Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-IV nr. 59

34 300 IV Vaststelling van de begrotingsstaten van Koninkrijksrelaties (IV) en het BES-fonds (H) voor het jaar 2016

Nr. 59 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 mei 2016

Op 12 oktober 2015 heeft de evaluatiecommissie Caribisch Nederland, onder voorzitterschap van mw. drs. J.W.E. Spies, het rapport uitgebracht over de uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur van Caribisch Nederland: «Vijf jaar verbonden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Europees Nederland». Het kabinet heeft het rapport met waardering ontvangen en spreekt zijn dank uit voor de intensieve en vruchtbare werkzaamheden van de commissie respectievelijk van haar leden. «Verbonden» is een goed gekozen term. Het kabinet, Europees Nederland, voelt zich verbonden met de burgers van deze drie eilanden in het Caribisch gebied. Hoe verschillend ook, wij delen naast het staatkundig verband een gemeenschappelijke historie, hebben familie- en persoonlijke banden, onderhouden samen maatschappelijke, culturele en economische betrekkingen. Op basis van het rapport van de evaluatiecommissie ziet het kabinet goede mogelijkheden om samen met de besturen en bewoners van de drie eilanden de verbondenheid verder invulling te geven.

Deze kabinetsreactie is gestoeld op de volgende, samenhangende overwegingen die verderop in deze brief in vier paragrafen worden uitgewerkt. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10 oktober 2010, heeft het land Nederland de verantwoordelijkheid op zich genomen voor een directe band met zowel Bonaire, als Sint Eustatius, als Saba. De drie eilanden kennen elk geografische en demografische beperkingen door de kleine schaal. De band met Nederland biedt de eilanden een groter verband om deze beperkingen op te vangen. Indien Bonaire, Sint Eustatius, Saba en Nederland deze verbintenis goed invullen, kunnen de drie eilanden zich maatschappelijk en economisch succesvol ontwikkelen in de Caribische regio. De drie eilanden vormen elk een eigen, unieke samenleving met elk een aparte lokale overheid. Nederland erkent dit. Daarmee wil Nederland, meer dan tot nu toe, ruimte bieden voor (wetgevende, bestuurlijke, beleidsmatige en uitvoerende) differentiatie. Dit neemt niet weg dat praktische samenwerking van elk van deze drie eilanden met andere eilanden in de Caribische regio, waaronder «bovenwinds» met St. Maarten en «benedenwinds» met Curaçao en Aruba, en ook met elkaar, dienstig blijft en door Nederland zal blijven worden bevorderd.

Dat er sinds 10-10-2010 aanzienlijke inspanningen verricht zijn met financiële en personele inzet door Nederland, wordt in de evaluatierapporten erkend1. Niettemin spreekt de evaluatiecommissie van een gemengd beeld, vooral door uiteenlopende verwachtingen en teleurstellingen in de uitvoering. Op sociaaleconomisch vlak knelt dit het meest; in paragraaf 2, impuls aan de sociaaleconomische ontwikkeling, stelt het kabinet een betekenisvolle intensivering voor. Het kabinet meent dat voor het overige adequate uitvoering van het vastgestelde beleid en optimale dienstverlening aan burgers de voorkeur geniet boven een aanhoudend debat over structuren, taakverdelingen, nieuw beleid en verruiming van financiële kaders. Minder papier; meer doen. In paragraaf 1 «institutionele bestendigheid» van deze kabinetsreactie wordt dit toegelicht. Een en ander geldt temeer nu er recent met de bestuurscolleges van elk van de eilanden Meerjarenprogramma’s zijn overeengekomen; in paragraaf 3 «betere collectieve voorzieningen» worden de punten op de i gezet.

Het uitvoeringsvermogen van de lokale overheden is door de kleinschaligheid per definitie te beperkt. Deze kabinetsreactie biedt daarom vooral een intensivering van de inzet op de uitvoering door de rijksoverheid («in natura»), waartegenover van de bestuurscolleges versterking van de eigen bestuurskracht mag worden gevergd. De Rijksvertegenwoordiger neemt nadrukkelijker zijn rol in als (bestuurlijke) voorpost namens het kabinet naar de eilanden. De kabinetsreactie bevat nadere uitwerking hiervan in paragraaf 4, goed (lokaal) openbaar bestuur, waarin verbetering van lokaal bestuur nadrukkelijk een plaats heeft.

De evaluatiecommissie heeft, zoals gezegd, de eerste vijf jaar van de nieuwe verhoudingen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen het land Nederland (onderdeel van het Koninkrijk) geëvalueerd. De evaluatiecommissie presenteerde, zoals gevraagd, geen aanbevelingen maar bevindingen. «Het is te vroeg voor een definitief oordeel. Daarvoor is vijf jaar te kort. Wij spreken de wens uit dat de resultaten van de evaluatie de basis vormen voor een impuls om de oorspronkelijke doelstellingen van de staatkundige verandering in de komende jaren dichterbij te brengen. Dat vereist», aldus de evaluatiecommissie bij monde van haar voorzitter, «dat Bonaire, Sint Eustatius, Saba en Europees Nederland in dialoog met de burgers gezamenlijke concrete maatregelen treffen die in het belang zijn van de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.»2

De bestuurscolleges van de drie openbare lichamen hebben op 1 februari jl. aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hun reactie op het rapport van de evaluatiecommissie overhandigd en toegelicht. De reacties van de openbare lichamen en de voorbereiding van de kabinetsreactie zijn door de desbetreffende gedeputeerden, de Rijksvertegenwoordiger en de voorzitter van de CN-tafel besproken. Deze aldus tot stand gekomen kabinetsreactie richt zich, in de hierboven beschreven samenhang, conform de oproep van de evaluatiecommissie vooral op concrete maatregelen, op praktische oplossingen voor reële problemen. Niet ter discussie staat dat de band met Europees Nederland bijzondere kansen biedt om welvaart en welzijn van de bevolkingen op de eilanden te bevorderen, aldus de commissie. Daarbij wordt voortgebouwd op de in juni 2015 met Bonaire en Saba, en in februari 2016 met Sint Eustatius afgesloten meerjarenprogramma’s voor 2015–2018. Deze meerjarenprogramma’s zijn op maat gemaakt in afstemming met de afzonderlijke eilanden en gericht op economische ontwikkeling, armoedebestrijding, kinderrechten en bestuurlijke ontwikkeling. Het kabinet heeft met de meerjarenprogramma’s – ook in financiële zin – een extra impuls gegeven aan de eilanden. De in deze kabinetsreactie opgenomen maatregelen zijn aanvullend op de meerjarenprogramma’s, en zullen een plaats daarin krijgen om de integraliteit te bevorderen. De inspanning dient erop gericht te zijn de komende jaren de additionele maatregelen naast de meerjarenprogramma’s tot uitvoering te brengen. De rijksoverheid en de openbare lichamen staan hiervoor gezamenlijk aan de lat.

1. Institutionele bestendigheid

Het kabinet stelt naar aanleiding van de evaluatie geen institutionele wijzigingen voor. Dit laat onverlet dat de wijziging van de Grondwet, waarvan het voorstel nu in eerste lezing bij de Eerste Kamer ligt, moet worden voortgezet om te bereiken dat de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij de eerstvolgende gelegenheid invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer. Het voorstel voorziet in een specifieke grondwettelijke basis en enkele grondwettelijke waarborgen voor openbare lichamen in het Caribisch deel van Nederland, maar legt niet vast dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba deze status zullen hebben.

Het kabinet zal na overleg met de openbare lichamen, de Rijksvertegenwoordiger en het College financieel toezicht BES, en gegeven de opvatting dat er geen aanleiding is tot fundamentele aanpassingen, voorstellen doen voor specifieke verbeteringen van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (WolBES) en de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (FinBES). Daarbij zal onder meer worden gekeken naar het passieve kiesrecht (in relatie tot onverenigbaarheid van functies), het instrumentarium van bestuurlijk en financieel toezicht (waarbij ook aandacht is voor corporate governance in relatie tot de privaatrechtelijke rechtspersonen waarin de lokale overheden deelnemen), de financiële gevolgen van departementale wetgeving en beleid (artikel 87 van de FinBES) en de vormgeving van het instrument renteloze lening.

In de Slotverklaring van november 2006 is afgesproken, dat de Nederlands-Antilliaanse wetgeving geleidelijk wordt vervangen door Nederlandse wetgeving; ook is afgesproken dat zorgvuldig zal worden geanalyseerd op welke punten van de Nederlandse wetgeving zal moeten worden afgeweken gezien onder meer de bevolkingsomvang van de drie eilanden, de grote afstand tot Europees Nederland en het insulaire karakter. De praktijk van de afgelopen vijf jaar wijst uit dat veel regelingen afwijkend zullen blijven in verband met de bijzondere omstandigheden van de openbare lichamen. Zij onderscheiden zich wezenlijk van het Europese deel van Nederland, zoals de differentiatiebepaling in het Statuut al voorzag.

Uiteraard zullen de grondrechten van de inwoners van Caribisch Nederland geborgd moeten zijn.3 Dat betekent niet automatisch dat dit in Caribisch Nederland op exact dezelfde wijze als in Europees Nederland geschiedt; juist ook in verband met genoemde bijzondere omstandigheden worden steeds op de situatie toegespitste maatregelen genomen.

Bij het treffen van (wettelijke) maatregelen zal ook in de komende jaren rekening worden gehouden met het absorptievermogen van de eilanden. Terughoudendheid is op zijn plaats. Waar ongerechtvaardigde verschillen bestaan, zullen deze worden opgeheven. De eilanden hebben tijd nodig de reeds ingevoerde wetgeving te implementeren. Met de eilanden worden afspraken gemaakt welke wetgeving wanneer wordt ingevoerd of aangepast. Daarbij zal prioriteit gegeven worden aan:

  • wetgeving die voorziet in een basisbehoefte van de eilanden dan wel knelpunten wegneemt in de uitvoeringspraktijk van de eilanden;

  • wet- en regelgeving die noodzakelijk zijn voor de maatregelen zoals beschreven in deze kabinetsreactie, en

  • het wegnemen van ongerechtvaardigde verschillen.

Daar waar sprake is van nieuwe dan wel gewijzigde wet- en regelgeving vraagt de betrokkenheid van de afzonderlijke openbare lichamen bij het opstellen daarvan bijzondere aandacht. In overleg met de openbare lichamen zal voor hen worden voorzien in onafhankelijke juridische raadgeving.

2. Impuls aan de sociaaleconomische ontwikkeling

Het kabinet wil samen met lokale partners in de komende periode een impuls geven aan de sociaaleconomische ontwikkeling van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daartoe is in de meerjarenprogramma’s die in het afgelopen jaar zijn afgesloten een stevige aanzet gegeven. Het kabinet is bereid de komende jaren in te zetten op de navolgende punten, waarbij wordt opgemerkt dat er nadrukkelijk ruimte is voor maatwerk.

  • De evaluatiecommissie stelt dat na de transitie de prijzen verder omhoog zijn gegaan en dat deze voor de transitie reeds bestaande trend is doorgezet ondanks (financiële) inspanningen vanuit Nederland (bijvoorbeeld ten aanzien van nutsvoorzieningen) om dit te voorkomen. Factoren die hierbij een rol hebben gespeeld zijn volgens de evaluatiecommissie ontwikkelingen op de wereldmarkt, de kleinschaligheid, het gebrek aan transparantie van de markt en de praktische uitwerking van de invoering van het nieuwe belastingstelsel (onder andere verbeterde handhaving). De indruk is dat met gerichte expertise concreet resultaat kan worden bereikt, bijvoorbeeld op het terrein van het verminderen van de afhankelijkheid van import, het voeren van prijsbeleid, het verbeteren van de werking van de markt, het verminderen van vrachtkosten en het veranderen van de wijze van invoeren en inkopen (door betere samenwerking en aankoop buiten Sint Maarten om, waarbij ook het vraagstuk van dubbele belasting wordt betrokken). Het kabinet is bereid om op verzoek van de openbare lichamen ondersteuning te verlenen voor vraagstukken rond mededinging en consumentenbescherming. Onder regie van de Rijksvertegenwoordiger en met bijstand van het Ministerie van EZ en andere betrokken departementen wordt in overleg met de eilanden expertise ter beschikking gesteld, bijvoorbeeld voor vraagstukken rond mededinging en consumentenbescherming. Het door de evaluatiecommissie genoemde succes op Bonaire met een coöperatie voor eerste levensbehoeften tegen een redelijke prijs, wordt hierbij betrokken. Er zijn echter beperkingen om de hoge prijzen te beïnvloeden, zoals de wereldmarktprijzen.

  • De mogelijkheden voor economische groei dienen optimaal benut te worden ten einde ook de armoedeproblematiek te verlichten. Daartoe wordt samen met eilandbesturen en bedrijfsleven per eiland bezien of en hoe de bevindingen uit het «cost of doing business» onderzoek kunnen worden uitgevoerd. De door de eilanden aangegeven knelpunten worden hierbij meegenomen, zoals de hoge transportkosten tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten, toegang tot nationale subsidies en kosten en beschikbaarheid van nutsvoorzieningen (zoals elektriciteit en telecommunicatie). Voor zover zich knelpunten voordoen in de dienstverlening door de openbare lichamen worden deze ook geadresseerd.

  • Het kabinet is bereid om te zoeken naar mogelijkheden om de hoogte van de werkgeverspremies (nu 18,4%) te verlagen4. Verlaging van de werkgeverspremies leidt tot verlaging van de «cost of doing business» en heeft daarom een positief effect op de economische ontwikkeling en/of de koopkracht. De effecten van een dergelijke maatregel op bijvoorbeeld de (lokale) werkgelegenheid en de lonen worden bij de uitwerking betrokken. Overigens zal de ontwikkeling van de premies in samenhang met de lopende discussie over verbetering van het stelsel sociale zekerheid – vooral de werknemersregelingen – worden bezien.

  • Conform de conclusies van de evaluatiecommissie wordt gezocht naar mogelijkheden om binnen het huidig fiscaal instrumentarium en zo mogelijk budgetneutraal meer en/of effectievere prikkels in te bouwen om investeringen en werkgelegenheid te stimuleren. Hierbij wordt gedacht aan premieplicht voor zelfstandigen en het afschaffen van de zogenaamde integratieheffing in de algemene bestedingsbelasting (ABB) (waardoor bouwkosten omlaag gaan). Op sociaal terrein kan worden gedacht aan het uitbreiden van de vrijstellingen in de ABB (bijvoorbeeld voor nutsvoorzieningen) en het verminderen van de belastingdruk op sociaal culturele instellingen. Het pakket aan maatregelen wordt opgenomen in een wetsvoorstel dat zo mogelijk per 1 januari 2017 in werking zal treden.

  • Het verbeteren van de economische draagkracht is tevens randvoorwaardelijk om verhoging van het wettelijk minimumloon (WML), anders dan de reguliere bijstelling op basis van de prijsontwikkeling, mogelijk te maken. Het is dan ook van belang dat partijen in een sociale dialoog – in het bijzonder op Bonaire – waar mogelijk concrete afspraken maken die daaraan bijdragen.

  • Eveneens zijn arbeidsactiverende maatregelen nodig om de kansen van de lokale bevolking op de arbeidsmarkt te vergroten. Bestaande initiatieven om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te bevorderen worden uitgebreid. Hierbij wordt in elk geval gedacht aan een bredere toepassing van het trainingsvoorschrift bij de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Werkgevers worden nadrukkelijk op hun verantwoordelijkheid aangesproken om lokale arbeidskrachten kansen te bieden. Ook wordt de bemiddeling naar werk geprofessionaliseerd. Dat is een taak van de openbare lichamen, maar het rijk biedt daarbij graag ondersteuning aan. Werk is de kortste weg uit de armoede en levert daarmee een bijdrage aan armoedebestrijding.

  • Het kabinet stelt vast dat het huidige niveau van de onderstand relatief laag is ten opzichte van het WML. Daarmee is voor deze groep de bestaanszekerheid in het geding. Het kabinet is voornemens een van het WML afgeleid sociaal minimum vast te stellen, waar de onderstand volgens een nader te bepalen tijdpad naar toe zal groeien. Bij de uitwerking wordt rekening gehouden met de prikkel tot werken.

  • De evaluatiecommissie constateert dat er onvoldoende oog is geweest voor groepen die niet door middel van arbeid in hun inkomen kunnen voorzien en waar de prikkel om te werken niet aan de orde is (door ouderdom of arbeidsongeschiktheid). De onderstand kent een toeslag voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Deze toeslag blijft bestaan. Het nabestaandenpensioen in de AWW voor een weduwe of weduwnaar die arbeidsongeschikt is wordt daarmee in overeenstemming gebracht. Naast het feit dat verhoging van de WML doorwerkt in verhoging van de AOV wil het kabinet in samenspraak met de openbare lichamen de mogelijkheden van ruimere toepassing van het eilandelijke armoede-instrumentarium en de bijzondere onderstand bezien. Per 1 januari 2016 is al de toepassing van de bijzondere onderstand verruimd (voor alle groepen), maar het kabinet heeft besloten deze voorziening in de toekomst nog verder te verruimen.

  • Voor lagere inkomensgroepen kunnen de hoogte van de kosten voor wonen problematisch zijn. Verbetering van de werking van de woningmarkt en verruiming van de beschikbaarheid (huren en nieuwbouw) moet een bijdrage leveren aan lagere kosten. De evaluatiecommissie concludeert dat zich nog grote uitdagingen voordoen op het terrein van sociale huisvesting. Er zijn, mede dankzij diverse samenwerkingsovereenkomsten met Europees Nederlandse woningcorporaties, grote stappen gezet in de professionalisering van de lokale woonstichtingen die daardoor steeds beter in staat blijken invulling te geven aan hun taak; er is in de afgelopen jaren door de rijksoverheid aanvullend bijgedragen aan investeringen in de sociale woningbouw, onder meer met subsidies voor onderhoud en nieuwbouw. In antwoord op de motie Van Laar (Kamerstuk 34 300 IV, nr. 11) zijn reeds in een eerder stadium nadere inventarisaties gemaakt van de staat van de sociale woningbouw op de diverse eilanden. Op grond daarvan zal de ondersteuning van de lokale woonstichtingen worden bestendigd; er is aandacht voor uitbreiding van het huidige woningbestand (nieuwbouw) op de eilanden. De meerjarenprogramma’s bevatten additionele afspraken voor wonen, waaronder een experiment met hypotheekgaranties, het bieden van technische bijstand in uitvoering, en het verbeteren van wet- en regelgeving.

Met bovenstaande maatregelen zet het kabinet zoveel mogelijk in op gerichte, specifieke maatregelen om de levensstandaard voor kwetsbare groepen te verbeteren. Voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid zijn diverse thema’s van belang (woningmarkt, aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt, het stelsel van sociale zekerheid). Alleen een integrale benadering van de problematiek leidt tot sociaaleconomische ontwikkeling. Het kabinet heeft hierin een verantwoordelijkheid, maar ook de eilandbesturen, bijvoorbeeld bij het beter borgen van hun armoedebeleid (met inbegrip van schuldhulpverlening) in de vorm van beleidsregels of een eilandelijke verordening.

3. Betere collectieve voorzieningen

De aanzienlijke inspanningen vanuit Nederland in Bonaire, St. Eustatius en Saba hebben tot positieve resultaten geleid. De commissie heeft geconstateerd dat in het onderwijs op deze eilanden aanzienlijke verbeteringen hebben plaatsgevonden en dat alle inwoners toegang hebben tot gezondheidszorg. Ook hebben inwoners direct en indirect voordeel bij investeringen in bijvoorbeeld infrastructuur, armoedebestrijding en natuur. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat er met de ter beschikking staande middelen betere overheidsvoorzieningen voor de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen worden gerealiseerd. Dit geldt in het bijzonder voor taken waar de primaire verantwoordelijkheid (nu) ligt bij het openbaar lichaam. Het kabinet en de eilandsbesturen, in het bijzonder omdat veel taken de primaire verantwoordelijkheid van de openbare lichamen betreffen, streven ernaar middelen met zo hoog mogelijk rendement te besteden.

Het kabinet en de eilandbesturen zetten zich hiervoor ook nadrukkelijk in samenwerking met andere eilandelijke organisaties en Europees Nederlandse instellingen voor in. Concreet worden de volgende maatregelen genomen:

  • Het Ministerie van VWS is bereid om analoog aan de prestaties op het terrein van gezondheidszorg stappen te zetten in de jeugdzorg (waaronder het Centrum voor Jeugd en Gezin te Bonaire; Bonaire geeft met de ruimte die hiermee vrijvalt binnen de vrije uitkering een impuls aan eilandelijke taken, bijvoorbeeld voor jeugd en gezondheidszorg). Het kabinet is verder bereid om via een twinning de openbare lichamen te ondersteunen bij het vormgeven van een duurzaam en toegankelijk systeem van kinderopvang.

  • OCW zal samen met de schoolbesturen, schoolleiders en openbare lichamen afspraken maken voor de periode 2016–2020 voor de verdere verbeteringen van het onderwijs op de eilanden. De evaluatiecommissie heeft geconstateerd dat de Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland (2011–2016) een succesvolle benadering lijkt te zijn. De verwachting is dat deze nieuwe onderwijsagenda in het najaar zal kunnen worden vastgesteld.

  • Met het lopende huisvestingsprogramma werken OCW en de eilanden in gezamenlijkheid de achterstanden in de onderwijshuisvesting weg. Nu het huisvestingsprogramma vordert is het zaak te voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan. De eilanden dragen de verantwoordelijkheid voor onderhoud en vervanging, waarvoor middelen aan de vrije uitkering zijn toegevoegd. Om een nieuwe achterstand en kapitaalvernietiging te voorkomen zullen met de eilanden nadere afspraken worden gemaakt.

  • Op alle drie eilanden is het onderhoud van de fysieke infrastructuur een belangrijk punt van zorg. In de meerjarenprogramma’s zijn additionele middelen voor investeringen in infrastructuur opgenomen. Het Ministerie van I&M zal de eilanden met kennis en kunde ondersteunen bij het onderhouden van de aanlegde infrastructuur om nieuwe achterstanden te voorkomen. Het Ministerie van I&M investeert in milieu. Op Bonaire wordt in 2016 een conferentie duurzame leefomgeving georganiseerd, met als doel om gezamenlijk uitvoeringsprogramma’s vast te stellen op thema’s zoals afval en bedrijven. Hierbij zal ook nadrukkelijk aandacht zijn voor de uitvoering, bestuurskracht en integraliteit bij leefomgevingthema’s.

  • Het rapport van Ideeversa over de zogenoemde vrije uitkering5 signaleert dat de openbare lichamen binnen hun begrotingen onvoldoende reserveren voor onderhoud en vervanging van investeringen, ook daar waar volgens het rapport voldoende beschikbare budgetten ter beschikking zijn gesteld zoals voor onderwijshuisvesting, en daar waar de rijksoverheid met a fonds perdu investeringen heeft bijgedragen aan inhalen van achterstanden, zoals bij infrastructuur. Het kabinet zal het College financieel toezicht BES verzoeken in hun beoordelingen en advisering over de begrotingen daar expliciet aandacht aan te geven.

4. Goed (lokaal) openbaar bestuur

Het kabinet houdt in lijn met de conclusie van de evaluatiecommissie in het vizier dat de verwerking van de transitie nog in volle gang is en de uitvoering van soms recent ingezet beleid nog niet is voltooid. De inwoners van Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn gebaat bij goed functionerend openbaar bestuur en bijpassende dienstverlening, zowel op het niveau van lokaal bestuur als ook waar het de rijksoverheid betreft. Het Ministerie van BZK zal in samenwerking met andere ministeries, gemeenten en andere organisaties in Europees Nederland capaciteit ter beschikking stellen ter ondersteuning van de eilandelijke ambtelijke organisatie. Bijzondere aandacht zal worden gegeven aan de structurele kwetsbaarheden bij de afdelingen burgerzaken.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de onzes inziens noodzakelijke en ook door bestuurscolleges aangegeven gewenste ondersteuning in het verbeteren van het eilandelijke bestuur in termen van organisatie, capaciteit en professionaliteit. De evaluatiecommissie legt immers ook een duidelijke opdracht neer bij de eilandbesturen. De schaal van de eilanden, de beperkte capaciteit en de sociaaleconomische problemen verklaren een deel van de geringe bestuurskracht, maar de vorderingen op het kleinste eiland Saba laten zien dat vooruitgang wel degelijk mogelijk is.

De evaluatiecommissie wijst op een «versnipperde en soms tegenstrijdige aanpak aan Nederlandse zijde». De afgelopen twee jaar is vooral op basis van de adviezen van de commissie Thunissen/Van Gastel/Johnson6 de governance verbeterd. Deze ingeslagen weg ware consequent vol te houden. In de beleidsvorming ligt de regie inmiddels bij de interdepartementale CN-tafel (onder voorzitterschap van de secretaris-generaal van het Ministerie van BZK), waar ook de Rijksvertegenwoordiger (bijgestaan door de directeur RCN) deel van uit maakt. De voorbereiding en actualisatie van de meerjarenprogramma’s, hun voortgang en de samenhang van onderliggende programma’s worden aan de CN-tafel besproken en afgestemd. Aan deze CN-tafel wordt ook de samenwerking tussen en met de verschillende sectoren in het Haagse en op de eilanden bewaakt, zonder te treden in zelfstandige bevoegdheden en operationele aansturing (van de rechtsketen (OM, politie, brandweer), inspecties en toezicht). De Rijksvertegenwoordiger neemt nadrukkelijker zijn rol in als bestuurlijke voorpost namens het kabinet naar de openbare lichamen. Hij ziet toe op de (bestuurlijke) implementatie van de meerjarenprogramma’s en de afstemming van de uitvoering. Hij bevordert de samenwerking tussen de rijksambtenaren in Caribisch Nederland onderling en van hen met de openbare lichamen. De op de eilanden werkzame departementale beleidsmedewerkers en liaisons staan hem hierbij terzijde, naar analogie van de werkwijze op bijvoorbeeld de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de EU. Ter versterking van de betrokkenheid van de openbare lichamen bij de beleidsvorming en ter bespreking van de voortgang van de uitvoering zal twee keer per jaar een bilateraal overleg worden georganiseerd tussen de voorzitter van de CN-tafel, de Rijksvertegenwoordiger en het bestuurscollege van elk van de openbare lichamen.

Tot slot

Het kabinet is het eens met de constatering van de evaluatiecommissie dat tegenvallende belevingen ook te maken hebben met de grote verschillen in taal, cultuur en bestuur tussen Europees Nederland en de eilanden. De overheden, inclusief de rijksoverheid, moeten zich inspannen de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te informeren over de beschikbare overheidsvoorzieningen, maar ook over de rechten en plichten als burgers.

Onderdeel van Nederland zijn betekent ook dat bedrijven en maatschappelijke instellingen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschouwen als onderdeel van Nederland. Het kabinet zal zich daarom inspannen om de rijksoverheid in brede zin, gemeenten, VNG, scholen, woningcorporaties, banken, nutsbedrijven en het bedrijfsleven te betrekken bij het optimaliseren van de mogelijkheden die de rechtstreekse band van de eilanden met Nederland biedt.

Het kabinet heeft waardering voor de rol en inspanningen van de Hoge Colleges van Staat. In het bijzonder de Nationale ombudsman en de Algemene Rekenkamer dragen bij aan de ontwikkeling van de openbare lichamen. In het kader van goed openbaar bestuur zullen initiatieven van de Hoge Colleges van Staat worden ondersteund. Het kabinet spreekt ook zijn waardering uit voor het College financieel toezicht BES die een onmisbare partner is voor de openbare lichamen en de rijksoverheid als het gaat om de eilandelijke financiën en het financieel beheer.

Tenslotte: de afgelopen jaren zijn verschillende moties en toezeggingen van verschillende departementen gekoppeld aan de kabinetsreactie op het evaluatierapport. In bijlage 17 treft u de moties en toezeggingen aan die zijn meegenomen bij deze kabinetsreactie en daarmee zijn voldaan. In een volgende bijlage treft u de antwoorden aan op een aantal feitelijke vragen die de vaste commissie Koninkrijksrelaties heeft gesteld aan de evaluatiecommissie (Kamerstuk 34 300 IV, nr. 60). De evaluatiecommissie is evenwel na het uitbrengen van het rapport opgeheven. Aangezien het veelal gaat om feitelijke vragen, heb ik, samen met mijn collega’s van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uw vragen beantwoord.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Het kabinet wijst in dit verband op een bijlage bij het evaluatierapport («Vijf jaar Caribisch Nederland: werking van de nieuwe bestuurlijke structuur»), waaruit bijvoorbeeld uit tabel 7.3 blijkt welke financiële inspanningen het kabinet, in het bijzonder bij gezondheidszorg, heeft geleverd. (Zie bijlage bij Kamerstuk 34 300 IV, nr. 23)

X Noot
2

Persconferentie van commissievoorzitter Spies op 12 oktober 2015, naar aanleiding van het aanbieden van het evaluatierapport.

X Noot
3

Kamerstuk 33 826, nr. 1 en bijlage (Nationaal Actieplan mensenrechten).

X Noot
4

Een aanpassing van de zorgpremie voor werkgevers heeft geen gevolgen voor de zorguitgaven van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

X Noot
5

Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 maart 2015 (Kamerstuk 34 000 H-5)

X Noot
6

Kabinetsreactie op rapport Van Gastel c.s. van 21 maart 2014 (Kamerstuk 33 750 IV, nr. 35).

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl