Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 105, item 75

75 Herziening EU-wetgeving bescherming persoonsgegevens

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 3 juli 2012 over de herziening van EU-wetgeving inzake bescherming van persoonsgegevens.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ik heb twee moties van de zijde van de Partij van de Arbeid.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het College bescherming persoonsgegevens krachtiger instrumenten nodig heeft om daadkrachtig op te treden;

constaterende dat in andere landen zoals Spanje en het Verenigd Koninkrijk reeds een boetebevoegdheid bestaat;

overwegende dat meerdere keren in de Kamer gesproken is over de noodzaak om het college een boetebevoegdheid te geven;

constaterende dat de Europese Commissie privacywetgeving heeft voorgesteld, waarin een boetebevoegdheid voor de nationale toezichthouder is opgenomen;

van mening dat dit proces vele jaren kan duren, waardoor het college te lang moet wachten op deze noodzakelijke boetebevoegdheid;

roept de regering op, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 1 januari 2013, de boetebevoegdheid voor het College bescherming persoonsgegevens (wettelijk) mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Recourt, Elissen en Berndsen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (32761).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de richtlijn, geïntroduceerd door de Europese Commissie, welke betrekking heeft op het gebruik van persoonsgegevens in verband met de opsporing en vervolging van strafbare feiten, gevolgen zal hebben voor de privacy van een groot deel van alle Europese burgers;

overwegende dat de effectieve aanpak van criminaliteit aparte regels voor privacybescherming rechtvaardigt;

constaterende dat hoofdstuk vijf van deze conceptrichtlijn regels geeft met betrekking tot de doorgifte van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Unie;

constaterende dat deze regels tevens ruimte bieden voor doorgifte naar landen zonder passend beschermingsniveau, onder meer op basis van eigen beoordeling door autoriteiten en op basis van een heel aantal zeer ruim geformuleerde uitzonderingen;

constaterende dat deze regels tevens ruimte laten voor doorgifte naar niet-competente autoriteiten in derde landen;

verzoekt de regering, zich in te spannen de richtlijn zo vorm te geven dat bij de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen de privacybescherming die deze richtlijn beoogt te bieden, ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Recourt en Berndsen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (32761).

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Tijdens het algemeen overleg hebben wij gesproken over twee belangrijke Europese documenten in wording: de Europese verordening en de Europese richtlijn met het oog op bescherming van persoonsgegevens. Ik heb geen moties, maar ik wil nog wel even hier in alle duidelijkheid precies zeggen waar de VVD voor staat.

Wij vinden de bescherming van persoonsgegevens ongelooflijk belangrijk. De modernisering van bestaande wet- en regelgeving is essentieel en noodzakelijk. Daarbij moet gezocht worden naar een balans tussen wat praktisch uitvoerbaar is en wat vanwege de huidige maatschappij noodzakelijk is. De VVD is dan ook zeer kritisch, met name over de verordening. De delegatiebepalingen zijn ongebreideld; het zijn er maar liefst 30. De normen in de verordening zijn vaag. De interpretatie daarvan wordt overgelaten aan de Europese toezichthouders. Ook over de overdracht van bevoegdheden en de enorme kosten voor het bedrijfsleven – nog steeds is niemand in staat om te vertellen wat het precies gaat kosten – zijn wij zeer kritisch. Wij geven dan ook heel graag, ook vanavond in het laatste debat hier, aan de staatssecretaris mee dat hij wat ons betreft zeer kritisch in de onderhandelingen moet zitten. Dat geldt voor zowel de richtlijn als de verordening.

De heer Elissen (PVV):

Voorzitter. Ik zal het kort houden. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik dien twee moties in, omdat ik het belangrijk vind dat wij datgene wat wij vanuit Europa krijgen, kritisch volgen en vooral aan de voorkant zo veel mogelijk sturing geven.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de definitie van persoonsgegevens de kern vormt van de nieuwe verordening en de richtlijn betreffende de bescherming van persoonsgegevens, te weten COM(2012) 10 en COM(2012) 11), en dat deze zorgvuldig tot stand zal moeten komen;

verzoekt de regering om in toekomstige wet- en regelgeving, van welke aard dan ook en op welk niveau dan ook, zorg te dragen voor het hanteren van een eenduidige definitie van persoonsgegevens, waarbij deze gegevens omvat op basis waarvan een persoon geïdentificeerd of van anderen onderscheiden kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Elissen, Van Toorenburg, Recourt, Berndsen en Gesthuizen.

Zij krijgt nr. 37 (32761).

De heer Elissen (PVV):

Mijn tweede motie betreft een wat technische kwestie, dus deze motie is wat meer uitvoerig, voorzitter, waarvoor excuses.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verordening die betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens en waarover in Europa wordt onderhandeld, gevolgen zal hebben voor de privacy van alle Nederlandse burgers;

constaterende dat deze verordening in artikel 6 het principe van doelbinding, een van de fundamenten van het gegevensbeschermingsrecht, wijzigt en daarmee meer ruimte biedt voor verwerkingen van persoonsgegevens van burgers voor andere doelen dan waarvoor de gegevens verzameld zijn, ongeacht de vraag of die doelen verenigbaar zijn met het oorspronkelijke doel;

constaterende dat het deels loslaten van het beginsel van doelbinding een verzwakking van het privacybeschermingsniveau oplevert;

overwegende dat de Tweede Kamer op 15 maart 2012 middels de unaniem aangenomen motie-Elissen, 32761, nr. 19, de regering verzocht om het huidige privacybeschermingsniveau in ieder geval als ondergrens te handhaven en als leidend aan te merken;

verzoekt de regering om er zorg voor te dragen dat de verordening zal voorzien in een bepaling die verwerking van persoonsgegevens voor andere doelen dan het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, uitsluitend mogelijk is in geval van verenigbaarheid en op basis van een wettelijke grondslag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Elissen, Van Toorenburg, Recourt en Berndsen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (32761).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in deze termijn. Het gaat om vier moties en wat opmerkingen die de heer Van der Steur in zijn termijn heeft gemaakt. Ik dank de heer Van der Steur voor zijn woorden, die ik zie als ondersteuning van het beleid van het kabinet. Daar hebben we uitgebreid met elkaar over gepraat in het algemeen overleg dat deze week plaatsvond. Het kabinet heeft natuurlijk ook rekening te houden met het behandelvoorbehoud dat uw Kamer heeft gemaakt. Dat betekent dat wij in de komende periode, als de ambtelijke werkgroepen in Europa aan het werk gaan, steeds zullen terugkoppelen wat daar gebeurt, zeker als het gaat om de ruime interpretatienormen van de verordening, de delegatie- en de uitvoeringsbepalingen die nader moeten worden ingevuld door de Commissie. Dat vraagt uiterste alertheid van de Nederlandse regering en die alertheid zullen we betrachten.

Ik kom aan de moties toe. Allereerst de motie op stuk nr. 35 van de heer Recourt en anderen over de boetebevoegdheid. Daar hebben we in het algemeen overleg uitgebreid over gepraat. Ik heb toen ook aangegeven dat ik er niet voor voel om dubbel werk te gaan verrichten en dat er in ambtelijke werkgroepen de komende maanden – dat werk gaat gewoon door – zal worden gesproken over de boetebevoegdheid. Die bevoegdheid heeft dus onze aandacht, maar we zijn nog niet zo ver dat we nu heel snel een wet in elkaar gaan knutselen om het CBP ogenblikkelijk een boetebevoegdheid te geven. Dat moment zou kunnen komen. Als Europa en de Commissie inderdaad zo traag zijn als de heer Recourt en de andere indieners van deze motie verwachten, dan zou dat moment er kunnen komen. Zo ver is het echter nog niet en om die reden zeg ik: geen dubbel werk, geen onnodige verspilling van belastinggeld. Ik ontraad dan ook de aanneming van deze motie.

Dan de tweede motie van de heer Recourt, de motie op stuk nr. 36. Daarin wordt de regering verzocht, zich in te spannen om de richtlijn zo vorm te geven bij de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen de privacybescherming ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dat is ook de inzet van de regering in het onderhandelingsproces. De ambtelijke werkgroepen zijn daar druk mee bezig. Ik heb ook verslag gedaan van wat er op 22 en 23 februari in Europa is besproken. Wat mij betreft, is deze motie overbodig. Dat is ook een oordeel dat het kabinet kan geven.

Dan kom ik aan de moties van de heer Elissen. De motie op stuk nr. 37 behelst dat de regering zich in zou zetten voor een eenduidige beschrijving van de definitie persoonsgegevens, zodat daar duidelijkheid over komt. Ik heb in het algemeen overleg dat we met elkaar hadden, duidelijk aangegeven dat dit wel een dynamisch geheel is en dat het ook onderdeel is van de vorming van jurisprudentie, maar dat we op dit moment toch wel behoorlijk hebben ingekaderd in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens wat persoonsgegevens inhouden. Ik acht die motie overbodig, want dat was al de inzet van het kabinet en het zal de inzet van het kabinet blijven. Ook daarvan zal ik de Kamer verslag doen. Ik zie de heer Elissen een beetje knikken en een beetje schudden. Ik ging ervan uit dat dit een van de programmapunten van zijn fractie is die ook daadwerkelijk moeten worden gerealiseerd. Ik zeg hem dat het kabinet dat daadwerkelijk gaat realiseren. Daar kan hij van op aan. Uit zijn non-verbale gedrag maak ik op dat hij dat in ieder geval waardeert.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 38, die door velen van de leden is ondertekend.

De voorzitter:

Een seconde, mijnheer de staatssecretaris. Is uw oordeel over de motie op stuk nr. 37 dat ze ondersteuning van beleid is?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, de motie op stuk nr. 37 acht ik overbodig, want we doen het al.

In de motie op stuk nr. 38 wordt de regering verzocht om er zorg voor te dragen dat de verordening zal voorzien in een bepaling die de verwerking van persoonsgegevens voor andere doelen dan het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, uitsluitend mogelijk maakt in geval van verenigbaarheid en op basis van een wettelijke grondslag, de doelbindingsdiscussie. Ook daar hebben we uitgebreid over gesproken. Ik heb in het AO aangegeven – en het is misschien goed om dat hier nog een keer te doen – dat er, als het over de structurele uitwisseling van gegevens gaat, altijd sprake moet zijn van een wettelijke grondslag. Ik heb ook gezegd dat er vanuit het oogpunt van veiligheid soms de mogelijkheid moet bestaan om incidenteel gegevens uit te wisselen. Ik heb het begrip "dynamisch karakter" genoemd. Ik zie het lijstje van ondertekenaars van deze motie. Zij komen allemaal uit fracties die de veiligheid hoog in hun vaandel hebben staan. Ik heb het voorbeeld genoemd van de bestrijding van terrorisme en dat het in dat kader soms mogelijk moet kunnen zijn om buiten de doelbinding te gaan bij de uitwisseling van informatie. Als het doel van deze motie is dat structurele uitwisseling van gegevens, informatie-uitwisseling, een wettelijke grondslag moet hebben als die buiten de doelbinding gaat, beschouw ik haar als ondersteuning van beleid. Als ik de strekking breder moet zien, dus dat dit ook moet gelden voor incidentele uitwisseling van informatie, ontraad ik haar. Ik weet niet precies was de heer Elissen bedoelt. Misschien kan hij dat nog aangeven.

De voorzitter:

Ik vraag de heer Elissen om te vertellen hoe hij deze motie interpreteert.

De heer Elissen (PVV):

Incidentele verzoeken gaan in de praktijk altijd via rechtshulpverzoeken. Het moet in elk geval niet zo zijn dat er op basis van een verplichting vanuit een land, zonder dat er sprake is van wederzijdse strafbaarstelling, zonder tussenkomst van een rechter of een officier van justitie, dus zonder toetsing, zomaar gegevens kunnen worden verstrekt. Zoals het in de motie staat, is het bedoeld: in brede zin.

Staatssecretaris Teeven:

De heer Elissen vernauwt het nu weer een beetje. Daarom ontraad ik de motie. Ik denk dat gegevensuitwisseling tussen lidstaten, ook waar het gaat om uitwisseling van politie-informatie in het kader van bijvoorbeeld de bestrijding van terrorisme, mogelijk moet zijn zonder rechtshulpverzoek. De heer Elissen vernauwt het een beetje. Daarom ontraad ik de motie. Ik wil dat wij zware criminaliteit en terrorisme bestrijden. Daarbij moeten wij niet altijd eerst moeten wachten op een rechtshulpverzoek, zoals de heer Elissen wil. Ik denk dat dit niet de inzet kan zijn. Het verbaast mij ook een beetje dat dit de inzet is van de fractie van de PVV.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn aanwezigheid en zijn deelname aan het debat. Wij gaan straks stemmen over de ingediende moties. Ik schors de vergadering voor een uur.

De vergadering wordt van 22.43 uur tot 23.45 uur geschorst.

Voorzitter: Verbeet