Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 105, item 46

46 Stelselherziening jeugdzorg

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 20 juni 2012 over stelselherziening jeugdzorg.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Voorzitter. We hebben in het algemeen overleg gesproken over de voortgang van de stelselherziening jeugdzorg. Dat geeft aanleiding om op twee punten een motie in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de onafhankelijke vertrouwenspersonen in de jeugdzorg en de (jeugd)ggz een wezenlijke bijdrage leveren aan de bescherming van rechten van de cliënt/patiënt en familieleden;

overwegende dat de onafhankelijke vertrouwenspersoon, door bijstand te leveren bij vragen en klachten, problemen vroegtijdig kan helpen oplossen, waarmee juridische procedures worden voorkomen en (structurele) tekortkomingen worden gesignaleerd en gemeld;

van oordeel dat onafhankelijke vertrouwenspersonen werkzaam zijn bij een onafhankelijk rechtspersoon die, onafhankelijk van zorgaanbieders, cliënten en patiënten op hun verzoek bijstaan, en de overheid daartoe subsidie verstrekt aan de door hen aangewezen rechtspersoon conform huidige wet- en regelgeving en praktijk in de Wet op de Jeugdzorg en de Wet BOPZ (straks in de Wet verplichte GGZ en de Wet zorg en dwang);

verzoekt de regering, de onafhankelijkheid, deskundigheid en beschikbaarheid van de onafhankelijke vertrouwenspersoon voor alle cliënten in het wetsvoorstel Zorg voor jeugd uniform te regelen en zeker te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem, Kooiman en Dibi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 222 (31839).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

De tweede motie gaat over een tamelijk principieel punt: waar kan het gezag over kinderen worden ondergebracht als de rechter besluit om ouders dat gezag te ontnemen?

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gezag over kinderen, tijdelijk of definitief, gedeeltelijk of volledig aan ouders kan worden ontnomen door de kinderrechter;

overwegende dat het gezag in die situaties nu wordt ondergebracht bij Bureaus Jeugdzorg, die daartoe een wettelijke opdracht hebben;

van oordeel dat het op basis van een uitspraak van de kinderrechter uitoefenen van het gezag over kinderen geen onderdeel moet worden van aanbesteding van jeugdzorg;

spreekt uit dat, wanneer het gezag over kinderen aan ouders wordt ontnomen, dit gezag altijd bij een overheid(sorganisatie) komt te berusten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 223 (31839).

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het geld dat voor jeugdzorg is bedoeld, ten goede moet komen aan de hulp en zorg voor kinderen;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat jeugdzorginstellingen, die gefinancierd zullen worden door de gemeente, geen winstoogmerk hanteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 224 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de wachtlijsten in de gesloten jeugdzorg toenemen;

constaterende dat jongeren die wegens de trajectbenadering een vervolgtraject volgen na een plaatsing in de gesloten jeugdzorg, meetellen in de capaciteit van de gesloten jeugdzorg;

constaterende dat gesloten jeugdzorginstellingen geconfronteerd worden met het feit dat er feitelijk bedden leeg staan maar dat zij geen jongeren mogen opnemen omdat zij aan de capaciteitsafspraak zitten;

verzoekt de regering, de trajecten volgend op een gesloten plaatsing binnen de gesloten jeugdzorg, niet mee te tellen in de capaciteitsafspraken gesloten jeugdzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 225 (31839).

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de jeugdzorg de komende jaren in het teken zal staan van een ingrijpende transitie en transformatie;

overwegende dat het van groot belang is om tijdens de stelselherziening jeugdzorg zo veel als mogelijk de continuïteit van zorg te waarborgen;

verzoekt de regering, ervoor zorg te dragen dat in dit veranderingsproces jongeren niet telkens hoeven over te stappen naar een andere zorgaanbieder, zodat zij de opgebouwde vertrouwensband kunnen houden met hun zorgverlener,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dibi en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 226 (31839).

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Voorzitter. Ik heb vier moties. Ik ga dus snel spreken.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de stelselherziening gemeenten verantwoordelijk worden voor het inkopen van zorg voor jeugd;

constaterende dat er instellingen zijn voor topklinische jeugd-ggz en jeugd-lvb met een groot dekkingsgebied;

van mening dat deze topklinische zorg ook na de stelselherziening geborgd moet worden;

verzoekt de regering, in overleg met het veld een inventarisatie te maken van topklinische zorg en om in overleg met het veld en de gemeenten extra waarborgen in de stelselherziening jeugdzorg voor deze topklinische zorg in te bouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 227 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de stelselherziening jeugdzorg kansen biedt voor meer laagdrempelige en preventieve jeugdhulp;

overwegende dat het betrekken van de eigen omgeving van een gezin helpt bij laagdrempelige en preventieve jeugdhulp;

verzoekt de regering, het principe van eigen kracht in de nieuwe wet zorg voor jeugd vast te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Wiegman-van Meppelen Scheppink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 228 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een integrale benadering van jeugd op verschillende beleidsterreinen zoals onderwijs, jeugdzorg en justitie van groot belang is;

constaterende dat de leeftijdsgrens van 18 jaar binnen de jeugdzorg problemen oplevert;

constaterende dat het adolescentenstrafrecht voor jongeren tot 23 jaar is ingevoerd en inmiddels onderzocht wordt of de kwalificatieplicht in het onderwijs naar 23 jaar uitgebreid kan worden;

verzoekt de regering om de wettelijke mogelijkheden en beperkingen voor jeugdzorg tot 23 jaar te inventariseren en mogelijke oplossingsrichtingen te formuleren en de Kamer voor het einde van 2012 daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins Slot en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 229 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het verankeren van de resultaten van VVl (vroeg, voortdurend en integraal) bijdraagt aan een kwaliteitsverhoging van de netwerken Integrale Vroeghulp, de ketensamenwerking bevordert en voor kinderen met een (dreigende) ontwikkelingsachterstand preventief werkt;

van oordeel dat het verankeren van de resultaten van VVl niet kan wachten op de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten en juist kan bijdragen aan de noodzakelijke transformatie;

verzoekt de regering, tot de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten het moment dat de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg feitelijk wordt overgedragen aan gemeenten, de verankering van de resultaten VVI in een landelijk dekkend netwerk Integrale Vroeghulp mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bruins Slot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 230 (31839).

Mevrouw Dille (PVV):

Om een eind te maken aan alle onduidelijkheid, de volgende twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Inspectie Jeugdzorg toezicht houdt op kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg;

overwegende dat jeugdzorg per 2015 door gemeenten uitgevoerd gaat worden;

van mening dat jeugdzorg ook na de overheveling naar de gemeenten getoetst moet worden op kwaliteit en toegankelijkheid;

verzoekt de regering om na de transitie van de Jeugdzorg het integraal toezicht, IGZ/IJZ bij alle vormen van Jeugdzorg te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dille. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 231 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zorgaanbieders in het vrijwillige kader niet verplicht zijn tot certificering;

van mening dat de kwaliteit van zorg altijd gewaarborgd dient te worden;

verzoekt de regering om voor alle zorgaanbieders certificering in zowel het vrijwillige als onvrijwillige kader toe te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dille. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 232 (31839).

Wij wachten even totdat beide bewindspersonen over de moties beschikken.

Voorzitter: Verbeet

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik zal reageren op de motie van de heer Dijsselbloem waarin hij een principieel punt heeft aangekaart met betrekking tot de voogdij. Mijn collega van VWS zal alle andere moties bespreken.

De voorzitter:

Dat is de tweede motie van de heer Dijsselbloem.

Staatssecretaris Teeven:

Inderdaad. In het dictum wordt uitgesproken dat wanneer het gezag over kinderen aan ouders wordt ontnomen, in het gedwongen kader, dit gezag altijd bij een overheidsorganisatie komt te berusten. De heer Dijsselbloem heeft tijdens het AO al aangegeven dat hij niet wil dat de voogdijtaak bij een marktpartij wordt ondergebracht. Overigens heeft hij een motie van een dergelijke strekking al eerder ingediend, naar aanleiding van het AO jeugdzorg op 19 december jongstleden. Toen ging het erom dat die taken niet terecht moesten komen bij de verlengde overheid. Ik wijs erop dat die motie toen is verworpen door uw Kamer. De motie die hij nu indient, is eigenlijk van dezelfde strekking.

Ik zou hierover willen zeggen wat ik bij het genoemde AO ook heb gezegd. Dit is in die zin wel een principieel onderwerp dat de heer Dijsselbloem aankaart maar niet zo'n heel principiële opstelling naar het oordeel van de regering, omdat Bureau Jeugdzorg natuurlijk ook geen overheidsinstantie is. In feite vraagt hij de regering iets te doen wat nu niet gebeurt. Het gezag zit nu ook niet bij een overheidsorganisatie. Ik heb in het AO aangegeven dat dat ook niet noodzakelijk is. Het gaat erom dat de kwaliteit van de organisatie die het gezag krijgt voldoende is. Ik moet deze motie ontraden.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

Voorzitter. De eerste motie van de heer Dijsselbloem, mevrouw Kooiman en de heer Dibi gaat over een onafhankelijk vertrouwenspersoon. Ik kan daarin een heel eind meegaan, tot in de laatste alinea het woord "uniform" staat. Dus ik vraag mij af of daar met de heer Dijsselbloem, mevrouw Kooiman en de heer Dibi over te praten is, zodat het oordeel aan de Kamer kan zijn. Anders moet ik de motie ontraden. Het bezwaar is dat een uniforme regeling op rijksniveau de beleidsvrijheid van gemeenten in de weg staat. Ik kan de indieners een heel eind tegemoetkomen inzake een onafhankelijk vertrouwenspersoon als op rijksniveau de vertrouwenspersoon voor de instellingen waarover wij blijven gaan het gedwongen kader blijft en de gemeenten zelf de invulling van een onafhankelijke vertrouwenspersoon mogen regelen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik schrap het woord "uniform" en dan komen wij daarop terug bij de wetsbehandeling.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

Prima. Dan is het oordeel aan de Kamer.

De derde motie is van mevrouw Kooiman. Zij vraagt mij om ervoor te zorgen dat de aanbieders geen winstoogmerk hanteren. Daaraan kan ik tegemoetkomen in het licht van de volgende duidelijkheid die ik wil creëren. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en ik onderzoeken of er ongewenste prikkels in het systeem zitten die kunnen leiden tot het onbedoeld verkeerd aanwenden van middelen. Wij kunnen dat op de agenda van het transitiebureau zetten zodat dat daarop let, en wij kunnen kijken of provinciale subsidieverordeningen en het provinciale inkoopbeleid op dit moment maatregelen kennen om dergelijke prikkels tegen te gaan en die dan overnemen in de nieuwe wet. Dus in die zin kunnen wij tegemoetkomen aan deze motie. Dan is het oordeel aan de Kamer.

De voorzitter:

Mevrouw Kooiman knikt. Het oordeel is aan de Kamer.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

In de vierde motie heeft mevrouw Kooiman gevraagd om extra capaciteit mogelijk te maken voor de gesloten jeugdzorg door de trajectbenadering daarin niet mee te tellen. Die motie moet ik ontraden, want met Jeugdzorg Nederland is duidelijk overleg en de aanbieders geven aan geen extra capaciteit nodig te hebben. Dat zou betekenen dat ik onnodige capaciteit mogelijk maak. Dus deze motie ontraad ik.

De heer Dibi en de heer Dijsselbloem hebben gevraagd om te zorgen dat individuele cliënten, jongeren, niet van de ene aanbieder naar de andere en van de ene jeugdzorgmedewerker naar de andere hoeven. Die motie zie ik als ondersteuning van het beleid. Om te voorkomen dat die daarmee overbodig is laat ik het oordeel aan de Kamer. Deze is dus recht in de roos.

De motie op stuk nr. 227 van mevrouw Bruins Slot en de heer Dijsselbloem gaat over het inkopen van specifieke vormen van zorg, zoals traumazorg en zorg bij eetstoornissen. Die mag inderdaad niet verdwijnen. Dit is een belangrijk punt, dus ook deze motie laat ik over aan het oordeel van de Kamer.

Mevrouw Bruins Slot en mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink hebben in hun motie op stuk nr. 228 gevraagd om het principe van de eigen kracht te verwerken in het wetsvoorstel. Ook dat zie ik als een belangrijk punt, midden in het beleid, en daarom laat ik ook deze motie over aan het oordeel van de Kamer.

De motie op stuk nr. 229 van mevrouw Bruins Slot en mevrouw Kooiman gaat over de leeftijdsgrens binnen het stelsel van de jeugdzorg. Op dit moment ligt die grens op 18 jaar. Er is een flink aantal oorzaken waardoor die grens op 18 jaar ligt. Laat ik daar duidelijk over zijn. Als mevrouw Bruins Slot een inventarisatie vraagt, dan kan ik die doen. Ik kan inventariseren waarom de grens nu op 18 jaar ligt en wat de belemmeringen zouden kunnen zijn om die te verhogen naar 23 jaar. Als dus wordt gevraagd om een inventarisatie, dan vind ik dat een goed idee. Daar kan het volgende kabinet dan goed mee uit de voeten. Ik laat deze motie over aan het oordeel van de Kamer.

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Ik mocht feitelijke vragen stellen. Ik kan er goed in meegaan, maar ik neem aan dat behalve de belemmeringen ook de kansen worden geïnventariseerd. Dus beide kanten.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner:

Het wordt een brede inventarisatie, zodat er na afronding apolitiek prima mee kan worden gewerkt.

De motie op stuk nr. 230 gaat over VVI: Vroeg, Voortdurend, Integraal. Dat is een project geweest dat is afgerond met een handreiking die vandaag of morgen wordt aangereikt. Die handreiking zal via de gemeenten verder worden verspreid. Ik zal dat komende week onder de aandacht van de gemeenten en van het TransitieBureau brengen, zodat ze daarmee aan de slag gaan. Mocht er aanleiding toe zijn om een nog sterker aanjagende rol op mijn schouders te nemen, dan schuw ik dat niet. Ik begrijp echter dat het op dit moment om de implementatie gaat. Daartoe zal ik de betrokken partijen stimuleren.

Ik kom, ten slotte, op de twee moties van mevrouw Dille. Ze vraagt in de motie op stuk nr. 231 om integraal toezicht van de IJZ en de IGZ op alle vormen van jeugdzorg. We hebben een onderscheid gemaakt. Er is integraal toezicht in de zware vormen van de jeugdzorg. Uitgangspunt daarbij is de mate waarin kinderen afhankelijk zijn en aangetast in de persoonlijke levenssfeer. Daarop is het stelsel gebaseerd. Ik moet deze motie dus ontraden. Ik ken de hartenwens, maar ik moet deze motie ontraden.

In de motie op stuk nr. 232 wordt gevraagd om certificering voor alle vormen van jeugdhulp. Nee. Gemeenten hebben beleidsvrijheid. Dat is ook het uitgangspunt van de stelselwijziging. Wel worden op centraal niveau criteria geformuleerd. Verder is er certificering voor alle instellingen die werken in het gedwongen kader. Deze motie, met daarin deze specifieke vraag, moet ik dus ontraden. Er zijn echter wel centrale criteria.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor het geven van haar oordeel over de moties en voor haar aanwezigheid. De stemmingen over de moties vinden plaats bij de eindstemming vanavond.