29 818 Bepalingen over de medezeggenschap van werknemers (Wet medezeggenschap werknemers)

Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2016

In deze brief ga ik in op een aantal toezeggingen en een motie. Alle op het terrein van de medezeggenschap.

Toezegging opties versterking OR uit Commissiebrief en motie

In het algemeen overleg over medezeggenschap van 24 september 2015 (Kamerstuk 29 818, nr. 40) heb ik de Kamer toegezegd te willen reageren op door verschillende fracties, bij brief van 14 oktober 2015 van de Vaste Kamercommissie voor SZW, ingebrachte opties die de positie van de ondernemingsraad (OR) zouden kunnen versterken. In mijn brief d.d. 1 februari jl. ben ik reeds ingegaan op de opties over de OR in relatie tot de cao-vorming1. Over de overige opties zegde ik toe u te zullen informeren bij separate brief: hieronder ga ik op deze punten in.

In de brief van de Vaste Kamercommissie wordt gesignaleerd dat mensen met een uitzendcontract 24 maanden binnen een onderneming moeten werken om geaccepteerd te worden als werkzaam persoon. Vanwege de daarnaast geldende termijnen voor passief en actief kiesrecht voor de OR zouden veelal (jonge) flexwerkers hun stem niet kunnen laten horen. De positie van de OR zou verstevigd worden door deze termijnen te reduceren.

Een reductie van de huidige termijnen in de WOR is één van de mogelijke manieren om deze flexwerkers meer medezeggenschapsrechten te geven. Op basis van de huidige wetgeving is het overigens ook reeds mogelijk om dit te realiseren, namelijk door aanpassing van het OR-reglement: de huidige termijnen voor passief en actief kiesrecht kunnen dan in overleg worden teruggebracht. Voordelen van het reduceren van de wettelijke termijnen zijn dat er «harde» rechten ontstaan voor deze flexwerkers, dat er een impuls van uit kan gaan om de belangen van flexwerkers nadrukkelijk te betrekken en dat jongeren meer dan nu hun stem kunnen laten horen. Nadeel is dat het afdwingen van betrokkenheid middels wetgeving in de praktijk van de medezeggenschap ook kan leiden tot «verplichte nummers». Goede medezeggenschap laat zich immers niet afdwingen en moet in de praktijk zelf vormgegeven worden. Ik wil niettemin graag nader bezien op welke manier een reductie van termijnen het beste vorm kan krijgen.

Een eventuele reductie van de wettelijke termijnen voor uitzendkrachten betekent niet dat daarmee de medezeggenschap van flexwerkers is geborgd en de discussie daarover is afgerond.

In dit verband merk ik op dat de Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM) van de SER zich het afgelopen jaar intensief bezig heeft gehouden met de vraag hoe op een goede manier flexwerkers bij medezeggenschap te betrekken. Daarbij heeft de CBM niet alleen de uitzendkrachten voor ogen maar ook werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst, oproepkrachten, payrollers, zzp’ers, enz. Kortom de werkenden zonder vaste arbeidsovereenkomst of aanstelling.

In de «Visie op het thema flexwerkers en medezeggenschap»2 van de CBM worden verschillende mogelijkheden besproken om deze diverse groepen flexwerkers te betrekken. De CBM beschrijft daarin verschillende niveaus van het betrekken van flexwerkers. Op het eerste niveau is de OR zich bewust van belangen van de groep werkenden zonder vaste arbeidsovereenkomst of aanstelling. Op het tweede niveau betrekt de OR zelf deze flexwerkers, laat hen actief meepraten. Op het derde en hoogste niveau van betrokkenheid nemen deze werkenden deel in de OR/COR/GOR en/of onderdeelcommissie via bijvoorbeeld een geoormerkte zetel, het hebben van stemrecht of nemen zij zelf zitting in de OR. De OR is er voor alle in de organisatie werkzame personen en zij heeft op grond van de WOR verschillende mogelijkheden om de belangen van flexwerkers te behartigen.

De CBM heeft op haar website een helder overzicht opgenomen van deze bevoegdheden (notitie «WOR en flexwerkers3 en medezeggenschap» december 2015). De OR kan haar bevoegdheden inzetten om mee te denken over de flex-strategie van een organisatie, maar ook om rekening te houden met de belangen van flexwerkers of om hen actief te betrekken bij of in de medezeggenschap. De notitie van de CBM bevat een helder schema waarin het gereedschap is weergegeven dat de WOR aan de OR biedt met verwijzing naar de betreffende wetsartikelen. Op de website van de SER/CBM komt een aparte pagina over flexwerkers en medezeggenschap. Nu is behalve bovengenoemde notities op deze website al de nodige informatie te vinden over dit onderwerp dat centraal stond tijdens het SER-symposium «Iedereen betrokken: flexwerkers en medezeggenschap».

Met bovenstaande reactie geef ik tevens invulling aan de motie van de leden Voortman en Tanamal4 die de regering vraagt te onderzoeken hoe de inspraak van flexwerkers vergroot kan worden en hierover de Kamer voor 1 juli 2016 te informeren.

In de brief van de Vaste Kamercommissie wordt tevens gesteld dat OR-leden recht hebben op scholing, maar dat dit desondanks niet optimaal wordt benut. Met de Vaste Commissie ben ik van mening dat OR-leden die goed zijn toegerust op hun OR-taken weerbaarder en effectiever zijn. De wetswijziging uit 2013 heeft de wijze van financiering van de scholing aangepast: het recht op scholing is echter ongewijzigd gebleven. De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de betaling van scholing en opleiding is bij de wetswijziging zelfs benadrukt. Zoals ik in eerder overleg met de Kamer heb besproken, krijgt het nieuwe systeem enige tijd zodat het «ingeburgerd» kan raken. Daarnaast heb ik de Kamer toegezegd dat ik het onderzoek dat de SER dit jaar laat uitvoeren naar de stand van zaken met betrekking tot scholing en vorming binnen het nieuwe systeem dit najaar aan de Tweede Kamer zal doen toekomen. Ik hecht eraan de resultaten van dit onafhankelijke onderzoek en de reflecties van de SER op de uitkomsten daarvan af te wachten.

De brief van de Vaste Kamercommissie bevat enkele suggesties ter uitbreiding van het instemmingsrecht over arbeidsvoorwaardelijke aspecten van een pensioenregeling. Hiervoor verwijs ik naar de Wet van 22 juni 2016 tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen5. Deze wet, die gebaseerd is op een SER-advies terzake, verduidelijkt onder meer dat de OR instemmingsrecht heeft over de arbeidsvoorwaardelijke aspecten van de pensioenregeling, ongeacht of de pensioenuitvoerder een pensioenfonds is, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling. Daarmee wordt een lacune in het huidige instemmingsrecht gedicht.

Voor wat betreft de in de brief van de Vaste Kamercommissie naar voren gebrachte opties ter versterking van de OR met betrekking tot topbeloningen verwijs ik graag naar het recent bij de Kamer ingediende wetsvoorstel (Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders, Kamerstuk 34 494). Dit wetsvoorstel beoogt invoering van de verplichting tot een jaarlijks gesprek tussen de bestuurder en de OR over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen, inclusief die van het bestuur, binnen bedrijven met honderd werknemers of meer.

Toezegging initiatiefnota van de leden Nijboer en Groot

In de reactie op de initiatiefnota «Private equity: einde aan de excessen» van de leden Nijboer en Groot kondigt het kabinet nader onderzoek aan ten aanzien van de twee voorstellen van de initiatiefnemers die betrekking hebben op het versterken van de bevoegdheden van de OR bij overnames6. In het notaoverleg van 21 maart jongstleden heeft Minister Dijsselbloem toegezegd7 dat bij dit nader onderzoek een motie van de leden Groot en Tanamal8 zal worden meegenomen en dat de resultaten voor de zomer aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Dit nader onderzoek is echter nog niet afgerond en de uitkomsten zullen pas na de zomer naar de Tweede Kamer kunnen worden gestuurd.

Toezegging nalevingsonderzoek WOR

In mijn brief van 3 maart 2016 (2016D09176) heb ik toegezegd u voor de zomer nader te berichten omtrent de uitvoering van het werknemersdeel van het nalevingsonderzoek WOR. Zoals ik u heb bericht in mijn brief heb ik laten bezien hoe het nieuwe werknemersdeel van het nalevingsonderzoek WOR op methodologisch verantwoorde wijze alsnog kan worden uitgevoerd. Uitkomst daarvan is dat is afgezien van een gecombineerd onderzoek en dat is gekozen voor 2 afzonderlijke onderzoeken; een onderzoek onder werkgevers en een apart onderzoek onder werknemers. De aanbesteding van de beide onderzoeken is in gang gezet.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Naar boven