Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232201 nr. 20

32 201 Herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid

Nr. 20 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 september 2011

Ik heb uw Kamer voor het zomerreces op haar verzoek geïnformeerd1 over de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Op dat moment waren de voorstellen van de Europese Commissie nog niet verschenen. Ik heb toegezegd dat uw Kamer in september een nader uitgewerkte inzet van het kabinet voor de onderhandelingen zou ontvangen, zodra de Commissie haar voorstellen gepresenteerd zou hebben. Met deze brief informeer ik u over de Commissievoorstellen en de standpunten die het kabinet wil innemen tijdens de discussie over de hervorming van het GVB

De Commissievoorstellen

De voorstellen van de Commissie voor een nieuw GVB zijn ambitieus. Zij staat een meer duurzaam, efficiënt en coherent visserijbeleid voor. Hoewel de situatie van de visbestanden in de EU-wateren verbetert, wordt een te groot deel nog niet duurzaam bevist. Voor een daadwerkelijk duurzaam beheer van de visserij zijn nog grote stappen nodig. De Commissievoorstellen zijn daarop gericht, bijvoorbeeld door het beheer van visbestanden op MSY-niveau2 in 2015 en een aanlandingsplicht. Visbestanden moeten weer op duurzaam niveau worden gebracht. Niet alleen uit ecologisch oogpunt maar ook om de visserijsector weer gezond en winstgevend te maken, een toekomstperspectief te bieden en nieuwe kansen voor werkgelegenheid te scheppen.

De belangrijkste punten uit de Commissievoorstellen zijn:

  • de introductie van een verbod op het teruggooien van vis uit commercieel beviste bestanden door middel van een aanlandingsplicht (discardban),

  • regionalisering in het GVB bij visstandbeheer en technische maatregelen,

  • een verplichting voor lidstaten om hun visserijmogelijkheden op basis van overdraagbare visserijconcessies te beheren,

  • aanpassingen in het beheer van de vlootcapaciteit,

  • aanpassingen ten aanzien van de visserij buiten de EU-wateren.

Een aantal andere onderdelen van het visserijbeleid wordt vrijwel ongewijzigd voortgezet. Het gaat hier om het behoud van de relatieve stabiliteit, de handhaving van de 12 mijlszone (met beperkte toegang voor andere lidstaten), de mogelijkheid voor de lidstaten om binnen de 12 mijlszone (nood-)maatregelen te nemen en voor de Commissie om autonoom (nood-)maatregelen te nemen.

Nieuw is verder dat de basisverordening voor een aantal onderdelen van het GVB de kaders stelt. Dit geldt voor de gemeenschappelijke marktorganisatie, de externe dimensie van het visserijbeleid, aquacultuur en de wetenschappelijke basis voor het visserijbeheer.

Voor een beknopt overzicht van de Commissievoorstellen COM (2011) 416, 417, 424, 425 en 426 d.d. 13 juli 2011 zij verwezen naar de bijlage bij deze brief. Voor de complete Commissievoorstellen naar http://ec.europa.eu/fisheries/reform/index_nl.htm.

De Commissievoorstellen bevatten nu geen financiële paragraaf. Deze voorstellen komen in het najaar. Het kabinet zal dan een reactie daarop geven.

Reactie van het kabinet

Het kabinet ondersteunt de doelstelling van de Europese Commissie die is gericht op duurzaam gebruik en instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen in zee. Niet alleen in de EU-wateren overigens, maar ook daarbuiten. Voor het kabinet is het van groot belang dat er toekomstperspectief wordt geboden aan de visserijsector, die duurzaam, rendabel en maatschappelijk geaccepteerd opereert. Ook dient het nieuwe visserijbeleid eenvoudig, doeltreffend, uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn. Het nieuwe GVB zal dan ook een oplossing moeten bieden voor een aantal structurele problemen in de Europese en Nederlandse visserij.

Het perspectief is dat in 2020 kwetsbare en waardevolle ecosystemen in zee zijn beschermd en de visbestanden gezond zijn en een diverse soortensamenstelling en evenwichtige leeftijdsopbouw hebben. De visserij maakt gebruik van de meest duurzame technieken en de sector laat de samenleving zien waar hij voor staat. Het uitgangspunt moet zijn dat de visserij voedsel produceert zonder verspilling. Een andere randvoorwaarde is dat de visserij zich zal moeten richten op de best beschikbare technieken.

De visserijsector zal meer marktgericht moeten werken, en zich ontwikkelen tot een innovatieve, duurzame en economisch zelfstandige sector. Meer marktwerking en op verduurzaming gerichte overheidssteun zullen een beroep doen op het maritieme ondernemerschap van de visser.

Het kabinet steunt de inzet van de Commissie om het beheer van visbestanden op MSY-niveauin 2015 te brengen. Daarbij is een versterking van de wetenschappelijke basis van het beleid noodzakelijk. Daarnaast is een doeltreffende aanpak van de bijvangstproblematiek cruciaal voor een duurzame visserij. Als eerste stap past daarbij de visserij meer selectief te maken met de modernste visserijtechnieken. Het kabinet is voorstander van introductie van een aanlandingsplicht, gedifferentieerd naar visserij en met realistische overgangstermijnen, als sluitstuk hierop. Het is van belang dat er voor de nadere invulling en uitwerking van dergelijke aanlandingsplicht een werkbare oplossing komt.

Ook de visserij buiten EU-wateren is een belangrijk onderdeel van de hervorming. De voorstellen op dat vlak stroken in hoge mate met de ambities en ideeën van het kabinet daarover. De voorstellen van de Commissie over de marktordening tenslotte, ziet het kabinet op hoofdlijnen als positief.

Op een aantal onderdelen zou de hervorming echter verder moeten gaan dan wat de Commissie voorstelt. Zo acht het kabinet het beter betrekken van direct belanghebbenden van groot belang voor het draagvlak voor het visserijbeleid. Regionalisering van het visserijbeleid moet daaraan bijdragen. De ambitie die nu uit de voorstellen over het besluitvormingsproces spreekt kan en moet wat het kabinet betreft hoger.

Ook de noodzakelijke verbinding tussen de doelstellingen van het GVB en ander Europees natuur- en milieubeleid dient ambitieuzer en meer geconcretiseerd te worden. Het GVB biedt nu de mogelijkheid en instrumenten om gebiedsgerichte maatregelen te kunnen nemen om het mariene milieu te beschermen tegen negatieve effecten van de visserij op het mariene milieu. Dit beoordeelt het kabinet als positief. Deze visserijmaatregelen om de mariene natuur te beschermen zouden van gelijke toepassing moeten zijn op alle burgers en vissers, binnen en buiten de 12 mijl zone. Hier dient een oplossing voor gezocht te worden. Een Europese aanpak is bij uitstek de weg om dit te realiseren, zo wordt ook een level playing field geschapen.

Het kabinet staat sympathiek tegenover de invoering van individueel overdraagbare visserijconcessies. Wel heeft het kabinet enkele kritische kanttekeningen bij de wijze waarop de Commissie dat nu voorstelt.

Het kabinet is positief over de handhaving van het beleid t.a.v. de relatieve stabiliteit en de 12 mijlszone. Het kabinet is eveneens positief over een aantal andere voornemens van de Commissie. Zo wordt het werken met meerjarige beheerplannen voortgezet. De voorzorgsbenadering wordt toegepast en de ecosysteem-benadering wordt in het visserijbeheer geïmplementeerd. Meerjarenplannen dienen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke advisering en worden waar mogelijk niet per visbestand maar per groep bestanden opgesteld.

Het kabinet wil bij het opstellen van meerjarenplannen prioriteit geven aan die (groep van) bestanden die zich buiten veilige biologische grenzen bevinden. Evenals in het huidige GVB worden overigens enkele uitzonderingen voor kleine vaartuigen toegestaan. Er is echter geen sprake van differentiatie van het GVB tussen grootschalige en kleinschalige visserij.

Tenslotte is het kabinet positief over het feit dat de basisverordening voor een aantal onderdelen van het GVB nu de kaders stelt.

De Nederlandse inzet zal in lijn zijn met de Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader voor 2014–2020. Dit is een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten aan de EU en een hervormde begroting die is toegespitst op de prioriteiten van dit decennium. Binnen dit kader is er ruimte om inhoudelijk actief in te spelen op het verloop van de onderhandelingen.

In het vervolg van deze brief wordt meer specifiek ingegaan op een aantal specifieke onderdelen van de hervormingsvoorstellen.

Aanlandingsplicht

De Commissie wil een aanlandingsplicht instellen voor alle gequoteerde vissoorten. Het kabinet wil inzetten op het voorkomen van ongewenste bijvangst door meer selectief te gaan vissen met de modernste visserijtechnieken (hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van Van Veldhoven c.s. 3 ). Een aanlandingplicht is daarbij het sluitstuk (uitvoering van motie Ouwehand4). Het kabinet is van mening dat de nieuwe aanpak uitvoerbaar moet zijn voor zowel de visserijsector als voor de overheid. Daarvoor is een gedifferentieerde en gefaseerde aanpak nodig, zodat de aanlandingsplicht toegesneden op de soort visserij en visserijpraktijk in lidstaten kan worden ingevoerd. Het tijdpad moet realistisch zijn. Bij de invoering van een aanlandingsplicht moet bovendien rekening worden gehouden met de biologische situatie van de visbestanden en het gemengde karakter van de (Nederlandse) visserij. Dit mede conform de motie Koopmans c.s. 5 om quota beter te laten aansluiten op de gemengde visserij. Daarnaast is handhaafbaarheid en controleerbaarheid van de aanlandingsplicht essentieel. De aanlandingsplicht moet niet alleen betrekking hebben op de bijgevangen gereguleerde soorten. Nadere uitwerking moet leiden tot een eenvoudig controleerbaar en handhaafbaar systeem. Hierbij betrek ik de uitkomsten van het onderzoek in het kader van de motie Slob c.s.6 waarover ik u voor de begrotingsbehandeling zal informeren. Over de uitvoering van de motie Koppejan c.s.7 kan ik melden dat ik IMARES heb gevraagd om de beschikbare cijfers op een rij te zetten en te beoordelen of de onderzoeksresultaten nog actueel zijn.

Het LEI heeft opdracht gekregen om de ecologische en economische consequenties in kaart te brengen. Hierover zal ik vervolgens met de sector overleg voeren. Datzelfde geldt voor het zoeken naar oplossingen door innovatie en de aanpassing van regelgeving.

Introductie van een aanlandingsverplichting betekent dat het huidige systeem van aanlandingsquota wordt vervangen door een systeem van vangstquota.

Het kabinet acht het tenslotte van belang dat de nieuwe technische maatregelen van kracht worden vóór de inwerking treding van de aanlandingsplicht. Doorgaan met de huidige verordening voor technische maatregelen verplicht vissers immers ondermaatse vis over boord te zetten. De nieuwe verordening voor technische maatregelen moet verder de pulsvisserij als reguliere visserijtechniek toestaan.

Regionalisering

Met betrekking tot de Commissievoorstellen op het terrein van regionalisering is het kabinet van mening dat deze met dit voorstel van de grond kan komen. Een uitwerking om dit regionale spoor zo optimaal mogelijk te gebruiken ontbreekt echter.

Het kabinet staat een model voor ogen waarbij de Raad van ministers en het EP eerst algemene uitgangspunten, randvoorwaarden en de lange termijn doelen vaststellen. De uitwerking van de plannen kan dan op regionaal niveau plaatsvinden. Vervolgens zijn het de lidstaten die – op regionaal niveau – over deze plannen besluiten. Daarbij moeten de Regionale Advies Raden een belangrijke adviserende rol krijgen bij het uitwerken van de regionale plannen en qua samenstelling (sector, maatschappelijke organisaties en onderzoek) en financiering voldoende worden toegerust.

De uiteindelijke plannen moeten ter goedkeuring aan de Raad worden voorgelegd, zodat deze eindverantwoordelijke kan blijven. Dit is vooral vanwege het borgen van de kwaliteit van de plannen en het Europese level playing field belangrijk.

Toegang tot de bestanden/overdraagbare visconcessies

Het kabinet staat waar het gaat om een duurzaam beheer van de visbestanden sympathiek tegenover de invoering van het principe van individueel overdraagbare visserijconcessies. Met de introductie van dergelijke visserijconcessies is sprake van meer marktwerking in het beheer van de visserijmogelijkheden. Ook leidt een dergelijk systeem tot grotere uniformiteit in de uitvoering van het beleid en meer transparantie in het beheer door de lidstaten. Een belangrijke randvoorwaarde voor een goed functioneren is dat deze visserijconcessies in comanagement worden beheerd.

Het kabinet is wel van oordeel dat de invulling en uitwerking van het systeem van overdraagbare visserijconcessies aan de lidstaten moet zijn. Het kabinet is geen voorstander van een op Europees niveau ingevuld systeem van individueel overdraagbare visserijconcessies (ITQ’s).

Met betrekking tot overdracht van visserijconcessies tussen lidstaten onderling is het kabinet van mening dat deze alleen van tijdelijke aard kunnen zijn.

Een permanente overdracht van visserijconcessies tussen lidstaten kan immers leiden tot wijziging van de relatieve stabiliteit, de vaste verdeling van de quota over de lidstaten. Relatieve stabiliteit is één van de pijlers onder het GVB. Het is voor Nederland van belang deze te handhaven.

In het voorstel vallen naast quota ook zeedagen onder dit systeem. Het kabinet is tegenstander van opeenstapeling van verschillende beheersystemen.

Waar het kabinet ook aandacht voor wil is dat het voorstel onder meer betekent datalle gereguleerde bestanden gecontingenteerd moeten worden, dus ook soorten waarvoor Nederland relatief kleine quota heeft. Dit is niet alleen niet noodzakelijk, maar leidt to lastenverzwaring en vergaande uitvoerings- en administratieve lasten. Bovendien mag een vaartuig pas de visserij uitoefenen als het beschikt over voldoende vangstmogelijkheden om de verwachte vangsten af te dekken. Dit noodzaakt tot gedwongen herschikking van quota en kan gevolgen hebben voor de vermogensopbouw van bedrijven. Bovendien zal een dergelijke herschikking leiden tot bezwaar- en beroepsprocedures. Nederlandse vissers hebben immers veel geïnvesteerd in individueel overdraagbare quota.

Beheer van vlootcapaciteit

Evenals de Commissie acht het kabinet beheersing van de vlootcapaciteit essentieel. Het nieuwe GVB zal dan ook voldoende waarborgen moeten bevatten om uitbreiding van de vlootcapaciteit te voorkomen. De Commissie gaat ervan uit dat het werken met overdraagbare visserijconcessies leidt tot reductie van de vlootcapaciteit. Het kabinet wil een onderbouwing daarvan door de Commissie.

In het voorstel is geen entry/exit-regime opgenomen. Hierdoor vreest het kabinet dat dit in combinatie met uitzonderingsregels voor capaciteitsplafonds kan leiden tot uitbreiding van de capaciteit. Vooralsnog gaat het kabinet ervan uit dat dit niet de bedoeling van de Commissie is, maar het kabinet acht een toelichting van de Commissie noodzakelijk.

De Commissie kiest niet voor sanering. Het kabinet steunt dit en kiest voor de blijvers in plaats van de wijkers. Wel is het kabinet van mening dat bij sommige Europese visserijen de overcapaciteit dusdanig groot is dat ze verduurzaming in de weg staat.

Visserij buiten de EU-wateren

Het kabinet ondersteunt de ambities van de Commissie met betrekking tot de visserij buiten de Europese wateren. Regionale Visserijbeheerorganisaties (RVO’s) en partnerschapsovereenkomsten tussen EU en derde landen moeten het platform en de instrumenten bieden voor verduurzaming van het mondiale visserijbeheer en voedselzekerheid. Versterking van het functioneren van de RVO’s, met een actieve rol van de EU daarin, moet helpen om de visserij wereldwijd verder te verduurzamen. Dit om een balans te creëren tussen economische doelen, toekomstperspectieven voor de mensen die afhankelijk zijn van de visserij en bescherming van waardevolle, kwetsbare ecosystemen. Visserijpartnerschappen moeten een belangrijk kader bieden voor een verantwoorde en duurzame visserij in gebieden buiten de EU waar EU-vaartuigen actief zijn.

Zij moeten bijdragen aan het in stand houden van visbestanden, bescherming van de voedselzekerheid en werkgelegenheid van de lokale beroepsbevolking en verdere ontwikkeling van de locale visserijsector. Zij dienen gebaseerd te zijn op het MSY-principe en rekening te houden met het ecosysteem. EU-vaartuigen zouden alleen mogen vissen op een surplusgedeelte binnen de bestanden (het gedeelte waarop het partnerland niet zelf wil vissen). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Polderman en Irrgang8.

Het kabinet is van mening dat de doelstellingen die voor de EU-wateren worden afgesproken, ook moeten gelden voor de wateren daarbuiten. Dat is in het Commissievoorstel niet helder. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat het voorstel van de Commissie om op basis van de uitkomsten van wetenschappelijke audits te besluiten om afspraken in visserijakkoorden te focussen op bestanden, waar de wetenschappelijke kennis voldoende is en de totale visserijinspanning bekend is, wordt overgenomen.

Ook zal het kabinet erop aandringen dat het externe EU-beleid derde landen helpt bij het opzetten van een eigen duurzaam visserijbeleid en daarmee het creëren van perspectief voor voedselvoorziening, werkgelegenheid, duurzame bevissing en toegang tot belangrijke markten. Daarom dient bij toekomstige onderhandelingen over partnerschappen voldoende informatie beschikbaar te zijn over de mate waarin partnerschappen ten gunste komen van de betreffende landen en hun plaatselijke bevolking. Zij dienen regelmatig te worden geëvalueerd.

Het kabinet wil zich er ook voor inzetten dat de voorstellen inzake de exclusiviteitclausule en de grotere bijdrage van de private sector in de kosten voor toegang overeind blijven. Het uitgangspunt voor financiering van visserijpartnerschappen is: publieke financiering voor publieke taken en private financiering voor private activiteiten. De samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven bij visserijpartnerschappen en de kansen die publiekprivate samenwerking kan bieden, is onderbelicht.

Koppeling milieu en visserij

Het is voor het kabinet van belang dat het GVB adequate instrumenten bevat om de visserijgerelateerde doelen in andere beleidsvelden te realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de relevante beleids- en beheerelementen ter bereiking van de Goede Milieu Toestand onder de KRM9 en die voor Natura 2000-gebieden. Het voorstel van de Commissie strookt maar ten dele met de Nederlandse visie. Positief is dat integratie van de eisen uit de EU-milieuwetgeving in het visserijbeleid als algemene doelstelling is opgenomen. Nadeel is dat deze doelstelling in algemene termen is geformuleerd. Ook is de koppeling met milieuwetgeving niet meegenomen als algemeen beginsel van goed bestuur. Het voorstel beperkt zich tot visserijmaatregelen in beschermde gebieden, terwijl de KRM en de VHR het noodzakelijk maken om ook buiten die gebieden generieke maatregelen ten aanzien van de visserij te kunnen treffen.

Over de visserijactiviteiten in de beschermde gebieden zegt het voorstel dat de impact van visserijactiviteiten op deze gebieden «gematigd» dient te worden. Voor het kabinet is het van belang dat het GVB ook bijdraagt aan het realiseren van de natuur- en milieudoelstellingen.

Het spanningsveld als gevolg van het Europese karakter van de GVB gerelateerde maatregelen en de nationale werking van de natuur- en milieuwetgeving leidt tot verschillen in behandeling tussen de eigen onderdanen en die van de andere EU lidstaten. Daar moet een oplossing voor worden gevonden.

Marktordening

Met het afschaffen van doordraai komt de Commissie aan een belangrijk punt van Nederland tegemoet. Aan de wens van Nederland om minimumcriteria voor duurzaamheidlabels op te stellen heeft de Commissie vooralsnog geen gehoor gegeven. Zij heeft echter wel een opening geboden. Het marktinformatiesysteem zal marktgegevens gaan verzamelen. Vraag voor het kabinet is of dit een taak van de overheid is. Opvallend is dat het instrument van tariefcontingenten niet is opgenomen in de nieuwe marktordening. Het kabinet wil de Commissie om toelichting vragen waarom dit niet is gebeurd, gezien de gevolgen voor de verwerkende industrie en mogelijk ook voor ontwikkelingslanden.

Het kabinet zal de Commissie verder vragen te verhelderen of met het collectieve fonds voor opslag, waarmee zij de rol van producentenorganisaties wil versterken ook publieke middelen zijn gemoeid. Het kabinet zet vraagtekens bij een opslagregeling met publieke financiering, maar realiseert zich dat het onder strikte voorwaarden – tijdelijkheid, alleen in crisissituaties en in cofinanciering – wenselijk kan zijn een dergelijk marktreguleringmechanisme voorhanden te hebben. Hiervoor zal dan binnen de kaders van de EU-begroting financiering gezocht dienen te worden.

Het vastleggen van ruimere doelen voor producentenorganisaties stemt overeen met de Nederlandse wens. Probleem is dat de Commissie geen instrumentarium biedt om producentenorganisaties aan te zetten duurzaamheiddoelen te bevorderen. Het kabinet is van mening dat dit concreter moet worden ingevuld.

Wetenschappelijke basis visserijbeheer

Het kabinet vindt dat het beheer van visbestanden zoveel mogelijk gebaseerd moet zijn op deugdelijk wetenschappelijk onderzoek en bestandsopnamen. Het kabinet kan instemmen met het voorgestelde kader, maar wil een verduidelijking op het intrekken van de datacollectie verordening.

Het ontbreekt in het voorstel aan argumentatie voor de overdracht van bepaalde bevoegdheden naar de Commissie. Het kabinet wil hier een nadere toelichting van de Commissie. Het voorstel om wetenschappelijk onderzoek- en innovatieprogramma’s op elkaar af te stemmen mag niet leiden tot overdracht aan de Commissie van nationale bevoegdheden met betrekking tot het visserijonderzoek en financiële middelen.

Aquacultuur

Het kabinet steunt de voorgestelde aanpak van de Commissie. Nederland heeft onlangs een actieplan visteelt opgesteld met daarin de meest kansrijke ontwikkelingsrichting voor viskweek in Nederland. Dit actieplan zal in het licht van de Europese vereisten in 2014 moeten worden herijkt.

Tot slot

We staan aan het begin van een onderhandelings- en besluitvormingsproces om het GVB te hervormen. De voorstellen van de Commissie zijn een goed vertrekpunt om de discussie aan te gaan. Ik zal mij met kracht inzetten langs de hiervoor geschetste lijnen en in nauwe samenspraak uw Kamer en in nauw overleg met direct betrokkenen.

Deze kabinetsreactie gaat in op de Commissievoorstellen COM (2011) 416, 417, 424, 425 en 426 d.d. 13 juli 2011. Derhalve zal er geen BNC fiche worden opgesteld.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker

Bijlage Beknopt overzicht Commissievoorstellen

Commissaris Damanaki heeft de Commissievoorstellen op 13 juli jl. gepresenteerd en in de Landbouw- en Visserijraad van 19 juli jl. toegelicht. Zij is van mening dat een radicale hervorming noodzakelijk is. Er is sprake van overbevissing en afname van de vangsten. Grote delen van de sector zijn niet rendabel. Door de afname van bestanden zal de economische situatie verder verslechteren en zullen banen verdwijnen. Duurzaamheid is, naast doeltreffendheid en coherentie, één van de drie pijlers van het nieuwe beleid dat de Commissie voorstaat.

Het pakket voorstellen van de Commissie bevat een overkoepelende mededeling, een basisverordening, een mededeling over de externe dimensie van het GVB en een verordening voor het marktbeleid. Voorstellen ten aanzien van het financiële instrumentarium volgen in het najaar vanwege de relatie met de totstandkoming van het Meerjarig Financieel Kader van de EU voor de periode 2014–2020.

De Commissie stelt op een aantal onderdelen van het visserijbeleid grote en ambitieuze veranderingen voor.

Aanlandingsplicht/discardban

Het Commissievoorstel maakt een beperkt deel van de visbestanden aanlandingsplichtig. Deze verplichting geldt ook voor visserij buiten EU-wateren. De Commissie wil de verplichting in fasen invoeren:

  • per 1 januari 2014 pelagische bestanden (bijvoorbeeld haring, makreel) inclusief tonijn,

  • per 1 januari 2015 kabeljauw, heek en tong,

  • per 1 januari 2016 overige rond- en platvisbestanden (waaronder schol) en een aantal diepzeebestanden.

De Raad van ministers en het Europees Parlement (EP) kunnen het aantal vissoorten dat onder de aanlandingsplicht valt uitbreiden. Bij de toewijzing van visserijmogelijkheden mogen lidstaten vissers stimuleren selectief vistuig gebruiken om zo ongewenste bijvangsten te voorkomen. Verder wil de Commissie minimummaten voor vis invoeren. Vis onder deze maat mag alleen in vismeel of huisdiervoedsel worden verwerkt.

Regionalisering

In het voorstel van de Commissie kunnen lidstaten gemachtigd worden om in het kader van de meerjarenplannen en/of het technische maatregelenkader maatregelen te nemen voor hun eigen vloot. Deze mogen niet minder beperkend zijn dan de EU-regelgeving. Lidstaten moeten de maatregelen binnen drie maanden na inwerkingtreden van bijvoorbeeld een meerjarenplan melden bij de Commissie. Na deze periode is er geen inbreng meer mogelijk en is de Commissie bevoegd zelf maatregelen te nemen. De Commissie zal de effectiviteit van regionale maatregelen periodiek evalueren. Bij twijfels kan zij lidstaten vragen maatregelen te schorsen en zelf maatregelen nemen. De Raad en het EP hebben hier geen rol.

Voor de Regionale Advies Raden , zogenoemde RACs (Regional Adivsory Councils) en de wijze waarop zij worden ingeschakeld bij het besluitvormingsproces verandert er in de voorstellen niet veel.

Toegang tot de bestanden/overdraagbare visconcessies

De Commissie wil dat de lidstaten hun nationale visserijmogelijkheden op nationaal niveau beheren en dat zij dit doen op basis van overdraagbare visconcessies (Individual Transferable Quota, ITQ-systeem). Zij is van oordeel dat het voorgestelde beheersysteem leidt tot vermindering van de vlootcapaciteit. Deze betreffen procentuele aandelen in quota, maar ook aandelen in visserijinspanning (zeedagen). Het voorstel is van toepassing op vaartuigen groter dan 12 meter en vaartuigen kleiner dan 12 meter met getrokken tuig. Visserijmogelijkheden in het kader van partnerschapsakkoorden met derde landen zijn uitgezonderd. Toedeling zal moeten geschieden op basis van transparante criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte vangstsamenstelling van vaartuigen. Concessies kunnen worden ingetrokken als daar drie jaar geen gebruik van is gemaakt. Collectieve vormen van beheer van deze concessies door producentenorganisaties bijvoorbeeld, zijn mogelijk. Lidstaten mogen de concessies op tijdelijke basis verlenen (minimaal 15 jaar). Een vaartuig mag pas de visserij uitoefenen als het beschikt over voldoende visserijmogelijkheden om daarmee de verwachte vangsten af te dekken. De visserijconcessies mogen in elk geval binnen lidstaten worden overgedragen (op basis van transparante en objectieve criteria) en binnen en tussen lidstaten onderling geleased. Niet duidelijk is of overdracht tussen lidstaten ook permanent van aard mag zijn.

Beheer van vlootcapaciteit

In het voorstel van de Commissie moeten lidstaten zorgen dat de capaciteit van hun vissersvloot in overeenstemming is met de visserijmogelijkheden. De bestaande capaciteitsplafonds (in kiloWatts en Bruto Register Tonnen) blijven bestaan. Deze plafonds worden verlaagd met publiek gefinancierde sanering.

Het bestaande entry/exit-regime, waarbij een vaartuig alleen aan de vloot mag worden toegevoegd op voorwaarde dat dezelfde capaciteit wordt onttrokken, wordt niet voortgezet. De Commissie kan op verzoek van lidstaten vaartuigen, die onder een systeem van verhandelbare visrechten vallen, uitzonderen van de capaciteitsplafonds.

Visserij buiten de EU-wateren

Bilaterale visserijakkoorden met derde landen blijven wat de Commissie betreft het kader voor visserijactiviteiten buiten de EU-wateren. In de akkoorden wordt de exclusiviteit voor EU-vaartuigen expliciet vastgelegd. Daarmee wordt het afsluiten van private akkoorden naast EU-akkoorden onmogelijk.

Visserijpartnerschappen moeten een belangrijk kader zijn voor een verantwoorde en duurzame visserij buiten de EU-wateren. De Commissaris wil een nieuwe generatie partnerschappen onder de noemer Sustainable Fisheries Agreements. Deze moeten bijdragen aan het in stand houden van visbestanden en bescherming van de voedselzekerheid en werkgelegenheid van de lokale beroepsbevolking. Beheer van visbestanden dient gebaseerd te zijn op het MSY-principe en rekening te houden met het ecosysteem. EU-vaartuigen zouden alleen mogen vissen op een surplusgedeelte in de bestanden (het gedeelte waarop het partnerland niet zelf wil vissen). Ook wil de Commissie de coherentie met andere beleidsterreinen versterken. Daarom stelt zij voor interne regionale strategieën voor duurzame visserij en een juridisch kader (inclusief handelssancties) ter verzekering van de duurzaamheid van visbestanden te ontwikkelen.

De Commissie wil verder het functioneren van de regionale visserijorganisaties (RVO’s) versterken. Voor de RVO’s streeft de Commissie enerzijds naar bevordering van duurzame visserij door wereldwijd de aandacht te richten op bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IUU visserij) en het verminderen van de overcapaciteit. Anderzijds wil zij RVO’s in staat stellen bestanden beter te beheren op basis van meer betrouwbare wetenschappelijke gegevens.

Andere punten van belang, die de Commissie voorstelt, zijn:

  • meer solide wetenschappelijke adviezen en informatie over de totale visserijinspanning in betrokken wateren en wetenschappelijke audits bij akkoorden waarbij meerdere vissoorten betrokken zijn.

  • respectering van mensenrechten als essentiële voorwaarde voor sluiting en voortzetting van akkoorden,

  • een grotere bijdrage van de reders in de kosten voor toegang,

  • versterking van het EU-sanctieregime voor vissers, die afspraken in RVO’s en bilaterale akkoorden niet naleven,

  • betere integratie van het visserij-, ontwikkelings- en handelsbeleid,

  • betere organisatie in het partnerland op het terrein van monitoring, inspectie, administratieve en wetenschappelijke capaciteit,

  • gezond, efficiënt financieel beheer (met intrekking van steun als resultaten niet worden bereikt) van de sectorale steunprogramma’s.

Koppeling milieu en visserij

De integratie van het visserijbeleid met de EU-milieuwetgeving is één van de vier hoofddoelstellingen in het Commissievoorstel. In de verdere specificatie van de koppeling van milieu en visserij gaat de Commissie alleen in op beschermde mariene gebieden in het kader van de Kaderrichtlijn Marien (KRM) en Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en benoemt zij het bereiken van een Goede Milieu Toestand, zoals opgenomen in de KRM, niet specifiek. Lidstaten moeten visserijactiviteiten hier zodanig uitvoeren dat de impact ervan wordt «gematigd». De Commissie kan zelf maatregelen nemen die dat effect hebben. Daarbij hebben de lidstaten geen rol of betrokkenheid.

Marktordening

De Commissie wil een opslagregeling introduceren en het prijs- en interventiemechanisme (doordraai) afschaffen. PO’s mogen een collectief gefinancierd fonds oprichten ter financiering van marktplannen en het opslagmechanisme. Ook is er bij een aanlandingsverplichting een rol voor de PO’s weggelegd (het administreren van bijvangsten). Ten slotte wil de Commissie een marktinformatiesysteem oprichten dat data verzamelt en analyseert.

Verder wil de Commissie dat deconsument op visserijproducten informatie moet kunnen vinden over onder meer soort, herkomst en productiemethode. Ook dient de vangst- of oogstdatum op de verpakking te worden vermeld. Daarnaast mag op visproducten vrijwillige informatie worden gegeven. Hieraan kan de Commissie minimumeisen stellen.

Nieuw is dat de Commissiede rol van PO’s wil uitbreiden met bevordering van duurzame visserij en dat er aparte producentenorganisaties voor de aquacultuur sector komen.

Wetenschappelijke basis visserijbeheer

In de huidige situatie wordt de wetenschappelijke gegevensverzameling in zijn geheel geregeld in specifieke datacollectie verordeningen. De Commissie stelt voor de kapstokverordening hiervoor met ingang van 2014 in te trekken en in de basisverordening een aantal globale verplichtingen voor lidstaten met betrekking tot data op te nemen. Met ingang van 2014 komt er een meerjarenprogramma met voorschriften voor de wetenschappelijke uitwerking hiervan. De Commissie zal bepalen hoe dit eruit moet komen te zien. Lidstaten moeten vervolgens nationale datacollectie, innovatie en wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s opzetten en op elkaar afstemmen.

Aquacultuur

De Commissie wil de lidstaten verplichten nationale strategische plannen op te stellen voor de aquacultuur die de concurrentiepositie, de duurzame ontwikkeling, de innovatie en de diversificatie van de sector stimuleren.

Financiële instrumenten

De onderhandelingen over het GVB maken voor de financiële aspecten integraal deel uit van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020. Eventuele afspraken over het toekomstig GVB dienen dan ook niet vooruit te lopen op deze onderhandelingen. De Commissie komt later dit jaar met aparte voorstellen voor het financiële instrumentarium voor de visserij.

De Commissie legt in haar voorstel een verband tussen financiële steun en naleving van het GVB, zowel door de lidstaten als ondernemers. Niet-naleving kan leiden tot schorsing of uitsluiting van subsidies.


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 32 201, nr. 17.

X Noot
2

In de MSY-benadering (MSY = Maximum Sustainable Yield)is sprake van een optimaal evenwicht tussen de oogst en de aanwas van een visbestand.

X Noot
3

Kamerstukken 2010/2011, 32 500 XIII, nr. 57.

X Noot
4

Kamerstukken 2009/2010, 32 201, nr. 5.

X Noot
5

Kamerstukken 2010/2011, 21 501-32, nr. 462.

X Noot
6

Kamerstukken 2010/2011, 29 675, nr. 111.

X Noot
7

Kamerstukken 2010/2011, 29 675, nr. 126.

X Noot
8

Kamerstukken 2009/2010, 21 501-32, nr. 392.

X Noot
9

Kaderrichtlijn Mariene Strategie.