Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juli 2015
Inleiding
Mede naar aanleiding van mijn toezegging in het Algemeen Overleg van 11 maart jongstleden
(Kamerstuk 29 407, nr. 200) om u zo mogelijk voor de zomer te informeren over het Duits minimumloon informeer
ik u hierbij mede namens de ministers van Economisch Zaken, Buitenlandse Zaken en
Infrastructuur en Milieu over de ontwikkelingen rondom de invoering van een minimumloon
in Duitsland.
Uitgangspunt
Ieder land is bevoegd zelf te besluiten over het al dan niet invoeren van een minimumloon.
Veel EU-lidstaten, waaronder Nederland, kennen een minimumloon. Minimumlonen kunnen
helpen een neerwaartse spiraal te voorkomen als het gaat om de arbeidsvoorwaarden.
In dat licht kan de invoering van het minimumloon in Duitsland dan ook als een positieve
ontwikkeling worden gezien. Bij het invoeren en toepassen van een minimumloon door
een lidstaat dient deze de regels van het Europees recht in acht te nemen. De Europese
Commissie is primair aangewezen om toe te zien op de naleving van het EU-recht door
de lidstaten.
Juridische context
Bij de beoordeling van de invoering van het Duits minimumloon is het belangrijk Europese
wet- en regelgeving in beschouwing te nemen. De zogenoemde EVO-verordening (verordening
593/2008 ook wel: Rome I genoemd) bepaalt het recht dat van toepassing is op verbintenissen
uit overeenkomst, waaronder de arbeidsovereenkomst. De hoofdregel is dat het werknemer
en werkgever in principe vrij staat het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst
te kiezen (art.3 en 8, lid 1 EVO). Als er geen keuze wordt gemaakt, wordt in de eerste
plaats teruggevallen op het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid
verricht (artikel 8, lid 2 EVO) De contractsvrijheid tussen werknemer en werkgever
wordt begrensd door de (dwingendrechtelijke) regels van het werkland zoals arbeidsrecht
en sociale zekerheid (art. 9 EVO). Daar vallen ook wettelijk dwingende minimumloonbepalingen
onder.
Daarnaast concretiseert de zogenoemde Detacheringsrichtlijn (richtlijn 96/71) de mogelijkheid
om in bepaalde situaties dwingendrechtelijke regels te stellen aan arbeidverrichters
uit andere lidstaten. Deze richtlijn bepaalt dat voor drie groepen werknemers die
door hun werkgever voor het verrichten van bepaalde diensten of werkzaamheden (tijdelijk)
in een andere lidstaat te werk zijn gesteld de harde arbeidsvoorwaarden (waaronder
het minimumloon) van het gastland gelden (als die gunstiger zijn). Van belang is te
vermelden dat er gevallen zijn, waarop de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing
is. Dit geldt bijvoorbeeld voor internationale transitverkeer.
Duitsland heeft het minimumloon in beginsel voor alle vormen van arbeid in Duitsland
ingevoerd. Voorafgaand aan het verrichten van werkzaamheden in Duitsland moeten werkgevers
aan een aantal administratieve verplichtingen voldoen. Voor zover de Detacheringsrichtlijn
niet van toepassing is, beroept Duitsland zich op het bestaan van bijzonder dwingend
recht en stelt ze dat dit gerechtvaardigd is in het licht van het vrij verkeer van
diensten in de EU. Als dit getoetst wordt, is het van belang om wat voor soort werkzaamheden
het gaat en speelt het evenredigheidsbeginsel een belangrijke rol.
De minimumloonwetgeving in Duitsland
Duitsland wil dat iedere werknemer die op haar grondgebied werkt minimaal het Duitse
minimumloon krijgt. Daarom heeft zij de bepalingen van deze wet ook aan buitenlandse
werkgevers die hun werknemers in Duitsland arbeid laten verrichten dwingendrechtelijk
voorgeschreven. De Duitse wetgeving is met name controversieel als het gaat om werkzaamheden
die niet onder de Detacheringsrichtlijn vallen, zoals internationaal transitverkeer.
Naar aanleiding van bezwaar vanuit verschillende lidstaten heeft Duitsland besloten
het minimum loon voor transitverkeer voorlopig op te schorten.
Een ander kritiekpunt vormen de opgelegde administratieve verplichtingen. Meerdere
Nederlandse werkgevers en ondernemersverenigingen hebben hierover de afgelopen maanden
hun onvrede geuit en hebben vraagtekens gezet bij de proportionaliteit van de gestelde
eisen. Het kabinet heeft deze zorgen zowel ambtelijk als politiek meermalen onder
de aandacht gebracht van de Duitse autoriteiten. Het is nog steeds niet voldoende
duidelijk hoe de wetgeving in de praktijk wordt toegepast en gehandhaafd. Duidelijk
is wel dat de informatievoorziening aan buitenlandse werkgevers beter had gekund.
Europese Commissie
De Europese Commissie heeft Duitsland in januari jongstleden om uitleg gevraagd. Op
19 mei jongstleden is bekend geworden dat de Europese Commissie een inbreukprocedure
tegen Duitsland is gestart met betrekking tot de toepassing van het Duits minimumloon
in de transportsector, omdat de Europese Commissie de door Duitsland gegeven uitleg
over bovengenoemde toets klaarblijkelijk onvoldoende vindt. Duitsland heeft twee maanden
om te reageren op de argumenten van de Europese Commissie. Het kabinet volgt de ontwikkelingen
op de voet en wacht het oordeel van de Europese Commissie met belangstelling af. Zodra
hierover meer bekend is zal ik u nader informeren.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher