Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2011-2012
Kamerstuk 33000-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 21 september 2011

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier Bijlagen



33 000 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2012

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

     

blz.

       

A.

Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel

3

       

B.

Begrotingstoelichting

4

       

1.

Leeswijzer

4

       

2

Het beleid

8

       

2.1

De beleidsagenda

8

       

2.2

De beleidsartikelen

35

 

11.

Goed functionerende economie en markten

35

 

12.

Een sterk innovatievermogen

48

 

13.

Een excellent ondernemingsklimaat

62

 

14.

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

72

 

15.

Een sterke internationale concurrentiepositie

88

 

16.

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

103

 

17.

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

124

 

18.

Natuur en regio

132

       

2.3

De niet-beleidsartikelen

150

 

40.

Apparaat

150

 

41.

Nominaal en onvoorzien

155

       

3.

Begroting van baten-lastendiensten

156

       

4.

Bijlagen

187

4.1

De bijlage inzake ZBO’s en RWT’s

187

4.2

Europese geldstromen

195

4.3

Trefwoordenregister

206

4.4

Lijst met afkortingen

209

       

Internetbijlagen (geplubliceerd op www.rijksbegroting.nl)

 

1

Overzicht evaluatieonderzoek

 

2

Moties en toezeggingen

 

3

Subsidieoverzicht

 

4

Verdiepingshoofdstuk

 

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastendiensten voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel en de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw.

1. Begrotingsstructuur

Nieuwe begrotingsindeling

Dit is de eerste geïntegreerde begroting van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). In januari 2011 zijn via de Incidentele Suppletoire Begroting (TK, 32 609 XIII, nr. 1) de begrotingen van de voormalige ministeries van EZ en LNV samengebracht op één begrotingshoofdstuk. In het verdiepingshoofdstuk is een was/wordt-tabel opgenomen die de aansluiting geeft tussen de oude begrotingsindeling en de nieuwe indeling

In de brief van de Minister van EL&I van 6 juni 2011 (TK, 31 865, nr. 32) is de Kamer geïnformeerd over de nieuwe begrotingsindeling. Zoals toegezegd in deze brief worden in de begroting 2012 door EL&I de eerste stappen gezet in het kader van de nieuwe rijksbrede begrotingspresentatie «Verantwoord begroten».

De begroting bestaat uit acht nieuwe beleidsartikelen (artikelen 11 t/m 18), die de beleidsdoelen van het Ministerie van EL&I weerspiegelen en uit twee niet-beleidsartikelen (artikelen 40 en 41).

Beleidsagenda

De beleidsagenda bestaat uit twee delen: een algemeen visie-deel en een meer operationeel deel met de vier actielijnen van EL&I en daarbinnen de belangrijkste resultaten in 2012.

De vier actielijnen zijn als volgt:

  • Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top;

  • Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie;

  • Duurzame welvaart bevorderen, met oog voor mens en natuur;

  • Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening.

Voorts bevat de beleidsagenda een overzichtstabel die inzicht geeft in de Rijksmiddelen die worden ingezet voor de negen Topsectoren en is een overzicht opgenomen met de meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen. Tenslotte is in de beleidsagenda het financieel kader voor EL&I weergegeven. Hierin staan de belangrijkste budgettaire mutaties vermeld vanaf Voorjaarsnota 2011, waaronder de invulling van de subsidietaakstelling voor oud-EZ, onder andere uit het Regeerakkoord.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichtingen op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling opgenomen. De algemene doelstellingen zijn vertaald in operationele doelen met daaronder de instrumenteninzet. Alleen de beleidsartikelen 13 (Een excellent ondernemingsklimaat) en 17 (Groen onderwijs van hoge kwaliteit) hebben geen onderverdeling naar operationele doelen. De instrumenten worden toegelicht en voorzien van de voornaamste acties in 2012, waarmee de actielijnen uit de beleidsagenda nader worden uitgewerkt.

BES-eilanden

De eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) zijn sinds de opheffing van de Nederlandse Antillen per 10 oktober 2010 als openbaar lichaam onderdeel van het Nederlandse staatsbestel. De Minister van EL&I is op zijn terrein verantwoordelijk voor de beleidsvorming en de wet- en regelgeving op Caribisch Nederland, evenals voor de uitvoering en handhaving daarvan.

De uitgaven voor Caribisch Nederland liggen onder meer op het terrein van energie, waaronder duurzame energieopwekking, telecommunicatie en post, natuurbehoud, ondernemerschap, toerisme, metrologie en statistische informatievoorziening. Deze worden verantwoord in de desbetreffende begrotingsartikelen.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van EL&I voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn «outcome» gerichte, prestatie-indicatoren opgenomen. Bij de doelstellingen waarbij EL&I een belangrijkde bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren is het niet of beperkt mogelijk om «outcome» gerichte, prestatie-indicatoren op te nemen en moet worden volstaan met algemene kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn prestatie-indicatoren opgenomen op instrument/-activiteitenniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

Voor de volgende operationele doelstellingen is het niet mogelijk gebleken om meer specifieke prestatie-indicatoren op te nemen, naast de meer algemene kengetallen onder de algemene doelstelling:

  • Operationele doelstelling 14.2: De voorzieningszekerheid betreft de lange termijn beschikbaarheid van energiebronnen. EL&I creëert de randvoorwaarden om de eigen bodemschatten optimaal te benutten en biedt ondersteuning bij het totstandbrengen van zakelijke transacties met de energieproducerende landen. De uiteindelijke realisatie van deze operationele doelstelling is van een veelheid van factoren afhankelijk.

  • Operationele doelstelling 15.1, 15.2 en 15.3: EL&I is verantwoordelijk voor het beleid dat het vrijmaken van het internationale handels- en investeringsverkeer beoogt, de internationale economische rechtsorde en de Europese beleidskaders bevordert en het Nederlandse bedrijfsleven ondersteunt, door middel van economische diplomatie. Door middel van contacten met het bedrijfsleven en contacten en onderhandelingen met overheidspartijen in binnen- en buitenland schept EL&I de basis voor gunstige en concurrerende voorwaarden voor internationaal ondernemen en lost EL&I daar waar nodig knelpunten voor het bedrijfsleven op. De uiteindelijke realisatie van deze operationele doelstellingen is van een veelheid van factoren afhankelijk (geopolitieke factoren, WTO-onderhandelingen, EU-onderhandelingen et cetera). Ook is geen sprake van concrete instrumenten.

  • Operationele doelstelling 16.5: De mogelijkheden voor kwantitatieve effectmeting van de bijdrage van EL&I aan het thema voedelzekerheid is beperkt. Voedselzekerheid speelt zich af in een internationale context waarin veel spelers en factoren van invloed zijn op de uiteindelijke doelbereiking.

  • Operationele doelstelling 18.4: Rijk en Provincies spreken over een nieuwe bestuursakkoord om invulling te geven aan de in het Regeerakkoord voorgenomen herijking van de EHS en verdere decentralisatie van het natuurbeleid. In deze operationele doelstelling zijn de voorgenomen te decentraliseren middelen per 1 januari 2012 weergegeven.

3. Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (TK, 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie moet leiden tot meer inzicht in financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en moet een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma laten zien.

De meeste veranderingen zullen pas in de begroting 2013 worden doorgevoerd. In 2012 geldt dit echter al voor een paar maatregelen.

  • De begroting bevat een centraal apparaatsartikel waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan. Dit is artikel 40 van deze begroting.

  • In de beleidsagenda is aan het eind een totaaloverzicht opgenomen van de beleidsdoorlichtingen.

  • Als extra nieuwe internetbijlage is een subsidieoverzicht opgenomen.

  • Daarnaast zijn in deze begroting ook de artikelen 13 en 17 ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, waarmee deze artikelen als proefmodel fungeren voor de nieuwe begrotingspresentatie die in 2013 integraal zijn intrede doet.

De volgende twee toezeggingen van de Minister van EL&I tijdens het Wetgevingsoverleg Jaarverslag «Economie en innovatie» van 8 juni 2011 zijn eveneens in deze begroting verwerkt:

  • Van alle EL&I subsidieregelingen is in het subsidie-overzicht het evaluatiemoment opgenomen, zodat duidelijk door de Kamer gevolgd kan worden of elke subsidie tijdig en periodiek wordt geëvalueerd. Het subsidieoverzicht is toegevoegd als (internet)bijlage.

  • In de begroting 2012 is een overzicht opgenomen met de subsidietaakstelling per regeling voor de komende jaren. Dit overzicht is opgenomen in het financieel kader van de beleidsagenda.

4. Verwerking motie Schouw

De motie Schouw c.s. (TK, 21 501-20, nr. 537) verzoekt de regering de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen, zodat duidelijk is hoe met de aanbevelingen wordt omgegaan. De voor het beleidsterrein van het Ministerie van EL&I meest relevante aanbeveling is de volgende:

  • Innovatie, particuliere investeringen in Onderzoek & Ontwikkeling en nauwere banden tussen wetenschap en bedrijfsleven bevorderen door het geven van de juiste prikkels in het kader van het nieuwe bedrijfslevenbeleid («Naar de top»).

Deze aanbeveling heeft een plaats gekregen in artikel 12 (Een sterk innovatievermogen) van deze begroting.

2. HET BELEID

2.1 De Beleidsagenda

2.1.1 De Beleidsagenda

2012 in een oogopslag

Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) staat voor een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en met oog voor duurzaamheid. EL&I zet zich in voor een uitstekend ondernemersklimaat. Door te zorgen voor goede randvoorwaarden en ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien. Door aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Door samenwerking te stimuleren tussen onderzoekers en ondernemers. Zo bouwen we onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie verder uit en investeren we in een krachtig en duurzaam Nederland.

Met een compacte, slagvaardige overheid werkt EL&I aan het verdienvermogen van de economie, langs de volgende actielijnen:

  • 1. Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top. Door:

    • Meer focus op de topsectoren bij de onderzoeksprogrammering van grote onderzoeksinstituten via innovatiecontracten.

    • Het verzilveren van internationale kansen voor bedrijven via economische missies en een transitiefaciliteit voor opkomende economieën.

    • Een overbrugging van belangrijke samenwerkingsverbanden tussen het bedrijfsleven en de overheid, zoals de Technologische Topinstituten, bij de overgang naar een nieuw innovatiebeleid.

  • 2. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie. Door:

    • Investeringen in innovatie te ondersteunen, met behulp van € 500 mln lastenverlichting in deze kabinetsperiode via de Research & Development Aftrek.

    • Meer durfkapitaal voor kansrijke innovatieve projecten beschikbaar te stellen via het Innovatiefonds MKB+ voor de financiering van commercieel kansrijke innovaties.

    • Een vermindering van de regeldruk met 10% via het Programma Regeldruk Bedrijven.

    • Betere en goedkopere dienstverlening aan ondernemers via ondernemerspleinen en door de heffingen van de Kamers van Koophandel met 10% te verlagen in 2012 en volledig af te schaffen per 2013.

  • 3. Duurzame welvaart bevorderen, met oog voor mens en natuur. Door:

    • Een decentralisatie van natuurbeleid.

    • Een brede inzet van de Programmatische Aanpak Stikstof.

    • Het vergroten van de bekendheid van de OESO-richtlijnen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen bij bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven.

  • 4. Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening. Door:

    • Vermindering van het antibioticagebruik met 20% per 1 januari 2012.

    • Green deals af te sluiten tussen burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden.

    • De productie van duurzame energie te verhogen door de inzet van de Stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+).

Daarnaast werkt EL&I mee aan het Rijksbrede traject voor een compacte en krachtige overheid, zoals beschreven in het Regeerakkoord. Door twee ministeries te fuseren en taken te schrappen naar aanleiding van het Regeerakkoord realiseert EL&I in 2015 een besparing op het apparaatbudget van totaal € 288,1 mln1. In 2012 wordt een eerste besparing ingeboekt van € 49,1 mln. Onder meer door:

  • Het opdrachtenpakket van Agentschap NL in te krimpen in 2012 met € 6,4 mln (ongeveer 2,5%). Dit volgt rechtstreeks uit het kabinetsbesluit om in deze kabinetsperiode € 500 mln aan subsidies te schrappen.

  • De bijdrage aan de Dienst Landelijk Gebied in 2012 te verlagen met circa € 18 mln (ongeveer 14,5%), door Ecologische Hoofdstructuur te herijken en de uitvoering van het natuurbeleid te decentraliseren.

  • De fusie van de NMa, de OPTA en de Consumentenautoriteit per 1 januari 2013.

De Beleidsagenda

Nieuwe markten, nieuwe kansen

De economie bevindt zich in onrustig vaarwater. De huidige volatiliteit op de financiële markten; de schuldenproblematiek in de Eurozone en de VS; de stagnatie van de economische groei in de grote industrielanden en een mogelijke afzwakking van de groei van de wereldhandel: het zijn factoren die het voorzichtige economisch herstel dat de afgelopen twee jaar in Nederland had ingezet, vertragen. Dit komt niet geheel onverwachts. De geschiedenis leert ons dat het herstel na een financiële crisis die zowel overheden als de private sector treft, doorgaans de nodige tijd vergt. Wel is het verloop van financiële crises sterk verschillend. Zeker is dat rust op de financiële markten een voorwaarde is voor een krachtig economisch herstel. Om de financiële problemen in Europa op te lossen is het dan ook nodig dat alle lidstaten van de Europese Unie begrotingsdiscipline betrachten en structurele hervormingen doorvoeren. Daarvoor is een steviger economische sturing in Europa nodig. Want een sterk Nederland kan niet zonder een sterk Europa.

Tegelijkertijd betekent de snelle groei van opkomende economieën dat we internationaal intensief moeten zoeken naar duurzame oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Want hoe zorgen we voor de toegang tot voldoende energie, voedsel en grondstoffen? Hoe gaan we in Europa en de rest van de wereld om met de stijgende CO2-uitstoot? En hoe behouden we natuur en biodiversiteit? In Nederland, maar ook in landen als China, Japan en andere EU-landen, speelt ook nog het vraagstuk van de vergrijzing.

De wereldeconomie kenmerkt zich door toenemende internationale concurrentie, maar ook door grote kansen voor groei en ontwikkeling. Er ligt voor Nederland een enorm potentieel in de opkomende economieën en in groeimarkten zoals energie, agrofood en water, waar Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen internationaal aan de top staan. Wereldwijd groeit de vraag naar duurzame, innovatieve oplossingen. De maatschappelijke uitdagingen van vandaag vormen daarmee de groeimarkten van morgen. De kennis, kunde en innovatiekracht om deze nieuwe groeimarkten te veroveren liggen bij MKB’ers, agrariërs, industriëlen en onderzoekers. Zij worden ondersteund door een kleine maar krachtige overheid die keuzes durft te maken, die krachten bundelt en die ruimte geeft en verantwoordelijkheid laat. Een overheid die met partijen investeert in een uitmuntend vestigings- en leefklimaat.

Kansen verzilveren over de grenzen heen

De snelle veranderingen in de wereld brengen onzekerheden met zich mee. Veel burgers ervaren die als een bedreiging. Toch is er alle reden om de toekomst met vertrouwen tegemoet te treden. Nederland heeft altijd volop weten te profiteren van de groei van de wereldhandel. Onze ondernemers tonen zich al eeuwen bedreven in het verzilveren van kansen in tijden van verandering. Nederland is een handelsland: we zijn de vijfde exporteur van de wereld, de vijfde investeerder in het buitenland en (na de VS) de tweede exporteur van agrarische producten.

Een open houding naar de wereld is dan ook cruciaal voor de Nederlandse economie. Opvallend is dat veel Nederlandse exporterende bedrijven nog sterk gericht zijn op de traditionele handelspartners in Europa en de Verenigde Staten. Hoewel deze landen van groot belang voor Nederland blijven, kan de Nederlandse economie nog meer dan nu profiteren van groei in opkomende landen als China, India, Turkije, Brazilië en Rusland. Nederland blijft daarbij achter bij veel andere EU-landen. Hier liggen kansen. De Nederlandse overheid behartigt de belangen van Nederlandse ondernemers die internationaal aan de weg timmeren, door te werken aan een versterking van de Europese interne markt, door zich actief op te stellen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en andere internationale fora. En door bilaterale betrekkingen verder te verbeteren zodat ondernemers toegang krijgen en houden tot nieuwe groeimarkten. Dienstverlening aan Nederlandse bedrijven is een kerntaak van onze ambassades, consulaten en de Netherlands business support offices. We trekken ook buitenlandse investeerders aan die een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie kunnen leveren. Bijvoorbeeld door ze te ondersteunen met praktische adviezen en waar mogelijk bureaucratische barrières weg te nemen.

Een open houding is ook essentieel om ambities te verwezenlijken op het terrein van energie, klimaat, biodiversiteit en voedsel. Dit vereist per definitie een internationale aanpak. Het kabinet zet zich daarom binnen de EU onverminderd in voor een gelijk speelveld op internationale energiemarkten; voor versterking van de grensoverschrijdende infrastructuur die nodig is voor betrouwbare en efficiënte gas- en elektriciteitsmarkten in Noordwest Europa; voor internationale afspraken over klimaat en biodiversiteit; voor duurzame grondstofketens2 en voor de verduurzaming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Ruimte geven en verantwoordelijkheden laten aan ondernemers en burgers

Ondernemerschap staat voor dynamiek en aanpassingsvermogen. Die hebben we hard nodig in een snel veranderende wereld. Het zijn ondernemers en burgers die kansen verzilveren. Zij leveren de grootste bijdrage aan groei, welvaart en werkgelegenheid. Ondernemers richten hun vizier ook steeds vaker op duurzame manieren van produceren, ze komen met oplossingen voor maatschappelijk opgaven, zoals in de zorg, en ze investeren in een goede leefomgeving. De afgelopen jaren heeft zich in Nederland een ware ondernemerschaprevolutie voltrokken. Inmiddels verdient één op de acht werkende Nederlanders zijn of haar geld als ondernemer. Daarmee is Nederland ondernemender dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Nederland moet het hebben van mensen met een ondernemende instelling, ongeacht de plek waar zij werken. Of het nu gaat om het MKB of het grootbedrijf, een universiteit of een ziekenhuis. In deze tijd gaat het meer dan ooit om de bereidheid te vernieuwen en ideeën te ontwikkelen en het vermogen met de omgeving mee te veranderen. Goed presterende bedrijven moeten kunnen doorgroeien. Ook nieuwe ondernemingen in Nederland moeten tot grote hoogte kunnen groeien: ondernemingen die klein gestart zijn, bijvoorbeeld vanuit een universiteit, kennisinstelling, of als spin-off van een high-tech bedrijf.

Het is dus zaak dat ondernemers, ook de startende, hun kansen kunnen grijpen. Een belangrijke factor voor hun succes is dat ondernemers kunnen beschikken over goed gekwalificeerde werknemers en vaklieden. Daarvoor is goed onderwijs nodig dat aansluit op de arbeidsmarkt. Ook moeten mensen makkelijk van baan kunnen wisselen. Ondernemerschap stimuleren is vooral ruimte geven en verantwoordelijkheden laten aan ondernemers en burgers. Ondernemers kunnen dan doen waar ze goed in zijn: ondernemen. Dat betekent dat de overheid niet onnodig beperkingen oplegt: zij geeft ruimte waar mogelijk, en ondersteunt en controleert waar nodig. Dus geen onnodige regels, maar wel één digitaal loket waar ondernemers voor al hun overheidszaken terecht kunnen. Geen ingewikkelde subsidieaanvragen, maar wel goede toegang tot (risico-)kapitaal. Geen nationale koppen op Europese regelgeving, maar wel steun voor ondernemers in de landbouw die zich inspannen voor het behoud van natuur en biodiversiteit. Deze overheid mobiliseert ondernemers, onderzoekers en burgers die zich inzetten voor duurzaamheid. Deze overheid ondersteunt hen, bijvoorbeeld met de Green Deal. Kortom, deze overheid loopt niet in de weg, maar geeft ondernemers een steun in de rug, wanneer het nodig is.

Kennis, kunde en kassa: krachten bundelen

Om ons groeivermogen te versterken moeten we de krachten bundelen. Alleen zo kunnen we de kennis en kunde bij bedrijven en kennisinstellingen optimaal ontwikkelen én benutten. Het gaat om kennis, kunde én kassa.

Het kabinet heeft daarom in samenwerking met het bedrijfsleven en kennisinstellingen ambitieuze plannen opgesteld voor de negen topsectoren. Naast energie zijn dat water, high tech systems, logistiek, creatieve industrie, life sciences, chemie agro-food en tuinbouw. Met hoofdkantoren als tiende sectordoorsnijdend thema. In die sectoren is ons land sterk. Daar ligt onze meerwaarde; daar moeten we kansen pakken en uitbouwen. Het grote voorbeeld is het agrofood complex rondom het Wageningen University & Research Centre.

Met de topsectorenaanpak beoogt de regering geen sterke sectoren te creëren, maar optimaal te ondersteunen. Overheid, bedrijven en kennisinstellingen werken samen aan optimale condities voor de succesvolle vernieuwing van de topsectoren. De wensen van ondernemers en onderzoekers staan hierbij centraal om zo met gerichte publieke inspanningen de gezamenlijke ambities te helpen verwezenlijken. Door de krachten te bundelen – ook met decentrale overheden – versterken we niet alleen ons toekomstig groei- en verdienvermogen, maar brengen we ook oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen dichterbij. Zo bereiken we méér, ook nu de overheid ingrijpend moet bezuinigen.

Kortom, met een open en ondernemende instelling, een bundeling van krachten en een compacte, slagvaardige overheid werken we hard aan economisch herstel en kunnen we nieuwe markten veroveren. Het Ministerie van EL&I draagt daaraan bij door in te zetten op vier actielijnen:

  • 1. Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top;

  • 2. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie;

  • 3. Duurzame welvaart bevorderen, met oog voor mens en natuur;

  • 4. Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening.

1. Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top

Vrijwel geen land ter wereld profiteert zo veel van internationale handel als Nederland. We hebben alles in huis om deze positie vast te houden en te zorgen voor onze welvaart in de toekomst. Maar dit gebeurt niet vanzelf. Het kabinet zet daarom in op een sterke internationale positionering van die economische topsectoren waarmee Nederland zich onderscheidt van andere landen. Tegelijkertijd moeten we ons internationaal sterk profileren. Multilateraal, in de EU en WTO, maar ook bilateraal, in de contacten met onze belangrijkste (toekomstige) handelspartners.

1.1 Topsectoren en innovatie

De Nederlandse economie beschikt over unieke internationaal concurrerende sectoren. De overheid heeft op veel terreinen direct invloed op de concurrentiekracht van deze topsectoren. Op verzoek van het kabinet hebben tien topteams daarom specifieke knelpunten en kansen geïdentificeerd die van belang zijn voor de verdere versterking van de topsectoren. De knelpunten oplossen is een taak van de publieke en private sector gezamenlijk. Een taak die moet worden opgepakt op zowel regionaal, nationaal als internationaal niveau en over de grenzen van ministeries en overheden heen. De bedrijfslevenaanpak vormt daarmee een vernieuwende vorm van publiekprivate samenwerking. Door ondernemerschap, kennis en creativiteit optimaal te benutten om de nieuwe technologieën van morgen te ontwikkelen.

Op 17 juni 2011 hebben de topteams hun agenda’s aan het kabinet aangeboden. In de kabinetsreactie, die gelijktijdig met deze begroting naar de Tweede Kamer is gestuurd, zijn de sectoragenda’s vertaald naar één samenhangende beleidsagenda. Een beleidsagenda over de volle breedte van het overheidsbeleid: van buitenlandbeleid tot onderwijsbeleid (in aansluiting op de strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap en het actieplan MBO), van regeldruk tot innovatiebeleid en van ontwikkelingssamenwerking tot infrastructuur en ICT. De breedte van het overheidsbeleid komt goed tot uiting in het overzicht aan het eind van deze beleidsagenda.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Het opstellen van innovatiecontracten zodat kennis en kunde wordt omgezet in kassa

  • Partners uit de «gouden driehoek» van ondernemers, onderzoeksinstellingen en overheden werken de actieagenda’s van de topsectoren uit tot innovatiecontracten die partijen uit de hele kennisketen inhoudelijk en financieel committeren. Op basis van de innovatiecontracten besluit het kabinet in 2012 over de inzet van kennismiddelen.

  • In 2012 wordt de financiering van de Technologische Topinstituten (TTI’s) voortgezet als overbrugging tijdens de oprichting de nieuwe kennisinfrastructuur rond de innovatiecontracten voor topsectoren. TTI’s en andere vormen van publiekprivate samenwerking zorgen voor een betere aansluiting tussen de vraag van het bedrijfsleven en het aanbod vanuit kennisinstellingen. Ze zorgen ook voor een betere internationale profilering van sterke kennisclusters.

  • Het kabinet introduceert in 2013 een fiscale aftrek van 25% voor de bijdrage van bedrijven aan Topconsortia Kennis & Innovatie (TKI). Deze fiscale stimulans draagt in belangrijke mate bij aan de ambitie van het kabinet om in 2015 minimaal € 500 mln aan TKI’s te hebben, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd door de private sector.

Het verbinden van de kennisketen, door meer focus op de topsectoren bij de onderzoeksprogrammering van TNO, DLO en GTI’s en van NWO en STW

  • De Innovatiecontracten en Publiek-Private Instituten beslaan de hele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie. Het kabinet verschuift in deze periode stapsgewijs onderzoeksbudgetten naar de topsectoren. Onder leiding van de boegbeelden werken bedrijven, kennisinstellingen en overheid innovatiecontracten voor de topsectoren uit. In deze contracten participeren NWO, KNAW en de toegepaste kennisinstituten in 2015 voor ten minste € 600 mln.

  • NWO reserveert voor 2012 al een vrije impuls van € 70 mln voor de Topconsortia Kennis & Innovatie voor de topsectoren. Het STW budget wordt structureel verhoogd met € 10 mln voor topsectoren (eindplaatje bijdrage NWO 2015: richting € 100 mln).

  • In 2012 wordt bij TNO een schuif van € 10 mln van niet-prioritaire sectoren naar de topsectoren doorgevoerd. Voor meer samenwerking met het MKB wordt het huidige budget van € 24 mln voor co-financieringsprojecten van TNO verhoogd tot minstens € 40 mln in 2015; ook wordt de Small Business Innovation Research (SBIR)-regeling van TNO bij sommige andere toegepaste kennisinstituten ingevoerd (eindplaatje bijdrage TNO 2015: richting € 75 mln).

Nederland maakt de transitie naar een Biobased Economy en heeft in 2020 een internationale toppositie.

  • Het kabinet ondersteunt het idee vanuit bedrijfsleven en kennisinstellingen (topteams) om een intersectorale, op marktkansen georiënteerde high levelgroup op te zetten die het Businessplan voor de Biobased Economy zal uitwerken.

  • Eind 2011 is een interdepartementale strategische agenda gereed: die wordt vanaf 2012 uitgevoerd. In de agenda wordt de strategische verbinding gelegd tussen nationale, regionale en Europese ambities en investeringen. Hiervoor worden economische diplomatie, nieuwe technologische samenwerkingsverbanden en marktverkenningen ingezet.

  • In het najaar van 2011 wordt bepaald welke business cases in 2012 worden uitgevoerd.

1.2 Buitenlandse markten, Nederlandse kansen

De Nederlandse inbreng in de EU en de WTO is gericht op vrij handel- en investeringsverkeer, maar ook op markttoegang voor ontwikkelingslanden. Daarnaast werkt het kabinet aan het vergroten van de kansen van het Nederlandse bedrijfsleven op internationale markten, via een combinatie van financiële ondersteuning, advisering en economische diplomatie. Hierbij zal het postennet een actieve rol moeten vervullen, met oog voor de kansen van het Nederlandse bedrijfsleven. De focus ligt hierbij op kansrijke internationale markten waar de meerwaarde van een overheidsrol het grootste is. Bijvoorbeeld opkomende economieën zoals China, Brazilië, Turkije, India en Vietnam. Hier wordt in de komende jaren 70% van de groei van de wereldeconomie gerealiseerd en juist op deze markten is het Nederlandse bedrijfsleven nog onvoldoende aangesloten. Doel van de overheidsinzet is dat Nederlandse bedrijven in de toekomst meer profiteren van deze snel groeiende afzetmarkten.

Dat neemt niet weg dat de EU, met Duitsland als onze belangrijkste handelspartner, voor Nederland een belangrijk speelveld blijft. Als handelsnatie plukt Nederland de vruchten van een sterke Europese economie. Het kabinet zet daarom onder meer in op een sterkere interne markt, het terugdringen van Europese regeldruk en de modernisering van de Europese begroting. Bijvoorbeeld in de onderhandelingen over een toekomstbestendig GLB (zie actielijn 4).

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Internationale kansen voor bedrijven verzilveren door economische diplomatie: 17 economische missies in 2012 en een transitiefaciliteit voor opkomende economieën

  • Kabinetsbreed wordt gekozen voor die buitenlandse markten die kansrijk zijn voor de Nederlandse economie. Met tenminste 17 economische missies naar landen als China, India, Turkije, Brazilië en Rusland zal het kabinet er alles aan doen om deze kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven te verzilveren.

  • In 2012 gaat de Transitiefaciliteit van start om de economische banden te versterken met landen zoals Zuid-Afrika en Vietnam die een groot economisch potentieel hebben en waarmee onze ontwikkelingsrelatie eindigt. Via de Transitiefaciliteit worden ondernemers begeleid bij activiteiten op deze markten.

  • In 2012 is voor de transitiefaciliteit € 5 mln beschikbaar en dit loopt op van € 10 mln in 2013 naar uiteindelijk € 15 mln per jaar vanaf 2014.

Tenminste 15 significante buitenlandse investeerders in topsectoren naar Nederland halen in de komende drie jaar

  • In de werving van buitenlandse investeringen komt de nadruk te liggen op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren. De ambitie voor 2012 is om minstens 150 investeringsprojecten ter waarde van € 625 mln (3 000 banen) aan te trekken.

  • Via strategische acquisitie treden experts uit de topsectoren zelf in overleg met hun internationale netwerk van bedrijven om buitenlandse investeerders te interesseren voor hoogwaardige investeringen in Nederland. Zoals R&D investeringen, Europese hoofdkantoren of shared service centers. Het gaat om uitbreidingen en nieuwe investeringen.

  • De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA, onderdeel van Agentschap NL) staat hiervoor aan de lat, in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en lokale partners.

2. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

Een uitstekend ondernemers- en vestigingsklimaat daagt mensen uit. Of het nu gaat om agrarische zzp’ers of om multinationals. De bewindspersonen van EL&I zijn namens het kabinet dé gesprekspartner van ondernemend Nederland. Ze waken ervoor dat er ruimte blijft voor ondernemen en innovatie, door ervoor te zorgen dat belangrijke randvoorwaarden op orde zijn. Zoals een lagere regeldruk, een goede toegang tot kapitaal (via BMKB en Groeifaciliteit en Innovatiefonds) en een goede overheidsdienstverlening (via Antwoordvoorbedrijven en Ondernemerspleinen). Daarbij investeert het kabinet ook in ruimtelijke condities voor ondernemers (via de vernieuwing van het omgevingsrecht en de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte). Dat resulteert in een sterke concurrentiepositie. De ondernemersquote (aantal ondernemers in Nederland) stijgt: van 10,7% in 2004 naar 12,3% in 2010.

Ondernemers ondernemen niet vanwege subsidies, maar omdat ze kansrijke ideeën en lef hebben. Het kabinet schrapt daarom voor € 500 mln aan subsidies voor het bedrijfsleven en gebruikt de opbrengst voor belastingvoordeel en durfkapitaal voor vernieuwende bedrijven. Deze verschuiving van specifiek beleid naar generiek beleid legt de prikkel weer waar die hoort: bij de ondernemer.

In een concurrerend ondernemingsklimaat speelt marktordening een cruciale rol. Via instituten als de NMa en de OPTA wordt gewerkt aan gezonde concurrentieverhoudingen en goed functionerende markten. En via wetgeving zoals de mededingingswet, de elektriciteits-, gas-, en warmtewet. Daarnaast is EL&I specifiek verantwoordelijk voor een efficiënt werkende telecommunicatie- en postmarkt en waarborgt het de publieke belangen daarbij (veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie). Dat geldt ook voor elektronische communicatie.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

€ 500 mln lastenverlichting voor bedrijven in deze kabinetsperiode via de Research & Development Aftrek (RDA) waardoor investeren in innovatie fiscaal aantrekkelijk wordt

  • Door inzet van de Research & Development Aftrek (RDA), een verhoogde aftrek via een heffingskorting. Hierdoor worden R&D-investeringen in bedrijfsmiddelen (afschrijvingen) en exploitatiekosten in mindering gebracht op de jaarlijks verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting. Het kabinet introduceert de RDA per 1 januari 2012. Deze aftrek heeft een budget van € 250 mln in 2012 dat zal oplopen naar € 500 mln in 2015.

Betere financiering van ondernemerschap

  • Het Innovatiefonds MKB+ start per 1 januari 2012 en bestaat uit innovatiekredieten, die rechtstreeks aan ondernemingen worden verstrekt en uit risicokapitaal dat via investeringsfondsen bij ondernemingen terechtkomt.

  • Een budget van € 95 mln3 aan innovatiekredieten leidt in 2012 tot ongeveer € 270 mln aan private R&D-investeringen. Een verdrievoudiging van de publieke investering.

  • Daarnaast streeft het kabinet in 2012 naar de beschikbaarheid van € 80 mln4 aan risicokapitaal door overheid en private investeerders met behulp van onder andere de (verbrede) seed capital regeling.

  • Het budget voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) is voor 2011 inmiddels verhoogd van € 765 mln naar € 1 mld. Dit vooruitlopend op de honorering van de aanvraag ingediend bij het Europees Investeringsfonds (EIF) voor ondersteuning op de BMKB voor de jaren 2011–2013. De BMKB wordt beleidsmatig versoberd om tot een betere kostenbeheersing te komen, met als doel dat meer bedrijven van de regeling gebruik kunnen blijven maken, terwijl een premieverhoging zo mogelijk achterwege dan wel beperkt kan blijven.

  • Voortzetting van de crisismaatregel Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) in 2012. De nog onbenutte garantieruimte onder de € 1,5 mld wordt opnieuw opengesteld, waarbij de maximale garantie per bedrijf wordt teruggebracht van € 75 mln naar € 25 mln.

  • Om een bredere groep (potentiële) kleinere ondernemers te kunnen bereiken met microfinanciering zal Qredits via een pilot in 2012 de mogelijkheid krijgen om leningen tot € 50 000 te verstrekken (was € 35 000).

Betere dienstverlening aan ondernemers voor minder geld: via ondernemerspleinen en door lagere heffingen van de Kamers van Koophandel met 10% ten opzichte van 2011

  • Ondernemers kunnen straks voor al hun overheidszaken terecht bij het Ondernemersplein.

  • In 2012 wordt hiermee gestart, vooruitlopend op de formele realisatie (inclusief wetgeving) in 2013. Over de organisatorische consequenties wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2011 nader geïnformeerd.

  • Voorop staat dat de Kamers van Koophandel (KvK’s) moeten moderniseren, waarbij de huidige 12 KvK’s en de vereniging KvKNL zullen fuseren tot 1 zelfstandig bestuursorgaan. Hiertoe zal een wetsvoorstel Kamers van Koophandel eind 2011 worden aangeboden aan de Raad van State.

  • Ook verlaagt het kabinet in 2012 de KvK-heffingen met reëel 10 % ten opzichte van 2011/begin 2012.

  • Het kabinet is hierbij voornemens om de jaarlijkse verplichte heffingen van de Kamers van Koophandel vanaf 2013 af te schaffen en te vervangen door een systeem van begrotingsfinanciering. Met deze omschakeling wordt een additionele forse besparing gerealiseerd, evenals een substantiële verlaging van de administratieve lasten.

Programma Regeldruk Bedrijven zorgt in 2012 voor een vermindering van de regeldruk met 10%

  • Een belangrijke kabinetsmaatregel in 2012 is de vereenvoudiging van de winstaangifte inkomstenbelasting. In 2012 wordt het mogelijk op basis van XBRL de winstaangifte in te dienen en daarmee kunnen ondernemers een forse administratieve lastenvermindering van naar verwachting € 162 mln realiseren.

  • In januari 2012 beginnen de inspectievakanties voor rijksinspecties. Dit betekent dat een bedrijf (onder bepaalde voorwaarden) maximaal twee bezoeken per jaar van de rijksinspecties kan verwachten5.

  • Voor nalevingskosten wordt in deze kabinetsperiode een nationale nullijn ingesteld. Dit levert een reductie van € 200 mln op. Voor 2012 worden toenames zoveel mogelijk gecompenseerd.

  • De doelstelling om tot 2012 de regeldruk voor burgers per saldo niet te laten stijgen wordt door EL&I gehaald. Er is sprake van een kleine netto reductie (– 9 000 uren).

  • Ook in de EU wordt hard gewerkt aan een reductie van regeldruk. Met de afronding van het lopende EU-actieprogramma in 2012 moet 25% lastenvermindering voor bedrijven worden gerealiseerd. Prioritaire dossiers zijn onder meer ondernemingsrecht, GLB en structuurfondsen.

Fusie NMa, OPTA en Consumentenautoriteit per 1 januari 2013

  • In de komende maanden wordt bij de Tweede Kamer de wet ingediend die per 1 januari 2013 de instelling regelt van de nieuwe toezichthouder, waarmee drie huidige toezichthouders worden samengevoegd (NMa, OPTA en Consumentenautoriteit).

  • Waar mogelijk binnen het bestaande wettelijk kader, wordt in 2012 de feitelijke samenvoeging al gerealiseerd. Bijvoorbeeld het samenvoegen van de back offices van ConsuWijzer.

Uitgifte van frequenties voor de 800, 900, 1800 MHz om ruimte te geven aan de groei van mobiel internet

  • In het voorjaar 2012 zal de uitgifte van de vergunningen voor mobiele communicatie (800, 900 en 1800 MHz) plaatsvinden.

  • Doel is om via bestendig en voorspelbaar frequentiebeleid bij te dragen aan effectieve concurrentie op de markt voor mobiele communicatie, ook op langere termijn.

  • Daarbij wordt ruimte geboden aan continuïteit van dienstverlening en innovatie en wordt marktconforme beprijzing van frequentieruimte nagestreefd.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. De p van profit is onlosmakelijk verbonden met de p van planet en de p van people. Daarbij gaat het om een aantrekkelijke directe leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten en om een bredere verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen.

Natuur is essentieel voor onze kwaliteit van leven en staat in nauwe verbinding met onze economische ontwikkeling. Zeker in Nederland waar de hoge ruimtedruk ervoor zorgt dat natuur vrijwel altijd verbonden is met andere functies, zoals wonen, werken en recreëren. Het kabinet zet in op een natuurbeleid waarbij we voldoen aan de internationale verplichtingen, op een haalbare en betaalbare manier. Het zet niet in op zoveel mogelijk, maar op zo goed mogelijk.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt kleiner dan oorspronkelijk beoogd, maar ook kwalitatief beter. Het kabinet wil de herijkte EHS in 2018 realiseren. Zodra de onderhandelingen met de provincies over de herijking van het natuurbeleid zijn afgerond, worden het beheer en de afronding van de EHS gedecentraliseerd. In 2012 verschuift de nadruk van de aankoop van nieuwe gebieden naar het in beheer nemen van reeds verworven gebieden. De Natura 2000-gebieden vormen de kern van de nieuwe nationale EHS en zorgen ervoor dat Nederland kwetsbare natuur met Europees belang beschermt.

Wie het over een goede balans tussen planet, -people en -profit heeft, denkt aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). MVO is al jaren onlosmakelijk verbonden met het Nederlandse economische beleid. In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor MVO bij het bedrijfsleven. Het kabinet speelt een actieve rol door MVO onder de aandacht te brengen bij bedrijven. Bijvoorbeeld als het gaat om het normatief kader waarbinnen Nederlandse ondernemingen in het buitenland zakendoen.

In een aantrekkelijke leefomgeving speelt ook een adequate bescherming van consumenten een belangrijke rol. Via de Wet Handhaving Consumentenbescherming en de Consumentenautoriteit werken we aan de bescherming van consumenten in brede zin. Maar we zetten ons ook in voor specifieke consumentenbelangen, bijvoorbeeld op het terrein van telecommunicatie en ICT.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Decentralisatie uitvoeringstaken natuurbeleid

  • In 2012 worden de taken en middelen voor de uitvoering van het natuurbeleid gedecentraliseerd.

  • Binnen de afgesproken kaders zullen de provincies de EHS gaan afronden en zullen de provincies zorg dragen voor een adequaat beheer.

Breed gebruik van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) om belemmeringen voor economische ontwikkeling gerelateerd aan stikstofdepositie weg te nemen

  • De PAS bevat bindende afspraken om het stikstofprobleem rond Natura 2000-gebieden aan te pakken. Specifieke instrumenten bepalen hoeveel ruimte er is voor stikstofgerelateerde economische ontwikkeling, zodat er weer vergunningen kunnen worden verleend.

  • In 2012 zal de PAS volledig van start gaan.

Eén integrale natuurwet, die zorgt voor minder regeldruk voor ondernemers en burgers

  • In 2012 wordt een wetsvoorstel natuur ingediend bij de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel worden de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet geïntegreerd, gemoderniseerd en vereenvoudigd ter voldoening aan de doelstellingen uit het regeerakkoord.

  • Belangrijk onderdeel is het zoveel mogelijk opschonen van regelgeving, waardoor de lastendruk voor burgers en bedrijfsleven kan worden verminderd.

  • Tegelijkertijd wordt met het wetsvoorstel een adequate implementatie van internationale verplichtingen geborgd én worden nationale koppen op die verplichtingen geslecht.

Vergroten van de bekendheid van OESO-richtlijnen MVO bij bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven

  • In 2011 speelde Nederland een belangrijke rol bij de update van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Cruciaal is nu de bekendheid hiervan bij het bedrijfsleven.

  • Conform de richtlijnen is een Nationaal Contactpunt (NCP) opgericht, dat niet alleen meldingen van vermeende schendingen van de richtlijnen behandelt, maar de richtlijnen ook actief onder de aandacht van ondernemingen brengt.

  • In 2012 worden alle bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven door het NCP actief op de hoogte gesteld over de betekenis van de richtlijnen voor het internationaal opereren van hun bedrijf.

4. Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening

Een zekere energievoorziening en een duurzame landbouwproductie zijn onlosmakelijk verbonden met onze duurzame welvaart in de toekomst. Het gaat om betrouwbaarheid, zekerheid en duurzaamheid. En om de cruciale bijdrage die deze sectoren leveren aan onze economische groei.

4.1 Een duurzame landbouwproductie

Een duurzame landbouwproductie is essentieel voor onze duurzame welvaart in de toekomst. De agrofoodsector en de tuinbouw leveren niet alleen een cruciale bijdrage aan onze economie, maar staan ook aan de wieg van oplossingen voor de maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. Want hoe kunnen we ervoor zorgen dat in 2050 9 miljard mensen voldoende te eten hebben? Hoe zorgen we dat een vergrijzende bevolking gezond blijft? En hoe bestrijden we voedselgerelateerde ziekten? De agrofoodsector en de tuinbouw kunnen antwoorden bieden op deze vraagstukken. Zo bezien zijn deze uitdagingen ook geweldige economische kansen.

Het kabinet zet zich in om de internationale toppositie van de agrofood- en tuinbouwsector verder te versterken. Dat vergt nauwe samenwerking in de Gouden Driehoek tussenbedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. De agrofood en tuinbouw zijn niet voor niets topsectoren. Met als focus: duurzaam, innovatief en internationaal. Duurzaam door ervoor te zorgen dat de productie van hoogwaardig voedsel gepaard gaat met zo min mogelijk grondstoffen. Innovatief door de ontwikkeling van nieuwe producten die bijdragen aan gezondheid, duurzaamheid, smaak en gemak. En internationaal door onze sterke exportpositie te verbeteren via de inzet van onze diplomatieke voorposten in het buitenland. Blijvend aandachtspunt is de versterking van het maatschappelijk draagvlak. Het bedrijfsleven zelf speelt hierbij een belangrijke rol. Door actief contact te zoeken met de samenleving en door een zo hoog mogelijke transparantie.

Het Europees gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid (GLB en GVB) speelt een centrale rol bij de (inter)nationale uitdagingen rond voedselzekerheid, natuur, landschap en economie. Het nieuwe GLB moet ondernemers stimuleren om concurrentiekracht, innovatievermogen en duurzaamheid van de agrarische sector en het platteland te versterken. Het kabinet acht het noodzakelijk dat in het kader van de hervorming van het GLB de directe inkomenssteun wordt vervangen door doelgerichte betalingen. Dit is essentieel voor de houdbaarheid van het landbouwbeleid en de toekomstige legitimatie hiervan.

Wereldwijd zet het kabinet zich in voor fytosanitaire en veterinaire zaken en daarmee voor markttoegang en exportkansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Voedselveiligheid en voedselzekerheid staan daarbij centraal. Samen met de Wereldbank en de FAO werkt het kabinet aan de uitvoering van het actieprogramma van de conferentie Agriculture, Food Security and Climate Change, die in 2010 werd gehouden in Den Haag.

Verder neemt het kabinet waar mogelijk en verantwoord wettelijke belemmeringen weg voor de verduurzaming van de voedselketen en blijft het een rol spelen bij de verduurzaming van de veehouderij. Bijvoorbeeld om dierenwelzijn te vergroten, de discussie rondom megastallen te begeleiden en de ontwikkeling van duurzame stallen te stimuleren. Het kabinet ziet geen overheidsrol meer in het ondersteunen van marktontwikkelingsonderzoeken en campagnes voor gedragsverandering. Dit is een verantwoordelijkheid voor het bedrijfsleven zelf. Het is aan marktpartijen zelf om hiervoor convenanten af te sluiten en keteninitiatieven op te zetten.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Actieve bijdrage van Nederland aan wereldwijde voedselzekerheid

  • Implementatie van het actieprogramma van de conferentie Agriculture, Food Security and Climate Change in 2010 en organisatie van de follow-up conferentie in Vietnam in 2012.

  • In nauwe samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken operationaliseren van uitvoeringsprogramma's voor landbouw en voedselzekerheid in 6 Afrikaanse speerpuntlanden voor ontwikkelingssamenwerking en uitwerking samenwerkingsprogramma’s door de topsectoren agro&food en tuinbouw&uitgangsmaterialen gericht op duurzame agroketens en voedselzekerheid in derde landen.

  • Ondersteuning van en participatie in het Early Action Program for climate smart agriculture van de Wereldbank, in 10 tot 15 Afrikaanse landen.

Verduurzaming van de agroproductie: een toekomstvisie op het mestbeleid en 6% duurzame stallen in 2012

  • De Nederlandse visie op het mestbeleid wordt onder meer gebaseerd op de resultaten van de evaluatie van de Meststoffenwet die begin 2012 gereed is. Hoofddoel is de verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater.

  • Vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017: Gestreefd wordt naar inhoudelijke overeenstemming met de Europese Commissie over dit programma uiterlijk begin 2013, zodat de voorbereidingen voor de implementatie vanaf 2014 tijdig kunnen worden gestart.

  • Analoog aan de uitvoeringsagenda duurzame veehouderij is de ambitie voor 2012 dat 6% van de stallen integraal duurzaam is.

Verminderen van antibioticagebruik met 20% per 1 januari 2012

  • Eind 2011 moet een vermindering van het gebruik van antibiotica in de veehouderij zijn gerealiseerd van 20% ten opzichte van 2009.

  • Hiertoe wordt er onder meer ingezet om het gebruik van diergeneesmiddelen transparant te maken, de positie van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit te verstrekken en de positie van de dierenarts te borgen.

Verbetering dierenwelzijn

  • Het kabinet zal ter stimulering van innovatieve stallen in 2012 de Small Business Innovation Research (SBIR) opnieuw openstellen.

  • In 2012 vindt de uitwerking plaats van de nieuwe Nota Dierbeleid. Dit is onder meer een actualisatie van de Nota Dierenwelzijn en de Nationale Agenda Diergezondheid. Daarin staat een aanpak voor extremen, zoals dierenmishandeling en misstanden in de fokkerij.

  • In 2012 wordt een pilot-project onder drie hondenrassen afgerond. Ook worden in 2012 algemene verzorgingsnormen vastgesteld voor alle houders en wordt het verbod op dierenmishandeling verduidelijkt.

  • Het kabinet zal zorgen voor de implementatie van Europese regelgeving. Zo zal bijvoorbeeld eind 2012 iedere ondernemer zijn zeugen in groepen moeten hebben gehuisvest.

Onderhandelingen over een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

  • In 2012 wordt onderhandeld over een nieuw GLB dat in 2014 in werking moet treden. Het gaat hierbij om directe betalingen, marktordening en plattelandsbeleid.

  • Nederland zet in op twee doelen: versterking van de concurrentiekracht en het belonen van (bovenwettelijke) maatschappelijke prestaties mbt natuur, milieu en dierenwelzijn.

  • Vooruitlopend op de hervormingen wordt de toepassing van het huidige artikel 686 aangepast. Dit is een stap richting een nieuw GLB waarin de huidige directe GLB-betalingen worden vervangen door doelgerichte betalingen.

  • De aanpassingen aan en het uitbouwen van artikel 68 bevatten de volgende elementen:

    • Meer middelen voor de regeling «Integraal duurzame stallen».

    • Uitbreiding van de vaarvergoedingsregeling naar de Biesbosch.

    • Extra aandacht voor de verduurzaming van de plantaardige productie. Bijvoorbeeld via stimulering van de precisielandbouw.

    • Tijdelijke inzet van budget voor het afdekken van vervolgschaderisico’s bij dierziekten.

Voorbereidingen voor een nieuw Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB) en Europees Visserij Fonds (EVF) vanaf 2014

  • Het Europese visserijbeleid wordt in 2012 herzien.

  • De Nederlandse speerpunten voor de toekomst van het Europese visserijbeleid zijn:

    • Het ecologische kapitaal: de visbestanden en de zee.

    • Een grotere rol voor de markt. Via certificering en via de keten.

    • Verandering van besluitvorming en het beter beleggen van verantwoordelijkheden.

4.2 Een toekomstbestendige energievoorziening

Een schone en betrouwbare energievoorziening is essentieel voor duurzame economische groei. Dat vergt een blijvende inzet van ondernemers, onderzoekers en overheid. De afgelopen tien jaar is de structuur van de energievoorziening fundamenteel veranderd. De energiemarkt is geliberaliseerd en buitenlandse partijen spelen een prominente rol in de Nederlandse energievoorziening. Dit heeft geleid tot een efficiëntere en meer betrouwbare energievoorziening voor burgers en bedrijven.

Het kabinet bouwt verder aan een duurzame en betrouwbare energiehuishouding. De innovatiekracht van de energiesector moet verder worden vergroot om de transitie naar een CO2-arme economie in 2050 te verwezenlijken. Het is niet groen of groei, maar groen èn groei. Een betrouwbare energievoorziening bestaat in de komende decennia uit een evenwichtige mix van groene en grijze energie uit binnen- en buitenland. Zowel gas – de schoonste fossiele brandstof – als kernenergie kunnen bijdragen aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding.

Effectief energiebeleid is per definitie internationaal beleid; daarom zetten we extra in op energiediplomatie en verbinden we ons alleen aan internationale en Europese klimaatdoelstellingen. Minder vanzelfsprekend was tot nu toe dat energiebeleid ook vooral economisch beleid is. Zonder energie geen groei. Wij kijken voortaan naar energie niet alleen als essentiële randvoorwaarde voor bedrijvigheid in Nederland, maar ook als een sector op zichzelf. Een hoogwaardige en innovatieve sector die een substantiële bijdrage levert aan het nationaal inkomen, de export en de werkgelegenheid. En die bovendien oplossingen kan bieden voor maatschappelijke uitdagingen als klimaatverandering en schaarste aan fossiele brandstoffen.

De zakelijke en realistische benadering van het kabinet houdt ook in dat we zoeken naar de goedkoopste en meest efficiënte manier om de Europese klimaat- en duurzaamheidsdoelen te halen. Voor de middellange termijn (2020) richten we ons daarom op de goedkoopste en meest efficiënte vormen van duurzame energie, zoals windenergie op land en groen gas, die we stimuleren via de SDE+. Daarnaast wordt met de sector overlegd over verplichte bij- en meestook in kolencentrales.

Investeringen in een duurzame economie leveren een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Daarom sluit het kabinet green deals tussen private en publieke partijen. Via green deals op het gebied van duurzame energie en energiebesparing beoogt het Kabinet obstakels weg te nemen en initiatieven uit de samenleving een extra impuls te geven. Via resultaatafspraken nemen het Rijk, medeoverheden, bedrijven en/of maatschappelijke organisaties hun verantwoordelijkheid om concrete duurzame projecten te realiseren. De green deal strekt verder dan energie en beslaat ook andere duurzame terreinen als water, grondstoffen en mobiliteit.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Green deals tussen burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties en de Rijksoverheid om kansen te benutten op het raakvlak van groen en groei

  • Het kabinet wil dat op korte termijn zo veel mogelijk duurzame projecten van de grond komen.

  • Projecten om energie te besparen of duurzaam decentraal op te wekken. Maar ook projecten op het gebied van duurzaam ondernemen, beter gebruik van grondstoffen, duurzaam inkopen en duurzame mobiliteit.

  • Het kabinet gaat hierbij helpen door mensen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onnodige regels te schrappen of onduidelijkheid over vergunningen weg te nemen.

  • In 2011 worden de eerste green deals gesloten. In 2012 moeten de eerste concrete projecten en resultaten zichtbaar zijn en volgt een nieuwe ronde green deals.

De stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+) om het aandeel duurzame energie in de energieproductie te verhogen

  • Het doel van de stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+) is om de goedkoopste vormen van duurzame energie te stimuleren, zodat Nederland in 2020 de doelstelling van 14% duurzame energieproductie verwezenlijkt.

  • De SDE+ subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie, de zogeheten onrendabele top, en wordt in 2012 weer in meerdere fasen opengesteld.

Verplichting tot het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales om het aandeel duurzame energie in de energieproductie te verhogen

  • Het kabinet overlegt met de sector over bij- en meestook van biomassa in kolencentrales. De uitwerking is mede afhankelijk van de uitkomsten van dit overleg en vindt plaats in 2012.

  • De verplichte bij- en meestook kan een eerste stap zijn richting een leveranciersverplichting voor duurzame energie. Zo’n verplichting moet wel voldoen aan de stringente voorwaarden, die zijn opgenomen in het Energierapport, bijvoorbeeld om windfall profits te voorkomen.

Een vergunning voor tenminste één nieuwe kerncentrale

  • Het kabinet heeft besloten deze kabinetsperiode een vergunning te verlenen voor tenminste één nieuwe kerncentrale indien de aanvraag aan de te stellen voorwaarden voldoet.

  • De ramp in Fukushima bevestigt de visie van het kabinet dat veiligheid een essentiële randvoorwaarde is voor de toepassing van kernenergie. Daarom hecht Nederland aan een Europese stresstest en een goede evaluatie van de kernramp in Japan.

  • In Nederland geldt de stresstest voor kerncentrales en onderzoeksreactoren. De resultaten van de Europese stresstest komen in 2012 beschikbaar.

Adequate energie-infrastructuur en minderheidsprivatisering landelijke netbeheerders

  • Het kabinet maakt een wetsvoorstel om private partijen de mogelijkheid te geven om een minderheidsaandeel te verwerven in TenneT en Gasunie. Dit om grensoverschrijdende participaties mogelijk te maken en privaat kapitaal aan te trekken.

  • Doel is ook om de regeldruk te verminderen en het investeringsklimaat te verbeteren. Hiertoe wordt de regulering aangepast om netbeheerders meer ruimte te geven om te investeren in hun netten.

  • De regelgeving zal eveneens een uitdrukkelijk criterium vaststellen om te bepalen wat een redelijk rendement is.

  • Om de bovenstaande zaken te regelen wordt het wetgevingstraject STROOM opgestart. In 2012 wordt de eerste tranche van wetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

In de aansluitende tabel wordt een meerjarig overzicht gegeven van de middelen die in 2012–2015 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het topsectorenbeleid. Een afnemend deel van deze middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. Deze zijn deels al in lijn met de agenda’s van de topsectoren of worden daar in 2012 zo veel mogelijk mee in lijn gebracht.

In de begroting en het jaarverslag van EL&I zal voortaan een geactualiseerd overzicht van de budgettaire tabel worden opgenomen zodat de Kamer de uitgaven voor het topsectorenbeleid op hoofdlijnen kan volgen. Budgetten worden daarnaast door de verantwoordelijke ministers verantwoord via de reguliere begrotingscyclus.

In de Bedrijfslevenbrief die gelijktijdig met deze begroting aan de Tweede Kamer wordt aangebonden wordt nader ingegaan op de wijze waarop budgetten wordt toegewezen aan topsectorenprogramma’s.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren (in € mln in kasbedragen)1
 

2012

2013

2014

2015

Budgethouder

I Generiek

 

A. Ondernemerschap, innovatie en onderwijs

         

1. Innovatiefonds MKB+2

84

93

104

115

EL&I

2. RDA

250

375

500

500

ELI/FIN

3. Aanvullend fiscaal innovatiepakket (RDA+/WBSO/KWR)3

30

100

100

100

ELI/FIN

4. Betatechniek

33

33

22

22

OCW

           

II Specifiek voor topsectoren

 

B. Kennis en innovatie

 

5. NWO/KNAW aandeel topsectoren

90

175

260

350

OCW

6. Toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO)

200

215

230

250

EL&I, DEF

7. Bevorderen innovatiekracht topsectoren

150

145

139

90

EL&I

8. Profilering kennisinfrastructuur4

50

50

50

50

OCW

           

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

         

9. Professionele masters

0

7

7

7

OCW

10. Centra voor Innovatief Vakmanschap5

4

4

4

4

OCW/EL&I

           

D. Internationaal

         

11. Internationaal ondernemen en ontwikkelingsamenwerking (Buza)

200

235

270

300

BuZa

12. Internationaal ondernemen (EL&I)

10

10

10

10

EL&I

           

E. Specifieke bijdragen departementen

         

13. VWS: Life Sciences & Health/zorg

106

85

74

49

VWS

14. EL&I: Energie-innovatie

81

100

90

101

EL&I

15. EL&I: Voeding + tuinbouw

30

35

40

50

EL&I

16. I&M: Logistiek

9

19

17

25

I&M

17. I&M: Water

12

13

13

25

I&M

18. OCW: creatief

0

11

11

11

OCW

19. Defensie

20

20

20

20

DEF

           

Totaal

1 359

1 725

1 961

2 079

 
X Noot
1

De kasbedragen hebben deels betrekking op reeds aangegane verplichtingen. Daarnaast worden in de periode 2012–2015 nieuwe verplichtingen aangegaan (onder andere € 500 mln via het Innovatiefonds) die weer leiden tot kasbedragen na 2015.

X Noot
2

Dit leidt tot een fonds met een omvang t/m 2015 van circa € 500 mln.

X Noot
3

Het bedrag in 2012 is bestemd voor het handhaven van het plafond in de WBSO op € 14 mln. Vanaf 2013 is het bedrag bestemd voor ophoging van de WBSO, fiscale stimulering van de mobiliteit van kenniswerkers en voor de RDA+.

X Noot
4

Onder andere voor Onderzoeksinfrastructuur en STW.

X Noot
5

Het bedrag is cumulatief € 16,4 mln. Voor de «Centers of Expertise» is een bedrag in dezelfde orde van grootte beschikbaar.

Agendering beleidsdoorlichtingen

Agendering beleidsdoorlichtingen

Artikel/Operationele doelstelling

2012

2013

2014

2015

11

Goed functionerende economie en markten

     

x

12

Een sterk innovatievermogen

     

x

13

Een excellent ondernemingsklimaat

   

x

 

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

x

   

15

Een sterke internationale concurrentiepositie

   

x

 

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

   

x

 

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

 

x

   

18

Natuur en regio

     

x

Toelichting

Het instrument van periodieke beleidsdoorlichting wordt in de geïntegreerde EL&I-begroting voortgezet. Vanaf 2013 zullen alle algemene beleidsdoelstellingen periodiek worden doorgelicht. De uitkomsten hiervan worden aan de Tweede Kamer aangeboden.

2.1.2 Financieel kader

Onderstaand is een selectie opgenomen van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) vanaf de standen van de Voorjaarsnota.

Uitgaven (in € mln)
   

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Stand ontwerp-begroting 2011(incl. amendementen)

3 152,0

2 962,5

2 576,9

2 390,8

2 204,9

 

Mutaties Incidentele Suppletoire Begroting

2 748,8

2 217,4

2 112,2

1 864,3

1 748,2

 

Stand na incidentele suppletoire begroting

5 900,8

5 179,9

4 689,1

4 255,0

3 953,1

 

Mutaties VJN

129,2

116,0

89,3

22,2

97,8

 

Stand VJN

6 030,0

5 295,9

4 778,4

4 277,2

4 050,9

 
               

Nieuwe mutaties

           

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

           

1.

Uitvoeringskosten WBSO

 

5,0

5,0

5,0

5,0

 

2.

Voeding innovatiefonds t.b.v. innovatiekredieten

 

20,0

30,0

40,0

45,0

– 5,0

3.

Innovatieprogramma's/ bijdrage MIA-V

15,1

14,4

       

4.

Bijdrage Defensie aan taakstelling TNO

 

0,5

1,5

3,1

4,2

4,5

5.

Bijdrage SZW aan onderzoek TNO

 

4,5

       

6.

I&M bijdrage aan NLR

       

2,0

1,3

               

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

           

7.

Borgstelling MKB Kredieten

29,0

         

8.

ACTAL

2,2

         

9.

Bio Based Economy

2,1

         

10.

Subsidietaakstelling Regeerakkoord

2,5

6,8

13,5

17,5

24,0

24,0

11.

Ondernemerspleinen

   

147,0

142,0

138,0

138,0

               

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

           

12.

Energie-innovatie en energiebesparing

– 44,0

– 14,0

6,5

16,6

– 3,5

14,0

13.

Carbon Capture Storage

7,0

4,8

– 4,8

     

14.

SDE+

   

100,0

200,0

300,0

372,0

15.

Elektrisch Rijden

12,0

4,3

3,3

     
               

Artikel 15 Een sterke internationale comcurrentiepositie

           

16.

Transitiefaciliteit

 

5,0

10,0

15,0

15,0

15,0

Artikel 16 Concurrerende, duurzame veilige agro-, visserij- en voedselketens

           
               

17.

Uitbetaling verliesdeclaraties borstellingsfaciliteit

5,0

         

18.

Antibioticagebruik veehouderij/handhaving EU-regelgeving

1,0

6,0

1,0

1,0

   
               

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

           

19.

Schoolmaatschappelijk werk

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

               

Artikel 18 Natuur en regio

           

20.

Programmatische Aanpak Stikstof

39,5

39,5

37,4

     

21.

Decentralisatiekorting, aandeel I&M

5,0

5,0

       

22.

Lagere bijdrage ILG

– 4,2

– 4,5

– 2,1

     

23.

Intensivering verdrogingsbestrijdng

3,6

3,6

3,6

     
               

Artikel 40 Apparaat

           

24.

DICTU

4,3

         

25.

Besteding Bekker-middelen

11,6

4,7

       
               

Artikel 41 Nominaal en onvoorzien

           

26.

Verlaging prijsbijstelling 2011

 

– 9,0

– 9,0

– 9,0

– 9,0

– 9,0

               

Diverse artikelen

           

27.

Invulling taakstelling zorg en restproblematiek Rijksbegroting

 

16,7

15,5

8,6

8,3

8,3

28.

Apparaattaakstelling EL&I

 

29,4

100,4

219,8

286,3

300,4

29.

Invulling apparaat taakstelling EL&I

 

– 49,1

– 120,6

– 241,1

– 287,7

– 302,0

30.

Inzet prijsbijstelling 2010 en 2011

– 28,8

– 38,9

– 43,3

– 33,3

– 31,8

– 31,4

               

Overige mutaties

– 14,4

21,2

16,6

58,9

18,6

 

Stand ontwerpbegroting 2012

6 079,5

5 372,8

5 091,0

4 722,3

4 566,3

4 399,9

Toelichting nieuwe mutaties na de Voorjaarsnota (VJN) 2011

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

1. Uitvoeringskosten Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

Deze mutatie betreft de toevoeging van middelen voor de uitvoeringskosten van de WBSO. De WBSO is een fiscaal instrument waarbij de uitvoeringskosten op de begroting van EL&I worden geraamd nadat de uitvoering is overgegaan naar Agentschap NL. Gezien de intensivering van de WBSO is verhoging van het uitvoeringsbudget noodzakelijk. In het kader van de voorjaarsbesluitvorming 2011 heeft een herprioritering plaatsgevonden om de extra uitvoeringskosten te financieren. Het betreft meerjarig de inzet van nog niet gecommitteerde voormalige FES middelen.

2. Voeding innovatiefonds ten behoeve van innovatiekredieten

Deze mutatie betreft het naar voren halen van middelen voor de voeding van het innovatiefonds (operationele doelstelling 12.2). Daartoe worden EL&I middelen uit de periode 2016–2023 naar de periode 2012–2015 geschoven.

3. Innovatieprogramma’s/bijdrage MIA-V

In het kader van de Maatschappelijke Innovatie Agenda Veiligheid (MIA-V) en de uitvoering van de daarbijbehorende Small Business Innovation Research-regeling (SBIR) worden er middelen overgeboekt van het Ministerie van V&J naar het ministerie van EL&I. Er worden twee SBIR projecten uitgevoerd. Het eerste SBIR project is gericht op Fysieke bescherming (van hulpverleners) en het tweede SBIR-project is gericht op simulatie en serious gaming

4. Bijdrage Defensie aan taakstelling TNO

Middels deze mutatie levert het Ministerie van Defensie haar aandeel in de taakstelling voor het TNO in het kader van de efficiënte Rijksdienst, die geparkeerd is op de begroting van EL&I.

5. Bijdrage SZW aan onderzoek TNO

Met deze mutatie worden er middelen overgeboekt vanuit het Ministerie van SZW voor de uitvoering van onderzoek door TNO voor het thema Arbeidsparticipatie en vergrijzing.

6. I&M bijdrage aan NLR

In het kader van de herverkaveling van het innovatiebeleid naar EL&I heeft een overboeking van de bijdrage aan Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) van het Ministerie van I&M plaatsgevonden.

Artikel 13 Een excellent ondernemingrsklimaat

7. Borgstelling MKB Kredieten

De raming voor schade-uitgaven wordt verhoogd met € 29 mln, omdat als gevolg van het economische klimaat ook in 2011 meer schadedeclaraties worden verwacht dan eerder geraamd. Dekking wordt gevonden binnen het totaal van de EL&I begroting.

8. ACTAL

Vanuithet Ministerie van BZK worden er middelen overgeboekt voor de Instelling Adviescollege toetsing regeldruk (Actal) 2011–2015.

9. Bio Based Economy (BBE)

Voor de uitvoering van het project BBE wordt in 2011 een bedrag van € 2,1 mln beschikbaar gesteld. De verhoging van het budget wordt gedekt uit niet verdeelde loon- en prijsbijstelling. Doelstelling is om de ontwikkeling van BBE te versnellen. De reden is dat BBE onder andere een belangrijke bijdrage levert aan een duurzame ontwikkeling door verlaging van de uitstoot van broeikasgassen en vermindering van de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen.

10. Subsidietaakstelling regeerakkoord

Een deel van de aan EL&I bij regeerakkoord opgelegde subsidietaakstelling van in totaal € 550 mln structureel kan niet worden gekort op de bestaande budgetten van artikel 13 en wordt ingevuld door hiervoor de prijsbijstelling in te zetten.

11. Ondernemerspleinen

Per 2013 zal een bijdrage uit de EL&I begroting de heffing van de Kamer van Koophandel vervangen, waarmee de integratie van de Kamer van Koophandel tot de nieuwe «ondernemerspleinen» wordt gefaciliteerd.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

12. Energie-innovatie en energiebesparing

De mutatie betreft het doorschuiven van middelen samenhangend met energie-innovatie en energiebesparing, om in 2012 en verder invulling te kunnen geven aan het topsectorenbeleid. Hierover neemt het kabinet in het najaar een nader besluit. In 2011 wordt daarom geen subsidieregeling opengesteld.

13. Carbon Capture Storage (demonstratie-projecten opslag en afvang CO2)

Met deze mutatie worden gereserveerde middelen naar voren gehaald ten behoeve van de afwikkeling van het CO2-opslagdemonstratieproject in Barendrecht en worden er middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van het kleinschalige CO2-afvangdemonstratieproject Pegasus fase 1b.

14. SDE+

In het Regeerakkoord is vastgelegd dat de opwekking van duurzame energie stimulering verdient in de overgangsfase naar een concurrerende positie. Besloten is om daartoe de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) om te vormen tot een SDE+ regeling, waarmee duurzame energieprojecten kunnen worden gestimuleerd. De financiering van de SDE+ vindt plaats door een opslag op de energierekening en in de toekomst mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten. De raming voor deze heffing was reeds op de begroting opgenomen en nu worden conform de afspraken uit het Regeerakkoord ook de middelen voor de uitgaven van de aanvullende post van het Rijk beschikbaar gesteld, zodat de regeling opgesteld kan worden.

15. Elektrisch Rijden

Deze mutatie betreft het overhevelen van de middelen van het dossier Elektrisch Rijden van het ministerie van I&M naar het Ministerie van EL&I. Het gaat om de middelen voor een meerjarige opdracht die het Agentschap NL zal uitvoeren ten behoeve van het programma «Proeftuinen Hybride en Elektrisch Rijden».

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

16. Transitiefaciliteit

Om de overgang van een Ontwikkelingssamenwerkingsrelatie (OS-relatie) naar een normale economische bilaterale relatie te begeleiden zal een transitiefaciliteit op de begroting van EL&I worden gecreëerd. Deze faciliteit heeft als doel om instrumenten in te zetten in partnerlanden met economisch potentieel die niet onder ODA vallen. Door de instelling van deze transitiefaciliteit wordt de oorspronkelijke OS-relatie uitgefaseerd. De middelen voor deze transitiefaciliteit komen beschikbaar uit de HGIS-middelen.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

17. Uitbetaling verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit

EL&I verwacht in 2011 in totaal € 10 mln uit te betalen aan verliesdeclaraties van de Borgstellingsfaciliteit Landbouw. Om deze uitbetaling mogelijk te maken is in de 1e suppletoire begroting/Voorjaarsnota 2011 al € 5 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit. Thans wordt er additioneel € 5 mln onttrokken.

18. Antibioticagebruik veehouderij/handhaving EU-regelgeving

Om het antibioticagebruik in de veehouderij terug te dringen is intensivering van toezicht door de nVWA noodzakelijk. Voor deze intensivering wordt voor de periode 2011 t/m 2014 jaarlijks € 1 mln beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt voor 2012 de bijdrage aan de nVWA met € 5 mln verhoogd voor activiteiten in het kader van handhaving van de Europese regelgeving.

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

19. Schoolmaatschappelijk werk

EL&I ontvangt van het Ministerie van OCW een bijdrage voor het schoolmaatschappelijk werk in het groen onderwijs. Deze bijdrage heeft onder meer tot doel om voortijdig schoolverlaters te begeleiden van school naar werk.

Artikel 18 Natuur en regio

20. Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Conform het Regeerakkoord worden de middelen van de aanvullende post van het Rijk beschikbaar gesteld ten behoeve van de Programmatische Aanpak van de Stikstofproblematiek. Het betreft hier maatregelen van het Rijk om de stikstofbelasting terug te dringen zodat (economische) ontwikkeling in de omgeving van Natura 2000-gebieden mogelijk blijft en de natuur goed wordt beschermd.

21. Decentralisatiekorting, aandeel I&M

Bij Nota van Wijziging op de begroting 2011 is de decentralisatiekorting op het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en de EHS-budgetten van € 125 mln voor 2012 en 2013 aflopend naar € 85 mln vanaf 2015 volledig verwerkt op de EL&I-begroting. De decentralisatiekorting resulteert in een aandeel van € 5 mln in 2012 en 2013 bij het Ministerie van I&M. Hiertoe vindt een budgetoverheveling plaats vanuit de begroting van het Ministerie van I&M.

22. Lagere bijdrage ILG

De bijdrage van het Ministerie van I&M aan het ILG voor bufferzones, milieukwaliteit, duurzaam watergebruik en duurzaam ondernemen wordt neerwaarts bijgesteld. Dit leidt tot een verlaging van zowel de uitgaven als de ontvangsten op de EL&I begroting. De vrijkomende middelen op de begroting van I&M worden ingezet voor EHS-projecten (Hart voor Dieren en Renkumse Beekdal) en het opruimen van verspreid liggend glas.

23. Intensivering verdrogingsbestrijding

Het Ministerie van I&M levert voor de jaren 2011–2013 een bijdrage aan de intensivering van de verdrogingsbestrijding van natuurgebieden binnen de EHS.

Artikel 40 Apparaat

24. DICTU

De bijdrage aan Dienst ICT Uitvoering (DICTU) wordt voornamelijk verhoogd voor het outsourcingstraject kantoorautomatisering en de versnelde afschrijvingskosten op oude computers.

25. Besteding Bekker-middelen

In het kader van maatregelen Sociaal Flankerend Beleid sector Rijk 2008–2012 en van de Vernieuwing Rijksdienst zijn in 2009 en 2010 middels tranches middelen aan de EL&I-begroting toegevoegd. Deze middelen worden ingezet om de krimp van de EL&I-organisatie verantwoord te kunnen realiseren en voor investering in de infrastructuur en services voor communicatie met bedrijven (agrosector) en burgers via het internet. Dit laatste levert een bijdrage aan de krimptaakstelling van EL&I en geeft bovendien het terugdringen van de «administratieve lasten» bij bedrijven en burgers een impuls. In 2009 en 2010 was sprake van onderbesteding op deze zgn. Bekkermiddelen voor het Sociaal Flankerend Beleid en de ICT projecten. Deze zullen in 2011 en 2012 tot uitbetaling komen.

Artikel 41 Nominaal en onvoorzien

26. Verlaging prijsbijstelling 2011

Bij Voorjaarsnota 2011 is abusievelijk te veel prijsbijstelling tranche 2011 aan departementen toegedeeld. Voor EL&I betreft dit een reeks van € 9 mln structureel vanaf 2012.

Dit leidt tot een navenant tekort op de operationele doelstelling «prijsbijstelling» van dit artikel. Dit tekort zal in beginsel in mindering worden gebracht op toekomstige prijsbijstelling (tranche 2012).

Hierover zal besluitvorming plaatsvinden bij Voorjaarsnota 2012.

Diverse artikelen

27. Invulling taakstelling zorg en restproblematiek Rijksbegroting

Aan het Ministerie van EL&I is bij de ontwerpbegroting 2012 een taakstelling opgelegd als bijdrage aan de problematiek op het terrein van de zorg en rest-problematiek op de Rijksbegroting. Deze taakstelling is ingevuld door hiervoor grotendeels de prijsbijstelling 2010 en 2011 in te zetten.

28 en 29. Apparaattaakstelling EL&I

Voor deze kabinetsperiode is een forse apparaattaakstelling opgelegd aan EL&I. Enerzijds is een generieke apparaattaakstelling opgelegd van vier keer 1,5%. Hiervan is 1,5% opgelegd bij Miljoenennota 2011 (doelmatigheidskorting) en bij Regeerakkoord Rutte/Verhagen de overige drie keer 1,5% (2012–2014). Dit betreft dus een taakstelling oplopend naar 6% in 2015 op de personele en materiële uitgaven van EL&I. Anderzijds is een additionele apparaattaakstelling opgelegd zowel aan oud-LNV (10%) als aan oud-EZ (17%) uit hoofde van de forse beleidsextensiveringen en verantwoordelijkheidsverschuivingen op het domein van EL&I, zoals de fusie van oud-LNV en oud-EZ in EL&I en de decentralisatie van natuur- en regionaal economisch beleid en de subsidietaakstelling Regeerakkoord. Tevens is zowel aan oud-LNV als aan oud-EZ bij begroting 2010 door het kabinet Balkenende IV een taakstelling versobering bedrijfsvoering Rijksdienst opgelegd, die nog ingevuld dient te worden. Tot slot is een deel van de apparaattaakstelling zoals opgelegd aan de baten-lastendiensten P-direkt, DWM, RGD en ABD/TMG, die alle werkzaamheden voor het concern EL&I verrichten, doorbelast aan EL&I. Dit leidt tot een totale apparaattaakstelling EL&I van circa € 30 mln in 2012 oplopend naar € 286 mln in 2015 (en € 330 mln in 2018).

Gezien de forse omvang van de apparaattaakstelling is de taakstelling specifiek en gericht ingevuld in lijn met het Regeerakkoord. In artikel 40 (Apparaat) wordt ingegaan op de invulling. Om de taakstelling te kunnen realiseren zullen in de eerste jaren (2012 tot en met 2014) kosten uit hoofde van sociaal flankerend beleid worden gemaakt. Conform kabinetsafspraak dienen departementen deze kosten zelf op te vangen door extra om te buigen op de apparaatuitgaven. Dit verhoogt de -in de eerste jaren- te realiseren en in te vullen taakstelling ten opzichte van hetgeen door het kabinet aan het Ministerie van EL&I is opgelegd.

30. Inzet prijsbijstelling 2010 en 2011

De prijsbijstelling 2011 en het nog beschikbare restant van de prijsbijstelling 2010 is ingezet ter dekking van uitvoeringsproblematiek op de EL&I begroting. Dit betreft onder andere het deels niet kunnen invullen van de subsidietaakstelling uit het regeerakkoord en de aan EL&I bij begroting 2012 opgelegde aanvullende taakstelling als bijdrage in de problematiek op het terrein van de zorg en de rest problematiek op de Rijksbegroting (zie reeks onder nummer 26).

Ontvangsten (in € mln)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Stand ontwerp- begroting 2011

8 048,3

8 200,3

7 931,5

7 301,1

7 976,7

 

Mutaties Incidentele Suppletoire Begroting

2 696,6

2 229,9

2 522,8

2 984,1

2 160,0

 

Stand na incidentele suppletoire begroting

10 744,9

10 430,2

10 454,3

10 285,2

10 136,7

 
             

Ontvangstenmutaties VJN

1 667,2

1 400,0

750,0

– 100,0

– 200,0

 

Stand ontwerp-begroting na VJN

12 412,1

11 830,2

11 204,3

10 185,2

9 936,7

 
             

Nieuwe ontvangstenmutaties na VJN

           

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

           

1. Gasbaten

100,0

1 100,0

450,0

– 50,0

– 100,0

 
             

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

           

2. Transitiefaciliteit

   

5,0

     
             

Artikel 16 Een concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketen

           

3. Onttrekking interne begrotingsreserve voor verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit

5,0

         
             

Artikel 18 Natuur en regio

           

4. Lagere bijdrage ILG

– 4,2

– 4,5

– 2,1

     
             

Overige mutaties

12,4

6,9

6,9

5,5

4,0

 

Stand ontwerpbegroting 2012

12 525,3

12 932,6

11 664,1

10 140,7

9 840,7

9 728,6

Nieuwe Mutaties na VJN

Toelichting nieuwe mutaties na de Voorjaarsnota (VJN)

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

1. Gasbaten

Naar aanleiding van de Koninginne-MEV (KMEV) is de raming voor de gastbaten aangepast. Deze aanpassing wordt met name veroorzaakt door de bijstelling van de olieprijs.

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

2. Transitiefaciliteit

Betreft bijdrage uit de HGIS-middelen ten behoeve van de instelling van een transitiefaciliteit.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij en voedselketen

3. Onttrekking interne begrotingsreserve voor verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

De verwachting is dat dit jaar € 10 mln moet worden uitbetaald aan verliesdeclaraties van de borgstellingsfaciliteit landbouw. Bij Voorjaarsnota 2011 is hiervoor reeds € 5 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit. De verhoging ad € 5 mln betreft de additionele onttrekking aan deze interne begrotingsreserve ten behoeve van de uitbetaling van verliesdeclaraties in de landbouw.

Artikel 18 Natuur en regio

4. Lagere bijdrage ILG

Het Ministerie van I&M verlaagt haar bijdrage aan het ILG voor projecten op het terrein van bufferzones, milieukwaliteit, duurzaam watergebruik en duurzaam ondernemen. Dit betekent dat de uitgaven- en ontvangstenraming van EL&I voor bovengenoemde artikelen naar beneden wordt bijgesteld.

Overzicht invulling subsidietaakstelling

In het Regeerakkoord is een subsidietaakstelling opgenomen van in totaal € 500 mln structureel op ondernemingsklimaatsubsidies en internationale bedrijfslevenprogramma’s (€ 200 mln) en themagerichte innovatiesubsidies (€ 300 mln), die bij Nota van Wijziging in de begroting 2011 is verwerkt. Deze taakstelling kwam bovenop de subsidietaakstelling van € 50 mln inzake de in het Aanvullend Beleidsakkoord (Kabinet Balkenende IV) opgenomen besparing van € 3,2 mld. Het totale taakstellingsbedrag voor 2011 (€ 60 mln) is bij Incidentele Suppletoire Begroting ingevuld (TK, 32 609 XIII, nr. 1). Conform het verzoek van de Kamer wordt in de aansluitende tabel een verdere specificatie van de invulling van de genoemde subsidietaakstellingen gegeven.

Kas (in € mln)

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Artikel 11

           

Bijdrage Agentschap Telecom

 

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

Bijdrage aan Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit

 

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

             

Artikel 12

           

Bijdrage aan Syntens

– 0,5

– 2,6

– 13,4

– 29,6

– 29,6

– 29,6

Eurostars

 

0,4

1,5

0,0

– 0,4

– 1,1

Institutioneel onderzoek

– 3,7

– 1,6

– 15,6

– 16,4

– 13,4

– 8,0

Innovatieprogramma's

– 10,0

– 56,8

– 69,3

– 154,1

– 179,4

– 177,2

Lucht- en ruimtevaart

5,0

– 5,4

– 11,8

6,4

– 30,1

– 37,5

Internationaal innoveren

   

2,1

– 0,1

– 2,3

– 6,7

Opkomende Markten (ISOM)

 

– 0,6

– 2,3

– 3,5

– 5,3

– 6,7

Kredietregeling Innovatie Samenwerking

 

– 14,6

– 17,4

– 20,3

– 20,3

– 20,3

             

Artikel 13

           

Toerisme

 

– 5,0

– 9,1

– 12,8

– 12,8

– 12,8

Microkredieten

 

– 2,0

– 2,5

– 2,5

– 5,0

– 2,5

Valorisatie

   

– 7,5

3,0

 

4,5

Bijdragen aan instituten

 

– 1,2

– 2,4

– 2,4

– 2,4

– 2,4

Bevorderen Ondernemerschap

 

– 0,6

– 0,4

– 3,2

– 3,8

– 7,1

Ondernemerschap en Onderwijs

   

– 0,8

– 0,1

– 0,2

– 0,3

Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten

0,3

– 0,9

– 2,5

– 4,8

– 4,5

– 4,1

Programma Implementatie Agenda ICT (PRIMA)

 

– 2,0

– 4,9

– 7,0

– 10,0

– 10,0

Niet verdeelde loon- en prijsbijstelling

– 2,5

– 6,8

– 13,5

– 17,5

– 24,0

– 24,0

             

Artikel 14

           

Stadsverwarming

 

– 19,5

– 19,5

– 19,5

– 19,5

– 19,5

Energie-innovatie

 

– 3,5

– 6,3

– 10,6

– 15,7

– 17,1

Duurzame Warmte

 

– 0,3

– 1,9

– 3,0

– 4,0

– 4,7

Carbon Capture and Storage

         

– 1,0

Transitiemanagement

 

– 1,7

– 2,2

– 1,7

– 1,0

– 0,6

Bijdrage Energieonderzoek Centrum Nederland

   

– 1,2

– 4,5

– 6,2

– 7,0

             

Artikel 15

           

Bijdragen diverse organisaties

 

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Programma Starters op Buitenlandse Markten (PSB)

0,0

– 1,5

– 2,9

– 3,5

– 4,1

– 3,2

Instrumentele uitgaven

0,0

– 0,2

– 2,2

– 3,7

– 4,1

– 4,5

Acquisitie van buitenlandse bedrijven in Nederland

– 0,1

– 2,3

– 3,4

– 3,6

– 3,7

– 3,7

Management training

0,4

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

Overige programmatische aanpak

0,0

– 1,0

– 4,0

– 6,9

– 9,9

– 12,3

Internationaal excelleren 2getthere

0,0

– 3,2

– 8,5

– 13,6

– 12,4

– 10,4

Publiek Privaat Programmeren

 

0,1

1,0

3,4

6,1

8,5

             

Artikel 18

           

Bedrijventerreinen

 

– 0,3

– 0,3

– 1,0

– 7,3

– 22,9

Cofinanciering EZ in EFRO-programma's

     

– 6,3

– 7,8

– 10,4

Pieken in de Delta

– 7,4

– 15,7

– 40,5

– 56,5

– 75,3

– 113,2

Andere gebiedsgerichte bijdragen

   

2,5

2,5

– 10,0

 

Bijdrage Regionale Ontwikkelings Maatschappijen

 

– 1,8

– 3,6

– 5,4

– 5,8

– 7,3

             

Reeds bij Incidentele Suppletoire Begroting1 ingevuld

– 60,0

         

Overige kasverlagende maatregelen

18,6

– 6,0

– 43,8

2,3

– 22,1

28,5

             

Totaal

– 60,0

– 160,0

– 310,0

– 400,0

– 550,0

– 550,0

2.2. De beleidsartikelen

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Voorwaarden voor een goed functionerende economie en markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Rol en Verantwoordelijkheid

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Zowel consumenten als bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs-kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers voldoende keuzevrijheid. Daarnaast stimuleren goed werkende markten innovatie. Bedrijven worden in een gezonde concurrerende omgeving aangezet om de beste prijs-kwaliteitverhouding te bieden aan hun klanten.

EL&I ziet het als haar taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van economie en markten te verminderen of weg te nemen. EL&I bevordert het goed functioneren van markten door het scheppen van randvoorwaarden. EL&I waarborgt gezonde concurrentieverhoudingen op alle markten met behulp van de Mededingingswet en schept de voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden met de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet en de Metrologiewet.

Daarnaast draagt EL&I bij aan een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid. Dit richt zich op het behouden en versterken van de positie van de consument door handhaving van collectieve inbreuken op wettelijke regels en het verminderen van informatieassymetrie.

Vanwege het specifieke karakter en het maatschappelijke en economische belang is in de markt voor telecommunicatie en post separaat beleid noodzakelijk om tot een optimale marktordening te kunnen komen. In deze markt zijn separate (wettelijke) kaders opgesteld die de veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie borgen. Door te voorzien in de maatschappelijke behoefte aan statistieken door het CBS ondersteunt de minister van EL&I het beleid ter bevordering van de efficiënte werking van markten.

Kengetallen

Kengetal

2006

2007

2008

2009

2010

Ambitie 2011

Index of Economic Freedom

           

Nederland

75,4

75,5

77,4

77

75

>70

Europees gemiddelde

66,2

66,3

66,8

66,3

66,8

 

Bron: www.heritage.org/Index/

De Index of Economic Freedom geeft een indicatie hoe het met de economische vrijheid in een land is gesteld. Economische vrijheid wordt gemeten in 10 categorieën die uiteenlopen van de bescherming van eigendomsrechten en de aanwezigheid van corruptie tot het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. De economische vrijheid in Nederland is hoog. De Nederlandse score ligt ruim boven het Europees gemiddelde.

Markt en consumenten prestaties Nederland; kengetallen

Kengetallen

EU 27 (2010)

NL (2010)

Ambitie

1. Percentage consumenten dat zich voldoende beschermd acht

57%

69%

Voor al deze kengetallen geldt dat de ambitie is om boven het EU gemiddelde te blijven.

2. Percentage consumenten dat verkopers/ providers vertrouwt

65%

77%

 

3. Percentage dat bij verkopers heeft geklaagd

13%

12%

 

4. Percentage consumenten tevreden met klachtafhandeling

52%

56%

 

5. Percentage consumenten dat het makkelijk vindt om via zelfregulering geschillen op te lossen

48%

51%

 

6. Consumentenomgevingindex

61

66

 

Bron: Europees Scoreboard Consumentenmarkten

Toelichting

In de internationale vergelijking op een aantal issues die raken aan het vertrouwen van consumenten, scoort Nederland relatief hoog. De Omgevingsindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Ambitie

1. Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

Bron: TNO

3 763

3 874

3 874

n.n.b.

dalend

2. Percentage van de Nederlandse huishoudens dat toegang heeft tot breedbandinternet met een snelheid hoger dan 30 Mbs, cq. 100 Mbs

Bron: OPTA

   

30 Mbs: n.n.b.

100 Mbs: n.n.b.

30 Mbs: n.n.b.

100 Mbs: n.n.b.

30 Mbs: 100%

100 Mbs: stijgend

3. Percentage van de Nederlandse huishoudens dat daadwerkelijk gebruik maakt van breedbandinternet met een snelheid hoger dan 30 Mbs, cq 100 Mbs

Bron: OPTA

   

30 Mbs: n.n.b.

100 Mbs: n.n.b.

30 Mbs: n.n.b.

100 Mbs:

n.n.b.

30 Mbs: stijgend

100 Mbs: 50%

Toelichting

  • 1. De Herfindahl Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Daardoor zou de HHI-waarde moeten dalen.

  • 2. Nederland staat al jaren in de top 3 van landen met een goed (vast) breedbandnetwerk. Het streven in de Europese Digitale Agenda dat rond 2020 iedere Europeaan toegang moet hebben tot ten minste een verbinding van 30 Megabit per seconde (Mbs) is dan ook niet de grootste uitdaging voor Nederland. Interessant is om te zien of er in Nederland ook steeds meer supersnel breedband beschikbaar komt (vanaf 100 Mbs). Beleid voor vaste en mobiele infrastructuren faciliteert deze ontwikkelingen.

  • 3. Tevens is van belang dat de beschikbare snelheden van de netwerken ook daadwerkelijk gebruikt worden. Snelle netwerken maken nieuwe innovatieve diensten – bijvoorbeeld teleconferencing, zorg op afstand en omroepdiensten – mogelijk. En deze diensten zorgen voor meer economische groei. In de breedbandmonitor zal daarom zowel de beschikbaarheid als het gebruik van breedband gevolgd worden.

Omdat de kengetallen bij punt 2 en 3 nieuw zijn, is het op dit moment nog niet mogelijk om een meerjarige reeks weer te geven. De gegevens voor 2010 zijn naar verwachting begin 2012 beschikbaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

VERPLICHTINGEN

233

245

229

212

194

190

187

UITGAVEN

233

246

232

214

195

190

188

               

Programma-uitgaven

221

232

221

204

185

180

178

11.1 Optimale marktordening en mededinging bevorderen

23

28

28

27

26

26

26

11.3 Goede en betrouwbare netwerken en markten voor telecommunicatie- en post

6

14

12

11

10

11

11

11.4 Voorzien in maatschappelijk

behoefte aan statistieken

192

190

181

166

149

143

141

               

Bijdragen baten-lastendiensten

12

13

11

11

10

10

10

Toezicht Agentschap Telecom

6

6

6

6

5

5

5

Agentschap Telecom

6

7

5

5

5

5

5

               

ONTVANGSTEN

60

62

55

31

31

31

31

Ontvangsten NMa

10

5

         

High Trust

22

31

31

31

31

31

31

Diverse ontvangsten

27

26

24

       

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln.

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Post

207

194

191

187

184

180

177

Budgetflexibiliteit

Een belangrijk deel van de budgetten op artikel 11 zijn bijdragen aan (internationale) organisaties (92% ofwel € 214 mln). Een klein deel van dit bedrag (€ 2,5 mln) betreft de jaarlijkse contributies aan een aantal Europese en VN-organisaties op het gebied van telecommunicatie en post waarvan de Staat der Nederlanden lid is en die worden gefinancierd uit HGIS middelen. Voor een groter deel betreft het de uitvoering van wettelijke taken door organisaties als Agentschap Telecom, OPTA en NMi, maar ook incidentele taken als veilingen, juridische taken als behandeling van bezwaar en beroep en algemene ondersteuning bij beleidsvoorbereiding en evaluatie. De flexibiliteit in deze budgetten is derhalve gering.

Het overige deel van het budget (8% ofwel € 18 mln) betreft in de eerste jaren vooral betalingen op eerder aangegane verplichtingen, onder meer voor kosten ter voorbereiding van de uitgifte van frequenties, het bevorderen van de elektronische overheid ten behoeve van het terugdringen van administratieve lasten en onderzoek ten behoeve van beleidsvoorbereiding en -evaluatie. De flexibiliteit voor dit deel neemt derhalve op de middellange en lange termijn toe.

Optimale marktordening en mededinging bevorderen

Operationele doelstelling 11.1

Motivering

EL&I zorgt met de inzet van marktordeningsinstrumenten voor borging van publieke belangen. Daarbij wordt gezocht naar een resultaatgerichte rolverdeling tussen ingrijpen van de overheid en het overlaten aan de markt. Door middel van wetgeving worden voorwaarden bepaald waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden en wordt geregeld op welke wijze overheidsopdrachten voor concurrentie worden opengesteld.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

11.1 Optimale marktordening en mededinging bevorderen

23,2

28,4

27,7

27,2

26,5

26,1

26,0

               

Bijdrage Metrologie

14,1

15,3

14,7

14,5

14,1

13,9

13,9

Raad Deskundige Nationale Meetstandaarden

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

PIANOo Programma

2,6

7,3

7,3

6,9

6,9

6,9

6,5

Markt en Overheid

 

0,5

0,7

0,9

0,9

0,9

0,9

NMa / Dte

0,6

1,0

0,5

0,8

0,4

0,4

0,4

Bijdrage Nederlands Normalisatie Instituut

2,2

1,2

1,1

1,1

1,1

1,0

1,2

Raad voor Accreditatie

0,2

0,2

0,2

0,2

0,3

0,1

0,2

Prijzenwet

0,6

0,2

         

Onderzoek en opdrachten

2,9

2,8

3,0

2,7

2,7

2,8

2,8

Mededingingsbeleid (Mededingingswet en de NMa)

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

De Mededingingswet is de wettelijke verankering van het streven naar optimale concurrentie. De wet verbiedt het maken van concurrentiebeperkende afspraken tussen bedrijven en het misbruik maken van een economische machtspositie door een individueel bedrijf. Daarnaast geeft zij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) de bevoegdheid fusies boven een bepaalde omzetdrempel te beoordelen op hun gevolgen voor de mededinging op specifieke markten.

De uitvoering van de Mededingingswet is opgedragen aan de NMa. De NMa handhaaft het verbod op kartels en op misbruik van een economische machtspositie en toetst eveneens fusies en overnames. Naast het toezicht op de Mededingingswet is de NMa ook belast met de uitvoering van het toezicht op een aantal sectorspecifieke wetten: de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet op het gebied van energie (zie artikel 14) en een aantal wetten op het gebied van vervoer die vallen onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Voornaamste acties in 2012:

  • Bij de Tweede Kamer indienen van de wet die per 1 januari 2013 de instelling regelt van de nieuwe toezichthouder, waarmee drie huidige toezichthouders worden samengevoegd (NMa, Opta en Consumentenautoriteit). Waar mogelijk binnen het bestaande wettelijk kader, wordt in 2012 de feitelijke samenvoeging gerealiseerd. Prioriteit daarbij heeft het samenvoegen van de backoffices van ConsuWijzer en de bedrijfsvoering.

  • Parallel aan de instellingswet wordt een wetsvoorstel uitgewerkt met materiële aanpassingen en stroomlijning van de taken van de drie toezichthouders. De aanpassingen leiden tot een budgettaire besparing en tot een vermindering van de lasten voor het bedrijfsleven. Bij deze aanpassing worden waar mogelijk en opportuun de aanbevelingen uit de evaluaties van de toezichthouders en de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet uit de afgelopen jaren meegenomen. Tevens wordt bezien of de introductie van strafrechtelijke handhaving van de Mededingingswet daarin een plaats krijgt.

  • Bij het samenvoegen van de toezichthouders zal ook het vergemakkelijken van de informatie-uitwisseling met andere toezichthouders wettelijk worden geregeld.

  • Gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de wet tot aanpassing van de Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid. Deze gedragsregels hebben tot doel voorwaarden te stellen waaronder de overheid kan concurreren met het bedrijfsleven, waarmee een gelijk speelveld wordt bevorderd en overheden bij commerciële activiteiten niet langer oneigenlijk gebruik kunnen maken van overheidsmiddelen. Daarnaast wordt een handreiking bij de wet opgesteld. Deze handreiking is een hulpmiddel bij de toepasbaarheid van de wet. Vanaf dat moment zal de NMa toezicht houden op de gedragsregels voor de overheid.

Aanbestedingsbeleid

Doel en beschrijving:

Het doel van het aanbestedingsbeleid is erop gericht dat de overheid op een transparante en effectieve manier inkoopt tegen de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij ondernemers een goede en eerlijke kans maken op een opdracht. Het wetvoorstel Aanbestedingswet beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen. Daarnaast wordt ingezet op verdere professionalisering van aanbestedende diensten met behulp van PIANOo, het expertisecentrum voor aanbesteden.

TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop en leidt daarnaast tot vermindering van de administratieve lasten voor potentiële opdrachtnemers uit het bedrijfsleven. Ondernemers kunnen op één centrale plaats alle openbare (overheids)opdrachten vinden. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet zullen aanbestedende diensten verplicht worden TenderNed te gebruiken.

Voorts streeft Nederland ernaar dat ook op Europees niveau wordt gekomen tot vereenvoudiging en modernisering van de Europese aanbestedingsregels.

Voornaamste acties in 2012:

  • Het streven is het Wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet in 2012 in werking te laten treden. Dit wetsvoorstel bevat een hernieuwde implementatie van de Aanbestedingsrichtlijnen, aangevuld met maatregelen die de concurrentie moeten bevorderen, de lasten moeten verminderen, de aanbestedingspraktijk waar nodig uniformeren, de toegang van het midden- en kleinbedrijf tot overheidsopdrachten verbeteren en de klachtenafhandeling vergemakkelijken.

  • Introductie van extra mogelijkheden (fase 2) in TenderNed, het systeem voor elektronisch aanbesteden. Ondernemingen kunnen hiermee documenten in het online bedrijvenregister laten opnemen en digitaal inschrijven op aanbestedingen, waardoor het systeem fungeert als een online marktplaats.

Indicator

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Gebruik elektronisch systeem voor aanbesteden wordt gemeengoed bij de overheid

Openbare aanbestedingen worden nog niet via TenderNed gepubliceerd

1 januari 2010

NVT

Alle openbare aanbestedingen worden via TenderNed gepubliceerd

2012

TenderNed, EL&I

Metrologiewet

Doel en beschrijving:

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, zodat nauwkeurig kan worden gemeten met meetinstrumenten. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming. VSL, Verispect en een aantal aangewezen keuringsinstanties zijn belast met de uitvoering van de regelgeving.

Voornaamste acties in 2012:

  • In 2012 wordt de herziening van de Europese metrologische richtlijnen op basis van verordening 765/2008 betreffende accreditatie en marktoezicht en besluit 768/2008 betreffende het verhandelen van producten in de Metrologiewet geïmplementeerd. Hierdoor wordt een aantal technische verbeterpunten doorgevoerd.

  • In 2012 wordt de IJkwet 1956 BES (Bonaire, Sint Eustatius, Saba) gemoderniseerd. Gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de nieuwe wet in 2013. De infrastructuur voor het houden van toezicht op de naleving van de IJkwet BES wordt ingericht door het opleiden en begeleiden van eilandmedewerkers en het inrichten van een meetlokaal.

Behouden en versterken positie van de consument

Operationele doelstelling 11.2

Motivering

Consumenten moeten in staat zijn met vertrouwen op markten te opereren en daarbij goed gefundeerde keuzes te maken. Om consumenten als volwaardige spelers op de markt hun rol als afnemers te kunnen laten spelen blijft het van groot belang dat er heldere rechten en plichten gelden voor consumenten en ondernemers over zaken zoals informatievoorziening, herroeping en garantie. Daarvoor zijn wettelijke regels opgesteld. Tegelijkertijd moet de ruimte om te ondernemen niet onnodig worden ingeperkt en dienen de administratieve lasten zo laag mogelijk te worden gehouden. Er dient een balans gezocht te worden tussen de belangen van consumenten en ondernemers.

Daarnaast voorziet EL&I door middel van handhaving in voorkoming van collectieve inbreuken op (een deel van) wettelijke regels. Ten behoeve van die handhaving is in 2007 de Consumentenautoriteit opgericht. Zowel bij het opstellen van wettelijke regels als bij de handhaving daarvan wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede scala aan zelfreguleringsarrangementen die vanuit de markt zelf zijn opgesteld.

Informatieloket ConsuWijzer

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

Het informatieloket ConsuWijzer biedt op laagdrempelige wijze informatie aan over de rechten van ondernemers en consumenten.

Voornaamste acties in 2012:

In 2012 wordt gestreefd de naamsbekendheid van dit loket verder te vergroten en het aantal bezoeken van de website ook structureel op een hoog niveau te houden. Dit gebeurt onder meer door campagnes van Consuwijzer.

Indicator

De naamsbekendheid van ConsuWijzer

Indicator

Waarde 2009

Streefwaarde 2012

Bron

Percentage spontane naamsbekendheid

2%

6%

ConsuWijzer

Percentage geholpen naamsbekendheid ConsuWijzer

23%

40%

 

Aantal bezoeken op website ConsuWijzer

2 000 000

2 200 000

 

Wet- en regelgeving, ter versterking van de positie van de consument

Doel en beschrijving:

Goede wet- en regelgeving in Nederland beschermt consumenten tegen oneerlijke praktijken en geeft hen belangrijke rechten in de relatie met ondernemers. Consumenten maken steeds vaker gebruik van aanbiedingen over de grens. EL&I zet zich samen met V&J in voor adequate Europese regels, zodat consumenten ook in andere EU landen met vertrouwen kunnen consumeren. Wanneer dat vertrouwen beschaamd wordt is het eveneens van belang dat de toezichthouder, waar nodig in samenwerking met de Europese collega’s, effectief kan optreden.

Voornaamste acties in 2012:

  • De uitkomsten van onderhandelingen in Brussel over de Richtlijn Consumentenrechten7 worden door EL&I in 2012 in samenwerking met het voor de implementatie eerstverantwoordelijke Ministerie van V&J geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving.

  • EL&I stimuleert uitbreiding van de mogelijkheid tot laagdrempelige geschiloplossing. Wanneer consumentenorganisaties en brancheverenigingen kansen zien op tot de oprichting van een geschillencommissie op basis van tweezijdige algemene voorwaarden te komen, zal dit worden gefaciliteerd door middel van kennis en indien nodig door financiële ondersteuning.

  • In 2012 worden consumenten door middel van openbaarmaking van onderzoeksgegevens van EL&I geïnformeerd over de kwaliteit van de dienstverlening van de klantenservice van telecom- en energiebedrijven.

  • In 2012 is de parlementaire behandeling voorzien van de nieuwe Pandhuiswetgeving. Gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de nieuwe Pandhuiswetgeving in 2013. De oude Pandhuiswet dateert uit 1910 en wordt door EL&I aangepast aan de huidige tijdsgeest. Voorzien wordt dat Consumentenautoriteit toezicht zal houden op de Pandhuiswetgeving.

Goede en betrouwbare netwerken en markten voor telecommunicatie en post

Operationele doelstelling 11.3

Motivering

Een goed functionerende telecommunicatie- en postmarkt is een markt waarbij:

  • Er concurrentie en innovatie is, zonder ongeoorloofde concurrentiebeperkende gedragingen;

  • Er weinig tot geen toetredingsdrempels zijn voor nieuwe telecommunicatieaanbieders;

  • Dienstenleveranciers voldoende toegang kunnen krijgen tot de netwerken;

  • Eindgebruikers een ruime keuze hebben uit een innovatief aanbod met een gunstige prijs/kwaliteitverhouding, waarbij zij eenvoudig van aanbieder kunnen veranderen en daartoe toegang hebben tot alle relevantie informatie;

  • En gebruikers een «gerechtvaardigd vertrouwen» kunnen hebben in de netwerken.

Om deze condities te bereiken maakt EL&I gebruik van een palet aan instrumenten: van overleg met marktpartijen tot wetgeving en handhaving.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

11.3 Goede en betrouwbare netwerken en markten voor telecommunicatie- en post

6,0

14,6

12,0

10,5

9,8

11,2

10,7

               

Bijdrage aan OPTA

2,2

3,6

2,5

2,3

1,9

1,8

1,8

Bijdrage aan internationale organisaties

2,3

2,5

2,5

2,4

2,4

2,4

2,4

Veiligheid en frequenties

1,5

8,5

7,0

5,8

5,5

7,1

6,6

Markt en regelgeving

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

EL&I heeft als taak om te bevorderen dat markten goed functioneren. Vanwege het vitale belang van de telecom- en postmarkt voor de Nederlandse economie gaat hier specifiek aandacht naar uit. Deze markten worden gekenmerkt door marktimperfecties, zoals netwerkeffecten (een dienst is aantrekkelijker naarmate er meer afnemers zijn), marktmacht en schaarse middelen (zoals frequenties). Rekening houdend met deze imperfecties wordt concurrentie bevorderd door specifieke mededingingsregels en een goede bescherming van de consument. Het belangrijkste instrument hiervoor is wetgeving in de vorm van de Telecomwet (19 oktober 1998) en van de Postwet (1 april 2009). Beide wetten zijn mede gebaseerd op Europese richtlijnen. De Digitale Agenda.nl (mei 2011) schetst de kaders van het ICT beleid tot 2015. Naast wetgeving en beleid is er ook een belangrijke rol neergelegd voor toezicht en/of handhaving van de wet door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA), Agentschap Telecom (AT), NMa en de Consumentenautoriteit.

Voornaamste acties in 2012:

  • In het licht van de ambities voor snelle toegang tot internet, zoals verwoord in de Digitale Agenda.nl, wordt de voortgang van de uitrol van breedbandige netwerken gevolgd met een jaarlijkse Breedbandmonitor. De eerste monitor wordt in 2012 gepubliceerd.

  • In september/oktober zal het vierjaarlijkse UPU (Universal Postal Union) Congres in Doha, Qatar plaatsvinden. Tijdens dit congres worden internationale afspraken met betrekking tot post gemaakt.

  • Medio 2012 wordt op Europees niveau beslist of en hoe de tarieven voor bellen in het buitenland gereguleerd worden (Europese roaming verordening). EL&I zal zich ervoor inzetten dat bellen in het buitenland op termijn niet meer kost dan bellen in Nederland.

  • Om betaalbare en gelijkwaardige toegang tot elektronische communicatiediensten voor doven en slechthorenden te realiseren zal EL&I via een open selectieprocedure een opdracht verlenen voor een tekst- en een beeldbemiddelingsdienst.

  • OPTA krijgt de bevoegdheid om een verplichting tot functionele scheiding op te leggen indien de normale toegangsverplichtingen niet effectief blijken te zijn.

  • Er komen regels tegen het blokkeren en beperken van de toegang tot diensten (netneutraliteit) en transparantieverplichtingen voor aanbieders van internettoegang voor capaciteitsbeheer op hun netwerken.

  • De aanwijzingstermijn van de huidige beheerder van het Bel-me-niet Register loopt per 1 oktober 2012 af. Voor die datum wordt opnieuw een beheerder voor het Bel-me-niet Register aangewezen.

Frequentie- en antennebeleid

Doel en beschrijving:

EL&I heeft op grond van de Telecommunicatiewet de taak om verkeersregels op te stellen voor het gebruik van de ether, afspraken te maken in internationaal verband ten behoeve van harmonisatie en bij schaarste de wijze waarop het spectrum wordt verdeeld te bepalen. Door verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte worden hoogwaardige breedbandige mobiele communicatie en innovatieve omroeptoepassingen gerealiseerd. Daarnaast zet EL&I zich in voor de digitalisering van radio. Digitale etherradio biedt kansen voor nieuwe innovatieve diensten en draagt daardoor bij aan economische groei.

Agentschap Telecom draagt zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. Mede in opdracht van EL&I geeft het Antennebureau voorlichting aan diverse doelgroepen, waaronder de burger, over de gezondheidseffecten van elektromagnetische velden van antennes, de wetgeving rond de plaatsing van antennes en de toepassingen waar antennes voor worden gebruikt.

Indicator

De doelstelling is om het aantal vergunningcategorieën8 met tien procent terug te brengen (van 47 naar 42) in een periode van 5 jaar. Dit heeft tot gevolg dat gebruiksmogelijkheden van frequenties worden verruimd en wordt aangesloten bij veranderende marktomstandigheden en technologische ontwikkelingen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Het aantal vergunningscategorieën t.b.v. het gebruik van frequentiebanden

47

1 januari 2009

dalend

42

2013

Agentschap Telecom

Voornaamste acties 2012:

  • Het voorbereiden van en deelnemen aan de Wereld Radio Conferentie (WRC). Een WRC vindt eens in de vier jaar plaats en bepaalt de internationale kaders voor het nationale frequentiebeleid. Naar aanleiding van de WRC, maar ook op basis van nationale behoeften en harmonisatiebesluiten van de Europese Commissie en de Europese Conferentie van administraties voor Post en Telecommunicatie (CEPT), zal het Nationale Frequentieplan gewijzigd worden.

  • In 2017 lopen de vergunningen van Digitenne en de Publieke Omroep in het UHF spectrum (470–790 MHz) af. In 2012 wordt een beleidskader voor de bestemming van dit spectrum na 2017 opgesteld.

  • Het omroepdistributiebeleid – het beleid ten aanzien van de verspreiding van omroeptoepassingen via de verschillende infrastructuren (kabel, IPTV, ether en satelliet) – zal worden herijkt. Noodzaak hiertoe is onder meer om toenemende convergentie van media- en telecommunicatiediensten en de ontwikkeling van efficiëntere en innovatieve distributietechnieken te adresseren.

  • In 2012 zal de transitie van analoge naar digitale radio samen met de vergunninghouders worden vormgegeven en zullen afspraken worden gemaakt over het gezamenlijk binden van de luisteraars aan het digitale platform.

Indicator

Een indicatie over het succes van de in 2012 gemaakte afspraken over digitalisering is de penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave De Digitale Economie (voor het eerst in de 2010-uitgave) van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens

<1%

2009

<1%

50%

2016

CBS

  • De uitgifte van vergunningen voor mobiele communicatie (800/900/1800 MHz) zal in 2012 plaatsvinden. Aan de uitgifte liggen ruimte voor innovatie, ruimte voor flexibiliteit in frequentiegebruik, technologie en diensten en ruimte voor continuïteit van dienstverlening ten grondslag. Daarmee ontstaan optimale condities voor marktpartijen en voor de goede ordening en werking van de telecommunicatiemarkt, in het bijzonder voor mobiele communicatie.

  • In 2012 zullen frequenties in de zogenoemde Band III worden uitgegeven. Met frequenties in Band III kan de markt innovatieve digitale omroeptoepassingen ontwikkelen en aanbieden aan de consument.

  • Bij gebleken marktbehoefte zal in 2012 de beschikbare vrije frequentieruimte in de 3,5 GHz-band worden uitgegeven voor kleinschalige innovatieve commerciële elektronische communicatietoepassingen.

Nummers en Internetdomeinnamen

Doel en beschrijving:

Het vaststellen van nummerplannen is een wettelijke taak, die is vastgelegd in de Telecommunicatiewet. Doel van het nummerbeleid is het waarborgen dat het aanbod van nummers die nodig zijn in de elektronische communicatiemarkt (onder meer telefoonnummers) adequaat, voldoende groot en verzekerd is voor de toekomst. Het houdt daarbij rekening met technische en marktontwikkelingen, de belangen van de consument en de internationale context.

EL&I volgt binnen ICANN/GAC (The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee), in EU-verband, en met Buitenlandse Zaken de introductie van nieuwe internetextensies, zodat mondiaal zowel de stabiliteit van het internet als publieke belangen gewaarborgd blijven. EL&I werkt voorts samen met de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) om de stabiliteit en continuïteit van het .nl-domein te waarborgen.

Voornaamste acties in 2012:

  • Onder andere als gevolg van een mogelijk verwachte uitbreiding van Europees geharmoniseerde nummers zal het nummerplan worden gewijzigd.

  • In opdracht van EL&I zal TNO monitoren hoe de invoering van Internet Protocol versie 6 (IPv6) in Nederland verloopt.

Een veilig en betrouwbaar netwerk

Doel en beschrijving:

Elektronische communicatie is een basisvoorziening voor onze economie. Het is daarom van belang dat de continuïteit, veiligheid en betrouwbaarheid van ICT worden bewaakt en dat gebruikers met vertrouwen gebruik maken van elektronische communicatie. Een groter vertrouwen in elektronische communicatie leidt tot een groter gebruik. Zo kan een versterking van vertrouwen ruim € 1 miljard aan extra omzet voor internethandel in 2014 opleveren9.

Omdat de kosten van het beschermen van het netwerk vaak op een andere plek liggen dan de baten van een veilig en betrouwbaar netwerk, moet EL&I hier optreden. Dit doet EL&I door wetgeving (hoofdstuk 11 van de Telecomwet), door gebruik te maken van de kaders die zijn gesteld in de Digitale Agenda.nl maar ook door overleg met belanghebbenden. De ICT Response Board – bestaande uit publieke en private partijen – pakt grootschalige ICT-uitval aan door advies te geven over mogelijke tegenmaatregelen.

Voornaamste acties in 2012:

  • De vereisten uit het Regulatory Framework for Electronic Communications met betrekking tot continuïteit en weerbaarheid en met betrekking tot de meldplicht verstoring van telecommunicatie (uitval van netwerken) worden ingevoerd. Dit gebeurt in samenspraak met de telecomsector en de toezichthouder. Ook zal de storingsgevoeligheid van onze netwerken via publieksinformatie inzichtelijk worden gemaakt

  • Voorbereiden van en deelname aan de ICT crisisoefening van de Europese Commissie

  • Organiseren van een nationale oefening op basis van het Nationaal Crisisplan-ICT Inventarisatie in Europees verband van de vitale functies binnen de Telecom en ICT-infrastructuur met als doel te bezien of hiervoor specifieke grensoverschrijdende maatregelen op gebied van continuïteit moeten worden getroffen.

  • Het programma veilig elektronisch zakendoen wordt gestart. Dit programma ondersteunt acties op het borgen van veilig gebruik van ICT en kennis over rechten en plichten in het online handelsverkeer.

  • In navolging van het eind 2009 gesloten Antibotnet convenant met Internet Service Providers (ISP’s) werken ISP’s een voorstel uit voor het opzetten van «clearinghouse»: een gedeeld systeem voor detectie en ontsmetting van botnets. Op basis van de informatie van zo’n clearinghouse kunnen ISP’s hun klanten helpen computers te ontsmetten en via het beschikbaar stellen van hulpmiddelen blijvend schoon te houden.

  • EL&I zal in samenwerking met de ICT-industrie standaarden op het gebied van cyber security ontwikkelen, waardoor hard- en software producten beter kunnen worden beveiligd tegen nieuwe kwetsbaarheden.

Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Operationele doelstelling 11.4

Motivering

Het publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie over maatschappelijke en economische ontwikkelingen die inspeelt op de behoefte van de samenleving, waardoor:

  • maatschappelijke en economische ontwikkelingen in samenhang worden beschreven;

  • nationale en internationale Europese verplichtingen op statistisch gebied worden nagekomen;

  • de verdeling van fondsen (Gemeente en Provinciefonds) en de vaststelling van afdrachten en indexeringen (loonkosten en prijsontwikkeling) op basis van objectieve gegevens, efficiënt kan worden vastgesteld;

  • beleidsanalyses, modelsimulaties, prognoses en geavanceerde microdata-analyses kunnen worden uitgevoerd.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

11.4 Voorzien in maatschappelijk behoefte aan statistieken

192,3

190,2

181,1

165,7

148,5

142,7

140,8

               

Bijdrage aan het CBS

192,3

190,2

181,1

165,7

148,5

142,7

140,8

Instrumenten en activiteiten

Het CBS wil een toonaangevend kennisinstituut zijn dat kan inspelen op de vraag naar statistische informatie van beleid, wetenschap en maatschappij. Dit door het samenstellen en publiceren van onbetwiste, samenhangende, actuele statistische informatie die relevant is voor praktijk, beleid en wetenschap. Om dit te realiseren is het vereist dat de kwaliteit van de statistische informatie gegarandeerd is. Hiermee wordt de (wetenschappelijke) kwaliteit van de statistieken geborgd en wordt het CBS door de gebruikers als gezaghebbende bron van betrouwbare en valide statistische informatie beschouwd. Tevens wordt het optimaliseren van het gebruik van de statistieken van het CBS voor de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid door onder meer de ministeries (en daarmee de maatschappelijke relevantie van het CBS) nagestreefd.

Voornaamste acties in 2012:

  • Uitvoeren van het reguliere statistisch programma en vernieuwingsprojecten.

  • Om lastendruk te verlagen het aantal uitvragen reduceren en alternatieve manieren van waarnemen onderzoeken en zo mogelijk implementeren.

  • Realiseren van de efficiency-taakstelling.

Indicatoren

Definitie

Streefwaarde 2012

1. Realisatie van de publicatiekalender

Realisatie: Percentage op de geplande datum gepubliceerde persberichten en gerealiseerde leveringen aan Eurostat.

90 procent van publicatiekalender op of voor geplande publicatiedatum gehaald.

2. Aantal formele correcties op publicaties

Aantal persberichten dat met een (nieuw) persbericht wordt gecorrigeerd.

Maximaal 3 persberichten per jaar met correcties.

3. Afwijking van voorlopige en definitieve cijfers

   

a. economische groei

Het aantal keer dat de definitieve kwartaalcijfers voor de economische groei van een jaar meer dan 0,75 procentpunt afwijken van de flash-ramingen voor de kwartalen van dat jaar.

Voor minstens drie kwartalen van het jaar moet de afwijking minder zijn dan 0,75 procentpunt.

b. internationale handel

Het aantal afwijkingen van meer dan 4% tussen de voorlopige en definitieve cijfers van de onderdelen van de 6-wekenversie van de maandcijfers van de internationale handel.

80 procent van de afwijkingen moet minder zijn dan 4 procent.

c. bevolkingsgroei

Deelindicator jaarcijfer: de absolute afwijking van de som van de voorlopige maandcijfers van de bevolkingsgroei met het definitieve jaarcijfer.

Deelindicator maandcijfers: het aantal keren dat de definitieve cijfers van de bevolkingsgroei voor de maanden van het voorafgaande kalenderjaar meer dan 4 000 afwijken van de voorlopige cijfers.

Voor minstens 8 maanden moet de afwijking minder zijn dan 4 000 én de afwijking van het gecumuleerd jaartotaal moet minder dan 16 000 zijn.

4. Administratieve lasten verlaging/reductie enquêtedruk

Uitkomst van de jaarlijkse administratieve lasten zoals gemeten door de «enquêtedrukmeter» (EDM).

De administratieve last door enquêtedruk voor het bedrijfsleven mag in 2012 niet meer bedragen dan de lastendruk in 2011 en wordt zoveel mogelijk gereduceerd in lijn met de doelstelling om in 2015 een reductie tussen de 20% en 30% te realiseren1

X Noot
1

Zoals nader toegelicht in de Voortgangsrapportage regeldruk bedrijven van Prinsjesdag 2011 vereist de realisatie van deze doelstelling zowel wijzigingen uitgevoerd door het CBS als wijzigingen in de Europese regelgeving. Op basis van haalbaarheidsonderzoeken, waarbij ook inzicht wordt verkregen in de hiermee gepaard gaande kosten, vindt nog definitieve besluitvorming plaats.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

Rol en verantwoordelijkheid

Innovatie, de vernieuwing van producten, diensten en productieprocessen, is een belangrijke bron voor de welvaartsgroei van de Nederlandse economie. Innovatie verhoogt de productiviteit van Nederlandse bedrijven, verbetert de Nederlandse concurrentiepositie en draagt waar mogelijk bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Nederland heeft een 8e positie in de Innovation Union Scoreboard en wordt met die score tot de «innovatievolgers» gerekend. Nederland is daarmee nog fors verwijderd van een kopgroep van «innovatieleiders». Nederland scoort bovengemiddeld bij onder andere de publieke R&D-uitgaven, het aantal aangevraagde octrooien en het aantal geregistreerde handelsmerken. Nederland heeft een benedengemiddelde score bij onder andere de private R&D-uitgaven, het aantal innoverende MKB-bedrijven en de omzet die bedrijven behalen met nieuwe en verbeterde producten.

De ambitie is dat Nederland mondiaal tot de top 5 van de kenniseconomieën behoort. Mondiaal, omdat het van belang is dat Nederland zich niet alleen meet met andere EU-landen, maar ook bijvoorbeeld met landen zoals de Verenigde Staten, Japan en Zwitserland. De R&D uitgaven zijn een belangrijke inputfactor voor innovatie. In het Nationaal Hervormingsprogramma 2011 heeft Nederland zich ten doel gesteld dat in 2020 2,5% van het BBP aan R&D wordt uitgegeven. Het kabinet kiest hiermee voor een ambitieuze doelstelling, rekening houdend met de Nederlandse sectorstructuur.

Beoogd wordt om met het nieuwe bedrijfslevenbeleid een verhoging van de private R&D intensiteit te realiseren. Door onderzoek meer in samenwerking met het bedrijfsleven te laten plaatsvinden, via onder andere vraagsturing en publiekprivate samenwerking, wil het kabinet bevorderen dat publiek gefinancierde kennisontwikkeling maximaal benut kan worden door het bedrijfsleven. Kennisbenutting door het bedrijfsleven is immers een essentiële schakel in de keten kennis – kunde – kassa. Daarbij wordt de publieke kennisontwikkeling in sterkere mate gericht op de topsectoren in het nieuwe bedrijfslevenbeleid.

Innovatie is een zaak van ondernemers en bedrijven die daartoe (financiële) risico’s nemen. Omdat ondernemers zich de bijkomende maatschappelijke baten niet volledig kunnen toe-eigenen, bestaat het risico dat zij minder innoveren dan maatschappelijk gezien gewenst is. Het Ministerie van EL&I stimuleert daarom private R&D en innovatie. Hiervoor worden subsidies, kredieten en fiscale instrumenten ingezet.

Met deze maatregelen wordt tegemoet gekomen aan de aanbevelingen die Nederland heeft gekregen van de Europese Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie die als doel heeft om investeringen in private R&D, innovatie en een nauwere samenwerking tussen bedrijfsleven en onderzoek te bevorderen door het geven van passende prikkels in de context van het nieuwe bedrijfslevenbeleid.

Indicator

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP1

1,82%

2009

1,8%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

0,86%

2009

0,9%

n.v.t.

   

– waarvan publieke sector

0,96%

2009

0,9%

     
X Noot
1

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de plaats van uitvoering en niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO) zijn voor 2009 te becijferen op 0,92% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO) op 0,90% van het BBP.

Kengetallen

Kengetal

2006

2007

2008

2009

2010

Ambitie

Innovation Union Scoreboard: positie van Nederland binnen EU27-landen

10e

10e

9e

9e

8e

Positie verbeteren

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien, per mln personen van de beroepsbevolking (Nederland)

520

498

485

499

453

 

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien: Positie Nederland binnen OECD

6e

6e

6e

6e

7e

Positie verbeteren

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard)

Bron: WIPO (aantal aangevraagde octrooien), OECD (omvang beroepsbevolking)

Kengetal

2002

2004

2006

2008

2010

Ambitie

Aandeel innoverende bedrijven:

           

– Industrie (EU27-gemiddelde)

40

42

42

42 (44)

N.n.b.

Aandeel verhogen

– Diensten (EU27-gemiddelde)

25

29

32

31 (35)

N.n.b.

Aandeel verhogen

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

           

– Researchinstellingen (EU27-gemiddelde)

13

9

8

10 (6)

N.n.b

Bovengemiddelde positie handhaven

– Universiteiten (EU27-gemiddelde)

13

12

11

14 (10)

N.n.b

Bovengemiddelde positie handhaven

N.n.b.= Nog niet bekend

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

Toelichting

Het Innovation Union Scoreboard van de Europese Commissie geeft een totaalbeeld van de innovatieprestaties van EU-landen aan de hand van 24 indicatoren.

De sterkte die Nederland heeft bij het aantal aangevraagde octrooien, wordt hierboven apart weergegeven met het aantal aangevraagde octrooien bij de WIPO, per miljoen personen van de beroepsbevolking. De hoge score van Nederland is mede te danken aan de aanwezigheid in Nederland van de hoofdkantoren van enkele kennisintensieve bedrijven.

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Het aandeel van innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met publieke partijen is vervolgens een maatstaf voor publiekprivate interactie bij innovatie.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

VERPLICHTINGEN

756

984

708

494

465

407

327

UITGAVEN

719

858

814

693

589

476

378

               

Programma-uitgaven

643

785

748

636

542

433

342

12.1 Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

522

647

583

476

407

281

241

12.2 Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

120

138

165

160

135

152

101

               

Bijdragen baten-lastendiensten

76

73

66

57

47

43

36

Bijdrage aan Agentschap NL

76

73

66

57

47

43

36

               

ONTVANGSTEN

180

52

45

44

46

52

53

Diverse ontvangsten

9

2

2

2

2

2

2

Ontvangsten uit het FES

129

           

Ontvangsten luchtvaartkredietregeling

 

10

   

1

2

4

Ontvangsten Technische ontwikkelingsprojecten

8

10

10

5

4

3

2

Ontvangsten Uitdagersfaciliteit

1

           

Ontvangsten Rijksoctrooiwet

31

29

29

29

29

29

29

Ontvangsten innovatiekredieten

   

3

6

10

15

15

Ontvangsten Eurostars

 

1

2

2

1

1

1

Terugontvangsten Agentschap NL

2

           
  • Circa 76% van de middelen op operationele doelstelling 12.1 is juridisch verplicht. Dit betreffen o.a. de bijdragen aan de verschillende instituten zoals o.a. TNO en Deltares (79% van € 186 mln), de middelen voor de Innovatieprogramma’s (76% van € 247 mln), bijdrage aan Technologiestichting STW (83% van € 22 mln) en de verschillende innovatieve onderzoeksprogramma’s (96% van € 12,2 mln). Verder zijn de middelen voor Internationaal innoveren (o.a. Eureka en opkomende markten) volledig juridisch verplicht.

  • Van de € 83,4 mln voor lucht- en ruimtevaart op operationele doelstelling 12.1, is circa 46% bestuurlijk gebonden. Het restant is juridisch verplicht.

  • Van de totale kasuitgaven op operationele doelstelling 12.2 is er gemiddeld gezien zo’n 67% van het instrumentarium juridisch verplicht, dit is circa € 111 mln in 2012. Het gaat dan o.a. om de bijdrage aan Syntens (64%), een deel van de IPC’s (83%) en een gedeelte van het Innovatiefonds (51%). Voor het andere deel van het Innovatiefonds geldt dat het benodigde kasbudget niet juridisch verplicht is maar dat dit budget wel nodig is voor betalingen binnen dit fonds.

Budgetflexibiliteit

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

4

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

868

870

864

715

715

715

715

De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) en de Innovatiebox zijn fiscale maatregelen en staan daarom niet als uitgaven op deze begroting. Aangezien het belangrijke instrumenten zijn worden ze hieronder toegelicht.

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)

Doel en beschrijving:

De WBSO is een fiscale faciliteit ter bevordering van R&D, waarmee de loonkosten voor het verrichten van R&D worden verlaagd. Het overgrote deel van de WBSO is bestemd voor werknemers in loondienst. Voor zelfstandig ondernemers is de WBSO een aftrekpost voor speur- en ontwikkelingswerk in de inkomstenbelasting.

Voornaamste acties in 2012:

Uit de bestaande evaluaties blijkt de WBSO een effectieve regeling te zijn voor het bevorderen van speur- en ontwikkelingswerk. De WBSO wordt opnieuw geëvalueerd. In februari 2012 wordt de publicatie van de evaluatie van de WBSO over de jaren 2006- 2010 verwacht. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie zullen mogelijk nadere specifieke acties in 2012 en verder worden genomen.

Indicatoren

Het gebruik van de WBSO blijkt uit het aantal toegekende uren voor speur- en ontwikkelingswerk. In 2010 is dit aantal met 9,0% gegroeid tot 73 700 jaren (in 2009 bedroeg de groei nog 8,4%). Het aantal aanvragers is t.o.v. 2009 met 17% gegroeid tot 19 450. Uit de evaluatie van de WBSO uit 200710 blijkt dat met name voor het MKB de toegevoegde waarde van de WBSO groot is. Door onder meer de definitieverruiming en de incidentele intensiveringen is het aantal ondernemers dat een WBSO indient de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid. De verwachting is echter dat in 2012 de regeling qua aantal aanvragers en budget zal stabiliseren.

Indicator

2009

2010

groei

Streefwaarde 2012

Aantal S&O-arbeidsjaren

67 600

73 700

9,0%

73 700

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring

16 620

19 450

17,0%

19 450

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring die gebruik maken van de startersfaciliteit

3 430

4 180

21,8%

4 180

Innovatiebox

Doel en beschrijving:

De innovatiebox (tot 1 januari 2010: octrooibox), feitelijk een verlaagd tarief voor vennootschapsbelasting voor alle opbrengst uit innovatie, is er op gericht om innovatie te bevorderen evenals om het vestigingsklimaat te verbeteren. De innovatiebox is een generieke maatregel en staat open voor zowel het MKB als grote bedrijven. De innovatiebox is van toepassing op de voordelen uit een door de ondernemer zelf voortgebracht immaterieel activum waarvoor een octrooi is verleend of waarvoor in de onderzoeksfase een S&O-verklaring is afgegeven (WBSO). De toepassing van de innovatiebox betekent dat een ondernemer geen 25% maar 5% vennootschapsbelasting hoeft te betalen over voordelen behaald met het immaterieel activum.

Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

Operationele doelstelling 12.1

Motivering

Samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid speelt een essentiële rol bij het bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie coördineert het innovatiebeleid en is verantwoordelijk voor het aansturen van het toegepaste onderzoek door TNO en alle Grote Technologische Instituten (GTI’s: DLO, ECN, Marin, Deltares en NLR). Voor de drie laatstgenoemde GTI’s geschiedt deze aansturing in samenspraak met de Minister van Infrastructuur en Milieu en voor NWO en KNAW samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Nagestreefd wordt de kennisinfrastructuur een optimale rol te laten spelen voor het nieuwe bedrijfslevenbeleid. Dit betekent versterking van de vraagsturing en het scherper inzetten van middelen en inspanningen van de kennisinfrastructuur voor de topsectoren. Zo zullen TNO en de GTI’s hun onderzoek, via versterking van de vraagprogrammering, meer richten op de topsectoren. NWO en KNAW zullen een substantieel deel van hun onderzoeksmiddelen inzetten op onderzoek dat voortvloeit uit de kennis- en onderzoeksagenda’s van de topsectoren. Zowel voor het fundamentele als voor het toegepaste onderzoek geldt dat er middelen beschikbaar blijven die buiten de topsectoren om kunnen worden ingezet.

De inzet (regierol) van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op het gebied van innovatie en het nieuwe bedrijfslevenbeleid is dat gedurende deze kabinetsperiode een toenemend deel van de publieke middelen voor kennis en innovatie ten goede komt aan de topsectoren. Dit komt tot uitdrukking in de indicator «Percentage rijksmiddelen TNO/GTI’s voor de topsectoren». Een belangrijk instrument om dit te bereiken, is verbetering van de vraagsturing bij het toegepaste onderzoek. Het is dus ook van belang hiervoor een indicator te ontwikkelen. Het streven is om deze indicator in de begroting 2013 in te voeren.

Indicator bij de operationele doelstelling

 

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Topsectoren: % van rijksmiddelen TNO/GTI’s voor topsectoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

48%1

68%1

2015

EL&I

X Noot
1

De indicator heeft betrekking op de rijksmiddelen voor TNO/GTI’s inclusief de middelen voor wettelijke taken van TNO en DLO.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

12.1 Bevorderen van publiek/private

kennisontwikkeling voor topsectoren

en maatschappelijke vraagstukken

522,5

647,0

583,2

475,7

406,7

281,3

241,1

               

Institutioneel onderzoek

62,0

214,0

207,6

190,2

177,8

169,6

169,6

Lucht-1 en Ruimtevaart

88,7

112,9

81,7

74,0

84,5

34,5

43,2

Internationaal innoveren1

22,1

4,2

3,8

6,1

3,6

1,7

0,4

Innovatieprogramma’s/Topsectoren1

214,2

211,9

244

175,5

123,5

62,1

20,6

Overig2

132,1

101,0

42,2

26,6

14,0

11,2

4,9

Onderzoek en opdrachten

3,4

3,1

3,9

3,4

3,4

2,3

2,4

X Noot
1

Betreft vooral uitfinanciering.

X Noot
2

Deze post bestaat met name uit: uitfinanciering Innovatieve onderzoeksprogramma’s, High Tech Topprojecten, Smartmix en Nanolab.

TNO & GTI’s

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

Samen met de universiteiten bestaat de kennisinfrastructuur in Nederland met name uit TNO en de vijf zogenoemde «Grote Technologische Instituten» (GTI’s). Het Ministerie van EL&I investeert samen met enkele andere ministeries grootschalig in deze instituten, omdat hier belangrijk onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt, dat belangrijke kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

  • TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek in Nederland. TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op alle topsectoren, en daarnaast op thema’s zoals defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT. TNO beschikt over een aantal instrumenten om kennis te valoriseren, zoals contractonderzoek, het SBIR-instrument en het oprichten van nieuwe bedrijven met kennis van TNO en in samenwerking met het bedrijfsleven.

  • Deltares is een GTI op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.

  • MARIN is een internationaal toonaangevende GTI op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.

  • Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) is een GTI dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire- (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.

  • De GTI’s ECN en DLO worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

Voornaamste acties in 2012:

Het richten van het onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het nieuwe bedrijfslevenbeleid. In 2012 worden hiertoe in het kader van de op te stellen «roadmaps» afspraken gemaakt tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven over de procesmatige en inhoudelijke invulling van de vraagsturing. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid.

Indicatoren

Met de indicator «klanttevredenheid cofinanciers bij kennisontwikkeling TNO» wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan cofinancieringprojecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid TNO cofinanciering

(schaal van 1–10)

7,3

2010

8,0

8,0

2012

TNO

Klanttevredenheid NLR

(schaal van 1–10)

8,68

2009

8,2

8,2

2012

NLR

Toelichting: Zowel het NLR als TNO werken met een 5-puntsschaal. Voor de leesbaarheid zijn de waarden omgerekend naar een 10-puntsschaal. Het NLR scoort in 2009 boven de norm (8,2) voor onderzoeksorganisaties.

TTI’s

Doel en beschrijving:

Een Technologisch Top Instituut (TTI) vormt de sterke, verbindende schakel tussen wetenschap en toepassing. Dus tussen fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en productontwikkeling, zoals in de afgelopen 15 jaar is gebleken. Een TTI is een PPS-constructie tussen bedrijven, kennisinstituten (TNO/GTI), universiteiten, en maatschappelijke organisaties dat is opgezet om vraagsturing van (fundamenteel) onderzoek te realiseren met een gelijktijdige opdracht tot valorisatie van de opgedane kennis. Als onderdeel van deze PPS-constructie verstrekt EL&I een financiële bijdrage. Voorbeelden van TTI’s zijn Wetsus (Watertechnologie), CTMM (Centre for Transnational Molecular Medicine), TIFN (Top Institute Food & Nutrition) en TTI Groene Genetica.

Voornaamste acties in 2012:

  • Nut, noodzaak en rol van de individuele TTI's wordt bezien in het kader van de agenda's van de topsectoren. Dit kan voor een aantal TTI's betekenen dat ze worden gecontinueerd, anderen zullen fuseren en waarschijnlijk zal ook een aantal TTI's verdwijnen.

  • Het huidige businessmodel van TTI’s is vooral gericht op subsidie die gematched wordt met bedrijfsparticipatie. Om te zorgen dat bedrijven meer betrokken raken bij de onderzoeksprogrammering zal EL&I samen met participerende bedrijven en kennisinstellingen trachten het businessmodel aan te passen.

Ruimtevaart

Doel en beschrijving:

Ruimtevaartonderzoek is binnen de EU gebundeld vanwege de hoge kosten die daaraan verbonden zijn. Via de European Space Agency (ESA) investeert Nederland met publieke middelen in het Europese ruimtevaartbeleid. Periodiek komen daarvoor de Europese ministers bij elkaar om voor de komende jaren te bepalen waar dit ruimtevaartonderzoek op gericht zal worden. Inzet van Nederland is om daarbij vooral in te zetten op programma’s op wetenschappelijk, industrieel en technologisch gebied, waar Nederland in excelleert en waardoor deze Nederlandse positie verder wordt versterkt. Door te investeren in ruimtevaart draagt EL&I ook bij aan oplossingen van maatschappelijke vraagstukken. Ruimtevaartdata worden bijvoorbeeld gebruikt voor aardse toepassingen bij oplossingen van maatschappelijke vraagstukken op de volgende gebieden: klimaat en landbouw, milieu, mobiliteit, veiligheid en defensie.

Voornaamste acties in 2012:

  • Bevorderen gebruik van ruimtevaartgegevens door de Topsectoren. Het gebruik van ruimtevaartgegevens kan de inzet van de topsectoren bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken versterken.

  • Besluitvorming over de nieuwe Nederlandse inschrijvingen in onderzoekprogramma's van ESA tijdens de ESA-ministersconferentie van eind 2012. De inschrijving in ESA-programma's is voor Nederland een belangrijk instrument om de doelstellingen van het ruimtevaartbeleid te realiseren.

Indicator

De prestatie-indicator ruimtevaart geo-return betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse R&D-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een return van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Ruimtevaart geo-return

(juste retour)

1,15

2009

1,07

1

2012

ESA

Technologiestichting STW

Doel en beschrijving:

STW (Stichting voor de Technische Wetenschappen) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EL&I worden de zogenoemde Perspectiefprogramma's gefinancierd. Deze zijn erop gericht een bijdrage te leveren aan technologische innovatie in Nederland. Dat gebeurt door het ontwikkelen van nieuwe technologie in samenwerking met gebruikers, waarbij private partijen meefinancieren. Onderdeel van de perspectiefprogramma's zijn specifieke activiteiten gericht op valorisatie en ondernemerschap.

Voornaamste acties in 2012:

De te honoreren perspectiefprogramma’s van STW zullen inhoudelijk worden aangesloten op de kennisagenda's van de topteams. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op inpassing in de kennis- en innovatieagenda's van de topsectoren.

Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)

Doel en beschrijving:

In de periode van 2007 tot en met 2013 trekt de Europese Commissie ruim € 50 mld uit voor het stimuleren van onderzoek en innovatie. Dit geld wordt ingezet via het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa en haar Europese industrie en kennisinstellingen te verbeteren en de Europese concurrentiepositie te versterken. Dit gebeurt door financiering van onderzoekssamenwerking, individuele onderzoekers op grond van excellente onderzoeksvoorstellen, mobiliteit van onderzoekers en door capaciteitsversterking. Budget en uitvoeringsverantwoordelijkheid van dit programma liggen bij de Europese Commissie. EL&I zal voor de Nederlandse inzet in het kaderprogramma nauw samenwerken met OCW en andere departementen. Agentschap NL stimuleert in opdracht van EL&I en andere departementen Nederlandse deelname aan het kaderprogramma. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden zal Nederland jaarlijks ongeveer 6,7% (€ 400 mln) terugontvangen, grotendeels via programma- en projectsubsidies.

Voornaamste acties in 2012:

In 2012 zal in het bijzonder aandacht uitgaan naar het verbeteren van de innovatie impact van KP7. De Commissie zal hieraan meer aandacht geven bij het beoordelen van de onderzoeksvoorstellen in KP7. Voor EL&I zal de aandacht uitgaan naar het verbinden van KP7 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de economische topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen in KP7 en het verbeteren van de bedrijfsdeelname aan KP7. Dit zal EL&I vooral stimuleren door in de Europese onderhandelingen de werkprogramma's zoveel te beïnvloeden ten gunste van de behoeftes van potentiële Nederlandse deelnemers en door via Agentschap NL advieswerkzaamheden en informatievoorziening over het kaderprogramma te verzorgen. Agentschap NL zal zich in dit verband in het bijzonder richten op potentiële MKB-deelnemers, zowel voor de specifieke MKB-oproepen in de thema’s van KP7 als voor de generieke MKB-programma’s in KP7 zoals Eurostars en Research for the Benefit of Small and medium-sized enterprises (SME’s).

Tevens wordt gestimuleerd dat MKB’s aansluiten bij meer ervaren KP-deelnemers. Ook zal in 2012 in het bijzonder aandacht uitgaan naar discussies in de Raad voor Concurrentievermogen in reactie op het commissievoorstel over het toekomstige Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie «Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoeken innovatie» voor de periode van 2014 tot en met 2020. Het kabinetsstandpunt hieromtrent is op 15 april 2011 door de Minister van EL&I en de Staatssecretaris van OCW naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar verwachting zullen in 2012 ook nieuwe Europese Innovatiepartnerschappen (EIPs) op grote maatschappelijke uitdagingen zoals water, grondstoffen en landbouw uitgewerkt worden. EL&I zal via de Raad voor Concurrentievermogen de Nederlandse inzet in deze EIPs verzorgen en zal bij de uitwerking van de EIPs in het bijzonder de verbinding leggen met de economische topsectoren.

Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

Operationele doelstelling 12.2

Motivering

Om zo veel mogelijk innovatie te genereren wordt het investeren in het ontwikkelen, delen en benutten van kennis gestimuleerd. Daarvoor wordt een breed en toegankelijk pakket aan instrumenten ingezet dat bestaat uit onder meer voorlichting, subsidies, kredieten, fiscale faciliteiten en het inkoopbeleid.

Het gebruik van instrumenten toont zich in de indicator «Aantal bedrijven dat gebruik maakt van regelingen». De streefwaarde voor 2012 ligt aanzienlijk lager dan de referentiewaarde (2010) als gevolg van het niet continueren van diverse subsidieregelingen en het aflopen van de crisismaatregelen. Voor 2012 streeft EL&I er naar dat 20 000 bedrijven gebruik maakt van regelingen.

Indicator bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van regelingen

26 3501

2010

20 000

2012

AgNL

X Noot
1

Deze waarde is inclusief het aantal bedrijven dat gebruik maakte van crisismaatregelen en niet gecontinueerde subsidieregelingen zoals innovatievouchers en de innovatieprogramma’s

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

12.2 Meer bedrijven die meer

(technologische) kennis ontwikkelen,

delen en benutten

120,2

137,7

165,2

160,2

135,2

152,4

101,1

               

Innovatie Prestatie Contracten

32,1

19,1

41,2

37,2

22,5

30,3

29,5

Innovatiefonds: innovatiekrediet

   

56,7

69,5

80,5

89,3

42,5

Innovatiefonds: risicokapitaal

   

27,5

23,7

23,7

25,7

25,6

Oude financieringsinstrumenten

28,1

65,2

         

Syntens

33,0

33,0

30,9

19,9

     

Eurostars

2,2

6,1

7,6

8,6

7,3

5,9

2,3

Bijdragen organisaties1

3,0

1,7

1,3

1,3

1,2

1,2

1,2

Overig2

21,7

12,5

         
X Noot
1

Het betreft onder andere de bijdrage aan World Intellectual Property Organization (WIPO) en de Adviesraad voor Wetenschap en Techniek (AWT)

X Noot
2

Deze post bestaat voornamelijk uit de uitfinanciering van eerder aangegane verplichtingen. Het betreft met name de Innovatievouchers.

Innovatie Prestatie Contracten (IPC's)

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

De IPC’s zijn gericht op MKB-bedrijven die gezamenlijk willen innoveren. Onder begeleiding van een belangenorganisatie voor ondernemingen (penvoerder) worden meerjarige innovatieprojecten uitgevoerd. Samenwerking en kennisoverdracht staan centraal. Daarnaast biedt de regeling aan brancheorganisaties financiële ondersteuning om kansrijke samenwerkingsverbanden te onderzoeken. Met de verkenning van samenwerking kan de penvoerder de mogelijkheden tot samenwerken voor MKB-ers van verschillende branches in Nederland inventariseren. Ook internationale branches kunnen samenwerken met de verkenning van internationale samenwerking.

Voornaamste acties in 2012:

  • Monitoren van de tenders van de meerjarige innovatieprojecten (nieuw in 2011). De uitkomsten hiervan worden betrokken bij de vormgeving van de IPC regeling 2012.

  • Verkennen en toepassen van mogelijkheden voor verhoging van de efficiëntie bij uitvoering van de regeling, met name door digitalisering.

Innovatiefonds

Doel en beschrijving:

Met het in het Regeerakkoord aangekondigde innovatiefonds wordt voorzien in een grote behoefte van ondernemers aan risicokapitaal voor innovatie. Het kabinet stelt daarvoor tot en met 2015 een beleidsruimte van ruim € 500 mln (verplichtingen) beschikbaar. De bedoeling van dit fonds is dat succesvolle investeringen ook weer terugvloeien naar het fonds, waardoor een belangrijke mate van revolverendheid wordt bereikt. Met het Innovatiefonds worden ondernemers beter in staat gesteld om te kunnen investeren in rendabele nieuwe (duurzame) producten, diensten en processen. Het innovatiefonds zal dit via twee mechanismen realiseren:

  • 1. Met innovatiekredieten die rechtstreeks aan ondernemingen worden verstrekt en waarmee ontwikkelingsprojecten (producten, processen en diensten) worden gestimuleerd, waaraan substantiële technische en daaruit voortvloeiende financiële risico’s zijn verbonden en die voor hun financiering niet of onvoldoende terecht kunnen op de kapitaalmarkt.

  • 2. Met het beschikbaar stellen van risicokapitaal aan ondernemingen via participaties door investeringsfondsen. Het verbeteren van de risicokapitaalmarkt richt zich zowel op de «early stage»-risicokapitaalmarkt (met name technostarters) en de «later stage»-risicokapitaalmarkt (snel groeiende veel belovende innovatieve ondernemingen).

Het innovatiefonds bouwt onder meer voort op bestaande succesvolle revolverende innovatie-instrumenten, zoals het Innovatiekrediet en de Seed capital-regeling.

Aansluitend overzicht geeft weer welke begrotingsruimte (cumulatief) beschikbaar is voor het Innovatiefonds, uitgaande van de nu voorliggende meerjarencijfers.

Ontwikkeling Innovatiefonds
 

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen per jaar

177

112

112

112

Verplichtingen cumulatief

177

289

401

513

         

Kas per jaar

84

93

104

115

Kas cumulatief

84

177

281

396

Voornaamste acties in 2012:

  • Aanpassen van het Innovatiekrediet voor opname in het Innovatiefonds mogelijk maken van financiering van de innovatieambities vanuit de topsectoren met innovatiekredieten en openstellen van innovatiekredieten voor ondernemingen groter dan het MKB.

  • Aanpassen van de Seed Capital regeling voor opname in het Innovatiefonds en de uitwerking van een instrument voor de later-stage risicokapitaalmarkt.

Indicatoren

EL&I hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2012 is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingen bedrag voor innovatiekredieten in 2012: € 95 mln. Maximaal 35% van de subsidiabele innovatieprojectkosten wordt door EL&I gefinancierd. De streefwaarde is daarom vastgesteld op € 271 mln (€ 95 mln gedeeld door 0,35).

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private- en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. Deze substantiële verhoging (streefwaarde 2012: € 74 mln) ten opzichte van het referentiejaar (2009: € 39 mln) wordt voorzien door het initiatief (in oprichting) om in 2012 ook de later stage risicokapitaalmarkt te stimuleren.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet

€ 111 mln

2009

€ 271 mln

€ 271 mln

2012

EL&I

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven

€ 39 mln

2009

€ 74 mln

€ 74 mln

2012

EL&I

Syntens

Syntens is het landelijk netwerk dat als doel heeft het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, activeert en ondersteunt op het gebied van innovatie. In het Regeerakkoord 2010 is opgenomen dat de subsidie aan Syntens op termijn wordt stopgezet. Dit betekent concreet dat in 2012 en 2013 een efficiency-korting van 5% wordt opgelegd en dat in 2014 de subsidie volledig zal worden gestopt.

Indicator

De prestatie-indicator geeft het oordeel van klanten van Syntens weer over het totale pakket van activiteiten van Syntens. ROMA marktonderzoek voert in opdracht van Syntens elk jaar een klantevredenheidsonderzoek uit op basis van een representatieve steekproef. Naast het totaal oordeel gaat het onderzoek ook in op deelaspecten van de dienstverlening en geeft eventuele verbeterpunten aan.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid

Syntens (schaal van 1–10)

8,0

2010

8,0

8,0

2012

Syntens/ROMA Marktonderzoek

Eurostars

Doel en beschrijving:

De regeling Eurostars ondersteunt MKB-bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europese landen willen samenwerken in projecten die gericht zijn op technologische innovatie. Een voorwaarde voor ondersteuning is dat binnen 2 jaar na afloop van het project een marktintroductie is voorzien en dat een project geleid wordt door een MKB'er, die minimaal 50% van de projectkosten voor zijn rekening neemt. Het programma slaagt er goed in marktgerichte innovatie tot stand te brengen. Nederland ontvangt zo’n 25% retour van de subsidiemiddelen die worden ingezet. Tegenover elke subsidie-euro staan ongeveer 3 euro’s die door deelnemers worden bijgedragen. Eurostars heeft een looptijd tot 2014.

Voornaamste acties in 2012:

  • In 2012 en 2013 wordt € 3 mln extra beschikbaar gesteld voor dit instrument.

  • In 2012 zal in discussies over de toekomst (na 2013) van Eurostars door Nederland worden ingezet op een combinatie van instrumenten gericht op stimulering van R&D voor en door het MKB in één groter en efficiënter instrument voor zowel het high tech, mid tech als het low tech MKB. Daarbij kan het bestaande succesvolle Eurostars instrument als voorbeeld dienen.

De overheid als opdrachtgever voor duurzame innovatie: SBIR en innovatiegericht inkopen

Doel en beschrijving:

Het kabinet beoogt een groter deel van haar inkoopbudget in te zetten voor het vinden van innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Daarmee wordt ook de innovatiekracht van het bedrijfsleven gestimuleerd. Met «innovatiegericht inkopen» en het «Small Business Innovation Research (SBIR) programma» onderzoekt EL&I samen met andere overheidsorganisaties welke inkooptrajecten zich lenen voor het inkopen en laten ontwikkelen van innovatieve oplossingen en stimuleert zo nodig die trajecten.

Er zijn inmiddels 30 SBIR programma’s gestart. De verwachting is dat in 2012 het aantal SBIR projecten verder zal toenemen, mede door de impuls van het topsectorenbeleid.

In 2011 heeft de eerste meting van de rijksbrede prestatie-indicator innovatiegericht inkopen plaatsgevonden. Het aantal van 20 aanbestedingen is gehaald. De verwachting is dat het aantal inkopen dat ruimte geeft en leidt tot aanschaf van innovatieve oplossingen zal stijgen door het topsectorenbeleid en de inspanningen in de afgelopen periode.

Voornaamste acties in 2012:

  • Uitwerken welke inkooptrajecten zich lenen voor het inkopen en laten ontwikkelen van innovatieve oplossingen in aansluiting op de topsectorenagenda en de ambities op het gebied van duurzaam inkopen.

  • Stimuleren van internationale inkooptrajecten waarbij gebruik gemaakt wordt van de Europese call for proposals on Public Procurement of Innovation en Pre-Commercial Procurement.

  • Organiseren regionale en landelijke bijeenkomsten met als doel om innovatiegerichte inkopen en SBIR projecten te starten.

Indicator

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 2012

Streef-waarde

Planning

Bron

Aantal door de aanbestedende dienst uitgevoerde innovatie gerichte aanbestedingen

44

2011

50

>20

2012

EL&I

X Noot
1

de referentiewaarde over 2011 is in 2011 gemeten met cijfers uit 2010.

Bijdrage aan Agentschap NL

Netwerk Technisch Wetenschappelijke Attachés

Doel en beschrijving:

Het TWA-netwerk (onderdeel van Agentschap NL) bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te bevorderen. Het netwerk staat ten dienste van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties die actief zijn in het buitenland. Daarbij concentreert het zich op de topsectoren waar deze innovaties genereren die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

Indicator

De prestatie-indicator klanttevredenheid TWA-netwerk geeft aan in hoeverre de cliënten (bedrijven, kennisinstellingen, overheid) van het TWA-netwerk tevreden zijn met de geboden dienstverlening door de TWA’s.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid TWA-netwerk (schaal van 1–10)

8,5

2010

7,5

7,5

2012

TWA / AgNL

Kennisbescherming

Doel en beschrijving:

Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van octrooikennis. De uitvoeringsorganisatie NL-Octrooicentrum (NL-OC, onderdeel van Agentschap NL)) is belast met de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995; voor het stimuleren van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft NL-OC voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Voornaamste acties in 2012:

Vervolmaken van het Europese octrooistelsel (EU-octrooi en Europese octrooirechtspraak), het uitvoeren van acties op communautair niveau voortvloeiend uit de evaluatie van het Europese merkenrechtsysteem, en het werken aan een wetsvoorstel voor een beperkte kwekersvrijstelling. In Beneluxverband is sprake van de modernisering van de rechtspraak over merkenrechten en modellen.

Indicator

NL-OC doet op meerdere momenten in een jaar een klanttevredenheidsonderzoek. Met een rapportcijfer geven de klanten (MKB-bedrijven, particulieren, kenniscentra en octrooigemachtigden) een totaaloordeel voor de totale dienstverlening van NL-OC.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid NL-OC (schaal van 1–10)

7,7

2010

7,5

7,5

2012

NL-OC/AgNL

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Randvoorwaarden scheppen voor een excellent ondernemingsklimaat.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EL&I is vanuit een faciliterende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven;

  • De coördinatie en facilitering van het kabinetsprogramma «vermindering regeldruk voor bedrijven»;

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur;

  • Het stimuleren van een veilige bedrijfsomgeving;

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field;

  • Het stimuleren van de juiste voorwaarden voor de benutting van ICT voor en door bedrijven.

Uitgangspunt is ondernemers en de markt zelf zo veel mogelijk hun werk te laten doen door te zorgen dat de randvoorwaarden op orde zijn. Daarom worden in dialoog met bedrijven knelpunten en kansen in kaart gebracht en worden deze samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties waar mogelijk ter hand genomen. De Minister van EL&I is daarbij de gesprekspartner van het bedrijfsleven en het aanspreekpunt voor sectoren, branches en individuele bedrijven. Oplossen van knelpunten door de overheid is economisch gelegitimeerd indien er bijvoorbeeld sprake is van externe effecten, informatie asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de minister onder andere financiële instrumenten in zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen.

Beleidsrelevante kengetallen

Kengetallen

Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. De ambitie is om een top-5 positie te realiseren. Hiervoor werken wij samen met andere ministeries en het bedrijfsleven, aangezien een groot deel van de onderliggende factoren buiten de directe invloedssfeer van de Minister van EL&I ligt.

De ondernemersquote (het aantal ondernemers in Nederland) is gestegen van 10,7% in 2004 naar 12,3% in 2010. Het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is, is sterker toegenomen dan in andere EU-landen en Nederland heeft zelfs relatief meer ondernemers dan de Verenigde Staten. Dit laat zien dat Nederland veel ondernemers heeft.

De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap, want juist ondernemingen die investeren en groeien hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote is sinds de crisis teruggevallen van 15,3 in 2008 naar 12,6 in 2010. Het CPB raamt dat de investeringsquote licht zal stijgen in 2011 en 2012, het niveau van 2008 zal echter nog niet gehaald worden. Het aantal snelle groeiers is bijna verdubbeld ten opzichte van 4 jaar geleden. Internationaal gezien scoren we echter nog steeds middelmatig.

Nederland bekleedt in 2010 de 5e positie op de wereldwijde ranglijst van internationale concurrentieposities op ICT-gebied. De lijst wordt jaarlijks gepubliceerd door de Economist Intelligence Unit en IBM. Nederland stond in 2009 jaar op positie 3 en zakt dus twee plaatsen. Dit komt ondermeer omdat Nederland een uitstekend breedbandnetwerk heeft, maar niet het modernste glasvezelnet of 4G mobiele netwerk. Zweden is met een 8,5 de nummer 1 in 2010. Hekkensluiter met een 3,0 is Azerbeidzjan.

Ondernemingsklimaat van Nederland; kengetallen

Global Competitiveness Index

2007

2008

2009

2010

Ambitie

Positie van Nederland

10e

8e

10e

8e

Top-5

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2010)

         

Ondernemersquote

2007

2008

2009

2010

 

Nederland

12,3%

12,3%

12,3%

12,3%

 

EU15-gemiddelde

12,2%

12,1%

     

Bron: EIM (2008 en 2009 zijn voorlopige cijfers, 2010 betreft een inschatting)

         

Investeringsquote van bedrijven

2007

2008

2009

2010

 

Nederland

14,7%

15,3%

13,2%

12,6%

 

Bron: CPB (CEP, 2011)

         

Positie in de ranglijst voor digitale economieën

2008

2009

2010

2011

Ambitie

Nederland

7

3

5

n.n.b.

Top 5

Bron: Economist Intelligence Unit

         

Aandeel snelle groeiers

2002–2005

2003–2006

2004–2007

2005–2008

 

Nederland

7,5%

7,2%

11,0%

12,8%

 

Bron: EIM (Quick scan (snel) groeiende bedrijven, 2011)

         

Beleidswijziging

De wijzigingen in het beleid zijn opgenomen in de beleidsbrief «Naar de top»11. Het vervolg op deze brief waarin gedetailleerder het beleid voor de komende jaren wordt uiteengezet verschijnt ook op Prinsjesdag.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

1 683

3 164

1 975

2 084

2 071

2 066

2 124

Waarvan garantieverplichtingen

1 460

2 995

1 876

1 876

1 876

1 876

1 935

Uitgaven

267

359

242

339

282

271

262

               

Subsidies

             

– BMKB (garantie)

65

56

33

38

34

34

34

– Groeifinancieringsfacilitieit (garantie)

1

20

20

20

20

20

20

– Garantie Ondernemingsfinanciering (garantie)

8

51

51

46

14

11

 

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw (garantie)

 

9

10

10

10

10

10

– Valorisatie/SKE1

5

22

21

6

6

10

5

– Bevorderen ondernemerschap

11

12

4

2

3

3

11

– Onderwijs en ondernemerschap

8

4

8

       

– Microfinanciering

5

5

2

3

3

 

3

– Programma Biobased Economy

5

18

10

3

1

   

– Actieplan veilig ondernemen

17

7

3

       

– Beroepsonderwijs in bedrijf1

13

14

6

4

     

– Innovatieregeling scheepsbouw1

6

11

1

1

     

– BSRI1

14

19

14

5

2

2

2

– Codema

0,1

           
               

Opdrachten

             

– Onderzoek & ontwikkeling

6

3

2

2

2

2

2

– ICT & MKB

1

1

1

1

1

1

1

– PRIMA

17

27

18

15

13

10

10

– ICT flankerend beleid

24

16

8

13

13

14

14

– Beleidsvoorbereiding en evaluaties

13

17

3

2

2

3

3

– Opdrachten Logius

11

8

2

2

2

2

2

– Regiegroep Regeldruk/ACTAL

1

6

3

3

3

3

 
               

Bijdragen aan batenlastendiensten

             

– Bijdrage aan Agentschap NL

13

10

3

1

     
               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– Bijdrage NBTC

17

18

15

13

10

6

4

– Bijdrage UNWTO

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

– Bijdragen aan instituten

6

6

4

2

2

2

2

– Bijdrage aan ondernemerspleinen

     

147

142

138

138

               

Ontvangsten

108

134

106

102

76

74

62

– Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

10

10

10

10

10

10

– BMKB

27

32

25

25

25

25

25

– Groeifinancieringsfacilitieit

1

16

16

16

16

16

16

– Garantie Ondernemingsfinanciering

8

52

51

46

14

11

 

– Joint Strike Fighter

 

1

2

3

9

11

10

– Ruimtelijk economisch beleid

13

21

         

– Ontvangsten uit het FES

54

           

– Diverse ontvangsten

5

2

2

2

2

1

1

X Noot
1

Post betreft alleen uitfinanciering van oude verplichtingen

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Zelfstandigenaftrek

1 469

1 467

1 572

1 599

1 627

1 655

1 685

Extra zelfstandigenaftrek starters

95

99

103

108

112

116

121

FOR, niet omgezet in lijfrente

75

85

79

81

82

84

86

Meewerkaftrek

8

8

7

7

6

6

6

Stakingsaftrek

14

14

14

14

14

14

14

Doorschuiving stakingswinst

196

204

216

228

241

256

270

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

185

189

193

196

200

204

209

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

343

346

356

366

377

387

398

Willekeurige afschrijving starters ¹

8

8

8

8

8

8

8

Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement

8

8

8

8

8

8

8

Heffingskorting durfkapitaal

9

7

4

2

0

0

0

Willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen ¹

221

219

         

Heffingskorting durfkapitaal

9

7

4

2

0

0

0

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

4

3

3

2

2

1

1

Logiesverstrekking (incl. kamperen)

223

230

239

247

256

265

275

Voedingsmiddelen horeca

1 134

1 275

1 306

1 339

1 372

1 405

1 440

Kleine ondernemersregeling

100

101

105

109

113

117

121

Verlaagd tarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

19

19

19

20

20

21

  • Van de totale kasuitgaven in 2012 is er gemiddeld gezien circa 45% van het instrumentarium juridisch verplicht, dit is zo’n € 105 mln. in 2012. Het gaat dan om een deel van Valorisatie (61%); een deel van Bevorderen ondernemerschap (84%); een deel van Onderzoek en Ontwikkeling (63%) een deel van Onderwijs en ondernemerschap (47%). Voor het niet jurisdische gedeelte liggen er bij deze instrumenten bestuurlijke afspraken/toezeggingen ten grondslag. Garantie Ondernemingsfinanciering; Actieplan veilig ondernemen; Subsidieregeling Kennis Exploitatie (SKE); Beroepsonderwijs in bedrijf; Innovatieregeling scheepsbouw en de BSRI zijn 100% verplicht.

  • Voor het Programma Biobased Economy, de ICT-middelen en de bijdrage aan instituten zijn bestuurlijke afspraken gemaakt, die kunnen gewijzigd worden als de betrokken partijen tijdig daarvan op de hoogte worden gesteld.

  • Bij de posten die te maken hebben met garanties geldt dat het benodigde kasbudget niet juridisch verplicht is maar dat dit budget wel nodig is voor de garanties die in voorgaande jaren zijn aangegaan. Dit is zo’n € 61 mln. in 2012 en dat is 30% van het kasbudget 2012 op bovenstaand instrumentarium.

  • Voor de garantieuitgaven geldt tot slot dat als gevolg van in rekening te brengen provisies, ontvangsten worden gegenereerd. Het netto kas beslag van dit deel van het beleidsinstrument is daardoor beperkt.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Instrumenten

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

Toegang tot financiering is een belangrijke randvoorwaarde om te kunnen ondernemen. De BMKB vergroot de toegang van het in de kern gezonde MKB tot bankkrediet, indien de bank de financiële risico’s, gelet op een tekort aan zekerheden, zonder overheidsgarantie te groot acht. De regeling verstrekt een gedeeltelijke borgstelling tot een maximum omvang van € 1 mln aan banken voor aan het MKB verstrekte kredieten. De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van benutting wordt in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt half jaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Verder loopt er een aanvraagprocedure bij het European Investment Fund (EIF) om budget beschikbaar te stellen voor een verhoging van het BMKB-plafond van 2011–2013. In verband met de doorlooptijd van de aanvraag en de grote vraag naar borgstellingskrediet in 2011 is het budget voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) voor 2011 inmiddels verhoogd van € 765 mln naar € 1 mld. Daarvoor is verplichtingenruimte uit de jaren 2012 – 2015 naar voren gehaald door het beschikbare garantieplafond in die jaren te verlagen van € 765 mln naar € 705 mln. Indien de aanvraag bij het EIF tot extra budget leidt, dan zal het garantiebudget voor de jaren na 2011 verhoogd kunnen worden. In 2012 wordt de BMKB beleidsmatig versoberd om tot een betere kostenbeheersing te komen.

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – wat vooral nodig is in de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. De overheid staat voor maximaal € 2,5 mln per bedrijf aan risicodragend vermogen garant. Bij risicodragend vermogen is het risico en het rendementsperspectief hoger dan bij bancair krediet. De gevraagde vergoeding voor de overheidsgarantie ligt daarom voor dit type financiering op een hoger, marktconform niveau.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur en met de mate waarin voldoende financiering beschikbaar is in de markt. De mate van gebruik van deze regeling wordt half jaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Er wordt onderzocht of en zo ja op welke wijze als gevolg van de veranderingen op de kapitaalmarkt de modaliteiten van de Groeifaciliteit aangepast zouden moeten worden om binnen het bestaande garantiebudget het MKB en de iets grotere bedrijven (MKB+) beter te faciliteren bij het aantrekken van buffervermogen. Het kabinet is hierbij wel voornemens het huidige individuele garantieplafond neerwaarts bij te stellen.

Garantie Ondernemingsfinanciering

De Garantie Ondernemersfinanciering is in maart 2009 gepubliceerd als tijdelijke maatregel in het kader van de financiële crisis. De doelgroep betreft alle in de kern gezonde ondernemingen (uitgezonderd financiële instellingen, speculatief vastgoed en primaire landbouw) die financiering nodig hebben van ten hoogste € 150 mln (garantie maximaal € 75 mln) en de banken niet bereid zijn die zonder garantie van de overheid te verlenen. In tegenstelling tot de Groeifaciliteit vallen ook niet-achtergestelde leningen en leningen met zekerheden onder de regeling maar vallen aandelen er niet onder. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden.

In 2012 wordt de nog onbenutte ruimte onder de oorspronkelijk geraamde € 1,5 mld opnieuw beschikbaar gesteld. Het risico voor het Rijk wordt verlaagd door de maximale garantie per individuele lening van € 75 mln te verlagen naar € 25 mln.

De Regeling Garantie Ondernemingsfinanciering is in 2009 uitgebreid voor zorginstellingen in de cure (GO cure). De regeling is ingesteld als tijdelijke maatregel in het kader van de financiële crisis. Het kabinet overweegt om in 2012 een deel van de nog onbenutte ruimte van het oorspronkelijk beschikbare garantieplafond (€ 250 mln) opnieuw beschikbaar te stellen. Binnen de GO Cure kunnen banken per zorginstelling 50% staatsgarantie krijgen voor het verstrekken van leningen vanaf € 1,5 mln tot maximaal € 50 mln.

Borgstelling scheepsnieuwbouw

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer wordt gegarandeerd gedurende de periode van de bouw van het schip. Gelet op de jaarlijkse productiewaarde van de sector is een jaarlijks garantieplafond van € 1 mld ingesteld. Daarmee wordt een wezenlijke bijdrage geleverd aan de oplossing van de financieringsproblematiek van de scheepsbouwsector.

Programma Valorisatie, Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen

Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen (O&O) en programma Valorisatie richten zich op een snellere overdracht van kennis en de versterking van het klimaat voor innovatief en kennisintensief ondernemerschap. Met het actieprogramma Onderwijs & Ondernemen wordt ondernemerschap en een ondernemende houding in het onderwijs gestimuleerd van de basisschool tot en met de universiteiten. In het kader van het programma werkt het SLO (stichting leerplan ontwikkeling) met inmiddels 40 trainers en 400 docenten aan een scholingsaanbod voor ondernemende docenten. In 2012 wordt ondernemerschap in het reguliere onderwijs verankerd onder meer door invoering van een certificeerbare eenheid ondernemerschap in het MBO en een bijzonder kenmerk ondernemerschap in het hoger onderwijs

Met het programma Valorisatie worden publiek-private samenwerkingsverbanden (bedrijven, kennis- en onderzoeksinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden) ondersteund om valorisatie-infrastructuur op te zetten die helpt om bestaande kennis en kunde te vertalen naar commerciële producten.

Vanuit het Valorisatieprogramma is in 2012 € 25 mln beschikbaar, per project wordt maximaal € 5 mln subsidie verleend. Het betreft een tijdelijke regeling die het mogelijk maakt om een valorisatie-infrastructuur op te zetten waarvan de exploitatie kostendekkend is. 2012 is het laatste jaar dat de regeling openstaat voor nieuwe aanvragen.

Bevorderen ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaatbeleid te verbeteren. Zo is het budget bijvoorbeeld gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van programma’s voor regeldruk, kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, de programmakosten voor corporate governance en het Talent naar de top programma. Daarnaast wordt dit gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities zoals de ondernemerspleinen of onderwijs en ondernemerschap.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Vanaf begin 2011 biedt Qredits (stichting Microkrediet Nederland) microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 35 000. Voor het jaar 2012 wordt deze grens, als pilot, verhoogd tot € 50 000. Naast het krediet neemt coaching een belangrijke plaats in. Stichting Eigenbaas.nl zorgt voor de landelijke promotie van microfinanciering, en werkt aan professionalisering en behoud/uitbreiding van het netwerk van Microfinancieringsondernemerpunten. EL&I draagt hier financieel aan bij door het verstrekken van een (achtergestelde) lening aan Qredits en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits.

Doel in 2012 is om 1 500 kredieten te verstrekken. Een microkrediet bedraagt in 2010 gemiddeld circa € 17 800.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal verstrekte microkredieten

610

2009

1 500

2 500

2016

Qredits

Interdepartementaal Programma Biobased Economy (IPBBE)

Om wereldwijd een koppositie te verkrijgen binnen de biobased economy moet worden ingezet op het ontwikkelen en benutten van kennis. Met het innemen van een koppositie wil Nederland een significant aandeel hiervan naar zich toe trekken en wereldwijd in % BNP tot de top 3 behoren qua optimale en duurzame productie en toepassing van biomassa. Om die reden wordt geïnvesteerd in pilot- en demonstratieprojecten en het ontwikkelen van marktrijpe producten (via bijvoorbeeld SBIR-tenders, regeling specifiek gericht op MKB). In 2012 draagt de NL-overheid in totaal circa € 60 mln bij (bron: Agentschap NL), EL&I draagt hier circa € 10 mln aan bij. In 2010 is een start gemaakt met 13 projecten bij bedrijven, welke in 2011–2012 verder ontwikkeld worden. In 2012 wordt, mits de Europese Commissie de staatssteun goedkeurt, een start gemaakt met de bouw van een open bioraffinage pilotfaciliteit. Hiervoor is in 2012 € 6,5 mln beschikbaar. Deze faciliteit kan gebruikt worden door MKB en industrie om projecten op te schalen naar commercieel niveau. Vanaf 2011 zal het «Transitiehuis biobased economy» en daarbinnen het Biorenewables Business Platform, businesscases ontwikkelen; voor de totale looptijd van 4 jaar zullen dit ongeveer 30 businesscases zijn. Vanuit SBIR zijn inmiddels enkele producten op de markt gebracht. Voorbeelden zijn bioplastics en biobased composieten.

Actieplan veilig ondernemen

EL&I stimuleert een veilige bedrijfsomgeving met het Actieplan Veilig Ondernemen en met de experimentenwet Bedrijven Investerings Zones (BIZ). Ondernemers worden gestimuleerd om samen te werken en gezamenlijk te investeren in een aantrekkelijker en veiliger bedrijfsomgeving.

EL&I heeft tot doel om in 2012 een convenant transportcriminaliteit tot stand te brengen. Met dit convenant wordt transportcriminaliteit beter in kaart gebracht en maatregelen ontwikkeld om deze te beperken en terug te dringen.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden onder meer beleidsonderzoek en verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten gefinancierd. Ook is vanuit dit budget het instrument Groeiversneller gefinancierd. Met de Groeiversneller worden tachtig tot honderd bedrijven met een jaaromzet van enkele miljoenen ondersteund om in vijf jaar tijd te groeien naar een jaaromzet van € 20 mln. Dit gebeurt door in dit programma ambitieuze ondernemers intensief te begeleiden op gebieden als strategieontwikkeling, financiering, marktbenadering, innovatie en internationalisering.

Deelnemers krijgen kennis en expertise aangeboden op cruciale groei-issues zoals strategie, financiering, marktbenadering, innovatie en internationalisering. Het programma hanteert daarbij het principe «Je collega-groeier is de beste adviseur». Alleen directeuren zelf, mogen als deelnemer meedoen.

In 2012 zullen in het programma Groeiversneller, dat zijn vierde jaar ingaat, meer dan 120 bedrijven meedoen.

Samen met het CBS is een controlegroep samengesteld van niet-deelnemende bedrijven die op andere kenmerken vergelijkbaar zijn met de deelnemers. Medio 2011 heeft er een mid-term review van het programma plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat deelnemende bedrijven 22%-punt meer in omzet groeiden dan bedrijven in een relevante controlegroep. Om door te groeien tot een omzet van € 20 mln is een verschil in omzetontwikkeling van circa 30%-punt nodig. In de eerste meting is dit nog niet gehaald, maar de verwachting is dat het verschil zal toenemen naarmate de deelnemers langer in het programma zitten.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Verschil in omzet-ontwikkeling deelnemers en referentiegroep

22%-punt

2011

25%-punt

30%-punt

2015

CBS

Merkbaar en substantieel verminderen van regeldruk voor bedrijven

EL&I werkt samen met verschillende departementen aan het verminderen van regeldruk voor bedrijven en het verbeteren van haar dienstverlening, mede met het oog op versterking van de economische topsectoren. EL&I faciliteert en monitort het kabinetsprogramma onder andere door de ontwikkeling en onderhoud van meetmethodieken en instrumenten om regeldruk te verminderen (bijvoorbeeld de vertrouwensbenadering), en de instelling van het onafhankelijk adviescollege ACTAL.

BZK coördineert het programma vermindering regeldruk voor burgers, professionals in de publieke sector en medeoverheden.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Netto verlaging van administratieve lasten (cumulatief in procenten).

0% (nulmeting)

2011

10%

25%

2015

EL&I

Dit is de rijksbrede indicator voor de verlaging van de administratieve lasten.

ICT flankerend beleid

De inzet van ICT vraagt aanzienlijke investeringen in en aanpassingen van werkgevers, werknemers, bedrijven en overheden. Hierbij gaan de kosten voor de baten uit en dikwijls vallen de baten bij een andere partij dan de kosten. Gezien de collectieve baten treedt EL&I hier faciliterend op. Dit doet zij door samen met het bedrijfsleven en andere overheidsorganisaties de randvoorwaarden voor ICT-gebruik in te vullen, het slim ICT gebruik voor en door bedrijven te faciliteren en de regeldruk door middel van de inzet van ICT te verlagen. In 2012 zullen de basisvoorzieningen en standaarden van de digitale overheid verder worden doorontwikkeld en geïmplementeerd. Het gaat hier om: toegang (eHerkenning), informatie en communicatie (berichtenbox) en de basisregistratie Nieuw Handelsregister (NHR) waarop alle gemeenten voor 1 juli 2014 moeten zijn aangesloten. Om ondernemers het recht te geven hun zaken met de overheid langs elektronische weg af te handelen wordt het traject Recht op Elektronisch Zakendoen gestart. Antwoord voor Bedrijven blijft ook in 2012 het platform waarmee overheidsinformatie en -transacties worden ontsloten voor ondernemers.

PRIMA en Beleidsvoorbereiding en evaluaties

Eind 2011 wordt de Digitale Implementatie Agenda.nl naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze agenda staan de acties uit de Digitale Agenda.nl uitgewerkt. Door middel van PRIMA en de middelen uit beleidsvoorbereiding en evaluatie worden programma’s als cloud computing, open data en digitale vaardigheden beroepsbevolking uit de Digitale Implementatie Agenda.nl uitgevoerd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Bijdrage aan Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EL&I sluit voor de periode 2012–2015 een nieuw, meerjarig contract met het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) af om het inkomend toerisme te bevorderen. In de periode 2008–2010 heeft EL&I ruim € 50 mln geïnvesteerd voor de internationale marketing van Nederland en internationale congreswerving. In de periode 2012–2015 zal het budget steviger worden ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen.

Daarnaast wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdrage aan Ondernemerspleinen

De bijdrage uit de begroting van EL&I vervangt per 2013 de heffingen van de Kamers van Koophandel. Deze maatregel leidt tot lastenverlichting bij ondernemers en faciliteert de integratie van de Kamers tot een nieuwe organisatie waar ondernemers voor hun overheidsdienstverlening terecht kunnen («Ondernemerspleinen»). Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraak uit het Regeerakkoord dat ondernemers voor al hun overheidszaken terecht zullen kunnen bij 1 loket.

Bijdragen aan diverse instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programmaonderzoek op het terrein van mkb en ondernemerschap, het kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de Koning-Willem I prijs en het Nederlandse Centrum voor Sociale Innovatie.

Compensatiebeleid

Het compensatiebeleid betreft een niet financieel instrument dat erop gericht is om de internationale positie van de Nederlandse defensiegerelateerde industrie te verbeteren bij een gebrek aan een gelijk speelveld in deze markt. Zolang deze markt nog onvoldoende gelijke kansen biedt, voert EL&I compensatiebeleid. De rol van EL&I richt zich op het in een vroeg stadium van het aanbestedingstraject de voorwaarde te scheppen voor het invullen van de compensatie. EL&I eist dat de aanschaf van buitenlands defensiematerieel boven de € 5 mln, dat niet Europees wordt aanbesteed, voor 100 procent wordt gecompenseerd met orders in Nederland. EL&I streeft naar een zo hoog mogelijk percentage opdrachten voor de Nederlandse defensiegerelateerde industrie, hiervoor legt EL&I de contacten tussen de betrokken partijen. Jaarlijks profiteren zo’n 200–250 Nederlandse bedrijven en instituten van het compensatiebeleid. Binnen het compensatiebeleid ligt de nadruk op projecten in één van de zes prioritaire technologiegebieden die in de Defensie Industrie Strategie (DIS) zijn geïdentificeerd.

De indicator gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven wordt besteed ter compensatie van bestedingen van het Ministerie van Defensie in buitenlands materieel. De streefwaarde voor het vijfjaars gemiddelde bedraagt € 450 mln per jaar en deze waarde is de afgelopen jaren ruimschoots gehaald.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen

€ 547 mln

2010

Minimaal € 450 mln

Minimaal € 450 mln

2015

EL&I

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

«Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is».

In het beleid ten aanzien van onze nationale energievoorziening staan in de verantwoordelijkheid van de Minister van EL&I vier aspecten centraal: betrouwbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en het belang dat de energiesector heeft voor onze economie.

  • het zodanig ordenen van de energiemarkten dat maximaal wordt bijgedragen aan een betaalbare, betrouwbare en efficiënte energievoorziening;

  • het creëren van de randvoorwaarden waardoor leverings- en voorzieningszekerheid van energie gewaarborgd kan worden;

  • het bevorderen van de totstandkoming van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame energievoorziening en voorzieningszekerheid;

  • het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige winning van onze bodemschatten;

  • het bevorderen van de veiligheid van het transport van energie en van de energieproductie;

  • het bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening;

  • het stimuleren van duurzame energieproductie;

  • het vergroten van de energie-efficiëntie in de sectoren industrie en energie;

  • het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 uitstoot van energiebedrijven en industrie;

  • het creëren van randvoorwaarden waardoor onze energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energievoorziening ten volle wordt benut;

  • De Minister van EL&I is verantwoordelijk voor de internationale dimensie van het energiebeleid. EL&I en het Ministerie van Buitenlandse Zaken trekken bij het bevorderen van de internationale energievoorzieningszekerheid samen op. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken.

Rol en Verantwoordelijkheid

Kengetallen

Kengetallen

2006

2007

2008

2009

2010

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

36 mld Sm3

38 mld Sm3

36 mld Sm3

34 mld Sm3

32 mld Sm3

2. Aantal boringen exploratie en evaluatie onshore en offshore

Bron: TNO

17

10

13

15

12

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

23

21

14

28

35

4. Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

Bron: EnergieNed/Netbeheer Nederland

36 min.

33 min.

22 min.

26,5 min.

34 min.

5. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

71 mld Sm3

68 mld Sm3

79 mld Sm3

74 mld Sm3

86 mld Sm3

6. Euro/dollarkoers

Bron: CPB

1,26

1,37

1,47

1,39

1,33

7. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CPB

65,10

72,52

97,0

61,5

79,5

8. Beursprijs van TTF-gas (euro/MWh)

Bron: APX Endex

 

15,2

26,6

13,3

16,1

Toelichting

5, 6, 7 en 8: Bepalende factoren voor de aardgasbaten (behorende bij de beleidsdoelstelling van een doelmatige winning van delfstoffen) zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen. Vanwege de omvang van de aardgasbaten is een duidelijke onderbouwing met kengetallen nodig. Deze vier kengetallen zijn voorts te relateren aan de algemene beleidsdoelstelling het verdienpotentieel van de energiesector te maximaliseren. De ontwikkeling van de Title Transfer Facility (TTF) als gashandelsplaats met een eigen liquide beursprijs illustreert de operationele doelstelling 2: optimale ordening en werking van de gasmarkt. De bron voor de euro/dollarkoers en de olieprijs is gewijzigd ten opzichte van begroting 2010. De nieuwe bron betreft de jaarlijks door het CPB gepubliceerde Kerngegevenstabel voor Nederland, die onderdeel uitmaakt van het Centraal Economisch Plan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

VERPLICHTINGEN

8 195

3 420

361

253

233

208

220

Waarvan garantieverplichtingen

324

           

UITGAVEN

1 066

1 230

1 338

1 305

1 429

1 614

1 612

               

Programma-uitgaven

1 028

1 216

1 310

1 297

1 425

1 613

1 612

14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noord-west Europese context

9

10

         

14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

91

97

97

97

97

97

97

14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

928

1 109

1 214

1 200

1 329

1 516

1 515

               

Bijdragen baten-lastendiensten

38

14

27

8

3

1

 

Bijdrage Agentschap Nederland

38

14

27

8

3

1

 
               

ONTVANGSTEN

5 791

11 750

12 250

10 995

9 545

9 245

9 159

COVA

89

93

93

93

93

93

93

SDE+

     

100

200

300

414

Ontvangsten uit het FES

238

           

Diverse ontvangsten

117

55

55

       

Aardgasbaten

7 658

11 600

12 100

10 800

9 250

8 850

8 650

Bijdrage aan het FES

– 2 314

           

Ontvangsten zoutwinning

2

2

2

2

2

2

2

Terugontvangsten Agentschap NL

1

           

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Energie-investeringsaftrek (EIA)

115

151

151

151

161

161

161

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EL&I investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en bedrijfsmiddelen voor een efficiënte opwekking van hernieuwbare energie. Investeringen in bedrijfsmiddelen die voldoen aan de generieke besparingsnormen van de EIA kunnen deels van de fiscale winst worden afgetrokken. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor EIA en op deze manier stimuleert de EIA de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen.

  • Van de uitgaven op artikel 14 heeft circa 70% (ruim € 900 mln) betrekking op langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP en SDE. Voor dit deel is er dus geen budgetflexibiliteit.

  • De uitgaven COVA (€ 93 mln, ofwel 7%) betreffen de doorgifte aan COVA van de heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden, gebaseerd op nationale en internationale wetgeving. Ook voor dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit.

  • De bijdrage aan ECN (ruim € 38 mln, 3%) betreft een al langlopende gevestigde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het nauwelijks op de korte termijn.

  • De overige beleidsuitgaven (bij elkaar circa 20% van artikel 14, rond de € 290 mln) betreffen in de eerste jaren vooral betalingen op reeds aangegane verplichtingen. Dit betekent dat de budgetflexibiliteit toeneemt in de tijd.

Budgetflexibiliteit

Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noord-west Europese context

Operationele doelstelling 14.1

Motivering

Binnen de Noord-west Europese context creëert de overheid (met name EL&I) de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt om ervoor te zorgen dat energiebedrijven efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Daarnaast zorgt EL&I voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren. Door verdergaande Europese integratie ontstaan grotere marktgebieden met meer ruimte en mogelijkheden voor concurrentie. Dit draagt bij aan efficiente en stabielere prijzen voor huishoudens. Europese wet- en regelgeving, zoals het derde pakket energierichtlijnen, en het werk van de gezamenlijke toezichthouder Agency for the Cooperation of Energy Regulators (ACER) versterken deze ontwikkeling. Om ervoor te zorgen dat de Nederlandse belangen daarbij goed worden meegewogen is een pro-actieve inzet van EL&I in Europees verband vereist waarin behoud van de kracht van Nederland voorop staat: een goed werkende energiemarkt, met goede infrastructuur en een stevige bescherming van consumenten. EL&I zet daarom in op één open markt, waarin de EU zich richt op zaken die het beste op Europees niveau kunnen worden opgepakt, zonder onnodig in nationale bevoegdheden te treden en met oog voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noord-west Europese context

8,8

10,0

         
               

Stadsverwarming

8,8

10,0

         

Elektriciteits- en Gaswet

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

De Elektriciteitswet en de Gaswet dienen voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt. Toezicht op en het monitoren van de energiemarkten gebeurt door de NMa met als doel de ontwikkeling van een concurrerende energiemarkt te bewaken en eventuele tekortkomingen te signaleren en aan te pakken.

Voornaamste acties in 2012:

  • In het Energierapport is aangekondigd dat het kabinet de werking van de energiemarkt wil verbeteren door de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken. De steeds nauwere verbindingen met het Europese energiebeleid vragen bovendien om een wetgevend kader dat op inzichtelijke wijze is geënt op Europese richtlijnen. Hiertoe wordt een wetgevingstraject gestart onder de naam STROOM. In 2012 zal een eerste tranche van wetgeving aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Daarbij zal de nadruk liggen op de voornemens die in het kader van het Energierapport 2011 zijn gedaan.

  • In Europees verband is regelgeving aangekondigd rond investeringen in infrastructuur en intelligente netten. Afhankelijk van het tempo waarin hierover besluitvorming tot stand komt, zal in de loop van 2012 de benodigde implementatieregelgeving worden voorbereid.

  • Na de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van het derde pakket energierichtlijnen zal in 2012 worden gewerkt aan de implementatie van onderliggende regelgeving.

  • Tenslotte start in 2012 de kleinschalige uitrol van de slimme meter. Om de uitrol en de effecten van de slimme meter in kaart te brengen wordt een monitor gestart.

Indicator

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1 800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1 800 en 8 000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Prestatie-indicatoren

2006

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde

2012

Bron

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit:

             

– HHI

2 295

2 319

2 279

2 285

2 263

stabiliseren tussen 1800–2500

Energiekamer

– C3

82%

82%

81%

81%

81%

daling/lager

 

2. Concentratiegraad in de retailsector gas:

             

– HHI

2 149

2 109

2 104

2 187

2 158

stabiliseren tussen 1800–2500

 

– C3

79%

78%

79%

79%

79%

daling/lager

 

Warmtewet

Doel en beschrijving:

De Warmtewet draagt bij aan de leveringszekerheid en (prijs)bescherming voor zowel afnemers als leveranciers van warmte. De Warmtewet is een initiatiefwetsvoorstel dat in 2009 is aangenomen. Op basis hiervan zijn nadere regels uitgewerkt in de conceptregelgeving waaronder een tariefstelsel op basis van het wettelijke vastgestelde «niet meer dan anders» principe.

Voornaamste acties in 2012:

  • In 2011 heeft EL&I een herziening van de Warmtewet aan de Kamer aangeboden. Hierin zijn onder andere aangepaste voorstellen gedaan ten aanzien van de met de warmtewet beoogde prijsregulering. De parlementaire behandeling van deze novelle wordt naar verwachting in 2012 afgerond. Met de inwerkingtreding van de wet zal ook de lagere regeling in werking treden.

Europese en Noordwest Europese fora

Doel en beschrijving:

Participatie van EL&I in Europese en Noordwest-Europese fora, waaronder het Pentalaterale energieforum. Dit forum bestaat uit de overheden uit Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Luxemburg en Oostenrijk en heeft de verdere ontwikkeling van de Noordwest-Europese elektriciteits- en gasmarkt als doel.

Voornaamste acties in 2012:

  • Binnen het Pentalaterale Energie Forum richt de aandacht zich in 2012 op de toekomstvastheid van de infrastructuur gelet op de uitdagingen als de inpassing van duurzame energie en de afstemming van reguleringsvraagstukken met betrekking tot de transporttarieven.

  • In 2012 wordt gewerkt aan de vervolgstap voor marktkoppeling. Het is de verwachting dat de zogenaamde flow based marktkoppelingssyteem beter rekening zal houden met de onderlinge afhankelijkheden tussen landen en met dit systeem zal meer capaciteit aan de markt beschikbaar kunnen worden gesteld. Invoering van dit systeem is voorzien in 2013.

  • Hiernaast zullen Noordwest-Europese landen verdergaande afspraken maken over samenwerking op het gebied van gas ter uitwerking en invulling van Europese netcode en richtsnoeren. Dit sluit aan bij de Nederlandse gasrotonde ambities, omdat daarmee de grensoverschrijdende handel in en het transport van gas wordt vereenvoudigd.

  • Voor wat betreft gas zal de aandacht uitgaan naar de ten uitvoerlegging van Verordening (EG) 994/2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering. De in het kader van deze verordening uit te voeren risico-evaluaties en op te stellen preventieve actie- en noodplannen, zullen in pentalateraal verband op elkaar worden afgestemd.

Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Operationele doelstelling 14.2

Motivering

De voorzieningszekerheid betreft de lange termijn beschikbaarheid van energiebronnen. Daarbij spelen de omvang van de mondiale energiereserves in relatie tot de productiecapaciteit, het verbruik en de geografische spreiding een rol. Leveringszekerheid maakt deel uit van de voorzieningszekerheid en betreft de mate waarin afnemers onder voorzienbare omstandigheden feitelijk kunnen rekenen op de levering van energie. Energievoorzieningszekerheid is een publiek belang dat niet automatisch door de markt wordt gewaarborgd.

Van belang is dat het beleid van de overheid randvoorwaarden creëert om in elk geval de eigen bodemschatten optimaal te benutten.

Naast de bevordering van voorzieningszekerheid is de rol van de overheid (met name EL&I) het creëren en optimaal gebruik maken van economische kansen op het gebied van energie. Voor de totstandbrenging van zakelijke transacties met de energieproducerende landen die hiervoor essentieel zijn, is de betrokkenheid en steun van de overheid onontbeerlijk. EL&I en BuZa ondersteunen daarom actief de internationale activiteiten van het Nederlandse bedrijfsleven. Bovendien neemt EL&I actief deel aan discussies over een beter investeringsklimaat, liberalisering van markten en handel in Europese en multilaterale kaders.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

91,1

96,8

96,9

96,8

96,8

96,8

96,8

               

Doorsluis COVA-heffing

88,7

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

2,4

2,7

2,8

2,8

2,8

2,8

2,9

Bijdragen aan diverse instituten

0,1

1,1

1,1

1,1

1,0

1,0

1,0

Mijnbouwwet

Instrumenten en activiteiten

Doel en beschrijving:

De Mijnbouwwet vormt het kader voor een verantwoorde en doelmatige opsporing en winning van delfstoffen en aardwarmte en het opslaan van stoffen beneden de oppervlakte van de aardbodem.

Voornaamste acties in 2012:

  • De focus in het mijnbouwbeleid ligt op verdere mogelijke maatregelen op het gebied van stimulering van de opsporing en winning van delfstoffen en andere benutting van de diepe ondergrond, zoals opslag. Daarnaast wordt bezien of aanpassing van regelgeving en procedures ten aanzien van geothermie nodig is.

  • Naast stimulering van het activiteitenniveau en verbetering en ontwikkeling van technieken in de traditionele vormen van gaswinning worden door EL&I niet alleen de technische, maar ook de maatschappelijke mogelijkheden bezien voor de winning van onconventionele gasreserves.

  • Gelet op de verschillende gebruiksmogelijkheden van de ondergrond wordt in 2012 gewerkt aan de verdere ontwikkeling van een kader voor de ruimtelijke ordening van de ondergrond.

  • Afronding van de implementatie van de onderliggende regelgeving van de Europese CCS Richtlijn.

Rijkscoördinatieregeling

Doel en beschrijving:

EL&I wil de Rijkscoördinatieregeling voor energieprojecten van nationaal belang inzetten met als doel tijdig voldoende energie-infrastructuur (inclusief interconnectoren) te realiseren in Nederland. Dit betekent dat EL&I samen met I&M verantwoordelijk is voor (de regie heeft over) de ruimtelijke inpassing van de projecten en dat EL&I verantwoordelijk is voor de coördinatie van alle andere benodigde besluiten. De Rijkscoördinatieregeling is onder meer van toepassing op infrastructuur als hoogspanningsverbindingen, gasleidingen, elektriciteitscentrales, windparken en opslag van gas.

Voornaamste acties in 2012:

  • Op grond van de Rijkscoördinatieregeling voert EL&I in 2012 de regie over een groot aantal energie-infrastructuurprojecten van nationaal belang, waaronder:

    • afronding besluitvorming Noordring Randstad 380 kV, Zuid-West 380 kV, Noord-West 380 kV en de interconnector Doetinchem-Wesel;

    • besluitvorming gasleiding Gasunie van Beverwijk naar Wijngaarden;

    • besluitvorming COBRA-kabel (interconnector met Denemarken);

    • aantal windparken;

    • gaswinning onder de Waddenzee (exploratiefase);

    • voorbereiden besluitvorming ten aanzien van nieuwe kerncentrale Borssele.

Regels t.a.v. veiligheid van transportinfrastructuur

Doel en beschrijving:

De Nederlandse en de voor Nederland belangrijke Europese energie transportinfrastructuur moet veilig zijn, zodat de voorzieningszekerheid wordt bevorderd en nadelige gevolgen voor mens en milieu worden voorkomen. De aandacht van EL&I gaat uit naar bescherming van deze infrastructuur tegen organisatorisch, technisch, onbewust menselijk falen of ernstige externe oorzaken zoals natuurrampen maar ook de security-aspecten (moedwillige verstoringen) worden daarbij meegenomen.

Het toezicht op de kwaliteit en toegankelijkheid van elektriciteitsnetwerken wordt door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa/Energiekamer) geregeld, met onder andere aandacht voor calamiteitenplannen. Staatstoezicht op de Mijnen houdt toezicht op de gasinfrastructuur.

Voornaamste acties in 2012:

  • De afgelopen twee jaar zijn onderzoeken naar met name het security-aspect in de energie sector afgerond. Aanbevelingen uit deze onderzoeken zullen in regelgeving (herziening reguleringskader) worden opgenomen. Dit geeft de sector meer houvast bij de door hen te nemen maatregelen om de security van hun netwerken te vergroten.

Strategische aardolievoorraden

Doel en beschr