Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634336 nr. 9

34 336 Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet financiering sociale verzekeringen en enkele andere wetten in verband met verbetering van de hybride markt van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wet verbetering hybride markt WGA)

Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2016

Op vragen van het lid Schut-Welkzijn (VVD) tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel «Verbetering hybride markt WGA» op donderdag 17 maart jongstleden (Handelingen II 2015/16, nr. 66, Hybride markt regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) heb ik toegezegd uw Kamer nader te informeren over het financiële risico als alle werkgevers die publiek voor de WGA verzekerd zijn, zouden uittreden.

Als eerste wil ik benadrukken dat ik niet verwacht dat deze situatie zich zal voordoen. Het doel van het wetsvoorstel is dat het evenwicht op de hybride markt verbetert. In een dergelijke meer evenwichtige markt zal het aantal werkgevers dat overstapt van de publieke verzekering naar eigenrisicodragerschap of andersom beperkt zijn. Waar de stromen klein zijn en deze elkaar in evenwicht houden ontstaat ook een financieel evenwicht in het staartlastenvermogen. De uitputting van het staartlastenvermogen door werkgevers die de publieke verzekering verlaten, wordt gecompenseerd door reservering van een deel van de meer marktconforme premie van werkgevers die de publieke verzekering juist weer instromen. Hier ben ik ook vanuit gegaan in de financiële paragraaf van de memorie toelichting bij het wetsvoorstel. Hetzelfde beeld komt ook naar voren uit de Premienota 20161 van UWV, waarin rekening is gehouden met de maatregelen uit het wetvoorstel Verbetering hybride markt WGA: «Wij verwachten dat het aantal werkgevers dat jaarlijks weggaat bij UWV vanaf 2017 licht zal stijgen. Het gaat hierbij met name om werkgevers met een hoog risico. Het aantal werkgevers dat jaarlijks terugkeert naar UWV zal vanaf 2017 licht dalen. Ook hier zijn het de werkgevers met een hoog risico die eerder op de private markt zullen blijven. De stromen zullen naar verwachting klein zijn en elkaar redelijk in evenwicht houden.»

Wat als alle publiek verzekerde werkgevers uitstappen ...?

Het wetsvoorstel regelt dat de publieke staartlasten van werkgevers die na 1 juli 2015 uit de WGA-verzekering van UWV stappen, hun publieke staartlasten vanaf 1 januari 2017 niet meer zelf hoeven te financieren, maar dat deze vanuit het staartlastenvermogen in de Werkhervattingskas gefinancierd worden. Het totale bedrag aan potentiële staartlasten voor zowel de WGA-vast als -flex bedraagt € 3,8 miljard. Het risico bedraagt dus ook maximaal € 3,8 miljard.

Zoals ik tijdens de plenaire behandeling heb aangegeven, is al geregeld dat eigenrisicodragers die bij de koppeling van de WGA-vast en -flex eigenrisicodrager blijven of worden, hun publieke staartlasten voor de WGA-flex niet zelf hoeven te financieren (Stb. 2013, 555). Een deel van het financiële risico komt voort uit die maatregel en is daarmee dus niet nieuw.

Daarnaast betreft het risico van € 3,8 miljard een cumulatief effect over de volledige uitloopperiode. Dat wil zeggen dat deze lasten in de periode van 2017 tot en met 20292 theoretisch kunnen optellen tot € 3,8 miljard. Het volledige risico treedt dus ook niet ineens op maar over meerdere jaren verspreid.

Van belang is ook hoe waarschijnlijk het is dat alle publiek verzekerde werkgevers daadwerkelijk massaal de publieke verzekering zullen verlaten. Veel publieke verzekerde werkgevers hebben een premie die nog opbouwt omdat hun premie gebaseerd is op hun historische publieke WGA-lasten3. Deze premie is veelal nog lager dan de premie voor een private verzekering. Zolang deze werkgevers nog in de opbouwfase zitten is onwaarschijnlijk dat zij overstappen naar een private verzekeraar.

Ook is onderdeel van de maatregelen dat werkgevers geen toestemming krijgen om eigenrisicodrager te worden als zij niet tenminste drie jaar publiek verzekerd zijn. Deze maatregel heeft tot gevolg dat werkgevers niet meteen de publieke verzekering kunnen verlaten. Ook dit vermindert het risico dat werkgevers massaal de publieke verzekering verlaten.

Al met al constateer ik dat de kans dat het volledige risico zich voordoet erg klein is, en dat – voor zover het risico zich voordoet – het zich uitspreidt over meerdere jaren. Er is sprake van een beheersbaar risico. Allereerst staat tegenover het maximale risico van € 3,8 miljard een buffer van € 1,5 miljard. Daarnaast zal ik, zoals ik reeds heb toegezegd, de ontwikkeling van de hybride WGA-markt nauwgezet monitoren. Daardoor kan ik tijdig ingrijpen en indien nodig extra maatregelen nemen ter verbetering van de hybride markt of van de lastenkaders.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

UWV, 2015, Gedifferentieerde premies WGA en ZW 2016.

X Noot
2

Toerekening van de WGA-uitkering is gekoppeld aan de eerste ziektedag. Stel een werknemer van een publiek verzekerde werkgever wordt ziek op 1 januari 2017, dan betaald de werkgever eerst twee jaar loon door, daarna ontstaat vanaf 1 januari 2019 recht op een WGA-uitkering die maximaal 10 jaar loopt.

X Noot
3

Door het wetsvoorstel gaan werkgevers die na 1 juli 2015 overstappen naar de publieke verzekering vanaf 1 januari 2017 een premie betalen die gebaseerd is op hun publieke en private WGA-lasten, en die dus eerder op structureel niveau ligt.