21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 625 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2012

In deze brief informeer ik u over de uitkomsten van de Landbouwraad van 18 juni jl. die plaatsvond in Luxemburg.

Tijdens de Raad zijn de wetgevingsvoorstellen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020, in het bijzonder het plattelandsbeleid besproken. Daarnaast heeft het Deense voorzitterschap haar voortgangsrapportage inzake de GLB-discussies gepresenteerd. Vervolgens zijn Raadsconclusies inzake dierenwelzijn aangenomen. Onder diversen heeft de Europese Commissie de Raad geïnformeerd over de stand van zaken van de implementatie van groepshuisvesting van drachtige zeugen, heeft het Voorzitterschap de Raad geïnformeerd over de agenda van de G20-top van 18 en 19 juni, heeft het Voorzitterschap de Raad geïnformeerd over het voornemen om Raadsconclusies aan te nemen inzake antibioticaresistentie in de Raad voor Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO) op 22 juni, heeft de Commissie haar verslag inzake de tenuitvoerlegging van haar verordening inzake etikettering van biologische producten toegelicht en hebben Polen en Litouwen aandacht gevraagd voor de situatie op de zuivelmarkt.

Wetgevingsvoorstellen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020 – plattelandsbeleid

(Oriënterend debat)

De Raad heeft in het kader van de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) een oriënterend debat gevoerd over het plattelandsbeleid. De nadruk in de discussie lag op het – door de Commissie voorgestelde – minimumbestedingspercentage van 25% voor middelen ten behoeve van agro-klimaat-milieumaatregelen en op de hoogte van cofinanciering van plattelandsmiddelen.

Commissaris Cioloş benadrukte in zijn toelichting bij de Commissievoorstellen dat het plattelandsbeleid eenvoudiger en flexibeler vormgegeven moet worden.

Cioloş wil in toenemende mate op doelen sturen en niet op individuele maatregelen. Lidstaten krijgen hierdoor, volgens de Commissaris, meer flexibiliteit om de plattelandsprogramma’s vorm te geven. Het beheer van natuurlijke hulpbronnen is één van de prioriteiten van de Commissie. Derhalve heeft Commissaris Cioloş voorgesteld hiervoor 25% van de plattelandsmiddelen te reserveren. Waar het gaat om de hoogte van cofinanciering heeft Commissaris Cioloş een uniform bedrag voorgesteld (50%). Uitzonderingen hierop zouden mogelijk kunnen zijn, maar leggen een groter beslag op het budget met als gevolg dat minder maatregelen mogelijk zijn.

In de tafelronde gaven veel lidstaten aan de doelen zoals geformuleerd door de Commissie te steunen. De lidstaten benadrukten het belang van diverse maatregelen op het gebied van milieu, biodiversiteit en klimaat in de plattelandsprogramma’s. Wat betreft het gebruik van een minimumbestedingspercentage lopen de meningen van de lidstaten uiteen. Diverse lidstaten pleiten voor een hoger percentage voor de doelen op het vlak van milieu, biodiversiteit en klimaat. Andere lidstaten willen de verwijzing naar een minimumbestedingspercentage helemaal schrappen. Een grote groep lidstaten noemde ook het belang van doelen op het vlak Natura2000, de Kaderrichtlijn Water en gebieden met natuurlijke beperkingen (LFA’s). Vrijwel alle lidstaten pleiten voor flexibiliteit in de keuze van maatregelen om de genoemde doelen te behalen.

De besluitvorming over de hoogte van cofinanciering in het plattelandsbeleid maakt deel uit van de discussies inzake het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020. De interventies van lidstaten beperkten zich daarom tot algemene opmerkingen over het systeem van cofinanciering. De standpunten van de lidstaten lopen uiteen. Diverse lidstaten noemden de noodzaak voor een uniform en eenvoudig systeem. Ook hebben diverse lidstaten gepleit voor een hogere EU-bijdrage. Andere lidstaten willen vasthouden aan een uniform percentage. Alle lidstaten hebben gepleit voor meer flexibiliteit in de cofinanciering daar waar het gaat om specifieke maatregelen zoals milieu, klimaat, biodiversiteit, risicobeheer, jonge boeren, LFA’s en biologische landbouw. Op dit onderdeel pleitten diverse lidstaten voor overheveling van middelen van de directe betalingen naar het plattelandsbeleid, zonder cofinanciering. Enkele zuidelijke lidstaten hebben gepleit voor flexibelere voorwaarden voor de steun voor irrigatie.

Ik heb aangegeven de ambities van de Commissie te steunen als het gaat om de vergroening van de directe betalingen en de doelstellingen van het plattelandsbeleid. Duurzaamheidsthema’s zoals natuur en klimaat zijn van uitermate groot belang voor de landbouwproductie in de EU, ook in relatie tot de Europa 2020-strategie. Ik heb ook aangegeven geen voorstander te zijn van verplichte bestedingspercentages. Dit belemmert mijns inziens de flexibiliteit voor de lidstaten en staat haaks op een meer doelgerichte aanpak in het plattelandsbeleid. Ik heb aangegeven dat indien Commissaris Cioloş toch vast wil houden aan minimumbestedingspercentages voor milieu en klimaat, dan de lijst met maatregelen dient te worden uitgebreid. Flexibiliteit is van belang omdat lidstaten zelf het beste beslissen welke maatregelen ter plaatse het meest effectief bijdragen aan de milieu- en klimaatdoelen.

Inzake de hoogte van de cofinanciering heb ik aangegeven dat het van belang is dat de juiste prikkels gegeven worden om aan de belangrijke Europese doelen als innovatie en duurzaamheid bij te dragen. Ik sta daarom welwillend tegenover hogere confinancieringspercentages voor de EU voor acties gericht op duurzaamheid en innovatie. Voorts heb ik aangegeven dat middelen vanuit de directe betalingen voor deze doelen ingezet zouden moeten kunnen worden, echter zonder de verplichting van cofinanciering.

Wetgevingsvoorstellen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020 – voortgangsrapportage

(Presentatie van het voorzitterschap)

Het Deense voorzitterschap heeft haar voortgangsrapportage gepresenteerd aan de Raad. In de voortgangsrapportage gaat het voorzitterschap in op de vorderingen die zijn gemaakt in de besprekingen van de diverse verordeningen in de Raadswerkgroepen, het CSA (Speciaal Comité Landbouw) en in de Raad.

Commissaris Cioloş heeft het voorzitterschap geprezen voor het vele harde werk dat is gewijd aan de eerste pijler van het GLB. De Commissie heeft het inkomende Cypriotische voorzitterschap opgeroepen in dezelfde geest verder te gaan met de voorstellen op de terreinen plattelandsontwikkeling, horizontale en financieringsregelingen en de marktordening.

Over het algemeen is er veel lof geuit voor het Deense voorzitterschap over de geboekte voortgang in het afgelopen half jaar. Verder hebben lidstaten kort een aantal punten onder de aandacht gebracht. Door diverse lidstaten is de passage in het voortgangsrapport over aftopping van de steun genoemd. Ze gaven aan dat in de Raad meer tegenstand bestaat tegen deze maatregelen dan nu in het voortgangsrapport lijkt te worden gesuggereerd. Een aantal lidstaten heeft ook de definitie van LFA-gebieden genoemd als punt dat nog verdere aandacht behoeft.

Voorts noemden diverse lidstaten dat vereenvoudiging van het GLB een speerpunt dient te blijven. Het Cypriotische voorzitterschap is gevraagd hieraan de nodige aandacht te blijven besteden. Zuidelijke lidstaten hebben aandacht gevraagd voor een betere verwoording van mediterrane belangen in het toekomstige GLB, waaronder aandacht voor de rol van typisch mediterrane gewassen in de vergroening, maar ook voor de droogteproblematiek en irrigatie. Tot slot hebben voornamelijk de in 2004 toegetreden lidstaten aandacht gevraagd voor een snellere verwezenlijking van de convergentie tussen lidstaten van middelen voor directe betalingen.

Ten aanzien van het voortgangsrapport heb ik aandacht gevraagd voor vergroening. Ik steun de reservering van 30% van de directe betalingen voor vergroening, maar acht het van belang dat er een voor de lidstaten werkbaar systeem van vergroening wordt geschapen. Ik heb aangegeven blij te zijn met de voortgang die is geboekt op het vlak van certificering en het concept van ecologische equivalentie. Voorts heb ik aandacht gevraagd voor de rol die collectieven kunnen spelen in het verwezenlijken van vergroening. Inzake maatregelen voor jonge boeren het ik gepleit voor het optionele karakter daarvan.

Waar het gaat om de gemeenschappelijke marktordening heb ik mij positief uitgesproken over het daarin neergelegde concept van versterking van de marktmacht van primaire producenten.

Ik vind dat primaire producenten betere mogelijkheden moeten krijgen om door hen ontplooide duurzaamheidsinitiatieven in de prijzen van hun producten verdisconteerd te krijgen.

Raadsconclusies dierenwelzijn

(Aanname)

In de Raad zijn Raadsconclusies aangenomen over de EU-strategie voor dierenwelzijn en over de verordening voor bescherming van dieren tijdens transport. Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Nederland hebben in de Raad een verklaring afgelegd. De strekking van de verklaringen was dat de Raadsconclusies niet ver genoeg gaan, met name daar waar het gaat om de transportduur voor slachtdieren.

De Commissie heeft de Raadsconclusies gesteund. Commissaris Dalli gaf aan dat reeds veel regelgeving tot stand is gekomen de afgelopen jaren en er nu eerst moet worden gekeken hoe deze goed en geharmoniseerd kan worden nageleefd en gehandhaafd. De Commissaris gaf aan bereid te zijn actief energie te steken in het kennisnetwerk, richtsnoeren, trainingen en opleidingen en de herziening van de controleverordening.

Ik heb Commissaris Dalli opgeroepen actief verder te werken aan aanscherping van de transportverordening, omdat ik alleen dan mijn steun kon verlenen aan de Raadsconclusies. Naar aanleiding van de reactie van de Commissaris heb ik die steun niet gegeven. Het voorzitterschap concludeerde daarop dat geen van de lidstaten zich heeft verzet tegen de Raadsconclusies.

Stand van zaken van de implementatie van groepshuisvesting van zeugen

(Informatie van de Commissie)

Commissaris Dalli heeft de lidstaten opgeroepen om per 1 januari 2013 te voldoen aan de verplichting met betrekking tot de realisatie van verplichte groepshuisvesting van drachtige zeugen, met het oog op consumentenvertrouwen en de interne markt. Verder riep Commissaris Dalli lidstaten op om de Commissie regelmatig te informeren over de implementatie.

Landbouwbijeenkomst van de G20

(Informatie van het voorzitterschap)

Het voorzitterschap heeft de Raad geïnformeerd over de aanbevelingen van de landbouwbijeenkomst van G20 landen van 17 en 18 mei jl. De aanbevelingen dienden ter voorbereiding van de verklaring van de top van staatshoofden en regeringsleiders van de G20 op 17–18 juni onder Mexicaanse voorzitterschap in Los Cabos. Uw Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten.

Raadsconclusies inzake de impact van antibioticaresistentie in de menselijke gezondheidszorgsector en veehouderij

(Informatie van het voorzitterschap)

Het voorzitterschap heeft de Raad geïnformeerd over de voorgenomen aanname van Raadsconclusies inzake de impact van antibioticaresistentie in de menselijke gezondheidszorgsector en veehouderij in de Raad voor Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO) van 22 juni.

Commissaris Dalli gaf aan tevreden te zijn met de Raadsconclusies, temeer daar het zowel volksgezondheid als diergezondheid aangaat.

Verordening inzake etikettering van biologische producten

(Presentatie van de Commissie)

De Raad heeft kennis genomen van het verslag van de Commissie over de toepassing van de verordening inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten. Commissaris Cioloş schetste de hoofdlijnen van het rapport en gaf een stand van zaken van de ervaring die met de verordening is opgedaan sinds de dag waarop zij van toepassing is geworden (1 januari 2009).

Commissaris Cioloş benadrukte verder dat het gaat om geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van biologische producten. Specifiek noemde Cioloş daarbij invoer van biologische producten uit derde landen en het verbod op gebruik van GGO’s in de biologische productie. Tot slot gaf Commissaris Cioloş aan bezig te zijn met verdere stroomlijning van procedures en reeds te zijn gestart met de aangekondigde evaluatie, die eind 2013 afgerond moet zijn.

Situatie op de zuivelmarkt

(Informatie van de Poolse delegatie)

Polen en Litouwen hebben hun zorgen over de recente ontwikkelingen op de zuivelmarkt en hun pleidooi voor de inzet van marktinstrumenten en van exportrestituties uiteengezet. Ze werden gesteund door diverse lidstaten.

Commissaris Cioloş heeft op grond van de laatste cijfers aangaande marktontwikkeling, aangegeven de indruk te hebben dat het om een tijdelijke situatie gaat en de markt weer begint aan te trekken. Voorts gaf Commissaris Cioloş aan de situatie nauwlettend in de gaten te blijven houden.

Overige

Voortgang consultatie Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over duurzaamheidsinitiatieven

Uw Kamer heeft bij herhaling aangedrongen op een mogelijkheid voor initiatiefnemers van duurzaamheidsinitiatieven om duidelijkheid te krijgen over de grenzen die de mededingingswetgeving stelt aan onderlinge afspraken.

In mijn brief aan uw Kamer van 22 november 2011 over belemmeringen in regelgeving en mededinging bij verduurzaming (TK 31 532 nr. 69) heb ik toegezegd dat de NMa bereid is op basis van een aantal concrete initiatieven in informele gesprekken handvatten te geven voor de mededingingsrechtelijke beoordeling. In een brief van 6 april 2012 (ref. 266237) aan drieëntwintig brancheorganisaties heb ik deze gewezen op de mogelijkheid om duurzaamheidsinitiatieven voor te leggen aan de NMa. Dit heeft vijf reacties opgeleverd met een of meer plannen of intenties. De NMa voert hierover gesprekken met de indieners. In een aantal gevallen zijn de voorstellen nog onvoldoende concreet om handvatten te kunnen geven die de mededingingsregels verduidelijken. Enkele partijen hebben aangegeven zelf meer tijd nodig te hebben of te willen nemen om voorstellen verder uit te werken. Het is overigens aan de NMa over de inhoud van de bevindingen te communiceren, zodat partijen en nieuwe initiatiefnemers handvatten worden geboden.

Verder is nog van belang dat de relatie tussen duurzaamheidsinitiatieven en de mededingingsregels aan de orde kan komen in de Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens zoals ik in mijn brief van 1 juni 2012 (TK 28 973, nr. 108) heb gemeld.

Forfaitaire tarieven voor de uitgaven van geënt plantmateriaal (Vragen van de leden van de VVD-fractie in het Schriftelijk Overleg van 1 juni jl. inzake de Informele Landbouwraad)

In het Schriftelijk Overleg met uw Kamer van 1 juni jl. inzake de Informele Landbouwraad hebben de leden van de VVD-fractie diverse vragen gesteld ten aanzien van forfaitaire tarieven voor de uitgaven van geënt plantmateriaal.

De Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit (GMO Groenten en Fruit) wordt in Nederland in medebewind uitgevoerd door het Productschap Tuinbouw. Het Productschap Tuinbouw geeft jaarlijks door middel van een circulaire «Criteria voor het in aanmerking nemen van de uitgaven bij de indiening van steunaanvragen» informatie over de subsidiabiliteit van uitgaven.

Het Productschap Tuinbouw heeft de circulaire voor het jaar 2012 (GMO-010 2011) van 19 juli 2011 gewijzigd door middel van de circulaire van 26 oktober 2011 (GMO-016 2011) naar aanleiding van de uitkomsten van een herberekening van de forfaitaire standaardtarieven voor geënt plantmateriaal van het LEI. Bij het bekendmaken van de circulaire voor het jaar 2012 (GMO-010 2011) op 19 juli 2011 is daartoe een voorbehoud gemaakt.

Deze herberekening van de forfaitaire tarieven voor geënt plantmateriaal is ingegeven door de uitleg van de Europese Commissie aan het door de verordening gehanteerde begrip «specifieke kosten». Uit de uitleg van het begrip specifieke kosten door de Europese Commissie blijkt dat in de tot en met 2011 gehanteerde tarieven de meeropbrengsten als gevolg van het gebruik van geënt plantmateriaal abusievelijk niet zijn meegenomen in de berekening van de forfaitaire tarieven. Deze situatie is door middel van de circulaire van 26 oktober 2011 (GMO-016 2011) met ingang van het operationeel jaarplan 2012 gecorrigeerd. De nieuwe tarieven zijn door het Productschap Tuinbouw derhalve niet met terugwerkende kracht van toepassing verklaard op het operationeel jaarplan 2011.

De wijziging van de forfaitaire tarieven voor geënt plantmateriaal met ingang van het operationeel jaar 2012 komt voort uit een herberekening van de in Nederland gehanteerde forfaitaire tarieven. Een vergelijking met België en Duitsland is slechts aan de orde indien deze landen op exact dezelfde wijze uitvoering zouden hebben gegeven aan de verordening. Dit is mij niet bekend.

Zoals hierboven beschreven is de herberekening van de forfaitaire tarieven voor geënt plant materiaal door het Productschap Tuinbouw ingegeven door de uitleg van het begrip specifieke kosten uit Verordening (EU) nr. 543/2011 door de Europese Commissie. Er is derhalve geen sprake van een (eenzijdig) besluit van mijn kant.

Zoals volgt uit deze beantwoording is de aanleiding van de herberekening de uitleg van de geldende regelgeving inzake het begrip specifieke kosten. Gelet hierop is het niet verantwoord om niet over te gaan tot deze herberekening.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

Naar boven