Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135570-XV nr. 2

Tweede Kamer der Staten-Generaal

35 570 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021

Ontvangen 15 september 2020

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Vergaderjaar 2020–2021

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 52.493.974.000,-

Figuur 2 Geraamde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 1.837.107.000,-

Figuur 3 Geraamde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 66.590.374.000,-

Figuur 4 Geraamde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 309.423.000,-

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid W. Koolmees

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. Leeswijzer

Opbouw begroting

De begroting van SZW is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 5 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 6 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid vallen en zijn enkele ingevolge de RBV verplichte tabellen opgenomen en toegelicht.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2021 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zeven van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2021 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2021 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat drie niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven en de middelen die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

Departementspecifieke informatie

Voor de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten» zijn geen RBV-modellen voorgeschreven. De horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is op de RBV gebaseerd, hoewel voor deze bijlage geen model is voorgeschreven.

Bijlagen

De begroting van SZW bevat zes bijlagen. De eerste vijf van deze bijlagen zijn op basis van de RBV verplicht. Deze bijlagen betreffen de bijlage Rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen, het Verdiepingshoofdstuk, de bijlage Moties en toezeggingen, het Subsidieoverzicht en het Overzicht evaluaties en overig onderzoek. De lijst van afkortingen is niet verplicht.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid) en in de verdiepingsbijlage wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De analyse in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid komt inhoudelijk in belangrijke mate overeen met de in de RBV voor de beleidsagenda voorgeschreven overzichtstabel van belangrijke beleidsmutaties. Laatstgenoemde tabel is daarom niet in de begroting 2021 van SZW opgenomen.

Groeiparagraaf

Bij de begrotingsbehandeling 2020 heeft de Tweede Kamer gevraagd of er betekenisvolle additionele informatie over misbruik, fraude en handhaving aan de begroting toegevoegd kan worden in aanvulling op de reeds opgenomen overkoepelende kerncijfers op het gebied van preventie, opsporing en sanctionering. Voor de beantwoording van deze vraag is gekeken naar het totaal van periodieke informatie dat aan de Tweede Kamer wordt gestuurd over misbruik en fraude in de sociale zekerheid. Naast de begroting en het jaarverslag ontvangt de Kamer op verschillende momenten in het jaar informatie over handhaving. Zo zijn er de Signaleringsbrief, de Stand van de Uitvoering en de verantwoordingsstukken van UWV en SVB. Daarnaast informeert het kabinet de Kamer tussentijds indien daar aanleiding toe is. Er is geen sprake van een tekort aan informatie, maar veeleer aan een te weinig gerichte informatiestroom. UWV en SVB werken daarom toe naar een meerjarige handhavingsplanning die meer inzicht geeft in de structurele, meerjarige aanpak van fraude en misbruik door UWV en SVB. In een Meerjarenplan moet de ambitie en visie op de aanpak van fraude langjarig en transparant worden vastgesteld. Ook wordt daarbij nagedacht of er meer overkoepelende informatie over misbruik, fraude en handhaving kan worden opgenomen.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet is in artikel 3.2 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de Comptabiliteitswet niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. macrobudgetbudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 7 (kinderopvang), 9 (Anw), 10 (tegemoetkoming ouders) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft aanbevolen dat Nederland in 2020 en 2021 actie onderneemt om de effecten op de werkgelegenheid en de sociale effecten van de crisis te beperken en adequate sociale bescherming van zelfstandigen te stimuleren (aanbeveling 2). In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de deze aanbeveling.

Duurzame Ontwikkelingsdoelen

Het kabinet heeft zich verbonden aan het behalen van de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in 2030. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking coördineert de Nederlandse inzet op de SDG’s. In deze begroting is het daarvoor noodzakelijke beleid opgenomen voor wat betreft het domein van SZW. Het gaat met name om de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding, gendergelijkheid, goede banen en het verminderen van ongelijkheid.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

De afgelopen regeerperiode heeft het kabinet belangrijke stappen gezet om de werking van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid te verbeteren. Met de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans op 1 januari 2020 is het aantrekkelijker geworden voor werkgevers om vaste contracten aan te bieden. Om werken en zorgen beter te kunnen combineren, is het tweede gedeelte van de Wet Invoering Extra Geboorteverlof per 1 juli 2020 ingegaan, waardoor partners van moeders vijf weken extra betaald verlof krijgen in de eerste zes levensmaanden van het kind. De afspraken uit het pensioenakkoord van 2019 zijn verder uitgewerkt en zullen de komende tijd tot wet- en regelgeving leiden waarmee we tot een modern en transparant pensioenstelsel komen. Daarnaast kunnen gemeenten vanaf 1 januari 2021 beginnende schulden bij mensen eerder signaleren, een belangrijke maatregel uit de Brede Schuldenaanpak. Met de aanpak Breed Offensief zorgen we ervoor dat het voor werkgevers eenvoudiger wordt om mensen met een beperking in dienst te nemen. Dankzij de vereenvoudiging van de Wajong gaat werken meer lonen voor mensen met een Wajong-uitkering. Om de kans op het vinden van een nieuwe baan te vergroten, biedt UWV dienstverlening op maat aan werkzoekenden met een WW-, Wajong of WGA-uitkering. Al met al hebben we uiteenlopende maatregelen genomen die bijdragen aan een sterke, goed functionerende arbeidsmarkt, met kansen voor iedereen.

Het is goed dat we hebben gewerkt aan deze stapsgewijze hervormingen voordat de coronacrisis uitbrak. We stonden er relatief gunstig voor, en dat blijkt ook uit de cijfers. De werkloosheid lag in februari 2020 met 2,9% op een historisch laag niveau, de koopkracht trok aan en de staatsschuld was relatief laag. Maar toen het coronavirus ons land binnen kwam, werd al snel duidelijk dat het virus niet alleen tot een gezondheidscrisis, maar ook tot een economische crisis zou leiden. Om banen en inkomens zo veel mogelijk te behouden, heeft het kabinet snel en fors ingegrepen. Ruim 3 miljoen werkenden zijn in de eerste maanden door de overheid ondersteund via de Noodmaatregel ter Overbrugging van Werkgelegenheid (NOW) en de Tijdelijke ondersteuningsmaatregel voor zelfstandig ondernemers (Tozo). Met grote inzet van UWV en gemeenten zijn er twee noodpakketten ontworpen en uitgevoerd, zodat zoveel mogelijk werk behouden kon blijven en om inkomensondersteuning te bieden aan mensen die hun inkomen door de crisis plotsklaps zagen wegvallen.

De verwachting is dat we komend jaar te maken zullen hebben met een veranderende economie: gedeeltelijk herstel en een oplopende werkloosheid. Het CPB verwacht dat de economie in 2021 groeit met 3,5%, na een verwachte krimp van 5% in 2020. Het werkloosheidspercentage loopt in de raming van het CPB in 2021 verder op naar 5,9% van de beroepsbevolking. De verslechterende arbeidsmarkt kan een grote impact hebben op de financiële situatie van huishoudens, hoewel dat slecht gereflecteerd wordt in de koopkrachtramingen. Koopkracht geeft namelijk de inkomensontwikkeling weer voor een gemiddeld huishouden voor wie de (arbeidsmarkt)situatie niet verandert. De belangrijkste voorspeller van koopkrachtbehoud in 2021 is het behoud, of opnieuw vinden, van werk. Naar verwachting zullen vooral mensen die al kwetsbaar waren, doordat zij een beperking hebben, laagopgeleid zijn of een migratie-achtergrond hebben extra getroffen worden door de crisis. Ook bij mensen die al vóór de crisis veel flexibel werk verrichtten of schulden hadden, kunnen de problemen zich opstapelen.

Voor het kabinet betekent dit dat we het komend jaar de economie blijven ondersteunen en tegelijkertijd mensen helpen om zich aan te passen aan de economische gevolgen van het coronavirus. Zo verlengt het kabinet de steunmaatregelen zoals de NOW en de Tozo, zodat werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden blijft en bedrijven verder kunnen. Tegelijkertijd kan het kabinet niet altijd voorkomen dat mensen ontslagen worden en dat bedrijven failliet gaan. Daarom heeft het kabinet besloten tot een aanvullend sociaal pakket van circa € 1,4 miljard. Onderdelen van dit pakket zijn een goede begeleiding van werk(loosheid) naar werk, bij- en omscholing, de aanpak van jeugdwerkloosheid en de bestrijding van armoede en schulden.

Tegelijkertijd gaat het kabinet verder op de ingeslagen weg. We werken de afspraken rondom het pensioenakkoord uit tot concrete wetsvoorstellen, zodat pensioenfondsen uiterlijk in 2026 kunnen overgaan naar een moderner, persoonlijker stelsel. Komend najaar wordt het wetsvoorstel Breed Offensief behandeld in de Tweede Kamer, om mensen met een arbeidsbeperking gemakkelijker aan het werk te helpen en iedereen naar vermogen mee te laten doen. Ook gaat in 2021 het nieuwe inburgeringsstelsel van start, waarbij nieuwkomers zo snel mogelijk gaan werken en de Nederlandse taal leren.

Hieronder gaan we verder in op: 1) het stimuleren van zekerheid en het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt, 2) mensen ondersteunen om naar vermogen mee te doen in de samenleving en 3) het verbeteren van de uitvoering en handhaving.

2.1.1 Beleidsprioriteit 1: het stimuleren van zekerheid en het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt

Arbeidsmarktanalyse

De situatie op de arbeidsmarkt is in 2020 snel verslechterd. Begin dit jaar was er nog sprake van grote krapte. In het voorjaar veranderde de situatie op de arbeidsmarkt ineens snel doordat het coronavirus uitbrak. Het kabinet was genoodzaakt maatregelen te nemen om het virus onder controle te krijgen. In eerste instantie vertaalde de nieuwe situatie zich niet direct in hogere werkloosheid, mede vanwege de noodpakketten om banen te behouden, maar wellicht ook omdat mensen die hun baan verloren en andere werkzoekenden zich tijdelijk terugtrokken van de arbeidsmarkt. Inmiddels is goed zichtbaar dat de effecten op de arbeidsmarkt groot zijn. Het aantal werkenden is gedaald van 9,1 miljoen mensen in februari 2020 naar 8,9 miljoen mensen in juli. De werkloosheid is tussen februari en juli gestegen met bijna 150 duizend personen. Dat is een stijging van meer dan 50%. Het werkloosheidspercentage bedraagt in juli 4,5%.

De pijn is niet gelijk verdeeld. Er zijn sectoren waar nog volop werk is, zoals in de zorg. In andere sectoren ligt de vraag naar arbeid nog ver beneden het eerdere niveau. Het meest kwetsbaar voor de gevolgen van de crisis zijn mensen die geen vast dienstverband hebben. Dit zijn mensen met flexibele contracten, veelal jongeren, in sectoren die te maken hebben met een grote terugval in de vraag naar werk, zoals de horeca, de cultuursector en de detailhandel.

Ondanks de verwachte economische groei vanaf het derde kwartaal van 2020, loopt de werkloosheid in 2021 verder op. Werkloosheid en faillissementen volgen namelijk met enige vertraging op de economische omslag. Het CPB verwacht dat het werkloosheidspercentage nog verder oploopt naar 5,9% van de beroepsbevolking in 2021, ofwel 550 duizend mensen. De komende maanden zal duidelijker worden hoe de crisis zich ontwikkelt en wat dat betekent voor de arbeidsmarkt. Volgens het CPB zijn deze effecten mede door het steunpakket wel duidelijk beperkter dan in andere landen.

Crisismaatregelen

Het kabinet heeft uitzonderlijke maatregelen genomen in de eerste twee noodpakketten vanwege de impact van corona op de economie en werkgelegenheid. Zo worden (zelfstandige) ondernemers en zzp-ers ondersteund voor het verlies van omzet via compensatie in loonkosten, levensonderhoud en bedrijfskapitaal via de NOW en de Tozo. Via de Tijdelijke Overbruggingsmaatregel voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) kunnen flexwerkers met inkomensverlies die niet terug kunnen vallen op sociale zekerheid een aanvraag doen voor een financiële tegemoetkoming. Via NL leert door krijgen mensen de mogelijkheid om kosteloos (online) om- en bijscholing en ontwikkeladviezen te ontvangen. Ouders die de eigen bijdrage voor de kinderopvang hebben doorbetaald in de tijd dat de kinderopvang gesloten was, hebben in juli de vergoeding eigen bijdrage kinderopvang ontvangen. Het calamiteitenfonds van Voedselbanken Nederland heeft een eenmalige subsidie van € 4 miljoen ontvangen als vangnet. De rijksbijdrage Wet sociale werkvoorzieningen (Wsw) is verhoogd met € 90 miljoen. De Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland biedt werkgevers, zelfstandigen en werknemers op Bonaire, Saba en Sint Eustatius ondersteuning. Voor de extra kosten die gemeenten hebben gemaakt om de noodopvang voor kinderen van ouders met een cruciaal beroep te organiseren is ook geld beschikbaar gesteld.

Tabel 1 Noodpakket 1 (bedragen x € 1 mln)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

NOW 1.0

     
 

waarvan programmamiddelen NOW 1.0

7.887,4

779

97,4

0

0

 

waarvan uitvoeringkosten NOW 1.0 UWV

20

50

15

0

0

 

waarvan uitvoeringskosten NOW SZW2

3,0

8,0

4,0

0

0

Coronagerelateerde uitvoeringskosten UWV3

105,0

0

0

0

0

Tijdelijke subsidieregeling Caribisch Nederland

11,5

0

0

0

0

Middelen eilandelijk beleid4

1

0

0

0

0

Tozo 1.0 (incl. uitvoeringskosten)

2.500

0

0

0

0

 

waarvan leningen

500

0

0

0

0

Subsidie Voedselbanken Nederland

4

0

0

0

0

Vergoeding eigen bijdrage kinderopvang (incl. uitvoering)5

339,5

2

0

0

0

Noodopvang Kinderopvang4

23

0

0

0

0

Totaal

10.894,4

839,0

116,4

0

0

X Noot
1

Bron: , , .

X Noot
2

De verdeling tussen NOW 1 en NOW 2 uitvoeringskosten van SZW volgt later.

X Noot
3

Uitvoeringskosten als gevolg van corona (extra WW-volumes en frictiekosten).

X Noot
4

Inmiddels overgemaakt naar het ministerie van BZK.

X Noot
5

Hiervan is 11,8 mln overboekt naar andere departementen.

Tabel 2 Noodpakket 2 (bedragen x € 1 mln)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

NOW 2.0

     
 

waarvan programmamiddelen NOW 2

4.860

1.020

120

0

0

 

waarvan uitvoeringkosten NOW 2 UWV

20

50

15

0

0

Tijdelijke subsidieregeling Caribisch Nederland

14,5

0

0

0

0

Middelen eilandelijk beleid2

1,3

0

0

0

0

Tozo 2.0 (incl. uitvoeringskosten)

800

0

0

0

0

 

waarvan leningen

100

0

0

0

0

NL Leert door

30

20

0

0

0

TOFA

     
 

waarvan TOFA

18

0

0

0

0

 

waarvan uitvoeringskosten

3,1

0,2

0,1

0

0

Totaal

5.746,93

1.090,2

135,10

0

0

X Noot
1

Bron: , .

X Noot
2

Inmiddels overgemaakt naar het ministerie van BZK.

Tabel 3 Steun - en herstelpakket (bedragen x € 1 mln)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

NOW 3.0

     
 

waarvan programmamiddelen NOW 3

2.196,5

3094,4

0

0

0

 

waarvan uitvoeringskosten NOW 3 UWV2

7

110

0

0

0

Tijdelijke subsidieregeling Caribisch Nederland

6,6

16

0

0

0

Middelen eilandelijk beleid3

0,5

1

0

0

0

Tozo 3.0 (incl. uitvoeringskosten)

250

360

0

0

0

 

waarvan leningen

30

30

0

0

0

Flankerend beleid4

     
 

waarvan van werk(loosheid) naar Werk/gemeenten

104

318

228

0

0

 

waarvan Jeugdwerkloosheid

13

104

100

88

42

 

waarvan Scholing

0

214

18

0

0

 

waarvan Armoede en Schulden

23

78

45

0

0

 

waarvan Overig

0,2

0,7

0,7

0

0

Totaal

2.600,8

4.296,1

391,7

88,0

42,0

X Noot
1

Bron:, .

X Noot
2

De uitvoeringskosten worden op een later moment meerjarig verdeeld.

X Noot
3

Inmiddels overgemaakt naar het ministerie van BZK.

X Noot
4

Een deel van deze middelen staat gereserveerd op de begroting van het ministerie van EZK/BZK/OCW.

Het kabinet heeft de NOW en Tozo verlengd tot 1 juli 2021, zodat werkgelegenheid en bedrijvigheid zoveel mogelijk behouden blijven. De NOW en de Tozo worden in fases verantwoord aangescherpt en specifieker gericht, met meer ruimte voor herstructurering als die nodig is. Naast het verlengen van de overbruggingsmaatregelen treft het kabinet een omvangrijk sociaal pakket met aanvullende maatregelen. Onderdelen van het pakket zijn een goede begeleiding van werk(loosheid) naar werk, bij- en omscholing, de aanpak van jeugdwerkloosheid en de bestrijding van armoede en schulden. Hiervoor reserveert het kabinet over de jaren 2020-2024 cumulatief ongeveer € 1,4 miljard. 

Er is de afgelopen maanden ontzettend veel werk verzet, door de uitvoeringsorganisaties UWV en SVB, door gemeenten en door de ambtenaren op het departement om de noodmaatregelen in recordtempo te realiseren. Het kabinet is trots op de flexibiliteit van de uitvoering en het werk dat zij verzetten. Corona betekent ook een overbelasting van de SZW-organisatie. De prioriteit wordt gelegd bij wat nodig is om de corona- en ontstane economische crisis het hoofd te bieden en aan trajecten die op grond van het regeerakkoord en/of maatschappelijke urgentie prioritair zijn. Dit betekent dat op onderdelen vertragingen ontstaan of al zijn gemeld. Beperkende maatregelen kunnen geplande debatten in de Tweede Kamer uitstellen met als gevolg vertragingen in wetgevingstrajecten.

De arbeidsmarkt van de toekomst

Het kabinet heeft belangrijke stappen gezet om de verschillen in de behandeling van werkenden op de arbeidsmarkt te verkleinen. Het kabinet heeft de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) ingevoerd en maatregelen genomen rondom loondoorbetaling bij ziekte. De wijzigingen maken het aantrekkelijker voor werkgevers om mensen in vaste dienst te nemen. Voor zelfstandigen zonder personeel is in het pensioenakkoord een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) opgenomen. Het kabinet streeft ernaar om begin 2021 een uitgewerkt voorstel AOV ZZP naar de Tweede Kamer te verzenden. Deze maatregelen dragen bij aan het verkleinen van verschillen tussen vast en flexibel werk en aan een beter vangnet voor alle werkenden. In aanvulling op de eerder aangekondigde maatregelen heeft het kabinet besloten om de zelfstandigenaftrek met ingang van 2021 versneld af te bouwen. In 2021 worden zelfstandigen gecompenseerd via een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting. Dit creëert een gelijker speelveld met gelijker speelveld tussen personen die voor zichzelf, en voor een werkgever werken.

Er zal ook de komende jaren aandacht nodig zijn voor het toekomstbestending maken van de arbeidsmarkt. Volgens de commissie regulering naar werk onder leiding van Borstlap worden in huidige stelsel duurzame arbeidsrelaties te veel ontmoedigd, externe flexibiliteit te veel gestimuleerd en is het stelsel van contractvormen onoverzichtelijk en moeilijk te handhaven. Ook zouden werkenden zich beter en sneller moeten kunnen aanpassen aan veranderingen in de economie en kan het socialezekerheidsstelsel nog pro-actiever worden ingezet om mensen aan het werk te krijgen. De arbeidsmarkt van de toekomst zou volgens de commissie daarom gestoeld moeten zijn op uitgangspunten ‘wendbaarheid’, ‘duidelijkheid’, ‘weerbaarheid’ en ‘wederkerigheid’. De situatie op de arbeidsmarkt als gevolg van corona, onderstreept deze analyse. Kwetsbare mensen worden het hardst geraakt en verschillen tussen werkenden zijn groot. De bevindingen van de commissie sterken het kabinet dan ook in het streven naar een nieuwe balans op de arbeidsmarkt. Er zullen meer maatregelen nodig zijn om de arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken. Ook de komende regeerperiodes zal aandacht voor deze onderwerpen nodig zijn.

Leven Lang Ontwikkelen

Het kabinet blijft inzetten in op Leven Lang Ontwikkelen. Ontwikkeling tijdens de loopbaan is van groot belang om ervoor te zorgen dat mensen inzetbaar blijven op een veranderende arbeidsmarkt. De coronacrisis onderstreept dat belang. Door te blijven ontwikkelen in werk en zo nodig bij- of om- te scholen blijven vaardigheden up-to-date en kan werkloosheid worden voorkomen. Het kabinet streeft er daarom naar dat het vanzelfsprekend wordt te investeren in de ontwikkeling van mensen tijdens de hele loopbaan. Naast de scholingsmaatregelen die voortkomen uit het steun- en herstelpakket werkt het kabinet door aan de invoering van de STAP-regeling (Stimulans Arbeidsmarktpositie). Deze regeling vervangt de huidige fiscale aftrek voor scholing. Ook is er in 2021 weer circa € 50 miljoen beschikbaar vanuit de SLIM-regeling, waarmee werkgevers in het mkb, maar ook grotere werkgevers in de sectoren horeca, de landbouw en de recreatie, worden gestimuleerd om te investeren in de ontwikkeling van werkenden. Het meerjarig programma voor LLO loopt ook in 2021 door.

Pensioenen

Om te komen tot een duurzaam houdbaar pensioenstelsel gaat het kabinet in 2021 de vernieuwing van het aanvullend pensioenstelsel uitwerken in wetgeving. Het kabinet streeft ernaar deze wetgeving op 1 januari 2022 in werking te laten treden. De afspraken die zijn uitgewerkt zorgen voor een duurzaam houdbaar pensioenstelsel dat beter aansluit bij ontwikkelingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Met de afspraken wordt het pensioen straks transparanter en persoonlijker. Ook biedt het nieuwe pensioenstelsel perspectief op een koopkrachtig pensioen, wat ook betekent dat het pensioen directer meebeweegt met de economie.

Naast afspraken over herziening van het tweede pijler pensioen, bevat het pensioenakkoord afspraken over een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd en duurzame inzetbaarheid die eraan moeten bijdragen dat mensen hun AOW-leeftijd gezond werkend kunnen bereiken; ook degenen die zwaar werk verrichten. Het kabinet stelt € 1 miljard beschikbaar in de periode 2021 tot en met 2024 voor het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Ook is in 2021 € 10 miljoen beschikbaar van de middelen die het kabinet structureel beschikbaar stelt als bijdrage aan beleid gericht op gezond werken tot het pensioen.

In 2020 is het wetsvoorstel ‘RVU, verlofsparen en bedrag ineens’ ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel regelt een tijdelijke vrijstelling van de RVU-heffing (tot een bepaald bedrag) waardoor vervroegde uittreding mogelijk wordt gemaakt voor werknemers die niet in staat zijn werkend de AOW-leeftijd te bereiken. Daarnaast wordt de mogelijkheid geïntroduceerd om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als bedrag ineens op te nemen. Tot slot wordt de bestaande regeling waarbij werknemers fiscaal gefaciliteerd vakantieverlof en compensatieverlof kunnen opsparen verruimd. De beoogde inwerkingtredingsdatum voor de versoepeling van de RVU-heffing en verlofsparen is 1 januari 2021 en voor bedrag ineens 1 januari 2022.

In navolging van het advies van de Stichting van de Arbeid zal het nabestaandenpensioen worden gestandaardiseerd, waardoor risico’s worden verkleind. De belangrijkste wijziging is dat het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum alleen nog maar mogelijk zal zijn op risicobasis. De dekking zal fiscaal gemaximeerd worden op 50% van het salaris, zonder rekening te houden met een franchise en zal diensttijdonafhankelijk zijn. Daarnaast wordt er ook een wijziging voorgesteld ter verbetering van het wezenpensioen. Het kabinet verwacht hier in 2021 verdere stappen te kunnen zetten.

Om het aantal werknemers te reduceren dat geen pensioen opbouwt, heeft de Stichting van de Arbeid (STAR) een aanvalsplan ‘witte vlek’ uitgebracht. Een van de aanbevelingen is het schrappen van de uitzonderingsbepaling voor de wachttijd voor pensioenopbouw in de uitzendsector. Deze aanbeveling is door het kabinet overgenomen, en de Pensioenwet zal in die richting worden aangepast.

Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind

Het kabinet wil ouders ontzorgen en tegelijk investeren in de ontwikkeling van kinderen. Keuzevrijheid blijft hierbij een belangrijk uitgangspunt. Uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk en de Brede maatschappelijke heroverweging ‘Kwalitatief goed onderwijs met kansen voor iedereen’ blijkt dat de combinatie van het Nederlandse stelsel van (kind)voorzieningen en de Nederlandse cultuur tot gevolg heeft dat veel vrouwen al vanaf de start van hun loopbaan in deeltijd werken. Het werken in (kleine) deeltijdbanen door vrouwen leidt ertoe dat zij minder verdienen dan mannen en minder ontwikkelkansen op de arbeidsmarkt hebben. Ook maakt het hen kwetsbaarder voor armoede, als zij niet economisch zelfstandig zijn. Bovendien zijn er kansen om het stelsel van kindvoorzieningen te verbeteren ten gunste van de ontwikkeling van het kind. Daarnaast is de vormgeving van de toeslagen, waaronder de kinderopvangtoeslag, gestoeld op gerichtheid en tijdigheid van betaling, waardoor het ook complex is en voor onzekerheid zorgt. Dit komt ook naar voren in het IBO Toeslagen. Het kabinet heeft besloten verschillende scenario’s te verkennen voor de toekomstige vormgeving van het stelsel van kindvoorzieningen: Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen.

Het kabinet kiest voor de invoering van negen weken betaald ouderschapsverlof voor beide ouders. Na uitbreiding van het verlof voor partners naar vijf dagen direct na de geboorte op 1 januari 2019, en vijf weken in het eerste half jaar vanaf 1 juli 2020 (middels de Wet Invoering Extra Geboorteverlof), neemt het kabinet een derde stap. Het kabinet voert 9 weken deels betaald ouderschapsverlof in. Het doel van deze uitbreiding is om beide partners de kans te geven om tijd met hun kind door te brengen in het eerste jaar na de geboorte. Daarnaast kan het verlof zorgen voor een gelijkere verdeling van werk- en zorgtaken tussen ouders. In deze negen weken hebben ouders recht op een uitkering tot 50% van het maximum dagloon. De maatregel zal per augustus 2022 ingaan.

Gezond en veilig werken

Werk mag niet leiden tot gezondheidsschade. Goede arbeidsomstandigheden zijn daarbij essentieel. Het kabinet werkt daarom aan een Arbovisie 2040, waarvan momenteel de beleidsvoorbereiding in samenwerking met het veld in volle gang is. De Tweede Kamer zal hierover een hoofdlijnennotitie ontvangen en daarnaast zal advies worden gevraagd aan de sociale partners in de SER. In 2021 zal verder gewerkt worden aan de uitwerking van de reactie van het kabinet op het rapport van de commissie-Heerts om het proces van schadeafhandeling bij beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen te verbeteren. Er wordt in dat kader onder meer gewerkt aan een tegemoetkomingsregeling voor werkenden die een ernstige beroepsziekte hebben opgelopen als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Ook in Europees verband zetten we in op grenswaarden voor gevaarlijke stoffen.

In 2021 wordt verder gewerkt aan de maatschappelijke beweging aanpak burn-out, waarbij tevens de hernieuwde aandacht voor thuiswerken en de consequenties daarvan voor de vitaliteit en het welbevinden van werkenden worden betrokken. Verder wordt in 2021 prioriteit gegeven aan de voortzetting van het beleid op het terrein van gevaarlijke stoffen – inclusief de uitwerking van de beleidsreactie Asbest – en de versterking van de handhavingsketen. Vanuit het Meerjarenprogramma Risico- Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) zullen bedrijven worden ondersteund bij het opstellen en naleven van de RIE om de naleving van deze verplichting te verbeteren.

De ruim 400.000 in Nederland werkzame arbeidsmigranten hebben net als alle andere werkenden recht op een eerlijk loon en gezonde en veilige werkomstandigheden. De gevolgen van de uitbraak van het coronavirus hebben belang hiervan des te duidelijker gemaakt. SZW werkt daarbij samen met andere departementen, decentrale overheden, sociale partners en maatschappelijke organisaties aan goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor arbeidsmigranten en goed werkgeverschap bij bedrijven. Zo wordt onder meer gewerkt aan een complete en actuele woonregistratie van arbeidsmigranten en aan extra eisen waarmee malafide uitzendbureaus uit de markt worden geweerd. Ook wordt in samenwerking met andere departementen één centraal informatie­knooppunt opgericht waar arbeidsmigranten met vragen terecht kunnen. Bij de uitwerking van deze maatregelen betrekt het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten onder aanvoering van Emile Roemer om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren. Mede dankzij de capaciteitsuitbreiding van de Inspectie SZW uit het regeerakkoord kan de aanpak van misstanden ook verder worden versterkt. 

Internationaal

Het kabinet draagt ook in 2021 internationaal actief bij aan het gesprek over het sociaaleconomisch herstel. In de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) wordt gewerkt aan het creëren van een bijdetijds stelsel van instrumenten, waardoor de ILO effectief de uitdagingen in de snel veranderende wereld van werk (met onder andere nieuwe vormen van werk en veranderende arbeidsverhoudingen) kan adresseren. Hiernaast wordt de inzet op socialezekerheidsverdragen voortgezet. 

2.1.2 Beleidsprioriteit 2: mensen ondersteunen om naar vermogen mee te doen in de samenleving

Het kabinet wil zoveel mogelijk mensen aan het werk helpen, omdat werk de sleutel is tot inkomen, maatschappelijke participatie en integratie. Voor bepaalde groepen mensen is het lastiger om een baan te vinden, zoals mensen met een arbeidsbeperking of mensen met een migratie-achtergrond. Daarom werkt het kabinet aan een inclusieve arbeidsmarkt waar mensen kunnen meedoen. Juist nu is het van groot belang dat mensen worden aangemoedigd mee te doen, om mensen met schulden perspectief te bieden en voor mensen met een arbeidsbeperking om aan het werk te komen en te blijven.

De afgelopen jaren heeft het kabinet samen met het UWV een robuuste dienstverlening voor WW-, WGA- en Wajong-ers neergezet. Het voortzetten van deze dienstverlening is de komende tijd hard nodig. Nu meer mensen in de WW terechtkomen, is een aanzienlijke opschaling van de capaciteit nodig, al wordt deze beperkt door opleidings- en inwerkmogelijkheden. De hoge instroom in combinatie met het tekort aan uitvoeringscapaciteit heeft zowel op de korte als de langere termijn consequenties voor de dienstverlening. Het kabinet houdt de vinger aan de pols hoe de dienstverlening de komende tijd wordt vormgegeven.

Als gevolg van het coronavirus neemt de problematiek bij mensen die al kwetsbaar waren toe, waardoor gemeenten voor grote uitdagingen staan om burgers tijdig de juiste ondersteuning te bieden. Er is een toenemend beroep op bijstand en bijzondere bijstand. In sommige wijken is sprake van een stapeling van problematiek op het terrein van onderwijs, criminaliteit, veiligheid, gezondheid en armoede. Als gevolg van het coronavirus is de problematiek niet alleen verergerd, maar is ook sprake van een bredere maatschappelijke impact, signaleert ook de tijdelijke werkgroep Sociale Impact, de ‘werkgroep Halsema’. Specifieke maatregelen die zijn genomen zijn een coulante opstelling van schuldeisers, tijdelijk geen huisuitzettingen, noodsteun aan voedselbanken en aandacht voor kinderen in een kwetsbare positie door Leergeld en Nationaal Fonds Kinderhulp.

Breed Offensief

Voor mensen met een beperking is het kabinet aan de slag gegaan met de aanpak «Het Breed Offensief». Het Breed Offensief maakt het voor werkgevers eenvoudiger om mensen met een beperking in dienst te nemen en biedt mogelijkheden voor ondersteuning op maat. Voor 2020 en 2021 heeft de regering in totaal € 53 miljoen vrijgemaakt. Ook is er € 40 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor de nieuwe vrijlating van arbeidsinkomsten voor mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken. Op termijn (tot 2026) moeten 125.000 extra werkplekken voor mensen met beperkingen zijn gerealiseerd. Verder is er ruimte om in de structurele situatie 30.000 beschutte werkplekken te realiseren. Dit is een proces van langere adem, waarvoor de inspanningen van alle partijen nodig zijn: van werkgevers, werkzoekenden en werknemers, gemeenten, UWV, en Rijk, zowel in de arbeidsmarktregio’s als landelijk. Het kabinet acht de voorgestelde beleidsinzet als zeer urgent met het oog op de gevolgen van de coronacrisis op de werkgelegenheid van mensen met een arbeidsbeperking.

Het moet voor mensen met een beperking makkelijker worden om (meer) te gaan werken. Met het project Simpel Switchen worden drempels weggenomen om te gaan werken. Gemeenten zijn bij uitstek de partij om mensen hierin te ondersteunen en een brug te zijn tussen bijvoorbeeld participatie, (jeugd)zorg en schuldhulpverlening. 

Op 1 januari 2021 wordt het Besluit SUWI aangepast zodat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker kunnen vinden en meer mensen (duurzaam) aan het werk geholpen kunnen worden. Gemeenten en UWV bieden in iedere regio één gezamenlijk aanspreekpunt voor werkgevers met één basispakket aan dienstverlening. Ook gaan we door met de uitvoering van de actieplannen Perspectief op Werk, waar we door samenwerking van publieke en private partijen in alle arbeidsmarktregio’s mensen die niet zelfstandig werk kunnen vinden aan een baan of een leerwerkplek willen helpen. De middelen vanuit het Europees Sociaal Fonds geeft een boost aan de regionale samenwerking.

De evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau laat positieve ontwikkelingen zien als het gaat om het aan het werk helpen van jongeren met een arbeidsbeperking. Tegelijkertijd zijn er belangrijke aandachtspunten. Samen met gemeenten werken we daaraan. Het gaat erom dat gemeenten actief het gesprek voeren met alle bijstandsgerechtigden om te bezien op welke wijze zij met een passend aanbod op maat kunnen worden ondersteund in hun persoonlijke ontwikkeling en naar vermogen kunnen bijdragen aan de maatschappij.

Armoede en schulden

Ook voor de uitbraak van het coronavirus nam het kabinet extra maatregelen om armoede tegen te gaan, zoals de inzet op een verhoging van de koopkracht van gezinnen met lage inkomens en het lonender maken van (meer uren) werk. De ambitie is om kinderen in armoede beter te bereiken, het aantal huishoudens met kinderen dat onder de armoedegrens leeft te verlagen en de brede kansenarmoede onder kinderen in beeld te brengen en te bestrijden. In 2021 volgt de eerste brief over de voortgang van de ambities kinderarmoede en een evaluatie van de bestuurlijke afspraken met de VNG over de bestrijding van kinderarmoede.

Samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties streeft het kabinet ernaar dat mensen die het financieel moeilijk hebben niet nog verder in de (financiële) problemen terechtkomen als gevolg van het coronavirus. Zo zijn er maatregelen gericht op behoud van werkgelegenheid en het voorkomen van schulden. Gemeenten hebben tijdelijk de ruimte om af te wijken van de vier weken zoektermijn in de Participatiewet zodat maatwerk voor jongeren die hun baan verliezen mogelijk is. In het aanvullende sociale pakket zijn middelen beschikbaar gesteld via een Waarborgfonds om mensen met problematische schulden te ondersteunen.

De Brede Schuldenaanpak heeft een omslag teweeggebracht in de wijze waarop alle partijen de schuldenproblematiek benaderen en in het denken over mensen met schulden. Zowel de wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, waarmee het vroegtijdig signaleren van schuldenproblematiek een wettelijke basis krijgt, als de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zullen op 1 januari 2021 in werking treden. De parlementaire behandeling van de wetgeving gericht op verbreding van het beslagregister (wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag) zal in 2021 plaatsvinden. 

Om bestaande en nieuwe risicogroepen als gevolg van het coronavirus niet (verder) in armoede- en schuldenproblematiek terecht te laten komen, zijn in de zomer van 2020 ronde tafels georganiseerd. Deze ronde tafels dragen bij aan een gedragen, versnelde en integrale armoede- en schuldenaanpak en waar nodig en mogelijk extra acties. Voor het versnellen van deze aanpak is geld beschikbaar gekomen in het aanvullende steun- en herstelpakket. De resultaten van deze (online) bijeenkomsten met tientallen betrokkenen worden in het najaar 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Integratie en maatschappelijke samenhang

Meedoen in de samenleving is de beste weg naar een succesvolle inburgering. In het nieuwe inburgeringsstelsel dat op 1 juli 2021 in werking treedt zorgen gemeenten ervoor dat nieuwkomers zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren en meedoen, het liefst via betaald werk. In het nieuwe stelsel geldt een hogere ambitie voor het taalniveau dan voorheen en combineren asielmigranten taallessen met (vrijwilligers-)werk of stage. In het nieuwe inburgeringstelsel krijgen asielzoekers meer begeleiding. Voor de invoering van het stelsel ontvangen gemeenten eenmalig € 36,5 miljoen. Voor hun rol in het nieuwe stelsel is structureel € 35,2 miljoen extra beschikbaar gemaakt, naast de € 70 miljoen die in het regeerakkoord beschikbaar is gesteld.

Met het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) draagt het kabinet bij aan gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor iedereen. In de praktijk blijkt dat Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond, óók bij vergelijkbare kwalificaties, een minder stevige positie op de arbeidsmarkt hebben. Tot en met 2021 wordt in acht pilots onderzocht ‘wat werkt’ om de arbeidsmarktpositie en –participatie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond te verbeteren. Ook wordt met, en door, (koepels van) gemeenten, werkgevers en onderwijsinstellingen gewerkt aan het verspreiden en toepassen van effectief gebleken aanpakken. Vanaf 2021 wordt aanvullende monitoring ingezet om veranderingen in de arbeidsmarktpositie en –participatie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond te meten.

Met een versterkte inzet op preventie bevordert het kabinet samenleven in een steeds grotere diversiteit. Het kabinet zet in op versterking van de weerbaarheid op het niveau van het individu, de groep, de samenleving en de lokale overheid. In de weerbaarheidsagenda die later dit jaar naar de Tweede Kamer wordt verzonden wordt uiteengezet hoe we samen met gemeenten, gemeenschappen en professionals de samenleving versterken.

Caribisch Nederland

De afgelopen jaren zijn betekenisvolle stappen gezet om de levensstandaard voor inwoners van Caribisch Nederland te verhogen. Het kabinet heeft een ijkpunt vastgesteld voor het sociaal minimum en het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen verhoogd. In 2021 wordt onderzocht wat de verdere ruimte is om het wettelijk minimumloon te verhogen, rekening houdend met de economie en de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel Kinderopvang Caribisch Nederland wordt in 2021 ingediend aan de Tweede Kamer. Vooruitlopend hierop is de tijdelijke subsidieregeling kinderopvang Caribisch Nederland van kracht om de kwaliteit en beschikbaarheid van de kinderopvang te verbeteren. Verder wordt in 2021 € 3 miljoen beschikbaar gesteld vanuit de regio-envelop Caribisch Nederland voor verbetering van de huisvesting kinderopvang. In het aanvullende sociale pakket is de tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies met negen maanden verlengd en wordt de dienstverlening met betrekking tot arbeidsbemiddeling tijdelijk geïntensiveerd.

2.1.3 Beleidsprioriteit 3: Het verbeteren van de uitvoering en handhaving

Uitvoering

Voor de uitvoering zijn het bijzondere tijden. Niet alleen zijn UWV en SVB geconfronteerd met de implementatie van nieuwe regelingen die in recordtempo moeten worden ingevoerd, ook voor de uitvoering van andere wetten zijn de consequenties van het coronavirus aanzienlijk. Zo neemt het aantal mensen dat een beroep doet op een WW-uitkering toe met ongekende aantallen en moeten werkwijzen worden aangepast op de anderhalvemetersamenleving. Op een aantal lopende trajecten is vertraging ontstaan, bijvoorbeeld in de ICT-portfolio. De uitvoering van de noodpakketmaatregelen en de stijging van volumes betekent voor de uitvoering dat de capaciteit om nieuwe wet- en regelgeving op te pakken beperkt is. Ook zullen lopende zaken vertragen.

De uitvoering van sociale zekerheid is kwetsbaar en de continuïteit in het verlenen van de juiste dienstverlening staat onder druk. Burgers en bedrijven raken hierdoor in toenemende mate in de knel. De oorzaken zijn divers: een combinatie van herhaalde taakstellingen, digitaliseringsoperaties, implementatie van complexe beleidsopgaven en personeelstekorten. Vele wetswijzigingen hebben elkaar opgevolgd en de complexiteit van de regelgeving stelt hoge eisen aan de uitvoering. Hierdoor is er weinig ruimte geweest voor de modernisering van het bestaande ICT-landschap en daarmee het verbeteren van de functionaliteit van de dienstverlening. Ook is er, met name bij de SVB, achterstand in noodzakelijk onderhoud opgebouwd. Dat de druk op de uitvoering groot is blijkt ook uit deze crisistijd.

Via de Ministeriële Commissie Uitvoering en daarbij behorende ‘Werkagenda voor de uitvoering’ werkt het kabinet hard aan het toekomstbestendig maken van de uitvoering. In het rapport ‘Werk aan uitvoering fase II – handelingsperspectieven en samenvatting probleemanalyse’ zijn concrete handelingsperspectieven opgenomen voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn. In het najaar 2020 volgt een kabinetsreactie op het rapport met de ‘Werkagenda voor de uitvoering’. Belangrijke onderdelen zijn verbeterde digitale toegang, eenvoudigere wetten en regels, dienstverlening op maat en een herwaardering van de uitvoering. Vooruitlopend op de uitkomsten van WAU investeert het kabinet € 100 miljoen in UWV, SVB en BKWI vanaf 2022 in knelpunten op het gebied van ICT, handhaving en dienstverlening. Vanwege het grote belang en noodzaak van deze investering is het kabinet bereid geweest hier budget voor vrij te maken binnen de begroting van SZW.

Handhaving

Een goede werking van de arbeidsmarkt en een gedragen stelsel van sociale zekerheid kan niet zonder handhaving van de regels. Misbruik ondermijnt het draagvlak voor ons sociaal stelsel, veroorzaakt oneerlijke concurrentie tussen zowel bedrijven als werkenden en brengt de gezondheid en veiligheid van werkenden in gevaar. Het kabinet versterkt de handhaving door slimmer te werken met data en door oog te hebben voor maatwerk in de uitvoering. Door beschikbare data goed te gebruiken kan misbruik effectiever en met minder last voor de burger worden opgespoord. Hierbij zoekt het kabinet naar een juiste balans tussen het maatschappelijk belang van fraudebestrijding en de inbreuk op het privéleven van mensen. Over de gemaakte keuzes wordt zo transparant mogelijk gecommuniceerd.

Het kabinet heeft aandacht voor een goede balans tussen handhaving en dienstverlening. Handhaving begint bij goede dienstverlening en duidelijke communicatie naar burgers, zodat eenieder weet waar hij zich aan moet houden. De crisismaatregelen maken dat er extra aandacht nodig is om de balans tussen dienstverlening en handhaving te bewaren. De snelheid waarmee de noodmaatregelen als de NOW en de Tozo tot stand zijn gekomen en worden uitgevoerd zorgt ervoor dat er een groter risico is op misbruik. De toename van uitkeringsaanvragen leidt tot vraagstukken over de inzet van capaciteit. Het kabinet beziet de komende tijd samen met het UWV hoe de dienstverlening aan werklozen optimaal kan worden vormgegeven binnen de huidige arbeidsmarktsituatie.

Het kabinet zet in op een betere naleving van arbeidswetten door een internationaal gelijk speelveld te creëren en door fors te investeren in de Inspectie SZW. Deze middelen worden conform het Inspectie Control Framework ingezet voor de bevordering van een eerlijke arbeidsmarkt, van gezond en veilig werken, en bestaanszekerheid. Na de Mid-term Review van eind 2020 wordt bezien welke herprioritering nodig is op basis van de ontwikkelingen en risico’s, inclusief de directe effecten van corona alsmede de indirecte effecten, zoals de aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigranten.

2.1.4 Kerncijfers

Fraude en handhaving UWV, SVB en gemeenten

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld door gedragsbeïnvloeding en voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld opleggen van boetes). In tabellen 4 en 5 is een overzicht gegeven van de kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, SVB en gemeenten. De toelichting op deze kerncijfers over voorgaande jaren wordt in het jaarverslag 2019 van het ministerie gegeven.

Tabel 4 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

 

2017

2018

2019

2017

2018

2019

UWV1

19

8,3

9

47

26

25

SVB2

3,5

3,9

10,5

7,8

7,9

10,6

Gemeenten3

31

33

31

69

70

67

Totaal

4

4

4

123

104

103

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Betreft het aantal vorderingen vanwege een overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Vanwege het definitieverschil wordt geen totaal weergegeven.

Tabel 5 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes (x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln.)

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

 

2017

2018

2019

2017

2018

2019

2017

2018

2019

UWV1

12,7

4,9

4,8

7,6

4,9

4,3

8,6

5,8

6,6

SVB2

2,4

1,8

2,3

1,7

1,3

1,4

7,0

5,0

9,6

Gemeenten3

11,3

13,7

11,8

8,8

8,7

7,9

10,1

11,3

9,9

Totaal

26,4

20,3

19

18

14

14

26

22

26

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstands- en fraudestatistiek.

Tabel 6 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2019 (%)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

UWV1

76%

75%

69%

59%

39%

22%

SVB2

52%

54%

52%

51%

35%

21%

Gemeenten3

39%

37%

35%

31%

23%

12%

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstands- en fraudestatistiek.

Re-integratie

Tabel 7 geeft weer hoeveel mensen met een arbeidsbeperking UWV aan het werk heeft geholpen. In 2019 vonden 13.100 mensen met een arbeidsbeperking een baan, iets minder dan in 2018.

Tabel 7 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Streefwaarde 2021

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

300

400

300

2

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

1.800

1.000

700

2

Mensen met recht op WIA-uitkering

2.500

2.900

3.500

3

Mensen met recht op Wajong

8.400

9.000

8.600

8.000

Totaal

13.000

13.300

13.100

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard geteld. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard geteld. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen geteld.

X Noot
2

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

X Noot
3

Bij het ontwikkelen van de persoonlijke dienstverlening met de extra middelen van het kabinet wordt tevens ingezet op een verbetering van het inzicht in de resultaten van deze dienstverlening. Hierdoor kunnen naar verwachting in de toekomst ook voor de WIA streefwaarden worden opgesteld.

2.2 Budgettaire ontwikkeling uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken dat voor mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand) die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes het uitgavenplafond wordt aangepast. Dit bevordert de automatische stabilisatie van de overheidsfinanciën. Voor beleidsmatige mutaties van werkloosheidsuitgaven en bijstand wordt het plafond niet aangepast. Daarnaast wordt het plafond aangepast voor de loon- en prijsontwikkeling. Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt ook aangepast voor de maatregelen die zijn genomen in antwoord op de coronacrisis, omdat het kabinet het niet wenselijk acht hiervoor andere uitgaven te verminderen.

2.2.1 Opbouw uitgavenplafond Sociale Zekerheid

Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid bevat zowel uitgaven van regelingen die begrotingsgefinancierd zijn als uitgaven van regelingen die premiegefinancierd zijn. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden gefinancierd uit belastingopbrengsten. De premiegefinancierde uitgaven komen ten laste van de sociale fondsen: deze uitgaven worden gedaan door UWV en SVB. Tabel 8 bevat een toelichting op de opbouw van de uitgaven die tot het uitgavenplafond Sociale Zekerheid worden gerekend.

Tabel 8 Opbouw SZ-uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

61,8

52,5

47,9

47,9

48,4

49,1

-/- Dubbeltelling rijksbijdragen

20,6

22,8

23,4

23,7

24,2

25,1

-/- Uitgaven plafond Rijksbegroting

0,8

1,5

1,2

1,2

1,2

1,0

-/- Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

+ Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,4

0,6

0,9

1,2

1,6

+ Overig

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

A. SZ-uitgaven begroting

39,9

28,2

23,5

23,4

23,7

24,1

       

Totaal uitgaven premiegefinancierd

62,5

66,6

68,4

69,6

71,0

73,2

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

B. SZ-uitgaven premie

62,2

66,3

68,1

69,3

70,6

72,8

       

C. Integratie-uitkering sociaal domein

2,0

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

       

Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B+C)

104,1

96,4

93,5

94,5

96,1

98,7

Allereerst wordt voor een dubbeltelling gecorrigeerd omdat sociale fondsen voor een deel worden gefinancierd uit begrotingsmiddelen, dit is de correctie voor rijksbijdragen. Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds, die nodig is om de AOW-uitgaven te kunnen dekken. De opbrengsten van de AOW-premie zijn namelijk onvoldoende toereikend voor de AOW-uitgaven. In 2021 worden de uitgaven onder het uitgavenplafond hierdoor met € 22,8 miljard gecorrigeerd. Ook zijn er uitgaven op de SZW-begroting die onder het uitgavenplafond Rijksbegroting vallen, waarvoor met € 1,5 miljard wordt gecorrigeerd. Dit betreft onder meer verschillende subsidies en opdrachten en de apparaatsuitgaven van SZW.

Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend wordt eveneens gecorrigeerd: € 0,5 miljard (terugontvangsten Kinderopvang en terugontvangsten Tegemoetkoming ouders). Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt in lopende prijzen uitgedrukt, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen zijn hiervoor middelen gereserveerd (€ 0,4 miljard in 2021). Deze middelen staan niet op de SZW-begroting, maar op een afzonderlijke begrotingspost die door de Minister van Financiën wordt beheerd. De post overig bestaat uit middelen die op de aanvullende post bij Financiën staan. Hierin is de in=uittaakstelling ook verwerkt, dit is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Met de eindejaarsmarge worden middelen toegevoegd aan het volgende jaar, wat leidt tot uitgaven bovenop het afgesproken plafond. De in=uittaakstelling wordt geboekt om te voorkomen dat het plafond door het toevoegen van de eindejaarsmarge wordt overschreden.

De premiegefinancierde uitgaven zijn uitgedrukt in lopende prijzen. De post wordt gecorrigeerd voor de premie gefinancierde ontvangsten. Het gaat hier om de ontvangsten uit de Ufo (Uitvoeringsfonds voor de overheid) die overheidswerkgevers betalen ten behoeve van de WW.

De middelen voor de Wsw en het participatiebudget maken onderdeel uit van de integratie-uitkering sociaal domein (IUSD) en staan daarom niet op de SZW-begroting. Deze uitgaven (€ 1,9 miljard in 2021) zijn wel onderdeel van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid en worden bijgeteld. In lopende prijzen bedragen de uitgaven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid € 96,4 miljard in 2021.

2.2.2 Uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2020-2025

In tabel 9 wordt de opbouw van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. In 2021 bedragen de totale uitgaven € 96,4 miljard. Hieronder vallen ook de uitgaven uit de noodpakketten gerelateerd aan de coronacrisis, deze vallen voornamelijk in 2020. In de jaren van 2021 tot 2025 stijgen de verwachte uitgaven van € 96,4 miljard naar € 98,7 miljard. De stijging is voor een groot deel toe te wijzen aan de nominale ontwikkeling (aanpassing aan de loon- en prijsontwikkeling). Deze post bedraagt € 1,7 miljard in 2021 en stijgt naar € 7,4 miljard in 2025. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling blijven de uitgaven onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid min of meer gelijk. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2020 t/m 2025 is te vinden in de Horizontale toelichting in de bijlagen bij de Miljoenennota.

De grootste uitgavenpost onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid voor 2021 is de AOW (€ 41,2 miljard). Resterende grote uitgavenposten zijn de arbeidsongeschiktheidsregelingen (€ 13,9 miljard), de WW en bijstand (tezamen € 13,0 miljard) en de kindregelingen (€ 9,6 miljard). De verwachte uitgaven aan de AOW lopen op als gevolg van een toenemend aantal AOW-gerechtigden. De WW- en bijstandsuitgaven lopen naar verwachting de komende jaren op als gevolg van de ontwikkelingen rond het coronavirus, waarna de verwachting is dat zij in de jaren daarna weer zullen dalen. De uitgaven die samenhangen met de crisispaketten vallen in de categorie ‘overig’ en zorgen in de jaren 2020 en 2021 voor substantieel hogere uitgaven dan in de andere jaren.

Tabel 9 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2020-2025 (bedragen x € 1 miljard)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Arbeidsmarkt

      

LIV/jeugd-LIV/LKV

0,7

0,6

0,5

0,5

0,6

0,5

Transitievergoeding/Compensatieregeling TV MKB

0,8

0,4

0,2

0,2

0,2

0,2

       

Werkloosheid/Bijstand

      

WW-uitgaven (werkloosheid)

4,3

6,1

6,5

5,9

5,4

5,0

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)

6,4

6,8

7,2

7,2

7,1

7,0

       

Ziekte/arbeidsongeschiktheid/verlofregelingen

      

ZW-uitgaven

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

WIA/WAO/WAZ/Wajong

13,8

13,9

14,0

14,3

14,5

14,7

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

1,4

1,5

1,7

1,9

2,0

2,0

       

Ouderdom/Nabestaanden

      

AOW

40,3

41,2

41,5

41,8

42,3

43,2

Inkomensondersteuning AOW

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,1

Anw

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

       

Kinderopvang en kindregelingen

      

KOT

3,3

3,2

3,2

3,2

3,3

3,3

AKW/WKB

6,4

6,3

6,2

6,2

6,2

6,1

       

Re-integratie/Participatie

      

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Integratie-uitkeringen sociaal domein

2,0

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

       

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

      

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,4

2,6

2,5

2,5

2,5

2,5

Overige uitgaven

19,0

6,7

1,7

1,5

1,5

1,6

       

Nominale ontwikkeling

0,0

1,7

2,8

4,1

5,6

7,4

       

Totaal SZ-uitgaven

104,1

96,4

93,5

94,5

96,1

98,7

2.2.3 Mutaties uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2020-2025

Tabel 10 geeft de mutaties weer tussen ontwerpbegroting 2020 en de ontwerpbegroting 2021. Grootste mutaties zijn de opwaartse bijstellingen in de WW- en bijstandsuitgaven als gevolg van de oploop in werkloosheid en de uitgaven aan de maatregelen uit de crisispaketten in 2020 en 2021 (voornamelijk NOW en Tozo). De verwachte nominale ontwikkeling (indexatie van de uitkeringsregelingen aan loon- en prijsontwikkelingen) is meerjarig naar beneden bijgesteld op basis van CPB-cijfers.

Tabel 10 Mutaties SZ-uitgaven sinds vorige ontwerpbegroting (bedragen x € 1 miljard)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2020

85,2

87,8

90,3

93,2

96,3

 

Arbeidsmarkt

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

 

Werkloosheid/Bijstand

0,8

2,9

3,2

2,2

1,3

 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

0,1

0,2

0,2

0,2

0,3

 

Ouderdom/Nabestaanden

‒ 0,1

‒ 0,1

0,0

0,0

0,0

 

Kinderopvang en kindregelingen

0,1

0,2

0,1

0,0

0,0

 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

‒ 0,1

0,4

0,3

0,2

0,2

 

EU-ouderschapsverlof

0,0

0,0

0,1

0,4

0,4

 

NOW (inclusief uitvoeringskosten)

14,8

4,9

0,2

0,0

0,0

 

Tozo (inclusief uitvoeringskosten)

3,1

0,3

0,0

0,0

0,0

 

Compensatie eigen bijdrage kinderopvang

0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Overige uitgaven

‒ 0,3

‒ 0,1

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,2

 

Nominale ontwikkeling

0,2

‒ 0,1

‒ 0,8

‒ 1,5

‒ 1,9

 

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2021

104,1

96,4

93,5

94,5

96,1

98,7

2.2.4 Uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid en toetsing aan ijklijn

De ijklijn van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor loon- en prijsontwikkelingen, niet-beleidsmatige mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand), overboekingen met andere uitgavenplafonds en statistische correcties. Daarnaast wordt het uitgavenplafond aangepast voor de maatregelen uit de crisispaketten en voor het verhogen van het WKB-bedrag vanaf het derde kind. De WKB-verhoging wordt namelijk binnen het inkomstenkader gedekt. Als gevolg hiervan is de ijklijn voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2021 met € 8,4 miljard verhoogd.

Tabel 11 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige ontwerpbegroting (bedragen x € 1 miljard)
 

2020

2021

Ijklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2020

84,9

87,6

Correcties

19,1

8,4

Ijklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2021

104,0

96,0

De actuele uitgavenramingen uitgavenplafond Sociale Zekerheid, zoals deze zijn weergegeven in tabel 9, dienen volgens de regels budgetdiscipline voor 2021 te worden getoetst aan de actuele ijklijn van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid zoals weergegeven in tabel 11. Deze plafondtoetsing wordt weergegeven in tabel 12. De uitgaven onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid zijn in 2021 bijgesteld naar € 96,4 miljard, terwijl de ijklijn uitkomt op € 96,0 miljard. Hiermee wordt de ijklijn in 2021 overschreden met afgerond € 0,4 miljard.

Tabel 12 Toetsing uitgaven aan het uitgavenplafond Sociale Zekerheid (bedragen x € 1 miljard)
 

2020

2021

Totale SZ-uitgaven

104,1

96,4

Ijklijn SZ-uitgaven

104,0

96,0

Over-/onderschrijding ijklijn SZ

0,1

0,4

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 13 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art. nr.

Naam artikel

Uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (%)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (%)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

1

Arbeidsmarkt

5.875.149

5.864.980

99,8

10.169

0,2

Opdrachten (10.169)

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

8.148.597

8.115.690

99,6

32.907

0,4

Subsidies (3.673) en Opdrachten (29.234)

3

Arbeidsongeschiktheid

10.722

722

6,7

10.000

93,3

Bijdragen aan ZBO's/RWT's (10.000)

4

Jonggehandicapten

3.484.285

3.484.285

100

0

0,0

 

5

Werkloosheid

142.369

142.369

100

0

0,0

 

6

Ziekte en zwangerschap

12.612

12.612

100

0

0,0

 

7

Kinderopvang

3.550.009

3.518.621

99,1

31.388

0,9

Subsidies (1.005), Opdrachten (20.523) en Bijdragen aan agentschappen (9.861)

8

Oudedagsvoorziening

26.178

26.178

100

0

0,0

 

9

Nabestaanden

1.370

1.370

100

0

0,0

 

10

Tegemoetkoming ouders

6.521.835

6.521.835

100

0

0,0

 

11

Uitvoering

655.858

655.858

100

0

0,0

 

12

Rijksbijdragen

22.756.024

22.756.024

100

0

0,0

 

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

237.197

230.077

97,0

7.120

3,0

Subsidies (4.685) en Opdrachten (2.434)

        
 

Totaal niet-juridisch verplichte uitgaven

   

91.584

  

De uitgaven op de beleidsartikelen van SZW zijn voor 99,8% juridisch verplicht voor het jaar 2021. Het hoge percentage komt doordat een groot deel van de SZW-begrotingsuitgaven voortvloeit uit bestaande wetgeving die het parlement reeds aanvaard heeft. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inkomensoverdrachten uit hoofde van de Participatiewet, de Wajong en de Kinderopvangtoeslag, maar ook voor de rijksbijdragen en de tegemoetkomingen voor ouders. Een wijziging in deze uitgaven vereist een wijziging van de desbetreffende wetten. Deze uitgaven kunnen dus niet worden aangepast door een wijziging van de begroting van SZW.

Naar verwachting is een beperkt deel van de uitgaven over 2021 niet juridisch verplicht. Het betreft enkele subsidies en opdrachten, en bijdragen aan agentschappen in het kader van kinderopvang en bijdragen aan ZBO’s/RWT’s in het kader van een scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden. In veel gevallen liggen er wel bestuurlijke afspraken aan deze voorgenomen uitgaven ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Op de totale begroting van SZW gaat het om een bedrag van € 91,6 miljoen aan nog niet juridisch verplichte uitgaven. Dit alles heeft alleen betrekking op de begrotingsgefinancierde uitgaven.

Premiegefinancierde uitgaven, die ook in de begroting van SZW worden toegelicht, kunnen niet worden aangepast middels een wijziging van de begroting. Premie-uitgaven vallen immers niet onder het budgetrecht van de Staten-Generaal. De premiegefinancierde uitgaven voor 2021 zijn overigens 100% juridisch verplicht. De premiegefinancierde uitgaven bestaan enerzijds uit uitkeringsregelingen zoals de AOW, WIA en WW, anderzijds uit bijdragen aan UWV en de SVB voor de uitvoering van die wetten en re-integratie (UWV). De uitkeringsgelden zijn juridisch verplicht omdat deze voortvloeien uit bestaande wetgeving. De uitvoeringsbudgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen van de ZBO’s vastgelegd.

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

In het kader van de operatie Inzicht in Kwaliteit ontwikkelt SZW een Strategische Onderzoek- en Evaluatieagenda (SEA). Deze agenda vervangt op termijn de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen als uitgangspunt voor de agendering van evaluaties. Het doel is om het inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid verder te vergroten. Hierbij onderzoekt SZW of er meer verbinding gelegd kan worden tussen evaluaties en ander­soortige onderzoeken.

SZW experimenteert hier al mee in de pilot Evaluatie- en onderzoeksplanning Kinderopvang. Aan de hand van de beleidstheorie en geplande of toegezegde (evaluatie)onderzoeken over kinderopvang wordt in deze pilot inzichtelijk gemaakt welke evaluatie- en kennisvragen er zijn en hoe deze op welke termijn ingevuld gaan worden. Hierbij wordt gekeken wat een goede timing en prioritering is van (evaluatie)onderzoeken en van periodieke synthese-onderzoeken. Het doel van de pilot is om de link tussen uitkomsten van (evaluatie)onderzoeken en beleid te versterken, en de Tweede Kamer vaker te informeren over inzichten in doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid.

Tijdig en goed nadenken is niet nieuw bij SZW. Een goed voorbeeld hiervan is de beleidsdoorlichting over artikel 11 Uitvoering (uiterlijk eind 2021 naar de Tweede Kamer). Bij de start van deze beleidsdoorlichting is op basis van een omvattend plan van aanpak tijdig nagedacht waar de kennisbehoefte ligt en hoe verschillende (evaluatie)onderzoeken (met name naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering) samengenomen kunnen worden. Zo wordt de beleidsdoorlichting onder andere gecombineerd met de evaluatie Wet SUWI en de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de zbo’s (conform artikel 39 Kaderwet zbo’s).1 

Door de coronacrisis is de ontwikkeling van een complete SEA verschoven naar de tweede helft van 2020. In de nog te ontwikkelen SEA is ook aandacht voor het evalueren van de coronamaatregelen. Daarnaast wordt de Tweede Kamer, zolang daaraan behoefte is bij de Kamer, maandelijks geïnformeerd over het beroep op de SZW-maatregelen uit het noodpakket en over het beeld op de arbeidsmarkt.

Tabel 14 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen
  

Realisatie

Planning

Art.

Naam artikel

2019

2020

2021

2022

2023

2024

20251

1

Arbeidsmarkt

 

     

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

 

     

3

Arbeidsongeschiktheid

    

  

4

Jongehandicapten

     

 

5

Werkloosheid

   

   

6

Ziekte en zwangerschap

   

   

7

Kinderopvang2

   

   

8

Oudedagsvoorziening

      

9

Nabestaanden

      

10

Tegemoetkoming ouders

     

 

11

Uitvoering

  

    

12

Rijksbijdragen3

       

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

   

   
X Noot
1

Voor 2025 zijn vooralsnog geen beleidsdoorlichtingen gepland. In de ontwikkeling van de SEA nemen we de planning van synthese-onderzoeken voor 2025 op.

X Noot
2

Voor artikel 7 Kinderopvang start in de zomer 2020 de pilot evaluatie- en onderzoekplanning Kinderopvang. Het eerste synthese-onderzoek in de pilot verschijnt in 2022. Deze pilot wordt uitgevoerd in het kader van de SEA en is hiermee een andere invulling van de beleidsdoorlichting die voor 2021 gepland stond. De Tweede Kamer wordt uiterlijk de week voor Prinsjesdag hierover geïnformeerd.

X Noot
3

Artikel 12, Rijksbijdragen, is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link: Status beleidsdoorlichtingen. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering, zie bijlage 5 «Evaluatie- en overig onderzoek».

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel 15 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

13 (Integratie en maatschappelijke samenhang)

Inburgering

285.031

divers

DUO, administratie (juli 2020).

Asielstatushouders die inburgeringsplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringsonderwijs te bekostigen. Slechts in het geval dat deze asielstatushouders onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringsdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden. Gezins- en overige migranten kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de asielstatushouders dienen gezins- en overige migranten de lening altijd terug te betalen. In beide gevallen geldt dat de lening niet wordt uitbetaald aan de nieuwkomer maar rechtstreeks aan de onderwijsinstantie.

Het kabinet is voornemens per 1 juli 2021 een nieuw inburgeringsstelsel in werking te laten treden. Het sociaal leenstelsel is niet van toepassing op asielstatushouders die na 1 juli inburgeringsplichtig worden. Gezins- en overige migranten kunnen in het nieuwe stelsel wel gebruik blijven maken van het sociaal leenstelsel.

3. Beleidsartikelen

Artikel 1 Arbeidsmarkt

A. Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en ­-voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);

  • de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • de handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Wet tegemoetkomingen loondomein

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd (Kamerstukken II 2018/19, 32 043, nr. 457) wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Daarnaast is in het pensioenakkoord de afspraak gemaakt dat werkgevers in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl tot een effectievere invulling gekomen kan worden. Daarbij is expliciet afgesproken dat het bezuinigingsbedrag binnen de Wtl niet kan veranderen en geldt het huidige instrumentarium van de Wtl als kader waarbinnen de gelden worden besteed. 

Uitkomst van de gesprekken met werkgevers is dat het LIV wordt omgevormd tot een loonkostenvoordeel voor potentieel kwetsbare jongeren (LKV jongeren). Daarnaast wordt het LKV banenafspraak structureel gemaakt (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 138, p. 25). Zo worden werkgevers gestimuleerd om mensen met een (potentieel) kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen en te houden. Met de uitvoering wordt de vroegst mogelijke termijn van invoering bekeken. In de brief van 6 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 34 304, nr. 15) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnen van een effectievere Wtl.

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

Met het Pensioenakkoord is structureel € 10 miljoen vrijgekomen voor een meerjarig investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen. Dit programma richt zich op twee sporen: het creëren van bewustwording en het verzamelen, toepasbaar maken en verspreiden van kennis op dit terrein. Vanaf 2020 worden middelen via een subsidieregeling beschikbaar gesteld om te experimenteren of pilots uit te voeren om toepassing in de praktijk te bevorderen.

Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM)

Aan de al bestaande stimuleringsregeling voor scholing en ontwikkeling van werknemers in MKB bedrijven, worden in 2021 extra middelen toegevoegd. De uitbreiding is een gevolg van de door de coronacrisis ontstane extra behoefte aan scholing en begeleiding.

Stimulans arbeidsmarktpositie (STAP)

In 2021 worden er voorbereidingen getroffen door UWV en DUO voor de uitvoering van het STAP-budget. Het STAP-budget is een uitgavenregeling, ter vervanging van de fiscale aftrek scholingsuitgaven, waarmee het individu in staat wordt gesteld om scholing in te zetten voor de eigen ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid. Naar verwachting gaat het STAP-budget van start per 1 januari 2022.

Arbeidsmarktmaatregelen coronapandemie

In voorjaar 2020 is de subsidieregeling Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkbehoud (NOW) ingevoerd. De regeling is bedoeld om werkgevers die te maken hebben met omzetverlies als gevolg van corona tegemoet te komen. Hierdoor kunnen zij hun werknemers in dienst houden. De regeling is in juni 2020 verlengd met vier maanden. De regeling is in juni 2020 verlengd met vier maanden. De daarop volgende derde verlenging kent een looptijd van 9 maanden tot 1 juli 2021. Deze derde tranche kent een aflopende tegemoetkoming van de loonsom en biedt ruimte de loonsom te laten dalen zonder dat dit ten koste gaat van de subsidie. De eerste drie maanden wordt 80% uitgekeerd waarna iedere 3 maanden het uitkeringspercentage met 10 procent-punt afneemt. Tevens geldt dat vanaf 1 januari 2021 het omzetverlies tenminste 30 procent moet zijn.

Een soortgelijke regeling is voor Caribisch Nederland ontwikkeld. Die regeling ziet op gedeeltelijke compensatie van loon en inkomstenverlies.

Als gevolg van corona wordt geïnvesteerd in scholing en ontwikkeling. De overheid ondersteunt door het bekostigen van ontwikkeladviezen en (online) scholing. Het pakket biedt (niet) werkenden de mogelijkheid een eerste stap te zetten in een mogelijke (her)oriëntatie op hun arbeidsmarktpositie. De subsidieregeling loopt in 2020 en 2021.

Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDI&EU)

Een van de maatregelen uit het pensioenakkoord betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Voor het faciliteren van maatwerk duurzame inzetbaarheid en het mogelijk maken van eerder uittreden heeft het kabinet vorig jaar € 800 miljoen beschikbaar gesteld (4 x € 200 miljoen vanaf 2021). Het kabinet is met de sociale partners als onderdeel van de uitwerking van het pensioenakkoord overeengekomen om dit budget met € 200 miljoen te verhogen naar € 1 miljard.

Herziening Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en aanpassing Besluit uitvoering Wav

De Wet arbeid vreemdelingen wordt herzien om de wet meer flexibel en toekomstbestendig te maken. Hierin past ook de wijziging dat een tewerkstellingsvergunning (twv) voor ten hoogste drie jaar kan worden verleend. Verder worden er wijzigingen doorgevoerd om de positie van werknemers te versterken en oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Om startups in Nederland beter in staat te stellen om internationaal talent aan te trekken, wordt daarnaast een verblijfsregeling gecreëerd voor essentieel personeel van startups in de vorm van een driejarige pilot.

Arbovisie

Het kabinet werkt aan een Arbovisie 2040. De sociale partners in de SER worden om advies gevraagd, waar in 2021 een kabinetsreactie op zal volgen.

Transitievergoeding MKB

Per 2021 hebben kleine werkgevers die hun onderneming stoppen vanwege pensionering of ziekte, onder voorwaarden, recht op compensatie van de transitievergoeding. Ook als de werkgever komt te overlijden en dit leidt tot bedrijfsbeëindiging kan de betaalde transitievergoeding voor compensatie in aanmerking komen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

816.502

15.452.005

5.844.818

1.306.534

1.083.805

1.089.799

844.700

        

Uitgaven

813.555

15.377.516

5.875.149

1.313.166

1.089.618

1.095.861

875.988

waarvan juridisch verplicht

  

99,8%

    
        

Inkomensoverdrachten

798.804

729.673

578.672

547.080

549.317

554.301

528.885

Vakantiedagen

7

0

0

0

0

0

0

Lage-inkomensvoordeel

509.639

524.611

391.198

373.606

372.755

371.899

0

Minimumjeugdloonvoordeel

123.754

62.691

18.767

18.767

18.767

18.767

0

Loonkostenvoordelen

165.404

142.371

168.707

154.707

157.795

163.635

528.885

Subsidies (regelingen)

1.877

14.624.966

5.273.419

740.002

514.085

514.566

320.457

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

4.198

9.870

9.870

9.870

9.870

8.870

Stimuleringsregeling LLO in MKB

0

1.414

90.856

49.400

49.356

49.400

106.967

Stimulans Arbeidsmarktpositie

0

0

0

202.497

202.101

202.551

202.275

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

0

14.538.875

4.808.400

207.375

0

0

0

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies CN

0

32.600

16.000

0

0

0

0

Nederland leert door

0

26.600

95.400

18.000

0

0

0

Tofa

0

18.000

0

0

0

0

0

Maatwerkregeling DI en eerder uittreden

0

0

250.000

250.000

250.000

250.000

0

Overige subsidies algemeen

1.877

3.279

2.893

2.860

2.758

2.745

2.345

Opdrachten

7.642

17.493

17.532

16.858

17.440

18.218

17.870

Bekostiging

675

550

550

550

100

100

100

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

42

792

4.492

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZK

0

40

100

3.800

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

2

692

692

692

692

692

Bijdrage aan agentschappen

4 557

4 792

4 184

4 184

4 184

4 184

4 184

RIVM

4 557

4 625

4 017

4 017

4 017

4 017

4 017

CJIB

0

167

167

167

167

167

167

        

Ontvangsten

10.904

9.654

24.975

25.110

25.180

25.180

25.180

Algemene ontvangsten

31

854

975

1.110

1.180

1.180

1.180

Boeten

10.873

8.800

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies:

Bijna 100% van het subsidiebudget is juridisch verplicht. Dat komt met name door de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid, Tijdelijke subsidieregeling DI en eerder uittreden en de subsidieregeling Stimuleringsregeling LLO in MKB die allen 100% juridisch verplicht zijn.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 42%. De middelen worden ingezet voor specifieke onderzoeken op het gebied van onder andere gezond en veilig werken en arbeidsverhoudingen en ten behoeve van communicatiecampagnes als bijvoorbeeld arbeidsmarktdiscriminatie en leven lang ontwikkelen (LLO).

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en voor Netspar en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de bijdrage aan het Centraal justitieel incassobureau (CJIB).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 17 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

0

788.671

469.873

253.344

257.000

257.000

257.000

        

Inkomensoverdrachten

0

788.671

447.570

233.512

233.512

233.512

233.512

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

0

788.671

412.570

198.512

198.512

198.512

198.512

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

0

0

35.000

35.000

35.000

35.000

35.000

        

Nominaal

0

0

22.303

19.832

23.488

23.488

23.488

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdloonvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De tegemoetkomingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2021 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2020 in dienst zijn. De Wtl-tegemoetkomingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

Lage-inkomensvoordeel

Het Lage-inkomensvoordeel (LIV) bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel banen te creëren en te behouden voor werknemers met een laag inkomen. Met ingang van 2020 is de tegemoetkoming voor werkgevers per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 125% van het minimumloon € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per kalenderjaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur per jaar gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan het LIV dalen vanaf 2021 omdat met ingang van 2020 (uitbetaling in 2021) het hoge tarief van het LIV is gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar en vanaf 2022 vanwege de taakstelling ter dekking van het temporiseren van de AOW-leeftijd.

Werkgevers hebben daarnaast in overleg met het kabinet onderzocht of voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden. Uitkomst van deze gesprekken is dat de LIV-gelden per 2025 elders binnen de Wtl worden ingezet. Hierdoor zijn er structureel geen uitgaven meer aan het LIV.

Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Het is geïntroduceerd ter compensatie van de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 en per 1 juli 2019. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers tijdelijk voor deze loonkostenstijgingen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan het Jeugd-LIV dalen vanaf 2021. Het Jeugd-LIV is met ingang van 2020 (uitbetaling 2021) gehalveerd en wordt met ingang van 2024 (uitbetaling 2025) afgeschaft ter dekking van de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Door de verlaging en afschaffing van het jeugd-LIV ontvangen werkgevers voor werknemers van 18 tot 21 jaar respectievelijk vanaf 2020 een lagere bijdrage en vanaf 2024 geen bijdrage meer voor de hogere loonkosten door de verhoging van het minimumjeugdloon per 2017 en 2019. Daarnaast dalen de uitgaven door de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019, waardoor sommige jongeren niet meer in het Jeugd-LIV vallen.

Loonkostenvoordelen

De Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. Er zijn vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen.

LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten en LKV Herplaatsing Arbeidsge-handicapten

  • Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen.

  • Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben.

  • Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten.

De tegemoetkoming voor het LKV Ouderen, het LKV Arbeidsgehandicapten en het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van deze tegemoetkomingen is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving. Uitzondering hierop is de LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer uit de doelgroep Banenafspraak in dienst neemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar.

Om de duurzaamheid van de banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak te vergroten, vinden er per 2024 twee wijzigingen plaats in het LKV banenafspraak. Het LKV banenafspraak wordt structureel beschikbaar in plaats van maximaal drie jaar na in dienst treden. Daarnaast kunnen werkgevers het LKV banenafspraak vanaf 2024 toepassen voor alle werknemers die ze in dienst hebben en niet alleen voor de werknemers die onlangs in dienst zijn getreden.

Budgettaire ontwikkelingen

Het LKV is per januari 2018 ingevoerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven aan het LKV doordat werkgevers nog bekend moeten raken met de nieuwe systematiek van de loonkostenvoordelen en door de groeiende doelgroep van het LKV Banenafspraak. Daarnaast zijn er vanaf 2025 middelen gereserveerd voor het structureel beschikbaar maken van het LKV Banenafspraak voor iedereen uit de doelgroep en voor de invoering van het LKV Jongeren.

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

Vanaf 1 april 2020 worden werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De regeling wordt met terugwerkende kracht ingevoerd. Voor 1 oktober 2020 dienen aanvragen voor compensatie van vergoedingen betaald tussen 1 juli 2015 en 31 maart 2020 te zijn ingediend. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2020 en 2021 vindt de compensatie van transitievergoeding voor de periode 1 juli 2015 tot en met 31 maart 2020 plaats. Daarom zijn de uitgaven in deze jaren hoger dan vanaf 2022 het geval is.

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

In 2021 start de compensatieregeling Transitievergoeding MKB bij bedrijfsbeeindiging vanwege pensionering, ziekte of overlijden. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding. Over de jaren is een gelijk gebruik verondersteld.

Subsidies

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

De subsidie voor duurzame inzetbaarheid (DI) en leven lang ontwikkelen (LLO) heeft betrekking op het meerjarige investeringsprogramma DI en LLO (€ 10 miljoen per jaar), dat is voortgekomen uit het pensioenakkoord. De afwijking van de € 10 miljoen vanaf 2021 is een saldo van een kasschuif van € 4 miljoen van 2020 naar de vier opvolgende jaren en middelen die zijn overgeboekt naar artikel 96 ter dekking van de personele kosten voor dit programma.

Stimuleringsregelig LLO in MKB

In 2020 is de Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen voor mkb-bedrijven (SLIM) en specifiek voor drie sectoren (landbouw, horeca en recreatie) gestart. Omdat de subsidie achteraf wordt uitgekeerd is in 2021 als eerste jaar het volledige budget beschikbaar; activiteiten vinden al wel in 2020 plaats. In 2025 is het budget hoger omdat daar zowel de middelen voor de subsidies die dat jaar worden afgerekend als in dat jaar worden toegekend zijn opgenomen. Een gedeelte van de middelen (bijna € 11 miljoen) is overgeboekt naar het Ministerie van OCW om toe te voegen aan de bestaande subsidieregeling praktijkleren. Werkgevers in de betreffende drie sectoren krijgen extra subsidie voor het aanbieden van bbl-leerplekken.

Voor 2021 is er in verband met de door de coronacrisis ontstane extra behoefte aan scholing en begeleiding een extra compartiment toegevoegd aan de SLIM-regeling. Hierdoor kunnen mkb-bedrijven meer subsidie krijgen voor het versterken van de leercultuur op de werkvloer via bedrijfsscholen en leerambassadeurs. Voor deze activiteiten is een extra bedrag van € 41,5 miljoen opgenomen.

Stimulans arbeidsmarktpositie

Vanaf 2022 zijn er middelen beschikbaar voor de subsidieregeling STimulering ArbeidsmarktPositie (STAP). Deze regeling vervangt de fiscale regeling voor de aftrek van scholing. In de jaren tot en met 2025 is het budget lager. Dit komt doordat eerder middelen naar voren zijn geschoven ten behoeve van het actieprogramma LLO en voor de implementatiekosten van STAP die onder andere UWV in 2020 en 2021 maakt.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid

De NOW bestaat uit meerdere tranches. Voor de eerste twee tranches (NOW1 en NOW2) die een looptijd hebben tot 1 oktober 2020 vinden ook in 2021 en 2022 uitgaven plaats. De NOW kent namelijk een bevoorschotting van 80%. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie vinden eventuele nabetalingen plaats. Daarnaast start vanaf 1 oktober NOW3.

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies Caribisch Nederland

De uitgaven aan de noodregeling voor Caribisch Nederland bedragen naar verwachting in 2021 € 16 miljoen.

NL leert door

In 2021 is er ruim € 95 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling NL leert door. Dit betreffen middelen ten behoeve van online scholing (€ 42 miljoen) en ontwikkeladviezen (€ 30 miljoen). Een gedeelte van de middelen is bestemd voor het afrekenen van in 2020 gestarte activiteiten. In 2022 is € 18 miljoen gereserveerd voor online scholing.

Tijdelijke subsidieregeling DI en eerder uittreden

Een van de maatregelen uit het pensioenakkoord betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van RVU-heffing (na inwerkingtreding van de betreffende wetgeving). Daarnaast kan subsidie aangevraagd worden om faciliteiten voor werkenden te introduceren om inzicht te krijgen in de effecten op het inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen. 

Overige subsidies algemeen

Dit betreft verschillende subsidies op het beleidsterrein van arbeidsverhoudingen en gezond en veilig werken. Onder andere wordt subsidie verleend aan de SER ten behoeve van het programma Diversiteit in bedrijf, aan stichting De letselschade Raad en aan de Long Alliantie Nederland ter preventie van werkgerelateerde longziekten. Met de subsidieregeling Eerlijk en Gezond Werk worden projecten in branches en bedrijven die hieraan een bijdrage leveren financieel ondersteund.

Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor onderzoek en voorlichtingscampagnes.

Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen en de bijdrage aan Netspar.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdrage aan agentschappen

Ten behoeve van de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is ruim € 4 miljoen gereserveerd.

Voor de uitvoeringskosten voor het innen van de bestuurlijke boetes opgelegd door de Inspectie SZW is structureel € 0,2 miljoen geraamd ten behoeve van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Ontvangsten

Dit betreft met name boeteontvangsten (€ 24,0 miljoen). De raming van de boeteontvangsten van de Inspectie SZW is met onzekerheid omgeven. Boeteontvangsten hangen onder andere af van het aantal inspecties en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Overigens zijn boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW. Zij stuurt niet op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie SZW stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Daarnaast gaat het om ontvangsten uit eigen bijdragen van medewerkers ten behoeve van een andere dienstauto dan het standaardaanbod (€ 1,0 miljoen).

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 18 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

Arbeidskorting

18.943

20.845

23.012

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.842

1.775

1.661

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

849

807

847

Kerncijfers
Arbeidsmarkt

De afgelopen jaren is de werkloosheid steeds gedaald. Als gevolg van de coronacrisis zal de werkloosheid dit jaar en volgend jaar sterk toenemen.

Tabel 19 Kerncijfers Arbeidsmarkt
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Beroepsbevolking (x 1.000)

9.017

9.125

9.267

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.579

8.774

8.953

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

438

350

314

Werkloosheidspercentage

4,9

3,8

3,4

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

8,9

7,2

6,7

 

25 tot 45 jaar

3,7

2,8

2,8

 

45 tot 75 jaar

4,4

3,6

2,7

Bron: CBS, Statline.

De werkzame beroepsbevolking kan worden uitgesplitst in vaste en flexibele arbeidsrelaties en zelfstandigen. Het aandeel werkenden met een vaste arbeidsrelatie stijgt met het opleidingsniveau (Figuur 5). Vooral voor lager opgeleiden vormen flexibele arbeidsrelaties een relatief groot deel van de niet-vaste contractvormen. Het aandeel zelfstandigen is bij de groep hoger opgeleiden groter.

Figuur 5 Werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau

Bron: CBS, Statline

Gezond en veilig werken

In 2019 heeft 1,5% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in 2019 ten opzichte van 2018 met 0,1%-punt toegenomen. Het betreft een beperkte toename; het ziekteverzuim is in de periode 2017–2019 0,4%-punt toegenomen. Werknemers verzuimden in 2019 gemiddeld 4,4 op de honderd werkdagen.

In 2019 vonden 3 incidenten met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Tabel 20 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,6

1,5

1,5

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,3

Ziekteverzuim (%)3

4,0

4,3

4,4

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

3

1

3

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

81

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,7

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,8

X Noot
1

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW, administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
6

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen. Daarnaast speelt een rol dat niet elk jaar evenveel werknemers onder de lopende cao’s vallen.

Tussen 2018 en 2019 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten (van 3.300 in 2018 naar 4.500 in 2019) en tewerkstellingsvergunning dan wel positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid die zijn afgegeven op de regeling voor de Aziatische horeca (van 1.900 in 2018 naar 3.100 in 2019).

Tabel 21 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)1

5.518

5.615

5.654

 

bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers

4.714

4.790

4.668

 

bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers

804

825

841

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (x 1.000, ultimo)2

8,9

10,1

13,3

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Daarnaast voert de Inspectie SZW in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

In het regeerakkoord 2017-2021 is € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW conform het Inspectie Controle Framework (ICF). Eind 2018 is dat bedrag aangevuld met een extra € 0,5 miljoen voor de aanpak van arbeids(markt)discriminatie bij werving en selectie (Kamerstukken II, 2018/19, 29 544, nr. 846). Het regeerakkoord bevestigt hiermee het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid. In de SZW Begroting 2018 en 2019 en in diverse Kamerbrieven zijn de met deze extra ICF-middelen te behalen doelen verwoord (Kamerstukken II 2017/18, 34 775 XV, nr. 1, Kamerstukken II 2017/18, 34 775 XV, nr. 74, Kamerstukken II 2018/19, 35 000 XV, nr. 1, Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 846). De Inspectie SZW stuurt met de kengetallen «Inspectie Control Framework» op het behalen van deze doelen. Daarnaast investeert de Inspectie SZW in de verdere ontwikkeling van haar werkwijze. Naast de genoemde versterking van de inspectieketen betreft dit de verdere verankering binnen de organisatie van het programmatisch werken en de beweging van ‘streepjes naar effect’. Dat uit zich onder meer in de opname van kengetallen voor het ICF in de SZW Begroting sinds 2018. Vanaf het Jaarplan Inspectie SZW 2018 wordt per programma het beoogde maatschappelijk effect verwoord en wordt hier in de Jaarverslagen van de Inspectie SZW over gerapporteerd.

De impact van de coronacrisis is ongekend. De directe gevolgen voor de arbeidsmarkt zijn groot, omdat hele sectoren tijdelijk hun deuren hebben moeten sluiten, zelfstandigen opdrachten zagen wegvallen en werknemers in onzekerheid thuiszaten of wel doorwerkten in sterk veranderde omstandigheden. Het zet de bekende risico’s verbonden aan het verrichten van arbeid in een ander daglicht. Het leidt ook tot nieuwe risico’s voor veilig, gezond en eerlijk werk plus risico’s op fraude met regelingen ter ondersteuning van bedrijven tijdens de coronacrisis. In haar Jaarverslag 2019 heeft de Inspectie SZW de aanpassingen in haar werkwijze en programmering al kort benoemd. Uit de aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigranten (Kamerstukken II 2019/20, 29 861, nr. 51) vloeien ook aanpassingen voort.

In overeenstemming met het kabinetsbeleid zijn inspecties en recherche­onderzoeken van 13 maart tot begin juni 2020 ter plekke beperkt tot spoedeisend ongevalsonderzoek en urgente benadelingssituaties. Sinds begin juni 2020 worden inspecties en rechercheonderzoeken ter plekke uitgevoerd, mits gewerkt kan worden overeenkomstig de risicobeperkende maatregelen die voortvloeien uit de Risico Inventarisatie en Evaluatie. De Inspectie SZW zal ook tot in 2021 blijven meebewegen als de omstandigheden en kabinetsbesluiten daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld een geleidelijke openstelling van sectoren.

Dit aanpassen van de werkwijze doorkruist uiteraard de voorgenomen inzet van de Inspectie SZW uit haar Meerjarenplan 2019-2022 (MJP) in het algemeen en haar Jaarplan 2020 in het bijzonder. Het Jaarplan 2020 van de Inspectie SZW is daarom bijgesteld (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 XV, nr. 96). Eind 2020 komt zoals gepland de Mid-term Review van het Meerjarenplan 2019-2022 gereed. Aan de hand van de resultaten van deze review wordt bezien of, en zo ja, welke (her-)prioritering nodig zal zijn op basis van de huidige en nieuwe ontwikkelingen en risico’s, inclusief de directe effecten van de coronacrisis alsmede de indirecte effecten, zoals de genoemde aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigranten.

Ook in 2021 organiseert de Inspectie SZW haar activiteiten in programma’s. Per programma wordt bepaald wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie SZW wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Daarbij zoekt de Inspectie SZW de samenwerking met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. Daar waar effect wordt bereikt, is het vaak niet mogelijk om een causaal verband tussen interventies en effect aan te tonen. In die gevallen zal de Inspectie SZW zich richten op het plausibel maken van dit verband in het eigen Jaarverslag, zoals ook vanaf het Jaarverslag 2018 per programma is gedaan. Dit borgt tevens een doeltreffende en doelmatige inzet van de uit het ICF voortvloeiende middelen. De Inspectie SZW gaat jaarlijks in haar Jaarplan specifieker in op de per programma beoogde resultaten en effecten. Het Jaarplan 2021 wordt in november openbaar gemaakt.

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtsprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 22. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het ICF genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wil met de bij het regeerakkoord vrijgemaakte extra middelen de voor 2020 en 2023 geformuleerde ICF-doelen bereiken. Dat zijn voor 2020 een herstel van de balans tussen ongevalsonderzoeken en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Veilig en Gezond en verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Brzo-bedrijven naar tenminste 90%. Daarnaast wil de Inspectie SZW in 2023 het niveau van informatiegestuurd werken van 2 naar 3 brengen (zie de derde voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Bovendien streeft de Inspectie SZW naar een verdubbeling van de inspectiedekking eerlijk werk in 2023 naar 2%.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen. De beoogde capaciteitsverdeling is een uitvloeisel van de inzet van de ICF-middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW. Het streven is dat in 2023 het relatieve aandeel van toezicht op ‘eerlijk werk’ zal zijn toegenomen.

Effect

De bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van het beoogde maatschappelijk effect wordt op hoofdlijnen afgemeten aan de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om risicogericht werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Het streven is dat bij meer dan de helft van de bij eerste inspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is. Als de Inspectie SZW daarin slaagt, ligt het handhavingspecentage bij eerste inspectie boven de 50%. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij niet-nalevende werkgevers. Het streven is dat meer dan de helft van de bij herinspectie bezochte bedrijven de regels alsnog naleven. Als de Inspectie SZW daarin slaagt, ligt het handhavingspecentage bij herinspectie onder de 50%.

Tabel 22 Inspectie SZW: Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet en effect
 

Realisatie 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2023

Inspectie Control Framework

    

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

25:75

50:50

1

1

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)2

70

>90

1

1

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0-5)3

1

1

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)4

1

1

2

Capaciteitsinzet5

    

Gezond en Veilig (%)

42

1

1

34

Gevaarlijke Stoffen (%)

13

1

1

13

Arbeidsdiscriminatie (%)

3

1

1

2

Eerlijk (%)

40

1

1

50

Werk en Inkomen (%)

2

1

1

1

Effect6

    

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

46

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

16

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo7

43

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

47

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

42

<50

<50

<50

X Noot
1

De Inspectie SZW heeft voor de tussenliggende jaren geen doelen geformuleerd. De uitbreiding richt zich op doelen in 2020 of 2023. Voor de tussenliggende jaren zijn geen betekenisvolle doelen mogelijk.

X Noot
2

De definitie van deze indicator is met ingang van 2019 aangepast aan de definitie zoals deze wordt gehanteerd in de rapportage van de Brzo-partners.

X Noot
3

Definitie niveau 2: "Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is". Definitie niveau 3: "Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol". Een implementatieplan is opgesteld om in stappen van activiteiten in 2023 niveau 3 te bereiken. In de tussenliggende jaren is de realisatie niet uit te drukken in een realisatiecijfer.

X Noot
4

Dit betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden. Voor 2019 is geen realisatie beschikbaar. Het kerncijfer is geconcretiseerd voor 2020, waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies wordt meegenomen. In haar Jaarverslag 2020 zal de Inspectie SZW over de stand van zaken rapporteren.

X Noot
5

Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma's.

X Noot
6

In 2019 is sprake geweest van een wijziging in het registratiesysteem. Dit heeft tot gevolg dat de berekening van het handhavingspercentage 2019 is gewijzigd. Dit heeft een beperkte invloed op de hoogte van het percentage.

X Noot
7

Bij het inspecteren van Brzo-bedrijven bestaat er geen onderscheid tussen eerste inspecties en herinspecties. De werkwijze is dat de Inspectie SZW blijft inspecteren totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

A. Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Hierbij is ook aandacht voor de gevolgen van corona voor het beroep op de bijstand. Het macrobudget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

C. Beleidswijzigingen

Breed Offensief

Om de arbeidskansen van mensen met een beperking te vergroten heeft het kabinet een breed offensief gelanceerd (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 115, nr. 138, nr. 163). Het breed offensief bevat verschillende maatregelen die ervoor moeten zorgen dat meer mensen met een beperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van de inzet van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, en het werken lonender maken voor mensen met een beperking. Voor een aantal van de voorstellen is wetswijziging noodzakelijk. Het daartoe strekkende wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet (uitvoeren Breed Offensief) is op 13 februari 2020 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 2). Op 11 juni jl. is de Nota naar aanleiding van het verslag naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 8). De Tweede Kamer heeft inmiddels besloten dat de behandeling van het wetsvoorstel na de zomer plaatsvindt. Het streven is dat het wetsvoorstel op 1 juli 2021 wordt ingevoerd.

In verband met het voorstel om een gedeelte van de inkomsten van mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken vrij te laten, is structureel € 40 miljoen toegevoegd aan het macrobudget voor participatiewetuitkeringen. Voor de overige voorstellen uit het breed offensief is incidenteel € 53 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is reeds € 22 miljoen ingezet voor maatregelen uit het wetsvoorstel. De bestemming van de resterende middelen wordt momenteel met gemeenten besproken om tot een doelmatige besteding te komen.

Armoede en schulden

De huidige coronacrisis raakt ons allen, financieel kwetsbare personen in het bijzonder. Het kabinet zet zich, samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, ervoor in dat mensen die het financieel moeilijk hebben niet nog verder in de financiële problemen komen als gevolg van de corona-uitbraak. Er is gelukkig een goede infrastructuur in Nederland om mensen in armoede en met schulden te ondersteunen. Bovendien heeft het kabinet al een aantal extra tijdelijke maatregelen genomen in het licht van de coronacrisis, zoals noodsteun aan de voedselbanken en afspraken dat in principe geen uithuiszettingen plaatsvinden (Kamerstukken II 2019/20, 35 415, nr. 11). 

De verwachting is desondanks dat het aantal mensen met problematische schulden en met een risico op armoede zal toenemen. Voor de aanpak hiervan heeft het kabinet in het kader van het steun- en herstelpakket in totaal ongeveer € 150 miljoen beschikbaar gesteld. Onderdeel van deze aanpak is dat het kabinet wil komen tot een versnelling en intensivering van het armoede- en schuldenbeleid. Het kabinet is hierover thans met veel betrokken partijen in gesprek. Later dit jaar zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de resultaten van deze gesprekken.

Het kabinet heeft bij de aanpak van armoede bijzondere aandacht voor de positie van kinderen. In 2021 zet het kabinet de aanpak van kinderarmoede met kracht voort. In 2019 heeft het kabinet in samenwerking met de VNG vier ambities kinderarmoede geformuleerd (Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 484). Deze zijn erop gericht dat ieder kind in een gezin met een laag inkomen kan meedoen; op een daling van het aantal huishoudens met kinderen met een laag inkomen; op het bieden van inzicht in kansarmoede onder kinderen; en op het verzamelen en delen van goede voorbeelden. De ambities zijn dit jaar nader uitgewerkt. In lijn met de duurzame ontwikkelingsdoelen streeft het kabinet naar een afname van het aantal kinderen in armoede van 9,2 procent in 2015 naar 4,6 procent in 2030 (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 494). Het kabinet zal elke twee jaar over de voortgang van de ambities rapporteren. In 2021 zal het kabinet de eerste rapportage evenals een evaluatie van de bestuurlijke afspraken met de VNG over kinderarmoede aan het parlement aanbieden.

Momenteel loopt een verkenning door de SER van het thema werkende armen. Deze verkenning kan het kabinet aanleiding geven om ook op dit terrein nadere maatregelen te nemen.

Op 15 juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de resultaten van de brede schuldenaanpak (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 533). Die aanpak is gericht op preventie en vroegsignalering van schulden, ontzorgen en realiseren van een maatschappelijk verantwoorde incasso. Het komend jaar staat onverminderd in het teken van wetgeving en het uitvoeren en verder uitwerken van de plannen en maatregelen. Zowel de wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, waarmee het vroegtijdig signaleren van schuldenproblematiek een wettelijke basis krijgt, als de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zullen op 1 januari in werking treden. Beide wetten zijn gezien de verwachte toename van mensen met problematische schulden van extra waarde. Het is mede daarom dat het kabinet ook wanneer wellicht nog niet alle betrokken partijen de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet per 1 januari volledig kunnen uitvoeren, toch tot invoering van deze wet - die het bestaansminimum van mensen met schulden beter borgt - wil overgaan. Het naar verwachting beperkte aantal partijen dat per 1 januari nog niet volledig uitvoering kan geven aan de wet, zal een korte overgangstermijn worden geboden om alsnog de implementatie verantwoord te kunnen afronden (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 532). De parlementaire behandeling van de wetgeving gericht op verbreding van het beslagregister (wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag) zal in 2021 plaatsvinden.

Onverminderd en met urgentie wordt in 2021 doorgewerkt aan de brede schuldenaanpak.

Handhaving

Begin 2020 is een voorstel tot wijziging van de Participatiewet ingediend bij de Tweede Kamer, met als doel het wegnemen van de onterecht gunstige positie van mensen met fraudevorderingen bij de toegang tot het recht op bijstand. Dit wordt bereikt door alle vorderingen en boetes wegens schending van de inlichtingenplicht binnen de gehele sociale zekerheid uit te sluiten als schuld bij de vermogenstoets.

Het kabinet streeft ernaar, nadat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen, dit zo snel mogelijk in werking te laten treden. Naar verwachting is dit in de eerste helft van 2021.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor deze doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2019 was om 55.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 40.000 in de sector markt en 15.000 in de sector overheid. De doelstelling van 55.000 banen is met 61.615 extra banen ruim gehaald.

Met 51.829 banen heeft de sector markt de doelstelling van 40.000 banen weer gehaald. Helaas hebben de overheidswerkgevers de doelstelling ook in 2019 niet gehaald. Ten opzichte van de nulmeting heeft de sector overheid 9.786 extra banen gerealiseerd. Het resultaat van de sector overheid over 2019 geeft dus geen aanleiding om de quotumregeling te deactiveren. De coronacrisis heeft geen invloed gehad op de resultaten over 2019. De mogelijke effecten van de coronacrisis worden pas zichtbaar in de resultaten over 2020.

De Staatssecretaris van SZW heeft in november 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 137) de vereenvoudiging van de Wet banenafspraak aangekondigd. Gevolg gevend aan de uitvoering van de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 126) heeft de Staatssecretaris anticiperend op deze vereenvoudiging in het wetsvoorstel deactivering en uitstel quotumheffing het opleggen van de quotumheffing opgeschort tot uiterlijk 1 januari 2022. De wet die dit regelt, is vanaf 1 januari 2020 in werking getreden. In juli 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 34 353, nr. 168) heeft zij de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de vereenvoudiging. Het wetsvoorstel hiervoor zal naar verwachting eind 2020 aan de Kamer aangeboden worden.

Tabel 23 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20191

Streefwaarde 20192

Streefwaarde 20202

Streefwaarde 20212

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

51.829

40.000

50.000

60.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

9.786

15.000

17.500

20.000

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Tweede Kamer, 2013-2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

6.898.061

10.826.180

8.133.112

8.210.753

8.154.324

8.094.511

8.053.926

        

Uitgaven

6.927.241

10.834.530

8.148.597

8.216.853

8.155.799

8.094.574

8.053.926

waarvan juridisch verplicht

  

99,6%

    
        

Inkomensoverdrachten

6.875.960

10.751.439

8.080.148

8.164.055

8.109.028

8.047.692

8.002.107

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

6.084.680

6.378.333

6.845.226

7.245.067

7.176.450

7.100.839

7.028.259

Participatiebudget

700

0

0

0

0

0

0

TW

442.200

470.163

496.673

504.476

499.309

492.811

487.587

AIO

309.006

335.141

365.962

389.494

408.996

429.661

461.835

Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

35.027

3.560.916

365.029

17.640

16.784

16.784

16.784

Bijstand overig

1.168

1.000

960

910

860

820

780

Onderstand (Caribisch Nederland)

3.179

5.886

6.298

6.468

6.629

6.777

6.862

Subsidies (regelingen)

36.278

48.578

24.489

20.660

14.522

13.424

13.361

Sectorplannen

2.745

1.042

0

0

0

0

0

Armoede en schulden

4.335

3.040

1.140

95

0

0

0

DWSRA

6.061

8.000

0

0

0

0

0

Europees fonds meestbehoeftigen

90

100

100

0

0

0

0

Regionale kansen kinderen

1.635

414

0

0

0

0

0

Alle kinderen doen mee

10.904

10.079

11.431

13.780

10.000

10.000

10.000

Overige subsidies algemeen

7.447

22.791

8.704

3.671

1.408

247

247

SBCM

2.810

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

NIBUD

251

312

314

314

314

377

314

Opdrachten

3.125

22.595

32.482

20.660

20.771

21.980

26.980

Bekostiging

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

1.297

1.297

ZonMw

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

1.297

1.297

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

223

170

172

172

172

172

172

ZonMw

223

170

172

172

172

172

172

Bijdrage aan sociale fondsen

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Pensioenfonds Wsw

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

0

9

9

9

9

9

9

Contributie CASS

0

9

9

9

9

9

9

        

Ontvangsten

28.393

20.458

4.415

12.859

120.825

182.426

185.293

Algemene ontvangsten

28.393

20.458

4.415

12.859

19.325

19.526

20.093

Tozo retour kapitaal verstrekkingen

0

0

0

0

101.500

162.900

165.200

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. In algemene zin geldt dat inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd en gebaseerd zijn op wet- en regelgeving voor 100% juridisch verplicht zijn. Dit geldt voor de rijksbijdragen aan uitvoerende instellingen, zoals gemeenten (Macrobudget participatiewetuitkeringen € 7 miljard) dat vóór oktober 2020 wordt toegekend/verplicht en betrekking heeft op 2021, maar ook voor UWV (Toeslagenwet € 0,5 miljard) en de SVB (AIO € 0,4 miljard).

Subsidies:

De subsidies zijn voor 85% juridisch verplicht. De circa 15% kasmiddelen waarvoor nog ruimte is om verplichtingen aan te gaan hebben betrekking op subsidies voor armoede onder kinderen en voor overige (incidentele) subsidies algemeen.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. Het gaat om circa € 3,2 miljoen. Zie ook de toelichting van het financiële instrument Opdrachten.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan sociale fondsen:

De bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht en vormen compensatie van gestegen werkgeverslasten, onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw een akkoord bereiken over een structurele oplossing voor het pensioenfonds PWRI. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties:

De bijdrage aan de CASS bedraagt € 0,009 miljoen per jaar en is per 2020 overgegaan van I&W naar SZW en is 100% verplicht en geldt tot nader order.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Macrobudget participatiewetuitkeringen

Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en bijstand voor levensonderhoud van ondernemers. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2021 geraamd op bijna € 7 miljard. In 2021 wordt hiervan een bedrag van € 13,8 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2019. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten waarvan het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicorempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort, dat over 2019 meer bedraagt dan 7,5% en over 2017, 2018 en 2019 samen ook meer bedraagt dan 7,5% van het budget 2019, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2019 (te financieren uit het macrobudget 2021). In tabel 25 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 25 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Macrobudget participatiewetuitkeringen

6.084.6801

6.378.333

6.845.226

7.245.067

71.764.450

7.100.839

7.028.259

        

Macrobudget participatiewetuitkeringen

6.072.605

6.374.957

6.845.226

7.245.067

7.176.450

7.100.839

7.028.259

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

5.658.801

5.968.726

6.424.094

6.836.550

6.772.650

6.713.643

6.678.818

IOAW

350.536

328.387

316.248

323.192

316.971

299.169

260.871

IOAZ

31.838

30.719

30.999

32.478

33.982

35.180

35.723

BBZ2

31.429

47.125

73.885

52.847

52.847

52.847

52.847

        

Correctie verdeelmodel

12.075

3.376

     
X Noot
1

Toelichting definitief macrobudget 2019; berekening SZW.

X Noot
2

In 2019 betreft dit enkel het budget voor levensonderhoud voor startende ondernemers (BBZ). Vanaf 2020 is het budget voor levensonderhoud voor gevestigde ondernemers hieraan toegevoegd.

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en onvoldoende over eigen middelen van bestaan beschikt, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 26 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 26 Netto bijstandsnormen van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2020

Gehuwd / samenwonend

1.512,901

Alleenstaande (ouder)

1.059,031

X Noot
1

Bron:

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand en loonkostensubsidies.

De invoering van een aantal wetswijzigingen leidt tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Dit zijn onder andere de invoering van de Participatiewet en de invoering van het onderdeel WW-duurverkorting in de Wet werk en zekerheid. Als gevolg van de coronacrisis en op basis van de CPB-raming van de werkloosheid wordt in 2021 en 2022 een hoger bijstandsbestand verwacht, dat na 2022 langzaam daalt.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 27 toont de gerealiseerde en geraamde omvang van het aantal bijstandsuitkeringen. De Factsheet Participatiewet bevat meer informatie over de ontwikkeling en samenstelling van het bijstandsvolume.

Tabel 27 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

361

382

412

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Tabel 28 bevat informatie over re-integratie door gemeenten. De voorzieningen die gemeenten aanbieden bestaan onder meer uit proefplaatsingen, jobcoaching, trainingen en opleidingen. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben gemeenten ook de beschikking gekregen over het instrument structurele loonkostensubsidie en zijn zij verantwoordelijk voor het naar behoefte creëren van beschut werk. Bovendien is geen nieuwe instroom in de Wsw meer mogelijk.

Tabel 28 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

256

270

231

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

190

198

175

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2

45

46

213

    

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

44

52

49

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

9,1

13

18

    

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)4

87

83

78

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

37

38

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

6,6

6,4

6,7

X Noot
1

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
2

CBS, Uitstroom na re-integratie.

X Noot
3

Het cijfer over 2019 betreft de eerste twee kwartalen.

X Noot
4

Panteia, WSW-rapportage.

Tabel 29 bevat informatie over mensen die werken onder de Banenaf-spraak, of op een beschutte werkplek onder de Wsw of de Participatiewet. Dit zijn veelal mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Per saldo zijn over de drie wettelijke kaders eind 2019 ruim 20% meer mensen aan het werk dan eind 2015.

Tabel 29 Kerncijfers Werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

149

162

167

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)1

99

113

120

 

waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)2

49

47

43

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)3

1,2

2,5

4,0

X Noot
1

UWV, Factsheet banenafspraak.

X Noot
2

Onder 'interne' plaatsing valt ook 'werken op locatie' (WOL), waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf. Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek.

X Noot
3

UWV, Rapportage beschut werk.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965, na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

De hoogte van de IOAW/ IOAZ uitkering is afhankelijk van de leefsituatie. Een overzicht van de bruto bedragen staat in tabel 30. In de IOAW en IOAZ geldt sinds 2015 de kostendelersnorm voor alleenstaande kostendelers. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de norm 50% van de gehuwdennorm, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen.

Tabel 30 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2020

Gehuwd / samenwonend

1.689,30

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.328,71

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

844,65

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven dalen in 2021 door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. Dit leidt ertoe dat in 2021 minder mensen een beroep kunnen doen op de IOAW. Vanaf 2022 is de verslechterde conjunctuur als gevolg van de coronacrisis terug te zien in de volumeontwikkeling van de IOAW, dat komt door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur. De vertraging treedt op doordat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst WW-gerechtigd is geweest. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de verhoging van de AOW-leeftijd. Dit heeft een opwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen later de AOW-leeftijd bereiken. De uitgaven aan de IOAZ nemen vooral toe door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 31 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

23

22

21

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,9

1,9

1,9

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel dat onderdeel is van het Macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor zelfstandigen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is of de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 26) als aanvulling voor levensonderhoud.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor Bbz levensonderhoud in 2021 worden geraamd op € 74 miljoen. Na afloop van de Tozo per 1 juli 2021 is de verwachting dat een deel van de Tozo-gerechtigden door zal stromen naar het Bbz. Uitgaven in 2021 vallen daardoor hoger uit.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 32 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,1

2,8

4,4

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

Het is primair de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het lokale bestuur om een goede invulling te geven aan de handhaving. Waar nodig en mogelijk faciliteert het Ministerie van SZW daarbij, veelal in samenwerking met de VNG en Divosa. Dit doet zich onder andere voor bij de aanpak van complexe misbruikrisico’s, zoals verzwegen vermogen in het buitenland, of wijzigingen in wet- en regelgeving. De VNG rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen op het gebied van fraude en doet beleidsaanbevelingen. Het komende jaar verkent de VNG de mogelijkheden tot het zetten van gerichte stappen om te komen tot een eenduidige registratie van fraudesignalen en de afhandeling van fraudesignalen door gemeenten. Daarnaast wordt ingezet op de doorontwikkeling van handhaving als onderdeel van de integrale voorwaardelijke dienstverlening. Het Ministerie van SZW faciliteert de VNG hierbij.

Tabel 33 Kerncijfers Participatiewet (fraude en handhaving algemene bijstand)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

75

72

73

Kennis van de verplichtingen (%)

88

86

86

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering4

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

31

23

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
4

CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • Een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon;

  • Een alleenstaande van 21 jaar of ouder, die samenwoont met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, met een inkomen dat lager is dan 50% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag dat op de uitkeringsgerechtigde van toepassing is. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon.

Tabel 34 Normbedragen TW bruto per dag, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2020

Gehuwd / samenwonend

77,24

Alleenstaande van 21 jaar en ouder

56,57

Alleenstaande van 21 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

35,96

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Toeslagenwet nemen tot en met 2022 met enkele tientallen miljoenen toe als gevolg van de coronacrisis. De hogere werkloosheid als gevolg van de coronacrisis leidt tot meer mensen met een WW-, ZW- en IOW-uitkering. Hierdoor zijn er naar verwachting ook meer mensen die een TW-aanvulling ontvangen op een van deze uitkeringen. In 2020 bedraagt het gemiddeld jaarvolume naar verwachting 110.000 uitkeringsjaren, in 2021 118.000 uitkeringsjaren. Na een piek van zo'n 121.000 uitkeringsjaren in 2022 normaliseren de TW-volumes zich naar verwachting vanaf 2023 weer. Deze normalisering gaat gepaard met de verwachte normalisering van de werkloosheidscijfers vanaf 2022.

Beleidsrelevante kerncijfers

De gemiddelde toeslag per jaar blijft naar verwachting redelijk constant in 2020 en 2021.

Tabel 35 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

105

110

118

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3.489

3.547

3.502

X Noot
1

UWV, Juninota.

Handhaving

Samen met UWV wordt momenteel onderzocht hoe risico’s in de uitvoering van de Toeslagenwet kunnen worden beperkt en of er aanpassingen in wet- en regelgeving en/of de uitvoeringspraktijk nodig zijn. Sinds 2019 worden door middel van extern onderzoek de misbruikrisico's van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht.

De TW kerncijfers fraude en handhaving over 2019 vertonen een stabiel beeld ten opzichte van 2018.

De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2019 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 36 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Opsporing1

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

2,7

1,8

2,0

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

2,0

1,2

1,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

6,7

4,5

4,7

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering1

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

36

23

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 37 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2020

Gehuwd / samenwonend

1.606,88

Alleenstaande (ouder)

1.184,26

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de AIO nemen de komende jaren toe. Deze budgettaire ontwikkeling houdt verband met de verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden vanwege vergrijzing en doorwerking van de afschaffing van de partnertoeslag vanaf 2015. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-leeftijd dan weer wordt verhoogd. In het Pensioenakkoord is een 2/3-koppeling van de AOW-leeftijd vanaf 2025 afgesproken. Hierdoor zal de AOW-leeftijd in 2025 niet worden verhoogd. De uitgaven nemen hierdoor in 2025 sneller toe dan in eerdere jaren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 38 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

47

50

54

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De SVB heeft in 2019 extern onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de SVB haar handhaving invulling geeft. Uit dit onderzoek blijkt dat de SVB alle misbruikrisico’s in beeld heeft en dat er voldoende interne en externe mogelijkheden zijn ingericht om misbruiksignalen op te vangen (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 630). De SVB rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen en fenomenen op het gebied van fraude. In de signaleringbrief van juni 2020 heeft de SVB geen nieuwe frauderisico’s gesignaleerd (Kamerstukken II 2019/20, 17 050, nr. 595). De SVB geeft aan door de contactbeperkende maatregelen vanwege corona een lager aantal onderzoeken te kunnen verrichten dan gepland. De verhoging van het handhavingsrisico is naar inschatting van de SVB vooralsnog beperkt.

Tabel 39 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

73

67

Kennis van de verplichtingen (%)

89

87

85

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

28

17

10

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende, gevestigde en beëindigende zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een uitkering om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en in de vorm van bedrijfskredieten.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het bedrijfskapitaal?

De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskapitaal wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 40 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2020

Startende zelfstandige

37.398

Gevestigde zelfstandige

203.135

Budgettaire ontwikkelingen

Hier wordt het onderdeel van het Bbz over bedrijfskredieten toegelicht. Het bijstandsonderdeel van het Bbz om te voorzien in de kosten van levensonderhoud is onderdeel van het macrobudget en wordt toegelicht onder Macrobudget participatiewetuitkeringen. Per 1 januari 2020 is de financieringssystematiek van het Bbz vereenvoudigd. Gemeenten ontvangen niet langer voorschotten om bedrijfskredieten te verstrekken. Achteraf worden de door gemeenten verstrekte bedrijfskredieten voor 75% vergoed met een vertraging van twee jaar. Tot en met 2022 loopt de aanvullende uitkering door uit de oude financieringssystematiek. In 2021 worden daardoor alleen uitgaven gedaan voor verrekeningen en de aanvullende uitkering. Vanaf 2022 stijgen de uitgaven omdat dan de door gemeenten vanaf 2020 uitgegeven kapitaalverstrekkingen worden vergoed.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers (Tozo)

Gemeenten geven uitvoering aan een extra tijdelijke voorziening voor zelfstandigen, de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers (Tozo). Ondernemers van wie het inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum is geraakt, kunnen een beroep doen op ondersteuning voor levensonderhoud in de vorm van aanvullende bijstand. Daarnaast kunnen zelfstandigen met een liquiditeitsprobleem een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen. De Tozo betreft een tijdelijke regeling en vanaf 1 juli 2021 is het niet langer mogelijk een aanvraag voor levensonderhoud of bedrijfskapitaal op grond van de Tozo in te dienen. Uitkeringen ten behoeve van levensonderhoud lopen 1 juli 2021 af.

Wie komt er voor in aanmerking?

Zelfstandigen van wie het inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum is geraakt en die aan de overige voorwaarden voldoen, ontvangen aanvullende bijstand. Bij uitkeringen die voor 1 juni 2020 zijn aangevraagd is geen sprake van een partnerinkomens- of vermogenstoets. Deze uitkeringen lopen maximaal drie maanden. Tussen 1 juni 2020 en 1 oktober 2020 kunnen zelfstandigen ondersteuning voor levensonderhoud ontvangen, daarbij geldt de partnerinkomenstoets. Vanaf 1 oktober 2020 kunnen zelfstandigen alleen nog ondersteuning voor levensonderhoud aanvragen wanneer zij tevens voldoen aan een beperkte vermogenstoets. Ondernemers die als gevolg van de coronacrisis liquiditeitsproblemen ervaren, kunnen gedurende de hele looptijd van de Tozo een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen.

Hoe hoog is de Tozo-uitkering en het krediet?

De maximale hoogte van de aanvullende bijstand is gelijk aan de bijstandsnormen voor algemene bijstand (tabel 26). Voor bedrijfskredieten geldt dat er een lening van maximaal € 10.157,- wordt verstrekt.

Budgettaire ontwikkelingen

De Tozo is een tijdelijke regeling in 2020 en 2021. Gemeenten geven uitvoering aan de Tozo en ontvangen daarvoor voorschotten. Op basis van declaratie worden de werkelijke uitgaven van gemeenten vergoed. De uitvoeringskosten worden vergoed op basis van een vast bedrag per besluit op aanvraag. In 2021 en 2022 verantwoorden gemeenten hun uitgaven en vindt voorlopige verrekening plaats. In 2022 en 2023 vindt definitieve verrekening plaats. Vooralsnog is onzeker of dat voor SZW tot extra uitgaven of ontvangsten zal leiden.

Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden naar verwachting afneemt. Voor de repatriëringsregeling zijn geen uitgaven voorzien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen dat in het buitenland een bijstandsuitkering ontvangt, daalt de komende jaren naar verwachting licht.

Tabel 41 Kerncijfers bijstand buitenland
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

SVB, Jaarverslag.

Onderstand Caribisch Nederland

De rijksoverheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand. Het betreft zowel algemene als bijzondere onderstand. Laatstgenoemde component heeft betrekking op uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die de belanghebbende zelf niet kan voldoen.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Onderstand in 2021 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 42 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,6

0,6

0,6

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Subsidies

In totaal is in 2021 € 24,5 miljoen voor subsidies beschikbaar. € 11,4 miljoen is beschikbaar voor het armoedebeleid specifiek voor kinderen. Verder is € 9,9 miljoen beschikbaar voor overige (incidentele) subsidies en € 2,8 miljoen voor subsidie aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen. Verder is nog € 0,4 miljoen beschikbaar voor EFMB en NIBUD.

Opdrachten

De € 32,5 miljoen beschikbare middelen voor opdrachten zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidspartici-patie (circa € 19,2 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (circa € 12,8 miljoen) en bevordering ondernemerschap (circa € 0,5 miljoen). De middelen bevordering arbeidsparticipatie worden mede ingezet ten behoeve van diverse programma’s, zoals de programma’s Matchen op Werk (verbeteren werkgeversdienstverlening en matchen op werk), Perspectief op Werk (betere matching in de arbeidsmarktregio’s), Aanpak Multiprobleem Huishoudens en Simpel Switchen. Daarnaast vindt ook inzet plaats via een ondersteuningsaanbod op het terrein van Breed Offensief, handhaving, vakmanschap, aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en laaggeletterdheid. Uit de middelen voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening worden diverse ondersteuningsprogramma’s gefinancierd op het terrein van het (gemeentelijk) armoedebeleid en de (gemeentelijk) schuldhulpverlening met specifieke aandacht voor implementatie vereenvoudiging beslagvrije voet en keten derdenbeslag als ook het programma Brede Schuldenaanpak, waarover de Kamer periodiek wordt bericht.

Bekostiging

Voor de bekostiging van het meerjarig Kennisprogramma vakkundig aan het werk, dat wordt uitgevoerd door ZonMw, is in 2021 € 1,3 miljoen beschikbaar.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Voor de uitvoering van het meerjarig Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw bijna € 0,2 miljoen beschikbaar in 2021.

Bijdrage aan sociale fondsen

Met ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Vanaf 2020 is de financiering van de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) overgegaan van het Ministerie van I&W naar SZW.

Ontvangsten

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken. De terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019, waarvoor in 2021 € 3,8 miljoen ontvangsten zijn geraamd. Verder worden als gevolg van de gewijzigde financieringssystematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen de terugontvangsten van gemeenten op verleende kredieten voortaan niet meer gesaldeerd, maar vanaf 2022 onder de ontvangsten verantwoord en worden hier ook de aflopende terugontvangsten van oude jaren geraamd. In 2021 worden ontvangsten geraamd op € 0,6 miljoen vanwege vaststellingen over 2018 en 2019.

In 2020 en 2021 worden door gemeenten leningen voor bedrijfskapitaal uitgegeven vanuit de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers. Zelfstandigen zullen deze leningen vanaf 2021 aan gemeenten terugbetalen. Gemeenten dragen deze terugontvangsten met een vertraging af aan SZW, in 2023 zullen de eerste ontvangsten binnenkomen.

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

WIA-criterium voor werknemers met loonkostensubsidie

UWV en SZW zijn in gesprek over de criteria om in aanmerking te komen voor de WIA voor werknemers die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet en vervolgens ziek worden. Voor deze groep geldt namelijk dat zij volgens de criteria van de WIA altijd volledig arbeidsongeschikt zijn, omdat er getoetst wordt of zij functies kunnen vervullen tegen minimaal het minimumloon. Dat is per definitie niet het geval, waardoor de uitkomst van de WIA-beoordeling (volledig arbeidsongeschikt) geen recht doet aan hun feitelijke mogelijkheden om te participeren. In de tweede helft van 2020 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over het vervolg. Een aanpassing in de criteria zal op zijn vroegst plaats kunnen vinden per 1 januari 2022, een jaar later dan gemeld in de begroting van 2020.

Maatregelen loondoorbetaling bij ziekte

Met het wetsvoorstel «RIV-toets UWV door arbeidsdeskundigen» wordt geregeld dat in 2021 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend wordt bij de RIV-toets door UWV. Deze maatregel komt voort uit de afspraken die gemaakt zijn met werkgevers en werknemers over het alternatieve pakket voor de regeerakkoordmaatregelen Loondoorbetaling bij ziekte en WIA (Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 873 en Kamerstukken II 2018/19, 32 716, nr. 37). De RIV-toets zal in 2021 volledig uitgevoerd worden door arbeidsdeskundigen van UWV. Als werkgever en werknemer de re-integratie-inspanningen hebben gepleegd die passend zijn bij het medisch advies van de bedrijfsarts, kan een RIV-toets niet meer leiden tot een sanctie. Hiermee wordt onzekerheid voorkomen over het te voeren re-integratietraject voor werkgever en werknemer.

Scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden

Conform het regeerakkoord is het scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden in verdere voorbereiding (Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 922). Doel van het scholingsexperiment is in de praktijk beproeven in hoeverre gerichte scholing WGA-gerechtigden dichter bij de arbeidsmarkt brengt en hun werkhervattingskansen vergroot.

Aanpassing AO-tegemoetkoming

Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wajong maatregelen heeft de Staatssecretaris van SZW aan de Eerste Kamer toegezegd het overgangsrecht voor een specifieke groep werkende Wajongers aan te passen. De kosten voor deze wijziging bedragen naar schatting € 2,5 miljoen per jaar en worden gedekt door verlaging van de AO-tegemoetkoming. De AO-tegemoetkoming komt hierdoor vanaf 2021 € 2,- netto per jaar lager uit dan anders het geval geweest zou zijn.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 43 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

943

3.696

10.722

10.745

4.767

790

802

        

Uitgaven

943

3.696

10.722

10.745

4.767

790

802

waarvan juridisch verplicht

  

6,7%

    
        

Inkomensoverdrachten

643

696

722

745

767

790

802

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

643

696

722

745

767

790

802

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

300

3.000

10.000

10.000

4.000

0

0

Individuele plaatsing & steun CMD

300

0

0

0

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

0

3.000

10.000

10.000

4.000

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

De bijdrage aan ZBO’s en RWT’s zijn 0% juridisch verplicht. Het betreft budget voor een scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 44 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

10.143.785

10.558.203

10.746.341

11.042.074

11.428.673

11.822.527

12.211.760

        

Inkomensoverdrachten

10.064.310

10.453.206

10.487.399

10.636.898

10.852.756

11.042.514

11.201.982

IVA

2.863.571

3.252.200

3.505.081

3.774.013

4.069.595

4.357.330

4.604.754

WGA

2.838.210

3.081.124

3.203.380

3.315.836

3.424.495

3.552.479

3.698.296

WGA eigenrisicodragers

313.001

336.121

355.793

378.325

403.715

428.802

446.582

WAO

3.935.120

3.682.025

3.334.925

3.087.649

2.882.028

2.640.095

2.397.338

WAZ

114.408

101.736

88.220

81.075

72.923

63.808

55.012

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

79.475

104.997

110.911

122.248

124.082

126.146

123.997

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

79.475

104.997

110.911

122.248

124.082

126.146

123.997

        

Nominaal

0

0

148.031

282.928

451.835

653.867

885.781

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Ongevallenverzekering in 2021 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 45 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2020 € 222,78, dat is afgerond € 4.845,47 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.634,10 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden jaarlijks een tegemoetkoming (in 2020 netto € 182,69) mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 24 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – met een maand per kwartaal – teruggebracht van 38 naar 24 maanden per 1 april 2019.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld met 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2020) netto € 182,69.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2021 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 400 miljoen. De WIA is een nog ingroeiende regeling die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit zal er ook meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 46.

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuit-kering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2020 maximaal € 3.634,10 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2020) netto € 182,69.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2021 bijna 20.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2021 met krap € 350 miljoen. Het WAO-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.

Beleidsrelevante kerncijfers

De AOW-leeftijd is in 2020 en 2021 bevroren. Ten opzichte van 2019, waar de AOW-leeftijd wel werd verhoogd, levert dit een hogere uitstroom richting de AOW op.

Tabel 46 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

IVA, WGA en WAO

   

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

564

564

564

 

waarvan IVA

127

139

148

 

waarvan WGA

200

210

219

 

waarvan WAO

237

215

196

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

7,7

7,5

7,4

    

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

46,4

47,9

46,5

 

waarvan IVA

11,7

12,3

12,3

 

waarvan WGA

34,0

35,1

33,7

 

waarvan WAO

0,6

0,5

0,5

Instroomkans (%)

0,6

0,6

0,6

    

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

37,5

49,3

46,5

 

waarvan IVA

8,9

13,0

13,9

 

waarvan WGA

11,0

14,2

13,0

 

waarvan WAO

17,6

22,1

19,6

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

12,4

11,4

11,1

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

6,2

8,7

8,2

    

WGA

   

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

21

2

2

Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

48

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

In 2020 is een doorlichting gestart van de misbruikrisico’s op het terrein van de ZW en WIA. Deze doorlichting wordt naar verwachting oktober 2020 afgerond. Vervolgens zal het afwegingskader worden uitgebreid met misbruikrisico’s van de ZW en WIA en zal onderzocht worden of aanvullende beheersmaatregelen genomen worden, en er aanpassingen in wet- en regelgeving en/of de uitvoeringspraktijk nodig zijn. De kengetallen op het gebied van handhaving in voorgaande jaren tonen een stabiel beeld.

Tabel 47 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

74

71

Kennis van de verplichtingen (%)

89

88

90

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

50

38

23

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans». Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2020 maximaal € 1.260,00 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2020) netto € 182,69.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. In 2021 bedraagt de afname van de uitkeringslasten circa € 14 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Doordat de WAZ een afgesloten regeling is neemt het aantal uitkeringen jaarlijks af.

Tabel 48 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

9,7

8,4

7,3

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden

Conform het regeerakkoord is het scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden in verdere voorbereiding (Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 922). Hiervoor is in totaal € 30 miljoen beschikbaar gekomen, verdeeld over de jaren 2020 t/m 2022. Op basis van de uitkomsten van dit experiment kan een bredere inzet van scholing worden overwogen.

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zet UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structurele functionele beperking.

UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan UWV beschikbaar gesteld en door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget is in 2021 € 111 miljoen beschikbaar.

Extracomptabel overzicht re-integratiebudget

In tabel 49 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten en diensten.

Tabel 49 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Premiegefinancierd (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW)

79.475

104.997

110.911

122.248

124.082

126.146

123.997

Begrotingsgefinancierd (Wajong)

91.100

90.133

96.407

88.239

85.875

83.227

78.347

 

waarvan ESB

13.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

157.575

181.130

193.318

196.487

195.957

195.373

188.344

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 50 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

518

518

523

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 383

‒ 388

‒ 391

Artikel 4 Jonggehandicapten

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat met ingang van 2021 uit twee groepen jonggehandicapten: Wajongers met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

De groep met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaat uit jonggehandicapten die zijn ingestroomd vanuit de «oude Wajong» (tot 2010) en de «Wajong2010» (2010 tot 2015). Voor deze groep staat arbeidsparticipatie centraal. De overheid zet in op het via arbeidsondersteuning vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep. Daarnaast zet de overheid in op inkomensondersteuning, waarbij (meer) gaan werken moet lonen. Sinds 2015 is er geen nieuwe instroom meer van jonggehandicapten met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

De tweede groep heeft duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Deze groep bestaat uit mensen die vanuit de «oude Wajong», «Wajong2010» en de «Wajong2015» (sinds 2015) zijn ingestroomd. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en een subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

De beleidsdoorlichting Wajong (Kamerstukken II 2017/18, 30 982, nr. 40) heeft laten zien dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, een complex geheel was geworden. Bovendien was er sprake van een aantal knelpunten die voor de participatie van mensen met een Wajong-uitkering een belemmering zijn. In het wetsvoorstel «Vereenvoudiging regelgeving Wajong», dat op 26 mei 2020 is aangenomen door de Eerste Kamer, zijn daarom maatregelen uitgewerkt die ervoor zorgen dat meer (gaan) werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen. Vanaf september 2020 (conform de aangenomen motie Ester c.s., Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. J) betekent dit het schrappen van de studieregeling in de Wajong2010 en het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015. Vanaf 1 januari 2021 betekent dit een aanpassing van de regels voor het eindigen en herleven van het recht op oude Wajong en Wajong2010, harmonisatie van het passend werkaanbod in de oude Wajong en Wajong2010, het afsluiten van de instroom in de oude Wajong, het creëren van een mogelijkheid om af te zien van de oude Wajong en een harmonisering van de regels voor inkomensondersteuning. Met ingang van 2021 spreken we over twee groepen in de Wajong: een groep met mogelijkheden voor arbeidsparticipatie en een groep die duurzaam geen mogelijkheden voor arbeidsparticipatie heeft.

Met drie aangenomen amendementen is het wetsvoorstel op onderdelen gewijzigd. Het amendement Bruins c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 15) regelt dat ook Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden hebben direct erop vooruitgaan als zij gaan werken. Het amendement Stoffer/Baudet (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 27) regelt dat de termijn waarbinnen het garantiebedrag kan herleven is verlengd naar 12 maanden. Het amendement Renkema/Gijs van Dijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 28) regelt dat Wajongers die werken met loondispensatie altijd worden aangevuld tot het loon dat ze zouden hebben ontvangen zonder loondispensatie. De motie Nijkerken-de Haan c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 20) roept de regering op, op korte termijn te komen tot heldere en goede voorlichting over deze harmonisatie en de gevolgen daarvan richting de mensen die gebruikmaken van de Wajong, en hierbij cliëntenorganisaties en UWV te betrekken.

Naar aanleiding van het debat in de Eerste Kamer heeft de Staatssecretaris van SZW met haar brief van 25 mei 2020 (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. Q) toegezegd conform de aangenomen motie Stienen c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. L) in de zomer van 2020 met een brief de Eerste Kamer te informeren over de stappen die moeten worden gezet om de crisisbestendigheid van het garantiebedrag te borgen. De in de aangenomen motie Schalk (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. M) geschetste optie om de termijn voor de duur van de crisis met twee jaar te verlengen wordt daarbij betrokken. Bij de verzamelwet SZW 2021 wordt een bevoegdheid gecreëerd om de termijn tijdelijk te kunnen verlengen, indien monitoring en evaluatie daartoe aanleiding geven. De aangenomen motie Pareren (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. P) vraagt om compensatie voor de groep die door de harmonisering van de Wajong erop achteruit gaat. Aan deze motie wordt reeds voldaan met het garantiebedrag. De motie Ester c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. K) roept de regering op om de Wajong maatregelen nauwgezet te monitoren, breed te evalueren en met ingang van 1 juli 2021 jaarlijks over de bevindingen te rapporteren en op basis daarvan mogelijke verbeteringen van het Wajong-beleid te presenteren en over de invoering daarvan met de Kamer te overleggen .

In reactie op het verzoek van senator Oomen heeft de Staatssecretaris met haar brief van 25 mei 2020 tevens toegezegd voor een specifieke groep Wajongers die, op het moment van inwerkingtreding van de Wajong maatregelen, sinds januari 2015 onafgebroken hebben gewerkt, de berekening van het garantiebedrag te wijzigen. Het garantiebedrag wordt voor hen vastgesteld op basis van de inkomensregels uit de voortgezette werkregeling. Hiertoe wordt een wetswijziging voorbereid.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 51 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

3.329.000

3.433.722

3.484.285

3.484.868

3.501.353

3.521.093

3.568.671

        

Uitgaven

3.329.000

3.433.722

3.484.285

3.484.868

3.501.353

3.521.093

3.568.671

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

3.237.900

3.343.589

3.387.878

3.396.629

3.415.478

3.437.866

3.490.324

Wajong

3.237.900

3.343.589

3.387.878

3.396.629

3.415.478

3.437.866

3.490.324

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

91.100

90.133

96.407

88.239

85.875

83.227

78.347

Re-integratie Wajong

91.100

90.133

96.407

88.239

85.875

83.227

78.347

        

Ontvangsten

24.026

22.340

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Met ingang van januari 2021 zijn de inkomensregelingen in de oude Wajong, Wajong2010 en Wajong2015 geharmoniseerd.

Voor Wajongers in de oude Wajong, Wajong2010 en Wajong2015 die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2020 is dit € 1.260,00 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Op het moment dat deze Wajongers toch gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt 75% van dit inkomen verrekend met de uitkering.

Voor Wajongers in de oude Wajong en Wajong2010 die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2020 is dit € 1.176,00 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Op het moment dat Wajongers met arbeidsvermogen gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt maximaal 70% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor Wajongers die werken met loondispensatie wordt afhankelijk van de loonwaarde een kleiner deel van het inkomen verrekend. Daarnaast worden Wajongers die werken met loondispensatie, tenminste aangevuld tot het inkomen dat zij zouden hebben verdiend wanneer zij zonder loondispensatie aan het werk zouden zijn.

Naast de uitkering ontvangen alle Wajong-gerechtigden in 2020 een tegemoetkoming van netto € 182,69 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten stijgen in 2021 ten opzichte van 2020. De belangrijkste factoren zijn:

  • Een hogere gemiddelde uitkering voor werkende Wajongers door de harmonisatie van de inkomensregelingen;

  • Een verhoogde instroom in de Wajong2015 als gevolg van het schrappen van het volgen van een studie als uitsluitingsgrond in september 2020;

  • Een hogere gemiddelde uitkering omdat nieuwe instroom duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft en daarom een volledige uitkering zal ontvangen;

  • Een verhoogde gemiddelde uitkering doordat van de personen die uitstromen een deel een gedeeltelijke uitkering zal hebben, omdat zij wel over arbeidvermogen beschikken.

Beleidsrelevante kerncijfers

Bij het opstellen van de kerncijfers waren nog geen cijfers beschikbaar over het effect van de coronacrisis. Naar aanleiding van de motie Stienen c.s. zal de Staatssecretaris in de zomer van 2020 met een brief de Eerste en Tweede Kamer informeren, indien monitoring en evaluatie daartoe aanleiding geven, over de wijze waarop wordt ingezet op het versterken van de crisisbestendigheid van het garantiebedrag. Daarbij zal ook worden ingegaan op het effect van de coronacrisis op de arbeidsparticipatie van Wajongers.

Tabel 52 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

244

244

243

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

168

164

160

  

waarvan met arbeidsvermogen

41

41

41

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

64

63

62

  

waarvan werkregeling (%)

68

74

73

  

waarvan studieregeling (%)

4,4

0

0,0

  

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

27

26

27

 

waarvan Wajong2015

12,4

18

22,0

    

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

5,8

8

8,0

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,8

8

7,0

    

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

51

51

51

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

Sinds 2019 worden door middel van een extern onderzoek de misbruikrisico’s van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden voor de WW. In oktober wordt naar verwachting het onderzoek naar de ZW en de WIA afgerond. De Wajong zal de volgende wet zijn waar onderzoek naar wordt uitgevoerd . De kengetallen op het gebied van handhaving tonen in 2019 een stabiel beeld in vergelijking met het voorgaande jaar.

Tabel 53 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

68

61

72

Kennis van de verplichtingen (%)

82

79

85

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

40

30

13

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 49 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2021 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 96 miljoen beschikbaar. Meerjarig neemt het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget geleidelijk af. Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. De afname in het re-integratiebudget Wajong voor deze groep, is gelijk aan de toename in het re-integratiebudget Participatiewet.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 54 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

Jonggehandicaptenkorting

180

182

183

Artikel 5 Werkloosheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW ouder zijn dan 60 jaar en 4 maanden, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Uitstel Business Case Verwijtbare Werkloosheid

Om de coronacrisis het hoofd te kunnen bieden heeft de divisie Uitkeren van UWV capaciteit vrij moeten maken door onder andere het vakteam verwijtbare werkloosheid tijdelijk op te heffen (Stand van de uitvoering juni 2020). Hierdoor loopt de implementatie van de risicomodellen tenminste één jaar vertraging op ten opzichte van de oorspronkelijk voorziene start in 2020 en wordt verwijtbare werkloosheid gecontroleerd op de ‘oude wijze.’ Deze vertraging leidt tot een temporisering van de dit voorjaar ingeboekte netto besparing van structureel € 21 miljoen.

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

De Minister van SZW stelt een tijdelijke tegemoetkoming beschikbaar voor werknemers in de Westhaven (Stcrt. 2020, 27737). Deze tegemoetkoming is voor werknemers die als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale hun baan kwijtraken en daardoor inkomensverlies lijden. De regeling is op 20 mei 2020 in werking getreden.

Verlenging regeling Tijdelijk scholingsbudget UWV 2019

De regeling ‘Tijdelijk scholingsbudget UWV 2019’ wordt vanaf 2021 met één jaar verlengd. Voor 2021 zal € 8 miljoen beschikbaar zijn voor het financieren van scholing voor WW-gerechtigden richting een krapteberoep. Met deze verlenging blijft UWV over budget beschikken voor scholing van WW-gerechtigden tot en met de invoering van de STAP-regeling vanaf 1 januari 2022. Daarnaast heeft het kabinet € 18 miljoen extra beschikbaar gesteld voor het scholingsbudget in 2021 als onderdeel van het Steun en herstelpakket om de economische gevolgen van de coronacrisis op te vangen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 55 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

126.669

132.779

140.839

132.766

168.336

199.796

212.586

        

Uitgaven

124.430

133.322

142.369

133.271

168.841

200.396

212.586

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

102.672

116.606

114.839

132.766

168.336

199.796

212.586

IOW

102.626

116.386

114.418

132.343

168.077

199.691

212.481

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

46

106

107

107

107

105

105

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

0

114

314

316

152

0

0

Subsidies (regelingen)

11.506

6.046

1.530

505

505

600

0

Experimenten 50+

0

703

0

0

0

0

0

Scholing en plaatsing oudere werklozen

6

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeladvies 45+

10.707

4.800

0

0

0

0

0

Overige subsidies algemeen

793

543

1.530

505

505

600

0

Opdrachten

272

130

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

9.980

10.540

26.000

0

0

0

0

Scholing WW

9.980

10.540

26.000

0

0

0

0

        

Ontvangsten

10.789

1.285

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten voor de IOW, de Cessantiawet (Caribisch Nederland) en de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft budget voor een centraal aanspreekpunt voor werkgevers en de Ambachtsacademie.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Het betreft budget van UWV dat bij de goedkeuring van het jaarplan UWV wordt vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 56 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

3.916.464

4.529.269

6.540.477

6.975.804

6.500.068

6.045.916

5.784.000

        

Inkomensoverdrachten

3.916.464

4.529.269

6.449.130

6.777.079

6.209.473

5.668.406

5.312.052

WW

3.916.464

4.529.269

6.449.130

6.777.079

6.209.473

5.668.406

5.312.052

        

Nominaal

0

0

91.347

198.725

290.595

377.510

471.948

        

Ontvangsten

260.000

259.999

309.423

321.435

328.743

334.974

341.993

Ufo

260.000

259.999

305.149

312.328

314.103

314.103

314.103

Nominaal

0

0

4.274

9.107

14.640

20.871

27.890

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW.

De IOW is een tijdelijke regeling. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2024 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.

  • Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het netto minimumloon. Dit is op 1 juli 2020 € 1.230,40 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto minimumloon als:

  • De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;

  • De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW-uitkeringslasten blijven in 2021 nagenoeg constant. In de jaren daarna wordt als gevolg van de coronacrisis en de stijging van de AOW-leeftijd een forse toename van de uitkeringslasten verwacht.

Door de crisis stromen naar verwachting een stuk meer oudere werklozen de WW in. Een groot deel van deze mensen stroomt na het einde van hun WW-uitkering de IOW in. Dit zorgt voor een vertraagde doorwerking van de hogere werkloosheidscijfers op de IOW-uitgaven. Het effect treedt pas op vanaf 2022 en leidt tot een stijging van de IOW-uitkeringslasten met enkele tientallen miljoenen.

Ook de stijging van de AOW-leeftijd werkt door in de uitgaven. Als de AOW-leeftijd hoger ligt, is de IOW-duur langer. Daarnaast is de instroom in de IOW hoger bij een hogere AOW-leeftijd, omdat meer mensen na hun WW- of loongerelateerde WGA-uitkering de periode tot AOW moeten overbruggen met een IOW-uitkering. Een andere factor die bijdraagt aan het oplopende uitgavenpatroon, is de verkorting van de maximale WW-duur van 38 naar 24 maanden. Dit leidt ertoe dat mensen eerder doorstromen van de WW naar de IOW, met als gevolg een hogere IOW-instroom en een langer verblijf in de IOW.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 57 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

7,6

8,3

8,8

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die werkzaam zijn in de private sector ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt SZW deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. In de praktijk kunnen uitgaven echter van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 58 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

De Minister van SZW stelt een tijdelijke tegemoetkoming beschikbaar voor werknemers in de Westhaven. Deze tegemoetkoming is voor werknemers die als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale hun baan kwijtraken en daardoor inkomensverlies lijden. De subsidieregeling is op 20 mei 2020 in werking getreden.

Onder normale omstandigheden wordt er vanuit de overheid geen directe aanvullende tegemoetkoming geboden aan werknemers voor arbeidsmarkteffecten die het gevolg kunnen zijn van overheidsbeleid. In dit unieke geval wordt een aanvullende tegemoetkoming voor werknemers wel wenselijk geacht. Het personeel bij de Hemwegcentrale en de daaraan nauw verbonden bedrijven hebben niet/nauwelijks tijd gehad om te anticiperen op sluiting van de centrale. Met het oog op het voorkomen van (langdurige) werkloosheid, heeft het kabinet daarom besloten tot de inrichting van het zogenaamde Westhavenarrangement. Als onderdeel hiervan is op 1 november 2019 het Mobiliteitscentrum Kolenketen Westhaven (MCKW) operationeel geworden. Aanvullend op de dienstverlening door het MCKW, wordt een tijdelijke individuele tegemoetkoming mogelijk gemaakt als onderdeel van het Westhavenarrangement. Mogelijke werkgelegenheidseffecten bij de elektriciteitscentrale en daaraan nauw verwante bedrijven hangen direct samen met het door de overheid ingestelde verbod op kolen voor de Hemwegcentrale per 1 januari 2020.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die aan alle volgende eisen voldoet komt in aanmerking:

  • 1. De werknemer had een vaste dienstbetrekking;

  • 2. De werknemer was werkzaam bij de Hemwegcentrale of een daarmee nauw verbonden bedrijf in de kolenoverslag of afvoer van bijproducten in het Westhavengebied;

  • 3. De werknemer heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt;

  • 4. De werknemer heeft zich voor dienstverlening gemeld bij het MCKW voor 1 september 2020;

  • 5. De werknemer is ontslagen of herplaatst tussen 1 oktober 2019 en 1 juli 2021; het ontslag of herplaatsing was het gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale; en

  • 6. De werknemer lijdt door het ontslag of herplaatsing inkomensverlies.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de totale tegemoetkoming bedraagt maximaal 35% van het referentie jaarinkomen.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor deze regeling is cumulatief zo'n € 0,9 miljoen beschikbaar gesteld tot 1 januari 2024. Voor 2020 gaat het om een bedrag van € 100.000. Voor 2021 en 2022 gaat het om een bedrag van zo'n € 300.000 en voor 2023 om nog eens € 150.000.

Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – met één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden per 1 april 2019. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Voor gewerkte jaren vóór 2016 geldt een overgangsrecht. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 5.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;

  • Verzekerd zijn voor de WW;

  • Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • Beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2020 maximaal € 3.634,10 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.391,83 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de coronacrisis zal de werkloosheid dit jaar en volgend jaar sterk toenemen. De WW-uitgaven ademen met de werkloosheid mee. De recessie zal ook in de jaren na 2021 zichtbaar zijn in de WW-uitgaven. Dit komt doordat de economie tijd nodig heeft om te herstellen. Daarnaast kan een WW-gerechtigde nog tot twee jaar na aanvang recht hebben op een WW-uitkering. De piek van de uitgaven vindt plaats in 2022: € 6,8 miljard op jaarbasis. Daarna lopen de WW-uitgaven weer geleidelijk terug.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het WW-volume gaat het komende jaar scherp stijgen tot 314.000 uitkeringsjaren in 2021 (tabel 59). Ook in 2020 stijgt het volume flink ten opzichte van vorig jaar.

De sterkste toename van het aantal WW-uitkeringen vindt dit jaar plaats: van 223.000 uitkeringen ultimo 2019 naar 340.000 eind 2020. Deze toename komt voornamelijk door de hoge WW-instroom in 2020 (522.000). Omdat een aanzienlijk deel van de instromers in het tweede deel van 2020 instroomt, tellen deze mensen maar deels mee in de uitkeringsjaren over heel 2020.

In 2021 neemt het aantal uitkeringen verder toe naar 415.000. Deze toename is wel beperkter. Dit komt met name door de fors hogere uitstroom. Dit zijn bijvoorbeeld mensen die in 2020 zijn ingestroomd, en in 2021 uitstromen omdat de maximale duur van hun WW-recht is verstreken of omdat ze nieuw werk hebben gevonden.

Tabel 59 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

201

226

314

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

223

340

415

Aantal WW-instromers (x 1.000)

330

522

565

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

296

2

2

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)3

29

2

2

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

369

406

490

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit getal wordt niet geraamd.

X Noot
3

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Werkhervatting

In tabel 60 is te zien dat de kans op werkhervatting vanuit de WW in 2019 stabiel is gebleven vergeleken met 2018. In 2019 was ongeveer 10% van de WW-instroom een herleefde uitkering (tabel 59).

Tabel 60 Werkhervatting uit de WW
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Aandeel werkhervatting binnen 12 maanden na instroom

27

31

30

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

28

32

32

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

21

24

24

    

Aandeel werkhervatting binnen 3 maanden na instroom

9

12

13

Bron: UWV, jaarverslag.

Handhaving

Het verbeteren van de handhaving in de WW blijft ook de komende jaren een belangrijk thema. Er is extra budget beschikbaar gesteld om de handhaving verder te versterken. Dit budget zal onder meer worden gebruikt voor het aanpassen van het adressenbeleid, de uitvoering van het vertaalbeleid en de ontwikkeling van verschillende risicomodellen.

Sinds 2019 worden door middel van extern onderzoek de misbruikrisico's van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht.

Terugkijkend zien we dat de kerncijfers op het gebied van preventie een stabiel beeld vertonen in vergelijking met voorgaande jaren, met een hoge kennis van de verplichtingen. De kerncijfers op het gebied van opsporing zijn ook gestabiliseerd. Hiermee lijkt een einde gekomen te zijn aan de sterke daling van het aantal geconstateerde overtredingen ten opzichte van voorgaande jaren.

De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2019 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 61 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

78

77

Kennis van de verplichtingen (%)

97

96

96

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio boete + benadelingsbedrag ultimo 2019 (%)

62

38

21

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Subsidies

Het betreft middelen die in 2016 beschikbaar zijn gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. In 2021 staan subsidies voor een centraal aanspreekpunt voor werkgevers (€ 0,6 miljoen) en de Ambachtsacademie (€ 0,9 miljoen). Het actieplan is grotendeels afgerond. In 2020 is het evaluatierapport van het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers opgeleverd.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De regeling ‘Tijdelijk scholingsbudget UWV 2019’ wordt vanaf 2021 met één jaar verlengd. Bij het besluit tot verlenging is voor 2021 € 8 miljoen beschikbaar gesteld voor het financieren van scholing voor WW-gerechtigden richting een krapteberoep. Met deze verlenging blijft UWV over budget beschikken voor scholing van WW-gerechtigden tot en met de invoering van de STAP-regeling vanaf 1 januari 2022. Daarnaast heeft het kabinet € 18 miljoen beschikbaar gesteld voor het scholingsbudget in 2021 als onderdeel van het Steun en herstelpakket om de economische gevolgen van de coronacrisis op te vangen.

Ontvangsten

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. De verwachting is dat, als gevolg van het effect dat de coronacrisis heeft op de arbeidsmarkt, de Ufo-ontvangsten in 2021 stijgen naar zo'n € 300 miljoen.

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte van een kind, adoptie of opname van een pleegkind.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof en aanvullend geboorteverlof.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Slachtoffers van het organo psycho syndroom (OPS), ook wel «schildersziekte» genoemd, kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige financiële tegemoetkoming.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Wet arbeid en zorg

Naar aanleiding van het IBO deeltijdwerk en tevens de Europese richtlijn (EU) 2019/1158 worden in 2021 voorbereidingen getroffen voor de uitvoering van de Wet betaald ouderschapsverlof die in augustus 2022 ingaat. Ook wordt de doelgroep van het geboorteverlof uitgebreid met partners uit de categorie niet-verzekerde werknemers. In genoemde wet is dit nader uitgewerkt. Naar verwachting wordt het wetgevingsproces in 2021 afgerond.

Onderzoeken no-riskpolis

Er lopen verschillende onderzoeken naar de no-riskpolis. Zo wordt onderzocht hoe de bekendheid van de no-riskpolis vergroot kan worden. Ook wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de no-riskpolis eventueel uit te breiden naar een groep chronisch zieken die weliswaar een hoger risico op verzuim heeft, maar niet onder de no-riskpolis valt. De Tweede Kamer wordt voor de zomer 2021 geïnformeerd over de uitkomsten van deze onderzoeken (Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 1015).

Herijking en vereenvoudiging no-riskpolis

De raming van de ZW-uitgaven en respectievelijke uitname bij gemeenten voor de no-riskpolis wordt in 2021 herijkt op basis van realisaties 2019 en 2020 (Kamerstukken II 2016/17, 34 514, nr. 8). Daarnaast is in het kader van het Breed Offensief een wetsvoorstel voorbereid om onder andere administratieve knelpunten rondom de no-riskpolis weg te nemen. Dit wetsvoorstel is op 13 februari 2020 ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 192). Hiermee wordt geregeld dat gemeenten de loonkostensubsidie aan de werkgever niet meer hoeven stop te zetten bij ziekte en UWV de loonkostensubsidie bij ziekte niet langer hoeft uit te keren aan werkgevers. De middelen voor de no-riskpolis die hierop betrekking hebben, vloeien hiermee terug van de Ziektewet (UWV) naar gemeenten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 62 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

7.895

10.555

12.612

11.203

9.392

8.787

8.629

        

Uitgaven

7.652

10.798

12.612

11.203

9.392

8.787

8.629

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

7.395

10.555

12.612

11.203

9.392

8.787

8.629

TAS

4.296

4.952

4.706

4.706

4.706

4.706

4.706

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

3.099

3.303

3.406

3.497

3.586

3.681

3.723

OPS-voorzieningsfonds

0

2.300

4.500

3.000

1.100

400

200

Subsidies (regelingen)

257

243

0

0

0

0

0

Kanker en werken

257

243

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS, OPS-voorzieningenfonds en uitkeringslasten ziekteverzekering Caribisch Nederland.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 63 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

3.060.903

3.170.200

3.378.667

3.600.311

3.948.852

4.062.085

4.171.969

        

Inkomensoverdrachten

3.060.903

3.170.200

3.332.003

3.497.050

3.767.521

3.802.627

3.825.283

ZW

1.725.947

1.814.906

1.848.386

1.844.111

1.849.702

1.848.946

1.847.133

WAZO

1.334.956

1.291.078

1.310.304

1.337.794

1.371.281

1.402.918

1.423.930

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

0

64.216

173.313

179.145

186.538

190.763

194.220

Uitkeringslasten ouderschapsverlof

0

0

0

136.000

360.000

360.000

360.000

        

Nominaal

0

0

46.664

103.261

181.331

259.458

346.686

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van arbeidsgerelateerde blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot op de schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 21.269 (prijspeil 2020, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2020 € 21.269, waarop reeds van de werkgever ontvangen bedragen in mindering worden gebracht. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslaten van de TAS worden vanaf 2021 geraamd op circa € 4,7 miljoen per jaar. De uitgaven vallen vanaf 2021 € 0,25 miljoen lager uit dan in 2020. Dit komt door een nabetaling in 2020 aan de SVB over 2019.

Beleidsrelevante kerncijfers

Vanaf 1 januari 2020 is het nabestaandenbegrip in de TAS uitgebreid, zodat dit aansluit bij het Burgerlijk Wetboek. Door deze uitbreiding wordt het aantal toekenningen in de komende jaren hoger ingeschat dan in 2019. Verder blijft het aantal TAS-aanvragen de komende jaren naar verwachting stabiel, ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden.

Tabel 64 Kerncijfers TAS
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,3

0,4

0,4

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,2

0,2

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

86

2

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Ziekteverzekering in 2021 en latere jaren in lichte mate.

Tabel 65 Kerncijfers Ziekteverzekering Caribisch Nederland
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

66

67

69

X Noot
1

RCN-unit SZW.

OPS-fonds

De OPS problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. De regeling is in maart 2020 in werking getreden. Bij de opzet van de regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

De tijdelijke en eenmalige regeling voor een financiële tegemoetkoming aan OPS-slachtoffers is toegankelijk voor personen die aan drie voorwaarden voldoen:

  • Het slachtoffer kan aantonen dat hij aan de criteria van de regeling voldoet. Indien hij beschikt over een officiële diagnose Chronische Toxische Encephalopathie (CTE) van een van de Solvent Teams aan de universiteiten van Amsterdam en Twente is dat het geval. Slachtoffers die bij inwerkingtreding van de regeling nog niet beschikken over zo’n diagnose kunnen deze tot een half jaar na de inwerkingtreding van de regeling alsnog aanvragen bij het Solvent Team van de universiteit van Amsterdam. De diagnose levert een bevestiging van zowel de gezondheidsschade als van het feit dat deze arbeidsgerelateerd is;

  • Het slachtoffer heeft geen enkele vorm van een financiële tegemoetkoming gehad voor de schade als gevolg van zijn OPS aandoening, of een bedrag dat lager is dan het normbedrag voor de financiële tegemoetkoming;

  • Er moet sprake zijn van een blootstelling die in Nederland in loondienst heeft plaatsgevonden.

Hoe hoog is de tegemoetkoming?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is gelijk aan de tegemoetkoming bij de TAS (in 2020 bedraagt deze € 21.269). Dit is een eenmalige uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

In de raming wordt ervan uitgegaan dat ongeveer 540 personen recht zullen hebben op een tegemoetkoming. Op grond hiervan wordt aangenomen dat er in totaliteit € 11,5 miljoen aan tegemoetkomingen uitgekeerd zal worden, verspreid over de jaren 2020-2025.

Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ZW-uitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2020 gemaximeerd op € 222,78 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3.391,83 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar. Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.845,47 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW nemen in 2021 met circa € 33 miljoen toe ten opzichte van 2020, omdat het aantal ZW-uitkeringen toeneemt. Dat komt vooral doordat er door de coronacrisis meer werklozen zijn die een beroep zullen doen op de ZW. Er wordt vanuit gegaan dat de stijging van het aantal zieke werklozen doorzet tot en met 2023, omdat de economie tijd nodig heeft om te herstellen. Deze toename wordt voor een deel afgezwakt, omdat verwacht wordt dat het aantal flexkrachten dat een beroep doet op de ZW in dezelfde periode juist afneemt. Ondanks de toename van het aantal ZW-uitkeringen, blijven de ZW-uitgaven vanaf 2021 relatief stabiel. Door de aanpak van administratieve knelpunten in het kader van het Breed Offensief vloeit vanaf 2022 een deel van de middelen voor de no-riskpolis van de ZW terug naar gemeenten. Een deel van het bedrag dat UWV bij ziekte uitkeert aan de werkgever verloopt vanaf 2022 via gemeenten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting neemt het aantal uitkeringsjaren met circa 1.800 toe in 2021. Deze stijging komt vooral doordat het aantal zieke werklozen toeneemt en doordat meer personen vanuit de Banenafspraak of Beschut Werk met een no-riskpolis een beroep zullen doen op de ZW.

Tabel 66 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

98

101

103

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

298

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

335

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van handhaving vertonen een stabiel beeld ten opzichte van voorgaande jaren. Sinds 2019 worden door middel van een extern onderzoek de misbruikrisico’s van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht.

Tabel 67 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

77

77

Kennis van de verplichtingen (%)

95

93

93

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

58

41

20

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, aanvullend geboorteverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering, adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (onder andere thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

In aanmerking voor adoptie- en pleegzorgverlof komt de werknemer die een kind heeft geadopteerd dan wel als pleegkind in zijn gezin heeft opgenomen. Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Hoe hoog is de WAZO?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2020 gelijk aan € 4.845,47 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2020 € 1.680,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van een verwachte lichte toename van het aantal geboorten stijgen de uitgaven voor zwangerschaps- en bevallingsverlof in 2021 en latere jaren.

Beleidsrelevante kerncijfers

De verwachte lichte stijging van het aantal toekenningen in de WAZO is zichtbaar in onderstaande tabel. Er is geraamd dat in 2021 het aantal toegekende uitkeringen met naar schatting 3.000 zal toenemen.

Tabel 68 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Totaal aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

142

143

146

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

130

131

134

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

11,5

12,2

12,4

X Noot
1

SZW, berekening.

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof is per 1 juli 2020 ingevoerd. Het verlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een aanvullend geboorteverlof uitkering komt de werknemer die echtgenoot of geregistreerde partner van de moeder van het kind is, de persoon met wie de moeder ongehuwd samenwoont of degene die het kind erkent.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de uitkering voor aanvullend geboorteverlof bedraagt 70% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 70% van het maximumdagloon.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2021 zijn de uitkeringslasten voor het aanvullend geboorteverlof hoger dan in 2020. Dat verschil wordt verklaard doordat het aanvullend geboorteverlof in 2020 per 1 juli is ingegaan en uitkeringslasten achteraf worden betaald. De uitgaven stijgen na 2021 bovendien licht als gevolg van een verwachte lichte toename van het aantal geboorten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting gaan ongeveer 96.000 partners per jaar verlof opnemen in 2021.

Tabel 69 Kerncijfers Aanvullend geboorteverlof
 

Raming 2020

Raming 2021

Totaal aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)

36

96

Duur van de uitkering (in weken)

3,5

3,5

WAZO betaald ouderschapsverlof

Vanaf 2 augustus 2022 wordt een uitkering verstrekt aan werknemers bij opname van ouderschapsverlof. De uitkeringsduur is maximaal 9 weken. De uitkering wordt alleen verstrekt indien het verlof in het eerste levensjaar van het kind wordt opgenomen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Rechthebbend is de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot het kind dan wel die op hetzelfde adres woont als het kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van het kind als eigen kind op zich heeft genomen.

Hoe hoog is de uitkering?

De uitkering bedraagt 50% van het dagloon, met als maximum 50% van het maximum dagloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De regeling start op 2 augustus 2022. Doordat de regeling pas gaandeweg 2022 ingaat en doordat het verlof achteraf wordt uitbetaald zijn de uitgaven in 2022 incidenteel lager dan in de daarop volgende jaren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting gaan ongeveer 194.000 ouders per jaar voor gemiddeld ruim 30 dagen betaald ouderschapsverlof opnemen.

Artikel 7 Kinderopvang

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang en voor- en naschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door het directoraat-generaal Toeslagen.

C. Beleidswijzigingen

Verzamelwet kinderopvang

Het kabinet gaat de Wet kinderopvang op enkele punten aanpassen. Zo wordt het recht op kinderopvangtoeslag uitgebreid voor huishoudens waarin de ene partner werkt en de andere partner een permanente Wlz-indicatie heeft. De reden hiervoor is dat deze partner niet kan werken en vaak – vanwege de eigen zorgbehoefte – ook niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Daarnaast wordt de werkloosheidstermijn van de kinderopvangtoeslag voor zwangere vrouwen verlengd. Als de vrouw werkloos raakt rondom de uitgerekende datum van bevalling, houdt het huishouden langer recht op kinderopvangtoeslag. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2021.

Proportioneel vaststellen

Voorheen hadden ouders geen recht op kinderopvangtoeslag als zij niet de volledige eigen bijdrage hadden betaald. Met het wetsvoorstel Proportioneel vaststellen van de kinderopvangtoeslag wordt in 2021 geregeld dat een ouder voortaan recht heeft op kinderopvangtoeslag naar rato van het bedrag aan kosten dat de ouder tijdig heeft betaald aan de kinderopvangorganisatie. Er wordt reeds uitvoering gegeven aan proportioneel vaststellen door Toeslagen. Hiervoor is eind vorig jaar een Verzamelbesluit Toeslagen geslagen, met terugwerkende kracht naar 23 oktober 2019 (Stcrt. 2019, 70486). Met het wetsvoorstel wordt proportioneel vaststellen van de kinderopvangtoeslag ook expliciet in de Wet kinderopvang geregeld.

Indexeren inkomensgrenzen kinderopvangtoeslag

De toetsingsinkomens van de inkomensgroepen worden in 2021 eenmalig met 0,60%-punt minder geïndexeerd dan bij volledige indexering het geval zou zijn geweest (Kamerstukken II 2019/20, 31 322, nr. 412). Deze indexering leidt tot een beperkte besparing op de kinderopvangtoeslag. Hiermee kunnen enkele maatregelen die het huidige toeslagenstelsel verbeteren worden gedekt. Deze maatregelen zijn in de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Uitvoering Toeslagen (onder leiding van mr. J.P.H. Donner) en in de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen aangekondigd (Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 613 en Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 624). Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het uitbreiden van de hardheidsclausule in de Awir en het verhogen van het drempelbedrag voor kleine nabetalingen en terugvorderingen.

Verbeteringen kinderopvangtoeslag

Het kabinet wil grote geldschulden, mede door terugvorderingen bij de kinderopvangtoeslag, voorkomen en voert daarom verbeteringen door binnen het huidige stelsel van de kinderopvangtoeslag. In het verbetertraject kinderopvangtoeslag werken het ministerie van SZW en de Belastingdienst gezamenlijk aan dit pakket van maatregelen (Kamerstukken II 2019/20, 31 322 nr. 406, Kamerstukken II 2019/20, 31 322 nr. 414). Het terugdringen van het aantal terugvorderingen door het verbeteren van de dienstverlening richting ouders staat hierbij hoog in het vaandel. Hiervoor is in 2020 onder andere gestart met maandelijkse gegevenslevering door kinderopvangorganisaties aan Toeslagen. Vanaf 2021 worden ouders ook door Toeslagen geïnformeerd als er verschillen zijn geconstateerd met de gegevens op basis waarvan ouders maandelijks toeslag ontvangen. Daarnaast zal het kabinet blijvend kijken naar aanvullende maatregelen om de kinderopvangtoeslag toegankelijker en begrijpelijker te maken, met als doel om hoge terugvorderingen terug te dringen.

Naast het verbetertraject kinderopvangtoeslag worden naar aanleiding van de kabinetsreacties op de Interdepartementale Beleidsonderzoeken (IBO) Deeltijdwerk en Toeslagen door middel van een Scenariostudie Vormgeving Kindervoorzieningen diverse scenario's uitgewerkt voor het vormgeven van een toekomstig stelsel van kindvoorzieningen. Daarbij wordt ook gekeken naar alternatieven voor kinderopvangtoeslag.

Verruiming koppeling gewerkte uren

Het kabinet gaat de koppeling gewerkte uren (KGU) verruimen voor de BSO. Ouders hebben voor de BSO recht op kinderopvangtoeslag voor maximaal 70% van het aantal gewerkte uren van de minst werkende partner. Dit percentage is lager dan voor de dagopvang (140%), omdat ervan uitgegaan wordt dat de gewerkte uren deels samenvallen met de schooluren. Dat is niet altijd het geval, bijvoorbeeld bij ouders die in de avond/nacht of het weekend werken. Om dit knelpunt weg te nemen zal het kabinet daarom per 2022 de KGU voor de BSO op gelijke hoogte brengen met de KGU voor dagopvang. De verwachte extra structurele uitgaven van € 20 miljoen worden gedekt met een maatregel binnen de kinderopvangtoeslag.

Ouderparticipatiecrèches

Met het wetsvoorstel worden ouderparticipatiecrèches (opc’s) geformaliseerd waarmee een afspraak in het regeerakkoord wordt nagekomen (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34). Opc’s worden als kindercentrum onder de Wet kinderopvang (Wko) gebracht. Twee kwaliteitseisen – de opleidingseis voor beroepskrachten en het vastegezichtencriterium ‑ uit de Wko zullen voor opc’s niet gelden. Daarvoor in de plaats moeten de opc’s aan alternatieve kwaliteitseisen voldoen. De inwerkingtreding staat gepland voor 1 juli 2021.

Verbetering kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland

In het voorjaar van 2021 zal het wetsvoorstel Kinderopvang Caribisch Nederland aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Met de wetgeving wordt in samenwerking met alle partijen een stelsel voor kwalitatief goede, veilige, betaalbare kinderopvang en buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland structureel verankerd. In 2021 zal, voorafgaand aan de invoering van de wet in 2022, een aantal voorbereidende activiteiten worden uitgevoerd. In samenwerking met de Openbare Lichamen zal de uitvoeringsorganisatie worden ingericht. Ook zal het programma BES(t) 4 kids worden voortgezet. Het betreft onder andere het aanbieden van opleidingen aan personeel, verbeteren van de arbeidsvoorwaarden in de kinderopvang en het verstrekken van zogenaamde kindplaatssubsidies aan ouders waarvoor de kinderopvang te duur is.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 70 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

3.366.289

3.898.110

3.550.009

3.538.760

3.537.286

3.572.182

3.632.239

        

Uitgaven

3.366.184

3.898.110

3.550.009

3.538.760

3.537.286

3.572.182

3.632.239

waarvan juridisch verplicht

  

99,1%

    
        

Inkomensoverdrachten

3.353.362

3.871.531

3.515.295

3.514.630

3.517.156

3.551.332

3.612.420

Kinderopvangtoeslag

3.353.362

3.543.961

3.513.295

3.514.630

3.517.156

3.551.332

3.612.420

Tegemoetkomingsregeling eigen bijdrage

0

327.570

2.000

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

1.697

2.084

2.050

2.050

2.050

2.800

2.800

Kinderopvang

1.693

1.884

1.850

1.850

1.850

2.600

2.600

Subsidies Caribisch Nederland

0

200

200

200

200

200

200

Versterking vaardigheden

4

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

3.493

6.732

22.803

13.703

9.703

9.703

9.703

Opdrachten Caribisch Nederland

67

2.213

18.227

9.127

5.127

5.127

5.127

Overige opdrachten

3.426

4.519

4.576

4.576

4.576

4.576

4.576

Bijdrage aan agentschappen

7.632

9.849

9.861

8.377

8.377

8.347

7.316

DUO

7.631

9.849

9.861

8.377

8.377

8.347

7.316

Justis

1

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

7.914

0

0

0

0

0

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

0

7.914

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

1.522.517

1.523.268

1.546.276

1.556.470

1.569.913

1.585.622

1.601.069

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.257.158

1.280.298

1.279.633

1.285.965

1.300.641

1.314.760

1.327.653

Ontvangsten overig

265.359

242.970

266.643

270.505

269.272

270.862

273.416

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 51% juridisch verplicht. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om subsidies gericht op de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang, de versterking van de positie van ouders, op het toezicht en de sectorondersteuning in het kader van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK), en voor een arbeidsmarktcampagne.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen onder andere kosten voor toezicht en onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is nog niet juridisch verplicht maar wel bestuurlijk gebonden. Het betreft middelen voor DUO voor het beheer, onderhoud en ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en het Register Buitenlandse Kinderopvang (RBK).

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door het directoraat-generaal Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beide werken (werknemers en zelfstandigen);

  • Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het toetsingsinkomen van de ouder(s);

  • Hoogte van de betaalde uurprijs, tot aan de maximum uurprijs;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillende maximum uurprijs waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;

  • Het aantal gewerkte uren door de ouder die de minste uren per jaar werkt dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

Het gebruik van kinderopvang (en daarmee ook de uitgaven) neemt in 2021 naar verwachting af als gevolg van de verslechtering van de conjunctuur wegens de coronacrisis. In latere jaren trekt de conjunctuur naar verwachting weer geleidelijk aan. Hierdoor nemen het gebruik en de uitgaven kinderopvangtoeslag vanaf 2022 meerjarig toe.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de invoering van het betaald ouderschapsverlof in 2022 (zie ook Beleidswijzigingen artikel 6). Dit heeft een beperkt neerwaarts effect op het gebruik van kinderopvang, en daarmee ook de uitgaven kinderopvangtoeslag.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2019 en de eerste maanden van 2020 is het gebruik van kinderopvang verder gestegen. Door de verslechtering van de conjunctuur wegens de coronacrisis slaat deze stijging naar verwachting om in een daling. Gerekend over het hele jaar neemt het aantal kinderen dat naar de opvang gaat in 2020 nog toe ten opzichte van 2019, met name bij de buitenschoolse opvang. In 2021 neemt dit aantal af als gevolg van genoemde conjunctuurverslechtering.

Het aantal uren per kind stijgt in 2020 bij zowel de dagopvang als de buitenschoolse opvang en blijft vervolgens vrijwel stabiel in 2021.

Tabel 71 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

553

562

554

    

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

   

0-12 jaar

827

840

828

0-4 jaar (dagopvang)

391

394

387

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

436

446

441

    

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

   

0-12 jaar

38

39

38

0-4 jaar (dagopvang)

57

57

56

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

30

30

30

    

Aantal uren per kind per maand

   

0-12 jaar

59,2

60,0

59,9

0-4 jaar (dagopvang)

82,6

84,3

84,2

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

38,1

38,6

38,5

    

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

   

Tot 130% Wml

75

74

73

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

182

184

181

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

440

449

444

3 x modaal en hoger

130

132

130

    

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

   

Tot 130% Wml

77

79

79

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

57

57

57

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

55

56

56

3 x modaal en hoger

65

65

65

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Toeslagen.

X Noot
1

De realisatiecijfers van 2019 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 72 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Bijdragen sectoren (in %)

   

Collectief

72

72

72

 

waarvan Overheid

43

44

44

 

waarvan Werkgevers

29

28

28

Ouders

28

28

28

    

Wettelijke maximum uurprijs (in €)2

   

Dagopvang

8,02

8,17

8,46

Buitenschoolse opvang

6,89

7,02

7,27

Gastouderopvang

6,15

6,27

6,49

    

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)3

   

Dagopvang

7,95

8,22

8,51

Buitenschoolse opvang

7,32

7,46

7,72

Gastouderopvang

6,09

6,22

6,44

    

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,35

0,36

0,37

1 1/2 x modaal

1,60

1,63

1,68

3 x modaal

4,70

4,79

4,96

    

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,34

0,35

0,36

1 1/2 x modaal

0,47

0,47

0,49

3 x modaal

1,19

1,22

1,26

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van Toeslagen.

X Noot
1

De realisatiecijfers van 2019 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

X Noot
2

De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

X Noot
3

De raming is opgesteld in prijzen 2020. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2021 is, evenals de wettelijke maximumuurprijs 2021 weergegeven op prijsniveau 2021. De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die de ouders aan Toeslagen doorgeven. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

X Noot
4

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gebaseerd op de maximum uurprijzen en de toeslag die ouders ontvangen.

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO

In 2020 is een vergoeding verstrekt aan ouders met kinderopvangtoeslag die in de periode waarin kinderopvang wegens de kabinetsmaatregelen rondom corona gesloten was, hun eigen bijdrage hebben doorbetaald. De vergoeding heeft betrekking op de periode 16 maart tot en met 7 juni 2020 en wordt uitgekeerd door de SVB.

De tijdelijke regeling gaat in 2020 naar verwachting gepaard met € 328 miljoen aan uitgaven. Als gevolg van afhandeling van bezwaar en beroep zijn er ook in 2021 nog beperkte uitgaven.

Subsidies

Voor 2021 is € 2,1 miljoen beschikbaar voor subsidies. Het betreft subsidies voor projecten gericht op verbetering van de kwaliteit van kinderopvang, ondersteuning van de ouders en ondersteuning van de sector. Er wordt een bijdrage verleend aan de campagne ter bevordering van de beroepstrots van kinderopvangmedewerkers en het versterken van de beeldvorming over het werken in de kinderopvang. Ook wordt een bijdrage verleend in het kader van de professionalisering van de sector (Expertisecentrum Kinderopvang) en het inzicht verschaffen in de kostprijs van kinderopvang.

Opdrachten

Voor 2021 is € 22,8 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Het budget voor opdrachten wordt onder andere besteed aan de kosten voor toezicht door de GGD GHOR en diverse onderzoeksprojecten.

Daarnaast wordt het opdrachtenbudget ingezet voor het verstrekken van middelen voor kinderopvang en voor- en naschoolse opvang in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids. In het kader van artikel 92 lid 2 sub c Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden middelen aan de openbare lichamen verstrekt. Met deze bijzondere uitkering kunnen de openbare lichamen op de eilanden de activiteiten van het programma BES(t) 4 kids financieren. Bonaire ontvangt in 2021 maximaal € 10,7 miljoen, Sint Eustatius maximaal € 3,7 miljoen en Saba maximaal € 2,3 miljoen.

Bijdrage aan agentschappen

Voor 2021 is € 9,9 miljoen beschikbaar voor de bijdragen aan agentschappen. Het betreft voornamelijk middelen gereserveerd voor de kosten voor DUO voor het beheer van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn opgebouwd uit twee componenten: de werkgeversbijdrage kinderopvang en de ontvangsten overig.

De werkgeversbijdrage kinderopvang betreft een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom. In 2021 liggen loonsom en werkgeversbijdrage kinderopvang op het niveau van 2020. In latere jaren neemt de loonsom licht toe en daarmee ook de werkgeversbijdrage kinderopvang.

De ontvangsten overig betreffen grotendeels ontvangsten uit terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over eerdere jaren. Door de stijging van de uitgaven in eerdere jaren nemen de ontvangsten in 2021 nog toe. Daarnaast zijn er in 2021 hogere ontvangsten vanwege het hervatten van de dwanginvorderingen, die in 2020 tijdelijk waren opgeschort wegens de coronacrisis.

Kerncijfers

Het aantal gewerkte uren per week is bij zowel vrouwen in het algemeen als bij moeders met jonge kinderen toegenomen.

Tabel 73 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vrouwen 15 tot 75 jaar

 

25,9

26,1

26,3

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

 

26,4

26,6

26,8

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB).

De netto arbeidsparticipatie van ouders is in 2018 en 2019 in alle categorieën gestegen.

Tabel 74 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

66,7

67,8

68,8

    

Moeders (lid van ouderpaar)

78,5

79,0

80,4

Vaders (lid van ouderpaar)

91,2

91,7

92,1

    

Alleenstaande moeders

63,1

65,9

66,2

Alleenstaande vaders

73,8

76,6

80,4

    

Moeders met jonge kinderen (0-11)

77,2

77,8

79,4

Vaders met jonge kinderen (0-11)

93,5

94,0

94,2

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB).

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW) en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR).

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Vernieuwing pensioenstelsel

Op 22 juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de stuurgroep zoals uiteengezet in de «Hoofdlijnennotie uitwerking pensioenakkoord» (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). Deze hoofdlijnennotitie heeft betrekking op de vormgeving van een nieuw pensioencontract, de afspraken over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, het nieuwe fiscale kader en de juridische analyse. Nadat overeenstemming over de nadere uitwerking van het pensioenakkoord is bekrachtigd door de leden van de verschillende werkgevers- en werknemersorganisaties is de Tweede Kamer op 6 juli 2020 geïnformeerd over het totaalpakket aan maatregelen (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520). Het kabinet streeft in het tweede kwartaal van 2021 de wet- en regelgeving die nodig is voor de vernieuwing van het pensioenstelsel bij de Tweede Kamer in te dienen, zodat het nieuwe wettelijke en fiscale kader per 2022 in werking kan treden. Bij indiening van het wetsvoorstel zal een ingroeipad voor pensioenfondsen naar het nieuwe stelsel worden vastgelegd.

AOW-leeftijd

Het kabinet en sociale partners hebben afgesproken dat de stijging van de AOW-leeftijd met ingang van 2025 voor 2/3 gekoppeld wordt aan de stijging van de resterende levensverwachting op 65 jaar. Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordt vertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen. Deze aangepaste koppeling gaat ook gelden voor de pensioenrichtleeftijd, waardoor ook deze minder snel zal stijgen. Dit wetsvoorstel is in juli ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2019/20, 35 520, nr. 3).

Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

Het pensioenakkoord bevat ook afspraken over duurzame inzetbaarheid die eraan moeten bijdragen dat mensen hun AOW-leeftijd gezond werkend kunnen bereiken; ook degenen die zwaar werk verrichten. Een van de maatregelen betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die onder de introductie van de tijdelijke drempelvrijstelling in de RVU-heffing vrijgesteld zijn van een RVU-heffing en het introduceren van faciliteiten voor werkenden om inzicht te krijgen in de effecten op het inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen. Het kabinet stelt hiervoor € 1 miljard beschikbaar (4 x 250 miljoen vanaf 2021). Per brief is de Tweede Kamer over de contouren van de regeling geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 388).

Wetsvoorstel RVU, verlofsparen en bedrag ineens

Het wetsvoorstel RVU, verlofsparen en bedrag ineens bestaat uit drie voorstellen. Ten eerste wordt voorgesteld om voor alle deelnemers de mogelijkheid te introduceren om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als bedrag ineens op te nemen. In de tweede plaats wordt er - in lijn met de afspraken uit het pensioenakkoord - een tijdelijke vrijstelling van de RVU-heffing geregeld die vervroegde uittreding mogelijk maakt voor werknemers die niet in staat zijn werkend de AOW-leeftijd te bereiken. Tot slot wordt de bestaande regeling waarbij werknemers fiscaal gefaciliteerd vakantieverlof en compensatieverlof kunnen opsparen verruimd. De beoogde inwerkingtredingsdatum voor de versoepeling van de RVU-heffing en verlofsparen is 1 januari 2021 en voor bedrag ineens 1 januari 2022. Het wetsvoorstel is begin september bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2019/20, 35 555, nr. 3).

Herziening nabestaandenpensioen

In navolging van het advies van de Stichting van de Arbeid zal het nabestaandenpensioen meer worden gestandaardiseerd en adequater en begrijpelijker worden, waardoor financiële risico’s voor nabestaanden van deelnemers worden verkleind (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520). De belangrijkste wijziging is dat het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum alleen nog maar mogelijk zal zijn op verzekeringsbasis. De dekking zal fiscaal gemaximeerd worden op 50% van het salaris, zonder rekening te houden met een franchise en zal diensttijdonafhankelijk zijn. Daarnaast wordt er ook een wijziging voorgesteld ter verbetering van het wezenpensioen. De dekking daarvan wordt verhoogd naar 20% van het salaris en er zal een vaste eindleeftijd van 25 jaar gaan gelden. Voor het partnerpensioen bij overlijden na pensioendatum worden geen wijzigingen voorgesteld. De benodigde wijzigingen van wet- en regelgeving worden meegenomen in het wetstraject voor de vernieuwing van het pensioenstelsel.

Herziening waardeoverdracht kleine pensioenen

In de Wet waardeoverdracht klein pensioen is met ingang van 2018 het recht op afkoop van kleine pensioenen vervangen door een recht op waardeoverdracht. Het recht op waardeoverdracht is van toepassing op kleine pensioenen, die zijn ontstaan doordat de werknemer van baan is gewisseld en geen deelnemer meer is van de betreffende pensioenregeling. In navolging van het verzoek van de Stichting van de Arbeid zal het recht op waardeoverdracht worden uitgebreid. Door de uitbreiding krijgen pensioenuitvoerders het wettelijk recht om alle kleine pensioenen, ongeacht of deze zijn ontstaan door baanwisseling of niet, te mogen overdragen. Hiervoor zal wetgeving in gang worden gezet met het oog op inwerkingtreding op 1 januari 2022, zoals aangekondigd in de brief van 15 april 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 517).

Aanvalsplan beperken Witte Vlek

De Stichting van de Arbeid heeft als onderdeel van het pensioenakkoord oplossingsrichtingen opgesteld om het aantal werknemers die geen pensioen opbouwen te reduceren (aanvalsplan 'witte vlek'). Een van de maatregelen is het inkorten van de wachttijd voor pensioenopbouw in de uitzendsector van 26 weken naar 8 weken, in lijn met hetgeen wat voor andere sectoren geldt. Deze aanbeveling wordt overgenomen, de wijziging van de wachttijd in de uitzendsector zal naar verwachting meelopen met de wet- en regelgeving in 2021 die nodig is voor de vernieuwing van het pensioenstelsel en ingaat per 2022. De Tweede Kamer is hierover middels de pensioenbrief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520).

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 75 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

25.215

25.632

26.178

27.410

28.528

29.855

31.419

        

Uitgaven

25.215

25.632

26.178

27.410

28.528

29.855

31.419

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

25.215

25.632

26.178

27.410

28.528

29.855

31.419

Overbruggingsregeling AOW

3.509

1.904

1.084

831

408

89

0

AOV incl. tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

21.706

23.728

25.094

26.579

28.120

29.766

31.419

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Overbruggingsregeling AOW (OBR) en AOV.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 76 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

39.483.700

41.281.516

43.157.013

44.152.441

45.080.189

46.373.241

48.304.104

        

Inkomensoverdrachten

39.483.700

41.281.516

42.185.100

42.523.673

42.807.650

43.286.194

44.242.636

AOW

38.538.717

40.301.106

41.181.169

41.511.187

41.788.456

42.255.776

43.189.322

Inkomensondersteuning AOW

944.983

980.410

1.003.931

1.012.486

1.019.194

1.030.418

1.053.314

        

Nominaal

0

0

971.913

1.628.768

2.272.539

3.087.047

4.061.468

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden. Sinds 1 oktober 2016 kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd (de aanvraag moet wel worden gedaan vóór dat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Het inkomen waarbij er toegang ontstaat tot de OBR bedraagt voor alleenstaanden maximaal 200% van het wettelijk minimumloon en voor paren 300% van het wettelijk minimumloon. Dit is in de tweede helft van 2020 gelijk aan een bruto bedrag van € 3.360 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een alleenstaande en € 5.040 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een paar. Voor de vermogenstoets wordt aangesloten bij de grens van het box 3-vermogen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Het heffingsvrije vermogen uit box 3 bedraagt in 2020 € 30.846 per persoon. Dit betekent voor een (volwassen) eenpersoonshuishouden dat er tot een vermogen van € 30.846 recht bestaat op een overbruggingsuitkering en voor een (volwassen) tweepersoonshuishouden tot een vermogen van € 61.692.

Hoe hoog is de OBR?

De maximale uitkeringshoogte van de overbruggingsregeling is afgeleid van het wettelijk minimumloon en komt netto overeen met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Inkomen uit arbeid wordt gedeeltelijk en inkomen uit uitkeringen wordt volledig in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. De hoogte is voorts afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de opbouwperiode overeenkomstig de systematiek van de AOW, en begrensd tot de hoogte van het inkomen uit vut- of prepensioen of het daarmee vergelijkbaar inkomen dat aan de OBR voorafging.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitkeringslasten OBR lopen de komende jaren af van circa € 1,1 miljoen in 2021 tot circa € 0,1 miljoen in 2024. De komende jaren neemt enerzijds de instroom in de OBR af, maar tegelijkertijd neemt de te overbruggen periode toe (dus langere duur OBR-uitkering). De verwachte uitgaven nemen jaarlijks af, omdat het neerwaartse effect van de afnemende instroom groter is dan het opwaartse effect van de langere overbruggingsperiode.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting zal de instroom in de OBR verder afnemen. Dit komt doordat de groep van personen die reeds per 1 januari 2013 of 1 juli 2015 met vut- of prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling waren steeds kleiner wordt.

Tabel 77 Kerncijfers OBR
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

0,8

0,5

0,1

X Noot
1

SVB, Jaarverslag.

Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Personen die in Caribisch Nederland verzekerde jaren hebben opgebouwd voor de AOV en die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt ontvangen een aan de verzekerde jaren gerelateerd ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen nemen de uitkeringslasten van de AOV-uitkering toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 78 Kerncijfers AOV
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,3

4,6

4,9

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 5.1, sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2020 16 jaar en 4 maanden) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2020 66 jaar en 4 maanden) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als een persoon niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

In 2021 zal de AOW-gerechtigde leeftijd net als in 2020 66 jaar en vier maanden bedragen. Daarna wordt de AOW-gerechtigde leeftijd verhoogd naar 66 jaar en zeven maanden in 2022, 66 jaar en tien maanden in 2023 en 67 jaar in 2024. In lijn met de in het pensioenakkoord afgesproken 2/3-koppeling, zal de AOW-leeftijd in 2025 67 jaar bedragen.

AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%.

Tabel 79 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag en exclusief inkomensondersteuning AOW (in €)
 

1 juli 2020

Gehuwd / samenwonend

 844,40

Alleenstaande

1.245,04

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De stijgende levensverwachting en de vergrijzing leiden de komende jaren tot een toename van het aantal AOW-gerechtigden en daarmee tot een stijging van de verwachte uitgaven aan de AOW. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-gerechtigde leeftijd dan weer wordt verhoogd. In het Pensioenakkoord is een 2/3-koppeling van de AOW-leeftijd vanaf 2025 afgesproken. Hierdoor zal de AOW-leeftijd in 2025 niet worden verhoogd. De uitgaven nemen hierdoor in 2025 sneller toe dan in eerdere jaren. De demografische ontwikkelingen voor de prognose zijn ontleend aan de Kernprognose 2019-2060 van het CBS. Daarnaast wordt in de raming rekening gehouden met de hogere sterfte vanwege corona. De gevolgen hiervan op de levensverwachting zijn (nog) onzeker.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 80 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.423

3.486

3.568

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Handhaving

De SVB heeft in 2019 extern onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de SVB haar handhaving invulling geeft. Uit dit onderzoek blijkt dat de SVB alle misbruikrisico’s in beeld heeft en dat er voldoende interne en externe mogelijkheden zijn ingericht om misbruiksignalen op te vangen (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 630). De SVB rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen en fenomenen op het gebied van fraude. In de signaleringbrief van juni 2020 heeft de SVB geen nieuwe frauderisico’s gesignaleerd (Kamerstukken II 2019/20, 17 050, nr. 595). De SVB geeft aan door de contactbeperkende maatregelen vanwege corona een lager aantal onderzoeken te kunnen verrichten dan gepland. De verhoging van handhavingsrisico is naar inschatting van de SVB vooralsnog beperkt.

Tabel 81 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

61

52

57

Kennis van de verplichtingen (%)

84

82

67

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

61

43

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Wie komt er voor in aanmerking?

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland. Hierdoor krijgen alleen personen die woonachtig zijn in een niet-verdragsland geen inkomensondersteuning AOW (0,1% van de AOW-gerechtigden).

Hoe hoog is de inkomensondersteuning AOW?

De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren en bedraagt maximaal € 25,63 bruto per maand (prijspeil 2020). De IOAOW wordt jaarlijks geïndexeerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De stijgende levensverwachting en de vergrijzing leiden de komende jaren tot een toename van het aantal AOW-gerechtigden en daarmee tot een stijging van de verwachte uitgaven aan de IOAOW. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-gerechtigde leeftijd dan weer wordt verhoogd. In het Pensioenakkoord is een 2/3-koppeling van de AOW-leeftijd vanaf 2025 afgesproken. Hierdoor zal de AOW-leeftijd in 2025 niet worden verhoogd. De uitgaven nemen hierdoor in 2025 sneller toe dan in eerdere jaren. De demografische ontwikkelingen voor de prognose zijn ontleend aan de Kernprognose 2019-2060 van het CBS. Daarnaast wordt in de raming rekening gehouden met de hogere sterfte vanwege corona. De gevolgen hiervan op de levensverwachting zijn (nog) onzeker.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 82 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

Pensioen niet-belaste premie

19.116

19.554

20.307

Pensioen belaste uitkering

‒ 12.485

‒ 12.665

‒ 12.673

Pensioen vrijstelling box 3

7.232

7.434

7.803

Lijfrente premieaftrek

600

611

634

Lijfrente belaste uitkering

‒ 401

‒ 406

‒ 407

Lijfrente vrijstelling box 3

232

239

250

Nettopensioen en nettolijfrente

6

6

8

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130%, alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen.

De afname van het aantal pensioenfondsen in 2019 past bij de dalende trend van de afgelopen jaren. Het gaat hierbij vooral om een afname van de pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is licht gestegen in 2019 in vergelijking met voorgaande jaren, maar het aantal bij die fondsen betrokken deelnemers en gepensioneerden is echter kleiner dan in voorgaande jaren.

De dekkingsgraden zijn de afgelopen maanden gedaald door de economische gevolgen van de coronacrisis. In hoeverre dit effect blijvend is, zal de komende maanden blijken. In ieder geval is de financiële positie aan het einde van het jaar leidend voor de vraag of pensioenen verhoogd kunnen worden of verlaagd moeten worden.

Tabel 83 Kerncijfers aanvullende pensioenen1
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Totaal aantal pensioenfondsen2

219

208

203

 

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%3

204

190

193

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.362

5.555

5.500

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.250

3.322

3.310

X Noot
1

DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen

X Noot
2

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

X Noot
3

Beleidsdekkingsgraad

Artikel 9 Nabestaanden

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen voorgenomen beleidswijzigen in 2021. De afspraken over het nabestaandenpensioen in het kader van het pensioenakkoord worden toegelicht in de paragraaf beleidswijzigingen van artikel 8 van de begroting.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 84 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.194

1.332

1.370

1.404

1.435

1.470

1.486

        

Uitgaven

1.194

1.332

1.370

1.404

1.435

1.470

1.486

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

1.194

1.332

1.370

1.404

1.435

1.470

1.486

AWW (Caribisch Nederland)

1.194

1.332

1.370

1.404

1.435

1.470

1.486

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AWW Caribisch Nederland.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 85 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

355.757

339.202

317.801

307.445

302.743

300.296

295.611

        

Inkomensoverdrachten

355.757

339.202

314.958

303.499

297.671

293.268

286.423

Anw

349.507

333.335

309.502

298.248

292.531

288.214

281.630

Tegemoetkoming Anw

6.250

5.867

5.456

5.251

5.140

5.054

4.793

        

Nominaal

0

0

2.843

3.946

5.072

7.028

9.188

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De hoogte ervan is leeftijdgerelateerd. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen nemen de uitkeringslasten van de AWW-uitkeringen licht toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 86 Kerncijfers AWW Caribisch Nederland
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

Nabestaande partners komen in aanmerking voor een nabestaandenuitkering als zij jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd, de partner op de datum van overlijden verzekerd was voor de Anw en de nabestaande:

  • Eén of meer kinderen onder de 18 jaar verzorgt, of;

  • Voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

Een kind heeft recht op een wezenuitkering indien beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De uitkering kan worden verlengd tot 18 jaar wanneer het kind bezig is een startkwalificatie te behalen of daarvan is vrijgesteld of volledig dagonderwijs volgt na het behalen van een startkwalificatie. De wezenuitkering kan eventueel tot 21 jaar worden verstrekt wanneer de wees volledig dagonderwijs volgt of wanneer een ongehuwde wees de tijd grotendeels besteedt aan een gezamenlijke huishouding met een andere wees of voor een hulpbehoevende zorgt.

De Anw maakt geen onderscheid tussen gehuwden en mensen die ongehuwd zijn en samen een huishouden vormen. Daarom wordt gesproken van «partner». Nabestaanden die vóór 1 juli 1996 recht hadden op de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vallen onder een overgangsregeling.

Hoe hoog is de Anw?

De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het referentieminimumloon. Voor kostendelers geldt een lager normbedrag ter hoogte van 50% van het referentieminimumloon. Op de nabestaandenuitkering vindt inkomstenverrekening plaats. Daarbij kent de nabestaandenuitkering een vrijlating voor inkomen uit arbeid. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, plus een derde deel van het meerdere inkomen. Inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld WIA- of WW-uitkering) wordt geheel verrekend. Eigen vermogen, de inkomsten uit dit vermogen en particuliere aanvullende nabestaandenpensioenen worden niet in mindering gebracht op de nabestaandenuitkering.

De wezenuitkering bedraagt een percentage van het referentieminimumloon, afhankelijk van de leeftijd van de wees. De hoogte van de wezenuitkering is niet afhankelijk van het inkomen. Nabestaanden of wezen ontvangen naast hun Anw-uitkering ook een tegemoetkoming Anw.

Tabel 87 Anw bruto maandbedragen (maxima), exclusief vakantietoeslag en exclusief tegemoetkoming Anw (in €)
 

1 juli 2020

Nabestaandenuitkering

1.243,94

Nabestaandenuitkering met een of meer meerderjarige medebewoners (kostendelersnorm: 50% referentieminimumloon)

785,09

Wezenuitkering (wezen tot 10 jaar)

415,45

Wezenuitkering (wezen van 10 tot 16 jaar)

614,48

Wezenuitkering (wezen van 16 tot 21 jaar)

813,51

Tegemoetkoming Anw

17,39

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Anw nemen de komende jaren af, omdat het aantal nabestaanden dat een recht heeft op een Anw-uitkering naar verwachting afneemt.

Beleidsrelevante kerncijfers

De uitstroom uit de regeling is de komende jaren groter dan de instroom, omdat een groot deel van de nabestaanden die sinds 1996 een uitkering ontvangen op basis van de rechtsvoorganger van de Anw, de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW), in de komende jaren recht krijgt op een AOW-uitkering. Het aantal nabestaanden dat na 1 juli 1996 is ingestroomd en het aantal wezen dat aanspraak maakt op een nabestaandenuitkering is de komende jaren naar verwachting stabiel.

Tabel 88 Kerncijfers Anw
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Volume Anw (x 1.000 personen, ultimo)

28

26

24

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 1996

6,3

5,1

4,1

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996

20

20

19

 

waarvan met kind

8,3

7,8

7,4

 

waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid

12

12

12

    

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)

1,1

1,0

1,1

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Handhaving

De SVB heeft in 2019 extern onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de SVB haar handhaving invulling geeft. Uit dit onderzoek blijkt dat de SVB alle misbruikrisico’s in beeld heeft en dat er voldoende interne en externe mogelijkheden zijn ingericht om misbruiksignalen op te vangen (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 630). De SVB rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen en fenomenen op het gebied van fraude. In de signaleringbrief van juni 2020 heeft de SVB geen nieuwe frauderisico’s gesignaleerd (Kamerstukken II 2019/20, 17 050, nr. 595). De SVB geeft aan door de contactbeperkende maatregelen vanwege corona een lager aantal onderzoeken te kunnen verrichten dan gepland. De verhoging van handhavingsrisico is naar inschatting van de SVB vooralsnog beperkt.

Tabel 89 Kerncijfers Anw (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

86

82

77

Kennis van de verplichtingen (%)

85

89

83

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

39

21

3

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB door het directoraat-generaal Toeslagen.

C. Beleidswijzigingen

Verhoging kindbedrag WKB vanaf het 3e kind

Het kindgebonden budget wordt vanaf 2021 met € 150 miljoen geïntensiveerd. Hiermee wordt het kindbedrag dat ouders ontvangen vanaf het 3e kind verhoogd met € 617. Deze maatregel draagt bij aan de kabinetsinzet om de kans op armoede onder kinderen te verlagen (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 484).

Verhoging kinderbijslagvoorziening BES

In navolging van de intensivering in de WKB wordt de kinderbijslagvoorziening BES per 2021 naar rato geïntensiveerd met $ 2 per maand. Hiervoor wordt vanaf 2021 € 0,07 miljoen structureel beschikbaar gesteld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 90 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

5.936.534

6.594.923

6.521.835

6.462.911

6.404.382

6.379.068

6.339.008

        

Uitgaven

5.936.534

6.594.923

6.521.835

6.462.911

6.404.382

6.379.068

6.339.008

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Inkomensoverdrachten

5.936.534

6.594.923

6.521.835

6.462.911

6.404.382

6.379.068

6.339.008

AKW

3.635.727

3.654.556

3.638.806

3.627.625

3.625.263

3.629.359

3.637.543

Kinderbijslagvoorziening BES

3.239

4.271

4.373

4.441

4.522

4.575

4.612

WKB

2.297.568

2.936.096

2.878.656

2.830.845

2.774.597

2.745.134

2.696.853

        

Ontvangsten

191.310

193.456

201.680

209.800

210.462

208.047

206.154

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AKW, kinderbijslagvoorziening BES en WKB.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders of verzorgers een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich mee brengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders van kinderen tot 18 jaar hebben recht op kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag vervalt indien ouders valt te verwijten dat hun kind niet voldoet aan de Leerplichtwet.

Hoe hoog is de kinderbijslag?

De hoogte van de kinderbijslag hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslagbedragen worden per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Bij ziekte of handicap, of omdat het kind niet thuis woont om onderwijsredenen, kan onder nadere voorwaarden sprake zijn van dubbele kinderbijslag. Alleenstaande en alleenverdienende ouders van thuiswonende kinderen met ziekte of handicap kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een extra tegemoetkoming.

Tabel 91 AKW, netto bedragen per kwartaal (in €)
 

1 juli 2020

Voor kinderen van:

 

0 t/m 5 jaar

221,49

6 t/m 11 jaar

286,95

12 t/m 17 jaar

316,41

Extra tegemoetkoming AKW (jaarbedrag 2020)

2.200,64

Budgettaire ontwikkelingen

Het meerjarige verloop van de uitgaven AKW wordt verklaard door twee effecten. Het aantal kinderen daalt licht tot 2022 en neemt vervolgens toe. Daarnaast neemt naar verhouding het aandeel jonge kinderen toe, waardoor het gemiddelde AKW bedrag daalt. Door deze twee effecten dalen de uitgaven tot en met 2023 en nemen daarna licht toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal gezinnen en kinderen neemt af als gevolg van demografische ontwikkelingen. Daarnaast neemt het aantal kinderen met dubbele AKW gestaag toe, voornamelijk op basis van een intensieve zorg kwalificatie. Het aantal gezinnen dat recht heeft op een extra tegemoetkoming AKW is sinds 2019 toegenomen als gevolg van de verruiming van de voorwaarden (Kamerstukken II 2017/18, 34 977, nr. 2 en 3).

Tabel 92 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.891

1.883

1.875

Aantal telkinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)2

3.353

3.354

3.341

    
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, uliomo jaar):

   

Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen

1,5

1,3

1,1

Kind thuiswonend met intensieve zorg

26,3

29,0

31,0

Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap

1,2

1,1

1,1

    

Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)

8,3

8,1

8,8

X Noot
1

SVB, administratie.

X Noot
2

Een administratieve teleenheid die gebruikt wordt bij het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslag. Bijvoorbeeld: een gehandicapt kind geldt voor de kinderbijslag als twee telkinderen waardoor het in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag.

Handhaving

De SVB heeft in 2019 extern onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de SVB haar handhaving invulling geeft. Uit dit onderzoek blijkt dat de SVB alle misbruikrisico’s in beeld heeft en dat er voldoende interne en externe mogelijkheden zijn ingericht om misbruiksignalen op te vangen (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 630). De SVB rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen en fenomenen op het gebied van fraude. In de signaleringbrief van juni 2020 heeft de SVB geen nieuwe frauderisico’s gesignaleerd (Kamerstukken II 2019/20, 17 050, nr. 595). De SVB geeft aan door de contactbeperkende maatregelen vanwege corona een lager aantal onderzoeken te kunnen verrichten dan gepland. De verhoging van handhavingsrisico is naar inschatting van de SVB vooralsnog beperkt.

Tabel 93 Kerncijfers AKW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

70

69

67

Kennis van de verplichtingen (%)

71

73

72

  

Ontstaansjaar vordering

  

2017

2018

2019

Terugvordering2

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2019 (%)

77

52

32

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Wet kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders of verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn. De kinderbijslagvoorziening BES wordt uitgevoerd door de RCN-unit SZW namens de Minister van SZW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar die ingezetene zijn van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Hoe hoog is de kinderbijslagvoorziening BES?

De hoogte van het bedrag bedraagt in 2020 $ 83 op Bonaire en $ 85 op Sint Eustatius en $ 84 op Saba per kind per maand. De definitieve hoogte van de kinderbijslagvoorziening voor 2021 wordt aan de hand van de ontwikkeling van het consumentenprijs-indexcijfer bepaald.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Kinderbijslagvoorziening BES laten over de jaren een stabiel beeld zien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 94 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

4,7

4,7

4,7

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door het directoraat-generaal Toeslagen. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar, die in aanmerking komen voor kinderbijslag, kunnen het kindgebonden budget krijgen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en vermogen.

Hoe hoog is het kindgebonden budget?

De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, het (gezamenlijke) inkomen en vermogen van de ouders en de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 21.431 (alleenstaande) of € 38.181 (aanvrager met toeslagpartner)(bedragen 2020) wordt het kindgebonden budget geleidelijk minder. Voor iedere € 100 boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 6,75 lager. Indien het (gezamenlijk) vermogen op de peildatum 1 januari 2020 hoger is dan € 116.613 (alleenstaande) of € 147.459 (aanvrager met toeslagpartner), vervalt het recht op kindgebonden budget voor 2020. De bedragen van het kindgebonden budget worden per 1 januari aangepast aan de prijsontwikkelingen.

Tabel 95 WKB, netto maximum bedragen per jaar (in €)
 

1 januari 2020

Een gezin met:

 

1 kind

1.185

  

Verhoging 2e kind (extra bedrag per jaar)

1.005

Verhoging 3e kind (extra bedrag per jaar)

297

Verhoging ieder volgend kind (extra bedrag per jaar)

297

  

Extra verhoging 12-15-jarigen1

243

Extra verhoging 16-17-jarigen1

434

Extra verhoging alleenstaande ouder

3.190

X Noot
1

Ten opzichte van bovengenoemde bedragen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven WKB zijn in 2021 lager dan in 2020. Dit komt doordat in 2020 circa € 325 miljoen incidentele uitgaven plaatsvinden in het kader van de herstelactie (Kamerstukken II 2018/19, 35 010, nr. 17). In 2021 resteert nog circa € 13 miljoen aan hersteluitgaven voor huishoudens die in het buitenland verblijven, waarna de herstelactie is afgerond. Indien gecorrigeerd wordt voor de incidentele hersteluitgaven, nemen de uitgaven WKB in 2021 toe ten opzichte van 2020. De coronacrisis heeft namelijk tot gevolg dat gezinsinkomens gemiddeld gezien dalen, waardoor meer huishoudens (een hoger) recht hebben op WKB. In latere jaren herstelt de economie naar verwachting, met als gevolg dat gezinsinkomens stijgen en de uitgaven aan de WKB gestaag dalen. Daarnaast wordt de WKB per 2021 structureel met € 150 miljoen geïntensiveerd. Hiermee wordt het kindbedrag vanaf het 3e kind verhoogd met € 617.

Beleidsrelevante kerncijfers

De verhoging van de afbouwgrens voor paren met € 16.750 (Stb. 2019, 409), in lijn met het regeerakkoord, heeft tot gevolg dat vanaf 2020 fors meer huishouden en kinderen recht hebben op WKB.

Tabel 96 Kerncijfers WKB
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

717

966

971

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.323

1.756

1.771

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

337

337

340

X Noot
1

Ministerie van Financiën, Toeslagen. Het betreft gegevens voor (verwachte) toegekende toeslagen per berekeningsjaar. De realisatiecijfers van 2019 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen bij het definitief vaststellen van het recht op toeslag.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de ontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, zijn de ontvangsten in een bepaald jaar veelal gebaseerd op definitieve afrekeningen van eerdere jaren. De ontvangsten nemen vanaf 2021 toe als gevolg van de intensivering uit het regeerakkoord die in 2020 in werking treedt.

Artikel 11 Uitvoering

A. Algemene doelstelling

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB). Hij maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale­zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;

  • de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het IB beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het IB en de verantwoording daarover;

  • de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld.

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Tabel 97 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 20191

Streefwaarde 20202

Streefwaarde 20213

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

100

100

100

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,1

99,0

99,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,1

7

7

X Noot
1

UWV, jaarverslag 2019.

X Noot
2

UWV, jaarplan 2020.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2021 van UWV.

Tabel 98 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 20191

Streefwaarde 20202

Streefwaarde 20213

Doelmatigheid: Reële efficiëntiegroei4

0,1

1,5

1,5

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

100

99

99

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

5

8

8

X Noot
1

SVB, Jaarverslag 2019.

X Noot
2

SVB, jaarplan 2020.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2021 van de SVB.

X Noot
4

Norm is 1,5% efficiency-groei (kostenbesparing los van volume- en beleidswijzigingen) voor de grote wetten, uitzonderingen op specifieke wetten.

X Noot
5

Het klanttevredenheidsonderzoek vindt tweejaarlijks plaats en heeft in 2019 niet plaatsgevonden. In 2018 betrof het klant cijfer een 8,0.

C. Beleidswijzigingen

Voor de beleidswijzigingen per wet wordt verwezen naar de overige beleidsartikelen.

Stand van de uitvoering sociale zekerheid

In de Stand van de uitvoering is veel aandacht voor de gevolgen van de coronacrisis voor de uitvoering van de sociale zekerheid. Beide ZBO's zijn erin geslaagd om hogere volumes weg te werken en nieuwe taken met spoed op te pakken. In de brief wordt nader ingegaan op de maatregelen die UWV heeft moeten nemen om de dienstverlening te continueren (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 634). Ook in 2021 zal de werkloosheid groot zijn. De nadruk wordt hierbij gelegd op het garanderen van de continuïteit van de dienstverlening en tijdigheid van betalingen.

Ministeriële Commissie Uitvoering (MCU)

Het kabinet heeft de Ministeriële Commissie Uitvoering (MCU) ingesteld. Via de samenhangende agenda «Werk voor de uitvoering» wordt gewerkt aan een aanpak voor urgente uitdagingen in de uitvoering. In september wordt het rapport «Werk aan uitvoering: handelingsperspectieven en samenvatting analyse» naar de Tweede Kamer verzonden. In dit rapport worden concrete handelingsperspectieven geschetst voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid voor de korte en langere termijn.

Intensivering uitvoering Sociale Zekerheid

De uitvoering van de sociale zekerheid is kwetsbaar en de continuïteit in het verlenen van de juiste dienstverlening staat onder grote druk. Burgers en bedrijven raken hierdoor in toenemende mate in de knel. De oorzaken zijn divers: een combinatie van herhaalde taakstellingen, digitaliseringsoperaties, implementatie van complexe beleidsopgaven en personeelstekorten. Sluipenderwijs is achterstallig onderhoud ontstaan en is de kwaliteit onder druk komen te staan. De coronacrisis heeft op slag duidelijk gemaakt waar het op aan komt als het puntje bij het paaltje komt: wendbare uitvoering in de publieke sector. Bij voorjaarsnota 2019 heeft het kabinet voor de probleemanalyse «Werk aan Uitvoering» structureel € 19 miljoen gereserveerd. Dit geld wordt gereserveerd voor ICT bij de SVB. Daarbovenop stelt het kabinet nu structureel € 100 miljoen beschikbaar voor UWV, SVB en BKWI vanaf 2022. Doel van de inzet is het waarborgen van de continuïteit van de uitvoering van de sociale zekerheid. De € 100 miljoen wordt ingezet voor het onderhoud en modernisering van ICT, het verbeteren en maatwerk bieden in de dienstverlening en voor artsen- en handhavingscapaciteit. Voor BKWI wordt structureel extra ontwikkelcapaciteit beschikbaar gesteld.

Als onderdeel van het steun- en herstelpakket om de economische gevolgen van de coronacrisis op te vangen wordt in 2021 de werkgeversdienstverlening geïntensiveerd. Ook wordt er budget beschikbaar gesteld voor scholingsexperts ten behoeve van de uitvoering van de tijdelijke regeling scholingsbudget UWV.

Dienstverlening WW, WGA en Wajong

In 2016 is UWV gestart met een nieuw dienstverleningsmodel voor WW-gerechtigden. In het regeerakkoord heeft het kabinet vanaf 2019 € 70 miljoen structureel vrijgemaakt voor het versterken van persoonlijke dienstverlening aan WW-, Wajong- en WGA-gerechtigden door UWV. De dienstverlening is tot en met maart 2020 zowel kwantitatief als kwalitatief ontwikkeld. Door corona zal het in 2021 moeilijker worden om te voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen.

De hogere instroom in de WW vraagt om een aanzienlijke opschaling van de capaciteit maar deze wordt beperkt door opleidings- en inwerkmogelijkheden. De hoge instroom in combinatie met het tekort aan uitvoeringscapaciteit leidt op korte termijn tot een gemiddeld minder intensieve dienstverlening. Vanwege de onzekerheid van het instroomvolume, het gemiddeld recht op WW en de afstand tot de arbeidsmarkt van werkzoekenden is nu niet te zeggen op welke termijn dit normaliseert.

Sinds 2017 vindt er een effectmeting plaats op de dienstverlening voor WW- gerechtigden door UWV. De eerste tussenrapportage van de effectmeting stond gepland om in het voorjaar van 2020 te verschijnen. Vanwege een methodologische tegenvaller heeft de publicatie van de eerste tussenrapportage vertraging opgelopen. Deze zal na de zomer met de Tweede Kamer gedeeld worden. De eindrapportage zal conform de planning eind 2021 met de Tweede Kamer gedeeld worden.

Het ingezette WGA-praktijkonderzoek naar de effecten van intensievere, persoonlijke dienstverlening is gestart. De coronacrisis heeft uiteraard gevolgen voor de arbeidsmarkt en de verwachting is dan ook dat het tevens moeilijker zal worden om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan werk te helpen.

Sociaal-medische beoordelingen

In de Stand van de uitvoering van december 2019 is aangekondigd in 2020 breed, met alle betrokkenen, over de toekomst van het sociaal-medisch beoordelen in gesprek te gaan. De afgelopen maanden vroeg de coronacrisis de volledige aandacht van alle betrokkenen, maar begin juni zijn de gesprekken hierover hervat. Ook blijft UWV werken aan het zo snel en zo breed mogelijk invoeren van taakdelegatie, om de beperkte capaciteit van verzekeringsartsen beter te benutten. In de tweede helft van 2020 wordt bepaald welke wijzigingen van wet- en regelgeving hiervoor exact worden voorgesteld, ook na nadere afstemming met UWV en de relevante beroepsgroepen.

Tevens worden samen met UWV afspraken gemaakt over het gemotiveerd aanvragen van WIA-herbeoordelingen. Op basis van een goede motivatie kunnen deze beoordelingen sneller en beter verlopen.

In februari is UWV daarnaast van start gegaan met het aangekondigde experiment om maatwerk te leveren aan WIA-gerechtigden in de categorie ‘WGA 80-100 medisch’. Het experiment zal begin 2021 worden afgerond.

Ook zal UWV in kaart brengen op welke manier een andere invulling van de eerstejaarsziektewetbeoordeling zou kunnen leiden tot een afname van het aantal verzekeringsartsen dat UWV voor die beoordeling nodig heeft. Al deze maatregelen en ontwikkelingen zullen worden toegelicht in de Stand van de uitvoering die in december naar de Tweede Kamer wordt verzonden.

Handhaving

Voor de bestrijding van WW fraude worden in 2021 aanvullende stappen gezet zoals het doorvoeren van aanpassingen in het adressenbeleid en het vertaalbeleid. Verder worden er verschillende risicomodellen ontwikkeld. Vanwege de coronacrisis is de business case verwijtbare werkloosheid die in 2020 zou starten uitgesteld. Het streven is om dit op 1 januari 2021 weer op te pakken. In november zullen SZW en UWV bezien in hoeverre dat realistisch is.

Er is een breed extern onderzoek naar misbruikrisico's. Doelstelling van het onderzoek is om zowel inzicht te krijgen in de misbruikrisico’s als het ontwikkelen van een integraal afwegingskader zodat UWV en SZW op een systematische wijze een gedeeld beeld hebben van de risico’s en de prioritering daarvan. In 2019 is de WW doorgelicht. Begin dit jaar is de doorlichting van de ZW en de WIA gestart, die naar verwachting eind oktober 2020 wordt afgerond.

Het structureel beschikbare budget voor handhaving van UWV is in 2020 structureel verhoogd met € 7,3 miljoen. Zowel bij het oppakken van meldingen als het doen van thematische handhavingsonderzoeken moest worden geprioriteerd. Daarom is er een aanvullend bedrag ter versterking van handhaving toegekend van € 10,5 miljoen in 2020 en structureel € 12,7 miljoen vanaf 2021.

Investeringen in ICT en personeelsbeleid

Vanaf 2017 werkt de SVB aan een meerjarig projectportfolio. Om de stabiliteit en wendbaarheid te vergroten, wordt ingezet op verdere technische vernieuwing, vermindering van de complexiteit en op de inzet van moderne techniek. Op het gebied van personeel wil de SVB meer wendbaar, flexibel en toekomstbestendig worden. De strategische personeelsplanning is hierin leidend.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 99 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

519.087

606.979

655.858

572.373

537.133

545.031

541.486

        

Uitgaven

519.222

606.979

655.858

572.373

537.133

545.031

541.486

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

518.540

606.254

655.138

571.677

536.437

544.335

540.790

Uitvoeringskosten UWV

396.851

457.427

511.385

403.443

372.860

372.655

372.067

Uitvoeringskosten SVB

112.726

137.634

135.727

160.208

155.551

163.654

160.697

Uitvoeringskosten IB

8.963

11.193

8.026

8.026

8.026

8.026

8.026

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

682

725

720

696

696

696

696

Landelijke Cliëntenraad

682

725

720

696

696

696

696

        

Ontvangsten

52.252

173

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

De bijdragen aan ZBO’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitvoeringsbudgetten van UWV, de SVB en het IB. Deze budgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen vastgesteld.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties:

De bijdrage aan nationale organisaties is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de LCR. Het budget wordt bij goedkeuring van het jaarplan vastgesteld.

Tabel 100 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitgaven

1.506.518

1.804.955

1.980.202

2.057.354

2.068.110

2.107.658

2.151.099

        

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

1.506.518

1.804.955

1.934.073

1.976.265

1.948.032

1.945.799

1.945.634

Uitvoeringskosten UWV

1.359.118

1.655.716

1.798.666

1.836.275

1.814.803

1.811.187

1.811.434

Uitvoeringskosten SVB

147.400

149.239

135.407

139.990

133.229

134.612

134.200

        

Nominaal

0

0

46.129

81.089

120.078

161.859

205.465

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor UWV, de SVB en het Inlichtingenbureau, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten.

Per saldo stijgen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancierd) van UWV in 2021 met circa €224 miljoen. De stijging heeft te maken met de forse oploop van de WW-volumes als gevolg van corona en de tijdelijke noodmaatregelen van het steunpakket die UWV uitvoert, zoals de NOW 1, NOW 2 en de Tofa.

Per saldo dalen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancierd) van de SVB met circa € 16 miljoen. Deze daling is voor een groot deel het gevolg van een piek in de implementatiekosten van EESSI in 2020.

In de tabellen 101 en 102 zijn de uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Dit is een ex-ante raming op basis waarvan de bekostiging van ZBO’s plaatsvindt. De toedeling is extracomptabel. Hier is de loon- en prijsbijstelling nog niet aan toebedeeld.

Tabel 101 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

UWV (incl. BKWI)

1.755.969

2.113.143

2.310.051

2.239.717

2.187.664

2.183.842

2.183.501

        

Begrotingsgefinancierd

396.851

457.427

511.385

403.443

372.860

372.655

372.067

IOW

2.586

2.514

2.510

3.130

3.939

4.394

4.525

Wajong

141.938

172.198

159.009

149.406

148.957

147.230

146.233

Re-integratie Wajong1

123.860

104.132

103.907

103.941

104.120

104.315

104.608

Basisdienstverlening

93.778

93.176

113.561

82.492

81.512

82.423

82.446

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Wsw indicatiestelling

4.048

1.405

1.359

1.315

1.272

1.232

1.195

Scholingsregeling WW

1.020

780

780

0

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

0

500

0

0

0

0

0

NOW 1.0

0

20.000

50.000

15.000

0

0

0

NOW 2.0

0

20.000

50.000

15.000

0

0

0

NOW 3.0

0

7.000

0

0

0

0

0

TOFA

0

3.100

200

100

0

0

0

BKWI

9.620

12.622

10.060

13.060

13.060

13.060

13.060

        

Premiegefinancierd

1.359.118

1.655.716

1.798.666

1.836.275

1.814.803

1.811.187

1.811.434

WAO

84.435

48.542

46.466

45.129

43.671

42.278

40.514

IVA

128.844

103.974

104.582

105.898

111.030

116.898

121.653

WGA

258.050

293.134

321.883

331.259

337.718

348.174

359.835

WAZ

2.931

2.502

2.308

2.209

2.095

1.972

1.853

WW

542.251

752.819

848.121

853.181

819.700

798.503

781.075

ZW

310.854

328.263

348.426

371.277

372.366

373.909

375.507

WAZO

11.103

5.969

5.971

5.972

5.973

5.974

5.976

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW1

126.805

120.513

120.909

121.348

122.250

123.479

125.020

Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve

‒ 106.155

      

Bron: SZW-administratie.

X Noot
1

Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan weergegeven op beleidsartikel 3. De uitvoeringskosten re-integratie hebben betrekking op de werkzaamheden die UWV verricht ten behoeve van de inkoop van externe re-integratiediensten en de re-integratiedienstverlening voor werkzoekenden in de WIA, WAO en Wajong die UWV zelf aanbiedt.

Tabel 102 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

SVB

260.126

286.953

271.134

300.198

288.780

298.266

294.897

        

Begrotingsgefinancierd

112.726

137.714

135.727

160.208

155.551

163.654

160.697

AKW

71.216

95.961

93.253

118.032

112.703

119.937

115.530

TAS

1.278

2.980

2.327

1.635

1.562

1.535

1.533

KOT/WKB

8.333

5.634

5.634

5.634

5.634

5.634

5.634

AIO

28.901

30.581

31.992

32.888

33.649

34.564

36.036

Bijstand buitenland

265

224

224

224

224

223

224

OBR

600

503

489

0

0

0

0

Remigratiewet

2.133

1.832

1.808

1.794

1.779

1.762

1.740

        

Premiegefinancierd

147.400

149.239

135.407

139.990

133.229

134.612

134.200

AOW

135.800

140.333

126.962

131.674

124.961

126.371

126.017

Anw

11.600

8.906

8.445

8.316

8.268

8.241

8.183

Bron: SZW-administratie.

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI, waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

Artikel 12 Rijksbijdragen

A. Algemene doelstelling

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De financiering van de sociale fondsen loopt hoofdzakelijk via premie-inning. In een aantal gevallen acht de overheid premieheffing niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen acht de overheid financiering van een regeling via de algemene middelen passender, maar wordt wel gekozen voor uitvoering via de sociale fondsen. De sociale fondsen worden in dat geval via rijksbijdragen voorzien van voldoende financiering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de sociale fondsen uit de algemene middelen, al dan niet in aanvulling op premieheffing. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

C. Beleidswijzigingen

Voor 2021 zijn er geen beleidswijzigingen op dit artikel.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 103 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

17.426.873

20.159.500

22.756.024

23.390.851

23.699.121

24.171.823

25.132.338

        

Uitgaven

17.426.873

20.159.500

22.756.024

23.390.851

23.699.121

24.171.823

25.132.338

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Bijdrage aan sociale fondsen

17.426.873

20.159.500

22.756.024

23.390.851

23.699.121

24.171.823

25.132.338

Kosten heffingskortingen AOW

2.209.900

2.029.300

2.300.400

2.363.300

2.419.100

2.494.800

2.558.600

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

14.881.500

17.851.600

20.197.900

20.777.000

21.024.900

21.418.000

22.311.700

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

160.212

157.368

156.131

158.065

160.686

162.751

164.529

Zwangere zelfstandigen

175.261

80.671

79.623

81.219

83.168

85.005

86.242

Transitievergoeding

0

40.561

21.970

11.267

11.267

11.267

11.267

        

Ontvangsten

8.410

82

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan sociale fondsen:

De bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW en het vermogenstekort Ouderdomsfonds zijn juridisch verplicht volgens de Wet financiering sociale verzekeringen. De rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten is juridisch verplicht volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rijksbijdrage zwangere zelfstandigen is juridisch verplicht volgens de Wet arbeid en zorg. De Rijksbijdrage transitievergoeding komt voort uit de Wet aanpassing transitievergoeding bij bedrijfseconomische redenen en langdurige arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 5.1, sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Bijdrage aan sociale fondsen

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de BIKK AOW nemen in 2021 toe. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste neemt de omvang van de heffingskortingen toe, omdat bijvoorbeeld de arbeidskorting en de algemene heffingskorting worden verhoogd. De rijksbijdragen in de kosten van heffingskortingen stijgen dan mee. Ten tweede daalt per 2021 het belastingtarief van de 1e schijf. Hiermee wordt het aandeel van de AOW-en WLZ-premies in de kosten van de heffingskortingen groter en de compensatie daarvoor via de rijksbijdrage dus ook.

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor dit fonds bestaat.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds stijgen in 2021. Dat komt enerzijds doordat de premie-inkomsten van het Ouderdomsfonds lager worden geraamd. Hierdoor moet de rijksbijdrage hoger zijn om het exploitatietekort van het fonds aan te vullen. Tegelijkertijd blijven de AOW-uitgaven stijgen. Ook dat zorgt voor een hogere rijksbijdrage.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De Wet Tegemoetkoming Chronisch zieken en Gehandicapten (Wtcg) is vanaf 2014 afgeschaft. De regeling van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is overgeheveld van de Wtcg naar de WIA, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de WAZ en WAO. De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De AO-tegemoetkoming stijgt licht de komende jaren door de verwachte stijging van het aantal rechthebbenden in de onderliggende regelingen.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven aan de ZEZ zijn de komende jaren redelijk constant.

Rijksbijdrage transitievergoeding

De Wet transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid regelt vanaf 1 april 2020 compensatie voor werkgevers voor verstrekte transitievergoedingen aan werknemers van wie de dienstbetrekking is geëindigd na langdurige arbeidsongeschiktheid. De regeling kent terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Dit wetsvoorstel wordt grotendeels gefinancierd via werkgeverspremies. Voor een klein deel is er een rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage transitievergoeding bedraagt structureel circa € 11 miljoen. In 2020 en 2021 vindt compensatie van werkgevers met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 plaats. Hierdoor is de rijksbijdrage in 2020 en 2021 hoger.

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

A. Algemene doelstelling

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migratieachtergrond en het doen accepteren van culturele diversiteit in de samenleving.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het doen ontstaan van sociale stabiliteit in een samenleving die in cultureel opzicht steeds meer divers wordt. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • mensen zelfredzaam zijn en zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • iedereen zich thuisvoelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Dit wordt gerealiseerd door:

  • het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;

  • het ervoor zorgen dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten, en het samenleven met elkaar in de diverse samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. Hij financiert een uitkeringsregeling (Remigratiewet), een leenstelsel voor degenen die moeten inburgeren en voorinburgering en maatschappelijke begeleiding voor nieuwkomers. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringsstelsel;

  • de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

Voor personen die vóór 1 juli 2021 inburgeringsplichtig worden, ligt de uitvoering van het inburgerings (onder meer examens)- en leenstelsel bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de uitvoering van de voorinburgering bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Voor personen die na 1 juli 2021 inburgeringsplichtig worden krijgen gemeenten de regierol over de uitvoering van inburgering. DUO blijft ook in het nieuwe stelsel een belangrijke ketenpartner en is verantwoordelijk voor onder andere het vaststellen van de inburgeringsplicht, het vaststellen van de inburgeringstermijnen, de verlenging daarvan, het laten afnemen van examens en de handhaving van de inburgeringsplicht aan het einde van het inburgeringstraject. Het COA blijft voorinburgering aanbieden in nauw contact met gemeenten. De Minister van OCW is eigenaar van DUO en de Minister van J&V van COA. Vanuit deze rol zijn laatstgenoemde ministers verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering en daaronder valt de dienstverlening van DUO respectievelijk COA aan het Ministerie van SZW. Gemeenten krijgen middelen voor uitvoeringskosten via het Gemeentefonds en middelen voor inburgeringsvoorzieningen via een specifieke uitkering.

C. Beleidswijzigingen

Implementatie Veranderopgave Inburgering

Het kabinet is voornemens om per 1 juli 2021 het nieuwe inburgeringsstelsel in werking te laten treden (Kamerstukken II 2019/2020, 35 483, nr. 2). Voor inburgeraars die voor die tijd inburgeringsplichtig zijn geworden, blijft de Wi2013 van toepassing. In het nieuwe stelsel krijgen gemeenten de regie over de uitvoering van inburgering. In 2021 zullen zij zich bezighouden met het inrichten van het inburgeringsbeleid en de implementatie van het nieuwe stelsel. VNG en Divosa begeleiden gemeenten bij deze implementatie en worden hierin financieel ondersteund door SZW.

Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt

In het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) wordt tot en met 2021 in een achttal pilots onderzocht ‘wat werkt’ om de arbeidsmarktpositie en –participatie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond te verbeteren. In 2021 zijn 6 van de 8 pilots afgerond, 2 pilots lopen door tot in 2022. De lessen uit deze pilots worden in samenwerking met gemeenten, UWV, onderwijsinstellingen, de sociale partners en maatschappelijke organisaties verspreid en geïmplementeerd. Vanaf 2021 wordt aanvullende monitoring ingezet om veranderingen in de arbeidsmarktpositie en –participatie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond te meten.

Brede Weerbaarheidsagenda 2021-2025

De sociale stabiliteit in Nederland staat onder druk. Onbehagen, racisme, discriminatie, misbruik van vrijheden door antidemocratisch, antirechtsstatelijk en onverdraagzaam gedrag vormen een reële bedreiging. Om de sociale stabiliteit veilig te stellen is extra inzet nodig die complementair is aan de veiligheidsaanpak. Hiervoor wordt de Brede Weerbaarheidsagenda 2021-2025 ontwikkeld (Kamerstukken II 2019/2020, 30 821, nr. 114). Het geeft aan hoe de Rijksoverheid deze versterking in samenwerking met andere partijen invulling geeft. Ook activiteiten die voortvloeien uit de bevindingen en aanbevelingen in het eindverslag van de parlementaire ondervragingscommissie naar ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen worden ondergebracht in deze agenda.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 104 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

221.009

217.121

236.697

252.207

238.532

227.414

220.503

        

Uitgaven

220.838

216.621

237.197

252.207

238.532

227.414

220.503

waarvan juridisch verplicht

  

97,0%

    
        

Inkomensoverdrachten

41.893

42.126

41.681

41.273

40.935

40.498

39.833

Remigratiewet

41.890

42.126

41.681

41.273

40.935

40.498

39.833

Inburgering

3

0

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

12.503

16.736

15.618

8.932

8.582

8.582

8.582

Opbouw kennisfunctie integratie

2.746

2.736

2.736

2.600

2.250

2.250

2.250

Vluchtelingenwerk Nederland

1.030

1.084

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

Vroege integratie en participatie

0

0

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

Overige subsidies

8.727

12.916

8.050

1.500

1.500

1.500

1.500

Opdrachten

10.268

16.622

12.171

12.728

13.078

13.078

11.878

Inburgering en Integratie

8.675

14.922

10.471

11.028

11.378

11.378

10.178

Remigratie

1.593

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

Bijdrage aan agentschappen

18.280

20.630

11.873

10.041

10.041

10.041

10.041

DUO

18.280

20.630

11.873

10.041

10.041

10.041

10.041

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

10.755

14.817

17.245

17.245

17.245

17.245

17.245

COA

10.755

14.817

17.245

17.245

17.245

17.245

17.245

Bijdrage aan medeoverheden

0

8.462

60.133

105.731

117.315

121.865

121.865

Gemeenten maatschappelijke begeleiding

0

8.462

21.950

11.166

0

0

0

Gemeenten inburgeringsvoorzieningen

0

0

38.183

94.565

117.315

121.865

121.865

Leningen

127.139

97.228

78.476

56.257

31.336

16.105

11.059

DUO

127.139

97.228

78.476

56.257

31.336

16.105

11.059

        

Ontvangsten

4.218

1.800

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Ontvangsten algemeen

775

0

0

0

0

0

0

Leningen

3.443

1.800

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten volgen uit wet- en regelgeving op het terrein van de Remigratiewet en zijn daarmee voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 70% juridisch verplicht. De subsidies voor opbouw kennisfunctie integratie, Vluchtelingenwerk Nederland en vroege integratie en participatie zijn gebaseerd op meerjarige afspraken met de ontvangende organisaties. Daarnaast is er sprake van verplichtingen ten aanzien van toegekende incidentele subsidies als gevolg van toezeggingen aan de Tweede Kamer in de vorm van diverse amendementen. Van de overige subsidies is 44% juridisch verplicht.

Opdrachten:

De middelen voor opdrachten zijn voor het onderdeel Remigratie geheel juridisch verplicht. De overige middelen zijn voor een groot deel benodigd om noodzakelijke uitgaven te doen in het kader van de inburgeringsexamens en het beheer van het examen- en leenstelsel. Hiervoor loopt thans een nieuwe aanbesteding die begin 2021 tot een verplichting zal leiden. Uitgangspunt is dat 80% juridisch verplicht is.

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ten behoeve van het beheer van het examenstelsel en de uitvoering van het leenstelsel is gebaseerd op gemaakte afspraken en daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's:

De bijdrage aan ZBO’s is bedoeld voor de uitvoering van de voorinburgering door het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) en is daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan medeoverheden:

De bijdrage aan gemeenten voor maatschappelijke begeleiding volgt uit bestuurlijke afspraken met de VNG, die zijn vastgelegd in regelgeving inzake inburgering. De uitkering aan gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen wordt onderdeel van de nieuwe Wet inburgering. Daarmee zijn deze uitgaven 100% juridisch verplicht.

Leningen:

Het leenstelsel is gebaseerd op de Wet Inburgering 2013 en daarmee zijn de uitgaven in de vorm van leningen 100% juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Het integratiebeleid, dat de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit bevordert, heeft als einddoel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke maten hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs de hogere vormen (havo en vwo) volgt.

De figuren 6, 7 en 8 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school)jaar. De figuren laten verschillen zien zowel tussen de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.

In het algemeen tonen de grafieken dat de positie van groepen met een migratieachtergrond nog ongunstiger is in vergelijking tot de groep zonder migratieachtergrond, waarbij de positie van de 2e generatie veelal beter is dan die van de 1e generatie. De arbeidsparticipatie (figuur 6) van de groepen met een migratieachtergrond stijgt in het algemeen gedurende de laatste drie jaren en het verschil met autochtonen neemt af. Bij de 2e generatie met Surinaamse en Antilliaanse achtergrond is de participatiegraad nu hoger dan onder de groep met autochtoon Nederlandse achtergrond. Ook bij de werkloosheid (figuur 7) tekent zich een positieve ontwikkeling af: de werkloosheid daalt voor de meeste herkomstcategorieën de afgelopen drie jaar sneller dan onder de autochtoon Nederlandse groep zodat de achterstand afneemt. Wel ligt bij een aantal categorieën de werkloosheid onder de 2e generatie nog hoger dan onder de 1e. In het onderwijs zien we dat bij de meeste categorieën het aandeel leerlingen dat in het 3e leerjaar de hogere vormen (havo of vwo) volgt in het algemeen toeneemt (figuur 8) maar dat het verschil met autochtoon Nederlandse leerlingen in stand blijft aangezien zich ook bij deze categorie een stijging aftekent.

Figuur 6 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie2 (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 7 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking3 (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 8 Kerncijfers integratie: Aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Inkomensoverdrachten

Een remigratievoorziening is een maandelijkse uitkering op grond van de Remigratiewet met eventueel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Deze uitkering geldt voor personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben, omdat zij in een uitzichtloze en afhankelijke situatie (uitkering) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen gelden criteria betreffende onder meer leeftijd, verblijfsduur in Nederland, doelgroep en herkomstland. Met de wijziging van de Remigratiewet per 1 juli 2014 zijn de criteria om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening aangescherpt. Tevens vervalt per 1 januari 2025 de mogelijkheid om een beroep te doen op een remigratievoorziening

Op de uitkeringen remigratievoorziening is het woonlandbeginsel van toepassing. Voorts kunnen er volledige, gekorte of nihil-uitkeringen worden verstrekt (na verrekening van overige inkomsten uit uitkeringen). Een gemiddelde uitkering van personen die vanaf 1 april 2000 zijn vertrokken is voor 2021 geraamd op € 507 per maand. Uitvoering van de wet is opgedragen aan de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven beginnen als gevolg van de eerder genoemde verscherping van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering in 2021 te dalen. Aanvankelijk werd deze daling nog vertraagd door de verhoging van de AOW-leeftijd, waardoor personen langer in de regeling blijven, en met de extra toeloop op de regeling voordat de wet in 2014 werd aangepast. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de temporisering van de AOW-leeftijd uit het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 105 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)2

14

13

13

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

Subsidies

De jaarlijkse subsidie voor vroege integratie en participatie is niet nieuw in 2021, maar is apart zichtbaar gemaakt, omdat deze structureel van aard is. Het betreft een subsidie aan het COA voor de screening en matching van asielstatushouders.

De post overige subsidies bestaat in 2021 met name uit incidentele subsidies in het kader van de implementatie van het nieuwe inburgeringsstelsel. Het betreffen onder meer subsidies aan Divosa en VNG.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten in het kader van inburgering en integratie is in 2021 wat hoger dan in de jaren erna. Er zijn middelen aan toegevoegd voor de implementatieactiviteiten voor het nieuwe inburgeringsstelsel. De dekking hiervoor komt uit de bij het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen. Aan het budget waren eerder extra middelen toegevoegd voor activiteiten in het kader van het programma VIA. Het gaat daarbij om het uitvoeren van pilots om in de praktijk na te gaan welke beleidsaanpak effectief is. Zo vindt de beleidsontwikkeling nadrukkelijk evidence based plaats.

Uit het reguliere budget worden aanbestedingen bekostigd in verband met ontwikkeling, onderhoud en vernieuwing van inburgeringsexamens, onderzoek en methodiekontwikkeling, en voorlichting op het terrein van integratieonderwerpen (weerbare samenleving en sociale stabiliteit, tegengaan van sociale spanningen binnen een sociaal diverse samenleving, etc.).

Een voorbeeld van een opdracht die uit dit budget wordt bekostigd is de monitoring- en onderzoeksstructuur waarbij op basis van registergegevens door het CBS en periodieke surveys van het SCP de maatschappelijke positie en ontwikkeling van uiteenlopende groepen met en zonder migratieachtergrond worden bijgehouden.

Tabel 106 Kerncijfers inburgering
 

Realisatie 2019

Raming 2020

Raming 2021

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO krijgen (x 1.000 personen, ultimo)

181

18

19,6

Inburgeraars die slagen voor het inburgeringexamen(x 1.000 personen, ultimo)2

321

23

24

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA (x 1.000 personen, ultimo)

4,63

5,0

6,4

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten (x 1.000 personen, ultimo)

71

10

10

X Noot
1

DUO, informatiesysteem Inburgering.

X Noot
2

Dit kan zowel op A2 niveau zijn als op niveau Staatsexamen B1 of B2.

X Noot
3

COA, voortgangsrapportages.

Bijdrage aan agentschappen

DUO voert het examen- en leenstelsel inburgering uit. Ook vervult het agentschap taken op het vlak van de handhaving inburgeringsplicht. DUO ontvangt hiervoor een bijdrage van het Ministerie van SZW. In 2019 en 2020 is het budget tijdelijk verhoogd om achterstanden bij de examens weg te werken. Vanaf 2021 daalt het budget weer naar het meer reguliere niveau. Vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering verandert de taak van DUO en naar verwachting wijzigt hierdoor het budget dat nu op dit artikel staat. Vanuit de beschikbare regeerakkoordmiddelen voor taalles bij integratie zijn middelen gereserveerd op artikel 99 voor nieuwe taken bij DUO. Met DUO wordt het gesprek gevoerd over het benodigde budget voor de taken in het nieuwe stelsel. Wanneer daar meer duidelijkheid over is zullen de benodigde middelen aan de bijdrage aan agentschappen worden toegevoegd.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het Ministerie van SZW verstrekt het COA jaarlijks een bijdrage voor de voorinburgering van asielmigranten in de AZC’s. De bijdrage voor 2021 en verdere jaren is hoger dan in 2020, omdat de in de raming verwerkte volumeprognose uitgaat van een hoger aantal vergunninghouders dan in de begrotingsstand 2020, op basis van de offerte en een tussentijdse uitvoeringsrapportage van het COA. Het lagere volume in 2020 is mede het gevolg van de coronacrisis waardoor de voorinburgering een tijdje stil heeft gelegen.

Bijdrage aan medeoverheden

Het Ministerie van SZW verstrekt gemeenten via een decentralisatie-uitkering (DU) financiële middelen voor het verlenen van maatschappelijke begeleiding aan inburgeringsplichtige vergunninghouders die zich in een gemeente vestigen. Voor vergunninghouders die na inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering de inburgeringsplicht krijgen opgelegd, wordt de financiële bijdrage voor maatschappelijke begeleiding onderdeel van de specifieke uitkering.

De regering is voornemens om per 1 juli 2021 een nieuw inburgeringsstelsel in werking te laten treden waarin gemeenten verantwoordelijk worden voor de inkoop van inburgeringsvoorzieningen. Het Ministerie van SZW verstrekt hiertoe vanaf 2021 een financiële bijdrage aan gemeenten via een specifieke uitkering. Hieruit worden naast de maatschappelijke begeleiding onder andere ook de inburgeringscursussen gefinancierd.

Leningen

Het Ministerie van SZW verleent – indien zij of hun partner niet over voldoende financiële middelen beschikken – via DUO leningen aan migranten met de plicht tot inburgering. Het leenstel hanteert het draagkrachtbeginsel. Asielmigranten die met succes en tijdig hun inburgering afronden hoeven de lening niet terug te betalen. Voor asielmigranten die onder het nieuwe stelsel vallen, komt een inburgeringsaanbod van gemeenten in de plaats van de lening. De groep overige migranten zal ook in het nieuwe stelsel gebruik kunnen maken van een sociale lening. Terugbetaling geschiedt in beginsel in termijnen voor de duur van 10 jaar. Ook migranten die eerst gealfabetiseerd moeten worden, kunnen van het leenstelsel gebruik maken.

Tabel 107 Kerncijfers leningen
 

Realisatie 2019

Raming 2020

Raming 2021

Toegekende leningen

   

Aantal aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo)

11

12

9

    

Terugbetaalde leningen

   

Aantal terugbetalende inburgeraars die in het betreffende jaar een terugbetaling op hun lening doen (x 1.000 personen, ultimo)

13

11

14

    

Kwijtgescholden leningen

   

Aantal inburgeraars met kwijtgescholden lening (x 1.000 personen, ultimo)

21

17

11

Totaalbedrag kwijtgescholden leningen inclusief rente (x € 1 mln)

181

150

100

Bron: DUO, Informatiesysteem inburgering.

Ontvangsten

De ontvangsten op dit artikel bestaan uit terugbetalingen op leningen. Op de leningen die terugbetaald moeten worden is het draagkrachtbeginsel van toepassing. De verwachting is daarom dat er beperkte ontvangsten vanuit het leenstelsel zullen komen.

4. Niet-beleidsartikelen

Artikel 96 Apparaat Kerndepartement

A. Budgettaire gevolgen

Dit artikel bevat alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van SZW. In beleidsartikel 11 staat een toelichting op de bijdragen aan ZBO’s.

Tabel 108 Budgettaire gevolgen artikel 96 Apparaat Kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

353.723

417.426

404.477

405.809

397.685

399.749

398.178

        

Uitgaven

351.632

417.426

404.477

405.809

397.685

399.749

398.178

Personele uitgaven

275.872

328.243

325.582

323.783

317.534

317.223

317.135

waarvan eigen personeel

262.756

315.240

317.054

315.234

308.885

308.674

308.486

waarvan inhuur externen

10.935

10.669

5.658

5.479

5.364

5.264

5.264

waarvan overige personele uitgaven

2.181

2.334

2.870

3.070

3.285

3.285

3.385

Materiële uitgaven

75.760

89.183

78.895

82.026

80.151

82.526

81.043

waarvan ICT

15.178

23.902

15.018

17.734

16.114

18.787

16.787

waarvan bijdrage aan SSO's

45.478

46.292

46.940

47.393

47.415

47.384

47.384

waarvan overige materiële uitgaven

15.104

18.989

16.937

16.899

16.622

16.355

16.872

        

Ontvangsten

41.730

57.771

58.761

60.013

58.235

57.084

57.084

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Personele en materiële uitgaven

De totale begrote apparaatsuitgaven voor het kerndepartement bedragen in 2021 € 404,5 miljoen. Hiervan heeft € 325,6 miljoen betrekking op personele uitgaven en € 78,9 miljoen op materiële uitgaven.

Aan de stijging van de uitgaven vanwege de opbouw van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) en de uitbreiding van met name de Inspectie SZW voor het versterken van de handhavingsketen in het licht van het Inspectie Control Framework (ICF) is een einde gekomen. Vanaf 2021 blijven de totale apparaatsuitgaven ongeveer op hetzelfde niveau.

Het verloop bij het budget voor eigen personeel in de jaren 2019-2022 wordt naast bovenstaande verklaard door de invoering van het individueel keuzebudget voor rijksambtenaren. Dit leidt tot incidentele meerkosten in 2020. Ten slotte zijn er interne uitvoeringskosten voor de NOW. Het budget externe inhuur ligt in 2020 en verder op een lager niveau dan 2019. In de afgelopen jaren is het budget externe inhuur aangevuld vanuit ICT vanwege inhuur voor automatiseringsprojecten. In 2020 is er een incidentele piek bij ICT vanwege de voorziene overgang naar een nieuwe ICT-leverancier voor de opsporingsdienst van de Inspectie.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben voor het grootste deel betrekking op de facturering door RSO van schoonmaakkosten aan de afnemers. Daarnaast zijn er ontvangsten van andere departementen en terugontvangsten van apparaat.

Rijksschoonmaakorganisatie

De RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. De opbouw van de organisatie zal geleidelijk plaatsvinden naar gelang er meer departementen aansluiten. Vanaf 2021 zijn alle beoogde departementen aangesloten. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk. De bijbehorende uitgaven komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW.

Op de begroting van SZW zijn taakstellende ontvangsten voor de RSO opgenomen. Facturering aan de opdrachtgevers vindt plaats op basis van meerjarige dienstverleningsafspraken. Dit houdt in dat de uitgaven voor schoonmaak zowel bij de departementen als bij SZW op de begroting staan. Tabel 109 geeft een splitsing van de totale apparaatsbedragen in kerndepartement exclusief RSO en RSO.

Tabel 109 Apparaatsuitgaven en -ontvangsten kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kerndepartement exclusief RSO

       

Uitgaven

313.209

362.976

352.709

354.041

345.917

347.981

346.410

Ontvangsten

7.006

7.642

8.295

9.547

7.769

6.618

6.618

        

Rijksschoonmaakorganisatie

       

Uitgaven RSO

38.423

54.450

51.768

51.768

51.768

51.768

51.768

Ontvangsten RSO

34.724

50.129

50.466

50.466

50.466

50.466

50.466

Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 wordt vanaf de begroting 2020 een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. In onderstaande tabel staat de uitkomst van het eerst gehouden medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) uit 2017 en de uitkomst van het meest recente MTO van eind 2019. Het MTO vindt tweejaarlijks plaats.

Tabel 110 Medewerkerstevredenheid RSO
 

Realisatie 2017

Realisatie 2019

Tevredenheid medewerkers RSO

8,5

8,6

C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten

Tabel 111 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

351.632

417.426

404.477

405.809

397.685

399.749

398.178

        

Totaal apparaatskosten ZBO’s/RWT’s1

1.980.487

2.411.036

2.635.340

2.629.031

2.604.547

2.651.993

2.691.889

UWV (inclusief BKWI)

1.758.868

2.113.143

2.353.810

2.316.218

2.300.837

2.335.979

2.376.343

SVB

212.656

286.873

273.504

304.787

295.684

307.988

307.520

IB

8.963

11.020

8.026

8.026

8.026

8.026

8.026

X Noot
1

Dit betreft apparaatskosten samenhangend met zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde artikelen binnen de SZW-begroting. De ontvangsten zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het departement onderverdeeld naar de verschillende organisatieonderdelen. De uitgaven voor de RSO en SSO's (onder andere huisvesting en ICT van het gehele kerndepartement) vallen onder de plaatsvervangend SG.

Tabel 112 Apparaatsuitgaven kerndepartement 2021 naar organisatieonderdeel (bedragen x € 1.000)
 

2021

Totaal kerndepartement

404.477

SG

34.695

Plaatsvervangend SG (inclusief SSO's)

160.130

Waarvan RSO

51.768

DG Sociale Zekerheid en Integratie

37.050

DG Werk

27.371

Inspectie SZW

145.231

Artikel 98 Algemeen

Inleiding

Op dit artikel worden de budgetten verantwoord die niet naar beleidsartikelen toe te rekenen zijn.

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 113 Budgettaire gevolgen artikel 98 Algemeen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

33.528

27.091

25.497

26.373

26.854

31.871

27.491

        

Uitgaven

25.081

28.938

27.351

27.794

26.854

31.871

27.491

        

Subsidies (regelingen)

3.626

3.374

2.000

1.500

0

0

0

Artikel 98

3.626

3.374

2.000

1.500

0

0

0

Opdrachten

15.293

16.281

15.880

18.430

18.938

23.938

19.058

Handhaving

369

2.785

3.178

5.745

5.995

5.995

5.995

Opdrachten overig

14.924

13.496

12.702

12.685

12.943

17.943

13.063

Bekostiging

4.851

8.254

7.442

6.435

5.787

5.804

5.804

Uitvoeringskosten Caribisch Nederland

4.851

8.254

7.442

6.435

5.787

5.804

5.804

Bijdrage aan agentschappen

236

329

329

329

329

329

429

Rijksdienst Ondernemend Nederland

171

329

329

329

329

329

429

Agentschap CJIB

65

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

1.075

700

1.700

1.100

1.800

1.800

2.200

Ministerie van Financiën

1.075

700

1.700

1.100

1.800

1.800

2.200

        

Ontvangsten

1.632

0

0

0

0

0

0

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Op het subsidiebudget van artikel 98 worden subsidies begroot en verantwoord met een breed departementaal karakter. Het begrotingsbedrag 2021 heeft betrekking op subsidies aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Opdrachten

Handhaving

Het beleidsbudget voor handhaving 2021 bedraagt € 3,2 miljoen, in 2022 € 5,7 miljoen en voor de jaren 2023 en verder € 6,0 miljoen. Een belangrijk gedeelte daarvan is gereserveerd voor de uitvoering van niet-structurele innovatieve projecten. Daarvoor vinden tijdens de begrotingsuitvoering overboekingen plaats naar de relevante budgetten. Vanaf 2022 staat hier tevens € 2,5 miljoen die beschikbaar is voor ondersteuning van de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI). Tot 2021 gaat dit in de vorm van een subsidie. Na dit jaar moet de vorm van ondersteuning nog worden bepaald.

Opdrachten overig

Hieronder vallen de uitgaven voor onderzoek en voorlichting die niet zijn toebedeeld aan beleidsartikelen. Het budget op artikel 98 bedraagt voor 2021 € 12,7 miljoen. Het onderzoeksbudget op artikel 98 bedraagt € 6,0 miljoen. Van het totale onderzoeksbudget is € 3,9 miljoen bestemd voor beleidsinformatie. Naast de uitgaven voor voorlichtingsprogramma’s worden uit het budget op artikel 98 ook de uitgaven van € 1,9 miljoen voor algemene publieksinformatie betaald. Voor automatisering van de beleidssystemen is € 2,3 miljoen gebudgetteerd en voor het primair proces € 0,6 miljoen. Verder is op opdrachten overig € 1,9 miljoen opgenomen, waarvan € 0,3 miljoen voor een bijdrage aan diverse internationale organisaties en algemene beleidsopdrachten.

Bekostiging

De unit SZW, die ondergebracht is bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), voert namens de Minister de SZW-regelingen op Caribisch Nederland uit. Het budget voor de uitvoeringskosten van de RCN bedraagt in 2021 € 7,4 miljoen. Er zijn in 2021 extra middelen ten behoeve van de sociaal-economische agenda op Caribisch Nederland. Vanaf 2022 is het budget structureel lager.

Bijdragen aan agentschappen

Jaarlijks is er € 0,3 miljoen beschikbaar ten behoeve van de controle van de betaalaanvragen uit het Europees Sociaal Fonds, het Europees Globaliseringsfonds en de ESF-programma’s uitgevoerd door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO).

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Dit budget is beschikbaar ten behoeve van controlewerkzaamheden voor het ESF-Programma 2014-2020 en 2021-2027 die uitgevoerd worden door het Ministerie van Financiën.

Artikel 99 Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 114 Budgettaire gevolgen artikel 99 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

77.706

639.941

80.206

62.039

71.460

70.508

        

Uitgaven

0

77.706

639.941

80.206

62.039

71.460

70.508

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

77.706

639.941

80.206

62.039

71.460

70.508

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling. De grondslag van dit artikel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. Op dit artikel staan middelen gereserveerd die op een later moment nog uitgedeeld moeten worden als de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. Dit betreft onder andere middelen voor het breed offensief, loondoorbetaling bij ziekte, VOI (Verander Opgave Inburgering) en voor de uitvoering van het steun- en herstelpakket in verband met de coronacrisis.

5. Departementspecifieke informatie

5.1 Sociale fondsen SZW

Deze paragraaf beschrijft de financiering van de premie-uitgaven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Hiertoe zijn de door de Minister van SZW vastgestelde premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen opgenomen. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen.

5.1.1 Premiepercentages 2021

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de Minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2021 zijn in tabel 115 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven en de koopkrachtontwikkeling. Een aantal premiepercentages is nog onder voorbehoud van (definitieve) vaststelling. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) is onderdeel van het EMU-saldo van de overheid als geheel.

AOW

Het premiepercentage voor de Algemene ouderdomswet (AOW) wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2020. Bij het Ouderdomsfonds zijn de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het Ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie ook artikel 12). De AOW-premie wordt gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting. Uit het Ouderdomsfonds worden de uitgaven op grond van de AOW betaald. Die uitgaven bestaan zowel uit het ouderdomspensioen (de AOW-uitkering) als de inkomensondersteuning in aanvulling op het ouderdomspensioen (de IOAOW).

Anw

Het premiepercentage voor de Algemene Nabestaandenwet (Anw) wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2020.

Awf

Het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wab zijn er vanaf 2020 twee premietarieven binnen het Awf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden. Het lage tarief wordt voor 2021 geraamd op 2,70 procent en het hoge tarief op 7,70 procent. Het (gewogen) gemiddelde van de AWf-werkgeverspremie bedraagt dan 3,95 procent. Definitieve vaststelling van de AWf-premie vindt plaats in oktober.

Ufo

Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie. De Ufo-premie wordt voor 2021 gelijk gehouden op 0,68 procent.

Uniforme opslag kinderopvang

De premieopslag kinderopvang voor 2020 blijft met 0,5 procent gelijk aan die in 2020. De premieopslag kinderopvang wordt door werkgevers betaald door middel van een opslag op de Aof-premie.

Aof

De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op 7,03 procent. Definitieve vaststelling van de Aof-premie vindt plaats in oktober.

Whk

De premie voor de Werkhervattingskas (Whk), waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) worden betaald, is door UWV voor 2021 vastgesteld op 1,36 procent.

Tabel 115 Premiepercentages sociale verzekeringen (%)

Premie

Fonds

Uitgaven

Betaald door

2020

2021

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

Werknemer

17,90

17,90

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

Werknemer

0,10

0,10

      

Awf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

4,19

3,95

Awf-laag

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

2,94

2,70

Awf-hoog

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

7,94

7,70

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

WW, ZW, WGA overheid

Werkgever

0,68

0,68

      

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZW

Werkgever

6,77

7,03

Aof

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

Werkgever

0,50

0,50

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA, ZW

Werkgever

1,28

1,36

5.1.2 Sociale fondsen

Exploitatiesaldi

De premiegefinancierde uitgaven worden vanuit de sociale fondsen gedaan. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2020 en 2021 en de verwachte ontwikkeling van de desbetreffende grondslagen zijn de ontvangsten van de sociale fondsen geraamd in tabel 116 en 117. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het Rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit enkele van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen worden de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) samen weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2021 bedraagt dit saldo naar verwachting € 4,2 miljard voor alle fondsen samen. Het positieve saldo wordt met name veroorzaakt door de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Het exploitatiesaldo van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale EMU-saldo.

Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds is negatief doordat de rijksbijdrage op nul is vastgesteld. Hierdoor wordt het vermogensoverschot in het Anw-fonds langzaam teruggebracht (zie ook tabel 118).

Tabel 116 Overzicht sociale verzekeringen 2020 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

23.246

137

17.959

8.550

49.891

Bijdragen van het Rijk

19.881

0

234

127

20.242

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.349

890

2.239

Saldo Interest

38

‒ 1

39

35

110

Totaal Ontvangsten

43.164

135

19.581

9.602

72.483

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

41.282

339

12.736

5.080

59.437

Uitvoeringskosten

140

9

455

1.213

1.817

Betaalde onderlinge betalingen

519

21

2.149

1.050

3.739

Totaal Uitgaven

41.941

370

15.340

7.343

64.994

      

Exploitatiesaldo

1.223

‒ 234

4.241

2.259

7.489

Bron: SZW en CPB (MEV 2021).

Tabel 117 Overzicht sociale verzekeringen 2021 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

21.054

146

18.932

8.262

48.392

Bijdragen van het Rijk

22.498

0

233

130

22.861

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.560

553

2.114

Saldo Interest

40

‒ 4

80

47

164

Totaal Ontvangsten

43.592

142

20.805

8.991

73.531

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

43.157

318

13.094

7.098

63.667

Uitvoeringskosten

129

9

471

1.159

1.768

Betaalde onderlinge betalingen

541

21

2.252

1.108

3.922

Totaal Uitgaven

43.827

347

15.817

9.365

69.356

      

Exploitatiesaldo

‒ 235

‒ 205

4.989

‒ 374

4.175

Bron: SZW en CPB (MEV 2021).

In tabel 118 wordt voor de jaren 2020 en 2021 de verwachte vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De vermogens van de fondsen worden vergeleken met de normen. Een vermogen gelijk aan de norm geeft aan dat het fonds gemiddeld genomen over het jaar over voldoende liquiditeiten beschikt om de uitkeringen te financieren. De middelen van de fondsen worden aangehouden op een rekening-courant bij het Rijk. Indien er sprake is van een vermogenstekort zal het Rijk niet alleen tijdelijk gedurende het jaar maar ook langduriger deze tekorten moeten aanvullen via de rekening-courant.

Het vermogensoverschot van de fondsen stijgt naar verwachting in 2021 naar bijna € 16 miljard. Dat overschot is vooral te danken aan de overschotten in het Anw-fonds en in de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Zoals hierboven beschreven daalt het vermogen in het Anw-fonds doordat de rijksbijdrage is afgeschaft. Het vermogensoverschot van de arbeidsongeschiktheidsfondsen stijgt. Na jaren van positieve exploitatiesaldi, en dus een stijgend vermogen, daalt de vermogenspositie van het werkloosheidsfonds in 2021. Dat komt voornamelijk door de sterke geraamde stijging van de WW-uitkeringen, die uit het werkloosheidsfonds worden betaald. Dankzij de rijksbijdrage aan het vermogenstekort in het Ouderdomsfonds blijft het vermogen in het Ouderdomsfonds positief.

Tabel 118 Vermogens sociale fondsen 2020 en 2021 (bedragen x € 1 mln)
 

ultimo 2020

ultimo 2021

 

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogens-overschot

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogens-overschot

Ouderdomsfonds

1.729

1.095

634

1.494

1.147

347

Anw-fonds

3.166

47

3.119

2.961

45

2.916

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

16.626

653

15.973

21.615

673

20.942

WW-fondsen

‒ 6.084

1.879

‒ 7.963

‒ 6.458

1.879

‒ 8.336

Totaal sociale fondsen

15.438

3.675

11.763

19.613

3.744

15.869

Bron: CPB, MEV 2021.

5.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

5.2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling voor 2021 beschreven en de ontwikkelingen die daartoe leiden. De bijzondere omstandigheden – als gevolg van het coronavirus – zorgen op de arbeidsmarkt voor een toename van de werkloosheid en een afname van opdrachten van zelfstandigen. Hierdoor zijn de gebruikelijke koopkrachtcijfers moeilijker te interpreteren dan in andere jaren. Daarom wordt dit jaar met Prinsjesdag een separate brief aan de Kamer gestuurd waarin wordt ingegaan op de waarde van koopkrachtramingen en de inkomensgevolgen van de coronacrisis die niet in de koopkrachtcijfers weergegeven kunnen worden. Tevens wordt in de brief uitgebreider ingegaan op het effect van de genomen kabinetsmaatregelen op de koopkrachtramingen voor 2021. De brief bevat daarnaast een beknopte terugblik op het gevoerde inkomensbeleid tijdens deze kabinetsperiode.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt koopkrachtramingen om de effecten van voorgenomen beleid in beeld te brengen (met inbegrip van de algemene economische ontwikkeling, zoals lonen, prijzen, etc.). Koopkracht geeft aan wat het besteedbaar inkomen is van huishoudens. Dat is het inkomen dat huishoudens nog kunnen uitgeven na het betalen van belastingen en premies en het ontvangen van toeslagen. De plaatjes zeggen iets over de verandering van de koopkracht ten opzichte van vorig jaar. Als de koopkracht gedurende een jaar niet verandert, betekent het dat een huishouden in staat is het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven.

De ramingen geven uitsluitend een beeld van de koopkracht wanneer er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ook wel statische koopkracht genoemd). Iemand kan echter werkloos worden of meer geld gaan verdienen, gaan samenwonen of scheiden of ineens voor een eenmalige uitgave staan: allemaal factoren die voor een huishouden vaak een stuk meer invloed hebben op het feitelijke niveau van de koopkracht (ook wel dynamische koopkracht genoemd) dan de reële loonontwikkeling of het beleid van het kabinet. Dergelijke veranderingen in de persoonlijke omstandigheden zijn voor individuele huishoudens niet goed vooraf in te schatten. Daarom zijn de gepresenteerde koopkrachtplaatjes niet geschikt om je eigen koopkracht te voorspellen, maar ze geven wel een goede inschatting van de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen huishoudens.

Koopkrachtplaatjes geven weliswaar zicht op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen van groepen, ze zeggen niets over het niveau van welvaart dat huishoudens hebben. Daarvoor kan beter gekeken worden naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen. Ook andere factoren zoals het financiële vermogen van huishoudens en het risico op armoede zijn hierbij relevant.

In dit hoofdstuk wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling voor 2021 toegelicht. De externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden (conjunctuur) worden beschreven in paragraaf 5.2.2. Vervolgens wordt in paragraaf 5.2.3 ingegaan op de belangrijkste beleidswijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden. In paragraaf 5.2.4 worden de koopkrachtontwikkelingen voor 2021 weergegeven voor verschillende uitsplitsingen van huishoudens (naar inkomen, inkomensbron, huishoudtype en gezinssamenstelling). Het is onmogelijk om voor elk huishouden in Nederland het effect van beleid op de koopkracht te laten zien. Wel wordt de koopkrachtontwikkeling van oudsher ook weergegeven voor een aantal gestileerde voorbeeldhuishoudens. Deze zijn te vinden in paragraaf 5.2.5.

Verder wordt in paragraaf 5.2.6 ingegaan op de ontwikkeling van financiële prikkels bij werkaanvaarding. Ook wordt er stilgestaan bij de veranderingen in marginale en gemiddelde druk als gevolg van kabinetsmaatregelen. Een uitgebreidere lijst met maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken en een nadere toelichting, is te vinden in paragraaf 5.2.7. De hier gepresenteerde effecten en maatregelen hebben alleen betrekking op Europees Nederland. Paragraaf 5.2.8 bevat een overzicht van de maatregelen die de inkomens op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) raken. 

5.2.2 Externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden

De belangrijke algemene ontwikkelingen die leiden tot het koopkrachtbeeld in 2021 zijn:

  • Een gemiddelde contractloonstijging van 1,2% in de markt;

  • De stijging van het brutominimumloon met 1,4%. Door de koppeling werkt dit ook door naar uitkeringen;

  • Stijging van de consumentenprijzen met 1,5%;

  • Een tabelcorrectiefactor van 1,6%;

  • De stijgende gemiddelde pensioenpremie voor werknemers naar 6,8%;

  • De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen nauwelijks geïndexeerd;

  • Een toename van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.414 naar € 1.4734.

5.2.3 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Naast de externe factoren en los van reguliere indexaties zijn de belangrijkste beleidsmatige wijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden:

  • In 2021 wordt het tarief in de eerste schijf met 0,25%-punt verlaagd naar 37,10%. De eerste schijf loopt in het huidige belastingstelsel door tot een inkomen van € 68.507. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de oude eerste en tweede schijf voor hen uit op 19,2%. Het tarief in de oude derde schijf is voor hen ook 37,10%;

  • Een beleidsmatige bevriezing van het aangrijpingspunt van het toptarief op € 68.507 in 2021;

  • Een beleidsmatige verhoging van de algemene heffingskorting met € 82 tot maximaal € 2.837 in 2021. De beleidsmatige verhoging is het saldo van de eerder afgesproken verhoging met € 60 en een extra verhoging met € 22 waartoe is besloten in de afgelopen augustusbesluitvorming;

  • Een beleidsmatige verhoging van de arbeidskorting. Het maximum in de arbeidskorting na het eerste opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer € 10.000, wordt beleidsmatig met in totaal € 179 verhoogd. Het maximum na het tweede opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer € 22.000 wordt beleidsmatig met in totaal € 184 verhoogd. In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om het vlakke maximum van de arbeidskorting te vervangen voor een derde opbouwtraject (het dakje in de arbeidskorting). Het maximum na dit derde opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer € 35.500, wordt beleidsmatig met in totaal € 324 verhoogd tot € 4.205;

  • De ouderenkorting wordt beleidsmatig met € 55 verhoogd tot, inclusief indexatie, maximaal € 1.703.

  • Een eenmalige beleidsmatige verlaging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) met € 113. Het maximumbedrag komt daarmee in 2021 uit op € 2.815;

  • Afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon naar 1,68125 maal vanaf januari 2021 en 1,6625 maal vanaf juli 2021 en versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner naar 13,3% in 2021;

  • In 2021 wordt de zelfstandigenaftrek met in totaal € 360 verlaagd naar € 6.670;

  • Een verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 6,7% naar 7,0%. Ook de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is naar boven bijgesteld van 5,45% naar 5,75%;

  • Verhoging bedragen kindgebonden budget voor gezinnen met 3 of meer kinderen. Vanaf het derde kind stijgt het bedrag per kind met € 617 naar € 919 in 2021;

  • Verhoging van het heffingsvrije vermogen in box 3 van circa € 31.000 naar € 50.000 per persoon;

  • Het tarief van aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, wordt verlaagd van 46,0% in 2020 naar 43,0% in 2021.

Een volledig overzicht van de beleidsmatige wijzigingen die inkomenseffecten met zich meebrengen en een uitgebreidere toelichting, is opgenomen in tabel 122 in paragraaf 5.2.7.

5.2.4 Algemeen koopkrachtbeeld (boxplottabel en puntenwolk)

De veranderingen in de koopkracht worden berekend met een microsimulatiemodel op basis van een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen (uit arbeid, onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie) meegenomen5.

De complexe realiteit, en ook die van de regelgeving, zorgt ervoor dat effecten van conjunctuur en beleid nooit voor alle huishoudens hetzelfde uitvallen. Dat wordt duidelijk uit de boxplottabel (figuur 9) en de puntenwolk (figuur 10). De boxplottabel toont onder meer de mediane koopkrachtontwikkeling voor de verschillende huishoudgroepen. De mediaan laat het middelste huishouden zien in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling heeft en de helft een hogere. De boxplottabel laat ook duidelijk de spreiding van de koopkrachtontwikkeling zien binnen de verschillende groepen: het dikke blauwe balkje om elke mediaan heen omvat de koopkrachtontwikkeling voor de helft van de huishoudens. De andere helft van de huishoudens heeft een koopkrachtontwikkeling die hierbuiten valt. Dit zijn de twee staarten van de boxplot. Het uiteinde van de staarten laten de laagste en de hoogste koopkrachtontwikkeling zien voor elke groep6. Ten slotte wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling van het eerste en derde kwart (de 50% rond de mediaan) weergegeven om hiermee de spreiding van de verwachte koopkrachtontwikkeling beter inzichtelijk te maken. Door de aanpassing wordt in één figuur duidelijk wat de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling is en wat deze is bij het 25ste en 75ste percentiel.

Figuur 9 Boxplot verwachte koopkrachtontwikkeling 20217

Het verwachte koopkrachtbeeld voor 2021 is positief. De verwachting is dat de mediane koopkracht in 2021 uitkomt op 0,9%. Er is echter sprake van spreiding achter dit getal. De inschatting is dat de koopkrachtontwikkeling van de helft van de Nederlandse huishoudens tussen 0,3% en 1,4% komt te liggen.

De puntenwolk (figuur 10) laat zien waar de concentratie van koopkrachteffecten zit en hoe groot de spreiding is. In de puntenwolk betreft iedere punt een huishouden uit de steekproef.

Figuur 10 Puntenwolk koopkrachtontwikkeling 2021 (statische koopkrachteffecten huishoudens naar bruto huishoudinkomen inclusief specifieke effecten)

5.2.5 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens

We berekenen in Nederland al 50 jaar koopkrachtplaatjes. De eerste jaren werd één voorbeeldhuishouden doorgerekend: Jan Modaal. In de loop der tijd is deze set uitgebreid. De voorbeeldhuishoudens zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen die eenvoudig te interpreteren en makkelijker na te rekenen zijn. Weinig huishoudens voldoen precies aan de definitie, maar het gaat erom dat de voorbeeldhuishoudens representatief zijn voor veel soortgelijke huishoudens met een vergelijkbare koopkrachtontwikkeling.

Om die reden worden ook alleen generieke (inkomens)regelingen meegenomen waarop in principe alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken, zoals de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Specifieke inkomensbestanddelen, zoals de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag, fiscale aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek, en vermogen blijven in de voorbeeldhuishoudens buiten beeld.

Daarmee doen de voorbeeldhuishoudens niet volledig recht aan de complexe realiteit, zoals de steekproef van echt bestaande huishoudens dat wel doet. Anderzijds maakt juist de versimpeling dat de voorbeeldberekeningen makkelijk verifieerbaar zijn en daarom voor de meeste mensen goed toe te passen. Daarnaast geeft de boxplottabel geen zicht op specifieke groepen zoals mensen in de bijstand, AOW’ers zonder aanvullend pensioen of alleenstaande ouders. Die groepen maken weliswaar een klein aandeel uit van de totale bevolking, maar beleidsmatig zijn ze wel relevant. SZW presenteert daarom naast de koopkrachtontwikkeling op basis van een representatieve steekproef, ook de koopkrachtontwikkeling voor twintig voorbeeldhuishoudens. Deze wordt weergegeven in tabel 119. Voor huishoudens met kinderen wordt in de berekeningen uitgegaan van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.

Tabel 119 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens 2020 en 2021 in %
 

Raming 2020

Raming 2021

 

Actieven

   
    

Alleenverdiener met kinderen

   

Modaal1 

4,9

0,7

 

2 x modaal

2,5

0,1

 
 

Tweeverdieners

   

Modaal + ½ x modaal met kinderen

4,9

0,5

 

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

2,3

0,2

 

2½ x modaal + modaal met kinderen

2,6

0,5

 

Modaal + modaal zonder kinderen

2,8

1,2

 

2 x modaal + modaal zonder kinderen

2,7

0,8

 
    

Alleenstaande

   

Minimumloon

2,2

1,3

 

Modaal

2,8

1,2

 

2 x modaal

2,6

0,5

 
 

Alleenstaande ouder

   

Minimumloon

1,1

‒ 0,2

 

Modaal

1,9

0,7

 
 
    

Inactieven

   
    

Sociale minima

   

Paar met kinderen

1,0

0,3

 

Alleenstaande

1,5

0,4

 

Alleenstaande ouder

0,8

0,3

 
    

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

2,2

0,6

 

AOW + € 10.000

0,9

0,2

 
    

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

1,6

0,5

 

AOW + € 10.000

0,8

0,3

 

AOW + € 30.000

0,5

‒ 0,3

 
X Noot
1

Het modaal inkomen bedraagt in 2021 bruto € 36.500.

5.2.6 Financiële prikkels voor werkaanvaarding

Naast een evenwichtig inkomensbeeld streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat werken en/of meer werken loont en niet leidt tot een armoedeval (verlies aan inkomen). Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar verschillende drempels die mensen kunnen ervaren bij het aanvaarden van (meer) werk.

De werkloosheidsval laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Een hoger percentage betekent dat werken meer lonend is geworden. Uit tabel 120 blijkt dat er tussen 2020 en 2021 nauwelijks sprake is van verschuivingen in de percentages.

De doorgroeival brengt in beeld welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Dit wordt de marginale druk genoemd. Hoe lager de marginale druk, hoe groter de prikkel om meer te gaan werken of verdienen. Op het inkomenstraject tussen 100% en 150% van het minimumloon (van circa € 21.500 naar € 32.000) worden veel heffingskortingen en toeslagen afgebouwd, wat in sommige voorbeelden leidt tot een hoge marginale druk. In 2021 wordt de marginale druk verlaagd, met name voor de alleenstaande ouder, als gevolg van de verhoging van de arbeidskorting, waarbij het derde opbouwtraject steiler is geworden.

De herintredersval toont de marginale druk wanneer de niet-werkende partner uit een kostwinnersgezin (weer) drie dagen aan het werk gaat. Tabel 120 laat zien dat de marginale druk voor alle groepen herintreders daalt. De daling is het sterkst indien de kostwinner een minimuminkomen heeft en hangt samen met de verhoging van de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

De deeltijdval brengt in beeld hoeveel een huishouden inlevert als een in deeltijd werkende partner een dag meer gaat werken. Ook de deeltijdval wordt gemeten in termen van marginale druk. Tabel 120 laat zien dat de deeltijdval bij een kostwinner met een minimumloon of een inkomen op tweemaal modaal daalt. Bij de kostwinner op modaal daalt de marginale druk het meest sterk omdat beide partners profiteren van de maximale verhoging van de arbeidskorting.

Tabel 120 Arbeidsmarktprikkels
 

2020

2021

Verschil1

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand tegen minimumloon)

  

Alleenverdiener met kinderen2

3%

3%

0%

Alleenstaande

28%

29%

1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)2

9%

11%

1%

    

Doorgroeival (marginale druk bij hogere beloning werk (van 100% WML naar 150% WML))3

   

Alleenverdiener met kinderen2

80%

79%

‒ 1%

Alleenstaande

68%

68%

0%

Alleenstaande ouder (werkt 4 dagen)2

44%

39%

‒ 5%

    

Herintredersval (marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner)3

  

Hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6 x minimumloon)2

56%

52%

‒ 5%

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)2

31%

29%

‒ 2%

Hoofd 2xmodaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)2

28%

24%

‒ 4%

    

Deeltijdval minstverdienende partner (Marginale druk bij dag extra werk)3

   

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8 x minimumloon)2

46%

45%

‒ 1%

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)2

33%

23%

‒ 10%

Hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)2

36%

31%

‒ 5%

X Noot
1

Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste twee kolommen.

X Noot
2

Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar en, indien beide partners werken, gebruik van buitenschoolse opvang.

X Noot
3

Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld. Ook wordt uitgegaan van het (vervallen van) het recht op huurtoeslag.

Naast het monitoren van de verschillende armoedevallen in specifieke voorbeeldsituaties is het ook relevant om te kijken naar de gemiddelde marginale druk en de gemiddelde belastingdruk, die werknemers over het algemeen hebben. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. In tabel 121 is de ontwikkeling van de gemiddelde marginale druk voor werknemers weergegeven voor een brutoloonstijging van 3,0%. Dit verschilt van de situatie in tabel 120 waar het gaat om meer uren werken (behalve bij de doorgroeival). De marginale druk geeft hier aan hoeveel procent van de brutoloonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle fiscale en inkomensafhankelijke regelingen waar een huishouden mee te maken heeft.

Tabel 121 Gemiddelde marginale druk naar inkomenscategorie voor werknemers

Bruto inkomen

2018

2019

2020

2021

Omvang (2020, in %)

< WML

18,8%

18,0%

18,6%

17,8%

21%

1 x ‒ 1,5 x WML

54,2%

51,8%

54,8%

50,8%

22%

1,5 x ‒ 2 x WML

53,8%

53,3%

57,0%

54,5%

21%

2 x ‒ 3 x WML

54,4%

54,7%

58,1%

56,9%

21%

>3x WML

56,1%

58,0%

59,1%

59,8%

14%

Totaal

46,9%

46,5%

48,9%

47,2%

100%

In 2021 ligt de gemiddelde marginale druk voor de meeste inkomens iets lager dan in 2020. Dit wordt met name veroorzaakt door de verlaging van het eersteschijftarief en de verhoging van de arbeidskorting. Bij een inkomen van meer dan driemaal het minimumloon neemt de gemiddelde marginale druk licht toe doordat door de verhoging van de arbeidskorting deze heffingskorting over een langer inkomenstraject wordt afgebouwd.

Figuur 11 geeft de gemiddelde marginale druk weer, evenals de extremen (5- en 95-procentpercentielen). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ester (Kamerstukken I 2017/18, 34 775, nr. O). In Nederland maakt de inkomstenbelasting het grootste deel van de marginale druk uit. Ook de uitgebreide inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw, zoals de zorgtoeslag, verhoogt de marginale druk. Een hoger inkomen betekent dan immers extra afbouw van deze toeslag. Zeker voor groepen met een huishoudinkomen tussen het minimumloon en modaal speelt dit een belangrijke rol. De introductie van een geleidelijk afbouwtraject in de huurtoeslag, het verhogen van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren en de invoering van een extra opbouwtraject in de arbeidskorting in deze kabinetsperiode hebben eraan bijgedragen dat de extremen in de marginale druk zijn beperkt.

Figuur 11 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2021

In figuur 12 wordt, naar aanleiding van de motie van de leden Bruins en Omtzigt (Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 59), de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2021 weergegeven (inclusief toeslagen en netto kosten van zorg en kinderopvang). De figuur laat zien dat de gemiddelde druk toeneemt met het inkomen, als gevolg van het progressieve belastingstelsel. Uit het individuele karakter van het belastingstelsel volgt dat een alleenstaande die hetzelfde verdient als een paar waarbij twee mensen werken voor het huishoudinkomen, meer belasting betaalt. Voor eenverdienershuishoudens geldt dat de gemiddelde druk tot aan een modaal inkomen in grote lijnen vergelijkbaar is met tweeverdienershuishoudens (in individuele gevallen kunnen de verschillen uiteraard groter zijn). Eenverdienershuishoudens ontvangen meer toeslagen terwijl tweeverdienershuishoudens meer heffingskortingen kunnen toepassen. Vanaf een modaal inkomen is het aandeel van toeslagen in het inkomen van eenverdieners beperkt, terwijl het voordeel van de heffingskortingen voor tweeverdieners minder snel afbouwt. Omdat één van beide partners vaak een klein inkomen verdient, valt de gemiddelde belastingdruk voor tweeverdieners ook lager uit door de tariefprogressie. Ook in het geval dat beiden evenveel verdienen doet de tariefprogressie de gemiddelde belastingdruk dalen. De overgang naar een tweeschijvenstelsel in deze kabinetsperiode heeft dit verschil beperkt.

Figuur 12 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 2021

5.2.7 Maatregelen inkomensbeeld

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 122 staan de maatregelen die voor 2021 van belang zijn. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre deze maatregelen al dan niet in de puntenwolk en in de boxplottabel in paragraaf 5.2.4 zijn opgenomen. In alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn, worden deze betreffende effecten ook vermeld.

Tabel 122 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2021

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

In puntenwolk zichtbaar

1. Fiscaal generiek

   
 

Wijzigingen arbeidskorting

+

Ja

 

Verhoging algemene heffingskorting

+

Ja

 

Verlaging tarief (nieuwe) eerste schijf

+

Ja

 

Beperkt indexeren (oude) tweede belastingschijf

Ja

 

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Ja

 

Verhoging ouderenkorting

+

Ja

 

Incidentele verlaging inkomensafhankelijke combinatiekorting

-

Ja

 

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

Ja

 

Verlaging zelfstandigenaftrek

Ja

 

Wijzigingen energiebelasting en ODE

+/-

Ja (via inflatie)

 

Verhoging heffingsvrij vermogen box 3 en verhoging tarief box 3

+/-

Ja

 

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

+

Ja (via inflatie)

    

2. Kinderen

   
 

Verhoging bedragen derde en verdere kinderen kindgebonden budget

+

Ja

 

Beperkt indexeren inkomensgrenzen kinderopvangtoeslag

-

Ja

 

Uitbreiding recht op kinderopvangtoeslag

+

Nee

    

3. Zorg

   
 

Beleidsmatige verlaging zorgtoeslag

-

Ja

    

4. Wonen

   
 

Beperking hypotheekrenteaftrek

Ja

 

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

–/0

Ja

 

Beleidsmatige verlaging tarief eigenwoningforfait

+

Ja

 

Maatregel huurverlaging

+

Ja (via inflatie)

    

5. Sociale zekerheid

   
 

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Ja

 

Harmonisatie inkomensregelingen Wajong

+

Nee

 

Beleidsmatige verlaging Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

-

Ja

 

Inwerkingtreding Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

+

Nee

De maatregelen uit de bovenstaande tabel worden hieronder verder toegelicht:

  • 1. Fiscaal generiek

Wijzigingen arbeidskorting

Werkenden met een inkomen uit arbeid hebben recht op de arbeidskorting. Het maximum na het eerste opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer € 10.000, wordt beleidsmatig met in totaal € 179 verhoogd. Het maximum na het tweede opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer €22.000 wordt beleidsmatig met in totaal € 184 verhoogd. In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om het vlakke maximum van de arbeidskorting te vervangen voor een derde opbouwtraject (het dakje in de arbeidskorting). Het maximum na dit derde opbouwtraject, bij een belastbaar inkomen van ongeveer € 35.500, wordt beleidsmatig met in totaal € 324 verhoogd.

Deze beleidsmatige aanpassingen zorgen voor een gemiddeld positief inkomenseffect van +0,8% voor werkenden. Het positieve inkomenseffect is met +0,9% het grootst voor werkenden met een lager inkomen. Voor de hoogste inkomensgroepen neemt het inkomenseffect af tot +0,6%. Boven een inkomen van circa € 105.000 is er geen inkomenseffect omdat de arbeidskorting vanaf dit inkomen volledig is afgebouwd.

Verhoging algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op algemene heffingskorting. Per saldo wordt de algemene heffingskorting beleidsmatig met € 82 verhoogd tot, inclusief indexatie, maximaal € 2.837.

Deze beleidsmatige aanpassing zorgt voor een gemiddeld positief inkomenseffect van +0,2%. Maximaal is dat voor een alleenstaande op het sociaal minimum +0,8%. Uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden ondervinden een gemiddeld positief inkomenseffect van +0,5% respectievelijk +0,3%. Naarmate het inkomen hoger is, is het inkomenseffect kleiner. Boven een inkomen van € 68.507 is er geen inkomenseffect omdat de algemene heffingskorting vanaf dit inkomen volledig is afgebouwd.

Verlaging tarief (nieuwe) eerste schijf

In 2021 wordt het tarief in de eerste schijf met 0,25%-punt verlaagd naar 37,10%. De eerste schijf loopt in het huidige belastingstelsel door tot een inkomen van €68.507. Alle belastingplichtigen betalen belasting in de eerste schijf. Er is sprake van een inkomenseffect van +0,2% voor lagere inkomens oplopend tot +0,3% voor hogere inkomens.

Beperkt indexeren (oude) tweede belastingschijf

Met ingang van 2011 wordt de bovengrens van de (oude) tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de (oude) tweede schijf verkort wordt en de (oude) derde schijf verlengd. Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn, is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945. Personen geboren in 1945 of eerder zijn van deze maatregel uitgezonderd.

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Het eindpunt van de eerste schijf in de nieuwe tariefstructuur wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op het niveau van 2018. Dat betekent dat deze schijf eindigt op € 68.507. Deze maatregel heeft negatieve inkomenseffecten voor de huishoudens met de hoogste inkomens doordat ze over een groter deel van hun inkomen het toptarief betalen. Ongeveer 1.000.000 huishoudens ondervinden van deze maatregel een gemiddeld negatief inkomenseffect van ‒ 0,2%.

Het bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief op € 68.507 heeft ook invloed op de algemene heffingskorting, omdat de afbouw hiervan eindigt op het eindpunt van de nieuwe eerste schijf. Het inkorten van de eerste schijf zorgt voor een sterker afbouwpad van de algemene heffingskorting en daarmee voor een lagere algemene heffingskorting voor burgers met een inkomen tussen circa € 35.000 en € 68.507. Dit zorgt voor een gemiddeld inkomenseffect voor deze huishoudens van ‒ 0,1%.

Verhoging ouderenkorting

De ouderenkorting wordt beleidsmatig met € 55 verhoogd tot, inclusief indexatie, maximaal € 1.703. Gepensioneerden hebben hierdoor gemiddeld een positief inkomenseffect van +- 0,2%. Voor gepensioneerden met een klein aanvullend pensioen is het gemiddelde effect +- 0,3% en daarmee groter dan dat voor gepensioneerden met een hoger aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met een aanvullend pensioen van meer dan € 40.000 is er geen inkomenseffect, voor hen is de ouderenkorting al afgebouwd.

Incidentele verlaging inkomensafhankelijke combinatiekorting

Ter dekking van een ruimere interpretatie (uitspraak Hoge Raad) van het begrip co-ouderschap en het daarmee samenhangende recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt het maximumbedrag van de IACK incidenteel met € 113 verlaagd. Het maximumbedrag komt daarmee in 2021 uit op € 2.815. Het maximale negatieve inkomenseffect hiervan bedraagt ‒ 0,3% voor alleenstaande ouders met een modaal inkomen. Voor alleenstaande ouders met een lager inkomen is er geen effect omdat zij niet het maximale bedrag IACK krijgen. Voor alleenstaande ouders en tweeverdieners met kinderen is het inkomenseffect kleiner naar mate het inkomen hoger is: gemiddeld ‒ 0,1%.

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

De minstverdienende partner die niet genoeg belastbaar inkomen heeft om de algemene heffingskorting te verzilveren, krijgt deze toch uitbetaald als de partner genoeg belasting betaalt. Om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt sinds 2009 stapsgewijs over een periode van vijftien jaar de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner afgebouwd. Het gevolg hiervan is dat de minstverdienende partner een grotere prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 is uitgezonderd van de maatregel. Er zijn ongeveer 290.000 huishoudens die te maken hebben met de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. De uitbetaling aan de minstverdienende partner bedraagt nog 13,3% in 2021. Alleenverdienershuishoudens ondervinden een gemiddeld negatief inkomenseffect van ‒ 0,4%.

Verlaging zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek wordt vanaf 2020 met € 250 per jaar verlaagd. Vanaf 2021 deze afbouw met € 110 per jaar versneld. In totaal wordt de zelfstandigenaftrek in 2021 met € 360 naar € 6.670. Netto gaat dit in de meeste gevallen om een afname van € 133. Dit betekent een inkomenseffect tussen ‒ 0,3% en ‒ 0,1% voor de meeste huishoudens met een zelfstandige.

Wijzigingen energiebelasting en ODE

De ontwikkelingen van de belastingtarieven voor gas en elektriciteit (ODE en EB) en de belastingvermindering energiebelasting tezamen zorgen ervoor dat het belastingdeel van de energierekening voor een huishouden met gemiddeld energieverbruik volgend jaar in nominale termen gelijk blijft. Voor individuele huishoudens is er, afhankelijk van de energieconsumptie, wel een effect mogelijk.

Verhoging heffingsvrij vermogen box 3 en verhoging tarief box 3

Met ingang van het jaar 2021 wordt het heffingsvrij vermogen in box 3 verhoogd naar € 50.000 voor alleenstaanden en € 100.000 voor paren. De vermogensgrenzen in de toeslagen veranderen niet. Om dit budgettair deels te dekken wordt het belastingpercentage in box 3 licht verhoogd van 30% naar 31%. Het inkomenseffect van deze wijziging is afhankelijk van het vermogen van het huishouden. Het inkomenseffect is gemiddeld positief voor de grote meerderheid huishoudens. De huishoudens met de allerhoogste vermogens kunnen er hierdoor licht op achteruit gaan.

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

Vanaf 1 januari 2021 gelden er een aantal nieuwe fiscale maatregelen die effecten hebben op de prijzen die de consument betaalt. Het tijdelijk verlaagd tarief voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting wordt verlengd. Daarnaast zal de cap op de cataloguswaarde om in aanmerking te komen voor de korting op de bijtelling voor emissievrije zonnecelauto’s niet meer van toepassing zijn.

2. Kinderen

Verhoging bedragen voor derde en verdere kinderen kindgebonden budget

In het kader van de augustusbesluitvorming heeft het kabinet besloten om met ingang van 1 januari 2021 het maximumbedrag van het kindgebonden budget vanaf het derde kind met € 617 per jaar per kind te verhogen. Hierdoor neemt het bedrag per kind vanaf het derde kind toe tot € 919 in 2021. Deze maatregel draagt bij aan het verminderen van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit.Gezinnen met drie of meer minderjarige kinderen profiteren van deze maatregel doordat zij een hogere toeslag ontvangen. Daarnaast hebben circa 15.000 huishoudens voor het eerst (of opnieuw) recht op kindgebonden budget omdat door een verhoging van het maximumbedrag van het kindgebonden budget vanaf het derde kind het afbouwtraject voor die gezinnen langer wordt. Gezinnen met een lager inkomen ervaren een groter positief inkomenseffect. Onder de huishoudens met kinderen komen gezinnen met drie of meer kinderen relatief gezien meer voor bij alleenverdieners (27%) dan bij tweeverdieners (16%). Van de verhoging van het bedrag aan kindgebonden budget dat ouders ontvangen voor het derde en eventuele verdere minderjarige kinderen gaan positieve inkomenseffecten uit. Het inkomenseffect is maximaal bij uitkeringsgerechtigden met een groter gezin (+2,5%) en neemt af met het inkomen. Het mediane effect voor de groep ouders die hierdoor meer kindgebonden budget krijgt is +1,3%.

Beperkt indexeren inkomensgrenzen kinderopvangtoeslag

Ter dekking voor enkele maatregelen aangekondigd in de kabinetsreacties op het advies van de Commissie Uitvoering Toeslagen en het IBO Toeslagen worden de inkomensgrenzen in de kinderopvangtoeslag in 2021 eenmalig met 0,60%-punt minder geïndexeerd dan bij volledige indexatie (2,67%) het geval zou zijn geweest. Omdat de indexering niet volledig is, komen ouders iets sneller in een hogere inkomensklasse. Het gaat hierbij om zeer beperkt inkomenseffect, omdat de afname van de kinderopvangtoeslag door overgang naar de volgende, hogere inkomensklasse veelal klein is.

Uitbreiding recht op kinderopvangtoeslag

Door een wijziging in de Wet kinderopvang wordt het aantal ontvangers van kinderopvangtoeslag uitgebreid. Zo wordt het recht op kinderopvangtoeslag uitgebreid voor huishoudens waarin een partner werkt en de andere partner een permanente Wlz-indicatie heeft, waardoor de laatstgenoemde partner niet kan werken en vaak, wanwege de eigen zorgbehoefte, ook niet in staat is om voor de kinderen te zorgen.

3. Zorg

Beleidsmatige verlaging zorgtoeslag

Via de zorgtoeslag wordt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming verstrekt die het voor huishoudens met lage en middeninkomens mogelijk moet maken de nominale zorgpremie en het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering te betalen. In 2021 wordt het normpercentage van de zorgtoeslag voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens met 0,055%-punt verhoogd tot respectievelijk 1,885% en 4,195%. De beleidsmaatregel leidt tot een maximaal negatief inkomenseffect van ‒ 0,1% voor lage inkomens. Per saldo stijgt de zorgtoeslag echter vanwege de reguliere compensatie voor de hogere nominale zorgpremie.

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek wordt aangepast voor bestaande en nieuwe hypotheken. In 2014 is begonnen het maximale aftrektarief in de vierde schijf stapsgewijs te verlagen. Dit gebeurde in stappen van ½%-punt per jaar. Vanaf 1 januari 2020 is er sprake van een versneld afbouwpad van 3,0%-punt per jaar om vanaf 2023 op het structurele pad van 37,1% te eindigen. Voor alle hypotheken wordt in 2021 de aftrek inkomstenbelasting daardoor mogelijk tegen maximaal 43,0%. Huishoudens met een inkomen in het toptarief en een hypotheek (circa 900.000 huishoudens) ondervinden hiervan een inkomenseffect tussen ‒ 0,2% en ‒ 0,3%.

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Met ingang van 2019 wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (regeling Hillen) in gelijke stappen in dertig jaren uitgefaseerd. Dit betekent dat per 2021 nog 90% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen. Het inkomenseffect van deze maatregel is beperkt en kleiner dan ‒ 0,1%.

Beleidsmatige verlaging tarief eigenwoningforfait

De budgettaire opbrengst van de versnelde afbouw van het maximale tarief van de hypotheekrenteaftrek wordt volledig gebruikt ter compensatie van eigenwoningbezitters door een verlaging van het percentage van het eigenwoningforfait. De verlaging van het (basis)percentage van het eigenwoningforfait voor woningen met een eigenwoningwaarde van meer dan € 75.000 vindt plaats in drie stappen van elk 0,05%-punt in de jaren 2020, 2021 en 2023. Naar verwachting leidt dit beleid, in combinatie met de endogene ontwikkeling van huur- en woningprijzen, tot een (basis)percentage van het eigenwoningforfait van 0,5% in 2021. De percentages van het eigenwoningforfait kunnen nog wijzigen als de ontwikkelingen van huur- en woningprijzen afwijken van de ramingen. De meeste eigenwoningbezitters hebben als gevolg hiervan een positief inkomenseffect van circa +0,1%.

Maatregel huurverlaging

Woningcorporaties worden eenmalig verplicht om bij een verzoek daartoe de huur te verlagen tot de relevante aftoppingsgrens (€ 619,01 voor eenpersoonshuishoudens en € 663,40 voor meerpersoonshuishoudens), voor huurders met een inkomen onder de inkomensgrens voor passend toewijzen (voormalige maximuminkomensgrens voor de huurtoeslag). De maatregel is in het koopkrachtbeeld verwerkt als lagere inflatie (-0,045%-punt), uitgaande van een huurverlaging van macro circa € 160 miljoen.

5. Sociale zekerheid

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Sinds januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid (excl. AOW) afgebouwd. In de structurele situatie hebben uitkeringsgerechtigden, evenals alleenverdieners in de fiscaliteit, recht op eenmaal de algemene heffingskorting. In het regeerakkoord is afgesproken dat de afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid in de jaren 2019 tot en met 2021 wordt getemporiseerd, zodat 3,75%-punt wordt afgebouwd in plaats van 5%-punt per jaar. Per saldo resulteert nog steeds een negatief inkomenseffect van gemiddeld ‒ 0,3% voor bijstandsgerechtigden.

Harmonisatie inkomensregelingen Wajong

Met ingang van 2021 worden de regels voor inkomensondersteuning in de Wajong geharmoniseerd. Werkende Wajongers (ongeveer 58.000 mensen) houden naast hun uitkering (ten minste) 30 eurocent van iedere euro die ze verdienen. Dit leidt tot een hoger gemiddeld inkomen.

Beleidsmatige verlaging Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wajong maatregelen heeft de staatssecretaris van SZW aan de Eerste Kamer toegezegd het overgangsrecht voor een specifieke specifieke groep werkende Wajongers aan te passen. Deze kosten voor wijziging bedragen naar schatting € 2,5 miljoen per jaar en komen ten laste van de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten. De hoogte van de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten wordt hierop aangepast en deze komt hierdoor in 2021 € 2 netto per jaar lager uit dan anders het geval geweest zou zijn. Dit leidt tot een zeer klein negatief inkomenseffect voor arbeidsongeschikten.

Inwerkingtreding Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet treedt op 1 januari in werking. Mensen met schulden kunnen nu nog onder het absolute bestaansminimum terecht komen omdat schuldeisers niet van elkaar weten dat ze beslag leggen op hetzelfde inkomen. De nieuwe wet brent hier verandering in. Hierdoor blijft in deze gevallen een hoger besteedbaar inkomen over.

5.2.8 Maatregelen Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland beschikt SZW niet, zoals voor Europees Nederland, over betrouwbare ramingen van de contractloonontwikkeling, de indexatie van de pensioenen en de inflatie. Hierdoor is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling kwantitatief te visualiseren, zoals dat voor de Europees-Nederlandse situatie wordt gedaan. Wel wordt de inflatieontwikkeling nauwgezet door het CBS gemonitord. Deze prijsontwikkeling en bijbehorende indexering van uitkeringen komen in deze paragraaf kort aan bod.

Prijsontwikkeling en indexering van uitkeringen

Jaarlijks worden het minimumloon, de AOV, de AWW en de onderstand geïndexeerd op basis van de gerealiseerde ontwikkeling van de consumentenprijsindex in het derde kwartaal van het voorgaande jaar.

Verhoging Kinderbijslagvoorziening BES

In 2021 wordt de Kinderbijslagvoorziening BES verhoogd met $ 2 per maand voor huishoudens met kinderen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

5.3 Horizontale overzichtconstructie integratiebeleid etnische minderheden

Tabel 123 Overzichtconstructie Integratiebeleid etnische minderheden

Nr. hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Onderdeel

Doelstelling

Inburgering

   

XV

SZW

13

-

Faciliteren dat inburgeringsplichtigen hun inburgeringsexamen halen.

Arbeid en werkgelegenheid

   

VI

J&V

31

31.2

Om de legitimiteit van het politiewerk te waarborgen, specifieke veiligheids-problemen in de wijk aan te kunnen pakken en om in contact te blijven met verschillende gemeenschappen en daarmee het politiewerk te verbeteren wordt de diversiteit bij de politie verder vergroot. Het diversiteitsbeleid van de politie is gericht op een betere verbinding met de samenleving; een meer inclusieve werkcultuur; meer divers samengestelde teams; en een beter werkproces voor de aanpak van discriminatie.

VII

BZK

7

7.1

Het Ministerie van BZK draagt bij aan een overheid die de maatschappelijke opgaven gezamenlijk adresseert en aanpakt door in haar werkwijze grenzeloos samenwerken centraal te zetten. Dit vergt ook investeringen in het menselijk kapitaal van de overheid en de Rijksdienst in het bijzonder. Daarom wordt in 2020 verder vormgegeven aan het Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025, waarin het accent onder andere ligt op aantrekkelijk werkgeverschap, inclusiviteit en permanent ontwikkelen van medewerkers.

Jeugd (en veiligheid)

   

XV

SZW

13

-

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

Emancipatie

   

VIII

OCW

25

-

Het versterken van maatschappelijke zelfredzaamheid van bi-culturele LHBTI’s en bijdragen aan de sociale acceptatie op grond van seksuele oriëntatie en/of gender-identiteit in bi-culturele kringen.

Participatie

   

VII

BZK

3

3.1

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

VII

BZK

7

7.2

Uitvoeren van pensioenregelingen voor (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalig overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

XV

SZW

13

-

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

Toelichting

In het interdepartementaal overzicht integratiebeleid etnische minderheden zijn doelstellingen opgenomen uit de departementale begrotingen met specifieke maatregelen en algemene maatregelen, waarbij expliciete beleidsdoelstellingen op het terrein van het integratiebeleid etnische minderheden zijn geformuleerd in de begroting, in beleidsnota’s of in de integratiemonitor. Het overzicht is ingedeeld naar een aantal beleids-terreinen om de samenhang tussen de beleidsmaatregelen van de verschillende ministeries inzichtelijker te maken: Inburgering, Arbeid en werkgelegenheid, Jeugd (en veiligheid), Emancipatie en Participatie. Voor elk beleidsterrein is weergegeven waar de specifieke en algemene maatregelen in de Rijksbegroting zijn te vinden. De maatregelen op andere begrotingshoofdstukken dan die van SZW worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de bewindslieden van de genoemde ministeries.

6. Bijlagen

Bijlage 1: Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen

Deze bijlage bevat in tabel 124 een overzicht van de zelfstandige bestuurs-organen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het moederdepartement vallen. In tabel 125 zijn de bijdragen aan de ZBO’s en de RWT’s opgenomen die onder de verantwoordelijkheid van een ander ministerie vallen. De opgenomen bedragen zijn de in de beleidsartikelen verantwoorde uitgaven van de begrotings- en de premiegefinancierde regelingen in de budgettaire tabellen onder de instrumenten «Inkomensoverdrachten», «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s» en «Subsidies».

Tabel 124 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder ministerie van SZW)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

ZBO en RWT

1,2,3,4,5,6,11

32.119,5

evaluatie

2021

inclusief

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

ZBO en RWT

2,6,8,9,10,11,13

47.806,0

evaluatie

2021

Inlichtingenbureau (IB)

RWT

11

8,0

evaluatie

2021

Tabel 125 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)

Naam organisatie

Ministerie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

ZonMw

VWS

ZBO en RWT

2

0,2

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

J&V

ZBO en RWT

13

17,2

Bijlage 2: Verdiepingshoofdstuk

Dit onderdeel bevat het verdiepingshoofdstuk van de SZW-begroting. In deze paragraaf wordt voor alle artikelen op de SZW-begroting de mutatie van uitgaven en ontvangsten tussen de ontwerpbegroting 2020 en de huidige ontwerpbegroting 2021 gedetailleerd toegelicht. Dit gebeurt zowel voor de begrotingsgefinancierde als voor de premiegefinancierde regelingen.

De opbouw van deze tabellen is gelijk aan elkaar. Bij de begrotingsgefinancierde en bij de premiegefinancierde regelingen worden, conform de RBV, de mutaties in de amendementen, de vier incidentele suppletoire begrotingen, de eerste suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de nieuwe mutaties (Miljoenennota) vermeld.

1 Arbeidsmarkt

Tabel 126 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 1 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

890.667

712.147

710.774

714.568

718.585

 

Mutatie amendement

500

0

0

0

0

 

Mutaties1e Incidentele suppletoire begroting

10.000.000

0

0

0

0

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting

‒ 464.000

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 127.425

‒ 50.416

‒ 78.411

‒ 79.654

‒ 57.060

 

Mutaties 3e Incidentele suppletoire begroting

12.946.667

0

0

0

0

 

Mutaties 4e Incidentele suppletoire begroting

2.203.100

565.100

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

147

165

165

169

185

 

2. Overboekingen met andere departementen

‒ 60

50

202.547

202.101

202.551

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

1.936

861

1.434

1.434

1.434

 

4. Kasschuiven

‒ 3.324.190

2.969.175

353.015

1.000

1.000

 

5. Bijstelling LKV

0

0

0

0

‒ 20.834

 

6. Bijstelling NOW 1.0

‒ 762.625

‒ 9.000

‒ 625

0

0

 

7. Bijstelling NOW 2.0

‒ 5.821.201

‒ 1.221.733

‒ 143.733

0

0

 

8. Bijstelling compensatie loonkosten CN

1.000

0

0

0

0

 

9. Bijsteliing TOFA

‒ 167.000

0

0

0

0

 

10. Maatwerkregel DI en eerder uittreden

0

250.000

250.000

250.000

250.000

 

11. Werkgeverssubsidie leercultuur

0

41.500

0

0

0

 

12. NL leert door

0

72.000

18.000

0

0

 

13. NOW 3.0

0

2.545.300

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

15.377.516

5.875.149

1.313.166

1.089.618

1.095.861

875.988

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Er zijn 4 overboekingen met andere departementen. De grootste mutatie is de structurele overboeking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van € 202,5 miljoen in 2021 voor de subsidieregeling Stimulans ArbeidsmarktPositie (STAP). Het structurele niveau van de overboeking is € 218,0 miljoen.

  • 3. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 4. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden onder andere middelen voor de NOW 1.0 en 2.0 doorgeschoven van 2020 naar latere jaren. Vanwege het afrekenproces zal een deel van de gelden in latere jaren worden uitgekeerd.

  • 5. Het schrappen van de 3-jaarsbepaling van het LKV Banenafspraak is uitgesteld. Een deel van deze middelen wordt gereserveerd voor de effectievere invulling van de Wtl.

  • 6. Middelen van de NOW 1.0 komen niet tot besteding omdat het beroep op de regeling minder is dan verwacht.

  • 7. Middelen van de NOW 2.0 komen niet tot besteding omdat het beroep op de regeling minder is dan verwacht.

  • 8. De raming van de compensatie loonkosten Caribisch Nederland is opwaarts bijgesteld. Op basis van de uitvoeringsgegevens zijn de middelen verhoogd met € 1,0 miljoen.

  • 9. De raming van de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten is neerwaarts bijgesteld. Op basis van de realisatiecijfers blijkt dat het beroep op de regeling lager is dan aanvankelijk werd geraamd.

  • 10. In het pensioenakkoord van 5 juni 2020 is afgesproken een tijdelijke subsidieregeling Maatwerkregeling DI en eerder uittreden in te voeren. Voor deze regeling is voor 4 jaar € 1 miljard aan middelen beschikbaar.

  • 11. Aan de al bestaande stimuleringsregeling voor scholing en ontwikkeling van werknemers in MKB bedrijven, wordt in 2021 € 41,5 miljoen extra beschikbaar gesteld. De uitbreiding is een gevolg van de door de coronacrisis ontstane extra behoefte aan scholing en begeleiding.

  • 12. Voor NL leert door is er in 2021 € 72,0 miljoen aan middelen beschikbaar voor ontwikkeladvies en online scholing. In 2022 is er € 18,0 miljoen beschikbaar voor voor online scholing.

  • 13. De Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkbehoud (NOW) wordt per 1 oktober met drie keer drie maanden verlengd. Deze derde tranche kent een aflopende tegemoetkoming van de loonsom en biedt ruimte de loonsom te laten dalen zonder dat dit ten koste gaat van de subsidie. De eerste drie maanden wordt 80% uitgekeerd waarna iedere 3 maanden het uitkeringspercentage met 10 procent-punt afneemt. Dit betreffen de subsidie-uitgaven aan het tweede (jan-maart 2021) en derde deel (apr-jun 2021) van de regeling.

Tabel 127 Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 1 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 9.846

975

1.110

1.180

1.180

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Bijstelling boeteontvangsten

‒ 4.500

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

9.654

24.975

25.110

25.180

25.180

25.180

  • 1. De boeteontvangsten worden met € 4,5 miljoen naar beneden bijgesteld. Op grond van de ontvangen boetes in de eerste 4 maanden is de verwachting dat in 2020 € 9,7 miljoen aan boeteontvangsten gerealiseerd wordt.

Tabel 128 Uitgaven premiegefinancierd artikel 1 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

817.128

448.560

228.215

228.215

228.215

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 64.000

‒ 12.000

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

35.543

11.010

5.297

5.297

5.297

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

788.671

447.570

233.512

233.512

233.512

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

35.543

33.313

25.129

28.785

28.785

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

2. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 35.543

‒ 11.010

‒ 5.297

‒ 5.297

‒ 5.297

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

22.303

19.832

23.488

23.488

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

788.671

469.873

253.344

257.000

257.000

257.000

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Zie bij mutatienummer 1.

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Tabel 129 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 2
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

7.002.798

7.166.953

7.319.576

7.482.932

7.658.158

 

Mutaties1e Incidentele suppletoire begroting

3.800.000

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 218.011

‒ 259.272

‒ 237.232

‒ 222.848

‒ 183.478

 

Mutaties 3e Incidentele suppletoire begroting

1.500.000

0

0

0

0

 

Mutaties 4e Incidentele suppletoire begroting

253.000

368.000

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

136.569

139.383

143.237

147.210

151.904

 

2. Macromutaties

161.925

655.125

971.032

736.740

455.446

 

3. Overboekingen met andere departementen

160

410

356

356

356

 

4. Budgettair neutrale herschikkingen

1.850

6.274

2.216

250

0

 

5. Kasschuiven

‒ 2.966

‒ 304

3.305

‒ 98

63

 

6. Ramingsbijstelling

193.115

72.028

14.363

11.257

12.125

 

7. Bijstelling Tozo 1.0

‒ 1.296.000

0

0

0

0

 

8. Overboeking van premie naar begroting

2.090

0

0

0

0

 

9. Bijstelling Tozo 2.0

‒ 700.000

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

10.834.530

8.148.597

8.216.853

8.155.799

8.094.574

8.053.926

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is toegevoegd om de uitkeringslasten op het loon- en prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. De raming van het macrobudget participatiewetuitkeringen is aangepast op basis van de laatste ontwikkelingen in de werkloosheid. Als gevolg van de coronacrisis verwacht het CPB een forse oploop van de werkloze beroepsbevolking. Hierdoor stijgen de uitgaven aan bijstandsuitkeringen.

  • 3. Er zijn 4 overboekingen met andere departementen. De grootste mutatie is de overboeking van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van € 0,4 miljoen structureel voor terugontvangen middelen integrale aanpak Caribisch Nederland.

  • 4. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 5. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden onder andere middelen van de subsidie Alle kinderen doen mee doorgeschoven van 2020 en 2021 naar 2022. Vanwege het afrekenproces zal een deel van de gelden in 2022 worden uitgekeerd.

  • 6. De mutatie betreft een samenstelling van doorwerkingen van uitvoeringsgegevens op het terrein van onder andere Macrobudget Participatiewetuitkeringen, Bijstand Zelfstandigen, Toeslagenwet en Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.

  • 7. De raming van de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) 1.0 is neerwaarts bijgesteld. Op basis van de realisatiecijfers blijkt dat het beroep op de regeling lager is dan aanvankelijk werd geraamd.

  • 8. Er is budgettair neutrale herschikking tussen premie- en begrotingsgefinancierde budgetten.

  • 9. De raming van de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) 2.0 is neerwaarts bijgesteld. Op basis van de realisatiecijfers blijkt dat het beroep op de regeling lager is dan aanvankelijk werd geraamd.

Tabel 130 Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 2 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

26.020

13.658

15.500

17.700

18.938

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Afrekening 2019

5.960

0

0

0

0

 

2. Terugbetaling kapitaalverstrekkingen TOZO

0

0

0

101.500

162.900

 

3. Bzb bijstelling

‒ 11.522

‒ 9.243

‒ 2.641

1.625

588

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

20.458

4.415

12.859

120.825

182.426

185.293

  • 1. De ontvangsten komen voort uit de afrekening TW over 2019 met UWV.

  • 2. Bij Tozo-1 en Tozo-2 worden leningen voor bedrijfskapitaal verstrekt. Vanaf 2023 moeten deze leningen worden terugbetaald.

  • 3. De raming van de terugontvangsten Bijstand zelfstandigen is bijgesteld naar aanleiding van de uitvoeringsinformatie.

3 Arbeidsongeschiktheid

Tabel 131 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 3 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

3.878

10.885

10.892

4.900

908

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 190

‒ 172

‒ 156

‒ 142

‒ 127

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

8

9

9

9

9

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.696

10.722

10.745

4.767

790

802

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

Tabel 132 Uitgaven premiegefinancierd artikel 3 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

10.295.307

10.261.951

10.394.431

10.603.611

10.732.891

 

Mutaties Voorjaarsnota

1.149

58.727

65.589

73.582

138.840

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

269.154

271.264

274.890

280.770

286.126

 

2. Ramingsbijstelling

‒ 8.667

8.123

26.008

20.679

12.629

 

3. Motie Oomen

0

‒ 1.755

‒ 1.772

‒ 1.804

‒ 1.826

 

4. Nabetalingen 2019

1.260

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

10.558.203

10.598.310

10.759.146

10.976.838

11.168.660

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

248.933

503.305

771.641

1.051.860

1.335.596

 

Mutaties Voorjaarsnota

20.221

68.207

76.630

60.177

37.372

 
       

Nieuwe mutaties:

      

5. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 152.217

‒ 290.453

‒ 379.432

‒ 432.975

 

6. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 269.154

‒ 271.264

‒ 274.890

‒ 280.770

‒ 286.126

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

148.031

282.928

451.835

653.867

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

10.558.203

10.746.341

11.042.074

11.428.673

11.822.527

12.211.760

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Op basis van de uitvoeringsinformatie van UWV zijn de geraamde uitgaven aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen bijgesteld. De IVA-uitgaven zijn meerjarig naar beneden bijgesteld. Dit komt door een daling van de instroom. De WGA-uitgaven zijn meerjarig opwaarts bijgesteld. Dit komt door een hogere instroom. De WAO-uitgaven zijn meerjarig opwaarts bijgesteld. Dit is voor ongeveer de helft het gevolg van een hoger aantal uitkeringen en voor de andere helft van een hogere gemiddelde uitkering.

  • 3. Vanaf 2021 wordt er budget overgeheveld voor de uitvoering van de motie Oomen.

  • 4. De bevoorschotting voor de tegemoetkoming arbeidsongeschikten voor de IVA, WAO en WAZ in 2019 is te laag geweest. In 2020 is het verschil afgerekend.

  • 5. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 6. Zie bij mutatienummer 1.

4 Jonggehandicapten

Tabel 133 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 4 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

3.386.123

3.403.698

3.402.116

3.418.270

3.434.877

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 26.841

2.468

3.380

2.977

5.264

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

82.815

83.968

84.159

84.622

85.176

 

2. Ramingsbijstelling Wajong

‒ 8.375

‒ 5.606

‒ 6.544

‒ 6.273

‒ 5.981

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

0

‒ 2.000

0

0

0

 

4. Motie Oomen

0

1.757

1.757

1.757

1.757

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.433.722

3.484.285

3.484.868

3.501.353

3.521.093

3.568.671

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Op basis van de realisatiegegevens van UWV is de raming van de uitgaven van de uitkeringslasten Wajong naar beneden bijgesteld. Dit komt onder andere omdat de verwachte uitstroom uit de Wajong structureel hoger is dan eerder geraamd en door het bijstellen van de aannames die bij de invoering van de Wajong2015 zijn gedaan.

  • 3. Er is sprake van een budgettair neutrale herschikking binnen de SZW-begroting.

  • 4. Voor de motie Oomen zijn vanaf 2021 middelen beschikbaar gesteld.

Tabel 134 Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 4 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

22.272

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Afrekening 2019

68

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

22.340

0

0

0

0

0

  • 1. De ontvangsten van € 0,1 miljoen zijn de te veel bevoorschotte middelen voor de uitkeringslasten Wajong in 2019, die UWV in 2020 terugbetaalt.

5 Werkloosheid

Tabel 135 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

116.911

111.282

117.188

128.440

142.535

 

Mutaties Voorjaarsnota

9.030

4.761

‒ 7.343

‒ 13.468

‒ 20.227

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

2.912

2.721

2.795

2.924

3.111

 

2. Ramingsbijstelling

2.446

5.291

8.437

9.328

9.102

 

3. Tijdelijke tegemoetkoming Westhaven

114

314

316

152

0

 

4. Afrekening 2019

1.909

0

0

0

0

 

5. Macromutaties

0

0

11.878

41.465

65.875

 

6. Scholingsbudget WW

0

18.000

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

133.322

142.369

133.271

168.841

200.396

212.586

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van UWV is de IOW meerjarig opwaarts bijgesteld.

  • 3. Binnen de SZW begroting is budget naar artikel 5 verplaatst voor de financiering van de tijdelijke regeling tegemoetkoming werknemers Westhaven.

  • 4. Over 2019 is de bevoorschotting van de uitkeringslasten IOW te laag geweest. In 2020 wordt het restant nabetaald.

  • 5. De raming van de IOW is aangepast op basis van de nieuwe raming van het CPB van de werkloosheid. Vanaf 2022 wordt een forse stijging van de uitkeringslasten verwacht als gevolg van toenemende werkloosheid door de coronacrisis.

  • 6. In het kader van het Steun en herstelpakket is in 2021 € 18,0 miljoen extra aan middelen beschikbaar voor het scholingsbudget WW.

Tabel 136 Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Terugontvangst scholingsbudget WW

1.285

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.285

0

0

0

0

0

  • 1. De ontvangstenmutatie heeft betrekking op het van UWV terugontvangen voorschot 2019 van het scholingsbudget WW.

Tabel 137 Uitgaven premiegefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

3.724.276

3.904.578

4.079.882

4.276.373

4.475.627

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 188.492

‒ 350.122

‒ 373.737

‒ 347.658

‒ 272.744

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

111.988

112.589

117.429

124.531

133.280

 

2. Macro mutaties

881.497

2.782.085

2.953.505

2.156.227

1.332.243

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

4.529.269

6.449.130

6.777.079

6.209.473

5.668.406

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

103.249

212.199

328.644

459.487

616.004

 

Mutaties Voorjaarsnota

8.739

9.674

4.441

‒ 8.321

‒ 30.661

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 17.937

‒ 16.931

‒ 36.040

‒ 74.553

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 111.988

‒ 112.589

‒ 117.429

‒ 124.531

‒ 133.280

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

91.347

198.725

290.595

377.510

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

4.529.269

6.540.477

6.975.804

6.500.068

6.045.916

5.784.000

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Er is een tegenvaller op de WW-uitgaven van miljarden euro’s als gevolg van de coronacrisis. Het CPB verwacht dat we in korte tijd van een hoogtepunt van de conjunctuur naar een dieptepunt gaan. De geraamde werkloosheid neemt dus fors toe. Het is aannemelijk dat het aantal mensen dat een WW-uitkering aanvraagt zal oplopen. Ook blijven deze mensen naar verwachting langer in de WW, omdat de kans op het vinden van een baan vermoedelijk daalt.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie bij mutatiemummer 1.

Tabel 138 Ontvangsten premiegefinanicerd artikel 5 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

253.000

253.000

253.000

253.000

253.000

 

Mutaties Voorjaarsnota

7.000

11.990

18.947

20.667

20.667

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

8.295

8.455

8.677

8.732

8.732

 

2. Ramingsbijstelling

‒ 8.296

31.704

31.704

31.704

31.704

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

259.999

305.149

312.328

314.103

314.103

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

7.068

13.823

20.491

27.319

35.009

 

Mutaties Voorjaarsnota

1.227

2.828

4.105

4.287

3.302

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 3.922

‒ 6.812

‒ 8.234

‒ 8.708

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 8.295

‒ 8.455

‒ 8.677

‒ 8.732

‒ 8.732

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

4.274

9.107

14.640

20.871

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

259.999

309.423

321.435

328.743

334.974

341.993

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de ontvangsten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Overheidswerkgevers zijn eigenrisicodragers voor de WW. De WW-uitgaven worden door UWV verhaald op deze werkgevers. De raming van de ontvangsten uit verhaal is vanaf 2021 naar boven bijgesteld vanwege het effect dat de coronacrisis naar verwachting heeft op de arbeidsmarkt.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie bij mutatienummer 1.

6 Ziekte en zwangerschap

Tabel 139 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 6 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

11.981

8.268

8.298

8.279

8.312

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting

13.000

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 1.380

4.179

2.739

945

306

 

Mutaties 3e Incidentele suppletoire begroting

‒ 13.000

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

164

165

166

168

169

 

2. Afrekening 2019

33

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

10.798

12.612

11.203

9.392

8.787

8.629

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Over 2019 is de bevoorschotting van de uitkeringslasten TAS aan de SVB te laag geweest. Het totale nabetaalde bedrag in 2020 over 2019 betreft € 246.000. Bij de Voorjaarsnota werd de nabetaling op basis van de voorlopige realisatie geschat op € 213.000. Op basis van de definitieve realisatie bleek een extra nabetaling nodig van € 33.000.

Tabel 140 Uitgaven premiegefinancierd artikel 6 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

2.945.765

3.078.196

3.120.044

3.160.766

3.202.689

 

Mutaties Voorjaarsnota

92.491

48.470

18.153

27.140

39.811

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

96.727

99.543

99.816

101.360

103.081

 

2. Ramingsbijstelling

35.217

105.794

120.937

113.255

92.046

 

3. Geboorteverlof niet verz werkn

0

0

2.100

5.000

5.000

 

4. Ouderschapsverlof

0

0

136.000

360.000

360.000

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

3.170.200

3.332.003

3.497.050

3.767.521

3.802.627

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

82.167

167.991

252.447

340.981

433.996

 

Mutaties Voorjaarsnota

14.560

28.229

31.041

26.750

19.359

 
       

Nieuwe mutaties:

      

5. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 50.013

‒ 80.412

‒ 85.040

‒ 90.816

 

6. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2019

‒ 96.727

‒ 99.543

‒ 99.815

‒ 101.360

‒ 103.081

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

46.664

103.261

181.331

259.458

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.170.200

3.378.667

3.600.311

3.948.852

4.062.085

4.171.969

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. De ZW kent meerjarig een tegenvaller. Door de sterke toename van het aantal WW-gerechtigden (vanwege de effecten door de uitbraak van het coronavirus op de conjunctuur) stijgt de instroom van zieke werklozen flink. Ook zijn er meer uitkeringen wegens ziekte bij zwangerschap. Hier staat tegenover dat de instroom van flexwerkers naar verwachting juist daalt doordat er minder mensen met een uitzendcontract of tijdelijk dienstverband aan het werk zijn.

  • 3. De EU-richtlijn werk/prive regelt dat ook niet-verzekerde werknemers recht hebben op geboorteverlof. Dit was nog niet geregeld en wordt met het wetsvoorstel Wet invoering betaald ouderschapsverlof (Wibo) alsnog gedaan.

  • 4. Dit betreft de uitkeringslasten behorend bij 9 weken ouderschapsverlof voor beide ouders tegen 50% loon tot maximaal dagloon.

  • 5. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 6. Zie bij mutatienummer 1.

7 Kinderopvang

Tabel 141 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 7 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

3.461.212

3.490.686

3.500.804

3.518.429

3.542.958

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting

175.000

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

61.684

69.582

56.727

32.754

21.266

 

Mutaties 3e Incidentele suppletoire begroting

158.000

0

0

0

0

 

Mutaties 4e Incidentele suppletoire begroting

8.500

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

66.302

67.071

67.003

66.883

67.115

 

2. Ramingsbijstelling KOT

‒ 19.323

‒ 93.154

‒ 75.498

‒ 46.504

‒ 24.881

 

3. Kasschuif

‒ 2.000

2.000

0

0

0

 

4. Budgettair neutrale herschikkingen

‒ 130

3.500

0

0

0

 

5. Overboekingen met andere departementen

‒ 12.135

6.324

‒ 276

‒ 276

‒ 276

 

6. Overboeking van ministerie van LNV

1.000

3.000

4.000

0

0

 

7. Ouderschapsverlof

0

0

‒ 15.000

‒ 35.000

‒ 35.000

 

8. Aanpassing heffingsvrij vermogen

0

1.000

1.000

1.000

1.000

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.898.110

3.550.009

3.538.760

3.537.286

3.572.182

3.632.239

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. Als gevolg van de verslechterde conjunctuur vanwege de coronacrisis is het gebruik van de kinderopvang (en daarmee ook de uitgaven kinderopvangtoeslag) in 2020 en 2021 naar beneden bijgesteld. In latere jaren trekt de conjunctuur naar verwachting weer aan, daardoor neemt de meevaller meerjarig af.

  • 3. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden middelen voor tegemoetkoming eigen bijdrage KO doorgeschoven van 2020 naar 2021. De afhandeling van beroep en bezwaar zal gedeeltelijk plaatsvinden in 2021.

  • 4. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting. De grootste betreft de overboeking van de bijdrage aan BES(t) 4 kids (€ 3,5 miljoen in 2021).

  • 5. Er zijn 6 overboekingen met andere departementen. De grootste overboeking is naar het Gemeentefonds voor de decentralisatie-uitkering voorschoolse voorzieningen van € 8,3 miljoen in 2020. Gemeenten hebben middelen ontvangen om de eigen bijdrage van ouders met een gemeentelijk aanbod te vergoeden tijdens de periode van sluiting vanwege de kabinetsmaatregelen rondom corona. Daarnaast is er een overboeking door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (€ 6,6 miljoen in 2021) voor de bijdrage aan BES(t) 4 kids.

  • 6. Er is een overboeking door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (totaal € 8,0 miljoen voor de periode 2020-2022) in het kader van de regio-envelop Caribisch Nederland voor de verbetering van de huisvesting kinderopvang in Caribisch Nederland (onderdeel van het programma BES(t) 4 kids).

  • 7. Ouders krijgen vanaf 2022 recht op 9 weken betaald ouderschapsverlof. Dit leidt tot een iets lager gebruik van de formele kinderopvang, met name onder ouders van nuljarigen.

  • 8. Het heffingsvrij vermogen in box 3 wordt verhoogd als onderdeel van het Belastingplan 2021. Hierdoor neemt het fictief rendement op vermogen af, wat leidt tot een lager toetsingsinkomen voor de toeslagen. Een lager toetsingsinkomen leidt tot hogere uitgaven kinderopvangtoeslag.

Tabel 142 Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 7 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

1.597.613

1.598.250

1.606.230

1.609.720

1.612.614

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 61.987

‒ 72.083

‒ 74.709

‒ 77.096

‒ 79.369

 

Mutaties 4e Incidentele suppletoire begroting

‒ 500

‒ 1.900

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Ramingsbijstelling

‒ 2.827

1.099

‒ 215

‒ 1.182

‒ 213

 

2. Kasschuif

‒ 7.194

4.796

2.398

0

0

 

3. Verlaging invorderingsrente

‒ 2.200

0

0

0

0

 

4. Werkgeversbijdrage

363

16.114

22.766

38.471

52.590

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.523.268

1.546.276

1.556.470

1.569.913

1.585.622

1.601.069

  • 1. De ontvangsten uit terugvorderingen Kinderopvangtoeslag zijn beperkt bijgesteld. Specifiek voor 2020 zijn de ontvangsten lager als gevolg van minder terugontvangsten in 2020 over toeslagjaar 2014.

  • 2. Als gevolg van de tijdelijke opschorting van de dwanginvorderingen door de Belastingdienst (coronamaatregel) zijn er minder ontvangsten in 2020. In 2021 en 2022 wordt een inhaaleffect verwacht met hogere ontvangsten als gevolg.

  • 3. De invorderingsrente is voor de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2021 verlaagd van 4% naar 0,01% (coronamaatregel). Hierdoor zijn er minder rente-ontvangsten in 2020 en 2021. Dit is deels verwerkt in de 4e incidentele suppletoire begroting.

  • 4. De werkgeversbijdrage kinderopvang is een vast percentage van de totale loonsom. De loonsom is met name vanaf 2021 naar boven bijgesteld. Dit leidt tot hogere ontvangsten werkgeversbijdrage in deze jaren.

8. Oudedagsvoorziening

Tabel 143 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 8 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

25.100

25.089

25.615

25.972

26.409

 

Mutaties Voorjaarsnota

217

774

1.467

2.217

3.091

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

315

315

328

339

355

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

25.632

26.178

27.410

28.528

29.855

31.419

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

Tabel 144 Uitgaven premiegefinancierd artikel 8 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

40.164.161

40.987.082

41.290.314

41.567.455

42.034.985

 

Mutaties Voorjaarsnota

5.274

35.417

33.723

30.531

25.733

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

1.221.458

1.247.368

1.256.529

1.264.859

1.278.931

 

2. Ramingsbijstelling

‒ 109.377

‒ 84.767

‒ 56.893

‒ 55.195

‒ 53.455

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

41.281.516

42.185.100

42.523.673

42.807.650

43.286.194

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

1.156.869

2.223.450

3.221.778

4.252.787

5.337.715

 

Mutaties Voorjaarsnota

64.589

258.909

299.690

236.959

86.955

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 263.078

‒ 636.171

‒ 952.348

‒ 1.058.692

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 1.221.458

‒ 1.247.368

‒ 1.256.529

‒ 1.264.859

‒ 1.278.931

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

971.913

1.628.768

2.272.539

3.087.047

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

41.281.516

43.157.013

44.152.441

45.080.189

46.373.241

48.304.104

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. De raming voor de uitkeringslasten van de AOW en IOAOW zijn naar beneden bijgesteld. Oversterfte door corona leidt tot een neerwaartse bijstelling van het verwachte aantal AOW- en IOAOW-gerechtigden. Ook wordt de raming neerwaarts bijgesteld omdat het prijspeil 2020 voor de AOW lager uitkomt dan eerder geraamd.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie mutatie nummer 1.

9 Nabestaanden

Tabel 145 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 9 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

1.227

1.239

1.250

1.262

1.275

 

Mutaties Voorjaarsnota

89

115

137

156

178

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

16

16

17

17

17

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.332

1.370

1.404

1.435

1.470

1.486

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

Tabel 146 Uitgaven premiegefinancierd artikel 9 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020 reëel

343.156

322.872

312.102

306.241

301.469

 

Mutaties Voorjaarsnota

‒ 11.186

‒ 14.565

‒ 14.984

‒ 14.817

‒ 14.353

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

7.410

6.810

6.561

6.432

6.336

 

2. Ramingsbijstelling

‒ 178

‒ 159

‒ 180

‒ 185

‒ 184

 

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

339.202

314.958

303.499

297.671

293.268

 
       

Stand ontwerpbegroting 2020 nominaal

7.133

11.880

16.076

19.813

23.459

 

Mutaties Voorjaarsnota

277

1.416

1.145

543

‒ 378

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 3.643

‒ 6.714

‒ 8.852

‒ 9.717

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 7.410

‒ 6.810

‒ 6.561

‒ 6.432

‒ 6.336

 

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

0

2.843

3.946

5.072

7.028

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021

339.202

317.801

307.445

302.743

300.296

295.611

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2020 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2020 te brengen.

  • 2. De raming van de uitkeringslasten Anw is licht naar beneden bijgesteld, omdat het prijspeil 2020 lager uitvalt dan geraamd.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie mutatie nummer 1.

10 Tegemoetkoming ouders

Tabel 147 Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 10 (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

6.550.142

6.325.358

6.290.450

6.270.571

6.270.619

 

Mutaties Voorjaarsnota

103.071

‒ 21.079

‒ 12.348

‒ 13.328

‒ 4.021

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

60.016

53.299