Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734550-XII nr. 2

34 550 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2017

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

Pagina

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

1.

Leeswijzer

5

     

2.

Beleidsagenda

10

     

3.

De beleidsartikelen

27

 

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

27

 

Beleidsartikel 12 Waterkwaliteit

42

 

Beleidsartikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

43

 

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

56

 

Beleidsartikel 15 OV-keten

65

 

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

66

 

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

76

 

Beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens

86

 

Beleidsartikel 19 Klimaat

94

 

Beleidsartikel 20 Lucht en geluid

104

 

Beleidsartikel 21 Duurzaamheid

110

 

Beleidsartikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

117

 

Beleidsartikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

128

 

Beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht

132

 

Beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering

138

 

Beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

140

     

4.

De niet-beleidsartikelen

145

 

Niet-beleidsartikel 97 Algemeen Departement

145

 

Niet-beleidsartikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

148

 

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en Onvoorzien

152

     

5.

Begroting Agentschappen

153

 

Agentschap Rijkswaterstaat

153

 

Agentschap Inspectie Leefomgeving en Transport

162

 

Agentschap Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

167

 

Agentschap Nederlandse Emissieautoriteit

173

     

6.

Bijlagen

178

 

Bijlage 1 ZBO en RWT’s

178

 

Bijlage 2 Verdiepingsbijlage

181

 

Bijlage 3 Moties en toezeggingen

215

 

Bijlage 4 Subsidieoverzicht

268

 

Bijlage 5 Evaluatie/ en overig onderzoek

276

 

Bijlage 6 Overzichtsconstructie Milieu

292

 

Bijlage 7 Afkortingenlijst

296

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft drie begrotingen:

  • 1. de voorliggende beleidsbegroting Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting,

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

De twee fondsbegrotingen van IenM, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenM, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening en sinds 2015 ook waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht (voorheen MIRT Projectenboek). Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen de begrotingen van de fondsen en het MIRT overzicht te verhelderen wordt vanaf Begroting 2016 in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenM zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl, het MIRT Overzicht 2017 is te vinden op www.mirtoverzicht.nl en het Deltaprogramma op www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma.

1. LEESWIJZER

Algemeen

De opzet en structuur van de onderliggende begroting voor Hoofdstuk XII is gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. In de rijksbegrotingsvoorschriften 2016 zijn onderstaande uniforme ondergrenzen opgenomen, welke worden gehanteerd bij het toelichten van begrotingsmutaties op het niveau van artikelonderdeel in het verdiepingshoofdstuk.

Norm bij te verklaren verschillen

Omvang begrotingsartikel

(stand ontwerpbegroting)

in € miljoen

Beleidsmatige mutaties

(ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties

(ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

≥ 50 en < 200

2

4

≥ 200 < 1.000

5

10

≥ 1.000

10

20

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op deze regelgeving voor deze begroting de onderstaande punten verwerkt.

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen bijdrage aan het Infrastructuurfonds en bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2030.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de betreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Opbouw

Dit wetsvoorstel kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd. Deze verdiepingsslag is als volgt opgebouwd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2017 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de mutaties die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van prioriteiten voor 2017 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid.

  • 3. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 4. In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 5. In de verdiepingsbijlage (bijlage 4.2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 6. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie Schouw (Kamerstukken II, 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenM heeft de Raad voor 2017 geen specifieke aanbevelingen gedaan (COM 2016; 339).

Motie Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenM begrotingen, is opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie Leegte (Kamerstukken II 2014–2015 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenM vallen opgenomen. Bij de betreffende beleidsartikelen 14 Wegen en verkeersveiligheid en 19 Klimaat worden de maatregelen genoemd.

Wat is nieuw in deze begroting

Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf worden de belangrijkste verbetering in de begroting beschreven ten opzichte van het voorgaande jaar.

Verbeteringen informatievoorziening via de begrotingscyclus

In het afgelopen jaar is er door de rapporteurs voor de begrotingscyclus vanuit de Tweede Kamer samengewerkt met vertegenwoordigers vanuit IenM om tot verbetervoorstellen voor de informatievoorziening via de begrotingscyclus te komen. In het Wetgevingsoverleg Jaarverslag op 30 juni hebben zij over hun aanbevelingen gerapporteerd. Dit heeft aanleiding gegeven om een aantal wijzigingen in de informatievoorziening door te voeren:

  • 1. In het MIRT Overzicht 2017 is bij de projecten in de planuitwerking- en realisatiefase via een tabel inzicht gegeven in de ontwikkeling van de planning en het budget. In de tabellen wordt in principe vijf jaar terug gekeken of vanaf het eerstvolgende jaar nadat er een MIRT-fasewisseling heeft plaatsgevonden. In het aankomende jaar wordt gewerkt aan het verder verbeteren van de kwalitatieve toelichting op de verschillen in budget, planning en realisatie.

  • 2. In het MIRT Overzicht 2017 is bij de projecten in de realisatiefase een tabel opgenomen waarin de voortgang van de realisatie zichtbaar is.

  • 3. In het MIRT Overzicht 2017 is aanvullende informatie opgenomen over de financiën, voortgang, budgetflexibiliteit en scope van de onderdelen van diverse programma’s van IenM, te weten: SmartwayZ.nl (programma bereikbaarheid Zuid-Nederland), Schiphol-Almere-Amsterdam, Beter Benutten, Programma Hoogfrequent Spoor, OV SAAL, nHWBP en de Vervanging en Renovatieprogramma’s van het Hoofdwegennet, Hoofdvaarwegennet en Hoofdwatersysteem. Er is door het departement gekozen voor deze lijst omdat de programma’s aan één of meer van de volgende kenmerken voldoen: er is sprake van een substantiële financiële omvang van het totaal of de afzonderlijke onderdelen, een lange looptijd en/of er wordt separaat gestuurd op de diverse onderdelen.

  • 4. Met betrekking tot de grote projecten geldt dat de aanvullende informatievoorziening blijft lopen via de voortgangsrapportages. Bij de ronde van rapportages van de grote waterprojecten dit najaar zal hierbij op advies van de rapporteurs in de aanbiedingsbrief kwalitatief expliciet worden gemaakt welke informatie nieuw is ten opzichte van voorgaande rapportages. Mocht deze werkwijze bevallen dan kan in overleg met de rapporteurs gekeken worden of deze naar meer domeinen of rapportages uitgebreid kan worden.

  • 5. In de bijlage 4 Instandhouding van de Infrastructuurfonds- Deltafondsbegroting 2017 is aanvullende informatie opgenomen over DBFM contracten en meer specifiek het onderhoud van welk deel van het areaal in de contracten is ondergebracht en op welke wijze dat areaal wordt onderhouden en gefinancierd na afloop van de contracten. Op de subartikelen voor geïntegreerde contracten op het Infrastructuurfonds is een extra informatie opgenomen met daarin de einddata van de lopende DBFM contracten en de mate van verplichting van de budgetten. Op het Deltafondsbegroting staan op dit moment nog geen uitgaven voor DBFM-contracten. Richting het jaarverslag 2016 wordt onderzocht of er in het jaarverslag informatie kan worden opgenomen over de DBFM projecten die in het afgelopen jaar opgeleverd zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de financiële voordelen en de risicoverdeling bij meerkosten.

  • 6. In de bijlage 4 instandhouding zal in de Infrastructuurfonds en Deltafondsbegroting 2018 inzicht worden geboden in de beschikbare budgetten en budgetbehoefte voor Instandhouding. Rijkswaterstaat brengt op basis van de theoretische referentie het benodigde langjarige bedrag voor Instandhouding bij gelijkblijvend prestatieniveau in beeld. Hierover worden de komende tijd gesprekken gevoerd gelijktijdig met de nieuwe prestatieafspraken (SLA). Deze afspraken zullen in de ontwerpbegroting 2018 worden meegenomen.

  • 7. In de IenM begroting is een nieuw overzicht opgenomen in de beleidsagenda waarin inzicht wordt geboden in de niet-juridisch verplichte uitgaven per begrotingshoofdstuk. Op de fondsen wordt reeds sinds enkele jaren aanvullend op de Rijksbegrotingsvoorschriften inzicht verschaft in de budgetflexibiliteit van de uitgaven die geprogrammeerd zijn voor de aanleg van infrastructuur. In de leeswijzer van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds wordt hier nadere uitleg over gegeven.

Met de eerste wijziging hierboven wordt er ook invulling gegeven aan de toezegging van de Staatssecretaris van IenM van 23 oktober 2015 om het inzicht te vergroten in het historisch perspectief van de grote spoorprojecten waaronder de stationsverbouwingen (Kamerstukken II, 2015–2016 29 984, nr. 631). Met de tweede wijziging wordt er tevens invulling gegeven aan de afspraak met de Algemene Rekenkamer om de informatie over de voortgang van de realisatie van de projecten in het vervolg vanuit IenM te publiceren. In het verleden was deze informatie enkel beschikbaar via het webdossier van de Algemene Rekenkamer zelf.

Het traject met de rapporteurs is meerjarig van aard. In overleg met de rapporteurs wordt in het aankomende jaar verder gewerkt. In dit jaar wordt in ieder geval onderzocht of in het MIRT overzicht 2018 een financiële eindverantwoording kan worden geïntroduceerd voor de opgeleverde projecten in lijn met de aanbevelingen van Algemene Rekenkamer op dat vlak en of op de projectbladen de koppeling tussen project- en beleidsdoelstellingen meer expliciet gelegd kan worden.

Wijziging en conversie naam en algemene doelstelling artikelen 15 OV-Keten en 16 Spoor

In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. De huidige begrotingsindeling sluit hier niet op aan, omdat er sprake is van een apart artikel voor Openbaar Vervoer en een apart artikel voor Spoor. Daarom heeft IenM bij Eerste suppletoire wet 2016 aangekondigd om bij Begroting 2017 de artikelen samen te voegen tot één nieuw artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 16 aangepast van «Spoor» naar «Openbaar Vervoer en Spoor». Artikel 15 OV-keten wordt geschrapt en zal opgaan in het nieuwe artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Met dit integrale artikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken. De Tweede Kamer is over deze wijziging geïnformeerd (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 73)

Artikel

Huidige naam

Nieuwe naam

16

Spoor

Openbaar vervoer en Spoor

16.01

Spoor

OV en Spoor

Ontwikkeling informatievoorziening bij het Ministerie van IenM

Op 29 juni 2016 is de Tweede Kamer middels een brief (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 72) inzicht gegeven in de beleidsprioriteiten die leidend zijn voor de ICT-projectenportfolio van het Ministerie van IenM, zoals bedoeld in de kabinetsreactie op het rapport «Grip op ICT» van de tijdelijke commissie-ICT (Kamerstukken II 2014–2015 33 326, nr. 13). Deze brief geeft een beeld van het belang van informatievoorziening (IV) voor IenM en de wijze waarop de organisatie wordt versterkt op het vlak van IV. Daarnaast geeft de brief inzicht in de rol van IV in een aantal beleidsbepalende projecten en programma’s van IenM. Dit laat zien dat informatievoorziening inmiddels een bepalende factor is bij beleid, uitvoering en inspecties van IenM. Om informatievoorziening een volwaardige rol te laten spelen zal een ontwikkeltraject van een aantal jaren moeten worden doorlopen. De complexiteit van het terrein en de veelheid aan factoren die een rol spelen, vergen een zorgvuldige aanpak. Met het lopende ontwikkeltraject sluit IenM aan op de rijksbrede aanpak Operatie Informatiebestel Rijk geleid door de Minister van WenR.

Indicatoren basisregistraties artikel 13

In de beleidsdoorlichting ruimtelijke ordening (artikel 13), die in 2015 is verschenen, is de aanbeveling opgenomen om vorm te geven aan een overkoepelende evaluatie- en monitoringprogramma voor het ruimtelijk beleid. In dit evaluatieprogramma zal expliciet aandacht gegeven moeten worden aan de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de ingezette financiële instrumenten. Als een eerste uitwerking daarvan is het voornemen om vanaf de Begroting 2018 samen met andere overheden jaarlijks een van de onderdelen te evalueren.

In de beleidsdoorlichting is tevens de aanbeveling gedaan om de structuur van artikel 13 te verbeteren. Naar aanleiding van deze aanbeveling is het voornemen dat in de Begroting 2018 een nieuwe set kernindicatoren wordt opgenomen. Deze zijn echter op het moment van publiceren van de Begroting 2017 nog niet gereed. De verouderde indicatoren voor de basisregistraties voor de Begroting 2017 zijn reeds komen te vervallen.

2. BELEIDSAGENDA

Inleiding

Ons land heeft veel om trots op te zijn. De internationale concurrentiepositie is sterk, er is een gezond werk- en leefklimaat en we lopen voorop met innovatieve oplossingen voor bereikbaarheids-, waterveiligheids-, en duurzaamheidsvraagstukken. Ook is onze infrastructuur van wereldklasse: volgens het World Economic Forum scoren alleen Singapore en Hong Kong hoger. Deze goede uitgangspositie is een aanmoediging om ons land voor te bereiden op de toekomst. Voor ons liggen volop vraagstukken en nieuwe mogelijkheden om ons land in de mondiale wereldtop te houden.

Zowel op het gebied van milieu als mobiliteit staan we aan de vooravond van grote veranderingen. Zo is er een forse inspanning nodig om klimaatverandering tegen te gaan en tegelijkertijd ons land weerbaar te maken. Ook zet de verstedelijking door: we zien dat mobiliteitsvraagstukken zich verplaatsen van tussen de steden naar binnen de steden. We hebben alles in huis om wereldleider te worden op het gebied van slimme en duurzame mobiliteit. Bovendien zien we veel kansen om onze economie duurzaam te maken: Nederland kan het Silicon Valley van de circulaire economie worden.

Het komend jaar willen we ingezette bewegingen op snelheid brengen en houden, resultaten zien voor korte termijn opgaven en nadrukkelijk de weg inslaan naar een mooier, mobieler en duurzamer land met een ijzersterke internationale concurrentiepositie.

De afgelopen jaren zijn hiervoor grote stappen gezet. Er zijn knopen doorgehakt om korte termijn vraagstukken op te lossen en tegelijkertijd de weg te banen en richting te geven voor oplossingen voor de lange termijn.

  • In 2016 ging de Eerste Kamer akkoord met de invoering van de Omgevingswet. De sterke vereenvoudiging en stroomlijning van het omgevingsrecht is een belangrijke mijlpaal.

  • Deze kabinetsperiode realiseren we 717 kilometer aan extra rijstroken. Daarnaast zijn er knopen doorgehakt over grote wegenprojecten zoals de A13/A16, Zuid-asdok, Blankenburgverbinding, het OTB van de Ring Utrecht is getekend, de verbreding van de A1 en de A12 gerealiseerd en bovendien is er voortgang geboekt met de verbreding van de corridor Schiphol, Amsterdam, Almere; het grootste wegproject ooit.

  • Met de Actieagenda Schiphol ondersteunen we de toekomst van een sterke luchtvaart. De groei van het aantal reizigers wordt opgevangen met een uitbreiding van station Schiphol.

  • Met de oplevering van vijf grote stations (Rotterdam CS, Den Haag CS, Arnhem CS, Breda CS en Utrecht CS) kunnen we de te verwachten groei van het OV-verkeer opvangen. Daarbij wordt er geïnvesteerd in de spoorverdubbeling Heerlen-Aken ten behoeve van de verbetering van de grensoverschrijdende verbindingen en wordt er hard gewerkt aan de veiligheid op en rond het spoor.

  • Met de Deltawet, het Deltaprogramma, het Deltafonds en de deltacommissaris zijn de randvoorwaarden gecreëerd voor een koersvaste, doelmatige en samenhangende aanpak van de langer termijn waterveiligheid.

  • In 2016 zijn alle Ruimte voor de Rivier projecten afgerond en is de waterveiligheid langdurig verankerd in de deltabeslissingen.

  • Met het verbod op plastic tasjes hebben we de hoeveelheid plastic afval verminderd.

  • Al ons busvervoer is in 2025 emissievrij: daarvoor hebben we met alle OV-partijen een bestuursakkoord gesloten.

  • Tijdens ons EU-voorzitterschap is de Declaration of Amsterdam afgesloten. Op Nederlands initiatief hebben EU-lidstaten, de EU-Commissie en de marktpartijen afgesproken dat Europa in 2019 klaar is voor autonoom rijden.

  • Daarnaast worden innovaties ook in de infrastructuur zelf volop toegepast. In 2030 zal het netwerk van Rijkswaterstaat volledig energieneutraal zijn.

We zetten in op innovaties in de mobiliteit...

De komende 20 jaar gaat er enorm veel aan mobiliteit veranderen. Vooral de ontwikkelingen op het gebied van zelfsturende auto’s en technologie voor lage emissie van auto’s volgen elkaar snel op. We zien hier grote kansen liggen om onze mobiliteit veiliger, schoner en effectiever te maken. We blijven dan ook ruimte geven aan die technologische ontwikkelingen en innovaties zoals de zelfrijdende auto, Intelligente Transport Systemen (ITS) en nieuwe brandstoffen. We zien daarbij dat de bestaande regelgeving wordt ingehaald door de nieuwe technologie. Daarom werken we er op nationaal en Europees niveau aan om de regelgeving aan te passen en te moderniseren. Nederland is nu een testland geworden dat voorop loopt in de wereld. Samen met Duitsland en Oostenrijk zijn we bijvoorbeeld het eerste internationale platooning experiment aangegaan.

Nederland kent een fijnmazig spoornetwerk en is internationaal een van de koplopers in spoorvervoer. Middels de programma’s PHS, ERTMS en Beter en Meer wordt het spoornetwerk gereed gemaakt voor hoogfrequent rijden («spoorboekloos rijden») en een grotere veiligheid, betrouwbaarheid en capaciteit. Voor de verdere verbetering die we willen realiseren hebben we met de Lange Termijn Spooragenda een duidelijke agenda neergezet en afspraken gemaakt met de OV-partijen. Een van de doelstellingen is om de deur-tot-deurreis te verbeteren. Daarnaast zijn we met alle OV-partijen gestart met een Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 2040, waarin we een gezamenlijke langetermijnvisie op het gehele OV-netwerk ontwikkelen. De visie wordt opgesteld vanuit een ruimtelijk-economische invalshoek. Vervolgens is het de bedoeling om vanuit dit langetermijnperspectief terug te werken naar de transitie die dat in het hier en nu vraagt.

Een nieuwe brandstoffenmix met biobrandstoffen, waterstof en elektrisch zorgt voor de toekomst voor onze emissieloze mobiliteit. Door in Nederland vol de ruimte te bieden aan en stimuleren van alternatieve brandstoffen profiteren we volop van de groei van economie en werkgelegenheid die deze nieuwe technieken bieden. Om de emissie van alle modaliteiten te verlagen is Nederland een drijvende kracht om mondiale afspraken te maken om de lucht- en scheepvaartsector schoner te laten vervoeren. Dit vraagt nieuwe en stimulerende wetgeving en handhaving, zoals het instellen van control areas in de Noordzee. Hier worden strengere normen gesteld aan de uitstoot van schepen

... en houden tegelijk de infrastructuur op orde.

Naast innovaties in de mobiliteit blijven we onverminderd investeren in de aanpak van knelpunten in onze wegen, waterwegen en in de lucht. De afgelopen jaren zijn de files op de wegen afgenomen, hoofdzakelijk door investeringen in de verbreding van wegen. Deze investeringen hebben het fundament onder de Nederlandse economie verder versterkt. De Nederlandse economie is de laatste jaren weer aangetrokken en ook voor de komende jaren verwacht het CPB economische groei. Deze economische groei zorgt voor meer verplaatsingen en sinds 2014 zien we dan ook dat de congestie weer toeneemt. De verwachting van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) is dat de files tot 2020 verder groeien tot 10% boven het niveau van 2010. Om deze ontwikkeling te kunnen ondervangen blijft het kabinet investeren in mobiliteit. In 2017 zullen daarom de voor deze kabinetsperiode geplande 717 km aan extra rijstroken zijn opengesteld. Naast investeringen in ontbrekende schakels houden we ook de bestaande infrastructuur goed op orde. De komende jaren zullen we daarom ook steeds meer investeren in vervanging en renovatie. Bij de investeringen draagt IenM als netwerkbeheerder zelf ook bij aan de opgaven, zoals bijvoorbeeld Rijkswaterstaat dat de ambitie heeft te komen tot energieneutrale netwerken in 2030.

Vol inzetten op het klimaat en milieu is nodig om onze welvaart te behouden èn te versterken

Het historische klimaatakkoord van Parijs heeft een kentering gebracht in de maatschappelijke beleving van klimaatverandering: het economisch belang van het stoppen van de opwarming van de aarde is maatschappelijk breed gedragen. De vraag is niet meer of overheden en marktpartijen iets moeten doen aan klimaatverandering, maar hoe de klimaatverandering wordt gestopt. De uitdaging is om daarbij aan de ene kant de kosten voor de transitie naar een duurzame economie zo laag mogelijk te houden, maar wel tijdig de benodigde transitie in gang te zetten. Innovatie is daarbij essentieel. We moeten actief werken aan ontwikkeling van klimaatinnovaties op Nederlandse bodem en het wereldwijd vermarkten daarvan. Denk aan watermanagement, technologische oplossingen voor schoon en zuinig vervoer via de brandstofvisie en het Energie-akkoord. Daarbij moet ook een omslag in het gebruik van grondstoffen gemaakt worden. De ambitie is om niet meer onze grondstoffen te «verbruiken» totdat ze op zijn, maar om deze als het ware te «leasen» zodat ze altijd weer omgezet kunnen worden in een nieuw product. Ook dit biedt kansen voor nieuwe innovaties en ideeën. Bovendien biedt zo’n circulaire economie Nederland kansen in groei van werkgelegenheid en export.

De CO2-transitie van onze economie vraagt sturing van de overheid. Allereerst is een duidelijke en stabiele langetermijnvisie nodig. CO2-intensieve processen spelen een belangrijke rol in de Nederlandse economie, die daardoor hard geraakt kan worden door klimaatbeleid. Een abrupte overgang kan de economie sterk schaden. De transitie moet dus geleidelijk gaan maar tegelijk geloofwaardig zijn. Goede CO2-beprijzing is hiervoor essentieel. Een prijskaartje voor fossiel maakt investeren in duurzame alternatieven aantrekkelijker. Zo betaalt de vervuiler en ontstaat een prikkel om echt te investeren in een CO2-neutrale economie. Zowel Europees als mondiaal zet het kabinet zich in voor het ontwikkelen en verbeteren van emissiehandelsystemen, gericht op het beter beprijzen van CO2 en het creëren van een gelijk speelveld voor marktpartijen. Ook zijn we ervan overtuigd dat investeren in het klimaat kansen biedt voor het bedrijfsleven. Daar zetten we ons dan ook vol voor in door bijvoorbeeld handelsmissies te organiseren rondom klimaatvraagstukken. In oktober 2016 wordt daarbij nog de Nederlandse Klimaattop georganiseerd.

De overheid zet de koers uit voor de lange termijn en biedt zo zekerheid aan huishoudens en bedrijven. Op mondiaal niveau via de afspraken in Parijs voor klimaat, die Nederland wil aanvullen met internationale afspraken over CO2-emissiereducties voor de scheepvaart en voor luchtvaartemissies. Op Europees niveau gaan we mede dankzij Nederland voor minstens 40% CO2 reductie in 2030, en voor recyclingafspraken en duurzaam gebruik van grondstoffen via het zogenaamde circulaire economie pakket van de Europese Commissie. In Nederland is in 2013 het Energieakkoord gesloten en de Energiedialoog is inmiddels afgerond. De opbrengst van de Energiedialoog krijgt dit najaar een plek in de Energieagenda, die de samenleving en overheid voorbereidt op de verdere energietransitie richting 2050. Daarnaast zullen alle EU-lidstaten eind 2019 een nationaal energie- en klimaatplan voor de periode 2021–2030 opstellen. Ook hoort daarbij een ambitieus circulaire economie beleid dat de transitie in Europa en daarmee in Nederland ondersteunt. Belangrijk hierin is de betrokkenheid van stakeholders, een helder speelveld voor bedrijven en het wegnemen van belemmeringen in regelgeving. Tevens is het stimuleren van de Europese markt voor secundaire grondstoffen een randvoorwaarde voor de transitie. De inzet is om de positie van Nederlandse bedrijven die bijdragen aan een circulaire economie te versterken. Dit kan door het verder helpen ontwikkelen van een Europese markt voor herwonnen nutriënten, zoals gerecycled fosfaat.

En inzetten op een gezonde en veilige leefomgeving om ons welzijn op peil te houden.

Nederland is een van de fijnste landen om te leven maar heeft ook grote opgaven om de gezonde en veilige leefomgeving op peil te houden. De Gezondheidsraad brengt in het najaar van 2016 een advies uit over de manier waarop het meewegen van gezondheid goed verankerd kan worden in de besluitvorming over de inrichting van ons land. De Omgevingswet is een belangrijk middel om niet alleen ruimte voor ontwikkeling te bieden, maar ook de kwaliteit van de omgeving te waarborgen. Conform het wetsvoorstel Omgevingswet ontwikkelt het Rijk daartoe een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Nationale Omgevingsvisie wordt een strategische, samenhangende en inspirerende visie.

Ondanks de inzet op het tegengaan van klimaatverandering kunnen we er niet onze ogen voor sluiten dat een gedeeltelijke opwarming van de aarde een feit is met gevolgen voor onze leefomgeving, bijvoorbeeld op het gebied van water. Dat betekent dat we blijven investeren in slim en klimaatbestendig waterbeheer zodat we droge voeten houden en tegelijkertijd voldoende schoon water beschikbaar hebben. Met het Deltaprogramma en het Nationaal Waterplan is het waterveiligheidsbeleid voor de komende decennia stevig verankerd. Voor 2050 streven we naar een basisbeschermingsniveau tegen overstromingen die overeenkomt met een jaarlijkse kans op overlijden die kleiner is dan één honderdduizendste. In gebieden waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen, grotere economische schade wordt geleden of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang, wordt de bescherming nog verder vergroot. Bij het realiseren van de veiligheid tegen overstromingen staat preventie voorop. Primair gaat het dan om de kwaliteit van waterkeringen en maatregelen in de ruimtelijke inrichting. Daarnaast is ook verbeterde zelfredzaamheid, rampenbeheersing en voorbereiding op evacuaties nodig om de kans op slachtoffers van overstromingen verder te beperken.

Wat we in 2017 gaan doen voor een Mobiel Nederland met een gezonde en veilige leefomgeving

Nieuwe technieken en Beter Benutten

In 2017 realiseert IenM samen met overheden en bedrijven diensten voor weggebruikers, onder andere via het programma Beter Benutten (Innovatie Partnerschap C-ITS voor nieuwe rijtaakondersteuning), de Praktijkproef Amsterdam, en de C-ITS corridor NL-DE-AU via hybride communicatie technieken (rij-assistentie). Deze zijn gericht op het verbeteren van de doorstroming, veiligheid en leefbaarheid in en rond stedelijk-economische centra. Daarnaast zet IenM zich ervoor in dat deze diensten ook in het buitenland soepel werken, zonder nationale barrières. Standaardisatie in Europees verband is dan ook een belangrijk doel. IenM past regelgeving aan zodat (vormen van) de verdere introductie van zelfrijdende voertuigen een impuls krijgt.

Het Beter Benutten Vervolgprogramma loopt tot eind 2017; volgend jaar staat daarom in het teken van de uitvoering van het programma. Daarnaast zetten we in op het uitwerken en nader aanscherpen van de tien acties uit het Meerjarenplan 2015–2020 van de Topsector Logistiek: Neutraal Logistiek Informatie Platform, Synchromodaal Transport, Kernnetwerk van (inter)nationale verbindingen en multimodale knooppunten, Trade compliance en border management, Cross Chain Control Centers, Service Logistiek, Supply Chain Finance, Buitenlandpromotie, Vereenvoudigen wet- en regelgeving, Human Capital Agenda en de Zero Emissie Stadslogistiek.

Investeringen in Infrastructuur

In 2017 zullen de tracébesluiten voor de Ring Utrecht, de A27 Houten-Hooipolder en A1 Apeldoorn-Azelo worden genomen. Daarnaast start de realisatie voor de A13/16 en de Blankenburgverbinding. Op spoorgebied wordt de projectbeslissing van het veiligheidsprogramma ERTMS verwacht waarna de realisatiefase kan beginnen. Dankzij het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) kan de frequentie van de treindienst in de dienstregeling 2018 worden verhoogd op de corridor Amsterdam – Eindhoven (de zogenaamde A2-corridor). Om realisatie van de ontbrekende schakels Blankenburgverbinding en ViA15 te bekostigen, kennen beide projecten een tolopgave (in totaal ca. € 600 miljoen). De Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 is in 2016 in werking getreden. In 2017 wordt de realisatie van het free-flow tolsysteem voorbereid en worden de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over de uitvoering in een uitvoerings- en handhavingsplan.

In april 2016 heeft het kabinet de Actieagenda Schiphol gepresenteerd. Met de Actieagenda geeft het kabinet sturing aan het behouden en versterken van de concurrentiepositie van de mainport Schiphol. Er zijn lopende en nieuwe acties in opgenomen van alle betrokken stakeholders rond de mainport. Het gaat bijvoorbeeld om het uitvoeren van de MIRT-verkenning van station Schiphol Airport, de afronding van het adviestraject van de Omgevingsraad Schiphol voor het creëren van capaciteit voor de middellange termijn en om de analyse voor innovatieve maatregelen en investeringen op het gebied van security.

Rond vaarwegen start in 2017 de bouw van de zeesluis Terneuzen, sluis Eefde en de verruiming van de Twentekanalen. Ook worden in 2017 projectbeslissingen over de aanpak van ligplaatstekorten op de Waal (bij Lobith) en de Beneden-Lek voorzien. In 2017 wordt verder de openstelling van de verruimde vaargeul bij Eemshaven en de schutsluis bij Zwartsluis verwacht.

Verlenging looptijd fondsen voor toekomstige investeringen

Om reeds bestaande en toekomstige bereikbaarheidsvraagstukken adequaat aan te kunnen pakken verlengt dit kabinet het Infrastructuur- en Deltafonds tot en met 2030. Op deze manier wordt beter aangesloten bij de looptijd van grote projecten en komt € 3,3 miljard respectievelijk € 0,8 miljard beschikbaar om te investeren in bereikbaarheid en waterveiligheidopgaven. Daarnaast worden de middelen voor beheer en onderhoud en vervanging voor lange tijd veilig gesteld. Van de beschikbaar gekomen middelen zal het kabinet maximaal € 1,4 miljard respectievelijk € 0,4 miljard inzetten voor (nieuwe) ambities en risico’s. De rest van de middelen wordt apart gezet voor een volgend kabinet. In het eerste deel van 2017 wordt de nieuwe Nationale Markt Capaciteit Analyse (NMCA) opgeleverd. Deze NMCA geeft, op basis van de langetermijnontwikkelingen van de WLO scenario’s van het PBL en CPB, inzicht waar de bereikbaarheidsopgaven op de langere termijn 2030–2040 zich bevinden.

Vermindering van CO2 en verbetering van de luchtkwaliteit

In 2017 zal specifieke aandacht uitgaan naar roetfilters, katalysatoren en vergelijkbare systemen, die bedoeld zijn om de emissies van schadelijke stoffen te verlagen. Ook tijdens de gebruiksfase moeten deze technieken naar behoren blijven functioneren. Het kabinet maakt zich hard voor aanscherping van Europees bronbeleid van motorvoertuigen als kosteneffectieve manier om generiek reducties te bereiken. Begin 2017 verschijnt een voorstel van de Europese Commissie over nieuwe CO2-normen voor personen- en bestelauto’s na 2021 respectievelijk 2020.

Daarnaast zet Nederland zich in voor een besluit op Europees niveau om verlaging van het emissieplafond in de ETS-richtlijn voor de periode 2021–2030 vast te leggen. De EU-onderhandelingen over het EU klimaatbeleid worden naar verwachting in 2017 afgerond.

Eind 2019 zullen alle EU-lidstaten een nationaal energie- en klimaatplan voor de periode 2021–2030 aanleveren. Hierin worden nationale beleidsmaatregelen benoemd die bijdragen aan het halen van de doelen van de EU-Energie Unie. Nederland zal in dit plan, in lijn met de CO2-doelstelling, ook aangeven wat dit betekent voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is eerder verlengd tot 1 januari 2017, het voornemen is het NSL te verlengen tot aan de invoering van de Omgevingswet (Kamerstukken II 2015–2016 30 175, nr. 224). Er resteren nog enkele hardnekkige knelpunten in bepaalde gebieden, zoals die met intensieve veehouderij (fijnstof) en bij binnenstedelijke gebieden (NO2). Met name daar is het gewenst de NSL-aanpak nog enige tijd voort te zetten en te monitoren. Omdat luchtkwaliteit van invloed is op de gezondheid blijven we werken aan een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, ook als de normen zijn gehaald. Het streven daarbij is om de waarden van de World Health Organisation (WHO) te realiseren.

Maatregelen voor een Circulaire economie

In het rijksbrede programma Circulaire Economie (CE) wordt de kabinetsinzet voor CE neergezet. De huidige programma’s VANG en Biobased Economy vormen hiervoor de basis. Hoofddoel van het programma is het versnellen van de transitie naar een circulaire economie. Vanuit de sectoren kunststof, bouw, electronica en schaarse metalen, huishoudelijk afval en biomassa wordt ingezet op het sluiten van ketens. Samen met vertegenwoordigers van deze sectoren wil ik nieuwe concepten, producten en diensten ontwikkelen waarmee we slimmer omgaan met onze grondstoffen. Dit vraagt om technologische ontwikkelingen en nieuwe businessmodellen.

Stelselherziening omgevingsrecht & visie

In 2016 is de Omgevingswet aangenomen door de Eerste Kamer. De AMvB’s onder de wet zijn aan de Tweede Kamer aangeboden. In 2017 wordt gewerkt aan de Ministeriële Regelingen van de Omgevingswet, de invoeringswetgeving en de nadere uitwerking van de aanvullingswetgeving van geluid, bodem, grondeigendom en natuur (deze laatste wordt opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken).

In 2017 zullen de aanvullingswetten van de Omgevingswet en de AMvB’s in de Tweede Kamer aan bod komen. De Omgevingswet zal in 2019 in werking treden. De uitvoeringsregelgeving en invoeringswetgeving van de Omgevingswet moet nader uitgewerkt worden. Daarnaast wordt de uitvoeringsregelgeving van de aanvullingswetten geluid, bodem, grondeigendom en natuur (deze laatste door het Ministerie van Economische Zaken) nader uitgewerkt.

De stelselherziening staat of valt met een goede implementatie. Deze implementatie wordt samen met de koepels IPO, VNG en UvW vormgegeven. Het gaat hier onder andere om de invoeringsbegeleiding, het opzetten van een centrale helpdesk en het ontwikkelen van het digitaal stelsel Omgevingsrecht. Via het programma Nu al Eenvoudig Beter en de Crisis- en herstelwet is het voor gemeenten en provincies mogelijk gemaakt om (onder voorwaarden) vooruitlopend op de Omgevingswet te werken met het omgevingsplan en de omgevingsvisie.

Tegelijkertijd wordt in het programma Nationale Omgevingsvisie (NOVI) gewerkt aan de ontwikkeling van een Nationale Omgevingsvisie die verplicht wordt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ter voorbereiding hierop vergaart het programma inzicht in de actuele toestand van de fysieke leefomgeving en wordt de breedte, diversiteit en integraliteit van de leefomgeving in samenspraak met gemeenten, waterschappen, provincies, maatschappelijke organisaties en burgers in kaart gebracht. Zo wordt onderzocht wat geborgd moet blijven, welke wensen en ideeën er voor de NOVI zijn en waar de uitdagingen, kansen en verbindingen met andere ontwikkelingen liggen. De Nationale Omgevingsvisie is de langetermijnvisie over de noodzakelijke en de gewenste ontwikkelingen van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie komt in de plaats van in ieder geval het strategische gedeelte van het nationale waterplan, het verkeers- en vervoerplan, de nationale structuurvisie van het Rijk (meest recent de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte) en delen van het nationale natuurbeleidsplan (natuurvisie in de Wet natuurbescherming) en het nationale milieubeleidsplan.

Verdere verbetering van de Waterveiligheid

De invoering van de nieuwe normen voor waterveiligheid (door wijziging van de Waterwet) is voorzien per 1 januari 2017, na de parlementaire behandeling in 2016. De wijzigingen van de Waterwet landen bij invoeringsbesluit in de Omgevingswet. Bij de wijziging van de Waterwet hoort ook de aanpassing van de onderliggende regelgeving. Het Wettelijke Beoordelingsinstrumentarium zal in 2017 gereed zijn. Met dit nieuwe instrumentarium zal van 2017 tot en met 2023 de Eerste Wettelijke Beoordelingsronde van de primaire keringen worden uitgevoerd. Keringen die nog niet aan de nieuwe norm voldoen, kunnen na het rijksoordeel van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden aangemeld bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De meest urgente versterkingsmaatregelen in het HWBP zullen het snelst in uitvoering gaan. In het HWBP programma 2017–2023 wordt al zoveel mogelijk geanticipeerd op de veiligheidsopgave op grond van de nieuwe normen.

De kennis en expertise van Nederland op het gebied van water wordt ook internationaal ingezet om waterveiligheid en waterzekerheid te vergroten. We kunnen niet toekijken hoe de gevolgen van overstromingen, droogte, orkanen en tsunami’s steeds groter worden. Daarom wordt interdepartementaal ingezet op een coherente en effectieve aanpak in samenwerking met andere partijen zoals de VN, internationale banken, het bedrijfsleven en (lokale) overheden. Door deze inzet kan de Nederlandse watersector het handelspotentieel en verdienvermogen vergroten, gericht op duurzame integrale oplossingen met kansen voor private financiering.

Uitbannen van gevaarlijke stoffen in de leefomgeving

In Europees verband werkt Nederland aan een gezamenlijke aanpak van gevaarlijke stoffen, gericht op versnelling en completering van het stoffenbeleid (hormoonverstorende stoffen, cumulatieproblematiek, nanovorm van stoffen). Dit moet leiden tot concrete inbreng voor de review van REACH in 2017.

Een nog altijd hardnekkig probleem is de aanwezigheid van asbest in de leefomgeving. Het kabinet stelt zich ten doel te zorgen dat de laatst overgebleven substantiële bron van asbestvezels in de buitenlucht wordt weggenomen. Het verbod per 2024 op asbestdaken vraagt een forse inspanning van dakenbezitters en de asbestbranche. Daarom wordt op korte termijn een actieplan asbest gelanceerd. Met dit plan wordt de sanering versneld op gang gebracht door het organiseren van schaalgrootte, het uitwisselen van best pratices en het ontzorgen en faciliteren van niet-deskundige dakeigenaren. Vanuit het Rijk wordt de subsidieregeling verwijdering asbestdaken gecontinueerd.

De WRR, de Gezondheidsraad en de COGEM hebben in juni 2016 de «Trendanalyse Biotechnologie 2016: Regels Ontregeld» gepresenteerd. Deze ontwikkelingen kunnen grote consequenties hebben voor de samenleving. Eind 2016 zal het kabinet in een kabinetsreactie op de Trendanalyse aangeven welke acties in gang worden gezet om ook in de toekomst de kansen van de nieuwste technologische ontwikkelingen te benutten maar ook de risico’s van deze technologie te beheersen.

Met betrekking tot veilig vervoer van gevaarlijke stoffen zullen de incidentele chloortransporten over het spoor worden beëindigd. Voor meer veiligheid moeten ook enkele tunnels op het hoofdwegennet die onderdeel uitmaken van het netwerk voor vervoer van gevaarlijke stoffen worden opgewaardeerd naar categorie C waardoor gevaarlijke transporten niet langer door woonkernen gaan.

Versterken veiligheid in de leefomgeving

Het is van belang dat bedrijven in de chemische industrie blijven investeren in een sterke veiligheidscultuur. Door middel van het sluiten van de zogenaamde Safety Deals wordt het versterken van deze cultuur gestimuleerd en gefaciliteerd. Chemische bedrijven zijn niet alleen verantwoordelijk voor hun eigen veiligheidsprestaties, maar stimuleren ook verbetering van de prestaties bij hun partners. Goed presterende chemische bedrijven hebben ook positieve invloed op bedrijven in de omgeving of in hun productieketen, waaronder bij vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze belangrijke ontwikkeling wordt ondermeer ondersteund door de in de loop van 2016 van kracht zijnde stimuleringsregeling voor Safety Deals die de versterking van de veiligheidscultuur in de ketens en de veiligheidsprestaties tot doel heeft.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de Eerste suppletoire begroting 2016. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage te vinden.

Bedragen x € 1.000

art.

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022–2028

2029–2030

Stand ontwerpbegroting 2016

 

8.175.961

8.338.063

8.350.677

8.390.067

8.361.763

8.813.942

   

Nota's van wijziging

                 

Mutaties 1e suppletoire wet 2016

 

– 57.792

69.371

47.185

49.940

50.111

61.053

   

Stand Voorjaarsnota 2016

 

8.118.169

8.407.434

8.397.862

8.440.007

8.411.874

8.874.995

   

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk XII

 

– 88.009

– 413.010

– 56.898

9.540

180.279

– 76.731

   
 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk XII

                 

1

Ramingsbijsteling

                 
 

– Infrastructuurfonds

26

 

– 80.960

– 80.960

– 80.960

– 80.960

– 80.960

– 566.720

 
 

– Deltafonds

26

 

– 12.819

– 12.819

– 12.819

– 12.819

– 12.819

– 89.733

 
 

– Hoofdstuk XII

div.

 

– 12.221

– 12.221

– 12.221

– 12.221

– 12.221

   

2

Ramingsbijsteling HGIS

div.

 

– 146

– 146

– 146

– 146

– 146

   

3

Verlenging fondsen

                 
 

– Infrastructuurfonds

26

             

10.471.706

 

– Deltafonds

26

             

2.295.292

4

Regeringsvliegtuig

97

         

40.000

   
   

97

40.000

       

– 40.000

   

5

Ontvangsten BCT

15

6.195

             

6

Digipoort MSW

98

 

8.950

           

7

Basisregistratie Grootschalige Topografie

13

 

– 8.741

– 8.741

– 8.741

– 8.741

– 8.741

   

8

Impuls Omgevingsveiligheid

22

 

– 14.772

           

9

Overige interdepartementale overboekingen HXII

div.

– 1.076

1.806

5.722

6.299

10.282

5.795

   

10

Overige kaderrelevante mutaties IF/DF

26

– 136.630

– 291.510

53.059

118.920

285.676

32.361

– 86.801

– 266.000

 

Diversen

div.

3.502

– 2.597

– 792

– 792

– 792

     
                     
 

Overige mutaties Hoofdstuk XII

                 

11

Eenvoudig Beter

                 
 

– artikelonderdeel Eenvoudig Beter

13

4.500

9.250

4.050

700

4.000

4.000

   
 

– apparaatsuitgaven kerndepartement

98

6.500

11.400

4.100

600

600

600

   
 

– waarvan dekking uit apparaatsuitgaven

98

– 4.500

             
 

– waarvan dekking uit nominaal en onvoorzien

99

– 6.500

 

– 1.900

– 700

– 4.000

– 4.000

   
 

– waarvan dekking uit IF

26

 

– 20.650

– 6.250

– 600

– 600

– 600

   
 

– overboeking van DF naar IF

26

 

19.131

9.310

1.840

1.080

120

 

5.670

 

– overboeking van DF naar IF

26

 

– 19.131

– 9.310

– 1.840

– 1.080

– 120

 

– 5.670

12

Samenvoeging artikel 15 en 16

15

– 1.073

– 5.636

– 5.999

– 6.095

– 6.493

– 6.502

   
   

16

1.073

5.636

5.999

6.095

6.493

6.502

   

13

Caribisch Nederland

div.

– 4.653

– 4.987

– 9.241

– 4.156

– 4.211

– 4.364

   
 

– Drink- en afvalwaterkwaliteit

11

3.708

2.911

2.411

2.211

2.211

2.211

   
 

– Masterplannen luchtvaart

17

   

4.748

         
 

– Verbeteringen afvalbeheer

21

 

1.551

1.597

1.645

1.695

2.053

   
 

– Bedrijven en overige

22

895

425

385

200

205

     
 

– Crisisbeheersing

97

50

100

100

100

100

100

   

14

Herschikking ANVS

98

– 6.595

– 6.595

– 6.595

– 6.595

– 6.595

– 6.595

   
   

97

6.595

6.595

6.595

6.595

6.595

6.595

   

15

Loonruimteakkoord en herstelopslag ABP

99

– 10.989

– 9.525

– 9.525

– 9.525

– 9.525

– 9.525

   
 

– Infrastructuurfonds

26

5.220

4.525

4.525

4.525

4.525

4.525

31.675

 
 

– Deltafonds

26

1.561

1.353

1.353

1.353

1.353

1.353

9.471

 
 

– Hoofdstuk XII

div.

4.208

3.647

3.647

3.647

3.647

3.647

   

16

Loon- en prijsbijstelling

99

– 47.041

– 45.893

– 44.637

– 44.555

– 44.511

– 45.343

   
 

– waarvan Infrastructuurfonds

26

21.204

21.334

20.248

20.179

20.456

20.253

142.794

 
 

– waarvan Deltafonds

26

5.286

4.927

4.990

4.989

4.757

5.416

37.912

 
 

– waarvan Hoofdstuk XII

div.

20.551

19.632

19.399

19.387

19.298

19.674

   

Stand ontwerpbegroting 2017

 

8.030.160

7.994.424

8.340.964

8.449.547

8.592.153

8.798.264

   

Ad 1. Als gevolg van de tegenvallende ruilvoetontwikkeling heeft het Kabinet besloten tot ramingsbijstellingen op de departementale begrotingen. Voor de IenM begrotingen gaat het om een ramingsbijstelling van € 106 miljoen per jaar. De ramingbijstelling is naar rato van de begrotingsomvang in 2017 verdeeld over Hoofdstuk XII (€ 12 miljoen per jaar), het Infrastructuurfonds (€ 81 miljoen per jaar) en het Deltafonds (€ 13 miljoen per jaar). Op de fondsen wordt de ramingsbijstelling opgevangen binnen de resterende investeringsruimte tot en met 2028.

Ad 2. Op de IenM verantwoorde HGIS middelen wordt een ramingsbijstelling van € 146.000 per jaar doorgevoerd om de Rijksbrede ruilvoetproblematiek op te lossen. Dit is onderdeel van de totale ramingsbijstelling op de HGIS middelen. De ramingsbijstelling voor IenM met betrekking tot de HGIS middelen is opgevangen binnen de artikelen 11, 17, 18 en 19.

Ad 3. Bij de Begroting 2017 wordt de looptijd van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds met twee jaar verlengd tot en met 2030. Het niveau van extrapolatie is gelijk aan het jaar 2028 stand begroting 2016 na verwerking van structurele begrotingsmutaties. In de begroting op hoofdlijnen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds is een nadere toelichting opgenomen op de invulling van de ruimte die beschikbaar is gekomen met de verlenging.

Ad 4. Op het artikel 97 worden de uitgaven van IenM voor het onderhoud, exploitatie en aanschaf van een vervangend Regeringsvliegtuig verantwoord. In de brief (Kamerstukken II 2015–2016 33 400, nr. 79) van 8 juli 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanschaf van een vervangend Regeringsvliegtuig. De kosten daarvan liggen naar verwachting in de range van € 50 à € 90 miljoen. Ter dekking hiervan heeft het kabinet als eerste stap € 40 miljoen toegevoegd aan de begroting van IenM.

Ad 5. Het project / tijdelijke subsidieregeling Boord Computer Taxi is nagenoeg afgerond. Dit werd de afgelopen jaren uitgevoerd door de ILT in opdracht van IenM. De ILT hevelt de middelen over naar artikel 15 OV-keten op basis van de huidige inschatting van de geraamde uitgaven. De definitieve afrekening vindt naar verwachting in 2017 plaats.

Ad 6. Ten behoeve van het digiprogramma Maritime Single Window (MSW) wordt er € 9,0 miljoen overgeboekt vanuit de aanvullende post naar IenM. Het MSW in Nederland is ontwikkeld voor de uitwisseling van maritieme meldingsformaliteiten, in één portal voor scheeps- en ladingmeldingen aan overheidsinstanties.

Ad 7. De exploitatie van de Basisregistratie Grootschalige Topografie wordt vanaf 2017 door de gemeentes uitgevoerd. De middelen wordt structureel overgeboekt naar het Gemeentefonds (€ 7,7 miljoen) en het Btw-compensatiefonds (€ 1,1 miljoen).

Ad 8. Dit betreft een overboeking naar het Provinciefonds (€ 14,3 miljoen) en het Btw-compensatiefonds (€ 0,5 miljoen) ten behoeve van het programma Impuls Omgevingsveiligheid.

Ad 9. Deze reeks betreft een saldo van interdepartementale overboekingen, waaronder een overboeking naar het Gemeentefonds van € 8,0 miljoen voor het actieplan Luchtkwaliteit knelpunten Amsterdam (€ 2,0 miljoen in 2016 en € 6,0 miljoen in 2017), een bijdrage vanuit het Provinciefonds en het Btw-compensatiefonds van € 2,2 miljoen naar IenM voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afval (LMA) door RWS vanaf 2017, en een terugboeking van € 5,0 miljoen van het Gemeentefonds naar IenM als gevolg van een versnelde uitvoering van de saneringsopgave Amsterdam Nazorg Gasfabrieken (€ 0,5 miljoen in 2019 en € 4,5 miljoen in 2020).

Ad 10. De twee fondsbegrotingen van IenM, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen). Kaderrelevante mutaties op de fondsen hebben betrekking op Hoofdstuk XII. De toelichting op de kaderrelevante mutaties, waaronder interdepartementale overboekingen, van de investeringsfondsen zijn beschikbaar in het Infrastructuurfonds en het Deltafonds. De begroting op hoofdlijnen verstrekt hierbij inzicht in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijzigingen van de begroting van de investeringsfondsen.

Ad 11. Dit betreft een toevoeging van € 26,5 miljoen aan artikelonderdeel 13.05 Eenvoudig Beter en een toevoeging van € 23,8 miljoen aan artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement voor het programma Eenvoudig Beter. Voor de eenmalige kosten ten behoeve van dit programma zijn middelen vrijgemaakt op Hoofdstuk XII en uit de investeringsruimten van alle modaliteiten op de investeringsfondsen. De op het Infrastructuurfonds en Deltafonds vrijgemaakte middelen staan gereserveerd op artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds en worden tranchegewijs naar Hoofdstuk XII overgeheveld waar de uitgaven voor de stelselherziening van het omgevingsrecht worden verantwoord. Voor de exploitatiekosten van Eenvoudig Beter worden vanuit artikel 99 Nominaal en onvoorzien middelen overgeheveld naar artikelonderdeel 13.05 Eenvoudig Beter. De totale rijksuitgaven aan Eenvoudig Beter worden weergegeven bij de artikelsgewijze toelichting van artikel 13.

Ad 12. In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur benadering binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. In het verlengde hiervan wordt bij de Ontwerpbegroting 2017 artikel 15 OV-keten en artikel 16 Spoor samengevoegd tot één artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Met dit integrale artikel Openbaar Vervoer en Spoor wordt beoogd de samenhang te benadrukken.

Ad 13. In het kader van Caribisch Nederland zijn verschillende uitgaven voorzien. Deze uitgaven vallen onder diverse thema’s: Drink- en afvalwater (op orde brengen van de drinkwater- en afvalwaterkwaliteit), Luchtvaart (uitvoering masterplannen luchtvaart), Afvalbeheer (gescheiden afvalinzameling), Bedrijven en overige (activiteiten in het kader van de Milieuwet) en Crisisbeheersing (aansluiting van crisisorganisatie in Caribisch Nederland bij processen en informatievoorziening van IenM). Dit betreft deels projecten in de uitvoeringsfase of die al in beheer zijn, maar ook projecten die nog in de verkenningsfase zijn.

Ad 14. In verband met de Kernenergiewet is met ingang van 1 mei 2015 de verantwoordelijkheid voor de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming overgedragen van EZ naar IenM (Kamerstukken II 2014–2015 34 000 XII, nr. 67). Hiervoor zijn budgetten overgeheveld vanuit EZ naar IenM en zijn verschillende diensten op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming van EZ en IenM samengevoegd tot de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Destijds was er nog geen verdeling naar programma en apparaat aangebracht. In het kader van verantwoord begroten worden de gebudgetteerde uitgaven op artikel 98 overgeheveld naar artikel 97 op het financieel instrument «bijdrage aan agentschappen».

Ad 15. In het najaar van 2015 is een akkoord bereikt tussen de Minister voor Wonen en Rijksdienst en betrokken vertegenwoordigers van de vakbonden CNV Overheid, Ambtenarencentrum en CMHF voor de CAO sector Rijk 2015–2016. Dit betreft de verwerking van het loonruimte-akkoord (€ 9,5 miljoen structureel) (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 9). Daarnaast heeft het ABP de premie voor 2016 verhoogd vanwege een stijging van de kosten en ten behoeve van een verbetering van de vermogenspositie van het fonds. Als gevolg hiervan wordt IenM deels gecompenseerd voor de herstelopslag ABP voor het jaar 2016 (€ 1,5 miljoen incidenteel).

Ad 16. Jaarlijks wordt besloten of de overheidsuitgaven van de Rijksbegroting gecorrigeerd worden voor loon- en prijsontwikkelingen. Dit betreft de loonbijstelling en prijsbijstelling tranche 2016 die nader wordt toegedeeld binnen de begrotingen Hoofdstuk XII en de fondsen.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt per Begroting 2017 conform de Rijksbegrotingsvoorschriften 2016 inzicht gegeven in de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel. Hiermee wordt de budgetflexibiliteit in de begroting beter inzichtelijk gemaakt en valt af te leiden welk deel van de geraamde uitgaven budgettair-technisch gezien beschikbaar is voor alternatieve besteding. Het percentage en het bedrag niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel worden bepaald op basis van het percentage «juridisch verplicht» uit de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen. In de kolom «Bestemming van de niet juridische verplichte uitgaven» wordt het niet verplichte bedrag opgesplitst naar de bestemming van de uitgaven.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art. nr.

Naam artikel

Juridisch verplicht

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

11

Integraal waterbeleid

(56.206)

53.528 (95%)

2.678

(5%)

– 1.193 voor opdrachten algemeen waterbeleid (Staat van ons water, watereducatie, watercoalitie en Publiekscampagne Ons Water)

– 574 voor opdrachten ter ondersteuning van water internationaal

– 911 voor overige uitgaven

13

Ruimtelijke ontwikkeling

(102.337)

96.560

(94%)

5.777

(6%)

– 1.121 voor opdrachten ruimtelijk beleid (krimp, stedelijke herverkaveling, grondeigendom)

– 1.170 voor opdrachten ruimtelijk ontwerp (werkprogramma college van Rijksadviseurs, Gouden Piramide, Atelier Making Projects)

– 496 voor opdrachten Omgevingsloket Online2 (OLO2)

– 1.785 voor opdrachten Bodem en Structuurvisie Ondergrond

– 1.205 voor overige uitgaven

14

Wegen en verkeersveiligheid

(34.406)

26.638

(77%)

7.768

(23%)

– 1.700 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. wegmaatregelen, het verduurzamen van mobiliteit ERRU en Smart Mobility

– 1.857 voor opdrachten Beter Benutten voor diverse onderzoeken, communicatie, gedrag en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen

– 4.211 voor diverse onderzoeken verkeersveiligheid en verkeersveiligheidcampagnes

16

Openbaar Vervoer en Spoor

(32.910)

29.883

(91%)

3.027

(9%)

– 600 voor het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV)

– 200 voor Taken werkagenda Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) OV-Chipkaart

– 300 voor het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van beheer- en vervoerconcessie

– 1.927 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA), toegankelijkheid en het creëren van een gelijk speelveld van het Openbaar Vervoer

17

Luchtvaart

(14.049)

10.347

(74%)

3.702

(26%)

– 3.702 voor diverse opdrachten/onderzoeken m.b.t. luchtvaartveiligheid, luchthavenontwikkeling, luchtverkeer en economie en luchtvaartpolitiek

18

Scheepvaart en Havens

(27.752)

26.873

(97%)

879

(3%)

– 220 voor opdrachten Topsector Logistiek voor plannen vanuit jaarplan 2017

– 659 voor opdrachten Scheepvaart en Havens.

Hierbinnen (opdrachten Scheepvaart en Havens) valt:

° Bevorderen duurzame binnenvaart (180)

° Vernieuwen internationale regelgeving (75)

° BES-activiteiten veiligheid zeehavens (100)

° Onderzoek naar klimaat, luchtkwaliteit duurzame zeevaart (100)

° Overige uitgaven (204)

19

Klimaat

(61.434)

58.720 (96%)

2.714

(4%)

– 1.050 voor de uitvoering van de klimaatagenda

– 596 voor vrijwillige bijdragen aan (inter)nationale organisaties

– 322 voor cofinanciering INTERREG

– 300 voor diverse internationale missies

– 244 voor overig uitvoering HGIS

– 202 voor overig uitvoering niet-HGIS

20

Lucht en Geluid

(30.402)

28.402

(93%)

2.000

(7%)

– 1.000 voor de compensatieregeling milieuzonering

– 1.000 voor de uitvoering Slimme Gezonde Stad

21

Duurzaamheid

(20.900)

18.594

(89%)

2.306

(11%)

– 872 voor de uitvoering Duurzaamheidsinstrumentarium

– 458 voor de uitvoering Duurzame Productketens

– 976 voor de uitvoering Natuurlijk Kapitaal

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

(33.780)

31.039

(92%)

2.741

(8%)

– 756 voor de uitvoering Veiligheid Chemische Stoffen

– 1.091 voor de uitvoering veiligheid inrichtingen en bedrijven

– 620 voor de uitvoering Veiligheid Bedrijven en Transport

– 274 voor diverse opdrachten

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

(41.719)

41.719

(100%)

0

(0%)

24

Handhaving en toezicht

(109.561)

109.561

(100%)

0

(0%)

25

Brede doeluitkering

(888.311)

888.311

(100%)

0

(0%)

26

Bijdrage investeringsfondsen

(6.168.329)

6.168.329

(100%)

0

(0%)

Totaal

7.622.096

7.588.504

33.592

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

 

realisatie

 

planning

         

Artikel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Geheel artikel?

Artikel 11 Waterkwantiteit

           

X

Ja

Waterkwaliteit

X

             

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling (SVIR)

         

X

 

Ja

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

   

X

       

Ja

Artikel 16 Openbaar vervoer en Spoor

     

X

     

Ja

Artikel 17 Luchtvaart overig

   

X

       

Ja

Artikel 18 Scheepvaart en havens

 

X

         

Ja

Artikel 19 Klimaat

     

X

     

Ja

Artikel 20 Lucht

       

X

   

Nee

Artikel 20 Geluid

X

         

X

Nee

Artikel 21 Duurzaamheid

         

X

 

Ja

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

     

X

     

Ja

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

       

X

   

Ja

Artikel 24 Handhaving en toezicht

       

X

   

Ja

Van een aantal beleidsdoorlichtingen is de planning verschoven in de tijd ten opzichte van de vorige begroting.

  • Er is tot uitstel van de doorlichting van het onderdeel Lucht uit artikel 20 Lucht en Geluid besloten naar 2018 vanwege de verlenging van het NSL. De uitvoering van NSL is namelijk van betekenis is om een goede uitspraak te kunnen doen over de effectiviteit van het Klimaatbeleid.

  • Het ingaan van de wet taken meteorologie en seismologie in 2015 leidt ertoe dat de effecten van het beleid op artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie beter worden beoordeeld als de doorlichting verschoven wordt van het jaar 2018 naar het jaar 2019.

  • De fusie van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de VROM-Inspectie is met de oprichting van de autoriteit woningcorporaties geheel geëffectueerd. Om een goed samenhangend inzicht te kunnen krijgen over de werking in de praktijk van de naleving en handhaving van beleidsterreinen en uitvoeringsverantwoordelijkheden ligt een jaar uitstel van de beleidsdoorlichting van artikel 24 naar 2019 in de rede. Daarbij spelen ook het nog lopende capaciteitsonderzoek en de geïntensiveerde ICT inspanningen een rol.

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van beleidsartikel 24 betreft de keuzes die in het handhavings- en toezichtbeleid door ILT kunnen worden gemaakt.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat op de website van de Rijksbegroting1. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 4.5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht garanties en achterborgstellingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Het Ministerie van IenM heeft één dergelijke garantieregeling, te weten het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

Invulling aangescherpte garantiekader

In de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen is het garantiekader aangescherpt (Kamerstukken II 2013–2014 33 750, nr. 13). Eén van de doelen is het afbouwen van niet-gebruikte plafonds en het stopzetten van slapende regelingen. Het verplichtingenplafond van het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is in lijn met de kabinetsreactie bij eerste suppletoire begroting 2014 verlaagd van € 65,3 miljoen naar € 15 miljoen. Overeenkomstig de aankondiging in de begroting 2016 heeft er in 2016 een evaluatie plaatsgevonden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling bijzondere financiering Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. De conclusie van de evaluatie, uitgevoerd door EY, is dat hoewel de regeling bodemsaneringsborgstellingskrediet complementair is aan andere regelingen op het gebied van bodemsaneringen, de relevantie van de regeling gering is. In het MKB is beperkt behoefte aan een borgstellingskrediet voor bodemsanering. Wijzigingen in het bodembeleid en de komst van subsidieregelingen in 2006 (waaronder de bedrijvenregeling en cofinanciering), hebben ertoe geleid dat de relevantie van de regeling is afgenomen. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2017 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 436.000.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 13

MKB Krediet

436

0

0

436

0

0

436

0

0

 

Totaal

436

0

0

436

0

0

436

0

0

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Inkomsten 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau 2012, conform herziene basiskustlijn 2012 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (allen waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–20212 en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–20213.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid om de nodige maatregelen te nemen die tot het bereiken en behouden van een goede milieutoestand in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Daarnaast geldt ten aanzien van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies.

  • Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Waterkwantiteit

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II 2012–2013 33 400, nr. 19).

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen.

In 2013 is de Verlengde Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen (LRT3+) gehouden. Deze toetsing kwam voort uit de derde toetsing uit 2011, met als bedoeling om zoveel mogelijk de categorie die bij de derde toetsing het oordeel «nader onderzoek nodig» had gekregen weg te werken.

In 2014 is hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd met als belangrijkste conclusie dat voor circa 80% van de dijken en duinen het oordeel «nader onderzoek nodig» nu is omgezet in een definitief oordeel, wat eveneens geldt voor bijna 70% van de kunstwerken (Kamerstukken II 2013–2014 31 710, nr. 32). De waterkeringen en kunstwerken die bij de laatst gehouden toetsing niet aan de norm voldeden, worden in de nabije toekomst versterkt. Ongeveer de helft hiervan heeft reeds een plek in lopende verbeterprogramma’s, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De afgekeurde keringen uit de derde en verlengde derde toetsing krijgen een plek in het nieuwe HWBP, mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria. In 2017 start de volgende toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer (Kamerstukken II 2013–2014 33 750 J, nr. 20).

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (in kilometers)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Ten behoeve van een goede verdeling van water zodat Nederland over voldoende zoetwater kan beschikken wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

Indicator Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet
   

Realisatie

Streefwaarde

Streefwaarde

Indicator

Eenheid

2015

2016

2017

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

100%

90%

90%

Bron: Rijkswaterstaat, 2016

De norm is dat 90% van de tijd (24-uursgemiddelde) de afgesproken (streef)peilen, onder normale omstandigheden, binnen de operationele marge worden gerealiseerd. De streefpeilen van het Haringvliet, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en IJsselmeer (alleen zomerpeil telt mee) waren in 2015 de gehele periode binnen de marge.

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en de Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer vanaf 2016 jaarlijks geïnformeerd via «De Staat van Ons Water»4. Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. Het PBL rapporteert op verzoek van de Minister van IenM in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit.

Integraal waterbeleid

Over de voortgang van het integraal waterbeleid wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd in «De Staat van Ons Water». Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel»5.

Beleidswijzigingen

De nieuwe normering primaire waterkeringen zal middels de gewijzigde Waterwet per 1 januari 2017 in werking treden. De bijhorende regeling voor de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen, een wijziging van het Waterbesluit en aanpassing van de subsidieregeling voor de versterking van de primaire keringen treden dan ook in werking.

De primaire waterkeringen in Nederland worden periodiek beoordeeld. Met de doelen voor 2050 als uitgangspunt wordt dit jaar gestart met de beoordelingsronde op basis van nieuwe normen waterveiligheid. Deze ronde duurt 6 jaar. De keringbeheerders zullen de resultaten van de beoordeling rapporteren aan de Minister. Deze rapportage kan doorlopend plaatsvinden. Nadat de ILT heeft geconcludeerd dat de beheerder de beoordeling conform de voorschriften heeft uitgevoerd, kan de beheerder keringen die niet aan de norm voldoen aanmelden bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Programmering in het HWBP vindt plaats op basis van prioriteit, waarbij de meest urgente dijkversterkingen het snelst in uitvoering gaan. In het HWBP 2017–2022 is in de prioritering rekening gehouden met de nieuwe normen. In 2023 zal de Minister de Tweede Kamer informeren over het landelijke veiligheidsbeeld. Na deze ronde volgen nog twee beoordelingsrondes waarin verfijning van het veiligheidsbeeld plaatsvindt en op basis waarvan verdere versterkingsmaatregelen in het HWBP worden geprogrammeerd.

In de «Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen» heeft het kabinet aangekondigd om de Nationale Adaptatie Strategie (NAS) uit te brengen. De NAS, die in 2016 verschijnt, heeft als doel om Nederland in alle opzichten goed voor te bereiden op gevolgen van klimaatverandering, om invulling te geven aan de EU adaptatiestrategie en om tegelijk marktkansen voor Nederlandse bedrijven te creëren. De adaptatiestrategie is een aanvulling op het Deltaprogramma 2015.

In 2017 vindt onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van EZ, overleg plaats met de Europese Commissie (EC) over het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn dat per 1 januari 2018 in werking moet treden. In het Actieprogramma geeft Nederland (of de lidstaat) aan welke maatregelen genomen worden om de kwaliteit van grond- en opperwaterkwaliteit te verbeteren. Dit draagt bij aan de verduurzaming van de land- en tuinbouw, het realiseren van in Nederland vastgestelde doelen voor kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, c.q. de implementatie van de Beleidsnota Drinkwater en de KRW (waaronder ook drinkwater valt).

De Internationale Waterambitie (IWA), uitgebracht in 2016, beschrijft het kader voor de nieuwe accenten van het (interdepartementale) waterbeleid. De basis voor de samenwerking zijn de verantwoordelijkheden en rollen van de drie ministeries van Buitenlandse Zaken (BZ), Economische Zaken (EZ) en Infrastructuur en Milieu (IenM). In 2017 verbindt de Internationale Waterambitie het waterbeleid, integreert de inzet en ondersteunt nieuwe kansen. De concrete activiteiten waarop wordt ingezet zijn:

  • Inzet op de 7 deltalanden (Indonesië, Vietnam, Myanmar, Bangladesh, Colombia, Egypte en Mozambique en gericht op het bestendigen van de samenwerking, het uitwisselen van kennis tbv strategische (delta-) plannen, toewerken naar de uitvoering van werken in de deltalanden, focus op financiering tbv de realisatiefase en stimuleren van preventieve aanpak.

  • Specifieke inzet op (maximaal) 8 stedelijke delta’s ten behoeve van het vergroten van waterveiligheid en waterzekerheid en het Nederlands aandeel hierin.

  • Inzet op Polen, Zuid-Afrika, Turkije, Mexico en Filippijnen om marktpartijen te stimuleren aansluiting bij de markt te krijgen via een verstrekte G2G component.

  • Stimuleren van samenwerking op specifieke domeinen gerelateerd aan water in Balkan, India, Roemenie, USA en Singapore.

  • Het inspelen op ad hoc verzoeken uit landen, initiatieven van de watergezant, study tours, en verduurzaming van DRR initiatieven.

  • Het stimuleren van financieringsoplossingen (PPS en innovatieve financiering) om realisatie fase van haalbaarheidsstudies te stimuleren en NLse verdienkansen te vergroten.

  • Coördinatie rondom WB advisory council en de SDG’s.

  • Sterkere verbondenheid tussen de nationale aanpak en internationale markt waarbij Nederland de etalage is voor (innovatieve) icoonprojecten.

  • Bijdragen aan het vergroten van het verdienvermogen van de Nederlandse watersector.

IenM ontsluit de kennis vanuit de beleidskern en Rijkswaterstaat (RWS) en verbindt het nationale kennisniveau met de internationale vraag en markt. Voor de uitvoering van het PvW 2016–2021 programma is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (zie ook 11.01.02 Subsidies).

In 2016 is het beleid uit de Human Capital Agenda geëvalueerd. De evaluatie leidt tot voorstellen tot beleidswijziging voor wat betreft de studiebeurzen. Voornemen is deze terug te brengen tot een jaar en het pakket aan contraprestaties beter af te bakenen. Bedoeling is dat hierdoor met dezelfde middelen twee keer zoveel studenten kunnen worden bereikt die zich inzetten voor de watersector. Hiermee wordt gestart in 2017. Ook is er het voornemen om te komen tot een flexibel en toekomstgericht personeelsmanagement. Dit wordt mede vormgegeven door intensievere samenwerking met de CIV’s en de CoE’s. Betrokkenheid bij bijpassende activiteiten zoals het Wereld Water College en de Battle of the Beach wordt voortgezet. De doelstelling om te zorgen voor een continue en zo mogelijk toenemende instroom van goed gekwalificeerd personeel in de watersector blijft gehandhaafd.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 11 Integraal waterbeleid (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

32.289

49.931

60.825

38.669

39.177

39.318

39.588

Uitgaven:

34.852

47.354

56.206

41.518

41.723

41.734

42.004

Waarvan juridisch verplicht

   

95%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

29.857

35.169

44.543

31.079

31.231

31.202

31.419

11.01.01

Opdrachten

2.147

6.631

14.729

4.338

4.474

4.437

4.654

11.01.02

Subsidies

8.722

10.441

11.361

11.302

11.302

11.302

11.302

 

– Partners voor Water (HGIS)

8.597

10.391

11.311

11.302

11.302

11.302

11.302

 

– Overige subsidies

125

50

50

0

0

0

0

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

18.169

17.325

16.453

15.439

15.455

15.463

15.463

 

– waarvan bijdrage aan RWS

17.643

16.801

16.043

15.029

15.045

15.053

15.053

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

526

524

410

410

410

410

410

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

819

772

2.000

0

0

0

0

11.02

Waterveiligheid

2.788

2.693

2.889

2.925

2.889

2.890

2.890

11.02.01

Opdrachten

2.788

2.693

2.889

2.925

2.889

2.890

2.890

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.207

2.003

2.727

2.479

2.529

2.579

2.579

11.03.01

Opdrachten

2.207

2.003

2.727

2.479

2.529

2.579

2.579

11.03.05

Bijdrage aan internationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

11.04

Waterkwaliteit

0

7.489

6.047

5.035

5.074

5.063

5.116

11.04.01

Opdrachten

0

3.773

3.148

3.295

3.459

3.473

3.526

11.04.02

Subsidies

0

79

391

0

0

0

0

11.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

1.642

741

0

0

0

0

11.04.05

Bijdrage aan internationale organisaties

0

1.995

1.767

1.740

1.615

1.590

1.590

 

Ontvangsten

24.357

0

3.000

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

349.873

379.531

409.190

327.592

692.701

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

186.805

192.608

150.433

177.389

153.406

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

536.678

572.139

559.623

504.981

846.107

waarvan

         

1.01

Grote projecten waterveiligheid

373.919

323.350

267.896

245.997

43.914

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

153.751

247.809

290.807

258.054

801.693

1.03

Studiekosten

9.008

980

920

930

500

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

38.973

38.505

33.622

35.542

32.404

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

0

3.006

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

38.973

41.511

33.622

35.542

32.404

waarvan

         

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

36.928

38.561

30.672

31.992

32.289

2.03

Studiekosten

2.045

2.950

2.950

3.550

115

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

169.466

163.944

159.920

112.428

129.540

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

169.466

163.944

159.920

112.428

129.540

waarvan

         

3.01

Watermanagement

7.031

7.030

7.002

7.002

7.002

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

162.435

156.914

152.918

105.426

122.538

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

26.124

34.861

54.175

88.549

62.200

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

26.124

34.861

54.175

88.549

62.200

waarvan

         

7.01

Real.progr.Kaderrichtlijn water

24.850

33.098

51.376

66.625

62.200

7.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

279

768

1.804

20.929

0

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2016 zijn aangegaan, waaronder de versterking van de icoonwaarde van de Afsluitdijk, en op de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet. Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW). De uitgaven voor de subsidies, de bijdrage aan medeoverheden voor de tijdelijke subsidieregeling kwijtschelding door waterschappen en de agentschapbijdragen aan RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2016 zijn aangegaan en de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de waterwet zoals onder andere de implementatie van de nieuwe normering en de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR).

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2016.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2016 zijn aangegaan. De uitgaven voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het synergieprogramma KRW en lopen door tot en met 2017. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de OSPAR-commissie, die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan VN organisaties, die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van een aantal activiteiten. Dat gaat om activiteiten in het kader van de Kaderrichtijn Water (KRW), de Kaderrichtijn Mariene Strategie (KRM).Ook heeft het niet-juridisch verplichte deel betrekking op de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

Vanaf 2016 wordt jaarlijks in mei de voortgangsrapportage «Staat van Ons Water» gepubliceerd. Hierin wordt gerapporteerd over de uitvoering van het Nationaal Waterplan 2016–2021, het Bestuursakkoord Water uit 2011 en het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater. Ook wordt hierin verslag gedaan over de voortgang van de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie. De Staat van Ons Water wordt gepubliceerd op de website www.staatvanonswater.nl. In aansluiting daarop wordt gerapporteerd over de voortgang in de uitvoering van het waterbeleid, onder meer aan de hand van mijlpalen en acties die voortkomen uit de diverse beleidsstukken. Door het opnemen van verwijzingen (links) naar andere websites is het nodige bronmateriaal makkelijk toegankelijk.

In het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK) werkt IenM met andere overheden (onder andere waterschappen), kennisinstellingen en bedrijfsleven samen met het doel de eigen onderzoeksprogramma’s vanuit vraagsturing efficiënt te combineren. Hiervoor vindt vanuit IenM jaarlijkse financiering aan het NKWK plaats. Het streven is ook om daarbij fundamenteel, strategisch en praktijkgericht onderzoek met elkaar en met innovatieve pilots meer te verbinden. Daarnaast gaat het om een betere aansluiting op Europese onderzoeksprogramma’s. Dat gebeurt in 14 onderzoekslijnen gericht op water- en klimaatvraagstukken waarvan de resultaten bijdragen aan de ambities van IenM. In 2017 zal het accent na de fases van netwerkvorming, agendering en programmering, meer op het uitvoeren van concrete projecten komen te liggen.

Verder wordt binnen het NKWK gewerkt aan het versterken van de verbinding met de Europese netwerken en Research & Development programma’s. In dit kader financiert IenM de Nederlandse deelname aan vier projecten binnen het ERA-net cofund WaterWorks 2014.

Building with Nature is voor het Ministerie van IenM een belangrijke ontwikkeling voor waterveiligheidsopgaven. Steeds meer oplossingen worden eendachtig met het bestaande natuursysteem ontworpen en uitgevoerd in pilots, zoals bijvoorbeeld bij de Zandmotor of bij de Houtribdijk. De kennis die wordt opgedaan in de verschillende pilots en wat daarvan generiek wordt geleerd, zowel inhoudelijk als van de processen, wordt door Stichting Ecoshape in 2017 verder uitgewerkt. De resultaten worden gedeeld met alle betrokken partijen. De activiteiten op het gebied van de Watercoalitie zijn gericht op het ontwikkelen van een nieuw sturingsinstrument voor het waterdomein. Rond het onderwerp «Water in en om het huis» wordt onderzocht of met adaptieve sturing bijgedragen kan worden aan de beleidsdoelen van water met als doel om huishoudens daarbij meer te activeren.

Voor het vergroten van het waterbewustzijn vormt het meerjarig communicatieprogramma Ons Water het fundament. Voor deze publiekscampagne vindt jaarlijkse financiering plaats. De strategie van Ons Water is erop gericht om een verandering in denken teweeg te brengen. Op deze wijze wordt er bewustzijn gecreëerd dat bescherming tegen hoogwater, het borgen van voldoende zoetwater en waterkwaliteit niet vanzelfsprekend is, het werken aan water nooit af is, en er ook een eigen verantwoordelijkheid en handelingsperspectief hierin bestaat.

Specifiek voor de doelgroep jongeren tot 18 jaar worden ook in 2017 weer een aantal op watereducatie gerichte activiteiten georganiseerd die tot doel hebben het waterbewustzijn te vergroten. Door onder andere bij te dragen aan de totstandkoming van lespakketten en gastlessen over waterbeleid wordt gestimuleerd dat in het onderwijs aandacht is voor wateronderwerpen.

Het programmabudget Water Internationaal wordt ingezet op kleine opdrachten die de uitvoering van de beleidsdoelstellingen ondersteunen. Dit houdt verband met relevante onderzoeken, ondersteunde diensten, marktanalyses/-evaluaties, communicatie en samenwerking met de sector (watertechnologie, deltatechnologie en maritiem).

Voor de uitvoering van het Omgevingsloket Online wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd. Hiermee wordt geanticipeerd op de komst van de Omgevingswet.

Aan de Helpdesk Water, onderdeel van de dienst Water, Verkeer en Leefomgeving van RWS, wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd. De Helpdesk Water zorgt voor beantwoording van vragen van waterprofessionals en publiek op het waterdossier. Met de ontwikkeling van de Omgevingswet wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van verdere integratie van de helpdesks op dit terrein.

Voor de uitvoering van het project Icoon Afsluitdijk (totaal € 13 miljoen) door diverse opdrachtnemers wordt in 2017 € 10,6 miljoen beschikbaar gesteld. Dit is inclusief de bijdrage van € 5 miljoen van regionale partners en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

11.01.02 Subsidies

In 2016 is het nieuwe programma Water Internationaal gestart als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de interdepartementale Internationale Water Ambitie (IWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries BZ, EZ en IenM samenwerken. De uitgaven voor het programma Water Internationaal worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd. Voor de uitvoering van het PvW 2016–2021 programma is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget dat wordt ingezet is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met 7 Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en samenwerking met kansrijke nieuwe landen en Holland promotie. Een belangrijke doelstelling in 2017 binnen de IWA is om het PvW instrument inclusief het subsidie instrument beter te verbinden met het overige instrumentarium. Hiervoor is de pilot collectief programmeren gestart om synergie en logische aansluiting met andere instrumenten te stimuleren.

De op 16 december 2013 verstrekte subsidiebeschikking inzake de realisatie LiveDijk projecten aan de stichting FloodControl IJkdijk wordt met 1 jaar verlengd tot 31 december 2017. Vanwege het later dan gepland inbrengen van het verticaal zanddicht geotextiel, is een vertraging opgelopen van circa 1,5 jaar bij het onderdeel Livedijk Rivierenland. Bij dit onderdeel wordt het faalmechanisme piping onderzocht en wordt specifiek gekeken naar het reducerend effect op piping van een ingebracht kunststof geotextiel. Om een valide meetreeks op te bouwen en de reeds gedane investering optimaal te benutten, is het nodig om ook in het hoogwaterseizoen 2016–2017 metingen te verrichten. Dit betekent dat deze subsidiebeschikking eindigt op 31 december 2017.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Deze bijdrage heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent wind op de Noordzee, verbeterde windmodellen, het klimaat in het Rijn- en Maasstroomgebied, het weer in de toekomst en risico-analyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses dragen bij aan projecten voor windenergie op zee, adaptatie onder het Deltaprogramma en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Sinds 1 januari 2012 mogen lokale overheden op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bij het bepalen van het nettobesteedbaar inkomen in het kader van de kwijtschelding rekening houden met de nettokosten van kinderopvang. Ter compensatie van de gederfde inkomsten van de gemeenten en waterschappen heeft het Ministerie van SZW € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Voor de waterschappen gaat het om € 2 miljoen per jaar tot 2018. Tot op heden hebben zes waterschappen van deze regeling gebruik gemaakt. Op verzoek van het Ministerie van SZW voert IenM deze regeling uit.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

De overstromingsrisico- en gevaarkaarten en de overstromingsrisicobeheerplannen onder de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) kennen een zesjaarlijkse cyclus. De overstromingsrisicobeheerplannen voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en de Schelde zijn in 2016 aan de Europese Commissie gerapporteerd. Doel is om in 2019 de risicokaarten en in 2021 de plannen te hebben geactualiseerd. Voor de actualisatie van de risicokaarten en de plannen wordt opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en beheer.

In 2017 wordt gewerkt aan de eerste ronde beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling worden nog diverse opdrachten verstrekt ter ondersteuning waterkeringbeheerders, onder andere voor het voortzetten van het opleiden van waterbeheerders voor deze veiligheidsbeoordeling. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en ook vast te leggen. Voor de kust worden in 2017 opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling, onder andere over zeespiegelstijging.

Voor de rivieren worden in 2017 opdrachten verstrekt voor diverse verkenningen naar onder andere systeemwerking Maas en het effect van langsdammen, en wordt bijgedragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

De beschikbare budgetten worden in 2017 ingezet voor onder andere de uitvoering van de volgende beleidsonderwerpen:

Waddenzee

Het Ministerie van IenM zal (mede namens het Ministerie van Economische Zaken) naar verwachting begin 2017 zijn visie op de toekomstige ontwikkeling van het Waddengebied naar de Tweede Kamer zenden. Bij de ontwikkeling van deze visie worden de bevindingen betrokken van onder meer de Evaluatie van de SVW, de Beleidsverkenning en de tussentijdse evaluatie van de Samenwerkingsagenda Verbetering Beheer Waddenzee. In 2017 en 2018 wordt de Toekomstvisie voor het Waddengebied uitgewerkt in onder meer het instrumentarium van de Omgevingswet.

Eems Dollard

Het Rijk en regio spreken af om, onder gezamenlijke regie van het Ministerie van IenM en de provincie Groningen, een meerjarig adaptief programma Eems-Dollard op te stellen. Voor de eerste fase wordt een kwartiermakersteam aangesteld.

Noordzee

De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 geldt als het maritieme ruimtelijke plan conform de eisen van de EU-Richtlijn Maritieme ruimtelijke planning. In 2017 worden de acties uit de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 verder in uitvoering gebracht (Kamerstukken II 2014–2015 31 710, nr. 35 bijlage blg-427951).

Om de duurzame energiedoelstellingen voor 2023 te halen wordt in 2017 met het Ministerie van Economische Zaken verder gewerkt aan de uitrol van windparken op zee.

In 2017 wordt een onderbouwende studie uitgevoerd naar de sociale, economische en ecologische samenhang tussen land en zee, op basis van de vereisten in de Europese Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning. Zoals opgenomen in de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 draagt deze studie ook bij aan internationale samenwerking rond de Noordzee. Die krijgt concreet vorm via de participatie in een Noordzee Interreg project dat doorloopt tot eind 2018. Dit project draagt bij aan een gezamenlijke kennisbasis van de Noordzeelanden over lopende en mogelijke nieuwe ontwikkelingen met een grensoverschrijdend karakter. De resultaten zijn mede input voor het hoofdstuk over de Noordzee in de Nationale Omgevingsvisie.

Zuidwestelijke Delta

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer schetst het kabinet een ontwikkelrichting voor een verbeterde waterkwaliteit de natuur, recreatie en toerisme, landbouw, schelpdierteelt en de kwaliteit van de leefomgeving ten goede komt. Vanuit het Deltaprogramma zoetwater worden maatregelen getroffen om de zoetwatervoorziening van gebieden rondom het Volkerak-Zoommeer te verbeteren. De regio heeft een actieve rol in het zorgen voor de bekostiging en uitvoering van de plannen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. In maart 2015 is met regionale partijen een bestuursovereenkomst afgesloten met afspraken over de governance en wijze waarop wordt toegewerkt naar financiële dekking van de maatregelen uit de ontwerp-rijksstructuurvisie. Voorwaarde voor verdere stappen is dat er financiële dekking is voor de maatregelen uit de ontwerp-Rijksstructuurvisie. Meer specifiek betreft het in 2017 de uitvoering van de Scheldeverdragen en het doen van lopend onderzoek.

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

Het doel is om in 2027 de doelstelling van chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden iedere 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn Water. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor Rijn, Maas, Schelde en Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en op dit moment in uitvoering. De uitvoering van de tweede tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2017 wordt de implementatie van het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021, voortgezet. Het betreft met name aanvullende maatregelen op vigerend beleid op het terrein van terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van ecologisch waardevolle gebieden op de Noordzee. Daarnaast geeft het kabinet meer invulling aan zijn faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. In 2017 worden ook de resultaten uit het KRM-monitoringprogramma beoordeeld en wordt aanvullend onderzoek op gebied van vooral onderwatergeluid, zwerfvuil en microplastics uitgevoerd ten behoeve van het actualiseren van de beoordeling van de milieutoestand in 2018. Daarmee samenhangend vindt de voorbereiding plaats van het actualiseren van de beschrijvingen van de goede milieutoestand en beleidsdoelen in 2018. De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met de Staatssecretaris van Economische Zaken. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als EFMZV en INTERREG.

11.04.02 Subsidies

Ter uitvoering van het Bestuursakkoord Water zijn door de Stichting RIONED met subsidie van het Ministerie van IenM vijftien kenniscoaches waterketen aangesteld. Deze kenniscoaches zijn beschikbaar voor de samenwerkende partijen in de regio’s om proces en inhoud te ondersteunen. In 2017 zal het programma worden afgerond. In dit laatste jaar zijn middelen vrijgemaakt voor onder andere de organisatie van bijeenkomsten, waarin regiospecifieke kwesties worden uitgediept, en worden ambtelijke trekkers van samenwerkingsregio’s vaardigheden bijgebracht om hun rol als spil in de (complexe) regionale samenwerking goed te vervullen.

Stichting De Noordzee ontvangt tot en met 2017 een incidentele subsidie voor de versterking van de kennisbasis binnen het netwerk van natuur- en milieuorganisaties en als verbinder bij besluitvormingsprocessen in het Noordzeebeleid.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Synergieprogramma KRW is gericht op synergie tussen ruimtelijke maatregelen ten behoeve van de doelstellingen van de KRW en andere rijksdoelen. Het programma omvat circa honderdtwintig projecten, waaronder ruim tachtig projecten in het landelijk gebied. Ingevolge het Bestuursakkoord natuur zijn deze laatste projecten gedecentraliseerd. De provincies zijn nu verantwoordelijk voor de verdere uitvoering van die projecten. Gemeenten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de circa veertig synergieprojecten in het stedelijk gebied. Het Rijk was medeverantwoordelijk voor de financiering van de synergieprojecten in het stedelijk gebied tot en met 2016. In 2017 wordt dit programma financieel afgesloten.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld. Voor coördinatie van de EU-richtlijnen Kaderrichtlijn water en Overstromingsrisico’s bestaat voor de Eems geen vaste riviercommissie, maar heeft Nederland apart een contract afgesloten met Flussgebietsgemeinschaft Ems in Nedersaksen, Duitsland.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

Nederland ambieert een internationale profilering als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU), waarmee UNESCO wordt ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning van het grondwaterinstituut IGRAC en om capacity building door UNESCO-IHE.

Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). Er is reeds een specifiek SDG voor water afgesproken. In een van de subdoelen van de SDG die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Op dit moment is hiertoe de implementatiefase aangebroken. Hiervoor wordt met internationale organisaties en platforms samengewerkt en worden activiteiten ondersteund. Zo worden bijdragen geleverd aan het Sendai raamwerk van de UNISDR, HELP, Aqueduct, Wereldbank Global Water Practice GWP, OESO, Habitat III en World Water Council. Nederland steunt verder actief de activiteiten van UNECE Water op het gebied van grensoverschrijdend waterbeheer.

Beleidsartikel 12 Waterkwaliteit

In het verlengde van de overheveling van KRW middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft IenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit wordt geschrapt en zal deel uitmaken van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 12 Waterkwaliteit opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 11 en 12 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2015 en daarvoor. Voor de jaren 2016 en verder wordt verwezen naar artikel 11 Integraal waterbeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 12 Waterkwaliteit (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

4.193

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

5.915

0

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       

12.01

Waterkwaliteit

5.915

0

0

0

0

0

0

12.01.01

Opdrachten

4.076

0

0

0

0

0

0

12.01.02

Subsidies

261

0

0

0

0

0

0

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– Verbeterprogramma Waterkwaliteit rijkswateren

0

0

0

0

0

0

0

 

– Natuurcompensatie Perkpolder

0

0

0

0

0

0

0

 

– Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

0

0

0

0

0

0

0

 

– Verruiming vaargeul Westerschelde

0

0

0

0

0

0

0

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

460

0

0

0

0

0

0

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.118

0

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

Algemene Doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp worden geprioriteerd en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Rollen en verantwoordelijkheden

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening en stimuleert anderzijds de ruimtelijke investeringen en de kwaliteit daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenM een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

IenM werkt aan meer eenvoudige regelgeving voor ruimtelijke ordening. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling en ordening is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstukken II 2011–2012 32 660, nr. 50). Dit ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op 13 nationale belangen. Bij deze 13 nationale belangen is het Rijk (mede) verantwoordelijk voor het behalen van deze doelen. Gebiedsontwikkeling wordt ingezet om bij te dragen aan een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Voor het onderdeel Ruimtegebruik Bodem is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks) structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten in de bodem en ondergrond. De aanpak is onder meer beschreven in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016 – 2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015.

Het Rijk bevordert de ruimtelijke investeringen en de kwaliteit daarvan door middel van:

  • Zorg dragen voor een gestructureerde afstemming met de regio in de vorm van het Bestuurlijk Overleg MIRT, waarin het Rijk en de regio afspraken kunnen maken over afgestemde acties en investeringsbeslissingen.

  • Het, via de gebiedsagenda’s, in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid).

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem (gebiedsontwikkeling).

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • De inhoudelijke inbreng vanuit het ruimtelijk beleid in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

  • Inbreng van ontwerp in ruimtelijke projecten en programma’s van IenM.

Regisseren

Daarnaast heeft de Minister van IenM – bij de onderwerpen Ruimtelijk Instrumentarium, Geo-informatie, Stelselherziening Omgevingsrecht en Ruimtegebruik Bodem – een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van ruimtelijke ordening, ongeacht wie verantwoordelijk is voor het resultaat of welke doelen worden nagestreefd. De Minister van IenM is vanuit deze rolopvatting eerstverantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU-kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening.

  • Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Samenwerken met het bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren.

  • Zorg dragen voor de stelselherziening van het omgevingsrecht, waarin de wetgeving met betrekking tot het fysieke domein wordt gebundeld en gestroomlijnd. De Minister en de andere overheden zijn verantwoordelijk voor de implementatie (invoeringsbegeleiding, digitale ondersteuning en infopunt) daarvan.

  • De coördinatie van het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

  • Het vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • Zorg dragen voor de structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling van medeoverheden.

  • De verdere ontwikkeling van kennis van de fysieke leefomgeving ten behoeve van beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • Het in staat stellen van de decentrale overheden om in 2030 de bodemverontreinigingproblematiek te beheersen.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities.

Omdat gebleken is dat de afbeeldingen van de indicatoren veel ruimte innemen en de inzichtelijkheid niet bevorderen, is ervoor gekozen vanaf de begroting 2017 te verwijzen naar het PBL. Door de opname van links wordt bovendien bereikt dat er voortdurend geactualiseerde cijfers beschikbaar zijn. In september 2016 komt het PBL met nieuwe metingen van het doelbereik van de Nationale belangen genoemd in de SVIR.

In samenloop met de totstandkoming van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zal vanaf de begroting 2018 bezien worden in welke mate indicatoren en kengetallen daarop moeten worden aangepast of geactualiseerd.

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Meting 2014/2016

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

 

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2150-Economische-ontwikkeling-in-regio%27s-met-concentratie-topsectoren.html?i=40–189

Bereikbaarheid

Nabijheid wonen-werken

Sinds 1996 nabijheid wonen en werken met 2,5% toegenomen (periode 1996–2015).

Sinds 2012 gegroeid met 1%

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2134-Nabijheid-wonen---werken.html?i=40–189

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2133-Regionale-Quality-of-living.html?i=40–189

       

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

2.800 km (2008), 2.890 km (2012), 2890 km (2015)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2135-Hoogspanningsleidingen.html?i=40–190

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

4,2% (2011) 4,5% (2013), 5,5% (2014)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0385-Verbruik-van-hernieuwbare-energie.html?i=40–190

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

2237 MW (2010) 2433 MW(2012), 2865 MW (2014) op land

228 MW (2012), 228 MW (2014) op zee

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0386-Windvermogen-in-Nederland.html?i=40–190

       

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleidingstroken

Netlengte 18.406 km (2008), Daarnaast ligt er ongeveer 133.546 (2014) aan gasleidingen voor lokale distributie en 5.000 km warmtenet (2014).

Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 283 (2012), 286 (2014), 286 (2015)1

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2136-Hoofdnetwerk-buisleidingen.html?i=40–191

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is.

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Aandeel Ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013), 43% (2015).

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/ nl2173-Toepassing-Ladder-duurzame-verstedelijking.html?i=40–203

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, Planbureau voor de Leefomgeving (www.clo.nl). Gegevens zijn deels afkomstig uit de meting 2016. September 2016 zal deze meting beschikbaar zijn en gepubliceerd worden.

X Noot
1

Cijfers op basis van nieuwe bron

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). In dit convenant is onder meer beschreven hoe de overheden de focus leggen bij de aanpak van de resterende verontreinigingen. Resterende verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij het risico voor mens, plant en dier het grootst is. De budgetten van het meerjarenprogramma Bodem worden over de bevoegde overheden ex Wet Bodembescherming (ex Wbb) verdeeld via het provincie- en gemeentefonds.

Beleidswijzigingen

In de beleidsdoorlichting ruimtelijke ordening (artikel 13), die in 2015 is verschenen, is de aanbeveling opgenomen om vorm te geven aan een overkoepelende evaluatie- en monitoringprogramma voor het ruimtelijk beleid samen met medeoverheden en private partijen. In dit evaluatieprogramma zal expliciet aandacht gegeven moeten worden aan de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de ingezette financiële instrumenten.

Als een eerste uitwerking daarvan is het voornemen om vanaf de begroting 2018 samen met andere overheden jaarlijks een van de onderdelen te evalueren. De afspraken over de te leveren prestaties in relatie tot het Meerjarenprogramma Bodem zijn vastgelegd in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015. 14854). Hierover zijn rapportages aan de Kamer voorzien in 2018 en eind 2020.

In de beleidsdoorlichting is tevens de aanbeveling gedaan om de structuur van artikel 13 te verbeteren. Een eerste stap hiertoe is bij deze begroting gedaan. Vanaf de begroting 2018 zal, in samenloop met de totstandkoming van de Nieuwe Omgevingsvisie worden bezien in welke mate indicatoren en kengetallen daarop moeten worden aangepast of geactualiseerd.

In de zomer van 2016 is een Kustpact opgesteld voor de kust in brede zin, waarin de gezamenlijke waarden ten aanzien van de toekomstige ontwikkelingen zijn bepaald. Het Kustpact vormt het vertrekpunt om te komen tot een visie op basis van gedeelde waarden. Deze visie vormt de basis voor de verdere plannen van de betrokken partijen. De uitwerking van deze visie vindt plaats in 2016 en 2017. Parallel hieraan wordt met elkaar de bevoegdheden en het juridisch instrumentarium in beeld gebracht. Het doel hiervan is om eventuele hiaten dan wel problemen in de praktische toepassing op te lossen, waarbij rekening zal worden gehouden met de bestaande plannen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 13 Ruimtelijke ontwikkeling (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

69.162

107.294

90.220

95.625

83.308

97.218

186.528

Uitgaven:

112.043

118.265

102.337

98.885

90.561

98.258

186.528

Waarvan juridisch verplicht

   

94%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

12.065

10.275

9.081

7.310

7.377

7.689

8.500

13.01.01

Opdrachten

4.665

9.044

9.081

7.310

7.377

7.689

8.500

 

– Wabo

2

55

1.696

1.636

1.752

1.752

1.752

 

– Architectonisch beleid

1.744

2.128

2.920

2.919

2.918

2.919

2.919

 

– Overige opdrachten

2.919

6.861

4.465

2.755

2.707

3.018

3.829

13.01.02

Subsidies

4.472

1.016

0

0

0

0

0

 

– Programma Ruimtelijk Ontwerp

3.484

1.016

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

988

0

0

0

0

0

0

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

2.436

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

2.436

0

0

0

0

0

0

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

492

215

0

0

0

0

0

13.02

Geo-informatie

51.639

43.200

28.408

22.723

28.017

27.993

28.093

13.02.01

Opdrachten

2.385

4.387

2.510

1.941

1.941

1.941

1.941

13.02.02

Subsidies

12.532

6.699

690

380

380

380

380

 

– Basisregistraties

12.532

6.699

690

380

380

380

380

13.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

36.722

32.114

25.208

20.402

25.696

25.672

25.772

 

– Kadaster

36.722

32.114

25.208

20.402

25.696

25.672

25.772

13.03

Gebiedsontwikkeling

3.422

9.818

10.993

13.472

7.744

7.631

6.753

13.03.01

Opdrachten

932

3.290

2.642

3.862

4.064

4.050

4.143

13.03.02

Subsidies

134

60

60

60

60

60

60

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

2.356

6.468

8.291

9.550

3.620

3.521

2.550

 

– Projecten BIRK

2.288

3.918

4.432

4.150

0

0

0

 

– Projecten Nota Ruimte

68

0

1.309

2.850

1.070

971

0

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

0

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

13.04

Ruimtegebruik bodem

32.367

39.983

40.721

51.346

46.339

50.861

139.198

13.04.01

Opdrachten

1.784

6.258

5.054

5.354

5.328

5.319

5.369

13.04.02

Subsidies

17.654

12.000

12.000

8.684

10.000

10.000

10.000

 

– Bedrijvenregeling

10.746

10.000

10.000

8.684

10.000

10.000

10.000

 

– Bodemsanering NS

4.538

0

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

2.370

2.000

2.000

0

0

0

0

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

8.709

6.943

5.846

5.905

5.787

5.787

5.787

 

– waarvan bijdrage aan RWS

8.709

6.943

5.846

5.905

5.787

5.787

5.787

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

1.900

14.782

17.821

31.403

25.224

29.755

118.042

 

– Meerjarenprogramma Bodem

1.900

10.280

14.910

28.992

23.013

27.544

115.831

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

0

4.502

2.911

2.411

2.211

2.211

2.211

13.04.07

Bekostiging

2.320

0

0

0

0

0

0

 

Uitvoering klimaatadaptatie

2.320

0

0

0

0

0

0

13.05

Eenvoudig Beter

12.550

14.989

13.134

4.034

1.084

4.084

3.984

13.05.01

Opdrachten

4.158

6.247

6.309

1.509

359

18

0

 

– Eenvoudig Beter

4.158

6.247

6.309

1.509

359

18

0

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

8.392

8.742

6.825

2.525

725

4.066

3.984

 

– waarvan bijdrage aan RWS

8.392

8.742

6.825

2.525

725

4.066

3.984

 

Ontvangsten

6.371

8.989

3.824

3.824

3.824

3.824

3.824

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

75.001

40.300

8.600

4.800

0

Andere ontvangsten van artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

75.001

40.300

8.600

4.800

0

waarvan

         

18.16

Reservering Omgevingswet

75.001

40.300

8.600

4.800

0

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is het grootste deel juridisch verplicht door lopende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het betreft onder meer opdrachten in de sfeer van het programma NOVI (Nieuwe Omgevingsvisie), de uitvoering Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het beleid voor architectuur en ruimtelijk ontwerp en het beleid met betrekking tot de Klimaat – en Ruimtelijke Adaptatie. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied van het programma Ruimtelijke Adaptatie zijn eveneens juridisch verplicht. De subsidies hebben nog maar een beperkte tijdshorizon maar zijn volledig verplicht. Daarentegen heeft de agentschapbijdrage een structureel karakter.

13.02 GEO-informatie

Het opdrachtenbudget en het subsidiebudget zijn merendeels juridisch verplicht. Het opdrachtenbudget betreft voornamelijk de meerjarige opdrachtverlening aan de Stichting Geonovum in het kader van de uitvoering van wettelijke taken, zoals het beheer van de standaarden ruimtelijke informatie en de invoeringsverplichtingen van INSPIRE. Het budget voor bijdragen aan ZBO’s is jaarlijks volledig juridisch verplicht zijnde de opdracht aan het Kadaster ten behoeve van het beheer en onderhoud en de exploitatie van de basisregistraties.

13.03 Gebiedsontwikkeling

Het opdrachtenbudget is deels juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het gebiedsbeleid en MIRT projecten. De uitgaven voor de subsidie aan het Regionaal College Waddengebied, de agentschapbijdrage aan RWS, voor maatregelen op het terrein van het gebiedenbeleid en de bijdrage aan andere overheden voor de uitvoering van Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Nota Ruimte en Nieuwe Sleutel Projecten (NSP) projecten zijn allen juridisch verplicht.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS/WVL zijn juridisch verplicht.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op gelden conform de bestuurlijke afspraken voor knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming, grootschalige bodemsaneringsprojecten en de bijdragen aan drink- en afvalvoorzieningen in Caribisch Nederland.

13.05 Eenvoudig Beter

Van het opdrachtenbudget 2017 is al een groot deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de stelselherziening omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Tevens is de agentschapbijdrage aan RWS en het RIVM juridisch verplicht.

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Toelichting op de financiële instrumenten

13.01.01 Opdrachten

Uitvoering Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De financiële middelen worden in 2017 met name ingezet om zicht te houden op de realisatie van de SVIR en om zorg te dragen voor kennisontwikkeling ten behoeve van de uitvoering van de SVIR. Hiertoe behoren evaluaties over de realisatie van doelen, het uitvoeren van beleidsverkenningen en het op peil houden van de vakkennis. De ondersteuning van provincies en gemeenten in krimp- en anticipeerregio’s door middel van kennis en experimenten wordt in 2017 voortgezet.

Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Architectuur en ruimtelijk ontwerp zijn van belang voor een goede ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving. De rijksinzet met de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp is geactualiseerd en vastgelegd voor de periode 2017 – 2020. Hierbij staat de inzet van ontwerpkracht op de maatschappelijke opgaven zoals geagendeerd in de Nationale Omgevingsagenda en bij het opstellen en toepassen van omgevingsplannen en -visies centraal.

De financiële middelen voor architectuur en ruimtelijk ontwerp worden enerzijds gebruikt voor de eigen rol en verantwoordelijkheid van het Rijk met het College van Rijksadviseurs en met ontwerpend onderzoek – interdepartementaal – op thema’s zoals energietransitie, klimaatopgave, herbestemming en mobiliteit. Anderzijds worden deze middelen ingezet voor programma’s zoals het O-team, de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam en stimuleringsprogramma’s voor de lokale praktijk bij uitvoeringspartners. De uitvoering van de Actieagenda gebeurt in een netwerk van het Rijk met lead partners.

Opdrachten Ruimtelijke Adaptatie en Klimaatadaptatie

Het programma Klimaatadaptatie richt zich op het bevorderen van een transitie van personen en organisaties naar meer klimaatbestendig handelen. Daarbij bevindt het programma zich in een breed speelveld, waarbinnen het een schakelfunctie vervult. Klimaat Adaptatie omvat drie onderdelen; allereerst de uitvoering van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van september 2014 (en het daarover gesloten bestuursakkoord). Hierin is een interbestuurlijke aanpak afgesproken teneinde Nederland op de lange termijn waterrobuust en klimaatbestendig in te richten, met als doel dat Nederland beter bestand is tegen dreigingen van overstromingen, neerslag, droogte en hitte. In 2017 wordt de voortgang geëvalueerd.

Eind 2016 wordt een nationale adaptatiestrategie uitgebracht. IenM heeft hierbij een coördinerende rol. Vervolgens wordt een agenda en maatregelpakket opgesteld en in 2017 aan Brussel toegestuurd. Proceskosten en ondersteuning van enkele pilots zijn de voorziene uitgaven in 2017.

13.01.02 Subsidies

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO)

Het budget van 2017 – 2021 voor de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp wordt deels als een meerjarig subsidie uitgekeerd aan een aantal van de lead partners (waaronder het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal en de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam), om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk.

13.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan het agentschap RWS ten behoeve van het beheer en onderhoud van het OLO2 systeem, dat nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van het huidige Omgevingsloket.

13.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert vanaf begin 2009 verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In dit kader kregen achtenvijftig voorbeeldprojecten medefinanciering uit de Innovatieregeling Mooi Nederland. Uiterlijk 2019 zal het laatste project zijn gerealiseerd.

13.02 Geo informatie
13.02.01 Opdrachten

De structurele middelen zijn bestemd voor de exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen op basis van Europese verplichtingen, waaronder de implementatie van de Europese richtlijn INSPIRE, gericht op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens. Verder zijn de opdrachten aan onder meer Geonovum in het licht van de beleidsuitvoering portefeuille geo-informatie hier opgenomen. Bovendien worden in het kader van de afronding van het programma Basisregistratie Grootschalige Topografie in 2017 nog enkele opdrachten verstrekt.

13.02.02 Subsidies

Met het oog op het uitvoeren van het basisprogramma op het terrein van geo-informatie en de geo-basisregistraties wordt een subsidie verleend aan de Stichting Geonovum.

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT

Betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties en in enkele gevallen ook het actueel houden van de inhoud. Tevens gaat het om beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart), het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn INSPIRE en de beheerkosten van het landelijke online portaal voor ruimtelijke plannen.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten

De opdrachten in relatie tot de gebiedsontwikkeling hebben veelal een relatie met het MIRT. Het MIRT is het meerjarenprogramma van de opgaven in het ruimtelijk fysieke domein. De nadruk ligt op opgaven waaraan het Rijk financieel bijdraagt. Ook opgaven waaraan het Rijk niet financieel bijdraagt, maar waar een rijksbelang heeft, worden in het MIRT besproken. Het streven is te komen tot een brede afweging tussen projecten van verschillende overheden, binnen diverse beleidssectoren, met het doel zo tot een doelmatige inzet van publiek geld te geraken. In het MIRT wordt ook de samenhang met regionale opgaven en initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties besproken. Het Rijk doet dit voor onderwerpen in het ruimtelijk fysieke domein. Samen met de regio’s en andere partijen in de bestuurlijke MIRT overleggen wordt aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda’s gewerkt.

Daarnaast neemt IenM het initiatief vanuit zijn beleidsverantwoordelijkheid voor de Grote Wateren om samen met collega-departementen en gebiedspartners te werken aan gebiedsagenda's. Hierin worden zo veel mogelijk relaties tussen water, milieu, natuur, cultuur-historisch erfgoed en gebruiksfuncties in een ruimtelijk perspectief geplaatst en wordt op basis daarvan gewerkt aan een gezamenlijke adaptieve uitvoeringsagenda. In 2016–2017 wordt dit gedaan voor het IJsselmeergebied.

13.03.02 Subsidies

Er wordt jaarlijks een subsidie verstrekt aan het Regiecollege Waddengebied (RCW). Dit College is opgericht met het primaire doel het beleid en de plannen omtrent het besteden van het Waddenfonds te coördineren.

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn volop in uitvoering. Met een vijftal BIRK projecten bestaat er de komende jaren nog een subsidierelatie. De slotbetalingen zijn thans voorzien in 2018.

Nieuwe Sleutel Projecten (NSP)

Dit budget wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van zes centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van Hogesnelheidslijn (HSL) stations en omgeving. In 2016 heeft dit alleen nog maar betrekking op de NSP projecten Breda en Arnhem. De slotbetaling aan NSP Arnhem heeft begin 2016 plaatsgevonden en de slotbetaling aan NSP Breda is thans voorzien in 2018.

Projecten Nota Ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Thans bestaat alleen nog met Rotterdam Stadshavens een subsidierelatie. De slotbetaling aan dit project is thans voorzien in2018.

Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn een jaarlijkse bijdrage vanuit het Rijk als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam, om de doelstellingen van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied te kunnen bereiken. BRG bestaat uit een aantal deelprogramma's en projecten dat tot doel heeft de ruimte in de haven beter te benutten en de leefbaarheid van de regio Rijnmond te vergroten.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: Taakveld Bodem, Taakveld Drinkwater en Waterketen, Taakveld BES -eilanden, Drinkwater commissie van deskundigen, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), Taakveld bodemenergie, Uitvoering structuurvisie buisleidingen, Taakveld Energie en Ruimte, Taakveld Milieu Effect Rapportage en NEN regelgeving (drinkwater, bodem, zwemwater).

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Programma Commissie m.e.r.

Sinds 1 juli 2014 brengt de Commissie voor de milieueffectrapportage de kosten van haar advies in rekening bij het bevoegd gezag dat het advies heeft gevraagd. Om de continuïteit van de Commissie m.e.r. niet in gevaar te brengen, is bij de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel tarieven Commissie m.e.r. in 2013 toegezegd dat het Rijk in de jaren 2014–2017 een overbruggingsbudget van jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar zal stellen.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

De Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond bij RWS/WVL: dit betreft een opdracht aan het agentschap RWS. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken op grond van de Wet bodembescherming en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Dit convenant vormt de basis voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van het convenant, inclusief de aanpak van verontreinigingen. Tevens vindt de betaling van eerdere toezeggingen voor de aanpak van enkele specifieke verontreinigingen plaats. Dit betreft onder andere de rijksbijdrage aan het Rotterdamse gasfabriekprogramma, de afkoop van de rijksbijdragen aan het Amsterdamse gasfabriekenprogramma, de Volgermeerpolder en de aanpak van asbest in het Gijmink in Overijssel.

Het resterende budget voor 2017 is voorzien voor eventuele knelpunten (artikel 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele bevoegde overheden Wbb in verband met de uitvoering van het convenant (artikel 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020).

Programma Gebiedsgericht instrumentarium

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen binnen het Nederlandse staatsbestel. Met het uitvoeren van drinkwater- en afvalwaterprogramma’s zijn ook de bijdragen aan investeringen in drinkwatervoorzieningen en de exploitatiekosten drink- en afvalwater in Caribisch Nederland gestegen. In de IenM begroting wordt in een structurele bijdrage voorzien aan de drinkwater- en afvalwaterprogramma’s.

13.04.08 Garanties

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van een evaluatie van deze garantieregeling in 2016 beëindigd. In 2017 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 436.000. De openstaande garanties lopen af naar nul over de looptijd tot en met 2027.

13.05 Eenvoudig Beter

Algemeen

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter (EB) wordt gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Daarnaast wordt vanuit de programmadirectie door een interbestuurlijke unit het opdrachtgeverschap voor de implementatie van de Omgevingswet, samen met de bestuurlijke koepels IPO, VNG en UvW georganiseerd. De stelselherziening is erop gericht om te komen tot minder regels en het vergroten van de inzichtelijkheid, een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving, meer ruimte voor decentrale afweging, en het versnellen en verbeteren van de besluitvorming over projecten. Goede implementatie van de Omgevingswet is essentieel. Het gaat hier om invoeringsbegeleiding, het vormen van één centraal infopunt en de ontwikkeling van een Digitaal Stelsel Omgevingswet.

Op 21 april 2016 is het Hoofdlijnenakkoord financiële stelselherziening omgevingsrecht door de Minister van IenM en de koepels VNG, IPO en UvW getekend. Over de eenmalige uitgaven is afgesproken dat de Rijksoverheid de investeringskosten betaalt voor het digitale stelsel, de invoeringsondersteuning en het informatiepunt. In deze begroting is invulling gegeven aan deze afspraak door dekking voor de periode 2016–2024 van totaal circa € 218,1 miljoen op te nemen. De dekking is grotendeels ten laste van de investeringsruimte op het Infrastructuurfonds en het Deltafonds gebracht. Een deel van deze middelen staat gereserveerd op het IF artikel 18.16 onder het kopje «Reservering Omgevingswet» (totaal € 157,05 miljoen) en artikel 12.06 voor transitiekosten van Rijkswaterstaat (€ 0,9 miljoen). Het restant ad € 60,1 miljoen is op Hoofdstuk XII geboekt (waarvan € 30,7 miljoen op artikel 13.05 en € 29,4 miljoen op artikel 98). De hierboven genoemde middelen zijn bestemd voor de eerste fase (invoeringsbegeleiding, het oprichten van een centraal infopunt en het ontwikkelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet) met als uitgangspunt behoud van het huidige voorzieningenniveau. De benodigde middelen voor de vervolgfase van het Digitaal Stelsel Omgevingswet van circa € 93,1 miljoen zijn nog niet aan het projectbudget toegevoegd. Bij vervolg van dit programma zonder aanvullende externe financiering zal er additioneel bijgedragen worden vanuit alle modaliteiten op de investeringsfondsen. Voor de vervolgfase is het streefbeeld dat alle functionaliteiten beschikbaar zijn die helpen om de doelen van de Omgevingswet te realiseren, waarbij de informatiehuizen verder zijn uitgebouwd.

Om de Kamer een integraalbeeld te verschaffen van de totaal beschikbare middelen is onderstaande extracomptabele tabel opgenomen. De middelen die nog op het Infrastructuurfonds staan gereserveerd worden tranchegewijs overgeboekt naar Hoofdstuk XII, waar de uitgaven worden verantwoord. Voor de volledigheid zijn de middelen die vanaf de start (2011–2015) ten laste van de begroting van IenM zijn gebracht ook opgenomen (totaal € 44,8 miljoen). De besteding van het bedrag t/m 2015 (OLO-3, opdrachten verkenning/planuitwerking, apparaat, inhuur van expertise, etc.) is jaarlijks in de jaarverslagen van IenM verwerkt. Naast de toegekende budgetten voor de eenmalige uitgaven is in de tabel ook de op artikel 13.05 budgettair getroffen voorziening voor de exploitatiekosten Digitaal Stelsel Omgevingswet zichtbaar.

Extracomptabele Tabel Toegekende Budgetten Stelselherziening Omgevingsrecht (bedragen x € 1.000)

Eenmalige uitgaven

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2029/ 2030

Totaal vanaf 2016

 

Hoofdstuk XII

                 
 

13.05 Eenvoudig Beter

31.598

14.989

13.134

2.134

384

43

25

 

30.709

 

98.01 Apparaat

13.196

12.091

11.400

4.100

600

600

600

 

29.391

 

Infrastructuurfonds

                 
 

18.16 Reservering Omgevingswet

   

75.001

40.300

8.600

4.800

 

28.350

157.051

 

12.06 Apparaatskosten RWS

 

900

           

900

 

Totaal – eenmalig

44.794

27.980

99.535

46.534

9.584

5.443

625

28.350

218.051

                     

Exploitatie-uitgaven

                 
 

Hoofdstuk XII

                 
 

13.05 Eenvoudig Beter

     

1.900

700

4.041

3.959

 

10.600

 

Totaal – exploitatie

     

1.900

700

4.041

3.959

 

10.600

Totaal toegekend

 

27.980

99.535

48.434

10.284

9.484

4.584

28.350

228.651

13.05.01 Opdrachten

De financiële middelen worden ingezet voor het nader uitwerken van de uitgangspunten van de Omgevingswet in de uitvoeringsregelgeving (AMvB’s en Ministeriele Regelingen) en de invoeringswetgeving, toetsing en consultatie, voor het omgevingsmanagement en voor het versterken van kennis en kunde via het programma NU al EB.

Voor de inwerkingtreding van de wet is een tijdige en zorgvuldige implementatie essentieel. Het gaat hier om de invoeringsbegeleiding, het oprichten van een centraal infopunt en de digitale ondersteuning van de Omgevingswet. Er wordt onder andere gewerkt aan het beter uitwisselbaar maken van digitale gegevens. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de ambitie in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te ontsluiten en meer vergunningaanvragen digitaal te maken.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de inzet van RWS voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet en de Crisis- en herstelwet. Daarnaast levert RWS capaciteit voor de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet. Tot slot zijn de exploitatiekosten van Eenvoudig Beter van IenM hier geraamd.

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Het Ministerie van IenM streeft er naar om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering en toezicht. IenM werkt toe naar een modern en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 OV-keten en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en

het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het rijkswegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatiespecifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Het vervolg van Beter Benutten, landelijk is de volgende programma-ambitie afgesproken: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. Voor het lopende programma Beter Benutten worden in de gebiedsprogramma’s de laatste maatregelen afgerond en loopt het programma Decentraal Spoor tot en met 2020.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vorm gegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De plannen richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersgewonden. Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en in samenwerking met de decentrale overheden onderzoeken hoe een risicogestuurde aanpak kan worden gebruikt als nieuwe basis voor de inzet van maatregelen.

  • Specifiek voor smart mobility wordt in (inter)nationale samenwerking met overheden en marktpartijen gewerkt aan het faciliteren en versnellen van de ontwikkeling van informatisering van het verkeersysteem en automatisering van het voertuig. Dit gebeurt bijvoorbeeld door testen en proeven met innovatieve systemen in Nederland ruim baan te geven. In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

In het notaoverleg MIRT, d.d. 23 november 2015, heeft de Tweede Kamer ingestemd om in de eerstvolgende Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse de indicator voor acceptabele reistijd te wijzigen. De indicator voor acceptabele reistijd uit de Nota Mobiliteit en de SVIR komt hiermee te vervallen en wordt vervangen door de hoofdwegennet indicator. Met deze indicator worden de economische verlieskosten van toekomstige knelpunten in beeld gebracht. Bij suppletoire begroting 2017 zal worden aangegeven hoe daarover wordt gerapporteerd.

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Streefwaarde 2020

percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald.

86%

84%

83%

88%

92%

94%

93%

87%

100%

Bron: Publieksrapportage RWS/WVL, 2016

Beter Benutten

Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma’s Beter Benutten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in het kader van het MIRT-proces (Kamerstukken II 2015–2016 34 300-A, nr. 70)

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en route-informatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

Waarde

2012

Waarde

2013

Waarde

2014

Waarde

2015

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

       

0 knelpunten

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.700

8.650

8.600

8.300

0 knelpunten in 2020

Bron: RWS/WVL, 2016

Toelichting:

Omdat voor lokale luchtkwaliteit per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) gehaald moest zijn, ligt deze streefwaarde inmiddels achter ons. In het najaar van 2016 zal blijken of de prognose van 0 knelpunten in 2015 ook daadwerkelijk is gehaald. Hierover zal in het jaarverslag over 2016 worden gerapporteerd. Tegelijk is het zo dat ook de komende jaren blijvend moet worden voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Dat betekent dat 0 knelpunten het streven blijft. Ook hierover zal in de jaarverslagen steeds gerapporteerd worden op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar.

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2020 hangt samen met de hiervoor in de Wet milieubeheer opgenomen einddatum voor het opstellen van een saneringplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen, dit zal dus ook deels na 2020 zijn.

De sanering wordt uitgevoerd in het kader van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG). In dit programma worden onder bepaalde voorwaarden ook objecten met een geluidbelasting onder de 65dB gesaneerd. Vooruitlopend op het opstellen van regionale saneringsplannen vindt de geluidsanering plaats binnen een aantal tracébesluiten.

De gehanteerde geluidbelastingen zijn gebaseerd op een «worst-case» situatie (volledig benut geluidproductieplafond). Bij een deel van de gesaneerde objecten blijft de geluidbelasting op de gevel na het treffen van de doelmatige saneringsmaatregelen boven de 65dB en wordt toepassing van gevelmaatregelen onderzocht om te voldoen aan de geluidsnorm binnen de woning.

In vervolg op de brief aan de Tweede Kamer over de kostenbeheersing van het MJPG d.d. 20 november 2015 (Kamerstukken II 2015–2016 32 252, nr. 56 zal de komende jaren verder invulling hieraan worden gegeven.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

       

realisatie

doelstelling

 

2002

2011

2012

2013

2014

2015

2020

aantal verkeersdoden

1.066

661

650

570

570

621

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

20.100

19.200

18.800

20.700

dec-16

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2013, 2014 en 2015

Marktcondities

Verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (Kamerstukken II 2015–2016 29 398, nr. 500).

Duurzaamheid

Voor de doelstellingen voor de sector verkeer en vervoer wordt verwezen naar artikel 19 Klimaat.

Beleidswijzigingen

In vervolg op de resultaten van de Informele Transportraad van 16 april 2016 met betrekking tot de Declaration of Amsterdam on Connected and automated driving wordt toegewerkt naar een interoperabel systeem dat innovatief grensoverschrijdend vervoer binnen de Europese Unie ruim baan geeft. Met het omarmen van de Declaration hebben de lidstaten de ambitie uitgesproken in 2019 een framework te hebben om ervoor te zorgen dat er ook internationaal geen belemmeringen zijn voor de interoperabiliteit van voertuigen met nieuwe technieken. Dit om te voorkomen dat er bij elke grens een ander werkend systeem bestaat. Thema’s die in de Declaration aan bod komen zijn bijvoorbeeld regelgeving, afspraken over gebruik data, privacy, security, maar ook het uitwisselen van kennis en het mogelijk maken van grensoverschrijdende test- en vervoer. In Nederland zijn we als een van de koplopers erg actief op het terrein van smart mobility dat ons in de gelegenheid stelt om inbreng te leveren en proactief voorstellen te doen op Europees niveau.

In lijn met het kabinetsbeleid tot afbouw van subsidies waar dat mogelijk is, zal vanaf 2017 nog slechts een gedeeltelijke vergoeding plaatsvinden aan het CBR voor geschiktheidsonderzoeken, het resterende bedrag zal worden doorberekend aan de burgers waarbij deze geschiktheidsonderzoeken moeten plaatsvinden.

In 2016 vindt een beleidsdoorlichting op het beleidsartikel plaats die in 2017 wordt afgerond.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en verkeersveiligheid (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

40.149

34.002

31.892

27.901

27.397

27.455

28.716

Uitgaven:

40.064

35.739

34.406

28.357

27.466

27.657

29.216

Waarvan juridisch verplicht

   

77%

       

14.01

Netwerk

21.538

17.271

17.587

12.039

11.016

11.109

11.910

14.01.01

Opdrachten

16.980

12.894

11.790

6.777

5.804

5.897

6.698

 

– Beter Benutten

10.165

7.946

6.471

1.691

183

184

183

 

– BOA wegverkeersbeleid

1.773

1.913

2.165

2.096

2.350

2.387

2.722

 

– Wegverkeersbeleid

3.931

1.967

1.792

1.628

1.873

1.904

2.167

 

– Overige opdrachten

1.111

1.068

1.362

1.362

1.398

1.422

1.626

14.01.02

Subsidies

1.229

1.161

1.176

641

591

591

591

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

3.329

3.216

4.621

4.621

4.621

4.621

4.621

 

– waarvan bijdrage aan RWS

3.329

3.216

4.621

4.621

4.621

4.621

4.621

14.02

Veiligheid

18.526

18.468

16.819

16.318

16.450

16.548

17.306

14.02.01

Opdrachten

6.774

6.552

6.766

6.263

6.396

6.494

7.283

 

– Opdrachten Verkeersveiligheid

6.774

6.552

6.766

6.263

6.396

6.494

7.283

14.02.02

Subsidies

11.329

8.632

8.539

8.541

8.540

8.540

8.539

 

– VVN

3.619

3.746

3.744

3.744

3.744

3.744

3.744

 

– SWOV

3.738

3.912

4.020

4.021

4.020

4.020

4.020

 

– Overige subsidies

3.972

974

775

776

776

776

775

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

393

585

584

584

584

584

584

 

– waarvan bijdrage aan RWS

393

585

584

584

584

584

584

14.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

30

30

30

30

30

30

0

 

– Euro NCAP

30

30

30

30

30

30

0

14.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

0

2.669

900

900

900

900

900

 

– CBR

0

2.669

900

900

900

900

900

 

Ontvangsten

2.504

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

In artikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.228.785

2.410.421

2.490.820

2.538.934

2.579.227

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

126.245

81.400

79.498

105.493

86.230

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.355.030

2.491.821

2.570.318

2.644.427

2.665.457

waarvan

         

12.01

Verkeersmanagement

3.638

3.638

3.639

3.638

3.635

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

609.164

631.992

616.981

537.601

454.296

12.03

Aanleg

631.536

815.629

1.090.180

1.200.544

1.332.627

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

561.811

508.934

332.315

374.991

357.405

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

548.881

531.628

527.203

527.653

517.494

12.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing van artikel 14 naar de belastinguitgaven (x € mln)

Belastinguitgaven (x € mln)

Bijstelling 2016 t.o.v. MN2016

2016 MN2017

Beleid 2017

Endogeen 2017

Endogeen in %

2017 MN2017

Belastingen op personenauto's en motorrijwielen

           

Teruggaaf taxi's

– 3

43

0

1

2,1%

44

Motorrijtuigbelasting

           

Nihiltarief OV-bussen op LPG

0

0

0

0

0,0%

0

Vrijstelling taxi's

– 5

46

0

0

0,0%

46

Vrijstelling wegenbouw

0

0

0

0

0,0%

0

Nihiltarief MRB zeer zuinige auto's

8

37

1

4

9,6%

35

Belasting op zware motorrijtuigen (eurovignet)

           

Teruggaaf internationaal gecombineerd vervoer

0

0

0

0

0,0%

0

Bron: Bijlage 6 van de Miljoenennota 2017

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier onder andere verplichtingen die tot en met 2017/2018 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een vastomlijnde tijdshorizon, de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en Team Alert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

De opdrachten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU), Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto en Intelligente Transport Systemen (ITS), het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid).

De opdrachten voor Beter Benutten betreffen kosten op het gebied van diverse onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen.

In het kader van het Energieakkoord voor duurzame groei (Kamerstukken II 2012–2013 30 196, nr. 202) is IenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals het programma Lean and Green Personal Mobility, waarbij werkgevers een plan maken om CO2 te reduceren (voor het zakelijk en woon-werkverkeer), de green deal Autodelen en de green deal Het Nieuwe Draaien met de bouwsector, over zuiniger gebruik van machines.

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid onder andere aan de Fietsersbond en een incidentele subsidie verstrekt aan Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV) te Breda en aan de Stichting Wandelnet en Fietsplatform.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid en naar specifieke doelgroepen zoals ouderen. Opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

Op 4 maart 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over het alcoholslotprogramma. De Afdeling heeft artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (RMRG 2011), het artikel waarin wordt geregeld in welke gevallen het alcoholslotprogramma wordt opgelegd, onverbindend verklaard. Dit betekent dat het artikel zoals het luidde niet meer mag worden toegepast en het CBR het alcoholslotprogramma niet meer kan opleggen. De RMRG 2011 is als gevolg van de uitspraak aangepast, waardoor in plaats van het alcoholslotprogramma een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) wordt opgelegd of – in geval van recidivisten – een geschiktheidonderzoek.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT, in 2016 een volledige vergoeding voor de onderzoeken die zij uitvoeren naar de rijvaardigheid alsmede de geestelijke en lichamelijke geschiktheid. Herziening van het RMRG is voorzien per 1 januari 2017.

In lijn met het kabinetsbeleid tot afbouw van subsidies waar dat mogelijk is, zal vanaf 2017 nog slechts een gedeeltelijke vergoeding plaatsvinden. Het resterende bedrag zal worden doorberekend aan de burgers waarbij geschiktheidsonderzoek moet plaatsvinden.

Beleidsartikel 15 OV-keten

In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. De huidige begrotingsindeling sluit hier niet op aan, omdat er sprake is van een apart artikel voor Openbaar Vervoer en een apart artikel voor Spoor. Daarom heeft IenM bij Eerste suppletoire 2016 aangekondigd om bij Begroting 2017 de artikelen samen te voegen tot één nieuw artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 16 aangepast van «Spoor» naar «Openbaar Vervoer en Spoor». Artikel 15 OV-keten wordt geschrapt en zal opgaan in het nieuwe artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Met dit integrale artikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken. De samenvoeging is gemeld aan de Tweede Kamer middels een brief (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 73).

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 15 OV-keten opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 15 en 16 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2016 en daarvoor. Voor de jaren 2017 en verder wordt verwezen naar artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 15 OV-keten (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

4.712

6.017

0

0

0

0

0

Uitgaven:

5.673

5.615

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       

15.01

OV-keten

5.673

5.615

0

0

0

0

0

15.01.01

Opdrachten

3.838

3.990

0

0

0

0

0

15.01.02

Subsidies

1.036

827

0

0

0

0

0

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

799

798

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

799

798

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

0

6.195

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Algemene Doelstelling

Om er voor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenM de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, beheren en benutten. Daarbij zorgt IenM tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenM zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenM (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel)

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG)

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd. Voor 2017 is het de verwachting dat het programma ERTMS van de planuitwerkingfase over kan gaan naar de realisatiefase.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenM zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, OV-chipkaart, taxivervoer en OV-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de Openbaar Vervoer infrastructuur en de ordening van de Openbaar Vervoer markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra hierover betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele OV-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015–2016 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stoptonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht)

Indicatoren en kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar Vervoer en Spoor.

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

In de vorige begroting is aangegeven dat het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer niet meer wordt opgenomen aangezien de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad is nagegaan of gebruik kon worden gemaakt van geanonimiseerde OV-Chipkaartdata.

In 2015 zijn afspraken gemaakt over de gegevens die niet privacy gevoelig zijn. De Tweede Kamer is via de voortgangsrapportage van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 2015–2016 23 645, nr. 605) en via een separate brief over OV-data (Kamerstukken II 2015–2016 23 645, nr. 623). In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur-tot-deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV&Spoortafels. Over de uitvoering van deze actie is de Tweede Kamer op 7 juli 2015 geïnformeerd via de voortgangsrapportage over de uitvoeringsagenda van de LTSA. (Kamerstukken II 2014–2015 29 984, nr. 611)

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2005

2006

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen oordeel

7,0

7,0

7,2

7,4

7,4

7,5

7,5

Informatie en veiligheid

7,2

7,4

7,5

7,6

7,6

7,6

7,7

Rijcomfort

7,0

7,0

7,3

7,4

7,5

7,5

7,6

Tijd en doorstroming

6,1

6,2

6,6

6,8

6,8

6,9

7,0

Prijs

6,0

6,3

5,9

6,2

6,3

6,4

6,6

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2015

Toelichting

De OV Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionale stads- en streekvervoer waarvoor de provincies en de metropoolregio’s verantwoordelijk zijn.

Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de periode van eind oktober tot begin december.

Vanaf 2017 wordt ook de concessie voor het hoofdrailnet waarvoor het rijk de opdrachtgever is in de OV Klantenbarometer opgenomen.

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

         

– Reizigers (1)

7,9

7,9

7,9

8

8

– Personeel (2)

nb

6,9

nb

7

nb

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

         

– Reizigers(3)

nb

15

15

16

14

– Personeel(4)

nb

60

nb

60

nb

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2014 en CROW-KPvv OV-Klantenbarometer 2015.

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident. Het percentage in 2012 en verder is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Klantoordeel sociale veiligheid (1)

78,3%

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

80,1%

Bron: Verantwoording NS over 2015

Toelichting

In 2015 heeft 80,1% van de reizigers sociale veiligheid met het cijfer zeven of hoger beoordeeld. In het Vervoerplan van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ‘s avonds in de trein en overdag en ‘s avonds op stations.

Indicator: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Bodemwaarde

Progressiewaarde

Streefwaarde

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015–20191

20161

20191

Reizigerspunctualiteit2

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

91,0%

90,0%

91,0%

92,3%

Algemeen klantoordeel3

74%

74%

75%

75%

74%

74%

75%

80%

Bron: NS, jaarlijkse vervoerplannen en operationele verantwoordingen

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019.

Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals die in de afgelopen jaren zijn gehanteerd. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. In onderstaande tabel is voor de belangrijkste zeven spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2014 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). De stand van zaken 2015 komt in september 2016 beschikbaar. Voor de ontwikkelingen rondom deze spoorveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid, namelijk dat we de veiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze zeven veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Er lopen verschillende veiligheidsverbeterprogramma’s om de gestelde doelstellingen te realiseren (onder andere het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen en het STS (Stoptonend Sein)-verbeterplan).

In het kader van de tussentijdse evaluatie van de Derde Kadernota Railveiligheid en de als gevolg daarvan vast te stellen «Beleidsimpuls Railveiligheid» zullen deze tot nu toe gehanteerde indicatoren voor de spoorveiligheid worden geactualiseerd, in samenhang met de voor de korte en middellange termijn vast te stellen inhoudelijke prioriteiten6.

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)
     

Beoordelingsjaar

 

verbetering in 2014 t.o.v. 2013?

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

NRV

MWA 2014

MWA 2013

 

1.1

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerstreinkm’s

7,43

3,87

4,22

ja

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerskm’s

0,089

0,03

0,03

gelijk

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

5,97

1,83

3,37

ja

3

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm's

127

71,6

85,22

ja

4

Onbevoegden

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

15,9

7,66

7,92

ja

5

Anderen

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm»

4,7

6,581

5,74

neen

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mld treinkm’s

148

90,09

110

ja

Bron: ILT Jaarverslag spoorveiligheid 2014 (Kamerstukken II 2015–2016 29 893, nr. 200)

Gebruikte afkortingen in de tabel:

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries (het aantal doden en gewogen zwaargewonden)

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

MWA = Moving Weighted Average (voortschrijdend gewogen gemiddelde)

Toelichting:

Hierboven staan de indicatoren voor railveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen.

Kengetal aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Betuweroute

190

310

420

430

410

480

440

Zevenaar grens

340

380

480

490

490

540

470

Oldenzaal grens

80

70

60

60

70

60

100

Venlo grens

230

250

230

220

240

190

270

Maastricht grens

30

30

20

20

30

30

30

Roosendaal grens

120

120

120

110

110

110

130

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen. In 2015 is enige verschuiving van verkeer waarneembaar van de Betuweroute naar het gemengde net door omleidingen als gevolg van de bouw van het Derde spoor in Duitsland. In 2016 neemt naar verwachting het aantal treinbewegingen verder toe, maar ook dan zal sprake zijn van verschuiving.

Beleidswijzigingen

Nu de implementatie van de LTSA2 in volle gang is, zijn IenM en de OV-partners (overheden, vervoerders en infrabeheerder) het Programma Toekomstbeeld OV gestart om naar het OV voor de langere termijn (2040) te kijken en te komen tot een toekomstbestendig OV-netwerk in Nederland. In 2017 zullen we komen met een gezamenlijk Toekomstbeeld en een ontwikkelagenda die aangeeft hoe we beleid en uitvoering stap voor stap kunnen gaan richten op dat Toekomstbeeld.

Ten aanzien van de ordening van de vervoersdiensten op het spoor op de langere termijn (na 2024) wordt in 2016 een viertal scenario’s uitgewerkt. Dit is in lijn met de kabinetreactie op de parlementaire enquête Fyra. Daarnaast wordt, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie, gewerkt aan het omvormen van ProRail tot een publieke organisatievorm.

De onderhandeling over het Europese Vierde Spoorwegpakket zijn afgerond. De implementatie daarvan gaat dit jaar van start. Daarnaast is in 2016 mede naar aanleiding van de voorstellen in het Vierde Spoorwegpakket en een recent Raad van State advies (W14150443) gestart met een inventarisatie naar de noodzaak tot aanpassing en modernisering van de Spoorwegwetgeving. Dit is een meerjarig herzieningstraject van wetgeving waarbij de stakeholders nauw worden betrokken. Over de voorstellen en de planning zal IenM de Tweede Kamer nog nader informeren.

In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. De huidige begrotingsindeling sluit hier niet op aan, omdat er sprake is van een apart artikel voor Openbaar Vervoer en een apart artikel voor Spoor. Daarom heeft IenM bij Eerste suppletoire 2016 aangekondigd om bij Begroting 2017 de artikelen samen te voegen tot één nieuw artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 16 aangepast van «Spoor» naar «Openbaar Vervoer en Spoor». Artikel 15 OV-keten wordt geschrapt en zal opgaan in het nieuwe artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Met dit integrale artikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken. De samenvoeging is gemeld aan de Tweede Kamer middels een brief (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 73).

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

49.388

20.098

9.457

8.704

9.911

10.615

18.147

Uitgaven:

24.603

26.747

32.910

12.215

13.095

13.615

14.085

Waarvan juridisch verplicht

   

91%

       

16.01

OV en Spoor

24.603

26.747

32.910

12.215

13.095

13.615

14.085

16.01.01

Opdrachten

12.042

4.018

5.973

5.761

5.991

6.411

6.943

 

– ERTMS

10.417

47

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

1.625

3.971

5.973

5.761

5.991

6.411

6.943

16.01.02

Subsidies

12.388

20.347

23.562

3.079

3.729

3.829

3.767

 

– Bodemsanering NS

9.076

9.076

0

0

0

0

0

 

– GSM-R

1.092

8.625

20.283

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

2.220

2.646

3.279

3.079

3.729

3.829

3.767

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

44

44

1.022

1.022

1.022

1.022

1.022

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

44

44

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

1.022

1.022

1.022

1.022

1.022

16.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

2.253

2.253

2.253

2.253

2.253

2.253

 

– CLU Betuweroute en HSL

0

2.253

2.253

2.253

2.253

2.253

2.253

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

129

85

100

100

100

100

100

 

Ontvangsten

152

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.043.653

1.826.788

1.897.617

1.962.388

2.056.539

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

185.262

314.308

200.642

195.736

200.651

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.228.915

2.141.096

2.098.259

2.158.124

2.257.190

waarvan

         

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.245.661

1 226.826

1.192.105

1.213.190

1.215.680

13.03

Aanleg

735.505

674.583

676.245

705.775

769.580

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

158.806

159.508

162.083

169.070

169.882

13.07

Rente en aflossing

48.362

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

40.581

63.582

51.229

53.492

85.451

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

216.332

332.243

184.395

146.541

110.356

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

216.332

332.243

184.395

146.541

110.356

waarvan

         

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

132.863

173.577

109.630

85.923

88.162

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

9.128

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

83.469

158.666

74.765

51.490

22.194

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

133.867

177.106

242.092

281.280

291.193

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

40.441

22.119

28.553

60.681

67.487

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

174.308

199.225

270.645

341.961

358.680

waarvan

         

17.02

Betuweroute

942

942

4.807

0

0

17.03

HSL-Zuid

40.745

40.745

0

0

0

17.07

ERTMS

44.463

48.204

102.588

151.588

181.000

17.08

ZuidasDok

88.158

109.334

163.250

190.373

177.680

Extracomptabele verwijzing van artikel 16 naar de belastinguitgaven (x € mln)

Belastinguitgaven (x € mln)

Bijstelling 2016 t.o.v. MN2016

2016 MN2017

Beleid 2017

Endogeen 2017

Endogeen in %

2017 MN2017

Omzetbelasting verlaagd tarief

           

Vervoer van personen (w.o. openbaar vervoer)

– 524

677

0

28

4,2%

705

Bron: Bijlage 6 van de Miljoenennota 2017

16.01 OV en Spoor

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan mede overheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapbijdrage, de bijdrage aan mede overheden en de bijdragen aan internationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM), uitgaven voor de Ov-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche en het onderzoek verplaatsingen in Nederland (OViN). Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

16.01 OV en Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie en spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies

GSM-Rail: Uitgaven voor GSM-R(ail) ter mitigatie van de interferentieproblematiek bij ProRail en vervoerders door de uitrol van 3G- en 4G-netwerken door de telecom providers.

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: Deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond inclusief uitvoeringskosten € 13 miljoen.

Verder worden subsidie uitgaven gedaan voor het OV-loket, de beleidsondersteuning van ROVER, de ondersteuning van het consumentenplatform Friese Waddenveren, het landelijk klachtenmeldpunt taxi en de OV Klantenbarometer. Doel van deze subsidies is het ondersteunen van reizigers en een loket te organiseren waar zij terecht kunnen.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

16.01.04 Bijdrage medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren heeft» betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavinstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, beheer en gebruik van het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, ea.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

Gerealiseerd 2015

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

500.000

78%

77%

84%

85%

85%

88%

90%

100%

Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015 34 098, nr. 1–3)

Bron realisatie: 2015 Traffic Review Schiphol Amsterdam Airport, januari 2016

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» tussen Schiphol en het Rijk bijgesteld en is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90% van de destijds gehanteerde 510.000 vliegtuigbewegingen extra regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II 2011–2012 29 665, nr. 181).

Met de introductie van het nieuwe normen- en handhavingstelsel wordt in 2017 voor Schiphol de ontwikkelruimte verankerd middels het borgen van het plafond van totaal 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020, de 50/50 regel en de regels voor strikt preferentieel baangebruik.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2016

Streefwaarde 2017

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

Bron: De individuele luchthavenbesluiten van het kabinet

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II 2013–2014 31 936, nr. 187)

Bron Lelystad: Ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol». De feitelijke toevoeging van capaciteit vindt plaats op het moment dat deze is vastgelegd in het luchthavenbesluit.

In 2014 is voor Eindhoven met het vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen tot 2020. In 2015 is de eerste tranche, op basis van de verleende vergunning burgermedegebruik voor 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd.

(Kamerstukken II 2014–2015 31 936, nr. 291). Uit de evaluatie bleek dat aan alle elementen van de evaluatie was voldaan, zodat fase 2 in werking kon treden. Het kabinet heeft het Aldersadvies uit 2015 overgenomen en heeft hieraan enkele additionele hinderbeperkende maatregelen toegevoegd. Met ingang van 1 januari 2016 is een vergunning burgermedegebruik verleend voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen.

Voor Lelystad is in 2015 een luchthavenbesluit vastgesteld voor 45.000 vliegtuigbewegingen «groot handelsverkeer». Vanaf 2018 komt deze extra capaciteit op Lelystad gefaseerd beschikbaar afgestemd op de marktontwikkelingen.

Met het vaststellen van de beide luchthavenbesluiten is de eerste stap van de beleidsopgave van de creatie van 70.000 extra vliegtuigbewegingen op Eindhoven en Lelystad gerealiseerd.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Streefwaarde 2015 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

2

3

3

3

 

Frankfurt (FRA)

3

2

2

2

 

Gatwick

4

4

4

4

 

Schiphol

8

8

8

9

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

5

6

 

München

6

6

6

5

 

Brussel

9

9

9

8

 

Madrid

7

7

7

7

 

Bron: SEO, jaarlijkse Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2015

In de tabel geldt hoe hoger het getal, hoe lager het kostenniveau.

Toelichting

Om te kunnen vaststellen of Schiphol een concurrerend kostenniveau heeft, vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een vergelijkbaar aantal vluchten betaald zou moeten worden. De resultaten van de benchmark van 2015 laten zien dat Schiphol medio 2015 op dit vlak de goedkoopste is van de negen onderzochte luchthavens in de benchmark. Van belang is dat Schiphol een concurrerend kostenniveau behoudt, zoals ook omschreven in de Actieagenda Schiphol (Kamerstukken II 2015–2016 29 665, nr.224), waarover meer onder beleidswijzigingen.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,35

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2015

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit (Algemene Maatregel van Bestuur, 18 september 2008) zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. IenM stelt de grenswaarden vast maar heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2015 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2015–2016 29 665, nr. 223).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de Handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2015.

Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Amsterdam

263

271

266

261

264

263

Frankfurt

283

288

301

286

286

287

London Heathrow

165

174

176

176

179

180

Parijs Charles de Gaulle

271

268

256

258

278

274

Brussel

188

200

190

181

192

190

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2016

Toelichting

In deze tabel zijn de bestemmingen opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, aantal passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Vliegbewegingen (x 1.000)

           

Amsterdam

386

420

423

426

438

451

Frankfurt

458

481

476

466

463

457

London Heathrow

449

476

471

470

471

472

Parijs Charles de Gaulle

492

507

491

472

465

469

Brussel

205

214

206

199

214

221

Passagiers (x miljoen)

           

Amsterdam

45

50

51

53

55

58

Frankfurt

53

56

57

58

59

61

London Heathrow

66

69

70

72

73

75

Parijs Charles de Gaulle

58

61

61

62

64

66

Brussel

17

19

19

19

22

23

Vracht (x 1.000 ton)

           

Amsterdam

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

Frankfurt

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

London Heathrow

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

Parijs Charles de Gaulle

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

Brussel

476

475

459

430

454

463

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2016

Toelichting

Inzet van het beleid is het optimaliseren van de netwerkkwaliteit in combinatie met een concurrerende en duurzame luchtvaart. De netwerkkwaliteit wordt mede bepaald door overheidstarieven en -maatregelen, maar is voor een groot deel niet direct beïnvloedbaar. Bovenstaande kengetallen geven de omvang van het netwerk in aantallen bestemmingen en het verkeer en vervoer op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens.

In de jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties laat IenM elk jaar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit van Schiphol monitoren. De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties geeft een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van het verbindingennetwerk (de connectiviteit) op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende buitenlandse luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het verbindingennetwerk van Skyteam (Air France KLM en alliantiepartners) vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken. Uit het onderzoek blijkt dat het verbindingennetwerk van Schiphol ook in 2015 sterker groeit dan de netwerken van de vier andere West-Europese luchthavens in de benchmark (Londen Heathrow, Parijs Charles de Gaulle, Frankfurt en München). De netwerken van Istanbul en Dubai ontwikkelen zich echter nog sterker. De connectiviteit van de Skyteam alliantie heeft zich de afgelopen jaren op Schiphol sterker ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle.

Kengetal: Gemiddelde EU-brede vertraging per en-route vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2012

2013

2014

2015

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

0,7

0,6

0,5

0,5

Gerealiseerd

0,63

0,54

0,61

0,76

Bron: Performance Review Body, Performance monitoring Dashboard 2016

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim.

Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM in Nederlandsluchtruim (ATFM staat voor «Air Traffic Flow Management»-vertraging per vlucht (in minuten))
 

2015

Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

2,0

Gerealiseerd

2,91

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland 2016

Toelichting

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde vertraging op Schiphol tezamen. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase onder een hoogte van één kilometer. Beperkte aantallen vliegtuigopstelplaatsen kunnen ook vertragingen veroorzaken. De vertragingen in 2015 zijn vooral veroorzaakt door weersomstandigheden, de implementatie van een nieuw Voice Communication System (VCS) en een aanbod van vliegtuigen dat de ATC-afhandelingscapaciteit overstijgt (bunching-effect).

Beleidswijzigingen

De komende jaren wordt uitwerking gegeven aan de Luchtvaartnota (Kamerstukken II 2011–2012 31 936 A), de Luchtruimvisie (Kamerstukken II 2011–2012 31 936, nr. 114) en het State Safety Programme 2015–2019. De bij deze nota’s behorende uitvoeringsagenda’s (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 936, nr. 47) en het SSP Actieplan zijn hierbij leidend. Daarnaast is in april 2016 de Actieagenda Schiphol aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2015 -2016 29 665, nr. 224). Deze agenda bevat een overzicht van maatregelen voor de komende jaren die de overheid en sector gezamenlijk nemen om de concurrentiepositie van Schiphol te behouden en te versterken. Het gaat daarbij naast kostenreductie door de sector ook om de bereikbaarheid van Schiphol via spoor en weg, inzet op innovatie en duurzaamheid en het creëren van ruimte voor wonen en vliegen.

Het is tevens van groot belang dat Europa prioriteit geeft aan het vergroten van de concurrentiekracht van de Europese luchtvaart en het behoud van de regionale en mondiale connectiviteit van Europa. Ook dit is in de actieagenda opgenomen. De in 2016 onder Nederlands voorzitterschap overeengekomen onderhandelingsmandaten voor de Europese Commissie, om met ondermeer de Golfstaten afspraken te kunnen maken over eerlijke concurrentie in ruil voor geleidelijke marktopening, worden vanaf 2016 en verder gebruikt om te onderhandelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 17 Luchtvaart (bedragen x € 1.000)
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

19.220

31.678

11.956

14.474

13.889

6.846

7.332

Uitgaven:

21.288

28.136

14.049

13.165

13.157

10.966

8.652

Waarvan juridisch verplicht

   

74%

       

17.01

Luchtvaart

21.288

28.136

14.049

13.165

13.157

10.966

8.652

17.01.01

Opdrachten

5.651

9.429

8.739

6.019

9.973

8.382

6.168

 

– Opdrachten GIS

1.401

2.391

3.487

284

5.021

2.800

0

 

– Overige opdrachten

4.250

7.038

5.252

5.735

4.952

5.582

6.168

17.01.02

Subsidies

2.423

8.254

3.664

759

1.559

959

959

 

– Leefbaarheidsfonds

0

5.300

2.900

0

1.000

400

400

 

– Overige subsidies

2.423

2.954

764

759

559

559

559

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

12.068

9.040

69

4.811

49

49

49

 

– waarvan bijdrage aan RWS (Caribisch Nederland)

12.010

8.955

0

4.748

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

35

71

49

49

49

49

49

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

23

14

20

14

0

0

0

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.146

1.313

1.477

1.476

1.476

1.476

1.476

17.01.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

0

100

100

100

100

100

0

 

– LVNL

0

100

100

100

100

100

0

 

Ontvangsten

31.354

10.312

325

325

325

325

325

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing van artikel 17 naar de belastinguitgaven (bedragen x € mln)

Belastinguitgaven (x € mln)

Bijstelling 2016 t.o.v. MN2016

2016 MN2017

Beleid 2017

Endogeen 2017

Endogeen in %

2017 MN2017

Acczijns

           

Vrijstelling acczijns luchtvaartuigen

– 74

2.123

6

15

0,7%

2.145

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2017

17.01 Luchtvaart

Budgetflexibiliteit

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer het project geluidsisolatie Schiphol (GIS), de uitgaven voor het Schadeschap Schiphol en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Beleidsondersteuning en advies (BOA) is het budget voor 2017, ultimo 2016 juridisch verplicht.

De bijdrage aan interna