31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 90 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 mei 2012

In het kader van de behandeling van de begroting 2011 van het ministerie van EL&I heeft de Tweede Kamer een motie van het lid Ziengs1 (VVD) aangenomen, waarin de regering wordt verzocht «om binnen de huidige doelstelling van 10% ervoor te zorgen dat zzp'ers een eerlijke kans krijgen om aan de slag te gaan binnen de rijksoverheid en over de mogelijkheden hiertoe de Kamer in het voorjaar van 2012 te informeren».

Omdat de motie betrekking heeft op het inschakelen van zzp’ers binnen de rijksoverheid heeft de minister van EL&I mij verzocht te reageren op de motie.

Hierbij reageer ik op de motie. Daarbij ga ik eerst in algemene zin in op het beleid ten aanzien van externe inhuur bij het rijk. Vervolgens ga ik nader in op de positie van zzp’ers bij het verkrijgen van opdrachten door de organisaties van het rijk.

Al gedurende meerdere jaren heeft de Tweede Kamer bij de regering aangedrongen op beperking van de omvang van de externe inhuur van personeel door de organisaties van het rijk. Overwegingen daarbij waren de hoge kosten van externe inhuur, de afhankelijkheid van derden en het onbenut laten van eigen personele capaciteit. Dit heeft ertoe geleid dat in 2009 door de minister van BZK met de Tweede Kamer een sturingsinstrumentarium externe inhuur is afgesproken met als kern de in de motie bedoelde uitgavennorm.2 Deze was aanvankelijk 13% en is met ingang van 2011 gesteld op 10%. De norm heeft het karakter van «comply or explain». Dat wil zeggen dat als de norm wordt overschreden het desbetreffende ministerie in het departementale jaarverslag motiveert waarom de overschrijding noodzakelijk was.

Het hanteren van deze uitgavennorm blijkt inmiddels zijn vruchten af te werpen, aangezien de totale omvang van de uitgaven voor externe inhuur de laatste jaren substantieel is gedaald (van circa € 1,3 miljard in 2009, tot € 1 miljard in 2010 en € 0,9 miljard in 2011).

De motie gaat uit van het bestaande externe inhuurbeleid bij het rijk. Binnen dat kader wordt door de motie gepleit voor goede en eerlijke mogelijkheden voor zzp’ers om te kunnen worden ingezet bij de organisaties van het rijk. Het gaat hierbij om het aanbestedingsbeleid voor de inhuur van personeel, waarbij zzp’ers en (gegeven een eerder door uw Kamer aangenomen motie3) midden- en kleinbedrijf (MKB) eerlijke kansen moeten krijgen en niet op achterstand mogen worden gezet vanwege grote aanbestedingstrajecten, mantels etc.

Ik ga hieronder nader in op de mogelijkheden voor zzp’ers om te worden ingehuurd door de rijksoverheid.

Ten eerste kunnen in een aantal gevallen via de toepassing van een zogeheten «marktplaats» zzp’ers worden ingehuurd door de rijksoverheid. De marktplaats is een instrument dat de relevante inhuurmarkt goed ontsluit en dat zzp’ers en het MKB een eerlijke kans op een overheidsopdracht biedt. In 2011 is een nieuwe marktplaats ingezet door Rijkswaterstaat voor technisch personeel en door het RIVM voor personeel werkzaam in uitvoering en beleid. Ook bij enkele andere onderdelen van het rijk functioneert een marktplaats zoals de communicatiepool bij het ministerie van Algemene Zaken. Elders zijn marktplaatsen in voorbereiding.

Op dit moment wordt tevens gewerkt aan een rijksbreed instrument dat zorgt voor digitale ondersteuning voor de marktplaatsen bij het rijk (DigiInkoop).

Ten tweede kunnen door het bij aanbestedingen stellen van bescheiden omzeteisen, in combinatie met uitbreiding van het aantal partijen dat wordt gecontracteerd, mogelijkheden worden geboden aan zzp’ers. Een voorbeeld hiervan is een recente aanbesteding bij het ministerie van BZK voor de verwerving van arbeidsjuridische adviescapaciteit. Een dergelijke aanpak is reeds in lijn met de nieuwe Aanbestedingswet. De inwerkingtreding van de nieuwe Aanbestedingswet zal ertoe leiden dat er meer kansen komen voor zzp’ers en het MKB bij overheidsopdrachten. Van overheidsorganisaties wordt daarin namelijk gevraagd om de omvang van opdrachten te beperken. Met andere woorden: opdrachten niet onnodig te clusteren en wanneer een opdracht wel wordt geclusterd deze in kleinere percelen aan te besteden. Ook mag er in principe geen omzeteis worden gesteld. Als dat om bijzondere zwaarwegende redenen toch noodzakelijk is, mag de omzeteis niet meer dan drie keer de opdrachtwaarde zijn. Verder moeten de eisen die gesteld worden aan leveranciers proportioneel zijn, d.w.z. in redelijke verhouding staan tot de aard van de opdracht.

Naar mijn mening blijkt uit het vorenstaande dat het gevraagde in de motie-Ziengs in lijn is met het kabinetsbeleid dat erop gericht is eerlijke kansen te bieden aan zzp’ers om mee te dingen in de door de rijksoverheid uitgeoefende vraag naar extern personeel. De implementatie van de nieuwe Aanbestedingswet in de rijksdienst zal nog verder aan deze kansen bijdragen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E Spies


X Noot
1

Tweede Kamer, 2011–2012, 33 000 XIII, nr. 52.

X Noot
2

Zie de brief van de Minister van BZK van 24 juni 2009 (Tweede Kamer, 2008–2009, 31 701, nr. 21).

X Noot
3

Tweede Kamer, 2011–2012, 32 440, nr. 58.

Naar boven