34 550 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2017

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

blz

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Het beleid

7

     

2.1

Beleidsagenda

7

     

2.2

Beleidsartikelen

35

 

Artikel 1 Arbeidsmarkt

35

 

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

45

 

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

60

 

Artikel 4 Jonggehandicapten

69

 

Artikel 5 Werkloosheid

73

 

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

81

 

Artikel 7 Kinderopvang

88

 

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

95

 

Artikel 9 Nabestaanden

102

 

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

106

 

Artikel 11 Uitvoering

111

 

Artikel 12 Rijksbijdragen

116

 

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

119

     

2.3

Niet-beleidsartikelen

126

 

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

126

 

Artikel 97 Aflopende regelingen

130

 

Artikel 98 Algemeen

131

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

133

     

3.

Agentschappen

134

     

4.

Bijlagen

141

 

Bijlage 1

SZA-kader inclusief verdiepingshoofdstuk

141

 

Bijlage 2

Sociale fondsen SZW

164

 

Bijlage 3

Koopkracht en specifieke inkomenseffecten

168

 

Bijlage 4

ZBO’s en RWT’s

181

 

Bijlage 5

Moties en toezeggingen

183

 

Bijlage 6

Subsidieoverzicht

245

 

Bijlage 7

Evaluatie- en overig onderzoek

247

 

Bijlage 8

Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden

259

 

Bijlage 9

Lijst met afkortingen

261

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het jaar 2017 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2017. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2017.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2017 vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het Agentschap SZW voor het jaar 2017 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (de begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

B. BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1: LEESWIJZER

Opbouw begroting

De begroting van SZW is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en bestaat uit vier hoofdstukken. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken over het beleid, het Agentschap SZW en de bijlagen.

2.1 Beleidsagenda

In de beleidsagenda worden in de paragraaf beleidsprioriteiten de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode beschreven. De paragraaf wordt afgesloten met een blik op de toekomst. Daarna wordt een overzicht gegeven van indicatoren, zie voor een toelichting de groeiparagraaf. Verder wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het SZA-kader vallen en zijn het overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven, de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen en het overzicht garanties opgenomen.

2.2 Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2017 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zes van de dertien beleidsartikelen is naast begrotingsgefinancierde uitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • Het doel van het financiële instrument;

  • Wie er voor in aanmerking komen;

  • De financiële regeling;

  • De budgettaire ontwikkeling;

  • De beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2017 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de 1e suppletoire wetten 2017 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

2.3. Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat vier niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de middelen die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

3. Baten-lastenagentschappen

Onder het ministerie valt één baten-lastenagentschap, namelijk het Agentschap SZW. Over dit agentschap is een technische paragraaf opgenomen die bestaat uit een meerjarige begroting, het kasstroomoverzicht en een overzicht van doelmatigheidsindicatoren, met bij elk onderdeel een toelichting.

4. Bijlagen

De begroting van SZW bevat negen bijlagen. Een aantal van deze bijlagen is op basis van de RBV verplicht. Dit betreft het Verdiepingshoofdstuk en de bijlagen over de ZBO’s en RWT’s, de Moties en toezeggingen, het Subsidieoverzicht en het overzicht Evaluatie- en overig onderzoek. De Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is eveneens op de RBV gebaseerd. De bijlagen SZA-kader (samengevoegd met het Verdiepingshoofdstuk), Sociale fondsen SZW en Koopkracht en specifieke inkomenseffecten zijn niet op de RBV gebaseerd.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en SZA-kader

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda en in de bijlage SZA-kader inclusief verdiepingshoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De beleidsagenda is hierdoor enkele pagina’s langer dan de norm die de RBV hieraan stelt.

Groeiparagraaf

In de brief Verbetering indicatoren begroting SZW van 11 november 2015 heeft de Minister van SZW voorstellen gedaan voor aanvullende indicatoren om het inzicht in de resultaten van beleid te vergroten. Vervolgens heeft de Minister van SZW in de brief Indicatoren in de SZW-begroting van 3 juni 2016 concrete aanvullingen en een indeling voorgesteld. Deze indicatoren zijn in de begroting 2017 in de beleidsagenda opgenomen na de paragraaf beleidsprioriteiten.

De beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de Minister in beleidsartikel 2 is geactualiseerd. Aanleiding hiervoor vormen opmerkingen van de Algemene Rekenkamer over de verduidelijking van de verantwoordelijkheden van de bewindspersonen van SZW in relatie tot de gedecentraliseerde taken en verantwoordelijkheden in het domein van werk en inkomen. Hierover heeft de Tweede Kamer op 14 maart 2016 een brief ontvangen (Tweede Kamer, 2015–2016, 32 352, nr. 12). Verder is de titel van beleidsartikel 2 gewijzigd in «Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet». Met de invoering van de Participatiewet is het macrobudget Wsw structureel overgeboekt naar de integratie-uitkering sociaal domein van het Gemeentefonds. Vanaf 2017 worden onder het financieel instrument Wsw geen uitgaven meer geboekt.

In beleidsartikel 7 is het aantal kerncijfers over kinderopvang uitgebreid met cijfers over het aantal uren per kind per inkomenscategorie en over gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen. Vanaf 2012 werden deze cijfers opgenomen in de jaarbrief met cijfers over kinderopvang en arbeidsparticipatie. De laatste jaarbrief, met cijfers over het jaar 2015, is op 30 juni naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. 306). De brief bevatte voor kinderopvang veel overlap met de kengetallen in de begroting en het jaarverslag. De tabellen met gegevens over arbeidsparticipatie in de jaarbrief worden voortaan (grotendeels) in de indicatorenparagraaf van de begroting opgenomen.

Tot slot is het gebruik van hyperlinks in deze begroting verder uitgebreid.

Budgetflexibiliteit

Op verzoek van de Tweede Kamer is in de begroting 2017, als aanvulling op de informatie over de juridisch verplichte uitgaven in de beleidsartikelen, in de beleidsagenda een afzonderlijke verzameltabel opgenomen over de niet-juridisch verplichte uitgaven.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet (CW) is in artikel 19 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid Minister». De Staatssecretaris wordt hier niet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de CW niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. het Macrobudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 8 (AOW, pensioenbeleid), 9 (Anw) en 11 (uitvoeringskosten SVB). Dit ongeacht het feit dat de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris in de beleidsartikelen niet expliciet bij «Rol en verantwoordelijkheid» wordt vermeld.

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Wijze van verwerking Middellange Termijnraming CPB

Het CPB heeft recent meerjarencijfers voor de jaren 2018–2021 geleverd. Het betreft cijfers voor de macro-economische uitgangspunten zoals nominale ontwikkelingen en de conjuncturele uitgaven voor de werkloosheid. Deze uitgangspunten hebben effect op de uitgaven SZA. Deze cijfers van het CPB zijn in de begroting technisch verwerkt. Het gaat om cijfers voor de volgende kabinetperiode waarvoor nog kaders moeten worden vastgesteld. Met een verwerking van deze MLT-cijfers in de begroting zullen de kabinetscijfers beter aansluiten bij de gangbare cijfers van het CPB die een rol spelen bij de verkiezingsprogramma’s voor de kabinetperiode 2018–2021.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw (Tweede Kamer, 2010–2011, 21 501-220, nr. 537) ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbevelingen.

Afwijkingen van de RBV

In de beleidsagenda ontbreken de overzichtstabellen met de belangrijkste beleidsmatige mutaties (RBV-model 1.32b). In plaats van deze tabellen wordt in de beleidsagenda een analyse gegeven van de ontwikkeling van het SZA-kader. De aansluitingstabellen tussen de voorgaande en de huidige begroting zijn opgenomen in bijlage 1 van deze begroting.

HOOFDSTUK 2: HET BELEID

2.1 BELEIDSAGENDA

2.1.1 Beleidsprioriteiten
2.1.1.1 Breed gedragen herstel

Balans opmaken

In 2017 zijn er weer verkiezingen en spreekt Nederland zich uit over de richting van een volgend kabinet. Het is nu een goed moment om de balans op te maken van de afgelopen periode. Vier jaar geleden zat ons land midden in een economische crisis die vrijwel iedereen heeft gevoeld. De werk- en inkomenszekerheid van honderdduizenden Nederlanders stond onder druk. Het kabinet nam de verantwoordelijkheid om enerzijds de overheidsfinanciën op orde te krijgen en anderzijds de gevolgen van de crisis te beperken, met een eerlijke verdeling van de lasten. Het kabinet heeft belangrijke hervormingen doorgevoerd, zoals met de Wet werk en zekerheid (Wwz) en de Participatiewet. Daarbij heeft het kabinet steeds oog gehad voor de zwaksten in de samenleving, bijvoorbeeld met de banenafspraak uit het sociaal akkoord en de extra middelen voor armoedebestrijding.

Herstel

Mede dankzij dit kabinet staat Nederland er nu beter voor dan vier jaar geleden. Mensen hebben weer meer vertrouwen in de toekomst en vinden vaker een baan. Het aantal mensen dat een vaste baan krijgt, stijgt voor het eerst sinds 2009. Maar we zijn er nog niet. De werkloosheid is gedaald, maar is nog hoog. Méér werk en beter werk blijven belangrijke uitdagingen voor de nabije toekomst. Met de Participatiewet en de banenafspraak uit het sociaal akkoord heeft het kabinet stappen gezet om de kansen voor mensen die niet goed kunnen meekomen, te vergroten. Zo neemt het aantal mensen met een arbeidsbeperking dat een baan vindt bij een reguliere werkgever toe. De komende jaren moeten we ervoor zorgen dat ieders kansen op goed werk verder verbeteren. Daarbij moeten we ook aandacht hebben voor al die werknemers die onzeker zijn over de toekomst van hun baan. Discussies zoals recentelijk in Groot-Brittannië rondom «Brexit» laten zien dat veel mensen bezorgd zijn over hun positie op de Europese arbeidsmarkt.

Internationale context

Voor veel vraagstukken op SZW-terrein wordt internationale samenwerking steeds belangrijker. Afspraken over goed werk, eerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt en verbetering van arbeidsomstandigheden in internationale productieketens moeten we op Europees of zelfs mondiaal niveau maken. We kunnen ook veel van elkaars ervaringen leren, bijvoorbeeld op het gebied van armoedebestrijding.

Vluchtelingencrisis

De opvang van asielzoekers heeft de afgelopen tijd veel gevraagd van overheden op Europees, landelijk en lokaal niveau, maar ook van duizenden vrijwilligers. Samen staan we voor de uitdaging om degenen die mogen blijven volledig te laten integreren en participeren in onze samenleving. We moeten daarbij voorkomen dat de recente reeks terroristische aanslagen in Europa leidt tot angst die de integratie van nieuwkomers ondermijnt.

2.1.1.2 Beleid 2017

Het beleid voor 2017 richt zich op twee kernwaarden: goed werk en kansen voor iedereen. Voor het realiseren van deze kernwaarden is het van belang dat de ingezette hervormingen en decentralisaties hun beslag krijgen in de praktijk.

Goed werk

Minimumloon

Verhoging minimumjeugdloon

Goed werk begint bij een minimumloon waarvan je kunt rondkomen. Dat geldt ook voor jongeren van 21 jaar die werken en geacht worden financieel zelfstandig te zijn. De huidige vormgeving van het minimumjeugdloon, waarbij jongeren pas vanaf hun 23e recht krijgen op het reguliere wettelijk minimumloon, past daar niet meer bij. Vanaf 2017 werkt het kabinet daarom toe naar een volwaardig minimumloon vanaf 21 jaar en een hoger minimumjeugdloon voor 18-, 19- en 20-jarigen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheid om een wettelijk minimumuurloon in te voeren, zodat het minimumloon per gewerkt uur niet meer afhankelijk is van de arbeidsduur. Zo lang er nog geen minimumuurloon is, wordt alvast wettelijk geregeld dat wie meer dan 40 uur per week werkt (meerwerk), ook recht krijgt op evenredig meer dan het wettelijke minimumloon. Verder blijft betaling op basis van stukloon mogelijk, maar gaan werknemers die stukloon ontvangen, ook ten minste het wettelijk minimumloon verdienen. Met deze aanpassingen ontstaat een toekomstbestendige wet die recht geeft op een sociaal aanvaardbare beloning. Een wet die bovendien heldere en eenduidige eisen stelt aan werkgevers, waardoor deze ook beter te handhaven is door de Inspectie SZW.

Werk en zekerheid

Oplossen van knelpunten

De Wet werk en zekerheid is een belangrijke stap naar een betere balans tussen «flex» en «vast» op de arbeidsmarkt. Het kabinet heeft daarbij oog voor knelpunten en onvoorziene effecten, en lost deze op. Bijvoorbeeld door aanpassing van de ketenbepaling, waardoor de zogenoemde tussenpoos van zes maanden bij cao kan worden teruggebracht naar drie maanden indien sprake is van seizoensgebonden werk. En door aanpassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarmee het verzekerd loon voor bijvoorbeeld flexwerkers eerlijker wordt berekend. Ook bereidt het kabinet een wetsvoorstel voor waarmee werkgevers en werknemers meer mogelijkheden krijgen om in cao’s afspraken te maken over transitievoorzieningen, zoals omscholing en van-werk-naar-werk-begeleiding van werknemers, in geval van ontslag om bedrijfseconomische redenen. Tot slot werkt het kabinet aan een wetsvoorstel waardoor werkgevers bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid compensatie kunnen krijgen voor de wettelijke transitievergoeding. Het kabinet acht dat gerechtvaardigd, gezien de kosten die werkgevers al maken voor onder meer de re-integratie van hun zieke werknemer. Komende tijd zijn vervolgens de cao-partijen aan zet om met elkaar verdere afspraken te maken over flexibiliteit en zekerheid. Er kan op dit gebied vaak meer dan werkgevers en werknemers denken, en maatwerk is belangrijk. Iedere sector of bedrijfstak is immers anders, met verschillende behoeftes bij werkgevers en werknemers.

Re-integratie

Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Ook op andere terreinen blijft het kabinet kritisch kijken naar knelpunten op de arbeidsmarkt. Zoals bij loondoorbetaling en re-integratie in geval van ziekte van een werknemer. Het kabinet gaat de beoordeling van re-integratietrajecten door het UWV, in het bijzonder de re-integratie bij een nieuwe werkgever (het «tweede spoor»), begrijpelijker en voorspelbaarder maken. Hiermee wordt voorkomen dat re-integratietrajecten alleen maar worden gestart om een loonsanctie te voorkomen. Daarnaast moeten zowel werknemers als werkgevers straks het initiatief kunnen nemen voor een vervroegde WIA-aanvraag ingeval een zieke werknemer géén perspectief meer heeft op terugkeer op de arbeidsmarkt. De werkgever kan de IVA-uitkering van zijn zieke werknemer verrekenen met het loon, waardoor zijn financiële lasten omlaag gaan. Deze maatregelen zorgen voor een eerlijkere verdeling van verantwoordelijkheden, en zieke werknemers behouden de maximale kans op terugkeer naar werk. In het najaar van 2016 start een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) om in kaart te brengen hoe de arbeidsparticipatie van WIA-verzekerden met een arbeidsbeperking verder kan worden verhoogd.

Gezond en veilig werken

Inzet op preventie

Het voorkomen van ziekte blijft natuurlijk het beste. Daarom blijft het kabinet inzetten op de preventie van beroepsgerelateerde ziekten en ongevallen. Het meerjarige programma «Duurzame inzetbaarheid» richt zich in 2017 op de aanpak van psychosociale arbeidsbelasting, waaronder het voorkomen van ongewenste omgangsvormen op het werk. Met een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet wil het kabinet daarnaast de onafhankelijke positie van de bedrijfsarts versterken, en de toegankelijkheid van de bedrijfsarts voor werknemers beter borgen. Het meerjarige programma «Toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg» zal parallel hieraan worden ingezet om de maatschappelijke bewustwording van het belang van preventie en goede arbeidsgerelateerde zorg te vergroten.

Kansen voor iedereen

Meer kansen voor de onderkant van de arbeidsmarkt

Lage-inkomensvoordeel

Om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een laag inkomen te vergroten, is er vanaf 2017 het lage-inkomensvoordeel (LIV): een financieel voordeel voor werkgevers die een werknemer in dienst nemen – of houden – die het wettelijk minimumloon verdient of net iets meer. De regeling is eenvoudig: werkgevers hoeven hiervoor geen aanvraag in te dienen. De Belastingdienst betaalt het lage-inkomensvoordeel automatisch uit. In 2018 worden ook de premiekortingen die werkgevers krijgen voor het in dienst nemen van ouderen en mensen met een arbeidsbeperking omgezet in eenvoudigere loonkostenvoordelen, die onafhankelijk van de afgedragen premies worden uitbetaald. Ook kleine werkgevers krijgen dan altijd de volledige tegemoetkoming in de loonkosten voor deze doelgroepen.

Verbeteringen Participatiewet

Het kabinet wil dat mensen met een arbeidsbeperking zo veel mogelijk participeren in regulier werk. De Participatiewet en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten zijn belangrijke instrumenten waarmee het kabinet dit stimuleert. Uit de monitor van de Participatiewet, uit signalen uit de praktijk en uit overleg met de Tweede Kamer komt naar voren dat onderdelen van deze wetten verder verbeterd kunnen worden. Naar aanleiding hiervan zijn met betrokken partijen afspraken gemaakt om de praktische uitvoering te verbeteren. Zo zijn vanaf 2016 een uniforme no-riskpolis en een uniforme premiekorting geïntroduceerd voor iedereen die onder de doelgroep van de banenafspraak valt, en kunnen leerlingen die uit het voortgezet speciaal onderwijs komen direct worden opgenomen in het doelgroepregister. Het wetsvoorstel ter vereenvoudiging en stroomlijning van de Participatiewet bevat een aantal maatregelen om de kansen voor mensen uit de doelgroep verder te vergroten vanaf 2017. Zo kunnen zij straks sneller aan het werk bij een werkgever met een loonkostensubsidie van de gemeente.

Meer beschut werk

Het kabinet wil dat gemeenten meer beschutte werkplekken realiseren. Beschutte werkplekken zijn bedoeld voor mensen die wel kunnen werken, maar zoveel begeleiding en/of aanpassingen nodig hebben dat het niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze mensen in dienst neemt. Het aantal beschutte werkplekken bij gemeenten blijft sterk achter bij de doelstellingen: van de beoogde 1.600 nieuwe plekken eind 2015 werden er slechts 44 gerealiseerd. Uit onderzoek van de Inspectie SZW blijkt bovendien dat een kwart van de gemeenten helemaal geen beschut werk aanbiedt. Daarom wil het kabinet gemeenten wettelijk verplichten om werkplekken te realiseren voor mensen met een advies beschut werk. Daarbij stelt het kabinet voor de periode 2016–2020 € 100 miljoen beschikbaar voor extra implementatieondersteuning, een bonus voor gemeenten die beschut werk realiseren en uitbreiding van de no-riskpolis naar de doelgroep beschut werk.

Banenafspraak

De eerste effectmeting van de banenafspraak laat zien dat zowel de marktsector als de overheid de 9.000 afgesproken banen voor mensen uit de doelgroep hebben gerealiseerd in 2015. Dat is mooi nieuws en vormt een goede basis voor de toekomst. Het aantal nieuwe banen moet de komende jaren echter nog stevig blijven groeien om het afgesproken aantal van 125.000 extra plaatsen in 2025 te bereiken. Het zou bovendien mooi zijn als meer mensen die op uitzend- of detacheringsbasis aan de slag gaan, de komende jaren kunnen doorstromen naar een dienstverband bij de werkgever waar zij hun werkzaamheden verrichten. Daarom blijft het belangrijk om te kijken waar de regels kunnen worden vereenvoudigd en hoe belemmeringen voor het in dienst nemen van mensen uit de doelgroep kunnen worden weggenomen.

Soepele transities op de arbeidsmarkt

Intensivering WW-dienstverlening

Werkzoekenden hebben er baat bij als zij zo snel mogelijk een andere baan vinden. Met ingang van 2017 wordt het budget voor de WW-dienstverlening van het UWV daarom verhoogd tot € 160 miljoen. Hiermee kan het UWV een persoonlijkere dienstverlening gaan leveren aan werkzoekenden met een WW-uitkering. Dit voorziet in een behoefte van werkzoekenden en vergroot bovendien de kans op een snelle werkhervatting. Doordat mensen sneller werk vinden, verdient deze investering zichzelf terug.

Scholingsvouchers

Om de overgang van werk naar werk of van een uitkering naar werk verder te ondersteunen, zijn er ook in 2017 scholingsvouchers beschikbaar. Mensen met een baan of een WW-uitkering, en zelfstandigen, kunnen zich hiermee omscholen naar een beroep met een beter perspectief op werk. Zo worden werkzoekenden gestimuleerd om inzetbaar te blijven en kunnen werkgevers gemakkelijker geschikte mensen vinden in beroepen met veel vacatures. Voor deze scholingsvouchers is € 30 miljoen beschikbaar vanaf medio 2016. Daarnaast gaan sociale partners projecten uitvoeren die zijn gericht op dienstverlening aan werkzoekenden en op nauwere samenwerking in de regio. Het kabinet stelt hiervoor € 40 miljoen beschikbaar.

Beperken langdurige werkloosheid vijftigplussers

Vooral voor vijftigplussers kan de overgang naar ander werk of van een uitkering naar werk nog beter. Hoewel vijftigplussers niet vaker werkloos zijn dan andere leeftijdsgroepen, blijkt wel dat vijftigplussers meer moeite hebben om weer aan het werk te komen áls ze werkloos worden. Hierdoor is de langdurige werkloosheid onder deze groep ongewenst groot. Dit wordt aangepakt met het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» dat in 2017 van start gaat: een gemeenschappelijke campagne van het kabinet en sociale partners om het arbeidsmarktperspectief van vijftigplussers te verbeteren. Kern van de aanpak is dat vijftigplussers worden ondersteund bij het vinden van werk en dat werkgevers worden gestimuleerd om hen aan te nemen. Sociale partners hebben hiervoor belangrijke sleutels in handen, bijvoorbeeld het omvormen van generieke «ontziemaatregelen» in cao’s (zoals extra vakantiedagen) die ouderen minder aantrekkelijk maken voor werkgevers. Maar ook het kabinet draagt bij. Zo verlaagt het kabinet de leeftijdsgrens van de no-riskpolis naar 56 jaar en stelt het extra geld beschikbaar voor experimenten om de kansen bij werkgevers beter te benutten. Voor het gehele actieplan (2017–2018) trekt het kabinet € 68 miljoen uit. Oud-voetbalinternational John de Wolf speelt een belangrijke rol als boegbeeld van de aanpak van werkloosheid onder vijftigplussers.

Box ouderenwerkloosheid

De motie Schut-Welkzijn c.s. verzoekt de Minister van SZW om voor het huidige en toekomstige beleid ten aanzien van ouderenwerkloosheid, zoveel als mogelijk is, vast te leggen hoeveel ouderen worden bereikt, welke uitgaven ermee zijn gemoeid en hoe de effectiviteit zal worden gemeten en hierover in de Begroting 2017 te informeren.

Voor wat betreft het toekomstige beleid komt de evaluatieparagraaf in het nieuwe actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» al tegemoet aan deze motie. Eind 2018 zal worden gekeken in hoeverre de ingezette instrumenten een bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen uit het actieplan. Daardoor is gewaarborgd dat informatie over het gebruik, de effecten en de effectiviteit zoveel mogelijk beschikbaar komt. De Tweede Kamer wordt begin 2017 geïnformeerd over de eindresultaten van het «Actieplan 50pluswerkt», dat tot 1 oktober 2016 loopt. Hierbij zal, waar mogelijk, ook ten aanzien van het huidige beleid (tot 2017) het verzoek in de motie betrokken worden.

In tabel 2.1.1 zijn zoveel mogelijk de beoogde uitgaven en aantallen deelnemers opgenomen van het huidige en toekomstige beleid ten aanzien van ouderenwerkloosheid. Dit betreft de plaatsingsfees uit het «Actieplan 50plus werkt» die in 2017 nog toegekend kunnen worden. Verder zijn de uitgaven en het beoogde bereik van de nieuwe instrumenten uit het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» opgenomen en de overige instrumenten die gericht zijn op de re-integratie van werklozen (waaronder ouderen).

Vervolg: Box ouderenwerkloosheid

Tabel 2.1.1: beoogde uitgaven (€x 1.000) en aantallen deelnemers van het huidige en toekomstige beleid ten aanzien van ouderenwerkloosheid.

Maatregel

Aantal beoogde deelnemers

Uitgaven 2017

Actieplan 50plus werkt

   

Plaatsingsfees

5.000 plaatsingsfees

5.000

     

Perspectief voor vijftigplussers

   

2e loopbaan advies, training leidinggevenden, centraal aanspreekpunt

50.000 werknemers en leidinggevenden

13.000

Intensieve ondersteuning aan werkzoekenden

10.000 werkzoekenden

10.000

Werkgeversbenadering

 

7.000

Verlagen no-risk polis

500 werkzoekenden

65

Experimenten meer werk

 

3.000

Campagne

 

1.000

     

Overige instrumenten

   

Mobiliteitsbonus1

Onbekend

Onbekend

Proefplaatsingen2

Onbekend

Budgetneutraal

X Noot
1

Omdat de premiekorting niet alleen bestaat uit een stimulans om 56-plussers aan te nemen maar zich ook richt op arbeidsgehandicapten, kunnen deze doelgroepen op dit moment niet eenvoudig uit elkaar gehaald worden. Met ingang van 2018 wordt de mobiliteitsbonus vervangen door het loonkostenvoordeel en kan er ook inzicht geboden worden in het aantal verstrekkingen.

X Noot
2

Het instrument proefplaatsing is niet leeftijdsgebonden, waardoor het op dit moment niet mogelijk is een onderscheid naar vijftigplussers te maken. In het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» is aangekondigd dat de mogelijkheid van proefplaatsing voor vijftigplussers verruimd wordt. SZW zal daarbij tevens bezien of de doelgroep beter in beeld gebracht kan worden.

Goede en toegankelijke kinderopvang

Hogere kinderopvangtoeslag

Goede kinderopvang biedt kinderen een vertrouwde en veilige omgeving waarin zij zich kunnen ontwikkelen en bevordert de arbeidsparticipatie van ouders. Daarom investeert het kabinet vanaf 2017 € 200 miljoen per jaar in de toegankelijkheid en kwaliteit van de kinderopvang. De kinderopvang wordt financieel toegankelijker gemaakt door een verhoging van de kinderopvangtoeslag. Daarnaast wordt de toegankelijkheid verbeterd door de bestuurlijke afspraken met gemeenten over uitbreiding van het gemeentelijk aanbod voor peuters van niet-werkende ouders.

Herijking kwaliteitseisen

Het breed gedragen akkoord «Innovatie en kwaliteit in de kinderopvang» vormt de basis voor een herijking van de kwaliteitseisen. Het akkoord behelst onder andere een verhoging van de kwaliteit van de babyopvang door het aantal beroepskrachten per kind te verhogen van één op vier naar één op drie, door coaching on the job voor alle medewerkers en een mentor voor elk kind. De wetgeving hiertoe wordt in 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarnaast bereidt het kabinet wetgeving voor om de verschillen in kwaliteitseisen en financiering van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang op te heffen, waardoor het stelsel overzichtelijker wordt voor ouders.

Aanpassing financiering

Het kabinet wil de financiering van de kinderopvang wijzigen naar een systeem van directe financiering. Dit systeem is gebaseerd op twee geldstromen: de Rijksoverheid bekostigt kinderopvangorganisaties rechtstreeks, en ouders betalen een eigen bijdrage afhankelijk van hun inkomen. Het systeem komt in de plaats van de huidige kinderopvangtoeslag. De geldstromen van en naar ouders worden hiermee beperkt, wat de risico’s van onverwachte nabetalingen en terugvorderingen verkleint. De plannen zijn recentelijk getoetst en dit heeft aanleiding gegeven om extra tijd uit te trekken voor een zorgvuldige voorbereiding. De beoogde invoeringsdatum van (volledige) directe financiering is 2020; het wetsvoorstel wordt nog deze kabinetsperiode aan de Tweede Kamer aangeboden.

Een samenleving waarin iedereen meedoet

Belang van integratie

Het huidige tijdsgewricht kenmerkt zich door oplopende maatschappelijke onrust. De spanningen elders in de wereld, de dreiging die uitgaat van terroristische aanslagen en de maatschappelijke gevolgen van omvangrijke groepen vluchtelingen die hun thuisland hebben verlaten op zoek naar een beter onderkomen, vragen om een stevige inzet op integratie. In de Agenda Integratie heeft het kabinet hiertoe maatregelen ingezet. Deze zijn, in reactie op de recente ontwikkelingen, uitgebreid. De maatregelen zijn gericht op participatie van mensen met een migrantenachtergrond, het uitdragen van de democratische kernwaarden als basis voor het samenleven in Nederland, het stellen van grenzen waar nodig en het creëren van een samenleving waarin er gelijke kansen zijn.

Bestrijding discriminatie

In onze samenleving moet iedereen mee kunnen doen en is er dus geen plaats voor discriminatie. Het kabinet communiceert de normen die we hierover met elkaar hebben afgesproken in Nederland. De campagne «Zet een streep door discriminatie» wordt daartoe verder gevoerd in 2017 in samenwerking met de Ministeries van OCW en V&J. Daarnaast wordt actief lokaal beleid voor de aanpak van discriminatie gestimuleerd. Maatschappelijke organisaties en sleutelfiguren uit verschillende gemeenschappen hebben een belangrijke rol in het bespreekbaar maken van discriminatie, het vergroten van de weerbaarheid van mensen (bijvoorbeeld door ze te stimuleren melding te maken van discriminatie), en het tegengaan van negatieve beeldvorming.

Integratie en participatie nieuwkomers

Rijk en gemeenten geven gezamenlijk uitvoering aan de huisvesting en integratie van vluchtelingen, zoals afgesproken in de bestuursakkoorden. In 2017 wordt met een wijziging van de Wet inburgering de participatieverklaring van statushouders geïntroduceerd en wordt maatschappelijke begeleiding vastgelegd als taak van gemeenten. Met de introductie van de participatieverklaring komt er meer nadruk op de Nederlandse kernwaarden: gelijkwaardigheid, vrijheid, solidariteit en participatie. De participatieverklaring is een onderdeel van het inburgeringsexamen en is verplicht voor alle inburgeringsplichtigen. Het niet afronden van het participatieverklaringstraject kan leiden tot een boete en tot het niet (tijdig) behalen van het inburgeringsexamen. Van nieuwkomers wordt verlangd dat zij participeren. Dit wordt ook gestimuleerd, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk mogelijk te maken. Vrijwilligerswerk kan een waardevolle bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving en kan tegelijkertijd als opstapje dienen naar een betaalde baan voor hen die mogen blijven. Immers: blijven is meedoen. Nieuwe statushouders worden zoveel mogelijk gehuisvest in een arbeidsmarktregio die op basis van hun opleiding en werkervaring de beste kansen biedt. De wachttijd voor huisvesting moet alvast zo nuttig mogelijk worden besteed, bijvoorbeeld aan onderwijs of arbeidsmarktoriëntatie. Het kabinet zal samen met gemeenten blijven kijken hoe de gemeenten hun lokale regierol hierin het beste kunnen vervullen.

Hardere aanpak waar nodig

Werken aan een samenleving waarin iedereen meedoet betekent ook dat mensen die er bewust voor kiezen om niet meer mee te doen, en die het ook voor anderen willen verpesten, harder worden aangepakt. Als onderdelen van het actieprogramma «Aanpak jihadisme» worden gemeenten hierin ondersteund middels de versterkingsgelden en vanuit de Expertise-unit Sociale Stabiliteit met advies op maat gericht op preventie en het voorkomen van escalatie. Met het wetsvoorstel Beëindigingsgrond uitkeringen bij jihadisme wil het kabinet de uitkeringen, toeslagen of studiefinanciering kunnen stopzetten van mensen die uitreizen met het doel om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Daarnaast wordt niet getolereerd dat mensen elkaars vrijheid beperken. Sociale druk zet momenteel diverse geledingen van de Turkse gemeenschap verder tegen elkaar op, terwijl we juist op zoek moeten naar verbinding. Vanuit het integratiebeleid wordt stevig ingezet op dialoog vanuit de landelijke en lokale overheden met de diverse geledingen binnen de Turkse gemeenschap.

Ondersteuning bij armoede en schulden

Armoedebestrijding

Niet iedereen is financieel zelfredzaam. Het voorkomen en bestrijden van armoede en problematische schulden is daarom van belang om mensen kansen te bieden voor een betere toekomst. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor armoedebestrijding en dankzij de decentralisaties in het sociale domein kunnen zij armoede, schulden en andere problemen integraler aanpakken. Het is daarbij van belang dat de schuldhulpverlening breed toegankelijk is en maatwerk biedt. In 2017 werkt het kabinet op basis van de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening samen met betrokken partijen aan het verder verbeteren van de professionaliteit van de schuldhulpverlening, het doorontwikkelen en verspreiden van innovatieve aanpakken en de registratie en beschikbaarheid van noodzakelijke gegevens. Specifiek voor armoedebestrijding onder ouderen met een bijstandsuitkering stelt het kabinet in 2017 en 2018 in totaal € 7,5 miljoen beschikbaar via het Gemeentefonds.

Kansrijk opgroeien

Alle kinderen in Nederland moeten kansrijk kunnen opgroeien. Ook zij die in een gezin leven met een hele kleine portemonnee. In 2014 leefden 421.000 kinderen in een huishouden met een laag inkomen waarvan 131.000 al 4 jaar of langer. Om ervoor te zorgen dat ook kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen kansrijk kunnen opgroeien, stelt het Rijk structureel € 100 miljoen beschikbaar voor benodigdheden voor kinderen (0 tot 18 jaar) waardoor ze mee kunnen doen en die ze nu missen door armoede. Het gaat bijvoorbeeld om schoolbenodigdheden, sportattributen, zwemles, kleding of schoolreisje. Om er zeker van te zijn dat de middelen direct bij de kinderen terecht komen, ontvangen de kinderen deze benodigdheden in natura. De beschikbaarstelling van deze middelen zal op een dusdanige wijze gebeuren dat er zo min mogelijk administratieve lasten zijn.

Vereenvoudiging beslagvrije voet

Terugdringing van armoede- en schuldenproblematiek vraagt ook om een eenvoudig en gecoördineerd proces van schuldinning. De beslagvrije voet voorziet erin dat mensen aan hun financiële verplichtingen voldoen, maar ook voldoende middelen overhouden om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voorzien. Schuldeisers moeten de beslagvrije voet dan ook te allen tijde in acht nemen. Dat gaat nog te vaak mis. Daarom wordt het vaststellen van de beslagvrije voet gemakkelijker gemaakt met het wetsvoorstel Vereenvoudiging beslagvrije voet. Het aantal gegevens dat benodigd is voor de bepaling van de beslagvrije voet gaat omlaag en bovendien worden alleen nog gegevens uit standaardregistraties gebruikt, waardoor ook de schuldenaar ontlast wordt. Tegelijkertijd wordt het proces van beslaglegging aangepast zodat beslagleggende partijen beter van elkaars incassoactiviteiten hoogte zijn. Dit alles maakt het voor schuldeisers gemakkelijker om rekening te houden met de beslagvrije voet. Vanwege het grote belang voor mensen met schulden streeft het kabinet naar implementatie in 2017. In het verlengde hiervan zal het kabinet de Rijksincassovisie, die een betere samenwerking tussen overheidsorganisaties beoogt, in 2017 verder concretiseren.

Evenwichtige inkomensontwikkeling

Koopkracht

Het kabinet heeft en houdt ook in 2017 oog voor groepen die financieel op achterstand dreigen te komen, werkenden en niet-werkenden. Voor 2017 leiden de lage dekkingsgraden van de pensioenfondsen tot een extra uitdaging voor een evenwichtige koopkrachtontwikkeling, nu het ernaar uitziet dat een groot aantal fondsen de pensioenen opnieuw niet kan verhogen («indexeren») of misschien zelfs moet korten. Hoewel het niet de rol is van de overheid om gepensioneerden hiervoor te compenseren, neemt het kabinet wel een aantal maatregelen die de koopkracht van gepensioneerden verbeteren. Het kabinet verhoogt vanaf 2017 de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget, wat gunstig is voor de koopkracht van mensen met een laag inkomen. Daarnaast gaan de algemene heffingskorting en de ouderenkorting structureel omhoog. Met deze koopkrachtmaatregelen gaan bijna 80% van alle gepensioneerden en meer dan 90% van alle werkenden en uitkeringsgerechtigden er volgend jaar in koopkracht op vooruit. Het kabinet zorgt er zo voor dat werkenden, uitkeringsgerechtigden én gepensioneerden profiteren van het economisch herstel in Nederland.

2.1.1.3 Met de blik op de toekomst

Ook voor de jaren na 2017 zijn er uitdagingen op het terrein van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Hierbij identificeren we een viertal hoofdthema’s: een toekomstbestendig pensioenstelsel, sociale cohesie, een arbeidsmarkt die steeds sneller verandert, en een arbeidsmarkt die iedereen kansen biedt.

Een toekomstbestendig pensioenstelsel

Overeenstemming over uitgangspunten

We staan de komende jaren voor de uitdaging om ons pensioenstelsel aan te passen aan de manier waarop we werken en leven in de 21ste eeuw. De breed gedragen wensen uit de Nationale Pensioendialoog zijn daarbij richtinggevend: transparantie en heldere afspraken vooraf over pensioenrechten en -risico’s; betere aanpasbaarheid van het pensioen aan de individuele voorkeuren en omstandigheden van mensen; en een pensioenstelsel dat aansluit op de moderne arbeidsmarkt met een toereikende pensioenopbouw voor alle werkenden. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om ons pensioenstelsel transparanter en schokbestendiger te maken, en ervoor te zorgen dat jong en oud kunnen vertrouwen op een eerlijke verdeling van de pot. Daarbij wil het kabinet de sterke elementen van het huidige stelsel, zoals het collectief delen van risico’s, behouden.

Zorgvuldige overgang noodzakelijk

Het kabinet heeft 2020 beoogd voor de overgang naar een nieuw stelsel dat aan deze wensen tegemoetkomt. Een ambitieuze doelstelling, die zorgvuldigheid en voortvarendheid vereist bij het verder uitwerken van alternatieven. Ook de transitie naar het nieuwe stelsel moet zorgvuldig worden uitgedacht, zodat de lusten en de lasten eerlijk worden verdeeld. Het kabinet zal hierin de regie houden en nauw blijven samenwerken met het pensioenveld en sociale partners. In de tussentijd worden alvast een aantal verbeteringen aangebracht aan het huidige stelsel. Het nieuwe Financieel toetsingskader (FTK) zorgt ervoor dat financiële schokken geleidelijker doorwerken in de premies en de pensioenuitkeringen. Daardoor hoeven pensioenfondsen hun uitkeringen nu minder te korten. De Wet verbeterde premieregelingen maakt moderne premieregelingen mogelijk die deelnemers een grotere kans bieden op een beter pensioenresultaat. En tot slot werkt het kabinet aan een voorstel voor de automatische overdracht van kleine pensioenen om het pensioenresultaat van mensen die regelmatig van baan wisselen te verbeteren en de uitvoeringskosten te verlagen.

AOW blijft basis

In het nieuwe stelsel blijft de AOW het fundament van onze oudedagsvoorziening. Het kabinet heeft de AOW toekomstbestendig gemaakt door de AOW-leeftijd versneld te verhogen en vanaf 2022 te koppelen aan de levensverwachting. Dankzij de AOW bouwt iedereen in Nederland een welvaartsvaste basis op voor zijn oude dag, en is armoede onder ouderen ook na de crisis relatief laag.

Sociale cohesie

Tegengestelde ontwikkelingen

Maatschappelijke veranderingen leiden tot verschillende tegengestelde ontwikkelingen in onze samenleving. Dit is onder andere te zien bij de houding ten aanzien van asielzoekers: vrijwilligers die bijdragen aan een warme ontvangst en tegelijkertijd de angst bij veel mensen voor de gevolgen van een te grote instroom. De tegengestelde ontwikkelingen uiten zich ook in de stijgende opleidingsniveaus van de tweede generatie niet-Westerse migranten versus de relatief hoge werkloosheid onder diezelfde groep. Onder jongeren met een niet-Westerse migrantenachtergrond leeft het gevoel dat ze niet volledig deel zijn van onze samenleving: zij voelen zich onvoldoende vertegenwoordigd in de media, politiek en bestuur en voelen zich apart gezet in het publieke debat. Maar uitdagingen op het gebied van sociale cohesie betreffen niet alleen migranten. Arm en rijk, hoger en lager opgeleiden leven steeds meer in gescheiden werelden. Deze tegenstellingen kunnen de sociale cohesie onder druk zetten en ervoor zorgen dat mensen niet meer meedoen in onze samenleving. Afbreuk van samenhang in de samenleving maakt ons minder weerbaar tegen negatieve invloeden en daarmee vatbaarder voor crisis. «Wij» en «zij»-denken kan leiden tot sociale spanningen en is in het ergste geval de eerste stap naar radicalisering en extremisme.

Taal, onderwijs en werk

Alleen gezamenlijk kunnen we deze ontwikkelingen het hoofd bieden. Een goed functionerende samenleving, waarin iedereen mee wil doen, vereist dat iedereen kansen ziet voor zijn eigen toekomst. Taal, onderwijs en werk spelen daarin een grote rol. Voor nieuwkomers is het belangrijk dat ze snel de Nederlandse taal leren, een opleiding hebben die aansluit bij de Nederlandse arbeidsmarkt en de kernwaarden van onze samenleving internaliseren. Dit zijn immers belangrijke voorwaarden voor een goede kans op werk en, in brede zin, voor deelname aan onze samenleving. De werkvloer is ook bij uitstek de plek waar mensen uit verschillende groepen elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken. Hierdoor zien mensen niet alleen een toekomst voor zichzelf, maar ook een toekomst met elkaar.

Dialoog

Mensen kunnen hun talenten echter pas optimaal ontwikkelen en benutten als de samenleving ook voor ze openstaat. Waar de samenleving onvoldoende kansen biedt, door vooroordeel of stigma, moeten we met elkaar de dialoog aangaan. Dat gaat niet altijd vanzelf. Daarom blijft het belangrijk om te investeren in een goede verbinding tussen de overheid en het maatschappelijk middenveld, en de dialoog met maatschappelijke organisaties te versterken.

Een arbeidsmarkt die steeds sneller verandert

Een leven lang leren

Om te kunnen profiteren van snelle technologische ontwikkelingen moeten mensen zijn toegerust op permanente verandering. Dit vereist dat zij een leven lang leren en werken aan hun inzetbaarheid. Dit begint op jonge leeftijd, met kwalitatief goede en toegankelijke kinderopvang en scholen. Maar ook werknemers met een goede baan moeten zorgen dat ze blijven meegaan met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Vooral voor mensen met een relatief hoog risico op (langdurige) werkloosheid, zoals laagopgeleiden, flexwerkers of oudere werknemers, is het cruciaal dat ze blijven werken aan hun duurzame inzetbaarheid. Een cultuuromslag ten aanzien van leren is daarom belangrijk bij werkgevers én werknemers.

Beperken tweedeling op de arbeidsmarkt

Een onvoorspelbare toekomst vraagt ook om een goed werkende arbeidsmarkt met heldere spelregels. Een arbeidsmarkt waarin de aard van het werk leidend is voor de contractvorm waaronder het werk wordt verricht. Zo’n arbeidsmarkt is er nog niet. De keuze voor de contractvorm wordt nog mede bepaald door institutionele factoren, zoals verschillen in de fiscale behandeling van werknemers en zzp’ers. Mede hierdoor is het aandeel zzp’ers in de beroepsbevolking sinds 1995 met 60% gestegen, en het aandeel werknemers met tijdelijke contracten met 80%. Deze ontwikkelingen leiden tot een tweedeling op de arbeidsmarkt: een groep vaste werknemers met relatief veel bescherming, en een groeiende groep flexwerkers met relatief weinig. Terwijl het soms gaat om mensen met heel vergelijkbare voorkeuren en heel vergelijkbare werkzaamheden. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om actie te ondernemen om deze tweedeling op de arbeidsmarkt te beperken. Hier ligt de komende jaren nog een belangrijke taak voor overheid en sociale partners.

Een arbeidsmarkt die iedereen kansen blijft bieden

Decentralisaties

In een snel veranderende omgeving is het belangrijk dat de overheid mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt blijft ondersteunen en begeleiden naar werk. Met de decentralisaties naar gemeenten is een grote stap gezet naar integraal beleid op het sociale domein (werk, sociale zekerheid, schuldhulpverlening, armoedebestrijding, zorg en onderwijs). Dit proces is nog niet voltooid. Rijk en gemeenten trekken samen op om vervolgstappen uit te denken en in de praktijk te brengen, zodat nog beter maatwerk kan worden geleverd vanuit een integrale blik op de belemmeringen en mogelijkheden van mensen.

Harmonisatie regelingen en instrumenten

Belangrijk aandachtspunt is dat verschillende regelingen (bijvoorbeeld de Participatiewet, Wajong en WIA) soms nog op verschillende manieren ondersteuning bieden bij het vinden van werk. Om mensen in vergelijkbare situaties gelijke kansen te bieden, en om het stelsel voor werkzoekenden en werkgevers overzichtelijker te maken, is het van belang dat regelingen en instrumenten verder worden geharmoniseerd. Hierbij zal moeten worden gezocht naar een balans tussen noodzakelijke veranderingen versus tijd en ruimte voor uitvoerders, zoals gemeenten en UWV, om hun veranderde taken optimaal ten uitvoer te brengen.

2.1.2 Indicatoren

In de brief Verbetering indicatoren begroting SZW van 11 november 2015 heeft de Minister van SZW voorstellen gedaan voor aanvullende indicatoren om het inzicht in de resultaten van beleid te vergroten. Vervolgens heeft de Minister van SZW in de brief Indicatoren in de SZW-begroting van 3 juni 2016 concrete aanvullingen en een indeling voorgesteld. In onderstaande tabellen worden de in deze brieven voorgestelde gegevens gezamenlijk gepresenteerd. De indeling volgt de missie en visie van SZW, de koppeling met de beleidsartikelen in deze begroting staat tussen haakjes vermeld:

  • Werk voor iedereen (1, 7, 13);

  • Kwalitatief goed en eerlijk werk (1);

  • Bestaanszekerheid waar werken echt niet (meer) mogelijk of passend is (2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 13).

Indicatoren: Werk voor iedereen

Tabel 2.1.2.1 Netto arbeidsparticipatie1 (%, jaargemiddelde)
   

2013

2014

2015

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

65,4

64,9

65,4

15 tot 75 jaar

vrouwen

60,6

59,6

60,3

mannen

70,2

70,1

70,4

15 tot 25 jaar

vrouwen

61

58,8

61,7

mannen

59,2

58,7

59,9

25 tot 35 jaar

vrouwen

79,4

79

79,6

mannen

86

86,3

86,6

35 tot 45 jaar

vrouwen

78,1

76,7

77,0

mannen

88,1

88,3

89,1

45 tot 55 jaar

vrouwen

75,3

74,3

74,8

mannen

86,3

86,1

86,9

55 tot 65 jaar

vrouwen

49,5

50,4

52,4

mannen

68,9

69,4

71,1

65 tot 75 jaar

vrouwen

5,2

5,6

5,6

mannen

15,1

16,6

15,1

         

Moeders (lid van ouderpaar)

76,1

76,6

76,7

         

Vaders (lid van ouderpaar)

89,6

90,9

90,4

         

Alleenstaande moeders

62,2

59,7

59,5

         

Alleenstaande vaders

73,7

75,9

75,7

         

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

75,2

75,5

75,9

         

Vaders met jonge kinderen (0–11 jaar)

91,5

93,4

93

X Noot
1

CBS.

Tabel 2.1.2.2 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen1 (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

2013

2014

2015

Vrouwen 15 tot 75 jaar

25,1

25,3

25,3

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

25,1

25,2

25,5

X Noot
1

CBS.

Tabel 2.1.2.3 Werkloosheid (%, jaargemiddelde)1
   

2013

2014

2015

Werkloosheidspercentage

7,3

7,4

6,9

– 15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

13,2

12,7

11,3

 

waarvan migrantenjongeren

21,7

21,7

19,9

– 25 tot 45 jaar

6,3

6,3

5,6

– 45 tot 75 jaar

6,0

6,6

6,5

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

647

660

614

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.266

8.214

8.294

X Noot
1

CBS Statline.

Tabel 2.1.2.4 Positie in de werkkring1 (gemiddeld, x 1.000)
   

2013

2014

2015

Werknemers

6.947

6.860

6.909

 

waarvan werknemers met vaste arbeidsrelatie

5.178

5.052

5.014

 

waarvan werknemers met flexibele arbeidsrelatie

1.769

1.808

1.896

Zelfstandigen

1.319

1.354

1.384

X Noot
1

CBS Statline.

Tabel 2.1.2.5 Kerncijfers re-integratie
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Wet Werk en bijstand

Participatiewet

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000)1

69

68

62

56

47

43

Werkenden met een voorziening Participatiewet, ultimo jaar, x 1.0002

nb

nb

nb

35

37

333

waarvan

           

personen met een loonkostensubsidie Participatiewet3

nvt

nvt

nvt

nvt

nvt

1,23

personen met beschut werk3

nvt

nvt

nvt

nvt

nvt

<0,13

tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

21

15

10

9

8

5,23

Werknemersbestand Wsw (x 1.000)4

103

102

102

102

103

96

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)4

25

25

27

30

30

36

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)4

5,6

6,1

6,2

6,2

6,5

6,6

Aantal voorzieningen WWB/Participatiewet, ultimo jaar (x 1.000) 2

nb

nb

nb

200

214

209

Aantal personen met een voorziening WWB/Participatiewet, ultimo jaar (x 1.000) 2

nb

nb

nb

162

170

166

X Noot
1

CBS, uitstroom na re-integratie. Het cijfer vanaf 2014 is niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren omdat in 2014 de populatieafbakening is gewijzigd. Door een verbeterde berekeningswijze is het jaarcijfer vanaf 2015 niet geheel vergelijkbaar met 2014.

X Noot
2

CBS, statistiek re-integratie gemeenten. Vanaf 2013 registreren gemeenten voorzieningen i.p.v. trajecten. Informatie over 2011 en 2012 is daarom niet beschikbaar.

X Noot
3

Instrumenten worden met ingang van de Participatiewet per 2015 toegepast, daarom is realisatie 2013 en 2014 niet beschikbaar.

X Noot
4

Panteia, Wsw-statistiek.

Tabel 2.1.2.6 Kerncijfers sectorplannen, financieel en aantallen deelnemers1
 

Financieel (x € 1 mln)

 

Aantallen deelnemers

Thema

Initiële beschikkingen

Na bijstelling beschikkingen

Na bijstelling beschikkingen

 

Initiële beschikkingen

Na bijstelling beschikkingen

Na bijstelling beschikkingen

Realisatie

Realisatie

Tranche 1 en 2, peilmaand

maart

2015

oktober

2015

juli

2016

 

maart

2015

oktober

2015

juli

2016

oktober

2015

april

20161

Arbeidsmobiliteit

67,8

35,2

29,8

 

64.226

39.843

41.901

11.771

24.369

Behoud vakkrachten

16,3

9,2

3,4

 

9.165

7.565

1.812

720

989

Scholing

145,3

131,6

113,1

 

244.356

228.295

224.244

86.272

145.881

Bevordering instroom

168,3

150,6

155,5

 

37.392

36.987

41.277

18.376

30.945

Bevordering gezondheid

21,6

19,0

18,8

 

83.970

80.005

77.891

26.430

43.286

Overig

7,9

8,6

8,3

 

2.570

2.570

426

3.321

385

                   

Tranche 3, peilmaand

maart

2016

 

augustus 2016

 

maart

2016

 

augustus 2016

 

augustus 2016

Transities naar werk

65,9

 

nnb2

 

19.088

 

nnb2

 

nnb2

                   

Totaal (excl. overhead)

493,1

354,2

328,9

 

441.679

395.265

387.551

146.890

245.855

Idem (incl. overhead)

508,6

367,7

349,8

 

X Noot
1

Er heeft sinds juni geen nieuwe uitvraag plaatsgevonden.

X Noot
2

Over de uitvoering van de derde tranche is nog geen informatie beschikbaar.

Voor de context van deze kerncijfers wordt verwezen naar de voortgangsbrief van 22 juni 2016 «Voortgang ontwikkelingen Doorstart naar nieuw werk«. In de bijlagen van de voortgangsbrief wordt ingegaan op de reden voor bijstellingen van de beschikkingen voor de sectorplannen uit de eerste twee tranches en de verschuiving van inzet van de middelen tussen verschillende maatregelen in veel sectorplannen. Zo neemt het aantal maatregelen in het kader van behoud vakkrachten sterk af en dat voor bevordering instroom toe.

Voor de realisatie is uitgegaan van de laatste meting / uitvraag die ook in de brief van 22 juni is verwerkt. Bij deze kerncijfers zijn ook cijfers over initiële beschikkingen toegevoegd voor de nieuwere derde tranche sectorplannen. Deze plannen zijn beschikt in de periode oktober 2015 tot en met maart 2016.

Indicatoren: Kwalitatief goed en eerlijk werk

Tabel 2.1.2.7 Gecorrigeerde beloningsverschillen1 (%)
 

2008

2010

2012

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 9

– 8

– 8

Verschil man-vrouw overheid

– 7

– 6

– 4

Indicatoren: Bestaanszekerheid waar werken echt niet (meer) mogelijk of passend is

Informatie over de verschillende uitkeringen (aantallen en kosten), alsmede een nadere uitwerking van cijfers rond fraude en handhaving per wet staan verspreid over de diverse relevante beleidsartikelen, bij de relevante materiewetten. Samenvattende cijfers rond fraude en handhaving worden hieronder vermeld.

Tabel 2.1.2.8 met de kerncijfers opsporing laat een daling van het totaal opgelegde boetebedrag zien voor zowel het UWV, de SVB als de gemeente. Dat is het gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014. Naar aanleiding van deze uitspraak is het sanctiebeleid versoepeld, waardoor er minder hoge boetes zijn opgelegd. Voor het UWV geldt dat het aantal geconstateerde overtredingen en het totaal benadelingsbedrag zijn gedaald door de invoering van de inkomstenverrekening van de Wwz per 1 juli 2015 (zie ook de toelichting bij de TW in beleidsartikel 2 en de WW in beleidsartikel 5).

De incassoratio’s in tabel 2.1.2.9 laten een stabiel beeld zien. De incassoratio zal de komende jaren nog verder toenemen omdat in de Fraudewet is bepaald dat invordering van het benadelingsbedrag en de boete gedurende 10 jaar kan plaatsvinden. Uit tabel 2.1.2.10 blijkt dat voor UWV, SVB en gemeenten gezamenlijk na drie jaar 53% van de over 2013 terug te vorderen uitkeringen en boetes is geïncasseerd.

Tabel 2.1.2.8 Kerncijfers opsporing, UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag

(x € 1 mln)

Totaal opgelegde boetebedrag

(x € 1 mln)

 

2013

2014

2015

2013

2014

2015

2013

2014

2015

UWV1

38,1

50,1

32,5

71,7

87,8

61,5

23,3

55,3

15,6

SVB2

3,8

3,3

3,3

11,1

7,5

9,6

2,5

3,1

1,7

Gemeenten3

4,9

10,7

11,3

20,0

62,0

66,3

7,6

19,0

14,3

                   

Totaal

46,8

64,1

47,1

102,8

157,3

137,4

33,4

77,4

31,6

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 2.1.2.9 Kerncijfers incassoratio’s, UWV, SVB en gemeenten
 

2013

2014

2015

2013

2014

2013

Incassoratio (%)

na 1 jaar

na 1 jaar

na 1 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 3 jaar

UWV1

28

22

30

50

48

61

SVB2

33

23

21

56

40

62

Gemeenten3

16

13

14

22

16

23

             

Totaal

26

19

22

45

37

53

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatiestiek.

Tabel 2.1.2.10 Kerncijfers geïnd bedrag, UWV, SVB en gemeenten
 

2013

2014

2015

2013

2014

2013

Geïnd bedrag (x € 1 mln)

na 1 jaar

na 1 jaar

na 1 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 3 jaar

UWV1

26,6

31,1

22,9

47,5

68,6

57,8

SVB2

4,5

2,5

2,4

7,6

4,3

8,4

Gemeenten3

4,4

10,5

11,3

6,1

13,0

6,3

             

Totaal

35,6

44,1

36,5

61,2

85,8

72,5

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

2.1.3 Budgettaire ontwikkeling SZA-kader
2.1.3.1 Inleiding

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenkader SZA. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector.

2.1.3.2 Uitgaven SZA-kader 2016–2021

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenkader SZA. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. De bewindspersonen van SZW hebben op basis van het regeerakkoord en het aanvullende pakket wetsvoorstellen uitgewerkt. Veel van deze voorstellen zijn al geïmplementeerd. Dit betreft bijvoorbeeld de Participatiewet, de Wwz en de hervorming kindregelingen.

De SZA-sector is conjunctuurgevoelig doordat de werkloosheidsuitgaven in dit kader zijn opgenomen. Het CPB raamt de werkloze beroepsbevolking op 6,2% in 2016 en 2017.

2.1.3.2 Uitgaven SZA-kader 2016-2021

In onderstaande tabel worden de ontwikkelingen in de SZA-uitgaven voor 2016–2021 per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. De totale SZA-uitgaven van € 76,7 miljard in 2016 stijgen naar € 82,7 miljard in 2021. Dit is een toename van € 6,0 miljard in vijf jaar tijd. Deze stijging wordt veroorzaakt door de aanpassing van de uitgaven SZA aan de loon- en prijsontwikkeling. Hiervoor is aan het slot van de tabel een algemene post nominale ontwikkeling opgenomen. Deze post bedraagt € 6,2 miljard in 2021. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling dalen de uitgaven SZA met € 0,2 miljard.

Tabel 2.1.3.1 SZA-uitgaven 2016–2021 (x € 1 mld)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Werkloosheid

           

WW-uitgaven (werkloosheid)

5,4

5,0

4,7

4,5

4,2

3,9

Bijstandsuitgaven

5,8

5,9

6,1

6,2

6,3

6,3

             

Arbeidsongeschiktheid / ziekte en zwangerschap / Wajong

           

WAO/WIA/WAZ

9,2

9,2

9,3

9,4

9,6

9,7

Wajong

3,1

3,1

3,1

3,2

3,2

3,2

ZW/WAZO/Transitievergoeding

2,6

2,6

3,3

2,8

2,8

2,7

             

Ouderdom / nabestaanden

           

AOW

36,1

36,1

36,3

36,1

36,1

36,2

Inkomensondersteuning AOW

0,9

0,9

1,0

1,0

1,0

1,0

Anw

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

             

Kinderopvang en kindregelingen

           

KOT

2,0

2,2

2,4

2,4

2,4

2,4

AKW/WKB

5,2

5,3

5,2

5,2

5,2

5,2

             

Re-integratie / participatie

           

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,3

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Integratie-uitkering sociaal domein

2,7

2,6

2,4

2,3

2,2

2,3

             

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

           

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,0

2,0

1,9

1,8

1,8

1,8

Overige uitgaven

1,1

1,3

1,3

1,3

1,3

1,2

             

Nominale ontwikkeling

0,0

1,0

2,0

3,3

4,6

6,2

             

Totaal SZA-uitgaven

76,7

77,9

79,6

80,1

81,2

82,7

Werkloosheid

De werkloosheid is vanaf 2015 aan het dalen en stabiliseert in 2017, om de jaren erna weer te dalen. Deze daling is ook zichtbaar in de ontwikkeling van de werkloosheidsuitgaven van € 5,4 miljard in 2016 naar € 3,9 miljard in 2021. De effecten van de maatregelen uit de Wwz op de WW-uitgaven treden voornamelijk op langere termijn op en groeien vanaf 2016 geleidelijk in. De toename van de bijstandsuitgaven in de jaren 2016–2021 hangt samen met een aantal wetswijzigingen vanaf 2015, zoals de invoering van de Participatiewet. Ook wordt de toename in de uitgaven verklaard door de verhoogde asielstroom die leidt tot een extra beroep op de bijstand.

Arbeidsongeschiktheid, ziekte en zwangerschap, Wajong

De uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA/WAZ) laten in de periode 2016–2021 een stijging zien. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen.

De uitgaven aan de ZW/WAZO blijven in deze periode naar verwachting vrijwel gelijk. In de reeks voor de transitievergoeding (zie beleidsartikel 6) is rekening gehouden met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Dit verklaart de piek in de uitgaven aan de ZW/WAZO/Transitievergoeding in 2018.

De uitgaven aan de Wajong stijgen in de periode 2016–2021 licht. Met de invoering van de Participatiewet is de groei beheerst doordat de regeling alleen nog zal gelden voor jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben.

Ouderdom en nabestaanden

De uitgaven aan de AOW en de inkomensondersteuning AOW blijven in de periode 2016–2021 vrij constant. In deze ramingen is rekening gehouden met de geleidelijke AOW-leeftijdsverhoging naar 67 jaar in 2021. Voor de langere termijn wordt hiermee de automatische kostenstijging uit hoofde van de vergrijzing beheerst. De uitkeringslasten Anw dalen in de periode 2016–2021 licht omdat de instroom in de Anw kleiner is dan de uitstroom uit de Anw en de voorganger van de huidige Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).

Kinderopvang en kindregelingen

De weergegeven ontwikkeling van de kinderopvangtoeslag betreft een saldo van uitgaven en ontvangsten. Vanaf 2017 worden de uitgaven kinderopvang met € 0,2 miljard geïntensiveerd. Het kabinet zet in op verdere harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang, waarbij verschillen tussen de twee voorzieningen worden weggenomen. Hierbij wordt de financieringsstructuur voor werkende ouders vanaf 2018 gelijk getrokken. Deze ontwikkelingen leiden tot een toename in de uitgaven kinderopvang in de jaren 2016–2021. In 2017 stijgen de uitgaven aan kindregelingen vanwege de verhoging van het eerste- en tweede-kindbedrag in het kindgebonden budget. Het budgettair beslag van de AKW en de WKB daalt in de jaren erna licht vanwege een afname van het aantal kinderen onder de 18 jaar.

Re-integratie, participatie

In het kader van de Participatiewet zijn het macrobudget Wsw en het Participatiebudget gemeenten structureel overgeboekt naar de integratie-uitkering sociaal domein van het Gemeentefonds. Voor de periode 2015 – 2017 blijven deze middelen onderdeel uitmaken van het SZA-kader. De Minister en Staatssecretaris van SZW blijven aanspreekbaar op het stelsel en de omvang van dit budget.

Het budget voor de uitgaven aan re-integratie van arbeidsongeschikten is in de komende jaren constant. Wel wordt een deel van dit budget 2017 (€ 45 miljoen) reeds in 2016 aan het UWV betaald.

Uitvoeringkosten en overige uitgaven

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. De opgelegde taakstellingen zijn in de uitvoeringsbudgetten van de ZBO’s verwerkt. Mede hierdoor dalen de uitgaven tot en met 2018. Vanaf 2018 tot en met 2021 dalen de uitgaven nog eens met circa € 0,1 miljard, vooral veroorzaakt door de afloop van diverse tijdelijke budgetten zoals de business case Handhaving van de SVB en de herindeling van de Wajong bij het UWV.

2.1.3.3 Mutaties uitgaven SZA-kader 2016–2021

In het actuele uitgavenbeeld SZA ten opzichte van de vorige begroting zijn meevallers opgetreden. Verwacht wordt dat de economische groei in 2017 uitkomt op 1,7%. Hierdoor verbeteren de overheidsfinanciën. De omvang van de SZA-sector wordt thans geraamd op € 77,9 miljard in 2017 terwijl in de vorige begroting nog werd uitgegaan van € 78,2 miljard. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door lagere werkloosheidsuitgaven dan destijds geraamd. Intensivering in de kinderopvangtoeslag en in de kinderbijslag in het kader van aanpassingen in het belastingplan en de recente intensivering van het kindgebonden budget, leiden tot hogere uitgaven. Bij de AOW is sprake van hogere uitgaven met name omdat de geraamde uitgaven aan de partnertoeslag in de AOW opwaarts zijn bijgesteld. In 2018 stijgen de uitgaven daarnaast ook omdat de ingeboekte besparing van de kostendelersnorm in de AOW voor dat jaar is uitgeboekt. Bij ziekte leidt met name de transitievergoeding in 2018 tot meerkosten. Bij de nominalen zijn de bijstellingen relatief groot in latere jaren vanwege de verwerking van de Middellange Termijnraming van het CPB.

Tabel 2.1.3.2 Mutaties SZA-uitgaven sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

SZA-uitgaven ontwerpbegroting 2016

77,5

78,2

78,7

79,4

80,1

 

Kinderopvangtoeslag

0,0

0,2

0,2

0,2

0,3

 

Kinderbijslag en WKB

0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

 

Werkloosheid (WW en Bijstand)

– 0,9

– 0,9

– 1,0

– 1,0

– 1,0

 

AOW

0,2

0,2

0,5

0,3

0,3

 

Arbeidsongeschiktheid, Ziekte en Zwangerschap

– 0,1

– 0,1

0,7

0,1

0,0

 

Nominalen

0,0

0,4

0,8

1,1

1,6

 

Brutering

0,0

– 0,4

– 0,5

– 0,4

– 0,4

 

Overig

0,0

0,1

0,1

0,1

0,0

 
           

82,7

SZA-uitgaven ontwerpbegroting 2017

76,7

77,9

79,6

80,1

81,2

82,7

2.1.3.4 Uitgavenplafond SZA-kader en toetsing aan uitgavenplafond

Uitgavenplafond en kadertoetsing

Het uitgavenplafond wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor prijsontwikkelingen (op grond van prijs Nationale Bestedingen), overboekingen en statistische correcties. Op basis van de prijsontwikkeling is het SZA-kader met € 0,9 miljard verlaagd. Dit heeft geleid tot een neerwaartse aanpassing van de ijklijn met € 0,9 miljard in 2017 ten opzichte van het uitgavenplafond in de vorige begroting.

Tabel 2.1.3.3 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2016

2017

Ijklijn SZA-kader ontwerpbegroting 2016

78,1

78,5

Correcties (met name bijstelling pNB-raming)

– 0,7

– 0,9

Ijklijn SZA-kader ontwerpbegroting 2017

77,4

77,6

De actuele uitgavenramingen, zoals deze zijn weergegeven in tabel 2.1.3.2, dienen volgens de regels budgetdiscipline te worden getoetst aan het actuele kader SZA zoals weergegeven in tabel 2.1.3.3. Deze kadertoetsing wordt weergegeven in tabel 2.1.3.4. De SZA-uitgaven zijn in 2017 bijgesteld naar € 77,9 miljard, terwijl het kader uitkomt op € 77,6 miljard. Hiermee wordt het kader SZA in 2017 overschreden, namelijk met (afgerond) € 0,3 miljard.

Tabel 2.1.3.4 Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2016

2017

Totale SZA-uitgaven

76,7

77,9

Ijklijn SZA-uitgaven

77,4

77,6

Over-/onderschrijding ijklijn SZA

– 0,7

0,3

2.1.4 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven
Tabel 2.1.4 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art.

nr.

Naam beleidsartikel

Uitgaven

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming niet-juridisch

verplichte uitgaven

   

(in € 1.000)

(in € 1.000)

(in %)

(in € 1.000)

(in %)

 

1

Arbeidsmarkt

15.992

14.460

90,4

1.532

9,6

Subsidies (€ 120 dzd en opdrachten (€ 1.412 dzd).

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

6.802.144

6.787.976

99,8

14.168

0,2

Opdrachten (€ 14.168 dzd).

3

Arbeidsongeschiktheid

787

787

100,0

0

0,0

4

Jonggehandicapten

3.239.793

3.239.793

100,0

0

0,0

5

Werkloosheid

190.345

171.570

90,1

18.775

9,9

Subsidies (€ 3.500 dzd en opdrachten (€ 15.275 dzd).

6

Ziekte en zwangerschap

7.450

7.450

100,0

0

0,0

7

Kinderopvang

2.597.959

2.577.457

99,2

20.502

0,8

Subsidies (€ 645 dzd) opdrachten (€ 2.269 dzd) en bijdrage agentschappen (€ 17.588 dzd).

8

Oudedagsvoorziening

24.887

24.887

100,0

0

0,0

9

Nabestaanden

1.253

1.253

100,0

0

0,0

10

Tegemoetkoming ouders

5.560.635

5.560.635

100,0

0

0,0

11

Uitvoering

434.478

434.478

100,0

0

0,0

12

Rijksbijdragen

13.957.930

13.957.930

100,0

0

0,0

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

323.351

316.606

97,9

6.745

2,1

Subsidies (€ 1.988 dzd) en opdrachten (€ 4.757 dzd).

 

Totaal niet-juridisch verplichte uitgaven

     

61.722

   

Toelichting

De uitgaven op de begroting van SZW zijn voor 99,8% juridisch verplicht. Dit komt doordat een groot deel van de SZW-begrotingsuitgaven voortvloeien uit door het parlement aanvaarde afzonderlijke wetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inkomensoverdrachten uit hoofde van de Participatiewet, de Wajong en de Wko, maar ook voor de rijksbijdragen. De begroting geeft een beeld van de verwachte uitgaven in 2017 en de komende jaren op grond van deze wetten. Een wijziging in deze uitgaven vereist een wijziging van de desbetreffende wetten op grond waarvan vervolgens de begroting zou kunnen worden aangepast. Deze uitgaven kunnen dus niet worden aangepast door een wijziging van de begroting van SZW.

Bovenstaande tabel heeft alleen betrekking op de begrotingsgefinancierde uitgaven. De premiegefinancierde uitgaven zoals voor de AOW, WW en WIA/WAO, die in de begroting van SZW worden toegelicht, zijn overigens ook veelal juridisch verplicht omdat deze eveneens zijn gebaseerd op een afzonderlijke wet los van de begroting.

In bovenstaande tabel is voor de begroting van SZW aangegeven in welke mate de uitgaven naar verwachting per 1 januari 2017 nog niet juridisch verplicht zijn. Hierin zijn inkomensoverdrachten op basis van een wettelijk regeling als juridisch verplicht gerekend. Daarnaast zijn er de subsidies en opdrachten. Een deel hiervan is ook juridisch verplicht, omdat het om langlopende subsidieverstrekkingen of per ultimo 2016 reeds verplichte opdrachten gaat. Een beperkt deel van de subsidies en opdrachten is ultimo 2016 naar verwachting nog niet juridisch verplicht. In veel gevallen liggen er wel bestuurlijke afspraken aan deze voornemens ten grondslag. Hetzelfde geldt voor de bijdrage aan agentschappen (t.b.v. DUO) bij beleidsartikel 7. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Op de totale begroting van SZW gaat het om een bedrag van € 61,7 miljoen nog niet juridisch-verplichte uitgaven.

2.1.5 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen
Tabel 2.1.5 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen
 

2015

20161

20172

2018

2019

2020

2021

Geheel artikel?

1. Arbeidsmarkt

         

x

 

Ja

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

     

x

     

Ja

3. Arbeidsongeschiktheid

   

x

       

Ja

4. Jonggehandicapten

   

x

       

Ja

5. Werkloosheid

 

x

         

Ja

6. Ziekte en zwangerschap

   

x

       

Ja

7. Kinderopvang

x

         

x

Ja

8. Oudedagsvoorziening

       

x

   

Ja

9. Nabestaanden

       

x

   

Ja

10. Tegemoetkoming ouders

     

x

     

Ja

11. Uitvoering

x

         

x

Ja

12. Rijksbijdragen3

             

nvt

13. Integratie en maatschappelijke samenhang

 

x

         

Ja

X Noot
1

De opzet en de vraagstelling van de beleidsdoorlichtingen die in 2016 worden opgeleverd (artikel 5 en 13) zijn medio 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd. Zie: Kamerbrief over de opzet beleidsdoorlichting van artikel 5 en artikel 13.

X Noot
2

Oorspronkelijk stond de beleidsdoorlichting artikel 3 (arbeidsongeschiktheid) gepland in 2017. Uiterlijk 1 maart 2017 wordt het IBO (Interdepartementaal beleidsonderzoek) Arbeidsongeschiktheid opgeleverd. Voor wat betreft de onderwerpen die in het IBO aan de orde komen (WIA), komt het IBO in plaats van de beleidsdoorlichting. Voor een aantal relatief kleine onderwerpen (onder andere WAZ) die niet in het IBO terugkomen is er voor gekozen om deze in een aparte evaluatie aan de orde te laten komen.

De opzet en de vraagstelling van de beleidsdoorlichtingen van 4 is kort voor Prinsjesdag 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd.

De opzet en de vraagstelling van de beleidsdoorlichting van artikel 6, die medio 2017 wordt opgeleverd, is in september 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd. Zie: Kamerbrief over de opzet beleidsdoorlichting van artikel 6.

X Noot
3

Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

2.1.6 Overzicht van risicoregelingen
Tabel 2.1.6.1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantie-plafond

Totaal plafond

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Startende Ondernemers

234

0

184

50

0

50

0

50

Tabel 2.1.6.2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Startende Ondernemers

221

0

221

150

0

150

50

0

50

In 2007 is de tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering van kracht geworden. Een garantie heeft een maximale duur van zes jaar. Er worden geen nieuwe garanties meer verleend. De regeling beoogde te onderzoeken hoe starters voor krediet bij het bankwezen terecht konden. Met de regeling konden starters (aanvankelijk alleen vanuit een uitkering) onder gedeeltelijke en aflopende borgstelling van het rijk een bankkrediet voor hun bedrijf verwerven. De starter betaalde een rente en de bank liep een beperkt risico met weinig uitvoeringskosten. Onder invloed van nieuwe instrumenten is besloten de regeling te sluiten. De claims worden afgedekt op de SZW-begroting.

Tabel 2.1.6.3 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Integratie en maatschappelijke samenhang

Inburgering

154.800

divers

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringonderwijs te bekostigen. Slechts ingeval de nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden.

Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen. De looptijd van deze leningen is divers.

Het leningenbudget neemt vanaf 2016 fors toe vanwege de vluchtelingenproblematiek.

2.2 BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml)

    Per 1 juli 2017 wordt de Wml gewijzigd. De leeftijdsgrens waarop recht bestaat op het volwassenminimumloon wordt verlaagd van 23 naar 22 jaar. Een verdere verlaging naar 21 jaar is voorzien voor 2019. Ook vindt verhoging plaats van de hiervan afgeleide percentages voor het minimumjeugdloon van 18- t/m 21-jarigen. De stukloonregeling wordt aangepast zodat ook bij betaling op basis van stukloon het minimumloon wordt betaald en de Inspectie SZW deze norm kan handhaven. Tot slot wordt een expliciete juridische grondslag gecreëerd voor het moeten betalen van minimumloon over de verrichte arbeid die de normale voltijdse arbeidsduur te boven gaat. De noodzaak hiertoe volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1622) waarin is geoordeeld dat deze grondslag ontbreekt.

  • Ketenaansprakelijkheid in de vervoerssector

    In de Wet aanpak schijnconstructies is de civiele ketenaansprakelijkheid voor het aan werknemers verschuldigde loon geïntroduceerd. Een werknemer kan op deze regeling een beroep doen wanneer hij (op basis van een arbeidsovereenkomst) gewerkt heeft ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst van aanneming van werk. Wanneer dat het geval is, kan hij ook de opdrachtgever(s) van zijn werkgever aansprakelijk stellen als de werkgever zijn loon niet heeft betaald. Per 1 januari 2017 geldt deze ketenaansprakelijkheid ook in de transportsector.

  • Wet op de ondernemingsraden (WOR)

    Het wetsvoorstel tot wijziging van de WOR (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 494, nr. 2) over de beloning van topbestuurders beoogt invoering van de verplichting tot een jaarlijks gesprek tussen de bestuurder en de ondernemingsraad. Dit gesprek gaat over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen binnen bedrijven met honderd werknemers of meer. Het gaat om het expliciteren van de verplichting om overleg te voeren en de verplichting tot het verschaffen van informatie over de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden en beloning van verschillende groepen werknemers. De wetswijziging moet zorgen voor een duidelijkere norm in de wet. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2017.

  • Stimulering kennismigratie

    Ter stimulering van de Nederlandse kenniseconomie zullen in 2017 enkele maatregelen ingaan die de kennisgerelateerde migratie bevorderen. Zo zal voor het internationale bedrijfsleven een regeling worden ingevoerd die een flexibele toelating voor het verrichten van werkzaamheden in Nederland door derdelanders mogelijk maakt. Daarnaast zal het voor kennismigranten, wetenschappelijk personeel en studenten mogelijk worden gemaakt om naast hun werkzaamheden of studie activiteiten als ondernemer te ontplooien en deel te nemen in innovatieve start-ups.

  • Implementatie wetsvoorstel Versterking Arbeidsgerelateerde Zorg

    Naar verwachting zal in 2017 de wijziging van de arbeidsomstandighedenwet in werking treden. Belangrijke elementen hierbij zijn: de versterking van de betrokkenheid van werkgevers en werknemers bij de arbodienstverlening, de preventie van beroepsziekten en het handelen van de bedrijfsarts. De implementatie zal worden gefaciliteerd door communicatieactiviteiten en stimulering van sectorale en regionale initiatieven.

  • Duurzame inzetbaarheid/psychosociale arbeidsbelasting (PSA)

    In 2017 zal een Actieteam ingezet worden dat bedrijven faciliteert in de aanpak van PSA, met een focus op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen zoals pesten op de werkvloer. De ervaringen en goede voorbeelden worden gebruikt om de landelijke aanpak te versterken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

15.444

22.858

16.192

19.819

20.349

20.469

20.469

Uitgaven

17.487

22.758

15.992

20.819

20.349

20.469

20.469

waarvan juridisch verplicht (%)

   

90,4%

       
               

Inkomensoverdrachten

0

6.580

320

0

0

0

0

               

Subsidies

3.558

2.938

3.009

2.920

2.225

2.345

2.345

               

Opdrachten

13.737

9.212

7.843

9.379

9.604

9.604

9.604

               

Bekostiging

192

203

203

203

203

203

203

               

Bijdrage aan andere begrotingen

0

50

842

4.542

4.542

4.542

4.542

Ministerie van EZ

0

50

150

3.850

3.850

3.850

3.850

Ministerie van VWS

0

0

692

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

0

3 775

3 775

3 775

3 775

3 775

3 775

               

Ontvangsten

22.203

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn een gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft vergoedingen aan werknemers die tijdens ziekte te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 96% juridisch verplicht. Dit betreft verschillende subsidies voor bijvoorbeeld de Diversiteitscharter, Fairwork en voor een pilot identificatieplicht in de bouw. Daarnaast worden initiatieven van branches in het kader van de programma’s Zelfregulering Gezond en Veilig Werken en Duurzame inzetbaarheid gesubsidieerd.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 82%. De middelen worden ingezet voor het programma Zelfregulering Gezond en Veilig Werken, het programma Duurzame inzetbaarheid, het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), de campagne Arbeid en Zorg en een project op het gebied van de combinatie van werk en mantelzorg. Daarnaast zijn middelen verplicht voor onderzoek.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan andere begrotingen:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad en het College toelating gewasbestrijdingsmiddelen.

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdragen aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

De hier gereserveerde middelen zijn bestemd voor het uitbetalen van schadevergoedingen aan werknemers die tijdens ziekte tot 1 januari 2012 te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd. In 2016 zijn hier middelen voor gereserveerd, in 2017 wordt nog een klein deel uitbetaald.

B. Subsidies

Aan het subsidiëren van de Diversiteitscharter wordt in 2017 ruim € 0,4 miljoen besteed. Voor het programma Zelfregulering Gezond en Veilig Werken wordt € 0,7 miljoen ingezet voor het ondersteunen van branches en bedrijven bij het ontwikkelen, implementeren en borgen van instrumenten van zelfregulering op het terrein van gezond en veilig werken. De projecten zijn erop gericht partijen te stimuleren en te faciliteren om zelf initiatieven te nemen om veilig en gezond werken blijvend te verbeteren. Voor het programma Duurzame Inzetbaarheid wordt € 1,6 miljoen besteed aan het project «Duurzame Inzetbaarheid in het mkb». Het doel is te bewerkstelligen dat mkb-bedrijven aan de slag gaan met duurzame inzetbaarheid en er binnen het mkb structureel aandacht komt voor duurzame inzetbaarheid.

Voorts zijn er nog enkele subsidies tot een bedrag van circa € 0,2 miljoen. Het gaat onder andere om subsidies voor projecten op het gebied van arbeidsgerelateerde zorg en gevaarlijke stoffen, subsidie aan Fairwork en een pilot identificatieplicht in de bouw.

C. Opdrachten

Het opdrachtenbudget is in 2017 ruim € 1 miljoen lager dan in 2016. In 2017 wordt € 0,6 miljoen besteed aan de campagne Arbeid en zorg. Deze campagne zal zich richten op de maatschappelijke bewustwording van rolpatronen en aandacht vragen voor de verdeling van arbeid- en zorgtaken. Daarnaast wordt € 0,2 miljoen besteed aan een gezamenlijk project met het Ministerie van VWS. De inzet is om werkgevers bewust te maken van het belang werk en mantelzorg te combineren en zowel werkgevers als werknemers daarbij te ondersteunen. Voor het programma Zelfregulering Gezond en Veilig Werken ligt in 2017 de focus op implementatie en borging. Hiervoor wordt € 1,1 miljoen besteed. Er wordt ingezet op kennisdeling tussen branches en bedrijven en het organiseren en overdragen van de opbrengsten van het programma Zelfregulering. Verder wordt inzicht gegeven in de resultaten van de monitor van het programma Zelfregulering op drie niveaus (programma / branche / bedrijf).

In 2017 zal in het programma Duurzame inzetbaarheid ten aanzien van psychosociale arbeidsbelasting de focus verschuiven van communicatie via campagnes naar het stimuleren en faciliteren van organisaties. Er wordt € 0,5 miljoen aan een actieteam besteed, met specifieke aandacht op ongewenste omgangsvormen. Daarnaast wordt € 0,5 miljoen besteed aan diverse (communicatie)activiteiten en bijeenkomsten gericht op duurzame inzetbaarheid, in het bijzonder werkstress. Voor de jaarlijkse uitvoeringsovereenkomst met het NCvB is een bedrag van € 0,6 miljoen beschikbaar. Een bedrag van € 0,5 miljoen is bestemd voor het Arboportaal. Dit portaal dient als startpunt voor werkgevers, werknemers en preventiemedewerkers voor informatie over arbeidsomstandigheden. Een bedrag van € 0,6 miljoen wordt besteed aan het onderhoud van de normalisatie infrastructuur en de beleidsintensivering certificatie.

Naast kleinere (onderzoeks)opdrachten tot een bedrag van ruim € 1 miljoen wordt circa € 0,5 miljoen besteed aan onderzoek en statistieken door SCP en CBS.

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER-commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.

E. Bijdrage aan andere begrotingen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van EZ van € 0,2 miljoen aan de financiering van het Ctgb. De bijdrage aan de begroting van VWS (€ 0,7 miljoen) bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage van € 3,8 miljoen aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

De realisaties van de boeteontvangsten laten niet de stijging zien die was verwacht op grond van de Fraudewet van 2013. De raming van de boeteontvangsten is daarom bijgesteld op basis van realisatiegegevens over voorgaande jaren.

Gezond en veilig werken

Kerncijfers

In 2015 hebben veertien op de duizend werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in de periode 2013–2015 vrijwel stabiel. Werknemers verzuimen gemiddeld bijna vier op de honderd werkdagen.

Het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen is in 2015 ten opzichte van een jaar eerder gehalveerd. De naleving zorgplicht Arbowet is gebaseerd op de zorgplicht van de werkgever zoals vermeld in artikel 3 van de wet en geeft in één cijfer een beeld van in hoeverre op de werkvloer de Arbowet door bedrijven wordt nageleefd.

Dit jaar wordt voor het eerst een kengetal over beroepsziekten gepresenteerd. Daarin wordt de jaarlijkse incidentie van beroepsziekten uitgedrukt als het percentage werknemers dat naar eigen zeggen een door een arts vastgestelde beroepsziekte heeft opgelopen. Dertig op de duizend werknemers zeggen in 2014 een dergelijke ziekte te hebben opgelopen.

Tabel 1.2 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Arbeidsongevallen onder werknemers dat verzuim tot gevolg heeft (%)1 2

2,7

1,7

1,4

Ziekteverzuim (%)3

3,9

3,8

3,9

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

3

4

2

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

79

Beroepsziekten onder werknemers als volgens henzelf door een arts vastgesteld (%)6

3,2

X Noot
1

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

Door gewijzigde opzet en vraagstelling van de enquête is het percentage vanaf 2014 niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren. In 2015 is de meting van arbeidsongevallen verbeterd. Er wordt een extra controle uitgevoerd of het arbeidsongeval wel in de afgelopen 12 maanden heeft plaatsgevonden. Hierdoor valt het aandeel werknemers met een arbeidsongeval in 2015 iets lager uit. Wanneer deze verbetering niet was doorgevoerd zou het percentage in 2015 zijn uitgekomen op 1,6%. Deze verbetering wordt voor het jaar 2015 en latere jaren toegepast.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW, administratie.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
6

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tabel 1.3 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.895

5.486

5.500

• waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

5.260

4.850

4.743

• waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

635

636

757

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2 3

8,8

7,2

7,0

X Noot
1

SZW, rapportage cao-afspraken (2013 en 2014) en SZW-administratie (2015).

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Voor de jaren 2014 en 2015 geldt: Inclusief de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid die sinds 1 april 2014 een deel van de twv’s vervangt.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder op het terrein van het Ministerie van SZW. Zij werkt aan eerlijk, gezond en veilig werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Op basis van risico- en omgevingsanalyses zet de Inspectie toezicht en opsporing in waar de meest hardnekkige problemen voorkomen en waar de kans op effect groot is. De Inspectie bestrijkt het gehele SZW-terrein: arbeidsomstandigheden, arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen en sociale zekerheid. Hiernaast is de Inspectie ook aangewezen als opsporingsorganisatie voor het Ministerie van VWS voor Pgb-fraude en declaratiefraude.

De Inspectie heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. Bij de uitvoering wordt daarbij gebruik gemaakt van een breed instrumentarium. In het Inspectiejaarplan voor 2017 (dat in november 2016 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden) wordt dit nader toegelicht. Tabel 1.4 geeft ter illustratie een overzicht van de risico’s die de Inspectie in 2017 gaat aanpakken, de doelgroepen die daarbij in beeld komen en de interventies die in programma’s gehanteerd worden.

Tabel 1.4 Overzicht van risico’s, doelgroepen en interventies Inspectie SZW in 2017

Risico’s

Doelgroepen

Zorg en Welzijn

Schoonmaak

Transport en Logistiek

Horeca/Detailhandel

Bouw

Land- en Tuinbouw

Metaal

Uitzendbureaus

Grond-, Weg en Waterbouw

(Brzo) Bedrijven met gevaarlijke stoffen

Certificerende instellingen

Producenten, importeurs en distributeurs arbeidsmiddelen

UWV, SVB en gemeenten

Nucl. instellingen en nucl. installaties of bronnen

Interventies1

Illegale tewerkstelling2

 

X

 

X

X

X

X

X

           

A,B,C,D,E

Onderbetaling2

X

X

X

X

 

X

X

X

           

A,B,C,D,E

Arbeidsuitbuiting2

 

X

X

X

 

X

 

X

           

A,B,C,D,E

Schending rechtspositie werknemers

 

X

                       

A,C

Fysieke overbelasting

X

X

   

X

X

X

             

A,B,C,D,G

Ongezonde fysieke werkomgeving

       

X

 

X

             

A,B,C,D

Gezondheidsschade door gevaarlijke stoffen

 

X

   

X

X

X

 

X

X

       

A,B,C,D,E,F

Gezondheidsschade door biologische agentia

X

       

X

               

A,B,D

Psychosociale en cognitieve overbelasting3

X

X

X

 

X

                 

A,C,D,F

Overbelasting als gevolg van werkduur2

X

X

 

X

 

X

X

X

           

A,B,C,D

Onveiligheid op de werkplek

       

X

 

X

   

X

       

A,B,C,D

Zware ongevallen

                 

X

       

A,C,F,E

Onveilig ontwerp arbeidsmiddelen

                   

X

X

   

A,B,D,E,F

Ioniserende straling

X

             

X

       

X

A,B

Onvoldoende arbozorg2

     

X

X

X

X

             

A,B,C,D

Fraude en misbruik regelingen en voorzieningen

                       

X

 

C,F,H,E

Participatie en financiële zelfredzaamheid

                       

X

 

F,H

X Noot
1

Legenda:

A Inspecties

B Voorlichting/Handhavingcommunicatie

C Samenwerking ketenpartners bevorderen

D Branchebeinvloeding

E Opsporingsonderzoek

F Onderzoek

G Nudging

H Bestuurlijk overleg SUWI/Signalering

X Noot
2

Met deze risico’s pakt de Inspectie SZW eveneens schijnconstructies en niet-cao-naleving aan.

X Noot
3

Psychosociale en cognitieve overbelasting wordt tevens als aspect bij arbeidsuitbuiting betrokken.

Naast de risicogerichte aanpak in programma’s gaat een aanzienlijk deel van de inzet van de Inspectie naar onderzoek naar ongevallen, klachten en andere meldingen en behandelt zij verzoeken tot ontheffing van bepaalde specifieke wettelijke verplichtingen. Verder voert de Inspectie stelselonderzoek uit naar de werking van het stelsel van Werk en Inkomen en zet zij deze capaciteit in voor opsporing op basis van afspraken met het OM.

De tabel laat zien dat de Inspectie haar inzet focust naar risico en doelgroep/thema/sector en dat haar toezichtsaanpak kan bestaan uit een mix van verschillende interventies, o.a. inspecteren, (opsporings)onderzoek doen, communiceren, druk zetten op opdrachtgevers en waar mogelijk een ketenaanpak en samenwerking bevorderen. De Inspectie stuurt daarbij op het behalen van effecten. Het effect van interventies van de Inspectie kan bestaan uit:

  • Het verkleinen van de kans dat het risico zich voordoet;

  • Het verkleinen van de omvang van de groep mensen die met het risico in aanraking kan komen;

  • Het verminderen van de kwalijke gevolgen van de risico’s.

De Inspectie SZW wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Het causale verband tussen interventies en effecten kan lang niet altijd wetenschappelijk vastgesteld kan worden. Daarom richt de Inspectie zich vooral op die indicatoren die plausibel kunnen maken wat het effect is, op het expliciet formuleren van het beoogde maatschappelijk effect en het meten van de resultaten. De ontwikkelde indicatoren per programma worden in de begroting voor 2018 gepresenteerd.

Deze focus is ingezet omdat de reguliere indicatoren van het verleden, zoals aantallen inspecties, te weinig inzicht bieden in het maatschappelijk effect van de Inspectie en als risico in zich dragen dat kwantiteit voorgaat op kwaliteit. Een inspectie kan staan voor een bezoek van enkele uren of juist voor een diepgaand onderzoek van dagen of weken, waarbij de Inspectie een constructie ontrafelt. Sturing louter gebaseerd op aantallen inspecties zou leiden tot een tendens om korte interventies te doen, terwijl juist maximering van effect nuttig is.

De Inspectie blijft aantallen inspecties, boeterapporten, rechercheonderzoeken en onderzoeksrapporten hanteren als belangrijke kengetallen in de aanpak om maatschappelijk effect te behalen, zij het niet als doel op zich.

Tabel 1.5 Kerncijfers handhaving1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Aantal inspecties en onderzoeken arbeidsomstandigheden

16.288

14.500 – 15.500

13.500 – 14.500

Percentage inspecties waarbij overtreding arbeidsomstandigheden is vastgesteld

49

57

50

Aantal inspecties en onderzoeken binnen bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo)

350

380 – 420

250 – 300

Percentage inspecties waarbij overtreding Brzo is vastgesteld

43

40

40

Aantal inspecties Wav, Wml of Waadi

4.500

2.500 – 3.500

2.500 – 3.500

Percentage inspecties waarbij overtreding Wav, Wml of Waadi is vastgesteld

26

> 30

> 30

Aantal programmarapportages Werk en Inkomen

5

6

3

Aantal overige producten Werk en Inkomen

17

18

6

Opsporing: aantal afgeronde opsporingsonderzoeken

61

56

50 – 60

Opsporing: aantal bij het OM aangemelde verdachten

169

130 – 170

130 – 150

Opsporing: vastgesteld nadeel (mln. €)

66

25 – 35

10 – 20

X Noot
1

Inspectie SZW, jaarverslag.

De voorgenomen aanpak zal in het jaarplan nader worden toegelicht. Daarin wordt ook een kwalitatieve uitleg opgenomen als toelichting op de bijstelling van de raming over 2016 en de doorwerking naar latere jaren. De bijstelling betreft zowel het effect van exogene factoren, zoals een toenemend aantal te onderzoeken ongevallen als eigen bewuste keuzes in de inspectiewijze, zoals een toegenomen focus op onderbetaling hetgeen uitgebreider administratief onderzoek bij bedrijven vergt.

Premiekortingen arbeidsgehandicapten en oudere uitkeringsgerechtigden

Budgettair belang buiten de begroting

Om duurzame inzetbaarheid te vergroten en te zorgen dat minder mensen aan de kant blijven staan, zijn er premiekortingen voor het in dienst houden en in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden en arbeidsgehandicapten. Per 1 januari 2018 worden deze premiekortingen omgevormd naar loonkostenvoordelen. Hiermee wordt de verzilveringsproblematiek voor kleine werkgevers opgelost en wordt de systematiek eenvoudiger, robuuster en fraudebestendiger. De omvorming is geregeld in de Wet tegemoetkomingen loondomein, waarin ook de introductie per 1 januari 2017 van het lage-inkomensvoordeel is opgenomen. Dit is een gericht loonkostenvoordeel dat het voor werkgevers aantrekkelijker maakt om mensen met lage inkomens in dienst te nemen of te houden.

Premiekorting jongeren

In 2014 is de premiekorting jongeren geïntroduceerd. Met deze maatregel is uitwerking gegeven aan de afspraak uit de Begrotingsafspraken 2014 om de arbeidsmarkt voor jongeren te versterken met een premiekorting. De premiekorting geldt, onder bepaalde voorwaarden, voor werkgevers die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2015 een uitkeringsgerechtigde tussen de 18 en 27 jaar hebben aangenomen. De premiekorting mag maximaal twee jaar toegepast worden. Vanaf 2018 zijn de uitgaven als gevolg van deze regeling nul.

Werkbonus

Oudere werknemers en zzp’ers kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een werkbonus. Per 2015 is de werkbonus voor nieuwe gevallen afgeschaft. Per 1 januari 2018 wordt de werkbonus helemaal afgeschaft.

Overgangsregeling voor de levensloopregeling

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft. Er is een overgangsregeling die loopt tot 1 januari 2022 voor deelnemers die minimaal € 3.000 hebben gespaard en hun tegoed nog niet opnemen. Deze deelnemers kunnen doorsparen tot 1 januari 2022. Hiervoor is een budget beschikbaar van € 15 miljoen per jaar.

Levensloopverlofkorting

Om de aantrekkelijkheid van de levensloopregeling als alternatief voor het spaarloon te vergroten, konden werknemers een tegemoetkoming in de vorm van een levensloopverlofkorting van maximaal € 201 per gespaard jaar ontvangen. De levensloopregeling is per 1 januari 2012 voor nieuwe gevallen afgeschaft. Voor deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een aanspraak op basis van een levensloopregeling hebben opgebouwd waarvan de waarde in het economische verkeer op 31 december 2011 minimaal € 3.000 bedroeg geldt een overgangsregeling. Deze deelnemers kunnen tot 31 december 2021 doorgaan met het sparen overeenkomstig de op 31 december 2011 geldende voorwaarden. Een uitzondering geldt voor de levensloopverlofkorting. Sinds 1 januari 2012 wordt bij inleg in de levensloopregeling geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd. De op 31 december 2011 opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting vervallen niet en worden verzilverd bij de opname van het levenslooptegoed.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Om de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten te bevorderen mag de stap naar ondernemerschap niet fiscaal belemmerd worden. Door handicap of ziekte kunnen gedeeltelijk arbeidsongeschikten veelal niet voldoen aan het gebruikelijke urencriterium dat geldt voor de startersaftrek. Daarom kunnen zij in de eerste drie jaren van hun onderneming een beroep doen op de regeling «startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid», waarbij een verlaagd urencriterium geldt.

Laag BTW-tarief arbeidsintensieve diensten

Om de werkgelegenheid binnen sectoren met arbeidsintensieve diensten te ondersteunen geldt binnen de omzetbelasting een verlaagd BTW-tarief van 6% voor arbeidsintensieve diensten (onder andere kappers en fietsenmakers).

Tabel 1.6 Fiscale uitgaven1 (lopende prijzen x € 1 mln)
 

2015

2016

2017

Premiekortingen arbeidsgehandicapten en oudere uitkeringsgerechtigden

322

315

311

Premiekorting jongeren

18

18

5

Werkbonus

47

27

14

Overgangsregeling voor de levensloopregeling

15

15

15

Levensloopverlofkorting

17

11

11

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

1

2

Laag BTW-tarief arbeidsintensieve diensten

765

485

497

X Noot
1

Ministerie van Financiën, Belastingdienst. Zie ook bijlage 5 van de Miljoenennota 2017.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaalzekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratieinspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • Het houden van systeemtoezicht en het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt en of, en zo ja, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • Het terugvorderen van onrechtmatig bestede middelen van het participatiebudget en het terugvorderen van middelen van niet-gerealiseerde plekken in de Wsw over de uitvoeringsjaren tot en met 2014;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstanduitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering, die een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • Wetsvoorstel vereenvoudiging en stroomlijning Participatiewet en Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (bqa)

    Op grond van afspraken met de partners van de Werkkamer (VNG, gemeenten, sociale partners en UWV) en op basis van debatten in de Tweede Kamer worden wijzigingen voorbereid van wet- en regelgeving van de Participatiewet en de Wet bqa, die naar verwachting vanaf 2017 in werking zullen treden. Het gaat om de volgende aanpassingen:

    • Een forfaitaire loonkostensubsidie van 50% van het wettelijk minimumloon gedurende maximaal het eerste halfjaar van een dienstbetrekking voorafgaand aan de loonwaardemeting;

    • Een flexibele termijn voor het herbeoordelen van de loonwaarde op de werkplek;

    • Een loonkostensubsidie ook mogelijk maken voor jongeren die al werken;

    • De harmonisering van de mobiliteitsbonus voor mensen met scholingsbelemmeringen met de premiekorting voor mensen uit de doelgroep banenafspraak;

    • De beoordelingscriteria voor de doelgroep banenafspraak worden vereenvoudigd en, waar mogelijk, geüniformeerd.

    Verder vindt in 2016 een onderzoek plaats naar de zogenaamde Praktijkroute. Dit betekent dat als de gemeente via een gevalideerde loonwaardemethodiek heeft vastgesteld dat iemand op een concrete werkplek niet het wettelijk minimumloon kan verdienen, deze persoon tot de doelgroep van de banenafspraak behoort en opgenomen wordt in het doelgroepregister. Bij een positief resultaat van dit onderzoek neemt de Staatssecretaris in het najaar een besluit om wetgeving daartoe bij het parlement in te dienen. De voorbereiding van wetgeving is in gang gezet. In april en juni 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de vereenvoudiging van de banenafspraak.

  • Verplichting beschut werk

    De realisatie van beschut werkplekken door gemeenten komt moeizaam van de grond, terwijl de gemeenten hiervoor vanaf de invoering van de Participatiewet wel middelen ontvangen. Om het creëren van beschutte werkplekken te stimuleren heeft het kabinet voor de jaren 2016–2020 extra middelen van in totaal € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Deze middelen worden ingezet voor drie tijdelijke maatregelen. Zo is de uniforme no-riskpolis door het UWV ook beschikbaar gekomen voor de doelgroep beschut werk, komt er een financiële stimulans beschikbaar voor gemeenten om beschut werkplekken te realiseren (bonus beschut werk) en is er extra implementatieondersteuning voor gemeenten. Uit recent onderzoek van de Inspectie SZW blijkt dat ondanks de stimuleringsmaatregelen beschut werk nog steeds niet voldoende wordt gerealiseerd. Het kabinet voelt zich verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat alle gemeenten beschut werkplekken organiseren en maatwerk bieden. Om dit te realiseren wordt een wetsvoorstel voorbereid, waarin wordt voorgesteld dat de gemeenten het aantal beschut werkplekken moeten realiseren dat aansluit bij de behoefte en waarvoor zij vanaf de totstandkoming van de Participatiewet middelen krijgen. Inwerkingtreding van het wetsvoorstel is voor 2017 voorzien.

  • Experimenten Participatiewet

    Er is momenteel een AMvB in voorbereiding waardoor gemeenten de mogelijkheid krijgen om te experimenteren met bepaalde onderdelen van de Participatiewet. Indien deze AMvB tot stand komt krijgen verschillende gemeenten de mogelijkheid om het effect van verschillende interventies op de uitstroom uit de bijstand te onderzoeken. Het is de bedoeling dat de experimenteermogelijkheid in 2017 van kracht wordt.

  • Kansrijk opgroeien

    Kinderen in Nederland moeten kansrijk kunnen opgroeien. Ook kinderen in gezinnen met een hele kleine portemonnee. In 2014 leefden 421.000 kinderen in een huishouden met een laag inkomen, waarvan 131.000 al 4 jaar of langer. Het Rijk stelt structureel € 100 miljoen beschikbaar om de kansen van deze kinderen te verbeteren. Het geld wordt besteed aan benodigdheden zoals schoolspullen, sportattributen, zwemles, kleding of schoolreisje. Om er zeker van te zijn dat de middelen direct bij de kinderen terechtkomen, ontvangen de kinderen deze benodigdheden in natura. De beschikbaarstelling van deze middelen zal zo worden vormgegeven dat de administratieve lasten worden geminimaliseerd.

  • Invoering Breed Wettelijk Moratorium

    Met de invoering van de Wet gemeenschappelijke schuldhulpverlening (Wgs) hebben de gemeenten de mogelijkheid gekregen bij de rechter een moratorium (opschorting) op de inning door schuldeisers van maximaal 6 maanden aan te vragen. Indien de hulpverlening in het kader van de schuldhulpverlening wordt gefrustreerd door de incassoactiviteiten van een of enkele schuldeisers, heeft de gemeente dan de gelegenheid om tussen schuldeisers en schuldenaar «in rust» tot een regeling van de schulden te komen, zonder druk van deurwaarders en incassoactiviteiten. Om dit onderdeel van de wet in werking te kunnen laten treden is een AMvB nodig waarin de voorwaarden worden geformuleerd. Deze AMvB treedt per 2017 in werking.

  • Vereenvoudiging beslagvrije voet

    De beslagvrije voet – het absolute minimum inkomen waarover een schuldenaar moet kunnen blijven beschikken – staat reeds jaren onder druk. De complexiteit van de berekening alsmede het feit dat de schuldenaar te maken kan krijgen met verschillende los van elkaar ingezette incassomaatregelen, leidt er toe dat een grote groep schuldenaren onder de beslagvrije voet zakt en daarmee te weinig geld overhoudt om in de meest basale levensbehoeften te kunnen voorzien. Met het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van de beslagvrije voet worden de genoemde knelpunten van de huidige regeling ondervangen. De wet wijzigt:

    • De berekeningswijze van de beslagvrije voet;

    • De gegevens die daarvoor met verschillende instanties dienen te worden uitgewisseld;

    • Het uiteindelijke proces tot vaststelling van de beslagvrije voet.

    Dit vraagt daarom om een gedegen implementatieproces dat in 2017 vorm zal krijgen. Inwerkingtreding van het wetsvoorstel is voor 2018 voorzien.

  • Jeugdwerkloosheid

    Ondanks het aantrekken van de economie en de dalende werkloosheid, zijn sommige jongeren onnodig (lang) werkloos. Hierbij speelt vooral mismatch een rol. Het onbenut laten van jong talent nu en in de toekomst is sociaal en economisch onwenselijk. Daarom zet het kabinet in het kader van de Aanpak Jeugdwerkloosheid ook in 2017 in op een betere oriëntatie op opleiding en werk, de City Deal met vernieuwende oplossingen voor (migranten)jongeren uit achterstandsbuurten en het matchen op werk door gemeenten en UWV van jongeren met een uitkering en jongeren zonder startkwalificatie, waarbij ook met landelijke, regionale en lokale werkgevers afspraken worden gemaakt over instroommogelijkheden. Daarmee blijven werkgevers gestimuleerd om vacatures open te stellen voor jongeren van 18 tot 27 jaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 2.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

913.002

6.614.331

6.703.093

6.936.650

7.028.161

7.113.127

7.179.669

waarvan garantieverplichtingen

– 338

           

Uitgaven

6.506.062

6.708.734

6.802.144

6.980.551

7.068.161

7.113.127

7.179.669

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,8%

       
               

Inkomensoverdrachten

6.427.252

6.572.752

6.642.731

6.880.066

7.004.717

7.088.438

7.154.980

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.623.935

5.776.569

5.897.767

6.100.139

6.224.586

6.307.192

6.369.036

Participatiebudget

1.394

560

0

0

0

0

0

WSW

17.459

21.384

0

0

0

0

0

TW

484.700

487.809

470.329

499.291

494.009

492.181

490.973

AIO

234.062

231.717

232.254

237.959

243.146

248.017

253.598

Bijstand zelfstandigen

62.311

51.046

35.857

35.857

35.857

35.857

35.857

Bijstand overig

1.513

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

1.878

2.067

4.924

5.220

5.519

3.591

3.916

               

Garanties

221

150

50

0

0

0

0

               

Subsidies

76.890

127.004

140.448

77.444

43.361

3.361

3.361

               

Opdrachten

1.238

7.720

17.710

20.822

17.814

19.442

19.869

               

Bekostiging

354

872

992

2.026

2.096

1.726

1.297

Nibud

304

304

0

0

0

0

0

ZonMw

50

568

992

2.026

2.096

1.726

1.297

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

107

236

213

193

173

160

162

ZonMw

107

236

213

193

173

160

162

               

Ontvangsten

62.676

36.865

2.572

2.572

2.572

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdragen aan de uitvoerende instellingen, de gemeenten, het UWV en de SVB worden ruim voor het begrotingsjaar bekend gemaakt. Inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve ook voor 100% verplicht.

Garanties:

De geraamde uitgaven zijn voor verwachte claims op garanties van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en dus 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. De aanvragen in het kader van de subsidieregelingen, zoals voor de sectorplannen, armoede en schulden en Doorstart naar nieuw werk, zijn beschikt of nog in procedure. Evenzo geldt voor kleinere subsidies, zoals de incidentele subsidies of de subsidies aan SBCM, Nibud of de gesubsidieerde cofinanciering EFBM dat deze voor meerdere jaren zijn toegezegd aan de desbetreffende organisaties.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor ca. 20% juridisch verplicht onder meer in verband met overlopende verplichtingen die in het verleden zijn aangegaan rond bevordering arbeidsparticipatie (o.a. project bevordering arbeidsinschakeling van mensen met psychosociale belemmeringen, aanpak jeugdwerkloosheid) en voor 50% bestuurlijk gereserveerd (o.a. bijdrage Programmaraad, Impuls Vakmanschap, vervolgacties n.a.v. kabinetsreactie evaluatie wet gemeentelijke schulpverlening) en uitvoeringskosten Wet bqa.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige Kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het budget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Analoog aan bij het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Op grond van artikel 69 Participatiewet verstrekt SZW jaarlijks aan gemeenten een budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2017 geraamd op € 5,8 miljard. Hiervan wordt een bedrag van € 71 miljoen gereserveerd voor de betaling in 2017 van de vangnetuitkeringen over 2015. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee al rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten van wie het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigen-risicodrempel overstijgt. In het kader van het tijdelijk vangnet geldt voor 2015 een eigen-risicodrempel van 5% en voor 2016 5% dan wel € 30 per inwoner. Over 2017 en verder zal naar verwachting het definitieve vangnet gaan gelden. De wijze van bekostiging zal daarbij niet veranderen. In tabel 2.2 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 2.2 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.623.935

5.776.569

5.897.767

6.100.139

6.224.586

6.307.192

6.369.036

Macrobudget participatiewetuitkeringen

5.623.935

5.691.569

5.807.767

6.110.764

6.246.461

6.329.067

6.390.911

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

5.308.470

5.336.390

5.432.590

5.725.151

5.853.224

5.932.472

6.001.368

IOAW

258.906

326.349

344.893

354.028

359.948

361.391

352.354

IOAZ

27.784

28.829

30.283

31.585

33.289

35.203

37.189

Correctie 2015

28.774

           

Intertemporele tegemoetkoming

 

85.000

90.000

– 10.625

– 21.875

– 21.875

– 21.875

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstanduitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstanduitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2017 € 32,3 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 2.3 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 2.3 Netto bijstandsnormen van 21-jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd inclusief vakantietoeslag per 1 juli 2016

Gehuwd / samenwonend

€ 1.395,93

Alleenstaande (ouder)

€ 977,15

Budgettaire ontwikkelingen

Ondanks een daling van de werkloosheid stijgen de uitgaven aan Algemene bijstand en loonkostensubsidies. De meerjarige oploop van de uitgaven aan Algemene bijstand en loonkostensubsidies hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen vanaf 2015, waaronder de invoering van de Participatiewet en de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw. Vanaf 2017 worden de toenemende uitgaven ook verklaard door de verhoogde asielinstroom en het extra beroep op bijstand dat daaruit volgt.

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een inter-temporele tegemoetkoming in 2016 en 2017 afgesproken. Dit is bedoeld om de feitelijke kosten voor gemeenten door de verhoogde asielinstroom te dekken. De verrekening van de inter-temporele tegemoetkoming met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen vindt plaats vanaf 2018.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.4 Kerncijfers Participatiewet1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

382

386

396

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

387

2

2

– waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

95

2

2

– waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

168

2

2

– waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

125

2

2

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Vermogen, zoals in een eigen huis of spaargeld, blijft buiten beschouwing. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

Per 1 juli 2015 geldt voor de IOAW en de IOAZ een kostendelersnorm. In de IOAW en IOAZ geldt de kostendelersnorm alleen voor alleenstaande kostendelers. Nieuwe aanvragers ontvangen 50% van de gehuwdennorm. Voor huidige alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt de norm trapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2017 is de norm 60% van de gehuwdennorm. Uiteindelijk, per 1 januari 2019, ontvangen alleenstaanden en alleenstaande ouders, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen, 50%van de gehuwdennorm.

Tabel 2.5 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand per 1 juli 2016, exclusief vakantietoeslag

Gehuwd / samenwonend

€ 1,489,34

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

€ 1.152,79

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

€ 1.050,36

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven nemen de komende jaren toe. Dit komt vooral omdat de IOAW-instroom, die met vertraging de conjunctuur volgt, toeneemt. De vertraging treedt op, omdat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar WW-gerechtigd is geweest. Daarnaast zijn van invloed de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, waardoor langer gebruik wordt gemaakt van de IOAW, en de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965, waardoor korter gebruik wordt gemaakt van de IOAW.

De uitgaven aan de IOAZ en het volume nemen de komende jaren toe door verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.6 Kerncijfers IOAW en IOAZ1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

19

22

24

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,7

1,8

1,8

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Banenafspraak

Iedereen verdient een kans op de arbeidsmarkt. In het sociaal akkoord van 2013 is met de sociale partners afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep van de banenafspraak te creëren. Afgesproken is dat de sector markt ten opzichte van de nulmeting (1 januari 2013) tot en met eind 2015 6.000 banen realiseert en de sector overheid 3.000 banen. De cijfers van de één-meting laten zien dat er eind 2015 ten opzichte van de nulmeting voor mensen met een arbeidsbeperking 21.057 banen bij reguliere werkgevers zijn gerealiseerd. Het gaat om 15.604 banen bij de sector markt en 5.453 banen bij de sector overheid. Dit betekent dat werkgevers, zowel in de sector markt als in de sector overheid, de doelstelling ruimschoots hebben gehaald. Door dit resultaat is er geen aanleiding om de quotumregeling te activeren. De cijfers laten zien dat we op de goede weg zijn. Tegelijkertijd is de uitdaging voor de komende jaren groot. Het aantal banen zal ten opzichte van de nulmeting jaarlijks moeten blijven toenemen. Daarom blijft het noodzakelijk om te blijven kijken waar belemmeringen kunnen worden weggenomen.

Tabel 2.7 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20151

Streefwaarde 20152

Streefwaarde 20162

Streefwaarde 20172

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

15.604

6.000

14.000

23.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

5.453

3.000

6.500

10.000

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit Memorie van Toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».

Handhaving

De cijfers op het gebied van fraude en handhaving in de WWB/Participatiewet laten een stabiel beeld zien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.8 Kerncijfers WWB/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

2

80

82

Kennis van de verplichtingen (%)

2

88

90

       

Opsporing3

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

4,9

11

11

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

20

62

66

       

Incassoratio4

     

Incassoratio 2013 (%)

16

22

23

Incassoratio 2014 (%)

5

13

16

Incassoratio 2015 (%)

5

5

14

X Noot
1

Ipsos »Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015».

X Noot
2

Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
3

SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

CBS onderzoek incassoratio 2015. Incassoratio’s 2014 en 2015 zijn aangepast aan door gemeenten met de uitkering verrekende bedragen. Incassoratio’s 2013 kunnen niet meer met terugwerkende kracht worden aangepast en zijn hiermee licht onderschat (ter illustratie 2015 is zonder deze verrekening 12% ipv 14%).

X Noot
5

Deze cijfers komen niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag.

De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • Een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het normbedrag-TW. Indien het dagloon lager is dan het normbedrag-TW, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon. Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager inkomen.

Tabel 2.9 Normbedragen TW per 1 juli 2016 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag

Gehuwd / samenwonend

€ 1.537,20

Alleenstaande (ouder) van 23 jaar en ouder

€ 1.152,97

   

Alleenstaande (ouder) van 23 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

€ 1.050,55

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten. In 2016 en 2017 daalt het volume in lijn met de ontwikkeling in de moederwetten. De TW-uitgaven stijgen in 2016 licht, omdat de gemiddelde toeslag in 2016 op basis van uitvoeringsinformatie naar verwachting iets hoger uitkomt. In 2018 treedt een toename op van de TW-uitgaven, omdat vanaf 2018 de uitkering van de Wajongers met arbeidsvermogen wordt verlaagd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Per 1 juli 2016 is het aantal Wajongers met een toeslag op grond van de TW met circa 77.000 gedaald. Als gevolg van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon is de Wajong-uitkering voor alleenstaanden van 23 jaar en ouder per 1 juli 2016 even hoog als het toetsbedrag voor de TW, waardoor deze groep niet langer in aanmerking komt voor een toeslag. Dit leidt zowel in 2016 als in 2017 tot een daling in het TW-volume in uitkeringsjaren.

De groep Wajongers die niet langer in aanmerking komt voor een toeslag ontving een relatief lage toeslag; de gemiddelde toeslag van de resterende groep TW-ontvangers ligt aanzienlijk hoger. Dit leidt tot een stijging van de gemiddelde toeslag in 2016 en 2017.

Tabel 2.10 Kerncijfers TW1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

198

155

114

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

2.448

3.126

4.076

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

Door de inkomstenverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, vallen het aantal geconstateerde overtredingen en het totaal benadelingsbedrag in 2015 lager uit dan in 2014. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 2.11 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Opsporing

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,5

2,6

1,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

9,1

7,2

5,8

       

Terugvordering

     

Incassoratio 2013 (%)

16

35

47

Incassoratio 2014 (%)

2

15

39

Incassoratio 2015 (%)

2

22

18

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers komen niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau voor AOW-gerechtigden. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 2.12 AIO netto maandbedragen (maximaal) per 1 juli 2016, exclusief vakantietoeslag

Gehuwd / samenwonend

€ 1.424,58

Alleenstaande (ouder)

€ 1.043,40

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AIO blijven de komende jaren naar verwachting stijgen. De geraamde volumes blijven de komende jaren vrij constant. De verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd heeft een neerwaarts effect op het volume. Daar staat tegenover dat er sinds 2015 tevens personen de AIO instromen vanwege de afschaffing van de partnertoeslag in de AOW, wat een opwaarts effect heeft op het volume. Deze laatste groep heeft naar verwachting recht op een relatief hogere uitkering in de AIO vergeleken met de huidige populatie. Daarom is de verwachting dat de gemiddelde AIO-uitkering de komende jaren zal stijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal AIO-gerechtigden blijft voor de komende jaren vrij constant door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Deze verhoging dempt de jaarlijkse instroom in de AIO.

Tabel 2.13 Kerncijfers AIO1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

41

41

42

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers voor preventie laten een stabiel beeld zien. Sinds 2013 vindt themaonderzoek plaats naar buitenlands vermogen en buitenlands verblijf. Dit onderzoek kan mogelijk een verklaring zijn voor de lichte stijging van de gepercipieerde detectiekans en de kennis van de verplichtingen door het vergrote bewustzijn van mensen op deze thema’s. Daarbij kan dit de stijging van het aantal geconstateerde overtredingen verklaren. Terwijl het aantal overtredingen stijgt, daalt het gemiddelde benadelingsbedrag ten opzichte van 2013. Voor dit laatste is geen verklaring. Een rol kan spelen dat bij in absolute zin kleine aantallen, zoals bij de AIO, enkele gevallen met hoge bedragen grote invloed hebben gehad op het gemiddelde. De incassoratio 2013 vertoont in het tweede jaar een mate van stijging die bij de incassoratio 2014 in het tweede jaar niet te zien is. Mogelijk speelt ook hier een rol dat bij kleine aantallen de aflossing van enkele grote terugvorderingen meer dan evenredige invloed heeft op de incassoratio.

Tabel 2.14 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

2

73

75

Kennis van de verplichtingen (%)

2

84

87

       

Opsporing3

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,2

0,3

0,5

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,9

1,7

2,2

       

Terugvordering3

     

Incassoratio 2013 (%)

12

42

49

Incassoratio 2014 (%)

4

9,2

19

Incassoratio 2015 (%)

4

4

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015».

X Noot
2

Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen, die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het krediet?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 2.3) als aanvulling voor levensonderhoud. De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskredieten wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 2.15 Bbz-normen kredietverlening (maxima) 1 januari 2016

Startende zelfstandige

€ 35.549

Gevestigde zelfstandige

€ 193.089

Budgettaire ontwikkelingen

Voor de verstrekking van bedrijfskredieten en uitkeringen voor levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een afzonderlijke specifieke uitkering Bbz. Deze uitgaven maken geen onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen en zijn voor 2017 geraamd op € 36 miljoen. De daling ten opzichte van 2016 wordt vertekend doordat de uitgaven op gemeentelijk niveau niet goed te ramen zijn met als gevolg dat er achteraf nabetaald en terugontvangen wordt. De hier geraamde uitgaven zijn de gesaldeerde uitgaven. Daarnaast kan een rol spelen dat de ontvangsten op de verleende kredieten zijn gebudgetteerd, waardoor gemeenten selectiever geworden zijn bij het verlenen. In overleg met de VNG is een onderzoek gestart naar de effecten van deze budgettering.

Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2017 € 32,3 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen (zie tabel 2.2).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.16 Kerncijfers Bbz1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,9

3,9

3,9

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

A5. Bijstand overig

Bijstand overig bestaat vrijwel volledig uit bijstand buitenland. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten. Daarnaast zijn onder bijstand overig voor 2015 de uitgekeerde middelen voor de repatriëringregeling opgenomen. Er worden voor 2017 geen uitgaven voor repatriëring voorzien.

Budgettaire ontwikkelingen

Er zijn geen noemenswaardige budgettaire ontwikkelingen ten aanzien van bijstand overig.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.17 Kerncijfers bijstand overig1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume bijstand overig (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,2

0,2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De toename in de uitgaven aan Onderstand wordt verklaard door de bredere toepassing van de Bijzondere Onderstand, de toegenomen aandacht voor niet-gebruik (communicatie) en door de verhoging van de AOV-gerechtigde leeftijd (zie ook beleidsartikel 8). Hierdoor kunnen de uitkeringen aan Onderstandgerechtigden langer doorlopen. Verder wordt voor armoedeprojecten in Caribisch Nederland in de periode 2016–2019 een bedrag van € 2,256 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Voor de uitvoeringskosten daarvan wordt jaarlijks € 0,3 miljoen uitgetrokken. In verband met de voorgenomen vaststelling van een bestaansminimum in Caribisch Nederland worden de uitkeringen Onderstand in de jaren 2017 e.v. verhoogd. De uitgaven aan uitkeringen Onderstand nemen hierdoor toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.18 Kerncijfers Caribisch Nederland1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0, 5

0,4

0,5

X Noot
1

SZW unit RCN.

B. Garanties

De pilot borgstelling is een afgesloten regeling. De pilot beoogde te onderzoeken hoe startende ondernemers voor krediet bij het bankwezen terecht zouden kunnen. Het jaar 2017 is het laatste jaar waarin nog claims worden verwacht.

C. Subsidies

In totaal is € 140,4 miljoen voor subsidies beschikbaar. Het overgrote deel is bestemd voor de uitfinanciering van de sectorplannen, het armoede- en schuldenbeleid en de subsidieregelingen in het kader van de Doorstart naar nieuw werk. Verder maken incidentele subsidies, de cofinanciering van het Europees Fonds voor Meest behoeftigden (EFMB) en (vanaf 2017) de subsidies aan het Nibud en de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) onderdeel uit van het subsidiebudget.

D. Opdrachten

Deze middelen zijn bestemd voor bevordering arbeidsparticipatie (ca. € 11 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (ca. € 5 miljoen), bevorderen ondernemerschap (ca. € 1 miljoen) en aanpak jeugdwerkloosheid (€ 0,5 miljoen). Naar aanleiding van de kabinetsreactie op de evaluatie van de Wgs zijn middelen gereserveerd voor het bevorderen van professionaliteit van de schuldhulpverlening, het doorontwikkelen van innovatieve aanpakken en het verbeteren van de registratie en beschikbaarheid van gegevens binnen de gemeentelijke schuldhulpverlening.

E. Bekostiging

Voor de bekostiging van het kennisprogramma vakkundig aan het werk door ZonMw is in 2017 bijna € 1,0 miljoen beschikbaar. De jaarlijkse bijdrage aan het Nibud wordt vanaf 2017 onder de subsidies verantwoord.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de uitvoering van het kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw in 2017 ruim € 0,2 miljoen beschikbaar.

G. Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de boedelscheiding van de SVB-Nederlandse Antillen.

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot dat sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • Per 1 januari 2017 treedt de Wet verbetering hybride markt in werking. Doel van dit wetsvoorstel is dat werkgevers zich bij de keuze voor een WGA-verzekering meer richten op de effectiviteit van re-integratieactiviteiten en activering van de verzekeraar. Daarom wordt meer evenwicht in de hybride markt aangebracht. Het UWV zal een meer marktconforme premie in rekening brengen bij (middel)grote werkgevers die na een periode van eigenrisicodragerschap terugkeren naar de publieke verzekering bij het UWV. De publieke staartlasten van werkgevers die na een periode van publieke verzekering bij het UWV eigenrisicodrager worden, vallen niet meer onder het eigen risico van werkgevers (ongeacht hun grootte). Hierdoor is het voor werkgevers makkelijker om een keuze te maken tussen de publieke en private verzekeringen.

  • In het sociaal akkoord is afgesproken dat sociale partners met concrete maatregelen komen die ervoor zorgen dat minder mensen een beroep hoeven te doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit de WIA. Hiervoor is een taakstelling in de begroting van SZW ingeboekt die structureel €150 miljoen bedraagt. Eind juni hebben de sociale partners maatregelen aangekondigd. Deze zijn echter (nog) niet concreet genoeg om vanaf 2017 een besparing op de WIA te realiseren.

  • In 2017 wordt de ao-tegemoetkoming verlaagd van € 212,06 netto per jaar naar € 175,63 netto per jaar. Hiermee worden onder andere de kosten voor herziening van de Wml en het besparingsverlies 2017 van de WIA-taakstelling uit het sociaal akkoord gedekt.

  • Het wetsvoorstel waarmee het WIA claimcriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet zal in het najaar van 2016 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2018, dit is een jaar later dan gepland. In de normale WIA-systematiek worden deze werknemers met loonkostensubsidie bij ziekte vrijwel altijd volledig arbeidsongeschikt verklaard, omdat zij geen regulier werk kunnen verrichten op Wml-niveau. Met de Participatiewet is vastgelegd dat bij het bepalen van het arbeidsongeschiktheidspercentage in de WIA rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een werknemer met loonkostensubsidie heeft gewerkt.

  • Wanneer een WGA-gerechtigde langer dan één jaar meer dan 65% van zijn maatmaninkomen heeft verdiend, eindigt voor hem/haar het recht op de WGA-uitkering na een WIA-beoordeling. Voor deze WIA-beoordeling is op dit moment de inzet van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige vereist. Bij deze beoordeling moet er slechts bepaald worden dat een WGA-gerechtigde langer dan één jaar meer dan 65% van zijn maatmaninkomen heeft verdiend. Dit is administratief vast te stellen op basis van de verstrekte inkomstengegevens, waardoor er geen volledige WIA-beoordeling voor nodig is. De inzet van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige is daarom niet noodzakelijk. De WIA zal worden aangepast zodat deze beoordeling administratief afgehandeld kan worden.

  • In 2017 treedt een van de onderdelen van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters in werking. De WGA-vast en WGA-flex worden samengevoegd. Het onderscheid naar de aard van de dienstbetrekking in de WGA komt daarmee te vervallen. Werkgevers kunnen vanaf 1 januari 2017 kiezen voor publieke WGA-verzekering voor WGA-lasten van vast en tijdelijk personeel of voor eigenrisicodragerschap. De publieke WGA-premie wordt vastgesteld op basis van het gehele WGA-risico van de werkgever.

  • Oorspronkelijk stond de beleidsdoorlichting artikel 3 (arbeidsongeschiktheid) gepland in 2017. Uiterlijk 1 maart 2017 wordt het IBO (Interdepartementaal beleidsonderzoek) Arbeidsongeschiktheid opgeleverd. Voor wat betreft de onderwerpen die in het IBO aan de orde komen (WIA), komt het IBO in plaats van de beleidsdoorlichting. Voor een aantal relatief kleine onderwerpen (onder andere WAZ) die niet in het IBO terugkomen is er voor gekozen om deze in een aparte evaluatie aan de orde te laten komen.

  • Het kabinet gaat de beoordeling van re-integratietrajecten door het UWV, in het bijzonder de re-integratie in het zogeheten «tweede spoor», begrijpelijker en voorspelbaarder maken. Hiermee wordt voorkomen dat re-integratietrajecten alleen maar worden gestart om een loonsanctie te voorkomen. De komende tijd zal deze maatregel nader uitgewerkt worden.

  • Zowel werknemers als werkgevers moeten straks het initiatief kunnen nemen voor een vervroegde IVA-aanvraag ingeval een zieke werknemer géén perspectief meer heeft op terugkeer op de arbeidsmarkt. De werkgever kan de toegekende IVA-uitkering in mindering brengen op het loon dat hij betaalt. De komende tijd zal deze maatregel nader uitgewerkt worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

703

753

787

809

832

867

902

Uitgaven

703

753

787

809

832

867

902

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

703

753

787

809

832

867

902

Ongevallenverzekering

703

753

787

809

832

867

902

(Caribisch Nederland)

             
               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 3.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 3 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Uitgaven

9.040.645

9.285.037

9.474.890

9.699.805

9.965.586

10.290.253

10.646.652

               

Inkomensoverdrachten

8.967.297

9.201.845

9.233.070

9.293.040

9.407.193

9.550.817

9.705.856

IVA

1.408.374

1.682.239

1.924.578

2.171.009

2.429.964

2.701.495

2.982.900

WGA

2.076.296

2.261.078

2.386.214

2.506.022

2.624.866

2.739.379

2.845.688

WGA eigen-risicodragers

334.781

390.504

413.206

434.307

456.017

477.156

496.872

WAO

4.975.807

4.711.391

4.367.983

4.054.964

3.781.932

3.529.671

3.288.469

WAZ

172.039

156.633

141.089

126.738

114.414

103.116

91.927

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

73.348

83.192

80.369

100.440

100.453

110.622

111.687

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

73.348

83.192

80.369

100.440

100.453

110.622

111.687

               

Nominaal

0

0

161.451

306.325

457.940

628.814

829.109

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatst verdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgavenontwikkeling van de Ongevallenverzekering (OV) wordt verklaard door verhoging van de gerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomsverzekering(zie ook beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de OV langer door.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW unit RCN.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of van wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun ex-werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan het UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van het UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2016 € 203,85, dat is € 4.433,74 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.325,30 bruto per maand. Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden in 2016 een tegemoetkoming van netto € 212,06 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze ao-tegemoetkoming is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Een arbeidsongeschikte die ten minste 35% arbeidsongeschikt is met kansen op herstel komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 38 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De wet Wwz bevat maatregelen die de maximale duur van de loongerelateerde uitkering raken, zoals de geleidelijke duurverkorting en de aanpassing van de opbouw van WW-rechten. Dit heeft tot gevolg dat de maximale duur van de loongerelateerde uitkering stapsgewijs – één maand per kwartaal – wordt teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden voor nieuwe instroom in de WGA. Deze maatregelen zijn per 1 januari 2016 in werking getreden.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om hiertoe aan te zetten wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld tot 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een ao-tegemoetkoming van netto € 212,06 per jaar.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2017 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 390 miljoen. Dit is een gevolg van het feit dat de WIA een relatief nieuwe regeling is die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit zal er ook logischerwijs meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WIA-uitkeringen langer kunnen doorlopen. De ao-tegemoetkoming maakt onderdeel uit van de uitkeringslasten IVA, WGA, WAO en WAZ in tabel 3.2.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden nog slechts nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt per 1 juli 2016 maximaal € 3.325,30 bruto per maand. De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een ao-tegemoetkoming van (in 2016) netto € 212,06 per jaar.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2017 21.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2017 met circa € 345 miljoen. In latere jaren gaat de daling van de uitkeringslasten minder snel. Dit komt vooral doordat WAO-uitkeringen langer kunnen doorlopen als gevolg van de (versnelde) verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.4 Kerncijfers IVA , WGA en WAO1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

IVA, WGA en WAO

     

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

545

546

547

• waarvan IVA

72

83

94

• waarvan WGA

158

169

179

• waarvan WAO

315

294

274

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

7,9

7,8

       

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

36

39

39

• waarvan IVA

8,5

9,5

9,3

• waarvan WGA

27

29

29

• waarvan WAO

0,9

0,8

0,8

Instroomkans (%)

0,5

0,6

0,6

       

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

45

38

38

• waarvan IVA

6,2

6,5

7,2

• waarvan WGA

9,9

9,7

9,9

• waarvan WAO

29

22

21

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

8,4

8,2

8,8

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

7,6

7,0

7,0

       

WGA

     

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

42

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Het aandeel werkende WGA’ers wordt niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel beeld zien ten opzichte van 2014. De kerncijfers opsporing wijzen op een lichte daling van het aantal geconstateerde overtredingen en het totaal benadelingsbedrag. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie12

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

83

Kennis van de verplichtingen (%)

89

91

       

Opsporing3

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,7

1,8

1,7

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

12

9,8

9,4

       

Terugvordering3

     

Incassoratio 2013 (%)

20

40

57

Incassoratio 2014 (%)

4

20

49

Incassoratio 2015 (%)

– 4

– 4

22

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015». Kerncijfers preventie alleen van toepassing op WGA en WAO. Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
2

Deze cijfers zijn exclusief IVA. Deze is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2016 € 1.152,90 bruto per maand. Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een ao-tegemoetkoming van (in 2016) netto € 212,06 per jaar.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WAZ-uitkeringen langer kunnen doorlopen. Hierdoor dalen de uitkeringslasten in de WAZ minder snel.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.6 Kerncijfers WAZ1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

15

14

12

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ en ZW zet het UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Het UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk en voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder vervoersvoorzieningen, werkplekaanpassing en jobcoaching). Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2017 is voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 80 miljoen beschikbaar. In het kader van de achterstanden bij de herbeoordelingen in de WIA worden in 2017 en 2018 extra middelen ingezet voor extra verzekeringsartsen. Dekking voor deze extra inzet van verzekeringsartsen komt uit het re-integratiebudget WIA/WAO/WAZ/ZW. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget heeft betrekking op de Wajong en wordt verantwoord in beleidsartikel 4 (tabel 4.1).

4. Jonggehandicapten

Artikel

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

Algemene doelstelling

De Wajong bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de Wajong2015. Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zij zullen nooit kunnen werken, ook niet met ondersteuning. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • De voortgezette werkregeling in de Wajong2010 wordt vanaf 2017 aangepast omdat de huidige regelgeving niet uitvoerbaar is. Vanaf 2017 zou het UWV iedere Wajonger die 27 jaar is en die zeven jaar recht heeft gehad op arbeidsondersteuning en niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, oproepen voor een beoordeling van de resterende verdiencapaciteit. Het is echter voor het UWV niet mogelijk om op theoretische basis aan iemand een loonwaarde of verdiencapaciteit toe te kennen onder het wettelijk minimumloon. Het voorstel is de regelgeving zo aan te passen dat iedere werkende Wajonger2010 die 27 jaar is, 7 jaar in de Wajong2010 heeft gezeten en een inkomen van 20% Wml of meer verwerft, een loonaanvulling ontvangt tot 100% Wml. Met de noodzakelijke wijziging van de voortgezette werkregeling wordt ook geregeld dat de Wajongers die nu in de oude Wajong zitten en overstappen naar de nieuwe Wajong geen 7 jaar meer hoeven te wachten voor ze in de voortgezette werkregeling stromen, omdat zij reeds 7 jaar in de Wajong hebben gezeten.

  • Per 1 juli 2017 wordt de Wml gewijzigd (zie beleidsartikel 1). De Wajonguitkeringen zijn gekoppeld aan het minimum(jeugd)loon. Daardoor stijgen de uitkeringen van Wajongers jonger dan 23 jaar.

  • In 2017 wordt de ao-tegemoetkoming verlaagd van € 212,06 netto per jaar naar € 175,63 netto per jaar. Hiermee worden onder andere de kosten voor herziening van het Wml en het besparingsverlies van de WIA-taakstelling uit het sociaal akkoord gedekt (zie hiervoor beleidsartikel 3).

  • In 2017 wordt de beleidsdoorlichting van artikel 4 uitgevoerd. De verwachting is dat deze beleidsdoorlichting eind 2017 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

3.112.006

3.254.164

3.239.793

3.213.509

3.259.339

3.292.815

3.327.955

Uitgaven

3.112.006

3.254.164

3.239.793

3.213.509

3.259.339

3.292.815

3.327.955

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

3.003.506

3.094.106

3.145.234

3.094.778

3.156.435

3.206.265

3.244.157

Wajong

3.003.506

3.094.106

3.145.234

3.094.778

3.156.435

3.206.265

3.244.157

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

108.500

160.058

94.559

118.731

102.904

86.550

83.798

Re-integratie Wajong

108.500

160.058

94.559

118.731

102.904

86.550

83.798

               

Ontvangsten

34.069

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers op grond van de Wajong.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Voor mensen met recht op de oude Wajong die volledig arbeidsgehandicapt zijn is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2016 is dit € 1.152,90 bruto per maand voor mensen van 23 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is deze afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Voor mensen met recht op de Wajong2010 is de uitkering ook 75% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen die arbeidsmogelijkheden hebben geldt een activerende uitkeringsstructuur, waarbij «werken moet lonen» het uitgangspunt is. Verdient een Wajonger in de werkregeling meer dan 20% van het minimumloon, dan mag hij de helft van elke extra verdiende euro houden, tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die studeren ontvangen een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon.

Mensen met recht op de Wajong2015 ontvangen een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanaf 2015 is de Wajong alleen nog toegankelijk voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Hierdoor is de instroom sterk gedaald en sinds 2015 kleiner dan de uitstroom. Dit zet zich naar verwachting door in 2017, waardoor het volume van 2016 op 2017 daalt. Desondanks stijgen de verwachte uitgaven, doordat de gemiddelde uitkering sterker stijgt. Dit heeft meerdere oorzaken:

  • De nieuwe instroom heeft duurzaam geen arbeidsmogelijkheden en zal daarom een volledige uitkering ontvangen. Van de personen die uitstromen zal een deel een gedeeltelijke uitkering hebben, omdat zij wel werken.

  • De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, omdat de grote groep die de afgelopen jaren is ingestroomd ouder wordt. Hierdoor neemt het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt dat gebaseerd wordt op het minimumjeugdloon af.

  • Het aantal mensen dat op grond van de studieregeling nog een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon ontvangt neemt af. Deze personen in de Wajong2010 krijgen een hogere uitkering omdat ze niet meer studeren en doorstromen naar de werk- of uitkeringsregeling.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale volume van de Wajong neemt af. Dit wordt veroorzaakt doordat de uitstroom uit de oude Wajong en Wajong2010 groter is dan de instroom in de Wajong2015. In 2017 zal naar verwachting een deel van de mensen in de oude Wajong overstappen naar de Wajong2010, als gevolg van de wijzigingen in de voortgezette werkregeling. Hierdoor daalt het aantal mensen in de oude Wajong en stijgt het aantal mensen in de werkregeling in de Wajong2010. Het verwachte aantal werkenden neemt toe als gevolg van de banenafspraak voor arbeidsbeperkten.

Tabel 4.2 Kerncijfers Wajong
   

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)1

249

246

243

waarvan oude Wajong (tot 2010)

181

177

168

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

67

65

70

 

o waarvan werkregeling (%)

78

74

77

 

o waarvan studieregeling (%)

12

9

6

 

o waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

10

17

18

waarvan Wajong2015

1,3

2,9

4,9

         

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)1

4,5

3,7

3,9

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)1

6,4

6,8

6,9

         

Aandeel werkenden in de oude Wajong en Wajong2010 (%)

23

25

26

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers voor de Wajong laten over het totaal een redelijk stabiel beeld zien. De kerncijfers opsporing zijn in 2015 nagenoeg gelijk aan 2014. Er zijn iets minder overtredingen geconstateerd, het gemiddelde bedrag per overtreding is daarentegen iets hoger. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

73

Kennis van de verplichtingen (%)

85

86

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,3

1,5

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

4,6

4,3

4,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2013 (%)

21

46

59

Incassoratio 2014 (%)

3

23

50

Incassoratio 2015 (%)

3

3

18

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015». Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ en ZW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA,WAO,WAZ en ZW en wordt verantwoord in beleidsartikel 3.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2017 is voor het begrotingsgefinancierde deel van het geïntegreerd taakstellend budget re-integratie Wajong € 140 miljoen beschikbaar. Een deel van dit budget (€ 45 miljoen) wordt reeds in 2016 aan het UWV betaald, om het kasritme van het Rijk te optimaliseren. Door de herindeling en aansluitende activering van oude-Wajongers met arbeidsvermogen worden er ten opzichte van eerdere jaren hogere uitgaven verwacht voor re-integratie Wajong in de jaren 2017 en 2018. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget neemt na 2017 geleidelijk af (zie tabel 4.1). Dit is het gevolg van de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben.

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomensverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Brug-WW is erop gericht om arbeidsmobiliteit te stimuleren en transities naar beroepen waar een tekort is aan personeel te bevorderen. Het actieplan perspectief voor 50-plussers is erop gericht de arbeidsmarktpositie van 50-plussers te verbeteren en het risico op (langdurige) werkloosheid te beperken. Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • In juni 2016 is het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 724). Kern van de aanpak is om vijftigplussers te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk, werknemers wendbaarder te maken en werkgevers minder terughoudend te laten zijn bij het aannemen van nieuw personeel. Het actieplan is samen met de sociale partners opgesteld. De aanpak bevat – naast de bestaande instrumenten zoals de mobiliteitsbonus – een aantal nieuwe maatregelen. Het actieplan start op 1 januari 2017 en loopt twee jaar. Na 2018 zal op basis van een evaluatie van de aanpak en de arbeidsmarktsituatie van vijftigplussers worden bezien of en welke aanpak er verder nodig is.

  • Per april 2016 is het instrument brug-WW breder beschikbaar gesteld buiten de sectorplannen (Tweede Kamer, 2015–2016, 33 566, nr. 93). Brug-WW buiten de sectorplannen bestaat uit een parttime arbeidsovereenkomst bij een nieuwe werkgever, in combinatie met een (gedeeltelijke) reguliere WW-uitkering voor de scholingsuren. Na afronding van de scholing geldt een baangarantie van minimaal 6 maanden waarbij de arbeidsovereenkomst wordt uitgebreid met de scholingsuren.

  • Sinds de wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen van 1 juli 2015 kan het WW-dagloon voor starters, herintreders en flexwerkers lager uitkomen dan voorheen. Daarnaast komt het dagloon voor werknemers die na twee jaar ziekte een beroep doen op WW lager uit dan beoogd. Per 1 december 2016 wordt het Dagloonbesluit aangepast (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 351, nr. 18). Starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW tussen 1 juli 2015 en 1 december 2016, kunnen met de Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming vanaf 1 april 2017.

  • Op dit beleidsartikel wordt bij het indienen van deze begroting nog gewerkt aan een beleidsdoorlichting. Deze doorlichting zal eind 2016 opgeleverd worden. Mogelijk geeft de beleidsdoorlichting aanleiding om het beleid te wijzigen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

42.028

56.313

190.345

66.141

68.238

90.241

112.915

Uitgaven

42.028

56.313

190.345

66.141

68.238

90.241

112.915

waarvan juridisch verplicht (%)

   

90,1%

       
               

Inkomensoverdrachten

29.428

40.413

169.095

49.891

68.238

90.241

112.915

IOW

29.403

40.313

55.995

49.791

68.138

90.141

112.815

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

25

100

100

100

100

100

100

Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

0

0

113.000

0

0

0

0

               

Subsidies

12.600

15.500

5.000

0

0

0

0

               

Opdrachten

0

400

16.250

16.250

0

0

0

               

Ontvangsten

2.961

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten IOW, uitkeringslasten Cessantiawet (Caribisch Nederland) en uitkeringslasten Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 30% juridisch verplicht, dit budget heeft betrekking op plaatsingsfees voor oudere werklozen.

De overige 70% is bestuurlijk gebonden door het sociaal akkoord dat het kabinet met de sociale partners heeft gesloten.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 6% juridisch verplicht. Deze verplichting heeft betrekking op de campagne om de beeldvorming over vijftigplussers te verbeteren.

Tabel 5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Uitgaven

6.546.924

5.759.794

5.498.862

5.287.315

5.086.250

4.871.336

4.723.004

               

Inkomensoverdrachten

6.546.924

5.759.794

5.399.200

5.105.584

4.823.604

4.525.675

4.285.132

WW

6.546.924

5.759.794

5.399.200

5.105.584

4.823.604

4.525.675

4.285.132

               

Nominaal

0

0

99.662

181.731

262.646

345.661

437.872

               

Ontvangsten

379.000

376.980

365.468

371.623

378.430

386.350

395.684

UFO

379.000

376.980

358.780

358.780

358.780

358.780

358.780

Nominaal

0

0

6.688

12.843

19.650

27.570

36.904

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling. In het sociaal akkoord is afgesproken om de IOW tot 2020 te verlengen en daarna een evaluatie uit te voeren. In de Wwz is daartoe opgenomen dat oudere WW’ers en WGA’ers in aanmerking kunnen komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2020 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering. De regeling is toegankelijk voor oudere werklozen die werkloos zijn geworden vanaf 1 oktober 2006;

  • Gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. De regeling is toegankelijk als het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering op of na 1 januari 2008 is ontstaan.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Dit is op 1 juli 2016 € 1.537,20 bruto per maand. De uitkering kan lager zijn dan 70% van het wettelijk minimumloon als:

  • De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering, in de kalendermaand voor het einde van deze uitkering, lager was dan 70% van het minimumloon;

  • De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOW stijgen van 2016 op 2017 met € 16 miljoen vanwege de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd. In latere jaren nemen de IOW-uitgaven verder ook toe als gevolg van de duurverkorting in de WW.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd verblijven mensen gemiddeld langer in de IOW. Hierdoor neemt het IOW-volume in 2016 en 2017 toe.

Tabel 5.3 Kerncijfers IOW1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

2,6

3,5

4,4

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. De uitgaven kunnen van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen ook sterk fluctueren en de hoogte van de uitkeringslasten van jaar tot jaar beïnvloeden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal uitkeringen dat o.b.v. de Cessantiawet wordt verstrekt is beperkt. Het volume wordt geraamd op minder dan 100 uitkeringen per jaar.

Tabel 5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW unit RCN.

A3. Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid kan het dagloon voor enkele groepen WW-gerechtigden lager uitkomen. Dit betreft starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW. Per 1 december 2016 wordt het Dagloonbesluit aangepast met voor deze groepen een dagloonverhogend effect. Over de tussenliggende periode kunnen betrokkenen in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming. Het UWV voert deze overgangsregeling uit vanaf 1 april 2017.

Wie komt er voor in aanmerking?

Recht op een tegemoetkoming hebben:

  • Starters, herintreders en flexwerkers die recht hebben gehad op een WW-uitkering die is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016;

  • Starters, herintreders en flexwerkers die tijdens deze periode werkloos zijn geworden maar geen recht hebben gekregen op een WW-uitkering vanwege hun inkomsten;

  • Werknemers die na de wachttijd voor de Wet WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt waren en die recht hebben gehad op een WW-uitkering die is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot 1 december 2016.

Een werknemer wordt als starter, herintreder of flexwerker aangemerkt als hij in de referteperiode geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden.

Budgettaire ontwikkelingen

De overgangsregeling gaat gepaard met € 113 miljoen aan uitkeringslasten.

Beleidsrelevante kerncijfers

De overgangsregeling is een eenmalige compensatie die in 2017 wordt verstrekt. Het aantal personen dat in aanmerking komt voor de compensatie wordt geraamd op 113.000.

Tabel 5.5 Kerncijfers Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit (x 1.000 personen)
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit (x 1.000 personen)

113

A4. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur wordt vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Bovendien wordt de opbouw van WW-rechten vanaf 2016 aangepast. De maximale duur is daarbij afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer vanaf 2016 met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet iemand in ieder geval:

  • De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt en verzekerd zijn voor de WW;

  • Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • Beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de betrokkene meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2016 maximaal € 3.325,30 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.103,62.

Budgettaire ontwikkelingen

Het herstel van de arbeidsmarkt zet in 2016 door, maar voor 2017 verwacht het CPB in verband met de Brexit dat het herstel wordt getemperd. Deze ontwikkelingen leiden in 2016 tot een daling van de WW-uitgaven met circa € 790 miljoen en in 2017 tot een beperktere daling van € 360 miljoen. De effecten van de Wwz groeien vanaf 2016 geleidelijk in. Onder meer de aanpassing van het besluit passende arbeid en invoering van inkomensverrekening hebben daarbij in de komende jaren naar verwachting al een licht neerwaarts effect op de uitkeringslasten.

Beleidsrelevante kerncijfers

De werkloosheid zal in 2016 en 2017 naar verwachting dalen. Dit leidt tot een afname van de WW-instroom. De nieuwe WW-systematiek op basis van inkomensverrekening heeft een vertragend effect op de uitstroom. Het recht op uitkering wordt pas administratief beëindigd nadat gebleken is dat de opgegeven inkomsten overeenkomen met de inkomstenopgave van de werkgever in de polisadministratie. Daarnaast valt de uitstroom mogelijk lager uit dan voorheen, omdat mensen die tegen een lager uurloon vanuit de WW gaan werken, een aanvulling uit de WW blijven behouden.

Hoewel het herstel van de arbeidsmarkt in 2017 wordt getemperd in verband met de Brexit, komt het aantal beëindigde WW-uitkeringen naar verwachting zowel in 2016 als in 2017 hoger uit dan het aantal nieuwe uitkeringen. Het WW-volume vertoont daarmee meerjarig een dalend verloop.

Tabel 5.6 Kerncijfers WW
 

Realisatie

20151

Raming

2016

Raming

2017

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

343

327

306

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

446

394

378

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

584

510

504

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

579

562

520

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Het WW-volume in tabel 5.6 wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar omgerekend naar voltijdsequivalenten. Daarnaast bevat tabel 5.6 het aantal lopende WW-uitkeringen per 31 december. De ontwikkeling van deze ultimostand kan via de onderste twee kerncijfers in de tabel worden verklaard uit de totale WW-instroom en de WW-uitstroom gedurende het kalenderjaar.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel en onveranderd hoog beeld zien. Dat de invoering van de Wwz niet heeft geleid tot een verslechtering van dit beeld, is positief. De kennis van de verplichtingen is met 3% gestegen. Dit heeft mogelijk te maken met de extra informatievoorziening aan WW’ers in 2015 in het kader van de invoering van de Wwz. De kerncijfers opsporing zijn gedaald. Door de inkomensverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, vallen het aantal geconstateerde overtredingen en het totaal benadelingsbedrag in 2015 lager uit dan in 2014. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 5.7 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

84

84

Kennis van de verplichtingen (%)

94

97

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

31

43

27

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

42

63

40

       

Terugvordering 2

     

Incassoratio 2013 (%)

33

56

65

Incassoratio 2014 (%)

3

23

49

Incassoratio 2015 (%)

3

3

34

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015». Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Subsidies

Het kabinet heeft in 2013 middelen aan het UWV beschikbaar gesteld voor de aanpak van de werkloosheid onder ouderen op basis van het Actieplan 55-plus werkt. Het plan bevat een subsidieregeling waarmee 55-plussers via de werkgever of op eigen aanvraag scholing(svouchers) kunnen krijgen of die intermediairs een plaatsingsfee toekent wanneer zij een oudere werkzoekende duurzaam (minimaal 3, 6 of 12 maanden) aan een baan helpen. De doelgroep voor deze aanpak en de bijbehorende subsidieregeling is in 2014 uitgebreid naar 50-plussers (Tweede Kamer, 2013–2014, 29 544, nr. 540). Het Actieplan loopt af op 1 oktober 2016. In 2017 kunnen na 6 en 12 maanden gerekend vanaf 1 oktober 2016 nog plaatsingsfees toegekend worden.

C. Opdrachten

Het budget dat in beleidsartikel 5 onder Opdrachten is opgenomen is onder meer gericht op het voorkomen van werkloosheid door werkende 50-plussers meer wendbaar te maken. Dit betreft de introductie van een tweede loopbaanadvies, training voor leidinggevenden en een centraal aanspreekpunt voor werkgevers. Ook is budget beschikbaar voor experimenten om kansen bij werkgevers te benutten die nu onbenut blijven, zoals in de techniek en de ambachten. Het actieplan wordt ondersteund door een campagne om de beeldvorming over 50-plussers te verbeteren. Oud-voetbalinternational John de Wolf zal als boegbeeld van het actieplan hier een belangrijke rol in spelen. Voor bovenstaande maatregelen is in 2017 en 2018 in totaal € 32,5 miljoen beschikbaar. In totaal is er voor het Actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» € 68 miljoen beschikbaar. De resterende middelen worden verantwoord op de beleidsartikelen 6 en 11.

D. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verhaalt de WW-uitkeringen op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de Overheid (UFO) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Als gevolg van de aantrekkende arbeidsmarkt nemen de ontvangsten UFO in 2017 naar verwachting met € 18 miljoen af.

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • Het bestaande kraamverlof van 2 dagen met behoud van loon wordt uitgebreid. Een wetsvoorstel om dit uit te breiden met 3 dagen verlof met een uitkering van het UWV is in voorbereiding. De uitkering is gelijk aan het loon met als bovengrens het maximum dagloon. De verwachting is dat parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in 2017 wordt afgerond. Invoering is voorzien voor 1 januari 2019. Doelgroep van de regeling zijn de echtgeno(o)t(e) / partner van de moeder dan wel degene die het kind erkend heeft. Het verlof moet worden opgenomen binnen vier weken na de dag van de bevalling.

  • In het eerste kwartaal van 2017 zal binnen de ZW een experiment starten om te onderzoeken of vervroegde inzet van de no-riskpolis, de arbeidsparticipatie bevordert. Dit zal alleen gelden voor vangnetters die geen werkgever meer hebben en die de eerstejaarsziektewetbeoordeling bereiken.

  • De SER zal in 2016 een advies uitbrengen over een sluitend stelsel voor arbeidsongeschiktheid voor zowel werknemers als zelfstandigen.

  • In het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2017 is een voorstel voor uitbreiding van het wettelijk zwangerschaps- en bevallingsverlof in Caribisch Nederland van 12 naar 16 weken opgenomen. De periode waarin zwangere werknemers op grond van de Wet ziekteverzekering BES aanspraak op ziekengeld kunnen maken wordt daarmee verlengd. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2017.

  • Bij ontslag van een werknemer wegens (langdurige) arbeidsongeschiktheid is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd, na de periode van loondoorbetaling. Werkgevers zullen voor deze kosten van de transitievergoeding door het UWV worden gecompenseerd. Een wetsvoorstel van deze strekking is in voorbereiding (zie A4).

  • In 2017 wordt de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 6 uitgevoerd. De verwachting is dat deze beleidsdoorlichting en evaluatie van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters in 2017 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. In september 2015 is de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd over de opzet van deze beleidsdoorlichting (Tweede Kamer, 2015–2016, 30 982, nr. 24).

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

7.581

7.269

7.450

7.549

7.650

7.801

7.951

Uitgaven

7.581

7.269

7.450

7.549

7.650

7.801

7.951

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

7.581

7.269

7.450

7.549

7.650

7.801

7.951

TAS

4.368

3.830

3.830

3.830

3.830

3.830

3.830

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

3.213

3.439

3.620

3.719

3.820

3.971

4.121

               

Ontvangsten

0

428

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS en uitkeringslasten ziekteverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 6.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 6 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Uitgaven

2.575.582

2.616.641

2.632.784

3.395.561

2.958.648

2.970.329

2.997.690

               

Inkomensoverdrachten

2.575.582

2.616.641

2.584.631

3.304.354

2.819.258

2.775.482

2.740.483

ZW

1.483.923

1.493.384

1.454.462

1.398.040

1.374.529

1.352.022

1.303.130

Transitievergoeding

0

0

0

755.000

215.000

180.000

180.000

WAZO1

1.091.659

1.123.257

1.130.169

1.151.314

1.172.729

1.186.460

1.200.353

WAZO kraamverlof

0

0

0

0

57.000

57.000

57.000

               

Nominaal

0

0

48.153

91.207

139.390

194.847

257.207

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Uitkeringslasten zijn inclusief ZEZ en exclusief kraamverlof.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt vaak uitgekeerd in de vorm van een voorschot. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt wordt de tegemoetkoming hiermee verrekend. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom, een huisgenoot in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom, een huisgenoot op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 19.605.

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2016 € 19.605. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten TAS worden vanaf 2016 constant verondersteld.

Beleidsrelevante kerncijfers

De raming van het volume is voor de komende jaren naar beneden bijgesteld op basis van de realisaties in 2015. De verwachting is dat het aantal toekenningen voor personen met asbestose afneemt in 2016 en 2017 ten opzichte van 2015 omdat de meeste aanvragen door werknemers die al eerder met asbestose zijn gediagnosticeerd inmiddels verwerkt zijn. Daarnaast daalt naar verwachting ook het aantal toekenningen in verband met maligne mesothelioom licht.

Tabel 6.3 Kerncijfers TAS1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

– toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

– toekenning i.v.m. asbesthose

0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,2

0,2

0,2

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

86

2

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Door de verhoging van de AOV-gerechtigde leeftijd (zie ook beleidsartikel 8) lopen de uitkeringen van de ZV langer door. Hierdoor nemen de uitkeringslasten ZV-Caribisch Nederland in de komende jaren in geringe mate toe. Daarnaast nemen de uitkeringslasten met € 130.000 per jaar toe door verlenging van het zwangerschapsverlof van 12 naar 16 weken.

Beleidsrelevante kerncijfers

Op dit moment ontbreekt een zinvol kerncijfer voor het aantal ZV-uitkeringen. De uitgaven vormen op dit moment het enige houvast met betrekking tot de ontwikkeling van de ZV. Dit heeft te maken met beperkingen in de rapportagemogelijkheden van de ICT-applicatie die wordt gebruikt. Een kerncijfer zal worden bepaald in samenhang met de voor 2017 voorziene nieuwbouw van deze applicatie.

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk (wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie) en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ziektewetuitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2016 gemaximeerd op € 203,85 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3.103,62 bruto per maand. De uitkering duurt maximaal twee jaar.

Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.433,74 bruto per maand. Op verzoek van de werkgever kan het UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW van de bij het UWV verzekerde populatie nemen in 2017 met ca. € 40 miljoen af ten opzichte van 2016 vanwege een daling van het volume bij zieke werklozen en bij personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens ziekte (eindedienstverbanders). De ontwikkeling van het aantal zieke werklozen reageert met enige vertraging op een stijging of daling van het aantal WW-uitkeringen. Voor 2017 wordt uitgegaan van een daling van het aantal zieke werklozen als gevolg van een verbetering van de conjunctuur in 2015 en 2016. De daling van het aantal eindedienstverbanders wordt verklaard door een toename van het aantal werkgevers dat eigenrisicodrager is.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.5 Kerncijfers ZW1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Volume ZW (x 1.000 uitkeringsjaren)

88

87

84

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

204

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

277

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel beeld zien. Uit de kerncijfers opsporing blijkt dat het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling licht is afgenomen in 2015 ten opzichte van 2014 en ook het totale benadelingsbedrag is gedaald. Hoewel de incassoratio 2014 in het eerste jaar achterblijft, is in het tweede jaar het verschil met de incassoratio 2013 afgenomen tot 9%-punt.

Tabel 6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

81

Kennis van de verplichtingen (%)

94

94

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,6

1,2

0,7

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

4,0

3,5

2,3

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2013 (%)

29

49

58

Incassoratio 2014 (%)

3

11

38

Incassoratio 2015 (%)

3

3

26

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015». Cijfers voor 2013 zijn niet beschikbaar.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Transitievergoeding

Bij ontslag van een werknemer wegens (langdurige) arbeidsongeschiktheid is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd, na de periode van loondoorbetaling. Werkgevers zullen voor deze kosten van de transitievergoeding door het UWV worden gecompenseerd. Een wetsvoorstel van deze strekking is in voorbereiding. Naar verwachting kan de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in 2017 worden afgerond en kan deze compensatieregeling ingaan per 1 januari 2018. Er wordt van uitgegaan dat de regeling terugwerkende kracht zal hebben tot 1 juli 2015. De compensatievergoeding zal worden gefinancierd vanuit het Awf, waar een verhoging van de premie tegenover staat.

A5. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (o.a. thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Recht op kraamverlof ontstaat als het de echtgeno(o)te of de geregistreerd partner betreft. Daarnaast hebben ook ongehuwd samenwonende en de partner die het kind erkent, recht op dit verlof.

Hoe hoog is de WAZO?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering, het kraamverlof en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2016 gelijk aan € 4.433,74 bruto per maand. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2016 € 1.537,20 bruto per maand).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van een verwachte lichte toename van het aantal geboorten de komende jaren, nemen de uitgaven voor zwangerschap- en bevallingsverlof in 2017 met ca. € 7 miljoen toe ten opzichte van 2016. Vanaf 2019 wordt het kraamverlof met drie dagen uitgebreid. De uitgaven hieraan bedragen € 57 miljoen per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.7 Kerncijfers WAZO1
 

Realisatie

2015

Raming

2016

Raming

2017

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

137

137

138

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

128

127

128

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

9,8

10,0

10,2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen goed toegerust zijn op het primair onderwijs. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten ter verbetering van de kwaliteit van kinderopvang. Dit om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen sturen die van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk;

  • Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein zijn:

  • Het kabinet intensiveert vanaf 2017 € 200 miljoen structureel in de kinderopvang (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. 303). De kinderopvangtoeslag wordt verhoogd, waarbij het maximum vergoedingspercentage in de eerste kindtabel naar 94% en in de tweede kindtabel naar 95% stijgt en de vaste voet naar 33,3% wordt verhoogd. Daarnaast blijven ouders bij werkloosheid ook in 2017 zes in plaats van drie maanden recht houden op kinderopvangtoeslag. De maximum uurprijzen worden naast de reguliere indexatie eenmalig extra verhoogd. Hierdoor nemen de maximum uurprijzen in alle opvangsoorten in 2017 met 4,2% toe.

  • De komst van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is uitgesteld. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de vertraging bij de invoering (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. 301). Er wordt momenteel een heroriëntatie uitgevoerd op de realisatie en invoering van het personenregister. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2016 per brief worden geïnformeerd over het resultaat van de heroriëntatie. Het uitstel van het personenregister heeft geen invloed op de huidige continue screening op basis van bestandsopbouw, deze loopt gewoon door.

  • Het kabinet zet in op verdere harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang, waarbij verschillen tussen de twee voorzieningen worden weggenomen. Hierbij wordt de financieringsstructuur voor werkende ouders vanaf 2018 gelijk getrokken.

  • In het kader van «Innovatie en Kwaliteit in de Kinderopvang» wordt gewerkt aan herijking van de kwaliteitseisen voor de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk en aanpassing van het toezicht daarop. Heldere doelen, duidelijke eisen en betere kwaliteit zijn de uitgangspunten. Het wetsvoorstel zal in het najaar van 2016 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

  • Het kabinet wil de financiering van de kinderopvang wijzigen naar een systeem van directe financiering. Dit systeem is gebaseerd op twee pijlers: de rijksoverheid bekostigt kinderopvangorganisaties rechtstreeks, en ouders betalen een eigen bijdrage afhankelijk van hun inkomen. Het systeem komt in de plaats van de huidige kinderopvangtoeslag. De geldstromen van en naar ouders worden hiermee beperkt, wat de risico’s van onverwachte nabetalingen en terugvorderingen verkleint. De beoogde invoeringsdatum van (volledige) directe financiering is 2020. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel nog deze kabinetsperiode aan de Tweede Kamer aangeboden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)

artikelonderdeel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

2.118.056

2.441.223

2.597.959

2.710.940

2.750.462

2.778.105

2.802.582

Uitgaven

2.120.773

2.441.223

2.597.959

2.710.940

2.750.462

2.778.105

2.802.582

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,2%

       
               

Inkomensoverdrachten

2.101.032

2.417.338

2.565.833

2.697.721

2.736.739

2.763.952

2.788.429

               

Subsidies

5.560

4.883

5.372

4.606

4.600

4.600

4.600

               

Opdrachten

2.606

5.440

2.986

1.563

2.073

2.503

2.503

               

Bijdrage aan agentschappen

11.575

13.562

23.768

7.050

7.050

7.050

7.050

DUO

9.099

13.084

22.668

5.950

5.950

5.950

5.950

Justis

307

270

250

250

250

250

250

Centraal informatiepunt beroepen gezondheidszorg

2.169

208

850

850

850

850

850

               

Ontvangsten

1.539.131

1.495.030

1.426.533

1.424.773

1.417.870

1.428.958

1.431.602

Ontvangsten algemeen

457.088

403.317