Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201128286 nr. 512

28 286 Dierenwelzijn

29 683 Dierziektebeleid

Nr. 512 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 mei 2011

In uw brief van 28 april 2011 vraagt de vaste Kamercommissie EL&I om de nog te ontvangen brieven voor het AO Dierziekten en Antibiotica-gebruik in de veehouderij. Deze heeft u inmiddels ontvangen. Daarnaast vraagt u in uw brief om het eindrapport van het onderzoek naar de overleving van C. burnetii in geitenmest van het CVI, een uitgebreide brief over het dierziektebeleid en een brief waarin ik mijn uitspraken in de media over het antibiotica-gebruik in de veehouderij en de rol van dierenartsen hierbij nader toelicht. Met deze brief ga ik mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in op deze aspecten.

Eindrapport CVI van het onderzoek naar de overleving van C. burnetii in geitenmest

In eerdere brieven ben ik reeds ingegaan op de vraag het eindrapport van het CVI van het onderzoek naar de overleving van C. burnetii in geitenmest aan uw Kamer op te sturen (TK 28 286, nr. 499 en TK 28 286, nr. 500). Het rapport is op dit moment nog niet beschikbaar. Er wordt zorgvuldig onderzoek gedaan naar de overleving van de Q-koortsbacterie in mest. De onderzoekers zorgen ervoor dat zij hun rapport gereed hebben voor het deskundigenberaad dat in de week van 14 juni 2011 plaatsvindt. Conform mijn eerdere toezegging zal ik het rapport en het advies van de deskundigen over de hygiënemaatregelen aan uw Kamer opsturen zodra ik beide heb ontvangen en minister Schippers en ik ons besluit hierop genomen hebben.

Dierziektebeleid

De vaste Kamercommissie ELI vraagt om de toegezegde brief over het dierziektebeleid uiterlijk één week voor het AO van 26 mei 2011 aan uw Kamer op te sturen. Ik houd in deze echter vast aan de toezegging, zoals ik die gedaan heb tijdens het Algemeen Overleg van 27 april 2011 om u deze brief voor het zomerreces toe te sturen. U kunt deze brief uiterlijk 1 juli 2011 van mij verwachten.

Antibioticagebruik in de veehouderij en voorschrijfgedrag van dierenartsen

De veehouderij in ons land is veel te afhankelijk geworden van antibiotica als goedkoop alternatief om de gezondheid van dieren te waarborgen. Tot welke problemen dat heeft geleid met resistente bacteriën is alom bekend. De minister van VWS en ik houden dan ook onverkort vast aan de doelstelling dat het gebruik van antibiotica in de veehouderij verminderd moet zijn met 20% in 2011 en met 50% in 2013.

Bij de behandeling van de Wet dieren in de Eerste Kamer en recent in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat ik ervan uitga dat de sector zich aan deze reductie houdt. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal ik vergaande maatregelen treffen, waaronder het ontkoppelen van het voorschrijven en verkopen van diergeneesmiddelen door de dierenarts. De voorbereidingen hiervoor zet ik thans in gang.

Vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de dierenarts voor het waarborgen van dier- en volksgezondheid is een zorgvuldig en terughoudend gebruik van antibiotica absoluut noodzakelijk. Uit het rapport van het adviesbureau Berenschot (TK 29 683, nr. 42) blijkt dat de dierenarts deze verantwoordelijkheid onvoldoende kan waarmaken omdat hij in sterke mate financieel afhankelijk is van zijn opdrachtgever (de veehouder). Ook na een ontkoppeling van de dierenarts- en apothekerfunctie blijft deze afhankelijkheid bestaan. Ten algemene dient meer zeker te worden gesteld dat de dierenarts zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid kan waarmaken en zijn positie ten opzichte van de veehouder versterkt wordt.

Uitgangspunt hierbij is dat de veehouder zelf verantwoordelijk is voor het borgen van dierenwelzijn, diergezondheid en volksgezondheid op zijn bedrijf. De veehouder kan hier invulling aan geven door een contract voor lange duur met zijn dierenarts aan te gaan voor veterinaire zorg voor zijn bedrijf. Er moet sprake zijn van een 1 op 1 relatie. Voor de hoeveelheid zorg moeten richtlijnen ontwikkeld worden. Op basis van een contractueel vastgelegde dienstverlening, wordt de dierenarts in staat gesteld om een meer onafhankelijke positie in te nemen als adviseur op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid.

Bij de uitwerking hiervan zullen ongetwijfeld de nodige vraag- en aandachtspunten naar voren komen, waaronder aspecten van marktordening en mededinging. Dit ga ik nader onderzoeken. Hierbij zal ik de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) en de veehouderijsectoren betrekken. Over de uitkomsten daarvan zal ik u dit najaar informeren.

De vermindering van antibioticaresistentie is een van urgentste diergezondheids- en volksgezondheidsopgaven van deze tijd. Dit vraagt om maatregelen die ingrijpen in de bestaande structuren en gewoontes.

Ik verwacht dat de hierboven genoemde maatregelen tezamen met de maatregelen die de sectoren en de overheid reeds hebben genomen, zullen bijdragen aan een duurzame veehouderij met meer draagvlak in de samenleving.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker