Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532824 nr. 105

32 824 Integratiebeleid

Nr. 105 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 september 2015

Tijdens het AO Inburgering van 22 januari jl. (Kamerstuk 32 824, nr. 89) is een aantal toezeggingen gedaan. Aan een aantal daarvan heb ik voldaan per brief van 30 maart jl. (Kamerstuk 32 824, nr. 90). Met deze brief voldoe ik aan de resterende toezeggingen.

Voorbeeld- en oefenexamens

In de komende periode worden twee voorbeeld- en twee oefenexamens voor elk van de examenonderdelen lezen, luisteren, schrijven, spreken en Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) ontwikkeld en geplaatst op de site van DUO. De voorbeeldexamens voldoen aan dezelfde eisen als de examens die officieel worden afgenomen en zijn dus een goede meetlat om te bezien of iemand al voldoende voorbereid is om het examen te kunnen halen en op welke aspecten iemand eventueel nog nadere voorbereiding dient te treffen. Dit geldt ook voor de oefenexamens. Het verschil is dat voorbeeldexamens gepretest zijn en daarom een uitslag geven, gelijk aan het examen. Een oefenexamen is niet gepretest, dus kan er geen cijfer worden berekend. Er kan wel een uitspraak worden gedaan over hoe groot de kans is dat een kandidaat slaagt voor het echte examen (bijvoorbeeld in termen van: weinig kans, gerede kans, grote kans). Overigens kan uiteraard alleen een uitspraak gedaan worden over de onderdelen die door een computer automatisch worden nagekeken. Dat geldt voor de onderdelen Lezen, Luisteren en KNM.

Resultaten onderzoek examenonderdeel leesvaardigheid

De slagingspercentages van het examenonderdeel leesvaardigheid zijn lager dan die van de andere examenonderdelen. Om te bezien of daar specifieke redenen aan ten grondslag liggen is een onderzoek uitgevoerd.

Het onderzoek heeft uitgewezen dat het examenonderdeel voldoet aan de eisen van het Raamwerk NT2 van het Europese referentiekader. Er was wel sprake van moeilijke en minder moeilijke opgaven. Door die verhouding in het examen enigszins aan te passen wordt de onevenredigheid met de andere examen-onderdelen naar verwachting verminderd.

Overgangsrecht examens

In het Algemeen Overleg van 22 januari jl. is toegezegd dat over een aantal onderwerpen overleg zal worden gevoerd met de beroepsvereniging van docenten NT2 (BVNT2) en dat de resultaten van dit overleg aan de Tweede Kamer worden teruggekoppeld. Daarbij gaat het ondermeer om de geldigheid van een aantal onderdelen van het oude inburgeringsexamen.

Zoals bekend is een tweetal onderdelen van het oude inburgeringsexamen, het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentrale Praktijk Examen (PE) met de wijziging van de Wet inburgering per 1-1-2013 vervangen door de examens luister-, lees-, en schrijfvaardigheid. Bij de wetswijziging is een overgangstermijn van 2 jaar aangehouden. Dat betekent dat alle inburgeraars in 2013 en 2014 de keuze hadden om de oude of de nieuwe examens af te leggen. Met ingang van 1 januari 2015 is deze overgangstermijn verlopen en kunnen het EPE en het PE niet meer worden afgelegd. Indien deze beide onderdelen zijn behaald blijven deze examens ook na 1 januari 2015 geldig en zijn dus als het ware vrijstellend voor de onderdelen luister-, lees- en schrijfvaardigheid. In de situatie dat men alleen voor het EPE of het PE is geslaagd kan geen vrijstelling voor een of meerdere van de nieuwe examenonderdelen worden verkregen, omdat deze inhoudelijk niet vergelijkbaar en uitwisselbaar zijn. Over dit overgangsrecht en de overgangstermijn heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) inburgeraars, opleidingsinstellingen en gemeenten uitgebreid geïnformeerd via de website en nieuwsbrieven en zijn de betreffende examenkandidaten ook individueel tijdig per brief op de hoogte gesteld. Ik zie dan ook geen reden om meer vrijstellingen voor het nieuwe inburgeringsexamen te benoemen dan thans al het geval is.

Ontheffing inburgeringsplicht

Een ander punt dat door de BV NT2 onder mijn aandacht is gebracht betreft de criteria die gehanteerd worden bij een ontheffing van de inburgeringsplicht. In de volgende gevallen kan DUO nu een ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen verlenen:

  • 1. Betrokkene heeft minimaal 600 uur deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het «Blik op Werk» keurmerk en minimaal 4 keer deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen; of

  • 2. Betrokkene heeft minimaal 600 uur deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een instelling met het «Blik op Werk» keurmerk en uit een door DUO afgenomen toets blijkt dat betrokkene niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen. Deze criteria zijn in 2013 vastgelegd in de Regeling inburgering.

De BVNT2 vindt het onbillijk dat inburgeraars die eerst moeten alfabetiseren de uren van de alfabetiseringscursus en de inburgeringscursus niet bij elkaar kunnen tellen voor een ontheffingsaanvraag. Het verzoek is om de regels op dit punt aan te passen. Vooralsnog kom ik niet aan dit verzoek tegemoet. Met de toepassing van deze criteria is voor inburgering namelijk nog geen ervaring opgedaan, aangezien de eerste aanvragen voor een ontheffing pas een half jaar voor het einde van de inburgeringstermijn kunnen worden ingediend. Bovendien ben ik van mening dat een versoepeling van de regelgeving op dit punt niet in het belang van de inburgeraar is. Doel van de inburgering is het bevorderen van zelfredzaamheid in de Nederlandse samenleving. Ik wil zoveel mogelijk voorkomen dat iemand na een x-aantal uren bewust stopt met een cursus, terwijl hij/zij bij een cursus van meer uren wel het inburgeringsdiploma zou kunnen hebben behaald.

De BVNT2 vindt het ook onjuist dat bij een aanvraag tot een ontheffing van de inburgeringsplicht alleen de uren tellen die gevolgd zijn bij een instelling met het «Blik op Werk» (BOW) keurmerk. De beperking tot instellingen met het BOW keurmerk is echter een bewuste keuze. Het keurmerk staat voor kwaliteit. Zo zijn ook het verkrijgen van een lening bij DUO en het recht op een kinderopvangtoeslag gekoppeld aan het volgen van een cursus bij een instelling met het BOW keurmerk. Het moment van de start van de cursus is daarbij bepalend. Indien de instelling in een later stadium niet meer over het keurmerk beschikt kunnen ook deze uren worden meegeteld. De regelgeving zal op dit punt dan ook niet worden aangepast.

Voortgang inburgering

Conform toezegging zou ik u na het zomerreces een update geven van de voortgang van de inburgering, met name van het aantal afgelegde examens en het aantal afgesloten leningen. In onderstaande tabel is de stand van zaken per 1 augustus weergegeven van nieuwkomers die in 2013 en 2014 een kennisgeving inburgeringsplicht van DUO hebben gekregen.

Voortgang inburgering per 1-8-2015

Nieuwkomers 2013

 

Nieuwkomers 2014

 

Totaal inburgeringsplichtigen

10.264

100%

18.725

100%

Lening afgesloten bij DUO

5.865

57%

9.758

52%

Deelname inburgeringsexamen (incl.NT2)

2.825

28%

1.271

7%

Geslaagd inburgeringsexamen (incl. NT2)

1.596

16%

795

4%

Bij deze resultaten moet worden bedacht dat met de aanpassing van de Wet Inburgering per 1 januari 2013 inburgeraars zelf verantwoordelijk zijn voor het uitstippelen van hun inburgeringstraject. Zij hebben drie jaar de tijd om examen te doen en hiervoor te slagen. Nieuwkomers uit 2013 hebben gemiddeld genomen dus nog één jaar de tijd om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Op basis van het aantal afgesloten leningen en andere informatie uit het informatiesysteem inburgering en extern onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de inburgeraars wel actief bezig is met een cursus. Inburgeraars die nog niet aan hun plicht hebben voldaan krijgen een half jaar voor het verstrijken van de inburgeringstermijn nogmaals een reminder van DUO, waarin onder meer wordt aangegeven dat er sancties verbonden kunnen worden aan het overschrijden van de inburgeringstermijn.

Monitor Wet inburgering in het buitenland

Sinds de invoering van de Wet inburgering in het buitenland op 15 maart 2006 worden er monitors opgesteld. De monitorrapportage biedt inzicht in het uitvoeringsproces van de Wet inburgering in het buitenland. In bijgaande monitor1 wordt gerapporteerd over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2014. Deze periode wijkt af van de halfjaarlijkse monitors. Hiervoor is gekozen vanwege de implementatie van het basisexamen inburgering via de computer in plaats van de telefoon per 1 november 2014. Het slagingspercentage bij de eerste examenpoging is in 2014 het hetzelfde gebleven als in 2013 (79%). Ook anderszins hebben zich in 2014 geen bijzondere ontwikkelingen voorgedaan ten opzichte van het voorgaande jaar.

De eerste maanden van 2015 laten een redelijk forse daling van het slagingspercentage zien. Dit kan met name worden toegeschreven aan de mindere scores op het nieuwe onderdeel spreekvaardigheid. Ik vind het nog te vroeg om hier nu al conclusies aan te verbinden. In de volgende monitor, die de periode van 1 november 2014 tot en met 30 juni 2015 beslaat, zal hier uitgebreid op in worden gegaan. Deze monitor zal in het najaar aan de Kamer worden verzonden.

Uitspraak Europese hof

Het Europese Hof van Justitie heeft op 9 juli jl. uitspraak gedaan over de verenigbaarheid van het vereiste van slagen voor het basisexamen inburgering in het buitenland en de richtlijn gezinshereniging naar aanleiding van prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State. Het Hof is van mening dat lidstaten mogen eisen dat gezinsmigranten met goed gevolg een inburgeringsexamen afleggen, maar het Hof vindt dat het Nederlandse stelsel onvoldoende rekening houdt met de individuele omstandigheden van de kandidaat en vindt de kosten die gemoeid zijn met het examen te hoog.

Op dit moment beraadt het Kabinet zich op de consequenties van de uitspraak van het Hof.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl