31 322 Kinderopvang

Nr. 303 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 mei 2016

Het is van groot belang dat kinderen een goede start kunnen maken en de juiste zorg en aandacht krijgen. Goede kinderopvang is toegankelijk voor ouders, bevordert de arbeidsparticipatie en biedt aan kinderen een vertrouwde en veilige omgeving waarin zij zich kunnen ontplooien. Kinderopvang die beide doelen combineert, is van grote waarde voor kinderen en ouders.

Ik ben er van overtuigd dat beide doelen elkaar versterken. Voor een goede combinatie van arbeid en zorg moet kinderopvang betaalbaar zijn voor ouders. Het is tegelijkertijd ook essentieel om te weten dat je kind in goede handen is gedurende de werkdag. Daarmee wordt het gebruik van kinderopvang vanzelfsprekend. Andersom is een goede en brede toegankelijkheid essentieel zodat kinderen de mogelijkheid hebben om naar de kinderopvang te gaan. Het geeft kinderen de gelegenheid om spelenderwijs te leren omgaan met leeftijdsgenoten en dat kan bijdragen aan een goede start op de basisschool.

Het kabinet heeft de afgelopen jaren de kinderopvangtoeslag verhoogd. Zo is in 2014 de kinderopvangtoeslag met € 100 miljoen structureel verhoogd, is in 2015 het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid verlengd naar zes maanden en zijn per 2016 de toeslagpercentage nog eens met € 290 miljoen structureel verhoogd. Daarbij zijn onder andere de hoogste toeslagpercentages voor de laagste inkomens gestegen naar 93%. Hierdoor betaalt de laagste inkomensgroep sinds 2016 € 0,48 per uur voor dagopvang1. Door de verhogingen van de kinderopvangtoeslag van de laatste jaren is de combinatie van arbeid en zorg door middel van kinderopvang aantrekkelijker geworden voor ouders. Daarmee zijn we er wat mij betreft echter nog niet. Samen met alle betrokken partijen uit de sector wil ik de Nederlandse kinderopvang een stevige impuls geven, zowel op het gebied van toegankelijkheid als op het gebied van kwaliteit.

In deze brief presenteer ik, namens het kabinet, hiervoor een integraal pakket met voorstellen. Plannen waarmee een stevige basis wordt gelegd voor de toekomst.

Over de verbetering van de kwaliteit van de kinderopvang en de mogelijkheden voor innovatie heb ik de afgelopen tijd intensief gesproken met vertegenwoordigers van ouders, kinderopvangorganisaties en werknemers. Ik ben verheugd dat wij het eens zijn geworden over een pakket aan maatregelen en met partijen een akkoord hebben gesloten met de titel Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (De titel IKK zal ik ook gebruiken als nieuwe overkoepelende naam voor het project Het Nieuwe Toezicht)2. De hoofdlijnen van het akkoord IKK worden in paragraaf 1 weergegeven.

Ik neem daarnaast een aantal maatregelen om betere en bredere toegankelijkheid van kinderopvang te realiseren. Kinderopvang wordt beter betaalbaar, via een verhoging van de toeslagpercentages waaronder de vaste voet. Het verbreden van de toegankelijkheid wordt daarnaast bewerkstelligd door de invulling van de € 60 miljoen structureel die beschikbaar zal worden gesteld voor de uitbreiding van het gemeentelijk aanbod aan peuters van niet-werkende ouders. Zoals toegezegd in de brief «Bestuurlijke afspraken: een aanbod voor alle peuters»3 zijn de ondertekende bestuurlijke afspraken als bijlage bij deze brief gevoegd4. In paragraaf 2 van deze brief wordt hierop nader ingegaan. Paragraaf 3 bevat de budgettaire gevolgen en inkomenseffecten van de maatregelen. In paragraaf 4 ga ik in op het vervolgproces.

1. Betere kwaliteit

In juli 2015 heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn voornemens ten aanzien van de herijking van de kwaliteitseisen voor de kinderdagopvang, het peuterspeelzaalwerk en de buitenschoolse opvang5. Ik heb vervolgens partijen uit de sector uitgenodigd om met een gezamenlijk advies te komen.

BOinK, de Brancheorganisatie Kinderopvang, CNV, FNV en de MOgroep hebben deze uitnodiging actief opgepakt en op 30 oktober 2015 een gezamenlijk advies gepresenteerd. Daarvoor ben ik de partijen zeer erkentelijk. Mijn voornemens en het advies van de partijen zijn in de afgelopen maanden uitgebreid besproken. Deze gesprekken hebben geleid tot een breed gedragen akkoord op het gebied van de herijking van de kwaliteitseisen. Dit akkoord draagt de titel Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang en is te vinden in bijlage 1 bij deze brief6.

Het belangrijkste uitgangspunt is dat er meer gerichte aandacht moet komen voor de ontwikkeling van kinderen. Met de sectorpartijen heb ik geconstateerd dat de huidige eisen aan en ondersteuning van personeel niet optimaal aansluiten op de behoeften van kinderen. Om dit te verbeteren wordt ingezet op de scholing en kwalificaties van beroepskrachten. Alle medewerkers krijgen recht op coaching on the job door een hbo-geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker. Een taaleis voor de spreekvaardigheid van beroepskrachten wordt geïntroduceerd op niveau 3F. Daarnaast krijgt elk kind een mentor en zal de ontwikkeling van kinderen structureel worden gevolgd.

De behoeften van kinderen verschillen per ontwikkelingsfase. Jongere kinderen hebben deels andere behoeften dan oudere kinderen. Voor baby’s zijn een vertrouwde beroepskracht en stabiliteit essentieel. In de peuterleeftijd (2,5–4 jaar) gaan kinderen steeds meer met elkaar spelen. De aandacht voor de beroepskracht verschuift dan geleidelijk naar aandacht voor andere kinderen.

Tussen 4 en 12 jaar gaan kinderen steeds zelfstandiger met elkaar spelen.

Bij de totstandkoming van het akkoord is specifiek gekeken in hoeverre de huidige eisen in de kinderopvang aansluiten bij de verschillende behoeften van kinderen. Dit geldt in het bijzonder voor de allerjongsten. Voor hen zijn in het akkoord dan ook specifieke maatregelen opgenomen. Het akkoord bevat een verhoging van de kwaliteit van de babyopvang door de beroepskracht-kindratio voor deze groep van één op vier naar één op drie te brengen, het maximaal aantal vaste gezichten voor baby’s aan te scherpen naar twee en te investeren in specifieke scholing voor beroepskrachten die werken in de babyopvang.

In lijn met de motie Yücel/Tellegen7 neem ik daarnaast een aantal maatregelen om een betere aansluiting tussen de eisen aan de kinderopvang en de basisschool te realiseren. De beroepskracht-kindratio voor de kinderen vanaf 7 jaar in de buitenschoolse opvang wordt bijvoorbeeld aangepast van 1 beroepskracht op 10 kinderen naar 1 beroepskracht op 12 kinderen. In het kader van de motie Tellegen, Heerma en Van Weyenberg8 heb ik met het veld de agenda voor de maatwerkaanpak kinderopvang opgesteld. De agenda bevat een aantal elementen die de door kinderopvangorganisaties en medewerkers ervaren regeldruk verminderen. Een deel daarvan wordt met het in deze brief gepresenteerde pakket aan maatregelen ingevuld (zoals het verminderen van de eisen rond de risico-inventarisatie en -evaluatie).

Op het gebied van de stabiliteitseisen, de eisen aan binnen- en buitenspeelruimtes en de huidige beroepskracht-kindratio op groepsniveau zet ik in op pilots. In deze pilots kunnen kinderopvangorganisaties ervaring opdoen met innovatieve pedagogische concepten waarbij de huidige eisen als knellend worden ervaren. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan zogenoemde buiten BSO’s, waar het contact met de buitenomgeving en de natuur centraal staat in de pedagogische visie. Hierdoor vervullen binnen- en buitenspeelruimtes soms andere functies.

Met de pilots wordt de sector in staat gesteld om eerst uitgebreid ervaring op te doen met het innoveren op deze gebieden, voordat besluiten worden genomen over eventuele aanpassingen in wet- en regelgeving.

Over de voortgang van de agenda maatwerkaanpak regeldruk kinderopvang informeer ik uw Kamer separaat.

In het verlengde van de maatregelen in het akkoord wordt een nieuw toezicht- en handhavingskader ontwikkeld en worden toezichthouders en handhavers getraind. Gemeenten en GGD-en gaan ervaring opdoen met het werken met een kwaliteitsoordeel, waarmee voor ouders de kwaliteit van kinderopvangorganisaties beter inzichtelijk wordt. In de komende periode zal de toezichtsystematiek verder worden verbeterd en zal in de praktijk ervaring worden opgedaan met nieuwe manieren van werken, zoals het door houder en toezichthouder gezamenlijk observeren van de pedagogische praktijk en het maken van verbeterafspraken. De overheidspartijen verantwoordelijk voor toezicht en handhaving betrekken de partijen die het akkoord IKK hebben ondertekend bij de ontwikkeling van toezichtinstrumenten en werkwijzen. Bij de implementatie van de maatregelen uit het akkoord trek ik op met de akkoordpartijen en de toezicht- en handhavingspartijen.

Naast het bovenstaande wil ik op het terrein van toezicht en handhaving de komende periode verkennen of de mogelijkheden om in te grijpen bij malafide kinderopvangorganisaties verder kunnen worden verbeterd. Hoewel de sector er over het geheel genomen goed voorstaat, zijn er helaas soms gevallen waar houders de regels willens en wetens aan hun laars lappen. Het recente voorbeeld rondom kinderopvangorganisatie 24/7 in Amsterdam vormt hier een illustratie van. Praktijken zoals deze moeten worden aangepakt. Daar bestaan mogelijkheden voor vanuit het bestaande systeem voor de inspectie en de handhaving en er kan worden verzocht om strafrechtelijke vervolging. Met de sectorpartijen en de toezichthouder wil ik bespreken hoe de pakkans en snelheid van ingrijpen vanuit het bestaande systeem voor de inspectie en de handhaving bij malafide kinderopvangpraktijken verder kan worden vergroot. Uw kamer ontvangt hier nog een separate brief over.

2. Betere toegankelijkheid

Goede toegankelijkheid betekent dat ouders geen drempels ervaren als zij hun kind naar de kinderopvang willen brengen. Betaalbare kinderopvang is daarvoor een belangrijke voorwaarde.

De afgelopen jaren is het budget voor de kinderopvangtoeslag geconfronteerd met grote schommelingen. Na jaren van bezuinigingen heeft het kabinet sinds 2014 weer geïnvesteerd in de kinderopvang. Met het Belastingplan 2016 is wederom structureel extra geld beschikbaar gekomen voor kinderopvang; de kinderopvangtoeslag is in 2016 met € 290 miljoen verhoogd. Hierdoor zijn de kosten van kinderopvang voor ouders gedaald.

Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2016 is besloten dat in 2017 nog eens € 200 miljoen structureel wordt geïnvesteerd in de kinderopvang. Hieronder ga ik in op de vormgeving van deze € 200 miljoen vanaf 2017.

Het pakket bevat voor 2017 de volgende elementen:

  • a) De kinderopvangtoeslag inclusief vaste voet wordt verhoogd;

  • b) Het gedurende zes maanden behouden van het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid wordt met een jaar verlengd;

  • c) De maximum uurprijzen worden verhoogd in verband met het uitblijven van indexering in 2012.

a) De kinderopvangtoeslag inclusief vaste voet wordt verhoogd

De kinderopvangtoeslag wordt met € 136 miljoen structureel verhoogd. Zo stijgen de toeslagpercentages in de eerste kindtabel voor de meeste ouders met 2 procentpunt.

Voor de laagste inkomens wordt het toeslagpercentage in de eerste kindtabel met 1 procentpunt verhoogd. Hiervoor is gekozen omdat het kabinet met de extra investering in de kinderopvang per 2017 de kinderopvangtoeslag voor alle ouders wil verhogen, maar wel met de voorwaarde dat ouders zelf ook een eigen bijdrage blijven betalen. Momenteel ligt het toeslagpercentage voor de laagste inkomens al erg hoog. Met de intensivering in 2016 is het toeslagpercentage voor deze groep gestegen naar 93%. Zoals al eerder in de inleiding aangegeven betaalt de laagste inkomensgroep in 2016 hierdoor € 0,48 per uur voor dagopvang9. De verhoging van 1 procentpunt per 2017 betekent dat het maximale toeslagpercentage dat ouders ontvangen 94% wordt. Anders gezegd: vanaf 2017 betalen ouders minimaal 6% van de kosten van kinderopvang zelf (in 2016 was dit 7%). Voor dagopvang betaalt de laagste inkomensgroep in 2017 € 0,43 per uur⁸.

Daarnaast wordt de vaste voet, het minimale toeslagpercentage voor de hogere inkomens in de eerste kindtabel, verhoogd van 23,8% naar 33,3%. Hierdoor krijgen alle ouders ten minste een derde van de kosten van kinderopvang vergoed, wat bevorderend is voor de toegankelijkheid van kinderopvang.

Ook wordt de tweede kindtabel op een onderdeel aangepast. Het maximale toeslagpercentage in de tweede kindtabel wordt met 1 procentpunt verhoogd, naar 95%. Zo wordt vastgehouden aan de systematiek dat de tweede kindtabel hogere toeslagpercentages heeft dan de eerste kindtabel. Tevens krijgen de laagste inkomens, naast de verhoging van het toeslagpercentage met 1 procentpunt in de eerste kindtabel, hiermee extra compensatie via de tweede kindtabel.

In tabel 1 worden de toeslagpercentages voor de kinderopvang voor verschillende toetsingsinkomens vanaf 2017 weergegeven.

Tabel 1: Kinderopvangtoeslagtabel 2017 voor verschillende toetsingsinkomens1

(gezamenlijk) toetsingsinkomen

tegemoetkoming Rijk als percentage van de kosten van kinderopvang

   

Eerste kind

Tweede e.v.

kind

Laag inkomen

     

Inkomens tot

€ 23.408

94,0%

95,0%

€ 23.409

€ 24.638

93,8%

94,9%

€ 24.639

€ 25.869

92,8%

94,8%

Midden inkomen

     

€ 35.040

€ 36.394

86,0%

94,0%

€ 47.379

€ 50.286

77,2%

94,0%

€ 59.013

€ 61.919

69,6%

92,1%

Hoog inkomen

     

€ 79.374

€ 82.281

50,4%

88,1%

€ 99.999

€ 102.976

33,3%

84,2%

€ 180.419

en hoger

33,3%

64,0%

X Noot
1

Voor uitgebreid overzicht van de nieuwe toeslagpercentages zie bijlage brief (raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl) en het concept besluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag, zie Kamerstuk 31 322, nr. 302.

In onderstaand figuur is de vormgeving van de eerste kindtabel weergegeven. In paragraaf 3 zijn de inkomenseffecten voor ouders weergegeven.

Figuur 1: Vormgeving eerste kindtabel 2016 en 2017

Figuur 1: Vormgeving eerste kindtabel 2016 en 2017

b) Een jaar verlenging van het gedurende zes maanden behouden van het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid

In 2015 en 2016 is het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid verlengd van drie maanden naar zes maanden. Een onderdeel van het € 200 miljoen pakket is om deze maatregel ook in 2017 van kracht te laten blijven. In 2018 wordt de periode waarvoor bij werkloosheid recht op kinderopvangtoeslag bestaat weer teruggebracht naar drie maanden. De redenen om het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid nog een jaar te verlengen naar zes maanden zijn als volgt. Ondanks dat de verwachting is dat de werkloosheid in 2016 en 2017 daalt10, is het aantal werklozen nog steeds aanzienlijk (574 duizend in maart 2016) en is het aandeel van de werkloze beroepsbevolking dat korter dan 6 maanden werkloos is de laatste jaren gedaald van 53% (2010) naar 39% (2015). Op dit moment voert het CBS een onderzoek uit naar het aantal ouders dat gebruik heeft gemaakt van de verlenging van de werkloosheidstermijn van drie naar zes maanden. De resultaten van dit onderzoek zullen tijdens de voorhangprocedure naar de Tweede Kamer worden gestuurd, naar verwachting rond eind juni. Bij bekend worden van de resultaten zal ik deze, inclusief een appreciatie, zo snel mogelijk aan u toezenden. De onderzoeksresultaten kunnen mogelijk leiden tot heroverweging van het voornemen om de termijn ook te verlengen voor 2017.

Om de onder a en b genoemde intensiveringen mogelijk te maken moeten enige grondslagen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen met ingang van 1 januari 2017 worden aangepast. Deze aanpassingen zijn opgenomen in het voorstel van wet houdende aanpassing van enige bepalingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de reparatie van enige onvolkomenheden, welk voorstel van wet op 26 mei jl. bij uw Kamer is ingediend (Kamerstuk 34 478).

c) Verhoging maximum uurprijs

Het kabinet is van mening dat de maximum uurprijzen in eerste instantie jaarlijks dienen te worden geïndexeerd met de ontwikkeling van de loonvoet en consumentenprijsindex. Jaarlijkse indexering van de maximum uurprijzen stelt kinderopvangorganisaties in staat een constante kwaliteit van kinderopvang te bieden. In 2012 kon deze indexering, ter hoogte van 2,5%, vanwege budgettaire redenen niet plaatsvinden.

Om deze uitgebleven indexering te compenseren, worden de maximaal te vergoeden uurprijzen voor de dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang met 2,5% verhoogd. Hiermee komen de maximum uurprijzen per 2017 op het niveau zoals dat geweest zou zijn indien voor het jaar 2012 wel geïndexeerd was. Tegelijkertijd gaat momenteel een substantieel deel van de kinderen naar de kinderopvang tegen een tarief dat bóven de maximum uurprijs ligt. Zoals ik naar aanleiding van de Kamervragen van Kamerlid Heerma (CDA) heb aangegeven bedroeg op 1 januari 2015 het aandeel kinderen dat naar de dagopvang ging tegen een tarief boven de maximum uurprijs 41%11. Voor de buitenschoolse opvang en de gastouderopvang lagen de tarieven voor respectievelijk 71% en 43% van de kinderen boven de maximum uurprijs. Voor het bedrag boven de maximum uurprijs krijgen ouders geen kinderopvangtoeslag. De reden waarom ouders een uurtarief boven de maximum uurprijs betalen kan zijn dat sommige ouders kiezen voor extra diensten. Daarnaast kan het ook zijn dat voor sommige ouders alleen kinderopvang in de buurt beschikbaar is tegen een tarief dat boven de maximum uurprijs ligt.

Voor een goede verhouding tussen de ontwikkeling in de kosten en de ontwikkeling van de maximum uurprijs, het beschikbare budget en vanuit de verantwoordelijkheid van de overheid voor een bestendige lijn, vind ik het passend om in 2017 – naast de inhaalindexatie van 2012 – ook de jaarlijkse indexering van de maximaal te vergoeden uurprijzen dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang uit te keren (+1,5%). Dit betekent dat in 2017 de maximum uurprijs voor de dagopvang € 7,18 bedraagt, voor de buitenschoolse opvang € 6,69 en voor de gastouderopvang € 5,75.

Het is belangrijk om te weten of betaalbaarheid van de kinderopvang een belemmerende factor vormt voor ouders met lage inkomens of dat er (ook) andere factoren een rol spelen bij het achterblijvende gebruik van kinderopvang door lagere inkomens. Daarom doet het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) op dit moment op mijn verzoek onderzoek naar de achtergronden van het (lage) gebruik van kinderopvangtoeslag onder lagere inkomens en de ontwikkeling van de uurprijzen. Hierbij wordt onderzocht welke financiële, sociale en culturele factoren het gebruik van formele kinderopvang kunnen verklaren. De uitkomsten van het onderzoek kunnen mogelijk meer inzicht geven of er knelpunten zijn in het beleid rondom de kinderopvang. De resultaten zullen voor de zomer van 2016 naar de Tweede Kamer worden gestuurd, voordat de voorhangprocedure van het concept besluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag is afgerond.

Bredere toegankelijkheid

De uitdaging om het kinderopvangstelsel toegankelijk te maken en houden, is breder dan alleen het kostenaspect. Een van de belangrijke randvoorwaarden is dat mensen de mogelijkheid hebben om hun kind naar de kinderopvang te brengen en dat er dus voldoende aanbod is. Op dit moment gaat circa 85% van de peuters al naar een voorschoolse voorziening. Tegelijkertijd gaat zo’n 15%, oftewel circa 40.000 peuters, nog niet naar een voorschoolse voorziening. Samen met gemeenten heb ik een belangrijke stap gezet in het creëren van meer aanbod in het voorschoolse domein. Met bestuurlijke afspraken streven we gezamenlijk naar een eindbeeld dat alle peuters naar een voorschoolse voorziening kúnnen gaan. Immers, kinderopvang geeft kinderen de gelegenheid om spelenderwijs te leren omgaan met leeftijdsgenoten en dat kan bijdragen aan een goede start op de basisschool.

Met de bestuurlijke afspraken nemen gemeenten en het Rijk allebei hun verantwoordelijkheid. Gemeenten zetten zich actief in om een aanbod te realiseren voor de groep peuters zonder recht op kinderopvangtoeslag die nu niet naar een voorschoolse voorziening gaat. Het Rijk stelt daarvoor structureel € 60 miljoen beschikbaar via een decentralisatie-uitkering. Het bedrag neemt geleidelijk toe vanaf € 10 miljoen in 2016 tot aan € 60 miljoen structureel in 2021. Het is aan gemeenten om dit aanbod vorm te geven. Het uitgangspunt bij de € 60 miljoen is dat ook voor deze groep een passende ouderbijdrage gaat gelden.

De bestuurlijke afspraken gaan ook over de inrichting van het stelsel van voorschoolse voorzieningen. We hebben een gezamenlijk beeld afgesproken voor de harmonisatie van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang. Die harmonisatie betekent dat voor beide voorschoolse voorzieningen dezelfde eisen gaan gelden, zowel wat betreft kwaliteit als wat betreft de financiering. Het Rijk financiert via de kinderopvangtoeslag de opvang van kinderen van werkende ouders. Dit wordt bewerkstelligd d.m.v. het wetsvoorstel Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.

De harmonisatie van peuterspeelzalen krijgt in 2018 zijn beslag. Vanaf dat moment vallen peuterspeelzalen voor kinderen van werkende ouders onder het bereik van de kinderopvangtoeslag en krijgen deze ouders dus een maximale uurprijs vergoed. Het kabinet vraagt aandacht bij gemeenten om de vergoeding in 2017 zoveel mogelijk in de pas te laten lopen met de vergoeding die vanaf 2018 zal gelden.

3. Budgettaire consequenties en inkomenseffecten

3.1 Budgettaire consequenties

De structurele budgettaire effecten van de intensiveringen per 2017 en invoering van het IKK-pakket vanaf 2018 zijn hieronder weergegeven.

Tabel 2: structurele budgettaire effecten
 

Maatregelen 2017

Maatregelen 2018 en verder

Verhoging toeslagtabel

1361

136

Verhoging maximum uurprijs met 2,5%

45

45

Een jaar verlenging van het gedurende zes maanden behouden van het recht op kinderopvangtoeslag bij werkloosheid

20

0

Kwaliteitsverhogende maatregelen

0

20

X Noot
1

Bedragen in miljoenen euro’s.

Per 2018 zullen de maximum uurprijzen van de dagopvang en buitenschoolse opvang worden aangepast als gevolg van de herijking van de kwaliteitseisen in het IKK-akkoord. De extra uitgaven aan kinderopvangtoeslag die hieruit voortvloeien, zullen worden gefinancierd doordat in 2018 de middelen voor de verlengde werkloosheidstermijn vrijvallen (zie tabel 2).

Met de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk neemt het Rijk de financiering van het peuterspeelzaalwerk voor kinderen van werkende ouders over van gemeenten. Werkende ouders kunnen straks ook voor het huidige peuterspeelzaalwerk kinderopvangtoeslag aanvragen. Voor het Rijk leidt dit vanaf 2018 tot structureel extra kosten van circa € 40 miljoen en een structurele besparing voor gemeenten van dezelfde omvang. Het ligt in de rede om hiervoor middelen over te hevelen van gemeenten naar het Rijk. Zoals eerder aangegeven is het kabinet bereid de overheveling van middelen te beperken tot het stopzetten van de decentralisatie-uitkering van € 35 mln. in het kader van de Wet Oke.12 Deze decentralisatie-uitkering komt te vervallen op de inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel.

3.2 Inkomenseffecten 2017

De intensivering van € 200 mln. in de kinderopvang geeft in 2017 een positief mediaan inkomenseffect voor ouders met kinderopvangtoeslag. Daarbij geldt wel dat er grote variatie zal zijn in het inkomenseffect tussen verschillende huishoudens. Het precieze inkomenseffect hangt onder andere samen met de hoogte van het inkomensniveau, of het huidige uurtarief boven of onder de maximum uurprijs ligt.

In tabel 3 worden voor een aantal voorbeeldhuishoudens de inkomenseffecten geschetst. Zo zal een alleenstaande ouder met een inkomen op minimumloonniveau die zijn kinderen 4 dagen naar de dagopvang brengt er in 2017 met € 279 op vooruitgaan. Paren met kinderen waarvan een ouder twee keer modaal verdient en een ouder een half keer modaal verdient en waarbij de kinderen drie dagen naar de dagopvang gaan, zullen er in 2017 met € 129 op vooruit gaan.

Tabel 3. Inkomenseffecten verhoging kinderopvangtoeslag in 2017 (verhoging tabel en indexatie maximum uurprijzen met 2,5%) voor verschillende huishoudens op basis van gemiddelde uurtarieven 1

Huishouden

Opvangsoort

Inkomenseffect (€)

Inkomenseffect (% totaal besteedbaar inkomen)

Alleenstaande ouder, minimumloon

buitenschoolse opvang

€ 545

2,0%

dagopvang

€ 279

1,0%

1 x modaal + ½ x modaal met kinderen

buitenschoolse opvang

€ 359

0,9%

dagopvang

€ 179

0,5%

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

buitenschoolse opvang

€ 275

0,5%

dagopvang

€ 129

0,2%

3 x modaal + ½ x modaal met kinderen

buitenschoolse opvang

€ 668

1,0%

dagopvang

€ 944

1,4%

X Noot
1

Er is gerekend met 4 dagen kinderopvang voor de alleenstaande ouder en 3 dagen kinderopvang voor de paren met kinderen. Er is gerekend met de gemiddelde uurtarieven. De inhaalindexatie maximum uurprijzen werkt voor 50% door in de uurtarieven.

3.3 Inkomenseffecten 2018

De aanpassing van de maximum uurprijzen in 2018 in verband met het akkoord innovatie en kwaliteit kinderopvang geeft in 2018, ten opzichte van 2017, een mediaan inkomenseffect dat beperkt negatief is voor ouders die gebruik maken van dagopvang (–0,1%), terwijl ouders die gebruik maken van buitenschoolse opvang er beperkt op vooruit gaan (+0,1%).

De intensivering van € 200 mln geldt ook voor 2018 en latere jaren. Samen met de aanpassingen van de maximum uurprijzen in 2018 leidt dit tot overwegend positieve inkomenseffecten in 2018 ten opzichte van 2016. De precieze effecten zullen variëren tussen ouders.

4. Slot

Ik ben van mening dat de bovenstaande maatregelen leiden tot een gebalanceerd en samenhangend pakket van maatregelen waarmee een belangrijke stap vooruit wordt gezet in de kwaliteit en de toegankelijkheid van de kinderopvang. Dit is in het belang van kinderen, ouders, werkenden in de sector en de maatschappij. De komende maanden worden de in deze brief genoemde voornemens vertaald naar wet- en regelgeving.

Zo ontvangt uw Kamer met verzending van deze brief separaat in het kader van de voorhangprocedure het concept besluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag met daarin de maatregelen voor 2017 (Kamerstuk 31 322, nr. 302). Op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt de voordracht voor het vaststellen van dit besluit niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers is overgelegd. Gegeven dat het onderzoek van het CBS naar de effecten van de verlenging van de werkloosheidstermijn en het onderzoek van het SCP naar het gebruik van kinderopvang onder lagere inkomens en de ontwikkeling van de uurprijzen tijdens de voorhangprocedure naar de Tweede Kamer worden gestuurd, stel ik voor om de voorhangprocedure te laten verlengen. Zo krijgen de Kamers de tijd om de resultaten van de onderzoeken mee te wegen in hun beoordeling. Dit betekent dat de voorhangprocedure van het concept besluit 15 juli wordt afgerond.

Het wetsvoorstel Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang en het wetsvoorstel Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk ontvangt uw Kamer dit najaar. Ik streef naar een publicatie van deze nieuwe wet- en regelgeving in het voorjaar van 2017 en inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2018.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

In het geval dat de prijs gelijk is aan de maximum uurprijs.

X Noot
2

Aangezien het gehele pakket aan maatregelen een doelstelling heeft die breder is dan alleen een vernieuwing van de wijze van toezicht, ben ik van mening dat de tot op heden gehanteerde benaming van dit project (Het Nieuwe Toezicht) niet langer toereikend is. Het project zal daarom vanaf nu de naam Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) dragen. Het Nieuwe Toezicht is hier een onderdeel van.

X Noot
3

Kamerstuk 31 322, nr. 300.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Kamerstuk 31 322, nr. 280.

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
7

Kamerstuk 31 322, nr. 237.

X Noot
8

Kamerstuk 31 322, nr. 221.

X Noot
9

In het geval dat de prijs gelijk is aan de maximum uurprijs.

X Noot
11

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1833.

X Noot
12

Kamerstuk 31 322, nr. 227.

Naar boven