Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132837 nr. 1

32 837 Beleidsdoorlichting Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2011

Hierbij ontvangt u de Beleidsdoorlichting met betrekking tot de operationele doelstellingen 2 en 3 (hierna: OD2 en OD3) van artikel 10 van de oud-EZ-begroting.1 De beleidsdoorlichting is in opdracht van mijn departement uitgevoerd door Kwink Groep in samenwerking met TU Delft en door een commissie onder voorzitterschap van mevrouw Esther-Mirjam Sent (Hoogleraar Economische theorie en beleid aan de Radboud Universiteit) begeleid. De commissie bestond uit twee onafhankelijke leden en twee medewerkers van het ministerie van EL&I.

Het oordeel van de voorzitter over het onderzoeksproces en de beleidsdoorlichting is bijgevoegd.1

De beleidsdoorlichting heeft plaatsgevonden in het kader van de VBTB en is uitgevoerd conform de eisen van de Regeling periodiek evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006 (RPE2006). Het gevoerde beleid is daarbij beoordeeld op legitimiteit, doeltreffendheid en doelmatigheid over de periode 2001–2010. Er is dus teruggekeken. Daarom kunnen bepaalde feiten inmiddels achterhaald of niet meer aan de orde zijn.

Er zijn twee operationele doelstellingen onderzocht:

  • 1. OD2: «een veilig en betrouwbaar elektronisch en postnetwerk»;

  • 2. OD3: «Ontwikkeling van innovatieve voorzieningen, digitalisering van omroeptoepassingen, faciliteren van producten en diensten voor elektronische communicatie en benutting ervan door de consument, het bedrijfsleven en de (semi-)publieke sector».

Het algemene beeld dat in de doorlichting wordt geschetst, is dat de overheid vanwege opgetreden markt- en systeemfalen een legitieme rol heeft om te interveniëren op het terrein van elektronische communicatie. De gekozen operationele doelstellingen OD2 en OD3 sluiten hierop aan.

Het gevoerde beleid en de ingezette beleidsinstrumenten hebben de realisatie van deze doelen dichterbij gebracht. De onderzoekers stellen vast dat er geen instrumenten worden gemist en er is sprake geweest van een voldoende gebalanceerde en overwegend doeltreffend ingezette instrumentenmix.

Dit varieert van faciliteren en aanjagen tot het opleggen van wettelijke verplichtingen en het toezicht daarop. Waar mogelijk is de primaire verantwoordelijkheid bij bedrijven en eindgebruikers belegd waardoor zelfregulering ook de ruimte heeft gekregen. Voor wat betreft de doelmatigheid van de instrumenten stellen de onderzoekers vast dat in elk geval de instrumenten kostenbewust zijn ingezet.

Het algemene beeld is positief te noemen. De mogelijkheden die de onderzoekers nog zien voor verbetering worden deels al opgepakt via de op 17 mei aan uw Kamer aangeboden Digitale Agenda.nl en de aanstaande implementatie van de wijzigingsvoorstellen voor aanpassing van de Telecomwet.

Tot slot vind ik een belangrijke les uit de evaluatie dat het domein van elektronische communicatie, het beleidsterrein waar OD2 en OD3 op ziet, dusdanig complex en dynamisch is dat een klassieke beleidsbenadering niet volstaat. De ontwikkelingen laten zich moeilijk sturen en worden door tal van factoren en actoren beïnvloed. Het leidt soms tot onverwachte netwerken en samenwerkingsverbanden van waaruit weer nieuwe verbindingen ontstaan.

De overheid is in deze slechts één van de vele spelers die weliswaar over bijzondere (wetgeving) en aanvullende instrumenten beschikt. De onderkenning dat samenwerking op publiekprivaat niveau nodig is om de gewenste aanpassingen door te voeren en innovaties van de grond te krijgen, is een wezenlijk inzicht voor de verder in te zetten koers alsook voor de wijze waarop het beleid kan worden beoordeeld. Dit inzicht heb ik grotendeels al verwerkt in de DA.nl. Met deze agenda trek ik samen met marktpartijen en kennisinstellingen op om zo optimaal gebruik te maken van ICT en tegelijkertijd de veiligheid en het vertrouwen hierin te borgen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.