt nu de vijfde plaats in op de ranglijst van het World Economic Forum.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich daarnaast ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijfslevenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor meer dan € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan ten minste 40% wordt gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

EL&I stimuleert – vanuit haar Rijksbrede verantwoordelijkheid voor innovatiebeleid – private uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) en innovatie. Innovatie, de vernieuwing van producten, diensten en productieprocessen, is een belangrijke bron voor welvaartsgroei. Innovatie verhoogt de productiviteit van bedrijven, verbetert onze concurrentiepositie en draagt bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Ondernemers en bedrijven die innoveren lopen (financiële) risico’s. Omdat ondernemers zich de bijkomende maatschappelijke baten van innovatie niet volledig kunnen toe-eigenen, zullen zij zonder overheidsinterventie minder innoveren dan maatschappelijk gezien gewenst is. EL&I stimuleert daarom innovatie en doet dit op diverse manieren, onder andere met de WBSO, de RDA en het Innovatiefonds MKB+. Deze generieke maatregelen maken deel uit van het bedrijfslevenbeleid.

Daarnaast bevordert EL&I samenwerking binnen de gouden driehoek van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid, met name binnen de negen topsectoren. Door publiek onderzoek meer in samenwerking met het bedrijfsleven te laten plaatsvinden bevordert EL&I dat publiek gefinancierde kennisontwikkeling beter benut wordt door het bedrijfsleven en voor maatschappelijke toepassingen. Daarbij wordt de publieke kennisontwikkeling in sterkere mate gericht op de topsectoren in het bedrijfslevenbeleid volgens onderzoekroadmaps die ten uitvoer worden gebracht door Topconsortia voor Kennis en Innovatie.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2013

Streef-

waarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP

1,85%

2010

1,9%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

0,89%

2010

1,0%

n.v.t.

 

CBS

– waarvan publieke sector

0,96%

2010

0,9%

n.v.t.

 

CBS

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO) zijn voor 2010 te becijferen op 1,00% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO) op 0,85% van het BBP. Deze raming inclusief uitsplitsing is door EL&I gedaan op basis van de recentste gegevens over de publieke financiering van R&D van het Rathenau Instituut.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

976,1

735,0

607,7

568,9

500,3

420,2

414,2

UITGAVEN

883,7

815,7

795,8

709,1

587,4

485,6

444,5

Waarvan juridisch verplicht

   

67%

       
               

Leningen

             

– Innovatiefonds: innovatiekrediet

35,8

57,0

65,3

76,5

85,4

38,5

37,3

– Innovatiefonds: risicokapitaal1

10,5

18,4

23,7

23,7

25,7

25,5

21,8

Subsidies

             

– Innovatie Prestatie Contracten

30,2

52,4

31,5

25,0

24,3

24,3

7,9

– Eurostars

4,2

7,6

8,6

7,3

5,9

2,3

2,3

– Lucht2- en Ruimtevaart

22,0

36,6

17,8

9,3

6,4

6,4

6,6

– Overig3

99,0

48,4

23,4

16,8

11,7

3,6

3,2

Opdrachten

             

– Onderzoek en opdrachten

3,3

2,9

2,9

2,9

1,8

1,9

1,9

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

– Agentschap NL

77,0

74,1

72,5

63,4

60,2

52,5

50,5

– Agentschap Telecom

 

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

             

– TNO

147,2

145,1

136,3

129,0

123,8

123,2

122,4

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

   

77,1

88,0

88,5

89,0

89,0

– Grote Technologische Instituten (GTI’s)

47,0

42,2

40,0

36,1

34,5

32,2

32,6

– Topsectoren overig

263,1

256,3

218,3

153,4

88,8

47,9

30,0

– Syntens

32,5

30,9

19,9

       

– Ruimtevaart (ESA)

111,0

42,8

57,1

76,5

29,2

37,0

37,7

– Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

0,8

0,7

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

               

ONTVANGSTEN

41,7

61,3

45,8

48,7

54,0

54,3

56,7

– Luchtvaartkredietregeling

1,5

1,5

0,4

0,8

2,4

3,7

7,6

– Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

5,4

10,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,5

– Rijksoctrooiwet

31,6

31,2

31,2

31,2

31,2

31,2

31,2

– Innovatiekredieten

 

2,1

5,5

9,8

14,6

14,6

14,6

– Eurostars

1,1

2,1

2,1

1,3

1,3

1,3

1,3

– Diverse ontvangsten

2,0

14,4

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

X Noot
1

Sinds 2012 maakt de Seed capitalregeling onderdeel uit van het Innovatiefonds MKB+ (risicokapitaal). Vanaf 2013 wordt het fund–of–funds operationeel.

X Noot
2

Betreft uitfinanciering van het onderdeel luchtvaart.

X Noot
3

Betreft onder andere uitfinanciering van de volgende, met ingang van 2013 voor nieuwe aanvragen beëindigde, instrumenten: bijdrage aan NML en overige instituten, Innovatieve onderzoeksprogramma’s, overige innovatieprogramma’s, Eureka, Opkomende markten, Smartmix.

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget 2013 voor het Innovatiefonds is voor 52% juridisch verplicht.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2013 is 61% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2012 aangegane verplichtingen.

Opdrachten: Van het opdrachtenbedrag is 83% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap NL en aan Agentschap Telecom. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de commitering 2013 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 55% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan Deltares, Stichting Technische Wetenschappen, Syntens, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van de verschillende innovatieprogramma’s.

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2007

2008

2009

2010

2011

Ambitie 2013

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in EU27

10e

10e

9e

9e

7e

Positie verbeteren

Aantal bij PCT1 aangevraagde octrooien,

         

Positie verbeteren

– per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €)

     

6,44

6,39

 

– positie Nederland in EU-27

     

4e

5e

 

Aantal bij OHIM2 aangevraagde handelsmerken,

         

Positie verbeteren

– per mld euro BBP (in PPP €)

     

7,74

7,46

 

– positie Nederland in EU-27

     

5e

7e

 

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2010, 2011)

X Noot
1

Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat o.a. internationaal aangevraagde octrooien registreert.

X Noot
2

Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU–agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU–27 geldig zijn.

Toelichting

Het Innovation Union Scoreboard (IUS) van de Europese Commissie geeft een totaalbeeld van de innovatieprestaties van EU-landen aan de hand van 24 indicatoren. De relatieve prestatie van Nederland binnen het IUS vertoont in de periode 2007–2011 een opwaartse lijn; van de 10e naar de 7e plaats.

De kengetallen op het terrein van intellectueel eigendom – aangevraagde octrooien en handelsmerken – uit het IUS werpen licht op de mate van doorstroming van (technologische) kennis naar kassa. Handelsmerken zijn met name relevant voor landen zoals Nederland met een relatief omvangrijke dienstensector, zo blijkt uit recent onderzoek. Daaruit blijkt dat ruim 58% van de onderzochte geregistreerde Beneluxmerken verwijst naar innovatie30.

Kengetal

2004

2006

2008

20101

Ambitie 2013

Aandeel innoverende bedrijven:

         

– Industrie

(EU27-gemiddelde)

42%

42%

42%

(44%)

53%

Positie handhaven

– Diensten

(EU27-gemiddelde)

29%

32%

31%

(35%)

44%

Positie handhaven

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

         

– Researchinstellingen

(EU27-gemiddelde)

9%

8%

10%

(6%)

6%

Aandeel verhogen

– Universiteiten

(EU27-gemiddelde)

12%

11%

14%

(10%)

8%

Aandeel verhogen

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

X Noot
1

enquêtemethode gewijzigd

Toelichting

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Het aandeel innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met publieke partijen is vervolgens een maatstaaf voor publiekprivate interactie bij innovatie. Volgens de jongste cijfers van het CBS, betrekking hebbend op de periode 2008–2010, is het percentage innoverende bedrijven in Nederland fors hoger dan in vorige edities van de innovatie-enquête het geval was. Het CBS verklaart dit deels uit het feit dat de laatste editie voor het eerst gebruik maakte van digitale enquêteformulieren. Van deze grotere groep blijkt een kleiner aandeel samen te werken met een kennisinstelling. Voor de internationale vergelijking in bovenstaande tabel zijn de Europese cijfers voor 2010 nodig die door Eurostat gepubliceerd worden. Deze komen in het najaar van 2012 beschikbaar.

Samenhang instrumenten in het innovatiebeleid

Alvorens op de afzonderlijke instrumenten in te gaan, is het zinvol de samenhang in het innovatiebeleid te schetsen. Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), de Innovatieprestatiecontracten, het Innovatiefonds MKB+ en enkele andere instrumenten. Verreweg het grootste deel van het totale innovatiebudget (fiscaal en niet-fiscaal) gaat om in dit generieke spoor. Daarvan komt het grootste deel terecht bij het MKB, zowel in aantallen deelnemers (circa 95% in 2012), als in budget (circa 65% in 2012) 32. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de gehele economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. Een essentieel onderdeel daarvan wordt gevormd door de Innovatiecontracten in de topsectoren. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de kennisinstellingen (TNO, GTI’s) en de TKI-toeslag van belang. De omvang van deze middelen is substantieel.

De verbinding met de EU en andere landen wordt op meerdere plaatsen in het innovatiebeleid gelegd. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

6

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

915

864

735

715

715

715

715

Research & Development Aftrek (RDA)

0

250

375

500

500

500

500

Fiscale instrumenten

Fiscale instrumenten vormen de kern van het generieke beleidsinstrumentarium. Naast de reeds langer bestaande Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) die het arbeidskostendeel van R&D bevordert binnen de private R&D uitgaven, is per 1 januari 2012 ook de Research & Development Aftrek (RDA) ingevoerd voor overige R&D-kosten en -investeringen die met R&D samenhangen. Tenslotte bestaat sinds enkele jaren de Innovatiebox waarbij de opbrengsten van innovatie voor een lager tarief van de vennootschapsbelasting in aanmerking komen. De WBSO, de RDA en de Innovatiebox zijn fiscale maatregelen en staan daarom niet als uitgaven op deze begroting.

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de aftrek speur- en ontwikkelingswerk in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is in 2012 over de periode 2006–2010 geëvalueerd.

De evaluatie geeft aanleiding tot een eventuele herschikking binnen het WBSO-budget (€ 723 mln in 2013) om daarmee de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling te bevorderen. Voorgesteld wordt om:

  • in plaats van de beoogde verlaging van het plafond in de WBSO naar € 8,5 mln, het plafond vanaf 2013 op € 14 mln te handhaven, met het oog op de WBSO als vestigingsplaatsfactor voor R&D-bedrijven;

  • de eerste schijf vanaf 2013 te verlengen van € 110 000 naar ten minste € 150 000; met name bij het MKB heeft deze maatregel (op termijn) een positieve impact op het S&O-niveau; en ter dekking van deze verruimingen een aantal technische aanpassingen door te voeren.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

13 450

16 620

19 450

20 530

Aantal S&O-arbeidsjaren

62 390

67 600

73 660

75 330

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

2 552

3 011

3 377

3 571

Bron: Agentschap NL

Toelichting

Vooral het MKB profiteert van de WBSO. Het aantal aanvragers van een S&O-verklaring (dat wil zeggen WBSO gebruikers) in 2011 is ten opzichte van 2010 met 5,6% gegroeid tot 20 530. Daarvan behoorde maar liefst 97% tot het MKB. Van het budget ging 73% naar het MKB. Het gebruik van de WBSO blijkt verder uit het aantal toegekende uren voor speur- en ontwikkelingswerk. In 2011 is dit aantal met 2,3% gegroeid tot 75 330 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO ruim € 3,5 mld van de S&O- loonuitgaven van bedrijven, die deel uitmaken van de private R&D-uitgaven. De verwachting is dat in 2013 het aantal aanvragers van de regeling zal stabiliseren.

Research & Development Aftrek (RDA)

Op 1 januari 2012 is de Research & Development Aftrek (RDA) in het leven geroepen, in aanvulling op de WBSO. De RDA stimuleert innovatie en R&D van het Nederlandse bedrijfsleven door een fiscaal voordeel in de inkomsten- of vennootschapsbelasting voor niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op R&D. De RDA verlaagt de financiële lasten voor speur- en ontwikkelingswerk. Voor uren of R&D-loonkosten is er de WBSO. Voor andere kosten en uitgaven van S&O-projecten is er de RDA.

In 2012 kent de RDA een fiscaal voordeel toe van 40% van de goedgekeurde RDA-kosten/-uitgaven, of 40% van het forfaitaire bedrag op basis van de goedgekeurde S&O-uren. Het RDA-bedrag wordt als aftrekpost opgevoerd in de belastingaangifte. Indien de winst in een bepaald jaar ontoereikend is om het RDA-bedrag volledig te verrekenen, kan dankzij de regels van de verliesverrekening het RDA-bedrag alsnog in een eerder of later jaar worden verrekend. Zo kunnen ook starters die de eerste jaren nog geen winst maken, profiteren. Voor 2012 is het budget € 250 mln. Het budget zal oplopen naar structureel € 500 mln in 2014 en volgende jaren. De percentages van de RDA zullen worden aangepast op basis van het beroep op de regeling en het beschikbare budget.

In 2013 wordt een fiscaal voordeel voorzien van 54% van de goedgekeurde RDA-kosten/-uitgaven, of 54% van het forfaitaire bedrag op basis van de goedgekeurde S&O-uren.

Innovatiebox

De innovatiebox (tot 1 januari 2010: octrooibox) heeft tot doel innovatie te bevorderen en het vestigingsklimaat te verbeteren. De innovatiebox is een generieke maatregel en staat open voor zowel het MKB als grote bedrijven. De innovatiebox is van toepassing op de voordelen uit een door de ondernemer zelf voortgebracht immaterieel activum waarvoor een octrooi is verleend of waarvoor in de onderzoeksfase een S&O-verklaring is afgegeven (WBSO). De toepassing van de innovatiebox betekent dat een ondernemer geen 25% maar 5% vennootschapsbelasting hoeft te betalen over voordelen behaald met het immaterieel activum.

Toelichting op de financiële instrumenten

Leningen

Innovatiefonds MKB+

Het Innovatiefonds MKB+ bestaat uit het Innovatiekrediet en de Seed capital-regeling. Het Innovatiekrediet vergemakkelijkt de toegang tot vreemd vermogen voor MKB en grootbedrijf, terwijl de Seed capital-regeling starters in high tech en creatieve sectoren ondersteunt bij het verwerven van eigen vermogen (early stage risicokapitaal). Beide instrumenten verlagen het risico voor private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren. Langs deze weg voorziet het fonds in de behoefte van ondernemers aan risicokapitaal voor innovatie. Het fonds heeft een revolverend karakter; opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien weer terug in het fonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet.

In 2013 zal een Fund of Funds deel uitmaken van het Innovatiefonds MKB+ ter ondersteuning van de later stage risicokapitaalmarkt. Dit initiatief is opgezet samen met het Europees Investeringsfonds (EIF), dat ook substantieel financieel bijdraagt. Het innovatiekrediet wordt in 2012/2013 geëvalueerd. Uit de evaluatie kunnen eventuele aanpassingen van de regeling voortvloeien.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil

datum

Streef-

Waarde1

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

27

2011

60

2013

AgNL

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

144

2011

246

2013

AgNL

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds2

29

2010

34

2013

AgNL

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Fund of Funds (x € 1 mln)

43

2010

85

2013

AgNL

X Noot
1

streefwaarde = raming 2013

X Noot
2

In 2010 was alleen de SEED–capitalregeling actief.

Toelichting

EL&I hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2013 (€ 246 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2013 (€ 87 mln) en het feit dat EL&I maximaal 35% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee ongeveer 60 bedrijven kunnen starten in 2013 met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft in private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2013 is € 85 mln. In deze streefwaarde is voorzien dat het initiatief voor het stimuleren van de later stage risicokapitaalmarkt via een fund of funds operationeel is.

Subsidies

Innovatie Prestatie Contracten (IPC's)

De Innovatie Prestatiecontracten (IPC’s) zijn gericht op MKB-bedrijven die gezamenlijk willen innoveren. Onder begeleiding van een belangenorganisatie voor ondernemingen (penvoerder) worden meerjarige innovatieprojecten uitgevoerd. Samenwerking en kennisoverdracht staan centraal. Daarnaast biedt de regeling aan brancheorganisaties financiële ondersteuning om kansrijke samenwerkingsverbanden te onderzoeken. Bedrijven kunnen de IPC-regeling samen met de WBSO en de RDA benutten.

De IPC’s zullen in 2013 nauwer worden aangesloten op het Topsectorenbeleid. IPC wordt onder regie gebracht van (het MKB-loket bij) de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) en (een deel van) het IPC-budget wordt naar verwachting toegedeeld op basis van de private bijdragen aan de TKI’s.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde1

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat jaarijks deelneemt aan IPC

850

2011/2012

715

2013

AgNL

Door IPC ondersteunde private R&D-uitgaven (x € 1 mln)

53

2011/2012

45

2013

AgNL

X Noot
1

Streefwaarde = raming 2013

Toelichting

De referentiewaarde voor de indicator «aantal MKB-bedrijven dat jaarlijks deelneemt aan de IPC-regeling» is gebaseerd op het gemiddelde aantal deelnemers aan de tenders in de jaren 2011 en 2012. De daling in het tenderbudget van gemiddeld € 25 mln per jaar in 2011/2012 naar € 20 mln in 2013 zal resulteren in een lager aantal deelnemende bedrijven in 2013. De indicator «door IPC ondersteunde private R&D-uitgaven» is gebaseerd op het beschikbare budget, het maximale subsidiebedrag per deelnemer (€ 25 000) en het bijdragepercentage per project (40%). Ook de referentiewaarde voor deze indicator is gebaseerd op gemiddelde van de tenders in 2011 en 2012.

Eurostars

De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling.

Het jaar 2013 zal in het teken staan van de voorbereidingen van Eurostars 2, het vervolg op het huidige zevenjarige Eurostars-programma dat eind 2013 afloopt. De verwachting is dat het nieuwe programma ten opzichte van het huidige aanzienlijk zal groeien door een hogere bijdrage van de diverse landen en van de Europese Commissie als co-financier. Met deze hogere bijdragen wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen voor dit succesvolle programma. Het nieuwe programma zal op belangrijke punten nog verder worden verbeterd. Zo zal met name de tijd die gemoeid is met het afhandelen van de aanvraag- en goedkeuringsprocedure van projectvoorstellen worden gereduceerd.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde1

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

72

2011

 

2013

AgNL

– waarvan bedrijven

61

 

124

   

– waarvan high-tech MKB (%)

82%

 

82%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (mln euro)

19,8

2011

40

2013

AgNL

X Noot
1

Streefwaarde = raming 2013

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die sinds de start van het Eurostarsprogramma in 2007 tot aan de peildatum zijn gestart. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers unieke organisaties die sinds 2007 één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen. Gemiddeld over deze periode behoort van de deelnemende bedrijven 82% tot het high-tech MKB. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door deelnemers (bedrijven) opgegeven subsidiabele kosten op het moment van committering. Dankzij hun deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse organisaties ook toegang tot de kennis en R&D-resultaten van hun buitenlandse partners. De totale omvang (inclusief subsidie en bijdragen van kennisinstellingen) van de projecten met Nederlandse deelname bedroeg sinds 2007 € 97 mln.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (met name de luchtvaartkredietregeling) en op nationale ruimtevaartprogramma’s, zoals de Prekwalificatie ESA-programma’s.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Agentschap NL

De uitvoering van een deel van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, Eurostars en Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling KP7, wordt verzorgd door het Agentschap NL. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten, terugontvangsten van kredieten, etcetera. Daarnaast heeft Agentschap NL ook andere taken:

  • Het netwerk van Innovatie Attachés (voorheen Technisch Wetenschappelijk Attachées, is een onderdeel van Agentschap NL en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

  • Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. De uitvoeringsorganisatie NL-Octrooicentrum (NL-OC, onderdeel van Agentschap NL) is belast met de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 (plus de nakoming van Europese en internationale verplichtingen). Voor het stimuleren van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft NL-OC voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

Samen met de universiteiten bestaat de publiek gefinancierde kennisinfrastructuur in Nederland met name uit de instituten voor toegepast onderzoek TNO en de vijf zogenoemde «Grote Technologische Instituten» (GTI’s). EL&I investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek in Nederland. Het bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op het terrein van alle topsectoren. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT.

De belangrijkste uitdagingen voor 2013 inzake toegepast onderzoek zijn:

  • verdere uitwerking geven aan de rol die TNO speelt in de innovatiecontracten en de Topconsortia voor Kennis en Innovatie;

  • een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op- en nader invullen van de vraag uit de topsectoren;

  • een zodanige financieringswijze en uitvoering van onderzoek dat onbedoelde concurrentie tussen de publiek gefinancierde instituten en private partijen zoveel mogelijk wordt vermeden.

Met de indicator «klanttevredenheid cofinanciers bij kennisontwikkeling TNO» wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan cofinancieringprojecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO. Deze is opgenomen in de tabel bij de GTI’s.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

Met het ondertekenen van de innovatiecontracten op 2 april 2012 door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, kennisinstellingen voor fundamenteel onderzoek (NWO, KNAW, universiteiten) en toegepast onderzoek (TNO, DLO, Deltares, ECN, MARIN en NLR) en de overheid werd een belangrijke stap in de implementatie van de topsectorenaanpak gezet. Hiermee komt vanaf 2012 ongeveer € 2,8 mld beschikbaar vanuit bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid voor onderzoek en ontwikkeling van vernieuwende producten en diensten in de topsectoren van de economie. In Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) brengen bedrijven en kennisinstellingen de privaatpublieke onderzoeksagenda’s uit de innovatiecontracten ten uitvoer. Om deze samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie verder te stimuleren zal EL&I met ingang van 2013 een TKI-toeslag invoeren. Elk TKI richt een MKB-loket in, zodat ook het MKB maximaal meedoet.

Zoals vermeld in de beleidsagenda, stelt EL&I zich ten doel om in 2015 voor ten minste € 500 mln aan privaatpublieke projecten in gang te hebben gezet. Deze moeten voor minstens 40% met private middelen gefinancierd zijn.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2013

Streef-

waarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

n.v.t.

n.v.t.

500

500

2015

AgNL

– waarvan private middelen (%)

n.v.t.

n.v.t.

30%

40%

2015

AgNL

Toelichting

Deelname aan een TKI is mogelijk met zowel «cash» als «in-kind» middelen. In de raming voor 2013 zijn alle middelen meegenomen die voor dat jaar in de innovatiecontracten van april 2012 zijn toegezegd. Het aandeel private middelen loopt op van ten minste 30% in 2013 naar 35% in 2014 tot 40% in 2015.

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

  • Deltares is een GTI op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.

  • MARIN is een internationaal toonaangevende GTI op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.

  • Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) is een GTI dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.

  • De GTI’s ECN en DLO worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De GTI’s richten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. In 2013 wordt hieraan, in vervolg op de meerjarenafspraken tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven over de procesmatige en inhoudelijke vormgeving van de vraagsturing, vooral in TKI-verband invulling gegeven. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde1

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,9

2011

8,0

2013

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,3

2011

8,0

2013

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,7

2011

8,0

2013

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

7,2

2011

8,0

2013

TNO

X Noot
1

Streefwaarde = raming 2013

Toelichting

De scores in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de recentste onafhankelijke onderzoeken naar klanttevredenheid die TNO en de GTI’s hebben laten uitvoeren en waar nodig omgerekend naar een schaal van 1 tot 10. De streefwaarde van 8,0 bevindt zich nabij de gemiddelde score voor vergelijkbare organisaties.

In de begroting van 2012 is opgenomen dat ernaar gestreefd wordt om ten aanzien van TNO en de GTI’s een indicator voor vraagsturing en kennisbenutting in te voeren op basis van de indicatoren die daartoe voor DLO gebruikt worden (zie artikel 16). Een indicator voor de mate van vraagsturing levert bij nader inzien nauwelijks nuttige inzichten op, gelet op de participatie van TNO en de GTI’s in de Topconsortia voor Kennis en Innovatie om uitvoering te geven aan volledig vraaggestuurde onderzoekroadmaps. De waarde voor kennisbenutting – de vraag of de klant de kennis daadwerkelijk kan toepassen – zal ontleend worden aan het onderdeel utilisatie in het eerstvolgende klanttevredenheidsonderzoek dat TNO, Deltares, MARIN en NLR zullen laten uitvoeren.

Topsectoren overig

STW (Stichting voor de Technische Wetenschappen) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EL&I worden de zogenoemde Perspectiefprogramma's gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. De bijdrage aan STW is onderdeel van de regel «topsectoren overig», er is structureel ongeveer € 20 mln beschikbaar.

De te honoreren perspectiefprogramma’s van STW zullen inhoudelijk worden aangesloten op de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat doet STW door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van de topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de Technologische Top Instituten (TTI’s), internationale programma’s – zoals de Joint Technology Initiatives (JTI’s) en Eurekaclustergelden – en de afbouw van Innovatieprogramma’s. Vanwege deze afbouw loopt de reeks «Topsectoren overig» sterk af.

Syntens

Syntens is het landelijk netwerk dat als doel heeft het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, activeert en ondersteunt MKB-ondernemers op het gebied van innovatie. Per januari 2014 zal Syntens met KvKNL en de 12 afzonderlijke KvK’s samengevoegd worden tot één nieuw ZBO.

Ruimtevaart (ESA)

Het ruimtevaartbeleid verloopt vooral via jaarlijkse verplichte bijdragen aan de algemene ESA-begroting, plus bijdragen aan een beperkt aantal optionele programma’s. Die laatste gelden vloeien weer terug naar lidstaten via orders aan bedrijven voor levering van (onderdelen van) raketten en satellieten of aanverwante goederen en diensten.

Medio november 2012 vindt de 3-jaarlijkse ESA-Ministersconferentie plaats te Italië. Daar zullen de ESA-lidstaten inschrijven op de programma’s voor de periode 2013–2015. Daarbij wordt gelet op hoe ruimtevaart kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Voorts wordt rekening gehouden met de belangen van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en onderzoekers, zoals vormgegeven in de roadmap Space van het Innovatiecontract High Tech Systemen en Materialen (HTSM). Tevens wordt gewerkt aan versterking van de positie van European Space Research and Technology Centre (ESTEC) te Noordwijk, de belangrijkste vestiging van de ESA, in lijn met de aanbevelingen in het «white paper ESTEC» van het topteam HTSM.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2013

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma's ESA

155

2011

162

175

2015

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1,07

1

2015

ESA

Toelichting

De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse R&D-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)

In de periode van 2007 tot en met 2013 zet de Europese Commissie ruim € 50 mld in op het stimuleren van onderzoek en innovatie via het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa en de Europese industrie en kennisinstellingen te verbeteren en de Europese concurrentiepositie te versterken. Agentschap NL stimuleert in opdracht van EL&I en andere departementen Nederlandse deelname aan het Kaderprogramma.

2013 zal het laatste uitvoeringsjaar van KP7 zijn. De nadruk zal in 2013 in KP7 liggen op overbruggingsacties naar het toekomstige Europese financieringsprogramma voor Onderzoek en Innovatie «Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie», dat in 2014 van start gaat. Voor EL&I zal de aandacht uitgaan naar het verbinden van KP7 en Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen in deze programma’s en het verbeteren van de bedrijfsdeelname. In opdracht van EL&I zal Agentschap NL zich in 2013 in het bijzonder richten op de mogelijkheden voor potentiële Nederlandse deelnemers aan Horizon 2020.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde1

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7 (vanaf 2007)

941

2012

1 000

2013

AgNL

– waarvan bedrijven

685

       

Omvang KP7-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro, vanaf 2007)

1 899

2012

3 000

2013

AgNL

– waarvan bedrijven (%)

18%

 

20%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

6,9%

2012

6,9%

2013

AgNL

X Noot
1

streefwaarde = raming 2013

Toelichting

De cijfers in bovenstaande tabel hebben betrekking op KP7-calls die in de periode 2007–2011 hebben plaatsgevonden (peildatum februari 2012). In deze periode ging maar liefst 6,9% van het KP7 subsidiebudget naar Nederlandse onderzoekers. Dit is hoger dan op basis van de Nederlandse bijdrage aan de EU te verwachten is (5,0%) en geeft aan dat Nederlandse deelnemers aan KP7 op een hoger dan gemiddeld niveau participeren. Het streven is om Nederlandse organisaties te helpen om een groter aandeel te ontvangen uit de KP7-middelen. Tot nu toe is 6,9% gehaald, hetgeen zich over de gehele looptijd van KP7 zou vertalen naar € 3 mld. Wat het aantal deelnemers betreft, tonen bovenstaande cijfers unieke organisaties die sinds 2007 één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen. Van de deelnemende bedrijven behoort 65% tot de categorie MKB. Het streven is om in de resterende periode van KP7 het aandeel KP7-middelen voor Nederlandse bedrijven te laten toenemen van 18% tot 24%; het KP7-gemiddelde.

Toelichting op de ontvangsten

Luchtvaartkredietregeling

Het betreft terugbetalingen (kredietsom + rente) van kredieten, verleend in de periode 1998–2003 voor vliegtuigtechnologieprojecten. De hoogte van de ontvangsten hangt samen met toelevering van zogenaamde «shipsets» aan de uiteindelijke vliegtuigbouwer.

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

Ontvangsten bestaan uit rente en aflossingen op in het verleden verstrekte kredieten onder TOK, KREDO en TOKMPO. Met ingang van 2001 zijn deze drie regelingen vervangen door de TOP. De ontvangsten voor deze regeling (het terugbetalen van de subsidie als het ontwikkelingskrediet tot omzet leidt) worden ook hier geraamd. Raming van de ontvangsten is over het algemeen onzeker ten gevolge van onvoorspelbaarheid van het succes van de projecten en van terugbetaling door bedrijven.

Rijksoctrooiwet

De hier geraamde ontvangsten zijn de helft van de feitelijke ontvangsten uit taksen. De andere helft wordt afgedragen aan het Europees Octrooibureau.

Innovatiekredieten

Betreft initiële raming ontvangsten (rente + risico-opslag) Innovatiekrediet van de «technische ontwikkelingsprojecten» en van de «klinisch ontwikkelingsprojecten». Deze ontvangsten dienen als funding voor het innovatiefonds.

Eurostars

Deze raming is de verwachte «top-up» van de Europese Commissie van 25%, boven op de nationale middelen.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EL&I is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

  • De coördinatie en facilitering van het kabinetsprogramma «vermindering regeldruk voor bedrijven, opdat ondernemers niet worden belemmerd om te ondernemen»;

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van ICT-toepassingen, zoals Standard Business Reporting, e-herkenning, ondernemersdossier, zodat ondernemers ICT optimaal kunnen benutten en eenvoudiger gebruik kunnen maken van overheidsdiensten;

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan ondernemers door middel van Ondernemerspleinen;

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven;

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field;

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur;

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EL&I is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen, maar er kan een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de minister onder andere financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen.

Kengetallen; Ondernemingsklimaat van Nederland

1 – Global Competitiveness Index

2009

2010

2011

2012

Ambitie

Positie van Nederland

10e

8e

7e

5e

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2012–2013)

         
           

2 – Ondernemersquote

2008

2009

2010

2011

 

Nederland

12,1%

12,1%

12,2%

12,2%

 

EU15-gemiddelde

12,1%

11,8%

     

Bron: EIM (2009 is een voorlopig cijfers, 2010 en 2011 zijn een inschatting)

         
           

3 – Investeringsquote van bedrijven

2008

2009

2010

2011

 

Nederland

15,3%

13,2%

12,6%

13,9%

 

Bron: CPB (CEP, 2012)

         
           

4 – Aandeel snelle groeiers

2002/2005

2003/2006

2004/2007

2005/2008

 

Nederland

7,5%

7,2%

11,0%

12,8%

 

Bron: EIM (Internationale benchmark ondernemerschap, 2011)

         
           

5 – Ranglijst van digitale economieën

2008

2009

2010

2011

Ambitie

Positie van Nederland

7

3

5

nog niet bekend

Top-5 in 2013

Bron: Economist intelligence unit

  • 1 Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de Top 10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek waarmee de ambitie om een top-5 positie te bereiken onlangs is gehaald. Onder meer de vermindering van administratieve lasten, prestaties op he gebied van innovatie (zie arikel 12) en samenwerking van het bedrijfsleven en kennisinstellingen zijn verbeterd. Daarmee lijkt de topsecorenaanpak zijn vruchten af te werpen.

  • 2 De ondernemersquote (het aantal ondernemers in Nederland) is gestegen van 10,7% in 2004 naar 12,2% in 2011. Het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is, nam sterker toe dan in andere EU-landen en ligt nu rond het EU-gemiddelde. Onderzoek39 wees uit dat Nederland nu rond het optimale niveau zit qua aantal ondernemers. De komende jaren zal de nadruk dan ook meer komen te liggen op kwalitatieve aspecten van ondernemingen.

  • 3 en 4 De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote is sinds de crisis teruggevallen van 15,3% in 2008 naar 12,6% in 2010. In 2011 is een stijging te zien die volgens de voorspelling van het CPB zal doorzetten, zodat in 2015 weer het niveau van 2008 bereikt kan worden. Het aantal snelle groeiers is bijna verdubbeld ten opzichte van vier jaar geleden. Internationaal gezien scoort Nederland echter nog steeds middelmatig.

  • 5 Nederland ambieert voor 2013 een top 5 positie op de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën. Nederland heeft in de periode 2007–2010 een positie in de top 5 van digitale economieën weten te behouden. De Nederlandse kracht ligt in een goede ICT-infrastructuur: nederland had in 2011 het hoogste aantal breedbandaansluitingen per 100 inwoners, het op een na hoogste percentage van computereigendom (92% van de huishoudens) ter wereld en het op twee na hoogste percentage van mensen die internet gebruiken (90,1%). Nederland scoort met een hoog aandeel van kennisintensieve banen in de economie (bijna 50% van de beroepsbevolking), talent voor ICT innovatie en tot slot scoort Nederland goed met de acceptatie van online publieke dienstverlening door burgers en bedrijven.

Beleidswijzigingen

Vanaf 2013 worden de Kamers van Koophandel/Ondernemerpleinen voor het eerst via de (rijks)begroting gefinancierd. Hierdoor hoeven bedrijven niet jaarlijks te betalen voor opname in het handelsregister.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

1 364,8

2 438,9

2 585,5

1 974,6

1 976,6

2 034,3

2 035,0

Waarvan garantieverplichtingen

1 190,7

2 166,6

2 384,0

1 790,3

1 790,3

1 849,0

1 849,0

UITGAVEN

270,2

323,5

366,1

290,1

259,7

241,6

242,8

Waarvan juridisch verplicht

   

89%

       
               

Garanties

             

– BMKB

73,6

100,5

65,5

51,8

39,8

33,8

33,8

– Groeifinancieringsfacilitieit

2,4

9,7

9,3

9,3

9,4

9,4

9,4

– Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

11,9

50,0

44,8

14,0

11,0

   

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

10,0

9,6

9,7

9,7

9,7

9,7

Subsidies

             

– Bevorderen ondernemerschap

6,6

6,6

1,1

3,8

3,5

8,0

11,9

– Programma Biobased Economy

4,4

7,6

5,7

3,6

     

– Uitfinanciering subsidies

56,6

65,9

22,9

10,3

10,9

6,6

4,3

Opdrachten

             

– Onderzoek & ontwikkeling

8,9

2,8

0,4

0,5

0,5

0,5

0,5

– ICT-beleid

35,5

24,4

20,9

17,8

16,6

17,5

17,5

– Beleidsvoorbereiding en evaluaties

17,9

6,8

2,4

2,4

3,3

2,8

2,8

– Regiegroep Regeldruk/ACTAL

4,9

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– NBTC

18,4

15,0

13,3

10,0

8,4

8,4

8,4

– UNWTO

 

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

– Bijdragen aan instituten

6,2

6,6

2,8

2,3

2,6

2,4

2,4

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

             

– Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

 

2,5

150,6

141,0

131,0

131,0

131,0

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

– Agentschap NL

12,3

10,4

12,0

8,8

8,3

6,7

6,4

– Logius

10,7

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

               

ONTVANGSTEN

51,2

96,7

92,6

59,9

56,9

46,2

47,2

– BMKB

32,7

25,2

25,2

25,2

25,2

25,2

25,2

– Groeifinancieringsfaciliteit

1,9

8,0

8,0

8,0

8,0

8,0

8,0

– Garantie Ondernemingsfinanciering

13,2

51,0

46,0

14,0

11,0

   

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

– Joint Strike Fighter

0,6

0,9

1,8

1,3

1,2

1,8

2,8

– Diverse ontvangsten

2,8

1,6

1,5

1,4

1,4

1,1

1,1

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Zelfstandigenaftrek

1 666

1 763

1 859

1 887

1 915

1 944

1 973

Extra zelfstandigenaftrek starters

101

102

107

108

110

111

112

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

1

1

1

1

1

1

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

60

52

53

53

53

54

54

Meewerkaftrek

8

8

7

7

7

6

6

Stakingsaftrek

17

17

16

16

15

15

14

Doorschuiving stakingswinst

204

214

226

239

253

267

282

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

189

193

197

200

204

208

211

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

369

356

375

386

398

410

422

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

8

Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement

8

7

         

Heffingskorting durfkapitaal

7

4

0

0

0

0

 

Willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen

219

 

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

3

3

2

2

1

1

1

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

230

243

276

282

289

295

302

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1 205

1 283

1 448

1 474

1 501

1 528

1 555

BTW Kleine ondernemersregeling

110

113

118

124

130

136

142

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

15

16

16

16

17

17

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties zijn voor 100% juridisch verplicht. Het budget is benodigd om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2013 is 89% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van t/m 2012 aangegane verplichtingen.

Onderzoek en opdrachten: Van het opdrachtenbedrag is 35% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap NL Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 4% juridisch verplicht, dit betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de KvK/Ondernemerspleinen (inclusief de bijdrage voor het Nieuw Handelsregister) is voor 98% juridisch verplicht.

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw en de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO). In beide gevallen betreft het kostendekkende regelingen; om een garantie te krijgen moet premie worden betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. De begrotingsreserves dienen om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. Met ingang van 2012 werkt ook de BMKB-regeling met een interne begrotingsreserve. Tot op heden is de BMKB-begrotingsreserve nog niet gebruikt en is de stand derhalve € 0.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2011 (x € 1 mln)

Interne begrotingsreserve Bestellingsregeling Scheepsnieuwbouw

25,0

Interne begrotingsreserve GO

63,4

Toelichting op de financiële instrumenten

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Met steun van het Europees Investerings Fonds (EIF) kan het budget voor 2012 en 2013 worden verhoogd naar € 1 mld per jaar, zodra de vraag naar het instrument weer aantrekt. De BMKB is per 1 januari 2012 versoberd door het terugdraaien van enkele uitbreidingen die sinds 2008 zijn gedaan in het kader van de kredietcrisis.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur, zoals de lagere benutting in 2009 laat zien. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt half jaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. De benutting in 2012 laat een sterke daling zien ten opzichte van die in 2011, als gevolg van de verslechterde economie. Aangezien voor 2013 weer economische groei is voorspeld, is de verwachting dat dit jaar ook de benutting van de BMKB weer groter zal zijn.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

20121

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

601

556

742

909

550

Totaal aantal verstrekte garanties

2 915

2 442

3 701

4 325

2 500

Bron: AgentschapNL

X Noot
1

2012 betreft een inschatting

Groeifinancieringsfaciliteit

De Groeifinancieringsfaciliteit richt zich op buffervermogen – eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – wat vooral nodig is in de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifinancieringsfaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Uit de beleidsevaluatie die in 2012 is uitgevoerd is gebleken dat op dit moment het niet wenselijk is om grote aanpassingen in de Groeifinancieringsfaciliteit door te voeren. In 2013 wordt bezien of het budget en maximum garantiebedrag aangepast dient te worden. De verwachting is dat de vraag naar risicokapitaal komende tijd zal toenemen. De Groeifinancieringsfaciliteit is daarom van toenemend belang voor bedrijven die op zoek zijn naar risicokapitaal, alsook voor participatiemaatschappijen die op zoek zijn naar middelen voor nieuwe fondsen.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

20121

Verstrekte garanties Groeifinancieringsfaciliteit, x € 1 mln

23

10

25

12

20

Totaal aantal verstrekte garanties

33

22

32

17

20

Bron: AgentschapNL

X Noot
1

2012 betreft een inschatting.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. De GO-regeling is net als de Groeifinancieringsfaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. Omdat verwacht wordt dat de GO-regeling ook in 2013 nodig is voor de financiering van het iets grotere bedrijfsleven, is de regeling met een jaar verlengd.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

20121

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

230

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

50

Bron: AgentschapNL

X Noot
1

2012 betreft een inschatting.

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer wordt gegarandeerd gedurende de periode van de bouw van het schip. Gelet op de jaarlijkse productiewaarde van de sector is een jaarlijks garantieplafond van € 1 mld ingesteld.

Subsidies

Bevorderen ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaatbeleid te verbeteren. Zo is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van programma’s voor regeldruk, kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, de programmakosten voor corporate governance en het Talent naar de top programma. Daarnaast wordt dit gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals de ondernemerspleinen.

Interdepartementaal Programma Biobased Economy (IPBBE)

Om wereldwijd een koppositie te verkrijgen in de biobased economy wordt ingezet op het ontwikkelen en benutten van kennis. Met het innemen van een koppositie wil Nederland een significant aandeel hiervan naar zich toetrekken en wereldwijd in % Bruto Nationaal Product (BNP) tot de top 3 behoren qua optimale en duurzame productie en toepassing van biomassa.

Hiervoor is in april 2012 het Innovatiecontract Biobased Economy 2012–2016 afgesloten tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden, als onderdeel van het Topsectorenbeleid en in samenhang met de Topsectoren Chemie, Energie, Water, Tuinbouw en Agro. Stakeholders hebben getekend voor 6 workpackages: Biomaterialen, BioEnergy & BioChemicals, Geïntegreerde Bioraffinage, Teeltoptimalisatie en biomassaproductie, Terugwinnen en hergebruik, alsmede economie, beleid en duurzaamheid.

Voor de uitvoering is het Topconsortium Kennis en Innovatie Biobased Economy ingericht. De activiteiten van het Transitiehuis Biobased Economy zijn hier ook ondergebracht.

Internationale samenwerking vindt plaats met de Europese Commissie alsook met buurlanden Duitsland en België. Cofinanciering van bioraffinageprojecten in grensregio’s vindt plaats in het kader van Europese programma’s als Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

De open Bioprocess Pilot Facility (BPF), is aangewezen als dienst van algemeen economisch belang en op 15 mei geopend. De BPF ontvangt voor de uitvoering van de dienst een bijdrage van totaal € 15 mln voor de jaren 2012–2015.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Onderwijs en ondernemerschap, Beroepsonderwijs in bedrijf, Microfinanciering, innovatieve scheepsbouw, Actieplan Veilig Ondernemen en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Vanaf begin 2011 biedt Qredits (stichting Microkrediet Nederland) microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 35 000. Voor het jaar 2012 werd deze grens, als pilot, verhoogd tot € 50 000. Naast het krediet neemt coaching een belangrijke plaats in. Stichting Eigenbaas.nl zorgt voor de landelijke promotie van microfinanciering, en werkt aan professionalisering en behoud/uitbreiding van het netwerk van Microfinancieringsondernemerpunten. EL&I heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening aan Qredits en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits. Eigenbaas.nl en Qredits zijn per 1 juni 2012 gefuseerd tot Qredits Microfinanciering Nederland. Doel in 2016 is om 2 500 kredieten te verstrekken.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2012

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal verstrekte microkredieten

610

2009

1 500

2 500

2016

Qredits

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd. Een klein deel van dit budget wordt gebruikt voor beleidsvernieuwing middels kleinschalige experimenten.

ICT-beleid

Eind 2011 is de Digitale Implementatie Agenda.nl naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 26 643, nr. 217). Hierin staan de acties uit de Digitale Agenda.nl verder uitgewerkt. Met de middelen voor het ICT-beleid en die voor beleidsvoorbereiding en evaluatie worden hieruit programma’s als open data en digitale vaardigheden beroepsbevolking uitgevoerd, alsmede acties uit de Roadmap ICT die in het kader van het topsectoren beleid is opgesteld. Daarnaast worden de middelen aangewend om met slimme inzet van ICT de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlichten. Het betreft hier onder andere Antwoord voor Bedrijven, het Ondernemingsdossier, SBR, e-herkenning en e-factureren.

Het beleid van ICT en MKB is gericht op het stimuleren van ICT-toepassingen in het midden en kleinbedrijf ter verhoging van de arbeidsproductiviteit en het concurrentievermogen. In dit kader loopt een programma om een solide basis te waarborgen voor gebruik van clouddiensten. Met het verantwoord en veilig gebruik van clouddiensten benut het MKB kansen door procesinnovatie, effectiever werken en regeldrukvermindering. Ook worden MKB-ers ondersteund hun digitale vaardigheden te verbeteren.

Het gebruik van High Performance Computing in de Nederlandse Topsectoren is van vitaal belang om de Nederlandse economie competetiever te maken. Modelvorming, simulatie en grootschalige dataverwerking met behulp van krachtige supercomputers en geavanceerde netwerkdiensten zijn ontontbeerlijk voor competitief onderzoek en productontwikkeling in alle Nederlandse Topsectoren. Om de vooraanstaande positie van Nederland op dit gebied te behouden, is aan de Stichting Surf een subsidie toegekend voor de periode 2011 tot en met 2013. Deze subsidie is bestemd voor specifieke investeringen in onderdelen van de e-infrastructuur voor onderzoek.

Regiegroep Regeldruk / ACTAL

Het programma Regeldruk Bedrijven 2011–2015 beschrijft op welke wijze het kabinet de regeldruk voor bedrijven wil terugdringen. Het programma is opgedeeld in vier elkaar deels overlappende onderdelen:

  • A. Kwantitatieve doelstellingen

  • B. Voorkomen van nieuwe regeldruk

  • C. Verbeteren van de dienstverlening

  • D. Vertrouwen en toezicht

Hierbij is een kwantitatieve doelstelling geformuleerd met betrekking tot een verlaging van de administratieve lasten. In 2012 dient een administratieve lastenvermindering van in totaal 10% te zijn gerealiseerd ten opzichte van 2012, de daaropvolgende jaren ieder jaar een aanvullende 5%. Ook is in het programma regeldruk bedrijven een doelstelling opgenomen om de inhoudelijke nalevingskosten deze kabinetsperiode met € 200 mln te verminderen. Deze kwantitatieve doelen zijn netto doelstellingen: als het kabinet nieuwe regels invoert moeten extra administratieve lasten of nalevingskosten worden gecompenseerd met extra regeldrukmaatregelen. Maar regeldruk gaat verder dan de aanpak van administratieve lasten en nalevingskosten. Ook het voorkomen van onnodige regeldruk bij nieuwe wetten behoort tot het programma regeldruk bedrijven. Daarnaast wordt ingezet op het verminderen van regeldruk in specifieke branches en sectoren (zzp-ers, topsectoren), alsmede op het verbeteren van overheidsdienstverlening en het verminderen van toezichtslasten, onder meer door inzet van ICT.

Voor de kwantitatieve doelstellingen is onderstaande indicator beschikbaar:

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming 2013

Streef-

waarde

Planning

Bron

Netto verlaging administratieve lasten (cumulatief).

0% (nulmeting)

2011

15%

25%

2015

EL&I

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EL&I heeft voor de periode 2012–2015 een nieuw, meerjarig contract met het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) afgesloten om het inkomend toerisme te bevorderen. EL&I stelt in deze periode zo’n € 46 mln beschikbaar voor de internationale marketing van Nederland en internationale congreswerving. De jaarlijkse Rijksbijdrage wordt daarbij, naar aanleiding van de bezuinigingen, in 2015 teruggebracht met 50% ten opzichte van 2012. Het budget zal worden ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen.

Daarnaast wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdrage aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen

Het jaar 2013 wordt een overgangsjaar waar door het nieuwe ZBO in oprichting (een fusie van de huidige Kamers van Koophandel met Syntens) wordt gewerkt aan de opzet van de Ondernemerspleinen. De Kamers van Koophandel (KvK), samen met Syntens, dragen zorg voor het verwezenlijken van de fusie. Daarnaast zijn zij al beheerder van het dienstverleningsconcept ondernemerspleinen. In die rol zullen zij aandacht besteden aan het aansluiten van partners op het digitale ondernemersplein (binnen de kaders van de eOverheid), het nader uitwerken van het dienstverleningsconcept van de Ondernemerspleinen en het uitwerken van een dashboard aan de hand van welke de prestaties van de Ondernemerspleinen in de toekomst zullen worden gemeten. Het digitale ondernemersplein wordt eind 2012 gelanceerd. 2013 staat in het teken van doorontwikkeling en aansluiting van partners. De fysieke Ondernemerspleinen zelf gaan in 2014 van start.

Bijdrage aan baten-lastendiensten

Agentschap NL

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifinancieringsfaciliteit, GO en Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangsten van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). Verder is een aantal projecten in afrondende fase, zoals e-factureren.

Compensatiebeleid

Het compensatiebeleid heeft als doel de internationale positie van de Nederlandse defensie- en veiligheidgerelateerde industrie te verbeteren bij een gebrek aan een gelijk speelveld in deze markt. Met dit beleid wordt verzekerd dat de aanschaf door het Ministerie van Defensie van buitenlands defensiematerieel wordt gecompenseerd met orders voor de Nederlandse industrie. De nadruk ligt daarbij op projecten in één van de zes prioritaire technologiegebieden die in de Defensie Industrie Strategie (DIS) zijn geïdentificeerd. Jaarlijks profiteren zo’n 200–250 Nederlandse bedrijven en instituten van het compensatiebeleid.

Het compensatiebeleid moet worden aangepast vanwege de introductie van de EU-richtlijn, de implementatie daarvan via de (ontwerp) Aanbestedingswet en het verscherpte toezicht van de Europese Commissie met betrekking tot het naleven van de eisen van compensatie. Hierdoor neem het aantal aanbestedingen waarvoor «industrial participation» kan worden geëist af, kan het tot op heden gebruikte percentage van 100% niet meer worden afgedwongen (dit wordt minimaal 60%), zijn uitsluitend defensie- en veiligheidgerelateerde activiteiten toegestaan en moeten deze bijdragen aan de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen. De wijzigingen zorgen ook voor een transparanter wordende markt die zal leiden tot meer mogelijkheden voor de Nederlandse defensie- en veiligheidgerelateerde industrie, zonder dat daar inmenging van de overheid voor nodig is.

Deze ontwikkelingen, alsmede de in gang gezette bezuinigingen bij het Ministerie van Defensie, leiden ertoe dat de gerealiseerde invulling van compensatie de komende jaren zal afnemen en naar verwachting onder de streefwaarde van € 450 mln zal komen. Waar deze streefwaarde in de toekomst zal moeten liggen, kan pas over een aantal jaren worden vastgesteld. Bestaande compensatieovereenkomsten worden wel op de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden afgewikkeld.

De indicator «gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven wordt besteed ter compensatie van bestedingen van het Ministerie van Defensie in buitenlands materieel.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef-

waarde

Planning

Bron

Gerealiseerde invulling compensatieverplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 541 mln

2011

€ 450 mln1

 

EL&I

X Noot
1

met inachtname van het gestelde hierboven

Toelichting op de ontvangsten

Ontvangsten garanties/borgstellingen

De Staat ontvangt provisies van banken voor verleende borgstellingen en garanties. Daarnaast worden op deze instrumenten ook de terugbetalingen op eerdere verliesdeclaraties verantwoord alsmede de ontvangen rente die wordt ontvangen op rekeningen die bij banken worden aangehouden voor verliesdeclaraties. Bij de GO en de Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw worden eventuele overschotten afgestort naar een begrotingsreserve van EL&I. Eventuele tekorten kunnen worden aangevuld uit de reserve.

Joint Strike Fighter (JSF)

De ontvangstenraming voor JSF is gebaseerd op een afdrachtpercentage over de geleverde onderdelen door bedrijven die bij de ontwikkeling van de JSF betrokken zijn.

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Binnen de Noordwest-Europese context creëert de overheid (met name EL&I) de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt om ervoor te zorgen dat energiebedrijven efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Daarnaast zorgt EL&I voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren. Participatie van EL&I in Europese en Noordwest-Europese fora, waaronder het Pentalaterale energieforum, heeft de verdere ontwikkeling van de Noordwest-Europese elektriciteits- en gasmarkt als doel. De Elektriciteitswet en de Gaswet dienen op nationaal niveau voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt.

Zie artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context voor het financiële instrument dat hierop betrekking heeft.

Voorzieningszekerheid gaat om de korte en langere termijn beschikbaarheid van energie. Niet alleen om olie en gas, maar steeds meer ook om duurzame energie. Voorzieningszekerheid vereist internationale samenwerking: regionaal, met de directe buurlanden, binnen de EU en mondiaal. De Gasrotondestrategie levert een bijdrage aan de voorzieningszekerheid van Nederland. De afgelopen jaren is kwantitatief gebleken dat de Nederlandse gasmarkt forse stappen vooruit heeft gezet (zie de Voortgangsrapportage Gasrotonde 2011; bijlage bij TK, 2011–2012, 29 023, nr. 112). Mede hierdoor is niet alleen de voorzieningszekerheid van Nederland verbeterd, ook zijn er veel nieuwe economische activiteiten gegenereerd en wordt de concurrentiekracht van de gassector versterkt, ook in Noordwest-Europees verband. Gebaseerd op deze positieve ontwikkelingen zal de Gasrotondestrategie verder worden voortgezet ondanks het kritische onderzoek van de Algemene Rekenkamer in juni 2012 over nut, noodzaak en risico’s van de Gasrotonde. In mijn reactie heb ik aangegeven van mening te zijn dat de Gasrotondestrategie van aanvang aan is onderbouwd en dat de Tweede Kamer zowel daarover als over de voortgang frequent is geïnformeerd. Conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer wordt in de reguliere voortgangsrapportage wel nadrukkelijker inzicht gegeven in de mate waarin de Staat betrokken is bij de realisatie van de Gasrotonde. Zie artikelonderdeel 14.2 Optimale Bevorderen van de voorzieningszekerheid voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Nederland is gehouden aan een verplichte Europese doelstelling van 20% CO2-emissiereductie en 14% duurzame energie in 2020. Om deze doelen te bereiken wordt ingezet op meerdere sporen: bevorderen van energieinnovatie, stimuleren van duurzame energieproductie, bevorderen van energiebesparing en bevorderen van CO2-emissiereductiemaatregelen.

Het energie-innovatiebeleid richt zich op het ontwikkelen van technologie, producten en diensten voor energiebesparing en productie van duurzame energie die de kostprijs verlagen en het aanbod vergroten. De topsectorenaanpak staat hierbij centraal. De groei van het aandeel duurzame energie moet worden bereikt met de meest kostenefficiënte opties, met name via de SDE+ regeling. Onderzocht wordt of een verplichting voor bij- en meestook van biomassa in kolencentrales of een leveranciersverplichting mogelijk en wenselijk is. Daarnaast wordt energie-efficiëntie in samenwerking met het bedrijfsleven gestimuleerd vanwege de voordelen die een efficiëntere omgang met energie ook voor het bedrijfsleven heeft.

De Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA's) zijn voor de industrie het instrument om op een efficiënte wijze energiebesparing te realiseren. De kern is dat bedrijven rendabele energie-efficiencymaatregelen nemen en het kabinet als tegenprestatie zich inspant om knelpunten op te lossen en ondersteuning te verlenen bij kennisontwikkeling en kennisdeling. De belangrijkste instrumenten om CO2-emissiereductie te behalen zijn ETS en CCS. Op het gebied van kernenergie is de stralingsbescherming zeer belangrijk evenals het beoordelen en begeleiden van de vergunningaanvraag voor een nieuwe Hoge Flux Reactor. Zie artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EL&I is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

  • het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur;

  • het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut;

  • het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige winning van onze bodemschatten;

  • het coördineren van energie-infrastructuur van nationaal belang middels de Rijkscoördinatieregeling;

  • het stimuleren van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening;

  • het stimuleren van energiebesparing en (de)centrale duurzame energieopwekking;

  • het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening;

  • het stimuleren van energie-efficiëntie in de industrie en energie sectoren;

  • het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie;

  • het reguleren van veilige toepassingen van kernenergie.

Beleidswijzigingen

De Nederlandse Mededingingsautoriteit heeft in 2012 een evaluatie van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet verricht. In dit kader is een aantal aanbevelingen gedaan om de energiemarkt te verbeteren door de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken. In 2013 zal een wetsvoorstel worden ingediend waarin uitvoering wordt gegeven aan de uitkomsten van de evaluatie, inclusief een aantal maatregelen met het oog op de transitie naar een duurzame energievoorziening.

In Europees verband wordt naar verwachting begin 2013 regelgeving rond investeringen in infrastructuur en intelligente netten afgerond. Afhankelijk van het tempo waarin hierover besluitvorming tot stand komt, zal in 2013 de benodigde implementatieregelgeving worden voorbereid.

Budgettaire gevolgen van beleid

De financiële instrumenteninzet van artikel 14 is gekoppeld aan de volgende artikelonderdelen:

  • 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context;

  • 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid;

  • 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening.

Achter ieder instrument staat het betreffende artikelonderdeel.

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

3 155,5

2 274,8

1 996,2

263,5

220,4

217,8

184,6

Waarvan garantieverplichtingen

21,3

46,8

         

UITGAVEN

1 027,7

1 243,7

1 312,8

1 438,5

1 505,2

1 610,1

1 607,3

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

95%

       
               

Subsidies

             

– Stadsverwarming (14.1)

4,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

– Topsectoren Energie (14.3)

34,9

22,5

23,8

23,2

39,6

20,7

40,2

– Energie-innovatie (IA) (14.3)

22,3

36,5

31,7

19,7

7,9

2,4

2,4

– Green Deal (14.3)

0,0

17,1

25,0

30,0

5,0

20,0

0,0

– MEP (14.3)

658,9

645,3

555,0

492,0

388,0

293,0

202,7

– SDE (14.3)

57,5

131,9

244,9

425,9

564,0

687,0

707,2

– SDE+ (14.3)

0,0

0,0

100,0

200,0

300,0

414,0

483,0

– CCS (14.3)

12,4

81,2

49,4

49,1

22,4

8,7

8,7

– Hoge Flux Reactor (14.3)

8,2

7,3

7,3

7,3

7,3

8,1

8,1

– Aanschafsubsidie zonnepanelen (14.3)

0,0

22,0

30,0

0,0

0,0

0,0

0,0

– Elektrisch rijden (14.3)

4,0

4,1

4,1

2,2

1,1

0,0

0,0

– Overige subsidies (14.3)

31,5

21,9

15,6

5,3

2,0

0,0

0,0

Garanties

             

– Geothermie (14.3)

6,1

           

Opdrachten

             

– O&O bodembeheer (14.2)

0,3

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

– Joint implementation (14.3)

13,1

33,3

33,7

2,3

0,0

0,0

0,0

– Straling (14.3)

3,2

7,6

9,5

7,7

3,0

1,7

1,2

– Pallas (14.3)

0,0

10,1

10,1

10,1

10,1

0,0

0,0

– Onderzoek en opdrachten (14.3)

3,3

4,4

4,0

4,3

4,1

4,5

4,4

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

– Agentschap NL

36,7

37,1

36,3

31,0

28,1

27,3

26,7

– NVWA

0,4

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

             

– Doorsluis COVA heffing (14.2)

89,3

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

– TNO bodembeheer (14.2)

3,7

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– ECN/NRG (14.3)

37,2

63,8

35,0

31,0

25,4

25,2

25,2

– Diverse instituten (14.2)

0,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

               

ONTVANGSTEN

11 299,4

12 079,9

12 194,9

12 047,4

12 247,4

12 161,4

11 730,4

– COVA

89,3

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

– SDE+

0,0

0,0

100,0

200,0

300,0

414,0

483,0

– Aardgasbaten

11 165,6

11 950,0

12 000,0

11 750,0

11 850,0

11 650,0

11 150,0

– Ontvangsten zoutwinning

2,4

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

– Diverse ontvangsten

42,1

35,2

0,2

2,7

2,7

2,7

2,7

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Energie-investeringsaftrek (EIA)

144

151

151

161

161

161

161

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EL&I investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en bedrijfsmiddelen voor een efficiënte opwekking van hernieuwbare energie. Investeringen in bedrijfsmiddelen die voldoen aan de generieke besparingsnormen van de EIA kunnen deels van de fiscale winst worden afgetrokken. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor EIA en op deze manier stimuleert de EIA de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen.

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 94% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van t/m 2012 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011 en 2012 zijn aangegaan op de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 67% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en kernenergie.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap NL en de NVWA en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 74% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Interne begrotingsreserve

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Agentschap NL) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2011 (x € 1 mln)

Interne begrotingsreserve Geothermie

11,4

Toelichting op de financiële instrumenten

Artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context

Subsidies

Stadsverwarming

De tegemoetkoming in verband met Stadsverwarmingsprojecten betrof een jaarlijkse uitkering op basis van de regeling Overgangswet ElektriciteitsProductieSector (OEPS) aan elektriciteitsbedrijven. Deze tegemoetkoming is geëindigd per 31-12-2010. Dit betreft dus de uitfinanciering van oude verplichtingen.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1 800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1 800 en 8 000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Ambitie 2013

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2 279

2 285

2 263

2 456

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

81%

81%

81%

85%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2 104

2 187

2 158

2 344

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

79%

76,4%

79%

83%

Daling/lager

Bron: NMa Energiekamer

Artikelonderdeel 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodem beweging (Tcbb) en diverse opdrachten in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis COVA heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EL&I strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2001.

De uitgavenreeks op de EL&I-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 5,90/m³ en wordt door de minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EL&I keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA. Afhankelijk van een tijdige behandeling in het parlement zal er per 1 januari 2013 in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 een verhoging van de voorraadheffing worden doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd. De voorziene verhoging van de voorraadheffing per 2013 is, in afwachting van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wva 2012, nog niet in de begroting 2013 verwerkt.

TNO bodembeheer

Dit betreft een bijdrage aan TNO voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum en het Nederlands Polair Programma. Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

Voornaamste acties in 2013:

  • Versteviging van de samenwerking met de directe buurlanden. Via het Pentalaterale forum bestaat dergelijke samenwerking al wel, maar ook bilateraal zal er meer naar samenwerking moeten worden gezocht met Duitsland, Frankrijk, het Vereningd Koninkrijk, Noorwegen en België vanwege belangen die Nederland respectievelijk Nederlandse bedrijven daar hebben.

  • Nederland wil actief mee doen aan concrete activiteiten op het terrein van gas van organisaties als het International Energy Agency. In dit kader zal worden gewerkt aan de uitvoering van het Implement Agreement Gas Olie dat Nederland samen met Noorwegen in 2012 in IEA-verband gelanceerd heeft om innovaties en nieuwe technologieën op het terrein van gas (en olie) te bevorderen.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

22 min

26,5 min

34 min

23 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

Subsidies

Topsectoren Energie

Met de komst van het topsectorenbeleid zullen de energie-innovatiemiddelen gerichter worden ingezet om bij te dragen aan het R&D investeringsbeleid van de Nederlandse energiesector. Door de betere samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden zal de aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt worden versterkt. De in april 2012 afgesloten innovatiecontracten en de vorming van Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) vormen hiervoor een eerste stap. Voor de topsector energie worden reguliere innovatiemiddelen op de EL&I begroting en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+middelen ingezet.

Voornaamste acties in 2013:

Het versterken van de concurrentiekracht van de gassector door verder in te zoomen op nieuwe innovaties en technologieën. Samen met de industrie en kennisinstellingen zal uitvoering worden gegeven aan het Innovatiecontract gas in het kader van het Topsector Energie. Hierbij speelt het in 2012 opgerichte Topconsortium Kennis en Innovatie Gas een cruciale rol bij het implementeren van innovatie en technologische programma’s, het bevorderen van samenwerkingsverbanden en het bevorderen van de export van de Nederlandse kennis en expertise op gasgebied.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

In de periode 2008–2011 is een groot aantal specifieke innovatieprogramma's die deel uitmaken van de Innovatie Agenda Energie (IA) uitgewerkt en opgestart. Het met deze innovatieagenda gemoeide budget van € 450 mln is inmiddels belegd met programma's/projecten. Het betreft hier interdepartementaal opgezette programma's op het gebied van duurzame elektriciteitsvoorziening, groene grondstoffen (biobased economy), groen gas, energiebesparing gebouwde omgeving, duurzame mobiliteit, energie-efficiency in de industrie en de kas als energiebron. Een belangrijk deel van deze programma's wordt onder regie van EL&I uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn het opzetten van proeftuinen voor intelligente netten (Smart Grids) en het FLOW-programma in de sector offshore wind. Dit betrof een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) en wordt nu vervangen door het topsectorenbeleid.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Ambitie 2013

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet)1

Bron: CBS

2.0%

n.v.t.

2.4%

n.v.t.

n.n.b

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI2

Bron: AgNL

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.n.b

10% groei t.o.v. 2012

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie3

Bron: AgNL

8,3%

7,5%

6,8%

7,4%

n.n.b.

7,5%

Bron: «Nederland in KP7», AgentschapNL, 2011.

X Noot
1

Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2009, 2011 en 2013 zijn daardoor geen investeringen beschikbaar. Daarom is er ook geen ambitie opgenomen voor 2013. De cijfers over 2012 komen in de zomer van 2014 beschikbaar.

X Noot
2

In september 2012 zullen de TKI’s opgericht zijn. Dan is ook duidelijk hoeveel bedrijven zich hebben aangesloten.

X Noot
3

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2011 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met 2011. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 7,4%. Dit is ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%.

Green Deal

De Rijksoverheid helpt burgers, bedrijven, organisaties of andere overheden bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen. Ze doet dit door een Green Deal af te sluiten. De overheid kan op verschillende manieren helpen bij de totstandkoming van Green Deals, door partijen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onduidelijke regels te schrappen of onduidelijkheden in vergunningverlening daar waar mogelijk weg te nemen. Een belangrijk doel van de Green Deals is dat oplossingen voor problemen bij individuele projecten bijdragen aan het (sneller) ontsluiten van een groter potentieel. Bij de selectie van Green Deal voorstellen worden de volgende criteria gebruikt: het project is in de kern rendabel; het project kan op kortere termijn tot resultaat leiden en bij succes leidt het initiatief tot nieuwe economische activiteiten of een kostenbesparing op korte of langere termijn voor het bedrijfsleven. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal.

Voornaamste acties in 2013:

  • Het optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die de Nederlandse Liquified Natural Gas (LNG) terminal biedt om LNG in te zetten als brandstof voor de scheepvaart en zodoende een bijdrage te leveren aan de reducties van emissies. Dit zal met name worden gedaan door uitvoering te geven aan de Green Deal LNG die in 2012 getekend is.

MEP/SDE

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. De MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind-, zon- en waterkracht en biomassa. Producenten hebben hiervoor tot 18 augustus 2006 een subsidieaanvraag in kunnen dienen. Projecten met een MEP-beschikkingen ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van 10 jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De regeling SDE is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie) vergoedt voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit en is daarmee breder dan de MEP. In 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

SDE+

Nederland is gehouden aan de EU-doelstelling van 20% duurzame energie. Voor Nederland betekent dit dat het percentage duurzame energie moet stijgen van de huidige ca 4% naar 14% in 2020. Dit vereist een enorme inspanning. De groei van het aandeel duurzame energie moet worden bereikt met de meest kostenefficiënte opties. Realisatie vindt voornamelijk plaats door de uitvoering van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie + (SDE+).

De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosteneffectieve wijze te vergroten. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie; de zogenaamde onrendabele top. De kosteneffectiviteit wordt bereikt door goedkopere projecten voorrang te verlenen bij het verkrijgen van subsidie. Met de nu geraamde budgetten voor de SDE+ zal het aandeel duurzame energie in de komende jaren met circa 0,5 procentpunt per jaar kunnen groeien, afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Windenergie op land zal, als relatief goedkope duurzame energieoptie, naar verwachting een grote bijdrage leveren aan het aandeel duurzame energie. De Rijkscoördinatieregeling wordt ingezet om wind op land te faciliteren. Onderzocht wordt of een verplichting voor bij- en meestook van biomassa in kolencentrales of een leveranciersverplichting mogelijk en wenselijk is. Over de vormgeving vindt overleg plaats met de energiesector. Het kabinet onderzoekt hoe de import van hernieuwbare energie kan bijdragen aan het behalen van de doelstelling voor hernieuwbare energie in 2020.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,2%

2011

14%

2020

CBS

CCS

Op de lange termijn lijkt de inzet van CO2-afvang en opslag (Carbon Capture and Storage, CCS) onontkoombaar om de ambitieuze klimaatdoelen te halen. Daarom stimuleert het kabinet de ontwikkeling van CCS om ervoor te zorgen dat CCS – indien nodig – tijdig industriebreed kan worden ingezet door de energieproductiesector en industriële sectoren die grote hoeveelheden CO2 uitstoten. Nederland behoort, samen met enkele andere landen, Europees en wereldwijd tot de koplopers op het gebied van CCS. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding of uitvoering van grootschalige CCS-projecten, kunnen die kennis en ervaring wereldwijd benutten. Dat is goed voor onze economie en voor het klimaat.

Het beleid bestaat uit het steunen van onderzoek en het opzetten van twee grootschalige demonstratieprojecten met opslag onder zee. Het gaat om het ROAD project; afvang en opslag bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte (€ 150 mln cofinanciering van het Rijk). Daarnaast is er het Green Hydrogen project. De initiatiefnemers hebben hiervoor een NER300-subsidieaanvraag bij de Europese Commissie ingediend. Dit project betreft de realisatie van een CO2-afvanginstallatie bij de nieuwe waterstoffabriek van Air Liquide in Rozenburg. De CO2 zal uiteindelijk in de Noordzee worden opgeslagen. Het Rijk heeft € 60 tot € 90 mln cofinanciering toegezegd. Vanzelfsprekend staat veiligheid daarbij voorop.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma's. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma 2012–2015 van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren. De totale bijdrage van Nederland, Frankrijk en België voor het aanvullend programma 2012–2015, plus de verwachte commerciële inkomsten (uit de commerciële productie van radio-isotopen voor medische diagnoses), waarborgt een afdoende operationele begroting om de kosten voor de exploitatie van de reactor in de periode 2012–2015 te dekken.

Aanschafsubsidie zonnepanelen

In 2012 is voor het eerst budget beschikbaar gesteld voor een tijdelijke subsidieregeling voor investeringen in zonnepanelen voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers kunnen een subsidie ontvangen van 15% van de prijs van de aangeschafte materialen, tot een maximum van € 650,–. De regeling wordt ook in 2013 opengesteld.

Elektrisch rijden

Dit betreft de uitvoering van het plan van aanpak elektrisch vervoer: «Elektrisch rijden in de versnelling». In dit plan wordt de introductie van elektrisch vervoer bevorderd zodat op den duur een zelfdragende markt kan ontstaan. Een aantal focusgebieden en kansrijke marktsegmenten wordt actief gestimuleerd. In samenwerking met andere departementen zorgt EL&I voor gunstige randvoorwaarden: onder andere fiscaal beleid, het bewaken van een open marktmodel voor oplaaddienstverlening en door eigen aankoop- en aanbestedingsbeleid van het Rijk.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Geothermie

Geothermie of aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. In 2020 is het mogelijk 11 petajoule (PJ) door middel van aardwarmte te realiseren en ook na 2020 is het potentieel voor warmte en elektriciteit uit aardwarmte groot. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is momenteel een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte.

De garantieregeling Geothermie heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen. Een derde openstelling van de garantieregeling staat gepland in het najaar van 2012. Beoogd wordt dat marktpartijen het risico op termijn zelf gaan afdekken.

Opdrachten

Joint Implementation

Een deel van de nationale Kyoto-doelstelling wordt gerealiseerd met binnenlandse CO2-reductie. De rest wordt ingevuld met CO2-reductie via aankoop van onder andere Joint Implementation (JI)-rechten in het buitenland.

De kern van JI is dat landen met reductieverplichtingen deze in andere landen kunnen realiseren.

De doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Over de periode 2008–2011 is inmiddels 12,4 Mton gerealiseerd en geleverd.

In 2013 worden in principe geen emissierechten meer aangekocht. Er is geen streefwaarde voor 2013, de Kyoto periode loopt tot en met 2012. Wel kan het zijn dat er in 2013 (en eventueel 2014–2015) nog emissierechten geleverd worden die in 2012 gegenereerd zijn door de JI projecten. De uiterlijke termijn voor levering van emissierechten gegenereerd tijdens de Kyoto periode is 2015. Het is dus wel denkbaar dat er nog betalingen plaatsvinden in 2013 voor de JI-rechten die zijn gegenereerd in 2012.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming 20131

Streefwaarde

Planning

Bron

1. CO2-uitstoot sectoren industrie/energie

94 Mton

1990

0

109,2 Mton

2012

AgNL

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder het emissiehandelssysteem

     

86,8 Mton

2012

AgNL

2. Vermeden CO2-uitstoot voor 2012 via Joint Implementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

nvt

 

0

19,2 Mton

2012

AgNL

X Noot
1

Geen raming voor 2013; de Kyotoperiode loopt tot en met 2013.

Straling

Dit betreft de beoordeling van vergunningen voor nucleaire installaties, het uitvoeren van stresstesten en het bewaken van stralingswaarden. Het toepassen van kernenergie vraagt om prioriteit voor de nucleaire veiligheid. Dit geldt zowel voor bestaande nucleaire inrichtingen als bij het ontwerpen van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Hiervoor zal een robuust beleidskader en actuele regelgeving voor nucleaire veiligheid en beveiliging worden opgesteld overeenkomstig de meeste recente internationale inzichten.

De uitkomsten van de in 2012 uitgevoerde stresstest bij alle nucleaire inrichtingen zullen worden geimplementeerd. In 2013 start een interactief beleidsproces zodat in 2014 een «Afvalstoffenplan voor radioactief afval» kan worden vastgesteld. Ook zal een zelfevaluatie worden uitgevoerd om na te gaan of Nederland voldoet aan de eisen die de International Atomic Energy Agency (IAEA) stelt aan onder andere het beleid, de regelgeving, het toezicht en de wijze waarop de Nederlandse overheid is georganiseerd. In 2014 zal een IAEA-reviewteam ons land bezoeken en deze zelfevaluatie beoordelen. Het Bijdragebesluit Kernenergiewet zal worden herzien.

Pallas

Een excellente en solide nucleaire kennisinfrastructuur in Nederland is van groot belang voor de nucleaire gezondheidszorg, een verantwoorde toepassing van kernenergie en voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor wordt een nieuwe, onafhankelijke organisatie opgericht. Deze krijgt de opdracht om te zorgen voor een gezonde businesscase. De bouw en exploitatie van de reactor moet volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Daarbij geldt dat de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten – veelal kleiner dan een looptijd van één jaar – die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

ECN/NRG

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) ontwikkelt als kennisinstelling hoogwaardige kennis en technologie voor een duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. In de Topsectoraanpak blijven de kennisinstellingen een belangrijke rol spelen, waarbij de onderzoeksprogrammering in belangrijke mate zal worden afgestemd op de onderzoeks- en innovatieagenda (innovatiecontract) voor de Nederlandse energiesector. Voor de Nuclear Research Group (NRG) betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

Zoals aangekondigd in het Regeerakkoord uit 2010, worden de uitgaven van de subsidie SDE+ gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze gaat in per 2013, in het jaar dat de eerste substantiële betalingen uit hoofde van de SDE+ worden verwacht. De wet die de opslag mogelijk gaat maken is eind 2011 ingediend bij de Tweede Kamer. In lijn met de geraamde uitgaven van de SDE+ lopen de ontvangsten uit de heffing geleidelijk op naar € 1,4 mld per jaar, het bedrag dat overeenkomstig het Regeerakkoord uit 2010 in structurele zin de bovengrens vormt voor het totaal van de uitgaven van de SDE+regeling en haar voorlopers, te weten de MEP en de SDE.

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2012 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro-Economische Verkenning (concept-MEV). De volgende variabelen zijn hierbij relevant:

Verwachting 2012–2013

2012

2013

Productie aardgas totaal

Bron: TNO

77 mld m3

72 mld m3

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,27

1,25

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

104

95

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

23,7

23,9

Kengetallen

2008

2009

2010

2011

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

36 mld m3

34 mld m3

32 mld m3

29,2 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

13

15

12

17

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

14

28

35

29

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

79 mld m3

74 mld m3

86 mld m3

78,6 mld m3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,47

1,39

1,33

1,39

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

97,0

61,5

79,5

111,3

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

25,9

13,0

15,8

22,9

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EL&I stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

15 Een sterke internationale concurrentiepositie

Algemene doelstelling

Een sterke positie op buitenlandse markten

De Europese economie krimpt in 2012 volgens de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) met 0,1% en zal in 2013 maar matig groeien, zoals het er nu naar uitziet met minder dan 1%. De Nederlandse economie is nauw verweven met de internationale handels- en investeringsstromen. Het Nederlandse bedrijfsleven behoort tot de internationale top. Onze sterke positie is echter geen vanzelfsprekendheid. De aanhoudende onrust op de financiële markten zorgt voor onzekerheid en risico’s voor internationale transacties. De problemen met de Euro tast het consumentenvertrouwen aan, zowel in Nederland als op de belangrijke Europese afzetmarkten. Snelle groei is te vinden in opkomende markten als Brazilië, Rusland, India en China (de BRIC’s), maar ook in landen als Zuid-Afrika, Turkije, Vietnam, Indonesië, Egypte, Zuid-Korea, Colombia en de Golfstaten. Hier zijn de posities van de Nederlandse bedrijven niet altijd even sterk. Ook zijn er barrières door het optreden van locale overheden. Aandacht voor een internationaal gelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven, alsmede aandacht voor markttoegang blijft dus van groot belang. Het streven vanuit EL&I is een sterkere positie te verkrijgen op snelgroeiende markten. Daarnaast blijft de monitoring van de kredietverlening aan internationale exporteurs en investeerders een belangrijk aandachtspunt.

De interne markt vormt de kern van de Europese integratie en heeft al vele tastbare voordelen en welvaart opgeleverd voor burgers, consumenten en bedrijven (verantwoordelijk voor 4%–6% BBP). Er resteren vele belemmeringen en het potentieel van een versterking van de interne markt is enorm (3% hoger BBP in 2020)48. In deze tijd van economische crisis is het zaak dit potentieel te benutten. Inzet is dan ook om onze sterke positie op de Europese «thuismarkt» te behouden en zorg te dragen voor een sterke economie die de concurrentie wereldwijd aankan. Verdere versterking van de interne markt en implementatie van de Europa 2020-strategie voor groei en banen staan hierbij voorop. Daarnaast moet bezien worden hoe het economische deel van de Economische Monetaire Unie verder is te versterken. Tot slot zet EL&I bij de onderhandelingen over het EU Meerjarig Financieel Kader 2014–2020 (MFK) in op een doelmatige en toekomstgerichte inzet van EU-middelen, zoveel mogelijk gericht op concurrentievermogen en groei. Ongeveer 85 % van de EU-begroting raakt beleidsterreinen van EL&I.

EL&I en het Ministerie van Buitenlandse Zaken geven vorm aan economische diplomatie als het belangrijkste middel in het internationale economische beleid. Nationale en internationale netwerken zullen assertief worden ingezet bij het verzilveren van marktkansen onder meer door het oplossen van belemmeringen voor Nederlandse ondernemers op buitenlandse markten. Het diplomatieke postennetwerk heeft economische diplomatie als prioriteit in hun takenpakket waarbij EL&I de focus legt op landen met groot economische potentieel (nu en in de toekomst).

Kengetal

2010

Ambitie 2013

Grootste ontvangers Buitenlandse Directe investeringen

   

– Positie van Nederland

8

Top-10

Grootste exporteurs goederen

   

– Positie Nederland

5

Top-5

Bron: UN COMTRADE, UNCTAD

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen export- en investeringsbevordering, marktfacilitatie en markttoegang.

Uitvoeren

  • Het behandelen van klachten van bedrijven en burgers over onjuiste toepassing van de interne markt regels (Solvit) en oneerlijke concurrentie waar Nederlandse bedrijven in het buitenland mee te maken hebben (Meldpunt Handelsbelemmeringen).

  • Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken met het Koninklijk Huis, bewindslieden en topambtenaren.

  • Het monitoren en bevorderen van markttoegang in derde landen via de EU markttoegangstrategie.

  • De exportcontrole op strategische goederen en sancties in het kader van de EU, het Wassenaar Arrangement, de Australië group, de Nuclear Suppliers Group, Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons en de Missile Technology Control Regime.

  • Het norm en inhoud geven aan economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken met het Koninklijk Huis, bewindslieden en topambtenaren.

Regisseren

  • Het bijdragen aan de implementatie van de Europa 2020-strategie voor groei en banen, door het bevorderen van groeiversterkende structurele hervormingen in lidstaten en de EU en het toezicht daarop. Eén van de grote prioriteiten daarbij is het functioneren van de Europese interne markt en de verdere integratie van de dienstensector.

  • Het bijdragen aan een strikte implementatie van de economische beleidscoördinatie binnen de EU (economic governance). De economische beleidscoördinatie in de EU is aangescherpt met de ondertekening van het verdrag voor stabiliteit, coördinatie en bestuur, het akkoord over het euro-plus pact en de inwerkingtreding van wetgevingspakket «six pack», waaronder de macro-economische onevenwichtigheden procedure. Mits strikt geïmplementeerd, zijn hiermee belangrijke stappen gezet om de structuur van de EU te versterken en een toekomstige crisis te voorkomen.

  • Op basis van Nederlandse belangen bijdragen aan de verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer via de World Trade Organisation (WTO)/Doha ronde, vrijhandelsakkoorden en investeringsbeschermingsovereenkomsten.

  • Het versterken van de internationale economische rechtsorde in het kader van de WTO, OESO en EU en door beïnvloeding van het G20 proces.

  • Het bevorderen van kaders voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van de VN, OESO, EU en Voluntary Principles on Security and Human Rights en het bevorderen van «Due diligence» onderzoek naar MVO risicofactoren als norm voor internationaal ondernemen.

  • Het behouden van draagvlak voor globalisering door realistische invulling van ketenverantwoordelijkheid.

  • Het faciliteren van ambities om synergie te bereiken tussen ontwikkelingsdoelstellingen en de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven.

  • EL&I en het Ministerie van Buitenlandse Zaken geven vorm en inhoud aan economische diplomatie.

Beleidswijzigingen

  • In het postennet wordt de verschuiving richting economische diplomatie verder doorgezet.

  • Op basis van de ontvangen internationaliseringsoffensieven van de topsectoren worden afspraken gemaakt over de ondersteuning door de overheid van hun internationale ambities. Die ondersteuning gebeurt onder andere via de strategische reisagenda en via het werkprogramma van de posten in het buitenland.

  • Ter versterking van de topsectoren worden gericht buitenlandse bedrijven aangetrokken die de topsectoren versterken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

114,4

104,6

90,5

94,0

86,9

85,0

86,6

UITGAVEN

127,3

137,6

112,1

102,7

88,5

85,5

79,8

Waarvan juridisch verplicht

   

79 %

       
               

Subsidies

             

– Prepare2start/ Starters International Business (SIB)

11,3

6,9

6,1

5,5

4,9

5,9

5,9

– Overig Programmatische Aanpak1

12,0

9,7

4,6

3,3

2,4

2,1

0,2

– 2g@there1

11,2

11,2

6,5

0,7

0,3

0

0

– Transitiefaciliteit (TF)

 

4,6

10,0

15,0

15,0

15,0

15,0

– Kennisverwerving opkomende markten (ODA)

2,3

9,4

2,1

5,1

0

0

0

– Package4growth

11,4

6,7

5,0

3,0

0

0

0

– Partners for International Business (PIB)

 

3,3

5,4

6,3

6,9

8,0

6,8

– Overige subsidies1

7,5

6,3

0,8

2,0

2,0

2,0

0

Opdrachten

             

– Beleidsondersteuning, evaluaties en onderzoek

1,5

1,7

1,6

1,4

1,4

1,6

1,6

– Collectieve Promotionele Activiteiten (CPA)

4,9

3,5

1,2

0

0

0

0

– Overige opdrachten

3,6

3,9

0,6

1,3

1,3

1,4

1,4

Leningen

             

– Finance for International Business(FIB)

 

6,0

7,5

5,9

3,4

0

0

Bijdrage aan baten-lastendiensten

             

– Agentschap NL

45,1

46,3

44,6

37,1

35,0

34,2

33,6

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– WTO, OESO, UNEP, FAO en overige contributies

16,5

18,0

16,2

15,9

15,8

15,4

15,4

               

ONTVANGSTEN

9,1

8,5

14,3

9,3

5,2

1,8

1,8

– Gemengde kredieten

1,6

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

– Package4growth

7,0

6,7

12,5

7,5

3,4

0

0

– Diverse ontvangsten

0,5

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

X Noot
1

Dit betreft de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen. De instrumenten PUM, PESP en PSOM maken vanaf 2012 geen onderdeel meer uit van het instrumentarium.

Budgetflexibiliteit

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2013 is 64% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2012 aangegane verplichtingen.

Opdrachten: Van het opdrachtenbedrag is 61 % juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Leningen: Het budget voor de co-investeringsfaciliteit Finance International Business is niet juridisch verplicht.

Bijdrage aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap NL. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Prepare2Start/ Starters International Business (SIB)

Het instrument Starters International Business is de opvolger van het instrument Prepare2start en is gericht op kansrijke ondernemers uit het MKB, die geen of weinig ervaring hebben met internationaal ondernemen. In de nieuwe opzet worden kansrijke MKB-ondernemers ondersteund in hun proces om tot internationaal ondernemen te komen door het inventariseren van kennishiaten die via een combinatie van bestaande publieke en private producten worden ingevuld. EL&I wil dit onder meer bereiken met een geïntegreerd pakket publieke en private producten en diensten voor starters. Dit wordt vormgegeven door een flexibele inzet van informatie, advies en promotie.

Indicator

Referentie

Waarde1

Peil

Datum2

Raming 2013

Streef

Waarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat succesvol internationaliseert met behulp van een van de producten gericht op (individuele) begeleiding van bedrijven

Niet van toepassing

Niet van toepassing

450

450

2013

AgNL

X Noot
1

Er zijn geen referentiewaarde en peildatum beschikbaar, het betreft voor 2012 een nieuw instrument.

X Noot
2

Er zijn geen referentiewaarde en peildatum beschikbaar, het betreft voor 2012 een nieuw instrument.

Transitiefaciliteit (TF)

Ontwikkelingssamenwerking (OS) wordt meer gericht op economische zelfredzaamheid van de partnerlanden. EL&I werkt nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onder andere door het verbinden van de kennis en kunde van de topsectoren met de ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij gaat het om samenwerking op speerpunten als Voedselzekerheid, Privatesector ontwikkeling en Water, maar ook op het beter laten aansluiten van Nederlandse bedrijven op beschikbare fondsen en leningen van internationale financiële instellingen (IFI’s) als de Wereldbank.

Een aantal ontwikkelingslanden ontstijgt de behoefte aan buitenlandse hulp en bieden interessante markten voor het bedrijfsleven. Met deze landen wordt geleidelijk toegewerkt naar een wederzijdse profijtelijke economische relatie. Dit geldt vooralsnog voor Zuid-Afrika, Vietnam en Colombia. Voor deze landen is een Transitiefaciliteit in het leven geroepen.

De TF kent een gezamenlijke beleidsverantwoordelijkheid van EL&I en het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Focusbrief ontwikkelingssamenwerking van 18 maart 2011, TK, 2010/11, 32 605, nr. 2, blz. 15). Bepalend voor alle activiteiten en inzet onder de TF zijn de volgende doelstellingen:

  • Verbetering van het ondernemingsklimaat in het transitieland.

  • Het vergroten van de omvang van de (duurzame) handel, investeringen en diensten door Nederlandse bedrijven met het transitieland.

Uitgangspunt van de ondersteuning van een activiteit is een positieve bijdrage aan de Nederlandse bedrijfsactiviteiten in het transitieland.

TF omvat drie instrumenten, te weten: kennisverwerving, haalbaarheidsstudies en demonstratieprojecten. Daarnaast kunnen binnen de TF de volgende activiteiten worden ingezet:

  • 1) In- en uitgaande economische missies;

  • 2) Beursinzendingen;

  • 3) Government to Government (G2G);

  • 4) Holland Branding;

  • 5) PPP-penvoerderschap.

Voornaamste actie 2013:

  • In 2013 zal samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken besloten worden of en hoe de transitiefaciliteit naar landen en activiteiten uitgebreid wordt.

Package4Growth (P4G) en kennisverwerving opkomende markten ODA

P4G bestaat sinds 2009 en wordt uitgevoerd door AgentschapNL. Deze faciliteit omvat een totaalpakket aan dienstverlening ten behoeve van Nederlandse bedrijven bij de ondersteuning van de opzet en/of uitbreiding van bedrijfsactiviteiten in China en India.

De faciliteit kent meerdere modules gericht op het vergroten van de kansen van Nederlandse bedrijven in China en India middels kennisverwerving, ordersubsidie en een investerings-subsidiefaciliteit.

Het ODA-gedeelte betreft de kennisverwervingsmodule. Deze module geeft bedrijven subsidie gericht op het inwinnen van extern advies om bedrijven bij hun eerste stappen op deze markten te faciliteren. Deze module wordt binnen het instrumentarium ook opengesteld op de transitielanden.

Het non-ODA deel van P4G is omgevormd naar het nieuwe instrument Finance International Business (zie hieronder). De resterende budgetten dienen ter uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen

Partners for International Business (PIB)

Doel van deze faciliteit is de structurele positionering van clusters van Nederlandse bedrijven, met name uit topsectoren, op voor Nederland kansrijke markten te ondersteunen om zo de Nederlandse concurrentiekracht te versterken. Daarbij geldt als hoofdlijn, dat een cluster van bedrijven (eventueel aangevuld met kennisinstellingen) gebruik kan maken van deze faciliteit, als zij een grote en langdurige kans op een buitenlandse markt ziet en tegen marktbelemmeringen aanloopt.

De inbreng van de Rijksoverheid concentreert zich met name op economische diplomatie en modules voor overheid-tot-overheid samenwerking, informatie, advies, financiering, promotie, matchmaking en kennisintensieve samenwerking.

Indicator

Referentie

Waarde1

Peil

Datum1

Raming 2012

Streef

waarde

Planning

Bron

Aantal convenanten met clusters van bedrijven, (waarvan tenminste 80% binnen de topsectoren en focuslanden)1

Niet van toepassing

Niet van toepassing

20

20

2013

AgNL

X Noot
1

Er zijn geen referentiewaarde en peildatum beschikbaar, het betreft een nieuw instrument dat in 2012 voor de eerste maal is gepubliceerd.

Opdrachten

Beleidsondersteuning, evaluaties en onderzoek

Uit dit instrument worden activiteiten betaald die liggen op het terrein van de beleidsondersteuning en beleidsvorming. Het betreft uitgaven aan bijvoorbeeld congressen, evaluatie-onderzoek, beleidsondersteunend onderzoek, vacatie- en reisgelden van commissieleden, voorlichting, workshops, vertaalopdrachten, projecten en informatiebijeenkomsten.

Collectieve Promotionele Activiteiten (CPA)

Het instrument CPA is vervallen als zelfstandig instrument. De subsidiemogelijkheid voor de Collectieve Promotionele Activiteiten, volgens de open tendersystematiek, is stopgezet en omgezet in een modulaire vorm als onderdeel van de publiek-private aanpak.

Overig opdrachten

Uit dit budget worden incidentele opdrachten, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse deelname aan wereldtentoonstellingen, gefinancierd.

Leningen

Finance for International Business (FIB)

Finance for International Business (FIB) bevordert door middel van co-financiering de beschikbaarheid van financiering voor Nederlandse MKB ondernemingen die investeren in opkomende markten. FIB is het resultaat van de gedeeltelijke omvorming van de faciliteit «Package 4 Growth» (P4G). FIB zal net als P4G ingezet worden op de opkomende markten China en India en daarnaast op de transitielanden Vietnam, Zuid-Afrika en Colombia. Het betreft hier voormalige partnerlanden en (bijna) middeninkomenslanden waar de overgang van een bilaterale ontwikkelingsrelatie naar een wederzijdse profijtelijke economische relatie wordt gestimuleerd door extra inzet vanuit de overheid.

Met FIB zal EL&I op deal-by-deal basis mee investeren in specifieke proposities van de (door EL&I geaccrediteerde) investeringsmaatschappijen door middel van het verstrekken van leningen, zonder zekerheden. De Staat verstrekt een lening aan de onderneming, zonder op de stoel van de markt te gaan zitten (additionaliteit). Deze lening moet door de onderneming ingezet worden voor de investering in de onderhavige landen.

Met deze werkwijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van de bestaande expertise van investeringsmaatschappijen (zowel tijdens de investeringsselectie als tijdens de beheer- en exitfase). De faciliteit kan ook worden gebruikt bij financiering door banken.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Agentschap NL

De bijdrage bestaat uit drie onderdelen:

  • Uitvoeringskosten financieel instrumentarium bedragen circa € 7 mln.

  • € 29 mln betreft de inzet van Agentschap NL als centrale uitvoeringsorganisatie voor publieke handelsbevordering met als taken het faciliteren, creëren en onderhouden van netwerken en contacten op het gebied van handels- en investeringsbevordering. Het Agentschap NL speelt een belangrijke rol bij het wegnemen van belemmeringen voor het bedrijfsleven op het gebied van kennis, informatie en contacten.

  • € 9 mln betreft de bijdrage aan het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA). NFIA zet in op gerichte acquisitie van buitenlandse topbedrijven die investeren in Nederland en/of zich in Nederland vestigen en daarmee de Nederlandse economie versterken. Om investeerders aan te trekken, dan wel te behouden, zijn een aantrekkelijk investeringsklimaat en de daarbij behorende randvoorwaarden van primair belang. De nadruk ligt hierbij op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren. Extra aandacht wordt ingezet op R&D en om hoofdkantoren naar Nederland te halen en reeds gevestigde hoofdkantoren te behouden.

Voornaamste acties 2013:

  • Bedrijven en kennisinstellingen zullen actiever worden betrokken bij het acquisitiebeleid. Ook de Rijksoverheid en regionale overheden gaan hierbij nauwer samenwerken, zodat Nederland als één geheel wordt gepositioneerd.

  • Vanaf 2013 worden de middelen voor de financiering van de Netherlands (Agri)Business Support Offices (N(A)BSO's) overgeheveld van BuZa naar EL&I. De hoogte van het over te hevelen bedrag moet nog worden vastgesteld. Dit zal bij Voorjaarsnota 2013 worden verwerkt.

De bijdrage van buitenlandse investeringen in Nederland aan de Nederlandse economie komt tot uiting in de onderstaande drie indicatoren.

Indicator

Referentie

waarde

Peil

datum

Raming 2012

Streef

waarde

Planning

Bron

Aantal aangetrokken projecten

100

2006

150

150

2013

AgNL

Investeringsbedrag aangetrokken projecten (mln. euro) waarvan 50% hoogwaardig

250

2006

700

700

2013

AgNL

Aantal arbeidsplaatsen aangetrokken projecten (nieuw + behoud)

2 300

2006

3 300

3 200

2013

AgNL

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

WTO, OESO en FAO

Dit betreft de jaarlijkse contributie aan de WTO, OESO en FAO voor het lidmaatschap van Nederland. EL&I is primair verantwoordelijk voor het buitenlands economisch beleid en als zodanig voor de Nederlandse inbreng in het handelsbeleid van de EU en het vertegenwoordigen van het Nederlandse economisch belang in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Alle landen die de OESO Richtlijnen onderschrijven dienen een Nationaal Contactpunt (NCP) in te richten dat tot taak heeft het uitdragen van de OESO Richtlijnen en de behandeling van meldingen van vermeende schendingen van (onderdelen van) de Richtlijnen.

Groene groei biedt economische kansen. EL&I zet in op groene groei en een positie van Nederland als voorloper bij het ontwikkelen van duurzame sectoren en een biobased economy. Op het gebied van voedsel en water heeft Nederland veel te bieden. EL&I streeft daarom naar nauwere samenwerking tussen de Nederlandse bedrijfssectoren en ontwikkelingssamenwerking. Ook wordt ingezet op het bedrijfsleven om initiatieven om klimaatverandering en verlies van biodiversiteit tegen te gaan. Deze aanpak zal EL&I ook vertalen naar de Nederlandse inzet in een aantal multilaterale fora zoals de EU, WTO, FAO, VNCSD en OESO.

Overige contributies

Dit betreft contributies aan onder andere United Nations Environment Programme, Nederland Distributieland, InvestorDevelopment programme en het Netherlands Trade & Investment Office (NTIO) in Taiwan.

Toelichting op de ontvangsten

Package4Growth

Het instrument Package4Growth is van oorsprong een crisisinstrument met een looptijd van 4 jaar (2009 tot en met 2012). Financiering van dit instrument komt deels uit een restant van de interne reserve die is opgebouwd ten behoeve van het instrument Seno/Gom. Dit instrument is met ingang van 2010 overgegaan naar Ministerie van Financiën en geïntegreerd in de Exportkredietverzekering (EKV). Onderdeel van deze integratie is de afspraak met het Ministerie van Financiën dat een deel van de reserve beschikbaar blijft ter financiering van het instrument Package4Growth. De onttrekkingen aan deze reserve zijn per jaar geraamd. In de loop van het jaar wordt bezien welk gedeelte daadwerkelijk wordt onttrokken en wordt de ontvangstenraming aangepast.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EL&I streeft naar internationaal toonaangevende concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EL&I is vanuit een bewakende en stimulerende rol verantwoordelijk voor:

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen (artikelonderdeel 16.1).

  • Het borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit (artikelonderdeel 16.2). Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, met name Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de gehele Europese wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van de het slacht van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EL&I verantwoordelijk voor is. De Minister van EL&I is voorts verantwoordelijk voor de controle en handhaving op de regels voor de veiligheid van voedsel.

  • Het voeren van adequaat fytosanitair beleid, waaronder markttoegang en het zeker stellen van goede gewasbescherming, alsmede het borgen van diergezondheid en dierenwelzijn (artikelonderdeel 16.3).

  • Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein (artikelonderdeel 16.4).

  • Het bijdragen aan een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid op Europees en mondiaal niveau alsmede het bijdragen aan het Europese en internationale landbouwbeleid (artikelonderdeel 16.5).

Bij het vaststellen van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de minister de rol om te zorgen dat de Nederlandse inbreng met betrekking tot versterking concurrentiekracht, vergroening en verduurzaming goed tot hun recht komen. In de Beleidsagenda en bijlage 4.2 Europese geldstromen wordt hierop nader ingegaan.

Kengetal

2007

2008

2009

2010

2011

1. Maatschappelijke appreciatiescore

   

7,7

7,7

7,5

Bron:TNS/NIPO

         

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

 

3,3

3,4

3,4

3,4

Bron:NVWA monitor

         

3. Plant Breeders Index

34 %

35 %

32 %

32 %

33 %

Bron: CPVO

         

4. Aantal octrooiaanvragen in de agrarische sector en verwerkende industrie

8,2%

7,3%

6,8%

   

Bron: NLOctrooicentrum

 

2006

2008

2009

2010

Ambitie 2013

5. Nederland op ranglijst landen met het hoogste netto handelsoverschot in agrarische producten (x € 1 mld)

       

Positie handhaven

Brazilië

26,3

39,9

37,7

42,9

 

Argentinië

15,8

27,1

20,8

25,7

 

Nederland

19,5

23,1

22,8

23,6

 

Bron: United Nations Commodity Trade Statistics Database (Comtrade)

Toelichting

  • 1 De maatschappelijk appreciatiescore is een rapportcijfer voor de waardering van de Nederlandse samenleving voor de agrarische- en visserijsector, productiewijzen en de verwerking van agrofood en visproducten. Basis is periodiek door TNS/NIPO uitgevoerd onderzoek.

  • 2 De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Eind 2012 vindt er geen meting plaats.

  • 3 Betreft het percentage Nederlandse aanvragen Kwekersrecht van het totaal aantal aanvragen voor de EU en geeft deels de impact van het innovatiebeleid weer.

  • 4 Betreft het percentage Nederlandse octrooiaanvragen van het totaal aantal internationale aanvragen (bij de WIPO en het Europees Octrooibureau ingediend) voor de agrarische sector en verwerkende industrie. De gegevens over 2010 worden in april 2013 gepubliceerd.

  • 5 Dit kengetal betreft de positie van Nederland op de ranglijst van landen met een netto handelsoverschot voor agrarische producten zoals sierteeltproducten, groenten, vlees, zuivel en graanbereidingen. Brazilië is het land met het grootste handelsoverschot en die positie is alleen maar sterker geworden. Sinds 2005 zijn Nederland en Argentinië afwisselend het tweede land.

Budgettaire gevolgen van beleid

De financiële instrumenteninzet van artikel 16 is gekoppeld aan de volgende artikelonderdelen:

16.1 Versterking concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij;

16.2 Borgen voedselveiligheid en -kwaliteit;

16.3 Plant- en diergezondheid;

16.4 Kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein;

16.5 Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid.

Achter ieder instrument staat het betreffende artikelonderdeel.

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

885,4

752,5

638,5

555,1

543,3

532,2

529,6

Waarvan garantieverplichtingen

58,7

138,0

138,0

138,0

138,0

138,0

138,0

UITGAVEN

867,2

606,6

517,4

443,9

426,5

416,2

413,6

Waarvan juridisch verplicht

   

83%

       
               

Subsidies

             

– Agrarisch ondernemerschap (16.1)

9,2

8,9

5,1

5,1

5,2

4,8

4,8

– Duurzame veehouderij (16.1)

26,8

30,4

5,6

4,9

4,5

5,2

5,2

– Mestbeleid (16.1)

0,4

1,3

2,1

2,8

1,8

0,8

0,8

– Plantaardige productie (16.1)

14,8

18,7

16,9

15,6

19,7

19,1

19,1

– Agrarische innovatie en overig (16.1)

17,5

10,3

9,6

3,1

2,2

1,2

1,2

– Visserij (16.1)

6,4

10,5

6,0

0,0

0,0

0,0

0,0

– Dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren (16.3)

1,9

2,2

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

– Apurement (16.5)

52,0

17,3

12,3

7,3

7,3

7,3

7,3

– Interne begrotingsreserve (16.5)

170,0

           

Garanties

             

– Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit (16.1)

1,5

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

– Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (16.1)

11,4

12,0

10,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Opdrachten

             

– Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

36,7

34,7

24,0

15,0

12,9

12,6

12,2

– Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

15,4

16,2

8,4

6,8

6,8

6,8

6,8

– Plant- en diergezondheid (16.3)

20,2

22,9

18,9

15,9

13,0

12,9

12,9

– Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

114,7

96,5

93,9

84,6

78,6

69,9

69,1

– Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

1,5

2,3

2,1

1,9

1,9

1,9

1,9

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

             

– Medebewind produktschappen (16.5)

23,7

20,1

13,5

8,4

8,1

8,1

8,0

– Dienst Landbouwkundig Onderzoek (16.4)

94,3

91,0

91,1

90,8

88,7

91,0

91,0

Bijdragen aan andere begrotingshoofd-

             

stukken

             

– Diergezondheidsfonds

3,5

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

               

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

– NVWA

136,9

101,1

93,2

84,6

81,3

80,5

79,7

– Dienst Regelingen

96,6

92,3

84,3

78,6

76,9

76,4

75,9

– Agentschap NL

4,3

3,0

2,4

2,4

2,4

2,4

– Dienst Landelijk Gebied

0,4

0,3

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

– Rijksrederij

11,4

7,0

9,0

8,0

7,0

7,0

7,0

               

ONTVANGSTEN

306,9

313,1

291,6

276,8

276,8

276,8

276,8

– Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.1)

29,1

39,8

21,1

6,6

6,6

6,6

6,6

– Borgen voedselveiligheid- en kwaliteit(16.2)

0,1

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

– Plant- en diergezondheid (16.3)

2,3

1,3

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

– Kennisontwikkeling en innovatie (16.4)

13,3

12,9

10,9

10,6

10,6

10,6

10,6

– Borgen voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid (16.5)

261,5

258,7

258,7

258,7

258,7

258,7

258,7

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Landbouwvrijstelling

361

327

312

309

312

315

317

Verlaagd tarief glastuinbouw

134

114

134

135

136

137

138

Verlaagd tarief sierteelt

205

208

233

235

237

240

242

Landbouwregeling

40

41

43

46

48

50

52

Rode diesel

210

228

0

0

0

0

0

Vrijstelling cultuurgrond

97

94

96

98

100

102

104

Budgetflexibiliteit

Het budget 2013 is voor € 428,6 mln (83%) inflexibel, omdat de verplichtingen die in 2013 tot kasbetaling leiden vooral op artikelonderdeel 16.4 (meerjarige DLO-programma’s, wettelijke onderzoekstaken van DLO) en op artikelonderdeel 16.9 (financiering baten-lastendiensten) al in het voorafgaande jaar worden aangegaan.

Subsidies: Budgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare budget 2013 is 98% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van tot en met 2012 aangegane verplichtingen op subsidieregelingen. De verplichtingen betreffen deels de cofinanciering van de uitvoering van EU-programma’s voor Plattelandsontwikkeling, Visserij en in het kader van artikel 68 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Garanties: Bijdrage aan de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is niet verplicht. De verliesdeclaraties 2013 betreft een raming van de verplichte betalingen aan banken voor bedrijven die niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.

Opdrachten: Van budget 2013 is 80% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2012 zijn aangegaan.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Betreft bijdragen aan productschappen voor uitvoering van de EU-regelingen op basis van de «Regeling medebewind Gemeenschappelijke Landbouwbeleid» van 28 september 2006. Het budget voor 2013 is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket voor 2013 aan de NVWA en DR, inclusief de kosten van uitvoering van EU-regelingen. Op basis van het offertetraject is het budget voor 2013 ultimo 2012 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdragen aan baten-lastendiensten

EL&I zet diverse uitvoerende diensten in voor het realiseren van beleidsdoelen op het gebied van agroketens, voedsel en visserij.

  • Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)

    De bijdrage aan de NVWA is onder andere bestemd voor de uitvoering en het toezicht op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, diervoeders, diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, mestregelgeving en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten. De raming bevat structureel € 6,6 mln per jaar voor compensatie van NVWA in het kader van BTW-regelgeving, die geen onderdeel uitmaakt van de bijdrage aan het opdrachtenpakket NVWA.

  • Dienst Regelingen (DR)

    De bijdrage aan DR is onder andere bedoeld voor de uitvoering van Europese regelingen zoals de inkomenstoeslagen in de land- en tuinbouw, regelingen met betrekking tot het plattelandsontwikkelingsprogramma en het Europees Visserij Fonds. Daarnaast worden taken uitgevoerd inzake identificatie en registratie van dieren, percelen en bedrijven, subsidie- en financieringsregelingen en het mestbeleid.

  • Rijksrederij

    De bijdrage aan de Rijksrederij is bestemd voor de inzet van schepen en bemanning voor het uitvoeren van taken op het gebied van visserij-onderzoek en het beheer en de inspectie voor natuur en visserij.

Artikelonderdeel 16.1: Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij
Financieel overzicht instrumentarium 16.1

Bedragen x € 1 mln

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

124,6

128,8

81,2

48,4

48,2

45,7

45,3

               

Subsidies

             

Agrarisch ondernemerschap

9,2

8,9

5,1

5,1

5,2

4,8

4,8

– Investeringsregeling Jonge Agrariërs

4,8

3,9

1,2

2,3

2,8

2,4

2,4

– Brede weerverzekering

1,9

1,0

1,4

0,3

0,0

0,0

0,0

– Overig

2,5

4,1

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

Duurzame veehouderij

26,8

30,4

5,6

4,9

4,5

5,2

5,2

– Regeling fijnstof

6,5

16,1

0,0

0,0

2,4

4,0

4,0

– Investeringsregeling duurzame stallen

15,1

7,2

4,3

2,6

0,0

0,0

0,0

– Overig

5,2

7,2

1,3

2,4

2,1

1,2

1,2

Mestbeleid

0,4

1,3

2,1

2,8

1,8

0,8

0,8

– Duurzaamheidsinvesteringen

0,4

1,3

2,1

2,8

1,8

0,8

0,8

Plantaardige productie

14,8

18,7

16,9

15,6

19,7

19,1

19,1

– Marktintroductie en innovatie

7,7

12,2

13,7

12,2

14,7

15,2

15,2

– Investeringsregeling energiebesparing

3,0

3,1

2,3

2,0

3,5

3,5

3,5

– Overig

4,1

3,5

0,9

1,4

1,5

0,4

0,4

Agrarische innovatie

17,5

10,3

9,6

3,1

2,2

1,2

1,2

– Vamil vergoedingen

12,0

6,0

5,6