Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035555 nr. 3

35 555 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

De manier waarop mensen werken en leven is de afgelopen jaren meer divers geworden. Steeds meer mensen willen een grotere mate van flexibiliteit hebben ten aanzien van de aanwending van hun pensioen, zodat beter kan worden aangesloten bij de eigen bestedingsbehoefte. Daarnaast bestaat er door de stijging van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd behoefte aan maatregelen die ervoor zorgen dat mensen gezond de eindstreep kunnen halen.

Tegen deze achtergrond zijn in het pensioenakkoord1 afspraken gemaakt om meer maatwerk mogelijk te maken in het arbeidsvoorwaardelijk pensioen. Allereerst is afgesproken dat mensen meer keuzevrijheid krijgen bij de aanwending van hun pensioen, door mogelijk te maken dat zij een beperkt deel van het pensioenvermogen kunnen opnemen als een bedrag ineens (hoofdstuk 2). Voorts is afgesproken mensen meer keuzemogelijkheden te bieden om eerder te kunnen stoppen met werken. Het betreft allereerst de tijdelijke facilitering van de mogelijkheid om in sectoren en ondernemingen uittredingsregelingen te financieren waarmee werknemers de mogelijkheid krijgen om drie jaar voor de AOW-leeftijd te stoppen met werken. Dit wordt gedaan door een versoepeling van de pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding (RVU-heffing) (hoofdstuk 3). Daarnaast is afgesproken dat er meer fiscale ruimte wordt geboden om verlof op te sparen, mede om vervroegd uittreden mogelijk te maken (hoofdstuk 4).

Dit wetsvoorstel strekt tot uitwerking van de voornoemde maatregelen. Hiertoe worden verschillende wijzigingen voorgesteld van de Pensioenwet (PW), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).

2. Introductie keuzerecht bedrag ineens

2.1. Aanleiding

De PW en de Wvb kennen een aantal keuzemogelijkheden ten aanzien van het pensioen, waaronder de mogelijkheid tot uitruil van verschillende soorten pensioen, het vervroegen of uitstellen van de pensioeningangsdatum en het zogenoemde hoog-laagpensioen.2 Daarnaast is op grond van veel pensioenregelingen deeltijdpensioen mogelijk. Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van deze keuzemogelijkheden de afgelopen jaren is toegenomen.3

Hoewel er reeds verschillende keuzemogelijkheden bestaan, blijkt uit onderzoek van het Centraal Planbureau dat deelnemers4 en pensioengerechtigden in Nederland minder keuzevrijheid hebben dan in andere landen.5 Zo is Nederland een van de weinige landen waarin het pensioen in de regel volledig wordt uitgekeerd in de vorm van een levenslange annuïteit. Uit diverse enquêtes blijkt dat ook in Nederland deelnemers en pensioengerechtigden interesse hebben in een uitbreiding van de bestaande keuzemogelijkheden met de mogelijkheid om een deel van het pensioenvermogen als een bedrag ineens op te nemen.6

De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseert in het advies «Naar een nieuw pensioenstelsel» om mensen meer keuzevrijheid te geven ten aanzien van hun pensioen.7 De SER stelt aanvullend voor om het in alle contracten mogelijk te maken om een beperkt lumpsum bedrag ineens op te nemen op de pensioeningangsdatum (van maximaal 10 procent), als specifieke invulling van het hoog-laagpensioen. Dit keuzerecht is onderdeel van het akkoord dat het kabinet en sociale partners hebben gesloten over de vernieuwing van het stelsel van arbeidsvoorwaardelijke pensioenen.8

Ook in het regeerakkoord is de afspraak opgenomen om meer ruimte te bieden voor keuzevrijheid in het pensioenstelstel en te onderzoeken of en hoe het in het vernieuwde stelsel mogelijk is om bij pensionering een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als bedrag ineens. Hiermee is voortgebouwd op de verkennende analyse van het vorige kabinet over de mogelijkheid om de keuzevrijheid van deelnemers en pensioengerechtigden uit te breiden, zoals opgenomen in de «Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel».9

De afgelopen periode is nader bezien of, en zo ja, hoe het mogelijk kan worden gemaakt om bij pensionering een deel van het pensioenvermogen als bedrag ineens op te nemen. Geconcludeerd is dat het faciliteren van de mogelijkheid tot het opnemen van een bedrag ineens (onder bepaalde voorwaarden) mogelijk is.10 In dit wetsvoorstel wordt dit onderdeel uit het pensioenakkoord uitgewerkt.

Concreet wordt voorgesteld om voor deelnemers de mogelijkheid te introduceren om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als bedrag ineens op te nemen. Beoogd uitgangspunt is dat dit keuzerecht ook gaat gelden voor een zogenoemd bevroren pensioen in eigen beheer en het nettopensioen. Daarnaast wordt voorgesteld een soortgelijk keuzerecht te introduceren voor oudedagsvoorzieningen die zijn opgebouwd in de derde pijler11, alsmede de nettolijfrente.

2.2. Doel van het keuzerecht

Met de introductie van een nieuw keuzerecht wordt beoogd deelnemers bij de start van de uitkeringsfase meer flexibiliteit te bieden in de aanwending van hun pensioenvermogen. Meer flexibiliteit kan de welvaart van deelnemers vergroten, doordat het pensioen beter kan worden afgestemd op de persoonlijke leefsituatie en bestedingsbehoefte.12 Het opnemen van een bedrag ineens op de pensioeningangsdatum kan aantrekkelijk zijn als deelnemers meer nut denken te ontlenen aan het vermogen kort na pensionering dan in de jaren daarna, bijvoorbeeld voor de aflossing van schulden (zoals een hypotheek), reizen, zorgvoorzieningen of de verbouwing van de eigen woning. Het moment dat het bedrag ineens kan worden opgenomen – de pensioeningangsdatum – sluit over het algemeen goed aan bij het uitgavenpatroon van pensioengerechtigden. Uit onderzoek blijkt dat pensioengerechtigden in de beginjaren van hun pensionering hogere uitgaven hebben dan in de jaren daarna.13

De introductie van dit keuzerecht leidt tot een vergroting van de regie die deelnemers over hun pensioen hebben. Dit kan de betrokkenheid van deelnemers bij het pensioenstelsel – en meer specifiek hun eigen pensioensituatie – vergroten.

2.3. De uitwerking van het keuzerecht

2.3.1. Afkoop

Door het opnemen van een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als een bedrag ineens, verliest dit deel de pensioenbestemming. Het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd, kwalificeert daarmee als afkoop.14 Afkoop is slechts in een limitatief aantal in de wet omschreven gevallen mogelijk. Om gedeeltelijke afkoop op de pensioeningangsdatum mogelijk te maken, wordt voorgesteld wettelijk vast te leggen dat het is toegestaan om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen.15

De mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen ziet op ouderdomspensioen.16 Voor andere vormen van pensioen, zoals nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen, wordt geen wijziging voorgesteld. Het recht op afkoop betreft uitsluitend 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen op pensioeningangsdatum. Daarbij kan het ouderdomspensioen zijn opgebouwd in een uitkeringsovereenkomst, kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst. Bij die laatste twee overeenkomsten betreft het dan het kapitaal dat is opgebouwd voor ouderdomspensioen.

2.3.2. Recht van de deelnemer

De mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen wordt als recht aan een deelnemer toegekend. Daarmee wordt voorkomen dat deelnemers niet over kunnen gaan tot gedeeltelijke afkoop, omdat bijvoorbeeld een pensioenuitvoerder de mogelijkheid niet aanbiedt. Dat brengt met zich dat een pensioenuitvoerder op verzoek van de deelnemer – indien voldaan is aan de voorwaarden (zie paragraaf 2.3.4) – verplicht is om tot de gedeeltelijke afkoop over te gaan. Hiermee wordt gerealiseerd dat alle deelnemers gebruik kunnen maken van dit keuzerecht.

Het keuzerecht kan niet worden ingeperkt door bijvoorbeeld pensioenuitvoerder, sociale partners of medezeggenschapsorganen door het stellen van nadere voorwaarden in een pensioenregeling of cao. Elk beding in strijd met de regeling voor afkoop van een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen is nietig.

2.3.3. Geen verplicht bestedingsdoel

Er wordt geen verplicht bestedingsdoel voorgesteld voor het bedrag dat wordt opgenomen. Een dergelijke verplichting wordt om meerdere redenen niet wenselijk geacht. Allereerst kan per persoon verschillen wat gezien de persoonlijke omstandigheden een nuttig bestedingsdoel is. Het wordt niet wenselijk geacht dit wettelijk te normeren. Ervaringen uit andere landen leren dat de meeste deelnemers die bij pensionering een bedrag ineens opnemen dit bedrag gebruiken om schulden af te lossen (zoals een hypotheek), een huis te kopen of te verbouwen, een auto te kopen of op reis te gaan.17 Daarnaast leidt het stellen van een dergelijke voorwaarde tot een flinke toename in de regeldruk, omdat er toezicht moet worden gehouden op de besteding van het bedrag en in de praktijk discussie kan ontstaan of er sprake is van een kwalificerend bestedingsdoel.

2.3.4. Voorwaarden

Het wordt wel wenselijk geacht enkele voorwaarden aan het keuzerecht te verbinden. Het stellen van voorwaarden is van belang om zoveel mogelijk te waarborgen dat (1) deelnemers bij opname van een bedrag ineens worden beschermd tegen een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering en (2) de solidariteit binnen pensioenfondsen zo min mogelijk onder druk komt te staan. Concreet worden de volgende voorwaarden voorgesteld:

Voorwaarde 1: maximumpercentage van 10%

Voorgesteld wordt als voorwaarde op te nemen dat de afkoop maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen mag betreffen. In geval van een kapitaal- of premieovereenkomst betekent dit dat maximaal 10% van het kapitaal dat bestemd is voor ouderdomspensioen mag worden afgekocht. Wanneer sprake is van opbouw van ouderdomspensioen bij meerdere pensioenuitvoerders, wordt het maximaal op te nemen pensioenkapitaal van 10% bepaald per pensioenuitvoerder.

Bij het vaststellen van het maximumpercentage is getracht een balans te vinden tussen (1) het zoveel mogelijk waarborgen dat na opname van het bedrag ineens de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering voldoende is om de levensstandaard vast te houden en (2) de wens tot keuzevrijheid met betrekking tot het pensioen. Daarnaast is het van belang om het risico te beperken dat door het afkopen van een te groot deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen een (extra) beroep op overheidsvoorzieningen moet worden gedaan.

Een maximumpercentage van 10% wordt passend geacht om deze doelen te bereiken. Over het algemeen kan hiermee een bedrag ineens worden opgenomen dat hoog genoeg is om aan verschillende consumptiebehoeften bij te dragen. Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek dat bij een maximumpercentage van 10% het risico op een te grote inkomensachteruitgang beperkt is. Een maximumpercentage van 10% is voorts in overeenstemming met het advies «Naar een nieuw pensioenstelsel» van de SER.

Het percentage van 10% is de voorgestelde wettelijke maximumgrens. Een deelnemer kan de pensioenuitvoerder ook verzoeken om tot afkoop van een lager percentage van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen over te gaan. Een pensioenuitvoerder is in dat geval verplicht om tot de gedeeltelijke afkoop van het percentage naar keuze over te gaan. Het is dus niet toegestaan het keuzerecht zodanig vorm te geven dat enkel een paar vaste percentages of een «default» percentage kan worden afgekocht. Er dient voor deelnemers alle vrijheid te zijn om binnen het maximum van 10% eigen keuzes te maken, bijvoorbeeld voor een specifiek bedrag (voor zover dit past binnen 10%) of een lager percentage dan 10%.

Voorwaarde 2: datum afkoop

Als tweede voorwaarde wordt voorgesteld dat de gedeeltelijke afkoop op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen dient plaats te vinden. Dit betekent dat het bedrag ineens in beginsel slechts op één moment, bij het ingaan van de uitkeringsfase, tot uitbetaling kan komen (met uitzondering van de situatie van deeltijdpensioen, zie hieronder) en dat de gedeeltelijke afkoop niet is toegestaan tijdens de opbouwfase en gedurende de uitkeringsfase. Hiermee wordt gewaarborgd dat de solidariteit binnen een pensioenfonds zo min mogelijk onder druk komt te staan, doordat op deze wijze selectie-effecten (met name in verband met gezondheid) worden beperkt.

De voornoemde voorwaarde is ook ingegeven vanuit de gedachte dat deelnemers vaak pas rondom de pensioeningangsdatum de gehele financiële situatie na pensionering kunnen overzien. Daarnaast zorgt deze voorwaarde ervoor dat tijdens de opbouwfase geen beleggingsrendementen worden misgelopen, hetgeen wel het geval zou zijn als gedeeltelijke afkoop ook tijdens de opbouwfase zou worden toegestaan. Door de gedeeltelijke afkoop plaats te laten vinden op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, blijft het vermogen bovendien zoveel mogelijk behouden als oudedagsvoorziening.

Bij de afwegingen over het tijdstip van afkoop is meegewogen dat een bedrag ineens tijdens de werkende fase van het leven mogelijk kan bijdragen aan welvaartswinst («consumption smoothing»). In de Perspectiefnota toekomst pensioenstelsel is echter geconcludeerd dat deze keuzemogelijkheid weinig bijdraagt voor met name jongeren. Pas op latere leeftijd zou de keuzemogelijkheid – logischerwijs vooral bij hogere inkomens – wel tot welvaartswinst kunnen leiden. Dan wordt echter het risico op selectie-effecten weer groter. Hierna is figuur 1 uit de perspectiefnota opgenomen18, die de bruto afkoopwaarde toont gedurende de levensloop in verschillende scenario’s (verschillende percentages afkoop en inkomen).19 De figuur illustreert dat de bruto afkoopwaarde zeer afhankelijk is van het inkomensniveau en de mate waarin afkoop mogelijk wordt gemaakt.

Met de voorwaarde dat de afkoop moet plaatsvinden op pensioeningangsdatum wordt niet beoogd een verplichte volgorde van keuzemogelijkheden voor te schrijven. Net als bij andere keuzemogelijkheden geldt ook in geval van de gedeeltelijke afkoop dat het vaststellen van de keuzevolgorde een bevoegdheid is van de pensioenuitvoerder. Een pensioenuitvoerder kan zelf bepalen of de gedeeltelijke afkoop van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen plaatsvindt vóór of na het eventueel toepassen van andere keuzemogelijkheden, zoals uitruil.

Figuur 1: Bruto afkoopwaarde toont gedurende de levensloop in verschillende scenario’s

Figuur 1: Bruto afkoopwaarde toont gedurende de levensloop in verschillende scenario’s

Voorwaarde 3: geen stapeling met hoog-laagpensioen

Op grond van de PW en Wvb is het toegestaan om een deelnemer in de pensioenovereenkomst of pensioenregeling de mogelijkheid te bieden om de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren.20 In de praktijk wordt hier veelal invulling aan gegeven door middel van het zogenoemde hoog-laagpensioen. Deze keuzemogelijkheid houdt in dat de pensioenuitkering bijvoorbeeld in de eerste jaren na pensionering hoger is dan in de jaren daarna. Dit is toegestaan, mits de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de hoogste uitkering en de mate van variatie uiterlijk op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen wordt vastgesteld.

Als derde voorwaarde wordt voorgesteld dat ingeval de pensioenovereenkomst of pensioenregeling de mogelijkheid van een hoog-laagpensioen biedt, de deelnemer alleen gebruik mag maken van de gedeeltelijke afkoop als er geen gebruik wordt gemaakt van het hoog-laagpensioen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een deelnemer een te groot gedeelte van het ouderdomspensioen naar voren haalt en daarmee een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering heeft. Indien het combineren van het hoog-laagpensioen met een gedeeltelijke afkoop toegestaan zou zijn, zou dit kunnen leiden tot een ondermijning van de beschermingsgedachte achter de voorwaarden die aan deze keuzemogelijkheden zijn verbonden. Zowel de voorwaarde dat een deelnemer maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen mag afkopen als de voorwaarde dat de laagste uitkering bij gebruik van het hoog-laagpensioen niet minder mag bedragen dan 75% van de hoogste uitkering, is ingegeven vanuit de gedachte dat het wenselijk is deelnemers te beschermen tegen een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering. Als beide keuzemogelijkheden gecombineerd zouden mogen worden, leidt dit tot een lagere levenslange periodieke pensioenuitkering dan in de situatie dat slechts één van de keuzemogelijkheden zou worden toegepast. Dat wordt onwenselijk geacht.

Net zoals bij de vorige voorwaarde wordt met deze voorwaarde eveneens gewaarborgd dat de solidariteit binnen een pensioenfonds zo min mogelijk onder druk komt te staan, doordat selectie-effecten worden beperkt.

Daarnaast brengt het uitsluiten van deze combinatie met zich dat een pensioenuitvoerder gerichter kan informeren over de keuzemogelijkheden en de daarmee samenhangende gevolgen voor de deelnemer beter inzichtelijk kan maken. De mogelijkheid om de gedeeltelijke afkoop en het hoog-laagpensioen te combineren, kan immers tot complexiteit in de informatieverstrekking leiden. Ook is de verwachting dat de administratieve lasten van pensioenuitvoerders stijgen naarmate de stapeling van keuzemogelijkheden door deelnemers toeneemt. Door het uitsluiten van de combinatie van gedeeltelijke afkoop en het hoog-laagpensioen worden de administratieve lasten beperkt, hetgeen overeenkomt met de voorwaarden uit het advies «Naar een nieuw pensioenstelsel» van de SER.21

Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat de zogenoemde AOW-overbrugging22 aangemerkt wordt als een vorm van het hoog-laagpensioen. Ook de AOW-overbrugging houdt in dat de pensioenuitkering in de eerste jaren na pensionering (in dit geval tot aan de AOW-leeftijd) hoger is dan de jaren daarna. Een deelnemer mag derhalve alleen gebruikmaken van de gedeeltelijke afkoop als er geen gebruik wordt gemaakt van een AOW-overbrugging waardoor sprake is van een hoog-laaguitkering. Een overbrugging tot de AOW-datum kan echter ook ingevuld worden zonder hoog-laagpensioenuitkering. Het naar voren halen van pensioen (mits geen hoog-laag) in combinatie met bijvoorbeeld spaargeld, salaris van een partner, een bedrag ineens, of eventueel de RVU-vrijgestelde vroegpensioenuitkering van de werkgever (die met voorliggend wetsvoorstel wordt gecreëerd) kan ook voor voldoende inkomen zorgen tijdens deze overbruggingsperiode. Pensioen vervroegen in combinatie met een bedrag ineens is dus wel mogelijk, mits er geen sprake is van een hoog-laagpensioenuitkering.

Voorwaarde 4: afkoopgrens

Als vierde voorwaarde wordt voorgesteld op te nemen dat de resterende levenslange pensioenuitkering na de gedeeltelijke afkoop boven de afkoopgrens van kleine pensioenen23 moet liggen. Deze voorwaarde wordt van belang geacht ter bescherming van deelnemers. Hiermee wordt voorkomen dat alle aanspraken op ouderdomspensioen de pensioenbestemming kunnen verliezen, omdat eerst gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen en vervolgens een pensioenaanspraak resteert die vanwege de beperkte omvang kan worden afgekocht. Ondanks dat het in dergelijke situaties om relatief lage maand- en jaarbedragen gaat, kan het voor deelnemers met een beperkt pensioenvermogen of beperkte pensioenvermogens verspreid over meerdere pensioenuitvoerders van grote betekenis zijn om de na gedeeltelijke afkoop resterende aanspraken op ouderdomspensioen te behouden.

Voorwaarde 5: toestemming partner

Tot slot wordt als voorwaarde voorgesteld dat een deelnemer alleen met toestemming van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen gebruik kan maken van het recht op gedeeltelijke afkoop, indien gebruikmaking hiervan leidt tot een verlaging van het partnerpensioen. Van een dergelijke verlaging kan onder meer sprake zijn als de hoogte van het partnerpensioen wordt afgeleid van de hoogte van het ouderdomspensioen. Het laten afkopen van een deel van de aanspraken op ouderdomspensioen, leidt in dat geval tevens tot een verlaging van het partnerpensioen. In deze situatie is een pensioenuitvoerder alleen verplicht om op verzoek van de deelnemer de afkoop uit te voeren, als duidelijk is dat de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit dient de pensioenuitvoerder te controleren alvorens over te gaan tot de afkoop. Deze eis strekt ter bescherming van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen. Bij het uitruilen van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen kent de wet ook al een dergelijk toestemmingsvereiste.24

Deeltijdpensioen

Indien de pensioenregeling voorziet in deeltijdpensioen en een deelnemer hiervan gebruikmaakt, gelden er verschillende pensioeningangsdata. De deelnemer heeft op de verschillende ingangsdata steeds de mogelijkheid om een deel van de waarde van het op dat moment ingaande gedeelte van het ouderdomspensioen te laten afkopen. Het gedeelte van het ouderdomspensioen dat mag worden afgekocht, is afhankelijk van het percentage waarmee een deelnemer met deeltijdpensioen gaat. Het gaat, conform het voorgestelde wettelijke kader, steeds om maximaal 10% van het op dat moment ingaande gedeelte van het ouderdomspensioen (oftewel het deel waarover geen pensioen meer wordt opgebouwd). De beoordeling of aan de voorwaarden voor de afkoop is voldaan wordt ook gedaan per deeltijdpensioen, dus op grond van het deel van de aanspraak op ouderdomspensioen dat op het moment van het deeltijdpensioen tot uitkering zal komen. De afkoop betreft dus maximaal 10% van dat deel, de afkoop geschiedt op de ingangsdatum van het deeltijdpensioen, er wordt geen gebruik gemaakt van het hoog-laagpensioen voor dat deel en na de afkoop resteert een ouderdomspensioenuitkering die meer bedraagt dan de genoemde afkoopgrens. Ook dient de partner te hebben ingestemd, indien de afkoop tot verlaging van het partnerpensioen leidt.

Ter illustratie: stel een deelnemer besluit gebruik te maken van de mogelijkheid tot deeltijdpensioen. Hij kiest als ingangsdatum van het deeltijdpensioen voor 1 januari en besluit voor 40% met pensioen te gaan. De deelnemer kan op 1 januari dan een bedrag ineens opnemen van maximaal 10% van dit gedeelte (dus van 40% van de waarde van de tot op dat moment opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen). Vervolgens kiest de deelnemer ervoor om met ingang van 1 november volledig met pensioen te gaan. De deelnemer kan op 1 november dan een bedrag ineens opnemen over het andere deel van het ouderdomspensioen (in onderhavig voorbeeld dan 60%). De deelnemer kan maximaal 10% van de waarde van de bij dat deel behorende aanspraken op ouderdomspensioen laten afkopen. Zowel op 1 januari als op 1 november voldoet de deelnemer ook aan de andere voorwaarden (waaronder geen samenloop met hoog-laagpensioen en een resterende uitkering van voldoende omvang).

Ter verduidelijking: indien de deelnemer op 1 januari slechts 8% van het op dat moment ingaande deeltijd pensioen heeft afgekocht, dan kan de resterende 2% niet worden «ingehaald» op moment dat de resterende 60% van het pensioen ingaat op 1 november. De omvang van de gedeeltelijke afkoop is op 1 november gemaximeerd op 10% van het gedeelte van het ouderdomspensioen dat op dat moment ingaat.

2.3.5. Vaststellen afkoopwaarde

Voorgesteld wordt om bij de vaststelling van de afkoopwaarde («het bedrag ineens») aan te sluiten bij de regels die ook worden gehanteerd voor de andere afkoopmogelijkheden die op grond van de PW en Wvb bestaan, zoals de afkoop van kleine pensioenen.25 Dit betekent dat de pensioenuitvoerder bij de vaststelling van de afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet moet waarborgen dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. De regels gelden voor alle soorten pensioenovereenkomsten. Enkel bij uitkeringsovereenkomsten moet de waarde van de pensioenaanspraak contant gemaakt worden. Bij premie- en kapitaalovereenkomsten geldt dat de waarde van de aanspraak overeenkomt met het beschikbare gespaarde vermogen.

Daarnaast betekent dit dat een pensioenfonds bij de vaststelling van de afkoopwaarde geen rekening houdt met de (negatieve dan wel positieve) buffer van het pensioenfonds. Hierdoor wordt voorkomen dat binnen een pensioenfonds verschillen kunnen ontstaan tussen de afkoopwaarden die deelnemers die op een verschillend moment met pensioen gaan, ontvangen, enkel vanwege een wijziging van de omvang van de buffer. De verwachting is dat het alternatief – wel rekening houden met de buffer – de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid van het keuzerecht onder druk zet. Dit mede gezien het feit dat pensioenuitvoerders al maanden voor de pensioeningangsdatum beginnen met communiceren over de keuzemogelijkheden die een deelnemer ten aanzien van zijn pensioen heeft en de omvang van de buffer tussen het eerste moment van communiceren en de pensioeningangsdatum kan variëren. Overigens volgt uit verschillende berekeningen van de Pensioenfederatie dat geen rekening houden met de buffer bij dit keuzerecht, slechts een zeer minimale impact heeft op de dekkingsgraad van een pensioenfonds. Ook als een pensioenfonds op het moment waarop het bedrag ineens wordt opgenomen een dekkingsgraad onder de 100% heeft. Zo is er bij een grijs pensioenfonds26, met een dekkingsgraad van 80%, waarbij alle deelnemers die met pensioen gaan in het rekenjaar de volledige 10% opnemen slechts sprake van een daling van de dekkingsgraad met 0,1%. In geval van een dekkingsgraad van 90% is er sprake van een daling van de dekkingsgraad van 0,05%. Bij een gemiddeld pensioenfonds, betreft de daling van de dekkingsgraad nog maar 0,06% respectievelijk 0,03%. Dit beperkte negatieve financiële effect wordt aanvaardbaar geacht, met het oog op de eenvoud, uitvoerbaarheid en betere uitlegbaarheid van de keuze om geen rekening te houden met de buffer.

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat bij het vaststellen van de afkoopwaarde uiteraard wel rekening wordt gehouden met in het verleden doorgevoerde kortingen. Op het moment dat een pensioenfonds heeft besloten om een korting door te voeren en die korting heeft verwerkt in de hoogte van de pensioenaanspraken, werkt dit door in de afkoopwaardes die vanaf dat moment worden vastgesteld. De totale waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen waarover het bedrag ineens wordt vastgesteld, is immers verlaagd.

2.3.6. Oudedagsvoorzieningen in de derde pijler

Voorgesteld wordt in de Wft op te nemen dat een aanbieder van een uitkeringsproduct de consument de mogelijkheid dient te bieden om een deel van de aanspraak op bepaalde periodieke uitkeringen (als oudedagsvoorziening) als bedrag ineens uit te laten keren. Daarbij wordt voor wat betreft de voorwaarden voor de gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens – voor zover van toepassing – aangesloten bij de voorwaarden die worden voorgesteld voor de gedeeltelijke afkoop van ouderdomspensioen in de tweede pijler. Ook voor oudedagsvoorzieningen in de derde pijler wordt voorgesteld dat maximaal 10% van de waarde van de aanspraak op de periodieke uitkeringen op de ingangsdatum van deze uitkeringen als bedrag ineens mag worden uitgekeerd. Tevens geldt de voorwaarde dat de waarde van de aanspraak op de periodieke uitkering, die na die gedeeltelijke afkoop resteert, op de ingangsdatum op jaarbasis meer dient te bedragen dan het bedrag dat geldt voor de afkoop van kleine lijfrenten.27

2.3.7. Nettopensioen en nettolijfrente

Het recht op gedeeltelijke afkoop wordt ook voorgesteld voor het nettopensioen en de nettolijfrente. Dit zijn oudedagsvoorzieningen die kunnen worden opgebouwd over het inkomen boven de zogenoemde aftoppingsgrens en waarvan de waarde is vrijgesteld voor de vermogensrendementsheffing in box 3. Voor deze voorgestelde afkoopmogelijkheid gelden dezelfde voorwaarden als voor de (bruto)pensioenen en (bruto)lijfrenten. Enige uitzondering is dat er bij de nettolijfrente geen eis gaat gelden omtrent de minimale omvang die moet resteren nadat gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot gedeeltelijke afkoop. Reden hiervoor is dat er op basis van de bestaande regels voor een aanbieder van een nettolijfrente geen mogelijkheid bestaat om deze af te kopen als het om een relatief kleine aanspraak gaat (behoudens afkoop bij arbeidsongeschiktheid). Bij een nettolijfrente blijft na een gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens het resterende deel daarom altijd in stand en wordt dat periodiek uitgekeerd.

2.3.8. Fiscale behandeling van de gedeeltelijke afkoop

Op grond van de huidige fiscale wetgeving leidt het afkopen van een deel van de waarde van een pensioenaanspraak ertoe dat de gehele aanspraak op ouderdomspensioen in de heffing wordt betrokken en is ter zake van die afkoop revisierente verschuldigd. Bij een gedeeltelijke afkoop van de waarde van een aanspraak op periodieke uitkeringen van een oudedagsvoorziening in de derde pijler wordt de aanspraak slechts in de heffing betrokken voor zover het kapitaal wordt afgekocht en is ook slechts over dat deel revisierente verschuldigd. In lijn met de voorgestelde wijzigingen van de PW, Wvb en de Wft wordt voorgesteld afkoop van ten hoogste 10% van de waarde van een ouderdomspensioen- of lijfrenteaanspraak ook fiscaal aan te merken als een toegestane vorm van afkoop. Daarmee wordt bewerkstelligd dat bij een dergelijke afkoop enkel het afgekochte deel van de aanspraak in de heffing wordt betrokken. Daarnaast geldt dat zowel bij een dergelijke afkoop van een pensioenaanspraak als bij een dergelijke afkoop van een aanspraak op periodieke uitkeringen in de derde pijler geen revisierente is verschuldigd.

2.4. Informatieverstrekking over het keuzerecht

2.4.1. Informatievoorziening pensioen tweede pijler

Om de gedeeltelijke afkoop op de pensioeningangsdatum mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat een deelnemer vóór deze datum aan de pensioenuitvoerder kenbaar heeft gemaakt van het keuzerecht gebruik te willen maken. Hiervoor is een goede informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder van belang. Dit is reeds geborgd in de huidige wet- en regelgeving. Pensioenuitvoerders hebben de verplichting om deelnemers conform de normen uit de PW en de Wvb correct, duidelijk en evenwichtig te informeren over de keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt. Daarnaast dient de informatieverstrekking tijdig te zijn.28

Zoals nu vaak ook al in de praktijk gebeurt, informeert de pensioenuitvoerder de deelnemer eerst generiek over de keuzemogelijkheden die de deelnemer heeft ten aanzien van zijn pensioen. In deze informatieverstrekking moet ook de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen af te laten kopen worden opgenomen. De pensioenuitvoerder verstrekt vervolgens – indien een deelnemer aangeeft gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot gedeeltelijke afkoop of verzoekt om meer informatie hierover – meer specifieke en persoonlijke informatie aan de deelnemer. Deze informatie dient in ieder geval de hoogte van de afkoopwaarde («het bedrag ineens»), de resterende hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering na gebruik van het keuzerecht en de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering als geen gebruik wordt gemaakt van het keuzerecht te bevatten. De pensioenuitvoerder verstrekt deze informatie op een zodanig tijdstip vóór de pensioeningangsdatum dat het voor een deelnemer mogelijk is om een weloverwogen keuze te maken over het al dan niet gebruikmaken van dit keuzerecht. De generieke en persoonlijke informatie mag, conform de huidige wet- en regelgeving, zowel schriftelijk als elektronisch worden verstrekt.29

De normen die in de PW en de Wvb worden gehanteerd geven pensioenuitvoerders de ruimte om in de informatievoorziening maatwerk aan te kunnen bieden. Pensioenuitvoerders moeten in de informatievoorziening over het keuzerecht om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen af te laten kopen zoveel mogelijk aansluiten bij de informatiebehoeften en kenmerken van de deelnemer.

Ingeval een deelnemer met een premieovereenkomst of kapitaalovereenkomst gebruikmaakt van de mogelijkheid van waardeoverdracht op de pensioeningangsdatum («pensioenshoppen») vindt de gedeeltelijke afkoop plaats bij de ontvangende pensioenuitvoerder.30 De overdragende pensioenuitvoerder moet tot aan het moment van de waardeoverdracht voldoen aan de wettelijke informatieverplichtingen. Dit betekent dat de overdragende pensioenuitvoerder de deelnemer in ieder geval (generiek) informeert over de keuzes die voorliggen op de pensioeningangsdatum, waaronder de mogelijkheid tot de gedeeltelijke afkoop. De ontvangende pensioenuitvoerder zal bij het voorleggen van de offerte voor de uitvoering van de uitkeringsfase en de daaropvolgende communicatie inzicht dienen te bieden in de keuzemogelijkheden die de pensioenuitvoerder aanbiedt. Indien een deelnemer gebruik wenst te maken van de gedeeltelijke afkoop of meer inzicht verlangt in de mogelijkheid tot gedeeltelijke afkoop, dient de pensioenuitvoerder persoonlijke informatie over dit keuzerecht te verstrekken en inzicht te bieden in de gevolgen als de deelnemer al dan niet gebruikmaakt van dit keuzerecht.

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de wettelijke informatieverplichtingen en zal derhalve ook toezicht houden op de informatieverstrekking door pensioenuitvoerders over dit keuzerecht.

De mogelijke invloed die de gedeeltelijke afkoop heeft op de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting, de inkomensafhankelijke regelingen en de verschuldigdheid van de AOW-premie is een aspect voor een deelnemer om rekening mee te houden bij de afweging om al dan niet gebruik te maken van het keuzerecht (zie hiervoor paragraaf 7.1.1.2). Op grond van de verplichting voor pensioenuitvoerders om deelnemers zorgvuldig te informeren, is het van belang dat pensioenuitvoerders in de informatievoorziening over het keuzerecht wijzen op de mogelijkheid dat het laten afkopen van een deel van de waarde van de aanspraken hierop van invloed kan zijn. Voorts zal hier in de informatievoorziening over de toeslagen op de website van de Belastingdienst aandacht aan worden besteed. Om de verwachte invloed van de gedeeltelijke afkoop op de toeslagen in kaart te brengen, kan een deelnemer gebruikmaken van verschillende rekentools op de website van de Belastingdienst.

2.4.2. Informatievoorziening oudedagsvoorziening derde pijler

Om een goede informatievoorziening in de derde pijler te garanderen, zal in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft voor aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler worden voorgeschreven dat zij informatie aan de consument dienen te verstrekken over de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraak op periodieke uitkeringen als bedrag ineens uit te laten keren. De consument dient door de aanbieder waar hij de aanspraken heeft opgebouwd geïnformeerd te worden over deze mogelijkheid. De aanbieder van het uitkeringsproduct dient de consument vervolgens te informeren over de hoogte van de gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens, de resterende hoogte van de periodieke uitkeringen na gebruik van het keuzerecht en de hoogte van de periodieke uitkeringen voor de oudedagsvoorziening als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraak als bedrag ineens uit te laten keren.

2.5. Uitgangspunten bij scheiding

Het is van belang dat in geval van een scheiding de verdelingsgerechtigde partner op pensioengebied niet wordt benadeeld doordat de verdelingsplichtige partner gebruikmaakt van het recht op gedeeltelijke afkoop dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd. In de huidige wet- en regelgeving is dit reeds voldoende gewaarborgd. Het belang is beperkt tot het pensioen, en strekt niet zover dat eventuele andere effecten, bijvoorbeeld op de inkomstenbelasting of inkomensafhankelijke regelingen, voor de ex-partner ook meegewogen moeten worden.

Voor de verdeling van pensioen bij scheiding bestaan twee verdeelmethoden, te weten verevening en conversie. Uitgangspunt bij verevening is dat de tot verevening gerechtigde partner (de ex-partner die niet zelf het ouderdomspensioen heeft opgebouwd) een voorwaardelijk recht op ouderdomspensioen krijgt, waarbij alle beslissingen van de tot verevening verplichte partner (de ex-partner die het ouderdomspensioen heeft opgebouwd) leidend zijn en de uitbetaling afhankelijk is van het leven van de tot verevening verplichte partner. Bij conversie krijgt de verdelingsgerechtigde partner een eigen aanspraak op ouderdomspensioen en kan daar zelfstandig keuzes voor maken. Op grond van het wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 is het beoogde uitgangspunt dat voor scheidingen die plaatsvinden vóór 1 januari 2022 verevening als standaard verdeelmethode geldt en voor scheidingen ná 1 januari 2022 conversie.31

Hieronder wordt voor verschillende scheidingssituaties benoemd wat de uitgangspunten zijn rondom het recht op gedeeltelijke afkoop. Hierbij is ervan uitgegaan dat de echtgenoten geen afwijkende afspraken hebben gemaakt over de pensioenverdeling. Dat betekent dat ervan uit wordt gegaan dat de pensioenopbouw gedurende de huwelijkse periode 50/50 verdeeld wordt tussen de ex-partners. Na de situatieschetsen wordt nog toegelicht hoe moet worden omgegaan met scheidingen vóór de inwerkingtreding van de Wet verdeling pensioenrechten bij scheiding (Wvps).

Situatie 1: Scheiding voor pensioeningangsdatum met als verdeelmethode verevening

In deze situatie vindt de gedeeltelijke afkoop plaats na de scheiding. Artikel 7, derde lid, Wvps bepaalt dat afkoop alleen is toegestaan indien op redelijke wijze met de pensioenbelangen van de tot verevening gerechtigde partner rekening is gehouden. Afkoop mag niet leiden tot benadeling van de tot verevening gerechtigde partner. Artikel 2, tweede lid, en artikel 3, tweede lid, Wvps bepalen dat de tot verevening gerechtigde partner recht krijgt op een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele verlagingen van het pensioen.

De verdelingsgerechtigde partner kan een recht op uitbetaling van de verevende pensioenaanspraken jegens de pensioenuitvoerder krijgen als er binnen twee jaar na de scheiding via het daarvoor opgestelde formulier32 een mededeling van scheiding aan de pensioenuitvoerder wordt gedaan. Als deze melding niet of niet tijdig is gedaan, heeft de verdelingsgerechtigde partner op grond van de wet nog steeds recht op verevening van de pensioenaanspraken, maar zal hij of zij uitbetaling hiervan zelf met de verdelingsplichtige partner moeten regelen.

Indien de tot verevening verplichte partner gebruikmaakt van het recht op gedeeltelijke afkoop, ontvangt de tot verevening gerechtigde partner derhalve een lagere maandelijkse uitkering dan in de situatie dat de tot verevening verplichte partner hier geen gebruik van zou hebben gemaakt. Om benadeling van de tot verevening gerechtigde partner te voorkomen, is vereist dat die een evenredig deel van het bedrag ineens ontvangt.33 Bij het vaststellen van dit deel wordt uitgegaan van het deel van de afkoopwaarde dat kan worden toegerekend aan de opbouw van het ouderdomspensioen tijdens de huwelijkse periode. Deze situatie wijzigt niet na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022.

Situatie 2: Scheiding na pensioeningangsdatum met als verdeelmethode verevening

In deze situatie heeft de gedeeltelijke afkoop reeds plaatsgevonden. Immers, met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de gedeeltelijke afkoop alleen op de pensioeningangsdatum kan plaatsvinden. De wijze waarop (een eventueel resterend gedeelte van) het bedrag ineens dat is uitgekeerd wordt verdeeld, is afhankelijk van het huwelijksvermogensregime dat van toepassing is en wordt met dit wetsvoorstel of het wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 niet nader geregeld. Door de gedeeltelijke afkoop is de maandelijkse pensioenuitkering van de tot verevening verplichte partner lager vastgesteld. Op grond van artikel 2, tweede lid, en artikel 3, tweede lid, Wvps heeft dit ook effect op de hoogte van de periodieke uitkering waar de tot verevening gerechtigde echtgenoot recht op heeft.

Situatie 3: Scheiding voor pensioeningangsdatum met als verdeelmethode conversie

De verdelingsgerechtigde partner en de verdelingsplichtige partner hebben allebei een eigen aanspraak op pensioen en kunnen daar zelfstandig keuzes voor maken. De verdelingsgerechtigde partner en verdelingsplichtige partner hebben allebei zelfstandig de mogelijkheid om ten aanzien van de eigen aanspraak op ouderdomspensioen op de pensioeningangsdatum al dan niet gebruik te maken van het recht op gedeeltelijke afkoop.

Situatie 4: Scheiding na pensioeningangsdatum met als verdeelmethode conversie

In deze situatie gelden feitelijk dezelfde uitgangspunten als in situatie 2. De gedeeltelijke afkoop heeft reeds plaatsgevonden en de wijze waarop (een eventueel resterend gedeelte van) het bedrag ineens dat is uitgekeerd wordt verdeeld, is afhankelijk van het huwelijksvermogensregime dat van toepassing is. Bij de conversie van de (resterende) pensioenrechten wordt rekening gehouden met het feit dat gebruik is gemaakt van het recht op gedeeltelijke afkoop.

Scheidingen vóór de Wvps

De Wvps is op 1 mei 1995 in werking getreden en geeft een invulling aan het door de Hoge Raad in het arrest Boon/Van Loon geformuleerde uitgangspunt, dat ouderdomspensioen bij scheiding in principe bij de verdeling van de gemeenschap tussen de ex-echtgenoten in aanmerking wordt genomen.34 Bij een deel van de scheidingen waar het arrest op van toepassing is, zal daadwerkelijk al een afrekening hebben plaatsgevonden. In die gevallen merkt de ex-partner niks van de opname van een bedrag ineens op pensioeningangsdatum door de verdelingsplichtige echtgenoot. Bij het deel van de scheidingen waar het arrest op van toepassing is en er een uitgestelde afrekening (voorwaardelijke uitkering vanaf pensioendatum) aan de orde is, geldt dat de ex-partner recht blijft houden op die – veelal door de rechter vastgestelde – afrekening. De uitbetaling van de voorwaardelijke uitkering zal de ex-partner zelf met de verdelingsplichtige echtgenoot moeten regelen.

In de periode voorafgaand aan 27 november 1981 (datum arrest Boon/Van Loon) werd pensioen gezien als een recht dat zodanig verknocht was aan de persoon die het pensioen had opgebouwd, dat zelfs geen verrekening mogelijk was. In de Wvps is echter een bepaling opgenomen die de Wvps van overeenkomstige toepassing verklaard op scheidingen vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd, er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren van de echtgenoten tezamen of van één van hen en aan enkele aanvullende bepalingen is voldaan.35 Daar waar de Wvps van overeenkomstige toepassing geldt, geldt ook de bepaling (artikel 7, derde lid, Wvps) over geen nadelige gevolgen voor de ex-partner bij afkoop.

3. Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

3.1. Aanleiding

Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen gezond en werkend zijn of haar pensioen kan halen. Het kabinetsbeleid blijft tegelijkertijd gericht op de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen. Onder andere het behoud van voldoende arbeidspotentieel en financieel draagvlak voor collectieve voorzieningen zijn hiervoor het motief. Daarom blijft de RVU-heffing van 52% over RVU-uitkeringen in de basis in stand. De RVU-heffing is verschuldigd over de bijdragen en premies aan en uitkeringen uit regelingen36 die (nagenoeg) uitsluitend ten doel hebben om voorafgaand aan hetzij de pensioeningangsdatum hetzij de AOW-gerechtigde leeftijd te voorzien in één of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot de pensioeningangsdatum of AOW-leeftijd of dienen tot het aanvullen van de pensioenuitkeringen in deze periode.

Het kabinet en sociale partners hebben samen geconstateerd dat, vooral mensen die bijna de AOW-leeftijd bereiken, door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd in 2015 overvallen zijn en moeite hebben om gezond werkend de AOW-leeftijd te halen. De temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging en de versoepeling van de structurele koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting bieden enig soelaas. Echter, gaat de AOW-leeftijd desondanks omhoog. De huidige oudere werknemers kunnen zich alsnog overvallen voelen door de leeftijdsverhoging en niet in staat zijn gezond werkend de AOW-leeftijd te bereiken. Dit geldt in het bijzonder voor de oudere werknemers die zwaar werk doen. Samen hebben kabinet en sociale partners een breed pakket aan afspraken gemaakt om de duurzame inzetbaarheid van alle werkenden te vergroten. Onderdeel van dit pakket is onder andere de in voorbereiding zijnde Tijdelijke subsidieregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Kabinet en sociale partners hebben bijvoorbeeld ook afgesproken dat onderzocht zal worden hoe (onregelmatigheids)toeslagen kunnen worden ingezet voor extra pensioenopbouw. Ook is afgesproken om de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting aan te passen en dat zal worden onderzocht of het mogelijk is om het moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantal dienstjaren. Daarnaast is afgesproken dat kabinet en sociale partners ervoor zorgen dat werknemers meer mogelijkheden krijgen om eerder te stoppen met werken, bijvoorbeeld door het verlofsparen uit te breiden (paragraaf 4). Onderdeel van dit pakket is het voorstel om de RVU-heffing tijdelijk te versoepelen door een vrijstelling van de heffing tot een bepaald bedrag te introduceren. In dit wetsvoorstel wordt deze tijdelijke versoepeling uitgewerkt. De tijdelijke versoepeling is noodzakelijk omdat de afspraken over duurzame inzetbaarheid voor een deel van de huidige groep oudere werkenden mogelijk onvoldoende effect zullen hebben en voor wie het moeilijk is om door te werken tot het pensioen. Een dergelijke investering kost tijd eer het tot effect leidt. Daarom wordt werkgevers voor een periode van vijf jaar de mogelijkheid geboden om aan oudere werknemers die, bijvoorbeeld vanwege de zwaarte van het werk, niet kunnen doorwerken een uitkering aan te bieden die is vrijgesteld van de RVU-heffing waarmee ze eerder kunnen uittreden.

3.2. Doel van de tijdelijke versoepeling

De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing heeft ten doel de werknemers die overvallen zijn door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd en die niet in staat zijn gezond de AOW-leeftijd te bereiken de mogelijkheid te bieden vervroegd uit te treden. De maatregelen die rondom het vergroten van duurzame inzetbaarheid zijn afgesproken in het pensioenakkoord bieden voor deze groep onvoldoende soelaas, aangezien de maatregelen pas effectief worden als deze groep bijna of al de AOW-leeftijd heeft bereikt. De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing is bedoeld om voor de korte termijn de belasting te verlagen die werkgevers verschuldigd zijn als zij hun oudere werknemers die werkend niet de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen bereiken, tegemoet willen komen.

Het uitgangspunt bij de afspraken omtrent vervroegde uittreding is wederzijdse goedkeuring. Werknemers die liever doorwerken, zouden dat moeten kunnen. De voorgestelde vrijstelling is generiek. Op deze manier wordt de ruimte geboden aan sociale partners om maatwerkafspraken te maken op sectoraal niveau of op het niveau van de individuele werkgever. Het kabinet kiest voor maatwerk op sectoraal niveau, omdat onmogelijk op centraal niveau is vast te stellen voor welke groepen werknemers deze regeling zou moeten gelden. Cao-partners op decentraal niveau zijn het best in staat dit onderscheid te maken. Zij krijgen door het generieke karakter van de vrijstelling voldoende ruimte om recht te doen aan de specifieke (werk)omstandigheden van hun sector. Het generieke karakter zou ertoe kunnen leiden dat de regeling breder wordt ingezet dan voor de bedoelde doelgroep. Aangezien de regelingen door de werkgever gefinancierd moeten worden en de werknemers in veel gevallen een deel van het eigen pensioen zal moeten inzetten om de uitkeringen aan te vullen, gaat het kabinet ervan uit dat er sprake is van voldoende «checks and balances» om dit risico te ondervangen.

In een aantal cao’s is al vooruitgelopen op deze nieuwe wettelijke mogelijkheid. Dat geeft het kabinet het vertrouwen dat met de versoepeling van de RVU wordt voorzien in een behoefte. Daarbij is bovendien door sociale partners nadrukkelijk afgewogen voor welke groepen werknemers geldt dat zij niet werkend hun AOW-leeftijd kunnen halen. Het gewenste maatwerk vindt dus nu al plaats.

De voorgestelde versoepeling van de RVU-heffing is een van de overgangsmaatregelen voor de korte termijn uit het pensioenakkoord en geldt voor een periode van vijf jaar met een uitloopperiode van drie jaar. Na die termijn zouden de afspraken omtrent duurzaamheid uit het pensioenakkoord – gericht op de langere termijn – effect moeten hebben. De beperking tot een periode van vijf jaar (met drie jaar uitloop) is ook gekozen omdat de regeling is bedoeld voor de groep werknemers die zijn overvallen door de verhoging van de AOW-leeftijd en die de AOW-leeftijd binnen enkele jaren zullen bereiken, waardoor het voor hen niet goed mogelijk is om passende maatregelen te treffen. Voor de overige werknemers geldt namelijk dat zij nog voldoende tijd hebben om maatregelen te nemen met het oog op de verhoging van de AOW-leeftijd. Bij voorkeur door te werken aan hun duurzame inzetbaarheid. Het uiteindelijke doel van de partijen die het pensioenakkoord hebben gesloten, is om zo snel mogelijk te komen tot een pakket aan maatregelen dat het werken aan duurzame inzetbaarheid structureel verankert in bedrijven en in de hoofden van werkenden.

3.3. Uitwerking van de tijdelijke versoepeling

Concreet wordt met dit wetsvoorstel beoogd mogelijk te maken dat werkgevers in de (maximaal) drie jaar vóór de AOW-leeftijd aan hun werknemers een bedrag kunnen meegeven dat na vermindering met de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen gelijk is aan het nettobedrag van de AOW-uitkering (netto-AOW), zonder dat hierover een RVU-heffing door de werkgever is verschuldigd. De hoogte van de vrijstelling wordt jaarlijks bijgesteld aan de hand van wijzigingen in de hoogte van de AOW-uitkering, zodat de hoogte van de vrijstelling feitelijk gekoppeld blijft aan de netto-AOW. Werknemers kunnen deze uitkering die ze van de werkgever ontvangen zelf aanvullen, bijvoorbeeld door het eerder laten ingaan van het ouderdomspensioen of het inzetten van spaargeld of andere vermogensbestanddelen. De koppeling van de hoogte van het bedrag aan de AOW is gekozen, omdat het bedrag dat door de werkgever wordt verstrekt in principe voldoende moet kunnen zijn voor de werknemer om in het levensonderhoud te kunnen voorzien en dat het zodoende ook een reële mogelijkheid biedt om vervroegd uit te treden. Voorts is het de bedoeling dat per werknemer in totaal maximaal een keer de vrijstelling wordt benut.

De gedeeltelijke vrijstelling van RVU-heffing (RVU-drempelvrijstelling) houdt in dat werkgevers in de jaren 2021 tot en met 2025 tot een in de wet bepaald bedrag een van RVU-heffing vrijgestelde uitkering, bijdrage of premie kunnen toekennen aan werknemers. Indien de werknemer uiterlijk in het kalenderjaar 2025 de leeftijd bereikt die ten hoogste drie jaar lager is dan de AOW-leeftijd kan de werkgever een regeling toekennen ter overbrugging van de jaren tot het bereiken van de AOW-leeftijd. In overgangsrecht wordt bepaald dat indien een RVU uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk is overeengekomen, onder voorwaarden hieruit nog uitkeringen kunnen worden gedaan in de jaren 2026, 2027 en 2028 met gebruikmaking van de drempelvrijstelling. Door deze overgangsregeling wordt een uitloopperiode gecreëerd zodat ook voor werknemers die in 2023, 2024 en 2025 aan de voorwaarden voldoen (36 maanden voor AOW-leeftijd) een regeling ter overbrugging van de periode tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd kan worden afgesproken.

Het kabinet heeft in het pensioenakkoord afspraken met sociale partners gemaakt om ervoor te zorgen dat op termijn iedereen gezond en werkend zijn of haar pensioen haalt. Het kabinet investeert bijvoorbeeld fors in duurzame inzetbaarheid (€ 1 miljard eenmalig, en € 10 miljoen per jaar structureel). De € 1 miljard is beschikbaar voor een periode vanaf 2021 tot en met 2025. Deze middelen zijn een stimulans voor duurzame inzetbaarheid en het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van de RVU-heffing. De uitwerking van deze subsidieregeling is inmiddels in gang gezet. Het kabinet zal deze regeling in samenspraak met sociale partners uitwerken.

De voorgestelde RVU-drempelvrijstelling geldt voor zover de uitkeringen plaatsvinden in de 36 maanden vóór de AOW-leeftijd. De hoogte van de vrijstelling wordt gekoppeld aan het gebruteerde bedrag van de netto AOW-uitkering voor alleenstaande personen zoals dat geldt op 1 januari van het jaar waarin de uitkering plaatsvindt. Om in een jaar het totale vrijstellingsbedrag (voor alle uitkeringen samen) te berekenen wordt bovengenoemd bedrag vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen de eerste uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd, waarbij het aantal maanden op hele maanden naar boven wordt afgerond.

Voor zover eerder wordt uitgekeerd dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd of anderszins een hoger bedrag wordt uitgekeerd dan hetgeen is vrijgesteld, wordt de regeling voor het gedeelte dat niet voldoet aan de in de wet opgenomen voorwaarden nog steeds aangemerkt als regeling voor vervroegde uittreding ter zake waarvan de werkgever de RVU-heffing is verschuldigd.37

In onderstaande voorbeelden wordt de werking van de RVU-drempelvrijstelling nader toegelicht. Omwille van de duidelijkheid wordt uitgegaan van een drempelvrijstelling van € 1.767 per maand en wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse indexering van de vrijstelling.38

Situatie 1: Eenmalige RVU-uitkering binnen de 36 maandentermijn

Jackie bereikt op 18 juni 2024 haar AOW-leeftijd. Zij ontvangt op 1 juli 2021 een eenmalige RVU-uitkering van haar werkgever. De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 35 maanden en 17 dagen. Deze periode mag op hele maanden naar boven worden afgerond, zodat 36 maanden in aanmerking worden genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 63.612 (36 maanden maal € 1.767).

Nota bene: indien de eenmalige RVU-uitkering vóór 18 juni 2021 wordt ontvangen is er geen drempelvrijstelling van toepassing, omdat de uitkering meer dan 36 maanden vóór het bereiken van de AOW-leeftijd wordt ontvangen.

Situatie 2: Eenmalige RVU-uitkering boven het vrijstellingsbedrag

Ridgeciano bereikt op 1 januari 2024 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt op 1 januari 2022 een eenmalige RVU-uitkering van zijn werkgever ter hoogte van € 57.600. De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 24 maanden. De vrijstelling bedraagt € 42.408 (24 maanden maal € 1.767). Over een bedrag van € 15.192 (de RVU-uitkering van € 57.600 minus de drempelvrijstelling van € 42.408) is de werkgever RVU-heffing verschuldigd.

Situatie 3: Periodieke RVU-uitkering binnen de 36 maandentermijn

Jens bereikt op 5 december 2024 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt vanaf 1 januari 2024 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 1.500, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 december 2024. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 11 maanden en 4 dagen. Deze periode wordt op hele maanden naar boven afgerond, zodat 12 maanden in aanmerking worden genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 21.204 (12 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maanden39) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overgeschreden. Omdat de maandelijkse RVU-uitkering ten bedrage van € 1.500 lager is dan de drempelvrijstelling van € 1.767 per maand, vallen de periodieke RVU-uitkeringen onder de drempelvrijstelling en is de werkgever geen RVU-heffing verschuldigd.

Situatie 4: Periodieke RVU-uitkeringen buiten de 36 maandentermijn

Leroy bereikt op 1 januari 2025 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt vanaf 1 januari 2021 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 1.767 per maand, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 december 2024. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 48 maanden. Over de uitkeringen die worden uitgekeerd in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 december 2021 is RVU-heffing verschuldigd, omdat deze uitkeringen meer dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd worden uitgekeerd. Vanaf 1 januari 2022 geldt de drempelvrijstelling. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering binnen de 36 maandenperiode (de RVU-uitkering die wordt ontvangen op 1 januari 2022) en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 36 maanden. De vrijstelling bedraagt hierdoor € 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maandenperiode) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overschreden.

Omdat de maandelijkse RVU-uitkering gelijk is aan de drempelvrijstelling van € 1.767 per maand, is de werkgever over de vanaf 1 januari 2022 verstrekte periodieke RVU-uitkeringen geen RVU-heffing verschuldigd.

Situatie 5: Periodieke RVU-uitkering boven het vrijstellingsbedrag

Shanice bereikt op 1 december 2023 haar AOW-leeftijd. Zij ontvangt vanaf 1 juli 2023 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 2.500 per maand, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 november 2023. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 5 maanden. De vrijstelling bedraagt € 8.835 (5 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maandenperiode) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overschreden. De eerste drie RVU-uitkeringen (1 juli, 1 augustus en 1 september) van in totaal € 7.500 overschrijden niet de drempelvrijstelling van € 8.835. Bij de betaling van de RVU-uitkering op 1 oktober wordt het bedrag van de drempelvrijstelling overschreden met € 1.165 (4 maal de maandelijkse uitkering van € 2.500 (€ 10.000) –/– drempelvrijstelling van € 8.835). Over een bedrag van € 1.165 is de werkgever in oktober RVU-heffing verschuldigd. Ook over de RVU-uitkering van 1 november is de werkgever RVU-heffing verschuldigd, omdat het drempelvrijstellingsbedrag in oktober al werd bereikt.

Situatie 6: RVU-uitkering met uitloop in 2026, 2027 en 2028

Lieke bereikt op 31 december 2028 haar AOW-leeftijd. Haar werkgever kent haar schriftelijk op 31 december 2025 een regeling toe voor vervroegde uittreding, bestaande uit 36 maandelijkse termijnen ter hoogte van € 1.767 per maand die uitgekeerd zullen worden vanaf januari 2026. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 36 maanden. De vrijstelling bedraagt € 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Vanaf januari 2026 begint de werkgever met het uitkeren van de termijnen aan Lieke, en eindigt met uitkeren in december 2028. Voor zover de uitkeringen het vrijstellingsbedrag niet overschrijden is er geen RVU-heffing verschuldigd.

Nota bene: het is ook mogelijk een eenmalige uitkering te doen of in een kortere periode dan 36 maanden uit te keren, bijvoorbeeld van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028. De vrijstelling wordt dan wel dienovereenkomstig verminderd. Er bestaat geen recht op een vrijstelling als de AOW-leeftijd na 31 december 2028 ligt. Daarnaast dient de regeling uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk te zijn toegekend aan de werknemer.

4. Uitbreiding fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

Op dit moment kunnen werknemers maximaal 50 weken fiscaal gefaciliteerd vakantieverlof en compensatieverlof opsparen. Het kabinet heeft met sociale partners afgesproken om deze fiscale grens te verhogen van 50 naar 100 weken. Dit wetsvoorstel strekt tot uitwerking van deze maatregel.

Idee is dat het opgebouwde verlof op allerlei momenten gedurende de loopbaan (gedeeltelijk) kan worden opgenomen. Dit geeft werknemers de ruimte om zelf hun duurzame inzetbaarheid te vergroten, bijvoorbeeld door het extra gespaarde verlof in te zetten om een aantal jaar voor de pensioenleeftijd minder te gaan werken of gedurende de loopbaan tijd te nemen voor omscholing of een sabbatical. Daarnaast geeft het werknemers de ruimte om eerder te stoppen met werken, met behoud van salaris.

De generieke extra ruimte die wordt geboden, kan bijvoorbeeld benut worden in sectoren waarbij in cao’s of in individuele arbeidsovereenkomsten afspraken gemaakt zijn of worden om bij overwerk, ploegendiensten of anderszins zwaar werk compensatie (deels) via extra verlofopbouw te laten plaatsvinden zonder verplichting om dit verlof op korte termijn – op straffe van verval – op te nemen. Dit sluit aan bij het gegeven dat onregelmatig werk of het werken in ploegendiensten een zwaardere belasting geeft en daardoor tot een mindere duurzame inzetbaarheid leidt.

5. Gegevensbescherming

In het kader van dit wetsvoorstel is een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd. Met behulp hiervan is gekeken naar de voorgenomen verwerking van persoonsgegevens die uit dit wetsvoorstel voortvloeit en is bezien of hier risico’s mee gepaard gaan.

5.1. Keuzerecht bedrag ineens

Voor pensioenuitvoerders brengt de introductie van een nieuw keuzerecht een beperkte extra informatieverplichting met zich. Naar huidig recht is een pensioenuitvoerder reeds verplicht een deelnemer tijdig vóór de pensioeningangsdatum te informeren over de opgebouwde pensioenaanspraken en inzicht te geven in de keuzemogelijkheden die een deelnemer heeft. Uitgangspunt wordt dat de pensioenuitvoerder de deelnemer hierbij voortaan ook moet informeren over de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken te laten afkopen en inzicht moet verschaffen in de gevolgen hiervan. Dit kan worden afgeleid uit artikel 48 PW en artikel 59 Wvb en zal worden geëxpliciteerd in artikel 7a van het Besluit uitvoering PW en Wvb. Om deze informatie te kunnen verstrekken, dienen verschillende berekeningen te worden gemaakt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen, het geslacht, de leeftijd en de pensioeningangsdatum van de deelnemer. Daarnaast dient een pensioenuitvoerder – indien de deelnemer gebruikmaakt van dit keuzerecht – op basis van de voornoemde gegevens de (definitieve) hoogte van de afkoopwaarde («het bedrag ineens») en de resterende levenslange pensioenuitkering vast te stellen.

Hiermee worden de handelingen die een pensioenuitvoerder uitvoert, zeer beperkt uitgebreid. De pensioenuitvoerder beschikt als gevolg van de introductie van het nieuwe keuzerecht bedrag ineens niet over meer persoonsgegevens dan nu het geval is. Zo zijn pensioenuitvoerders in verband met hun informatieverplichtingen op dit moment al aangesloten op de Basisregistratie Personen. Zij beschikken derhalve reeds over de adresgegevens van de deelnemer die noodzakelijk zijn om de deelnemer te informeren over het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd. Daarnaast maakt een pensioenuitvoerder op dit moment logischerwijs al gebruik van de informatie over de pensioenaanspraken van de deelnemer, het geslacht, de leeftijd en de (beoogde) pensioeningangsdatum van de deelnemer. Deze gegevens worden gebruikt om een deelnemer inzicht te verschaffen in de situatie na de pensioeningangsdatum. Het enige gevolg van dit wetsvoorstel is dat deze voortaan ook kunnen worden gebruikt om te berekenen wat de gevolgen van de gedeeltelijk afkoop (eventueel) zijn.

Deze gegevensverwerking past bij het doel waar de gegevens voor zijn verzameld, namelijk pensioenuitvoering. De verwerking is noodzakelijk om de hoogte van de afkoopwaarde en de resterende levenslange periodieke pensioenuitkering vast te stellen en de deelnemer voldoende inzicht te kunnen bieden in de gevolgen indien hij al dan niet gebruikmaakt van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen op de pensioeningangsdatum te laten afkopen. De rechten van de betrokkenen bij de privacyregelgeving worden met de introductie van een nieuw keuzerecht niet beperkt.

Voor de verwerking van persoonsgegevens door de aanbieder van een oudedagsvoorziening in de derde pijler geldt hetzelfde. De aanbieder beschikt reeds over de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd aan te bieden, zoals de waarde van de aanspraak op periodieke uitkeringen van de oudedagsvoorziening, het geslacht, de leeftijd en de (beoogde) ingangsdatum van de oudedagsvoorziening. Deze informatie heeft de aanbieder nodig om de consument te informeren over de hoogte van de gedeeltelijke afkoopwaarde en de resterende hoogte van de periodieke uitkeringen, indien de consument besluit gebruik te maken van het keuzerecht om een gedeelte van de waarde af te kopen. De gegevensverwerking past derhalve bij het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld.

5.2. Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

Vooropgesteld zij dat uit de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing geen verplichting tot het treffen van regelingen voor vervroegde uittreding volgt. Daarnaast is het ook in de huidige praktijk – nog zonder de tijdelijke versoepeling – al mogelijk om regelingen voor vervroegde uittreding af te spreken. Wel wordt extra fiscale ruimte geboden voor maatwerk in sectoren en ondernemingen met betrekking tot vervroegd uittreden. Het is afhankelijk van de vraag hoe werkgevers en werknemers afspraken rond vervroegd uittreden vormgeven, in hoeverre er sprake zal zijn van gegevensverwerking.

Voor werkgevers wijzigt er door de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing niets aan de gegevensverwerking, aangezien het nu voor hen ook al mogelijk is om regelingen voor vervroegde uittreding af te spreken. Wel wordt het aantrekkelijker om regelingen af te spreken en de verwachting is dat deze daarom ook vaker zullen voorkomen.

Het is denkbaar dat werkgevers ervoor kiezen om de uitvoering van een regeling voor vervroegde uittreding extern te beleggen. De derde waar de uitvoering van de regeling belegd wordt, heeft dan de relevante gegevens nodig om de regeling goed uit te kunnen voeren. Ook nu is het al mogelijk voor werkgevers om uitbetaling van loon (waaronder een regeling voor vervroegde uittreding) extern te beleggen. De derde zal in ieder geval moeten beschikken over de NAW-gegevens, het bankrekeningnummer en de hoogte en duur van de uitbetalingen waarop een individuele werknemer op grond van de regeling voor vervroegde uittreding recht heeft. Hiertoe zullen de werkgever en derde met inachtneming van de bestaande wet- en regelgeving een gegevensverwerkingsovereenkomst moeten sluiten.

5.3. Uitbreiding fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

Het is naar huidig recht reeds mogelijk voor werknemers om fiscaal gefaciliteerd vakantieverlof en compensatieverlof te sparen. Deze mogelijkheid wordt met dit wetsvoorstel uitgebreid. De uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van verlof levert geen verandering op in de bestaande wijze van gegevensverwerking door de werkgever en de Belastingdienst.

6. Doenvermogentoets

6.1. Rapport Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de keuzevrijheid die deelnemers ten aanzien van hun pensioen hebben te vergroten door de introductie van een nieuw keuzerecht en meer keuzemogelijkheden te bieden om eerder te stoppen met werken. Een risico dat met meer keuzevrijheid gepaard gaat, is dat het maken van een goede keuze voor deelnemers niet altijd eenvoudig is. Zo kan een keuze die gezien de situatie van de deelnemer op de korte termijn «verstandig» lijkt, op de lange termijn «onverstandig» zijn.

Onder meer de WRR doet in het rapport «Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief op redzaamheid»40 verschillende aanbevelingen rondom het thema keuzevrijheid. Deze aanbevelingen komen voort uit de constatering van de WRR dat de overheid in toenemende mate een beroep doet op de redzaamheid van mensen, terwijl de menselijke vermogens daartoe begrensd zijn. De WRR stelt dat alleen kennis en intelligentie, oftewel «denkvermogen», niet genoeg zijn om redzaam te zijn. Mensen moeten ook over «doenvermogen» beschikken. Daarmee bedoelt de WRR het in staat zijn om een plan te maken, in actie te komen, vol te houden en het (herhaaldelijk) om kunnen gaan met verleidingen en tegenslagen. De WRR concludeert dat veel mensen, zowel kwetsbare groepen als mensen met een goede opleiding en maatschappelijke positie, daar slechts beperkt toe in staat zijn. Met het oog hierop beveelt de WRR aan om bij de ontwikkeling van wetgeving en beleid uit te gaan van een realistisch beeld van de burger, de keuzedruk te reduceren en verleidingen die een groot beroep doen op de zelfcontrole van burgers te verminderen. Meer specifiek beveelt de WRR aan om zeer terughoudend te zijn met het bieden van grote keuzevrijheden op het terrein van essentiële financiële voorzieningen, waaronder pensioenvoorzieningen.

6.2. Keuzerecht bedrag ineens

Zoals in hoofdstuk 2 van deze memorie van toelichting aangegeven ziet de regering meerwaarde in de uitbreiding van de keuzevrijheid die deelnemers hebben in de aanwending van hun pensioen, omdat hiermee beter kan worden aangesloten bij de persoonlijke behoeften en wensen van deelnemers.41

Het rapport van de WRR onderschrijft evenwel het belang om het keuzerecht dat deelnemers krijgen tot gedeeltelijke afkoop, met voldoende waarborgen te omkleden. Zo kan met het stellen van voorwaarden zoveel mogelijk worden gewaarborgd dat – welke keuze de deelnemer ook maakt – eventuele negatieve gevolgen voor de deelnemer beperkt zijn. Met de verschillende voorwaarden die met dit wetsvoorstel worden voorgesteld, wordt hieraan bijgedragen. Zo wordt door een maximumpercentage in de wet op te nemen, een te grote inkomensachteruitgang voorkomen.42 Voorts is opname van het bedrag ineens alleen mogelijk op de pensioeningangsdatum, op welk moment deelnemers over het algemeen een goed inzicht hebben in de financiële situatie na pensionering. Daarnaast is het niet mogelijk om gebruik te maken van zowel het hoog-laagpensioen als het opnemen van een bedrag ineens. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een deelnemer een te groot gedeelte van het ouderdomspensioen naar voren haalt en daarmee een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering heeft. Een andere waarborg is het feit dat als een deelnemer geen keuze maakt, er geen gedeeltelijke afkoop plaatsvindt en er dus geen gevolgen zijn voor de levenslange periodieke pensioenuitkering. Een pensioenuitvoerder gaat enkel op verzoek van de deelnemer over tot de gedeeltelijke afkoop. Tot slot wordt het van belang geacht dat deelnemers door pensioenuitvoerders zo goed mogelijk worden ondersteund bij het maken van een weloverwogen beslissing over het al dan niet gebruikmaken van het keuzerecht (zie paragraaf 2.4 van deze memorie van toelichting). De AFM houdt toezicht op de informatievoorziening door pensioenuitvoerders.

6.3. Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

De keuze om al dan niet gebruik te maken van de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing en een regeling voor vervroegde uittreding aan te bieden, dient op sectoraal dan wel ondernemingsniveau te worden gemaakt. In de specifieke regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. Voor een werknemer is het voor het maken van een goede keuze onder meer van belang dat hij of zij inzicht heeft in de financiële gevolgen die het gebruikmaken van een regeling voor vervroegde uittreding heeft. Te denken valt in dit kader met name aan de gevolgen voor de inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke regelingen. Het wordt wenselijk geacht dat werkgevers werknemers in de praktijk attenderen op de mogelijke effecten hiervan.

Voorts zal hier in de informatievoorziening over de (versoepeling van de) RVU-heffing op de website van de Belastingdienst aandacht aan worden besteed. Om de verwachte invloed van een verandering van het inkomen voor de toeslagen in kaart te brengen, kan een deelnemer voorts gebruikmaken van verschillende rekentools op de website van de Belastingdienst.

6.4. Uitbreiding fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

Met betrekking tot de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof geldt dat ook hier waarborgen van belang zijn. Het is onwenselijk dat een werknemer te weinig verlof neemt tijdens zijn of haar werkzame leven, met het doel om eerder met pensioen te kunnen gaan. Dit kan leiden tot overbelasting. De belangrijkste waarborg hiervoor is opgenomen in de bestaande wet- en regelgeving rondom het wettelijk verlof. Werknemers hebben een wettelijk recht op vier keer het aantal uren dat zij per week werken en een werkgever is verplicht de werknemer in de gelegenheid te stellen deze vakantie op te nemen. Het niet opgenomen wettelijke verlof vervalt in beginsel na een half jaar na het kalenderjaar waarin het is opgebouwd. Hiermee wordt getracht te stimuleren dat werknemers voldoende verlof opnemen gedurende het jaar.

7. Financiële gevolgen

7.1. Keuzerecht bedrag ineens

7.1.1. Financiële gevolgen voor deelnemer
7.1.1.1. Verwachte hoogte bedrag ineens

Een deelnemer kan bij pensioeningang maximaal 10% van de aanspraken op ouderdomspensioen afkopen. Om te illustreren om welke bedragen het daarbij kan gaan, is hierna voor een «gemiddelde deelnemer» uitgewerkt wat de gevolgen zijn, indien een deelnemer gebruikmaakt van dit keuzerecht.

Het CBS verzamelt en publiceert jaarlijks diverse kerncijfers over pensioenaanspraken, waaronder het gemiddelde te bereiken ouderdomspensioen. Uit de meest recente Pensioenaansprakenstatistiek43 blijkt dat dit pensioen € 10.800 (bruto per jaar) bedraagt. De levenslange uitkering, dat wil zeggen het totaal van (arbeidsvoorwaardelijk) ouderdomspensioen en de AOW-uitkering, bedraagt dan circa € 1.930 euro netto per maand voor een alleenstaande AOW-gerechtigde.44 Indien de deelnemer in dit voorbeeld op de pensioeningangsdatum45 kiest voor een gedeeltelijke afkoop ter hoogte van het maximaal toegestane percentage van 10% van de aanspraak op ouderdomspensioen, dan bedraagt de hoogte van de uitkering ineens circa € 20.000 bruto. Dit is netto circa € 11.300 (eenmalig) bij pensioeningang op of na de AOW-leeftijd. Na deze gedeeltelijke afkoop wordt het (bruto) ouderdomspensioen met 10% verlaagd. Hierdoor wijzigt de maandelijkse netto levenslange uitkering vanaf de AOW-leeftijd naar € 1.860 (incl. AOW).

Opgemerkt dient te worden dat er bij bovenstaande bedragen geen rekening is gehouden met het effect op eventuele toeslagen of inkomensafhankelijke regelingen. Deze zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie van de deelnemer en worden mogelijk verlaagd of komen te vervallen in het jaar dat de gedeeltelijke afkoop plaatsvindt. Ook na het jaar waarin de eenmalige gedeeltelijke afkoop plaatsvindt, kan sprake zijn van een effect op het recht op toeslagen, indien de gedeeltelijke afkoop leidt tot (een hoger) vermogen of een lager inkomen. Tevens is er niet gekeken naar het effect op eventueel verschuldigde vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting.

7.1.1.2. Fiscale aspecten in het algemeen

Naast de eerder beschreven fiscale behandeling van de gedeeltelijke afkoop zelf (paragraaf 2.3.8 van deze memorie van toelichting), heeft een dergelijke afkoop ook effect op andere aspecten van de fiscale positie van een deelnemer.

Het laten afkopen van een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of van de in de derde pijler opgebouwde aanspraken op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen – met uitzondering van nettopensioen en nettolijfrente – verhoogt het verzamelinkomen van de deelnemer in het jaar waarin de gedeeltelijke afkoop plaatsvindt. Een hoger verzamelinkomen kan effect hebben op de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (waaronder AOW) en het recht op inkomensafhankelijke regelingen.

De afkoop kan effect hebben op de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, omdat in verband met een door de afkoop mogelijk hoger inkomen in box 1 in het betreffende jaar een hoger progressief belastingtarief in die box van toepassing kan zijn. Een hoger inkomen in box 1 zal tot een hoger verzamelinkomen46 leiden, waardoor de hoogte van de algemene heffingskorting en – indien van toepassing – ouderenkorting lager kan worden. Verder kan een hoger verzamelinkomen in het jaar van de afkoop leiden tot een verlaging of stopzetting van de toeslagen. Daar staat tegenover dat het verzamelinkomen in de jaren daarna naar verwachting juist lager wordt. In die jaren daarna kan de gedeeltelijke afkoop daarom een tegengesteld effect hebben op de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en op het recht op toeslag. De beschreven effecten passen binnen de bestaande systematiek die ook geldt voor andere eenmalige hoge uitkeringen die worden ontvangen. Afhankelijk van de aanwending van het bedrag dat door de afkoop vrijkomt en afhankelijk van de individuele inkomens- en vermogenspositie, kan dat bedrag leiden tot een hogere vermogensrendementsheffing in box 3. Indien het bedrag op de peildatum, 1 januari van de kalenderjaren na het jaar van de afkoop, deel uitmaakt van de rendementsgrondslag van box 3 en voor zover de rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen (in 2020 € 30.846, bij fiscale partners € 61.692) is belasting verschuldigd en verhoogt het inkomen in box 3 het verzamelinkomen. Deze hogere rendementsgrondslag in box 3 kan ook doorwerking hebben op het recht op inkomensafhankelijke regelingen zoals de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget. Deze regelingen kennen een vermogenstoets. Indien het vermogen hoger is dan het toegestane vermogen, dan vervalt het recht op deze toeslagen. Een deelnemer dient bij de keuze om wel of geen gebruik te maken van de gedeeltelijke afkoop de eventuele gevolgen voor toeslagen mee te nemen in de afweging.

Bij het laten afkopen van een deel van de waarde van aanspraken op een nettopensioen of een nettolijfrente kan afhankelijk van de besteding van het afgekochte bedrag het forfaitaire rendement over dat bedrag vanaf de peildatum47 deel uitmaken van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en daarmee het verzamelinkomen verhogen.

7.1.1.3. Gevolgen voor inkomensafhankelijke regelingen

De afkoop kan naast de fiscale aspecten invloed hebben op het recht op inkomensafhankelijke socialezekerheidsuitkeringen.

Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten

Indien een deelnemer vóór de AOW-datum gebruikmaakt van het keuzerecht om een bedrag ineens op te nemen, valt hierbij te denken aan de gevolgen voor de hoogte van partnertoeslag AOW en een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In beide gevallen wordt gekeken naar het maandelijkse inkomen en geen rekening gehouden met het vermogen. De afkoopsom («bedrag ineens») wordt, net als de pensioenuitkering, gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid. De afkoopsom wordt geacht te zijn bestemd voor de periode ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en herleid tot een inkomen per maand. Dit wordt in mindering gebracht op de partnertoeslag AOW of Anw-uitkering totdat het recht op de partnertoeslag AOW of Anw-uitkering afloopt, en uiterlijk tot de AOW-datum.

In het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten is vastgelegd dat de afkoopwaarde van een klein pensioen niet tot het inkomen wordt gerekend bij het vaststellen van het recht op de partnertoeslag AOW en Anw-uitkering. Deze uitzondering hangt samen met het karakter van de afkoop van een klein pensioen. Het initiatief hiervoor ligt immers bij de pensioenuitvoerder. Een dergelijke uitzondering is voor het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd niet voorzien, gelet op het vrijwillige karakter van de gedeeltelijke afkoop. Daarnaast geldt dat bij de gedeeltelijke afkoop het ouderdomspensioen direct ingaat. Deze periodieke levenslange pensioenuitkering heeft ook gevolgen voor het recht op en de hoogte van de socialezekerheidsuitkeringen, zoals de partnertoeslag AOW en Anw-uitkering. De partnertoeslag AOW of Anw-uitkering wordt immers dan maandelijks verrekend met de periodieke pensioenuitkering. Het kan dan ook veelal onverstandig zijn om in een uitkeringssituatie het ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Een deelnemer zal derhalve ook deze gevolgen bij de afweging om vóór de AOW-datum het ouderdomspensioen in te laten gaan en gebruik te maken van de gedeeltelijke afkoop mee moeten nemen.

Participatiewet

Voorts kan de gedeeltelijke afkoop effect hebben op het recht op een bijstandsuitkering of aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Indien een deelnemer die recht heeft op een bijstandsuitkering uit eigener beweging de ingangsdatum van het pensioen vervroegt of heeft vervroegd en gebruikmaakt van het keuzerecht om een bedrag ineens op te nemen dan wordt – conform de Participatiewet – met deze middelen rekening gehouden bij de berekening van het eventuele recht op (voortzetting van de) bijstand. Voor de volledigheid dient opgemerkt te worden dat in de Participatiewet is bepaald dat géén recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.48 In dit kader is het van belang dat onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening niet wordt verstaan het op verzoek van het college van burgemeester en wethouders doen van een aanvraag tot vervroeging van de ingangsdatum van een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 1 PW of artikel 1 Wvb (tweede pijler pensioen). Dit is van toepassing zolang de belanghebbende nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.49 Omdat de gedeeltelijke afkoop direct is gekoppeld aan de ingangsdatum van het periodieke ouderdomspensioen, valt de aanvraag voor de gedeeltelijke afkoop impliciet ook onder deze bepaling. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders belanghebbende niet kan verplichten om het ouderdomspensioen gedeeltelijk af te kopen. Dit geldt -onder aanvullende voorwaarden- ook voor lijfrente in de derde pijler.50

Voor AOW-gerechtigden bestaat mogelijk recht op een AIO-aanvulling. Een AIO-aanvulling vult het inkomen van een AOW-gerechtigde aan tot het sociaal minimum en is van belang voor mensen die geen volledige AOW hebben «opgebouwd», omdat ze niet altijd in Nederland hebben gewoond of gewerkt en voor ouderen met een jongere partner, indien het gezinsinkomen lager is dan het sociaal minimum. Indien een deelnemer recht heeft op een AIO-aanvulling, wordt de afkoopsom op basis van vaste jurisprudentie gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid. De afkoopsom wordt geacht te zijn bestemd voor de periode ná het bereiken van de AOW-leeftijd en herleid tot een inkomen per maand. De afkoopsom heeft invloed op de hoogte van de AIO-aanvulling, omdat de AIO-aanvulling wordt vastgesteld op het verschil tussen de bijstandsnorm en de inkomsten van een persoon en tot die inkomsten tevens een evenredig gedeelte van de afkoopsom wordt gerekend. Kortom, bij de vaststelling van de hoogte van de AIO-aanvulling wordt rekening gehouden met het hogere ouderdomspensioen dat degene in latere jaren zou hebben ontvangen als deze niet gebruik had gemaakt van het keuzerecht.

De beschreven effecten op de bijstandsuitkering en AIO-aanvulling passen binnen de bestaande systematiek die ook geldt voor andere vormen van afkoop, zoals de afkoop van kleine pensioenen. Overwogen is om bij de vaststelling van de AIO-aanvulling de afkoopsom niet tot het inkomen dan wel vermogen van de AIO-gerechtigde te rekenen. Echter gelet op het vrijwillige karakter van de gedeeltelijke afkoop en de afbreuk die een dergelijke uitzondering maakt op het vangnetprincipe van de Participatiewet wordt dit niet wenselijk bevonden. Gezien de mogelijke gevolgen van gedeeltelijke afkoop is het daarom van belang dat een deelnemer goed wordt geïnformeerd over het keuzerecht en gewezen wordt op deze mogelijke gevolgen. Hiervoor wordt aangesloten bij de informatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders op basis van de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast wordt in lagere regelgeving aandacht besteed aan de informatieverstrekking vanuit pensioenuitvoerders over de gedeeltelijke afkoop.

7.1.2. Budgettaire gevolgen voor overheid

De invoering van het keuzerecht leidt tot een hogere belasting- en premieheffing doordat het ineens uitgekeerde bedrag onder omstandigheden tegen een hoger progressief belastingtarief in box 1 belast wordt dan wanneer het geleidelijk als pensioen uitgekeerd zou worden en doordat over een (klein) deel van het afkoopbedrag box 3-heffing verschuldigd zal zijn. Deze hogere belasting- en premieheffing is een structureel effect. Daarnaast treedt een verschuiving in de tijd op: pensioeninkomen wordt naar voren gehaald waardoor de belastingclaim eerder wordt geïnd. Ten slotte treedt er tijdelijk een derving op doordat een (naar verwachting zeer klein) deel van de deelnemers zal emigreren om het afkoopbedrag in het buitenland tegen een gunstig tarief te laten uitkeren. Door de beperking van de pensioenopbouw in de afgelopen jaren (met name de aftoppingsgrens), waardoor het op termijn niet lonend zal zijn om vanwege deze reden te emigreren, zal dit effect structureel gezien verwaarloosbaar zijn. De derving vindt derhalve met name in de aankomende jaren plaats.

Vanwege de verschuiving van belastinginkomsten over de tijd wordt de netto contante waarde van de opbrengst van de maatregel bepaald en omgerekend naar een constante vlakke reeks. Dit is het lastenrelevante effect van de maatregel. In onderstaande tabel is dit weergegeven.

Tabel 1: Bedrag ineens: budgettair effect lasten (mln. euro)
 

2022

2023

2024

Struc.

Maximumopnamebedrag 10%

23

23

23

23

De gedeeltelijke afkoop kan ook effecten hebben op de uitgaven aan inkomens- en vermogensafhankelijke toeslagen, zoals de huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en zorgtoeslag. In het jaar van de afkoop leidt een hoger verzamelinkomen tot een verlaging of stopzetting van de toeslagen. In de jaren daarna wordt het verzamelinkomen naar verwachting juist lager, echter wordt het vermogen mogelijk wel hoger. De gedeeltelijke afkoop heeft ook in jaren daarna een effect op de hoogte en het recht van de toeslag. Naast het feit dat de kans dat iemand met recht op toeslag hiervoor kiest klein is als de betrokkene een afweging maakt inclusief doorwerking op toeslagen, vanwege de negatieve effecten op de ontvangen toeslag, is het effect op de toeslag zelf intertemporeel. Op basis daarvan wordt verondersteld dat de financiële gevolgen voor de uitgaven aan de huurtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en zorgtoeslag gering zijn. In aanvulling hierop geldt voor het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag dat de verwachting is dat mensen die gebruik maken van de gedeeltelijke afkoop geen kinderen meer in de relevante leeftijd hebben.

7.1.3. Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van de belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in het kader van de invoering van het keuzerecht zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Tabel 2: Uitvoeringskosten invoering keuzerecht (bedragen x € 1 miljoen)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Struc.

Uitvoeringskosten belastingdienst

0,42

0,53

0,53

0,41

0,41

0,41

Uitvoeringskosten SVB

 

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

Totaal

0,42

0,55

0,55

0,43

0,43

0,43

7.2. Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

7.2.1 Budgettaire gevolgen voor de overheid

De versoepeling van de RVU-heffing leidt er naar verwachting toe dat de komende jaren jaarlijks circa tienduizend mensen vervroegd uittreden. Een deel van deze mensen zal naar verwachting aanspraak maken op een WW-uitkering, omdat zij voldoen aan de voorwaarden dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid en zij tevens beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. De bewijslast voor deze voorwaarden ligt voor een belangrijk deel bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Bij ontslag met wederzijds goedvinden, waarbij werknemer en werkgever alle afspraken over het ontslag schriftelijk vastleggen in een vaststellingsovereenkomst (ook wel beëindigingsovereenkomst genoemd), is doorgaans geen sprake van verwijtbare werkloosheid. Ook een werknemer die gebruikmaakt van de RVU-drempelvrijstelling omdat deze een zwaar beroep had maar wel voor een lichter beroep beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt, kan voldoen aan de voorwaarden van de WW.

De hierboven beschreven voorwaarden en wijze van toekenning van de WW, brengen het risico met zich dat de WW op een oneigenlijke manier wordt gebruikt om vervroegd uittreden te financieren. Dit kan leiden tot meer vervroegde uittreding dan het kabinet wenselijk acht. Er worden diverse maatregelen genomen om de arbeidsmarkteffecten en collectieve afwenteling van vervroegde uittreding (via oneigenlijk beroep op de WW) zo veel mogelijk te voorkomen. Een van de maatregelen is dat werkgevers die RVU-uitkeringen verstrekken aan een werknemer, dit aangeven in de loonaangifteketen. Daardoor zijn RVU-uitkeringen op persoonsniveau te herkennen. De gegevens uit de loonaangifte kunnen dan worden gebruikt door handhavers van UWV om te toetsen of WW-gerechtigden die ook een RVU ontvangen voldoen aan alle WW-voorwaarden, zoals beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Hiermee worden onrechtmatige WW-uitkeringen zoveel mogelijk beperkt. De gegevens uit de loonaangifteketen worden tevens gebruikt als monitoringsinstrument om te kijken hoe het gebruik van de WW binnen de RVU-groep zich verhoudt tot de geraamde effecten. Verder zal UWV ten behoeve van de monitoring een overzicht bijhouden van cao’s waarin afspraken over RVU’s zijn gemaakt. Een andere maatregel bestaat uit het maken van (bestuurlijke) afspraken met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Een van de afspraken is dat regelingen voor vervroegd uittreden vrijwillig zijn en samenloop met WW niet gewenst is. Daarnaast wordt bevorderd dat regelingen voor vervroegd uittreden zoveel mogelijk de vorm krijgen van maandelijkse uitkeringen (in plaats van het bedrag voor de hele looptijd ineens), zodat die verrekend kunnen worden met de WW. Dit wordt tevens opgenomen in de handreiking voor cao’s die sociale partners opstellen. Via de hiervoor genoemde beheersmaatregelen wordt zoveel mogelijk bevorderd dat RVU’s door de werkgever gefinancierd worden en de werknemers in veel gevallen een deel van het eigen pensioen inzetten om de uitkeringen aan te vullen. Hiermee verwacht het kabinet dat de arbeidsmarkteffecten, en daarmee de budgettaire effecten, voldoende worden ingeperkt.

Rekening houdend met bovengenoemde beheersmaatregelen, wordt de toename van de WW-uitkeringslasten geraamd op cumulatief € 205 miljoen. Daarmee samenhangend nemen ook de TW- en IOW-uitkeringslasten toe. Onderstaande tabel geeft het budgettaire effect weer per regeling.

Tabel 3: Budgettaire effecten SZW-uitgaven per regeling (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

cumulatief

WW

15

36

41

41

41

26

5

0

205

IOW

0

0

2

2

2

2

2

0

10

TW

1

2

3

3

3

2

1

0

15

Totaal uitkeringslasten

16

38

45

46

46

30

8

1

230

X Noot
1

Bedragen zijn in prijspeil 2019.

De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing leidt daarnaast aan de inkomstenkant van de begroting enerzijds tot een derving van de RVU-opbrengst doordat een deel van de grondslag vrijgesteld wordt. Anderzijds zal er meer gebruik worden gemaakt van uittredingsregelingen waarbij waarschijnlijk ook grotere bedragen dan de vrijstelling uitgekeerd zullen worden, aangezien het goedkoper wordt voor de werkgever een uittredingsregeling aan te bieden. De inschatting is dat deze effecten elkaar per saldo opheffen.

7.2.2 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van de belastingdienst en het UWV in het kader van de versoepeling van de RVU-heffing zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Tabel 4: Uitvoeringskosten versoepeling RVU-heffing (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Belastingdienst

 

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

UWV

0,6

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

Totaal

0,6

4,3

4,3

4,3

4,3

4,3

X Noot
1

Als gevolg van aanpassing van de overgangsregeling in het wetsvoorstel na het advies van de Raad van State heeft de Belastingdienst aangegeven aanvullend te zullen toetsen op uitvoerbaarheid. De uitkomst van deze aanvullende uitvoeringstoets is nog niet bekend. Bedragen in deze tabel kunnen mogelijk nog wijzigen als gevolg van de aanpassingen in de uitvoeringstoets door de Belastingdienst.

7.3. Uitbreiding fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

7.3.1 Budgettaire gevolgen voor de overheid

De uitbreiding van de mogelijkheid tot verlofsparen betekent dat bij een deel van de vroegpensioenregelingen de RVU-heffing kan worden vermeden. De maatregel leidt daardoor tot een derving van de RVU-heffing. Er is geen effect op andere belastinginkomsten, aangezien het betaalde verlof op dezelfde manier belast blijft worden. Omdat naar verwachting het verlof eerst opgespaard moet worden, is er sprake van een ingroeitraject.

Tabel 5: Uitbreiding verlofsparen: budgettair effect lasten (mln. euro) (-/- betekent minder inkomsten)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Struc.

Uitbreiding verlofsparen

– 3

– 7

– 10

– 14

– 17

– 21

– 24

– 28

– 28

7.3.2 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van de belastingdienst in het kader van de uitbreiding verlofsparen is weergegeven in onderstaande tabel:

Tabel 6: Uitvoeringskosten uitbreiding verlofsparen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Struc.

Uitvoeringskosten belastingdienst

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

8. Regeldruk

Dit wetsvoorstel heeft regeldrukeffecten voor bedrijven en burgers. Deze bestaan uit kennisnamekosten, inhoudelijke nalevingskosten en administratieve lasten. In de navolgende paragrafen worden deze effecten per maatregel toegelicht.51

8.1. Keuzerecht bedrag ineens

8.1.1. Gevolgen voor bedrijven

De introductie van het keuzerecht voor deelnemers om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen, leidt tot een stijging van de regeldruk voor pensioenuitvoerders. Deze stijging wordt veroorzaakt door de noodzaak om bestaande administratiesystemen aan te passen, het pensioenreglement aan te passen en deelnemers te informeren over dit keuzerecht.

Eenmalig

De regeldrukkosten die gepaard gaan met het aanpassen van de administratiesystemen bij pensioenuitvoerders zijn incidenteel van aard en worden geraamd op € 1,8 miljoen voor de totale sector.52 Daarnaast dient dit keuzerecht opgenomen te worden in het pensioenreglement. In de regel zal de benodigde aanpassing van het pensioenreglement mee kunnen lopen in een periodieke reglementsaanpassing. De additionele kosten hiervoor zijn verwaarloosbaar.

De introductie van het keuzerecht leidt daarnaast tot een uitbreiding van de informatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders (zie ook paragraaf 2.4.1). Dit leidt tot een stijging van de regeldrukkosten. Zo moet de (generieke) brief waarmee deelnemers rondom de pensioeningangsdatum worden geïnformeerd over hun keuzemogelijkheden, worden uitgebreid met het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd.

Deze kosten worden geraamd op € 1,8 miljoen voor de totale sector.53 Daarnaast dient het keuzerecht op de website van de pensioenuitvoerder te worden opgenomen. Hiervoor worden de kosten geraamd op € 0,6 miljoen voor de gehele sector.54

Jaarlijks

De structurele regeldrukkosten per jaar worden voor de totale sector geschat op ruim € 7,7 miljoen. Hierbij is uitgegaan dat 10% van het aantal personen dat in een jaar met pensioen gaat, gebruikmaakt van het keuzerecht (= 20.000 personen)55.

De structurele regeldrukkosten houden verband met de volgende handelingen:

  • De pensioenuitvoerder moet – indien een deelnemer hierom verzoekt – specifieke en persoonlijke informatie aan de deelnemer verstrekken over het keuzerecht. De kosten hiervoor worden geraamd op € 780.000 voor de totale sector.56

  • De pensioenuitvoerder dient cijfermatig inzicht te verschaffen in de gevolgen als een deelnemer al dan niet gebruik maakt van het keuzerecht. Dit betreft in ieder geval de hoogte van de afkoopwaarde, de resterende hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering na gebruik van dit keuzerecht en de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering als geen gebruik wordt gemaakt van het keuzerecht. De kosten hiervoor worden geraamd op € 6,5 miljoen voor de totale sector.57

  • De aanvullende (persoonlijke) informatie – zoals de uitkomsten van de extra berekeningen – moet de pensioenuitvoerder delen met de deelnemer. Deze kosten worden geraamd op € 390.000 voor de totale sector.58

  • Indien een deelnemer gebruikmaakt van het keuzerecht, leidt dit tot een extra betaling. Het bedrag ineens wordt uitgekeerd op de pensioeningangsdatum. Deze kosten worden geraamd op € 26.000 voor de totale sector.59

Bovenstaande bedragen hebben specifiek betrekking op de introductie van het keuzerecht in de tweede pijler. Aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler krijgen te maken met een soortgelijke toename van de regeldruk, doordat zij hun deelnemers moeten informeren en berekeningen uit moeten voeren. De kosten worden geraamd op € 0,75 miljoen voor de aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler.

8.1.2. Gevolgen voor de burger

De inschatting is dat er jaarlijks 200.000 mensen met pensioen gaan. Deze deelnemers worden rondom de pensioeningangsdatum naar verwachting allemaal door middel van een generieke brief geïnformeerd over het keuzerecht om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen. De kosten die gepaard gaan met het kennisnemen van de informatie over het keuzerecht in de brief, worden geraamd op € 750.000 voor de gehele groep.60 Zoals gezegd is de aanname dat 10% van het aantal personen dat in een jaar met pensioen gaat, gebruikmaakt van het keuzerecht. Voor deze groep geldt een aanvullende regeldruk, in verband met het kennisnemen van de meer specifieke informatie over dit keuzerecht (zoals de berekeningen gemaakt door de pensioenuitvoerder). De kosten hiervan worden geschat op € 250.000 voor de gehele groep.61

8.2. Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

Ten behoeve van de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing wordt bestaande wet- en regelgeving gewijzigd. Werkgevers kunnen, in overleg met werknemers, door deze tijdelijke versoepeling makkelijker besluiten tot het instellen van regelingen voor vervroegde uittreding.

De versoepeling van de RVU-heffing leidt naar verwachting tot een toename van het aantal regelingen voor vervroegde uittreding. Dit is evenwel geen gedwongen gevolg van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel biedt werkgevers en werknemers louter tijdelijk meer ruimte dan de huidige wetgeving.

In de praktijk zullen sociale partners als gevolg van dit wetsvoorstel naar verwachting bij bestaande overleggen, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van cao’s, aanvullende afspraken maken over vervroegde uittreding. Dit leidt naar verwachting tot een beperkte toename van het overleg tussen sociale partners op decentraal niveau. Bestaande onderhandelingen over cao’s zullen mogelijk langer duren. Als sociale partners op decentraal niveau afspraken hebben gemaakt, kan dat op het niveau van de individuele werkgever leiden tot extra vragen van werknemers. De toename van de regeldruk is hierbij in grote mate afhankelijk van de afspraken die op decentraal niveau gemaakt worden, bijvoorbeeld voor wat betreft de voorwaarden die gesteld worden. Hoe meer voorwaarden worden gesteld, hoe meer regeldruk dit met zich brengt. Het is aan sociale partners om hier een goede balans in te vinden.

Eenmalig

Nederland kent ongeveer 400.000 werkgevers (bedrijven met meer dan één werknemer). Zij zullen tijd nodig hebben om kennis te nemen van deze wijziging in regelgeving. Geschat wordt dat de kosten om kennis te nemen grofweg € 4,0 miljoen bedragen. Werkgevers die een regeling voor vervroegde uittreding willen aanbieden, zullen daarvoor wijzigingen moeten aanbrengen in hun systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om salarisadministratie. Ook zullen er werknemers zijn met vragen over de financiële gevolgen van een eventuele keuze om vervroegd uit te treden. Dit leidt tot extra regeldruk voor werkgevers. Logischerwijs zal deze druk bij werkgevers met relatief veel werknemers die tot de mogelijke doelgroep behoren hoger zijn dan bij werkgevers met relatief weinig werknemers uit de mogelijke doelgroep.

Jaarlijks

De kosten om de regelgeving na te leven zijn afhankelijk van hoeveel gebruik er gemaakt zal worden van de extra ruimte die dit wetsvoorstel biedt. Op dit moment wordt uitgegaan van in totaal 10.000 werknemers die eerder uittreden per jaar. Voor elke werknemer die eerder uittreedt, moeten berekeningen gemaakt worden, salarisbetalingen worden omgezet in RVU-uitbetalingen en er moeten ook concrete afspraken gemaakt worden met de betreffende werknemer. Geschat wordt dat dit totaal ongeveer € 600.000 aan kosten op jaarbasis oplevert voor de periode 2021–2025.

8.3. Uitbreiding fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

Ook voor de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof geldt dat dit voor sociale partners naar verwachting aanleiding zal zijn om (nieuwe) afspraken te maken. Dit leidt naar verwachting tot een beperkte toename van overleg tussen sociale partners op decentraal niveau. Bestaande onderhandelingen over cao’s zullen mogelijk langer duren.

Als sociale partners op decentraal niveau afspraken hebben gemaakt, kan dat op het niveau van de individuele werkgever leiden tot extra vragen van werknemers. Nederland kent ongeveer 400.000 werkgevers (bedrijven met meer dan één werknemer). Zij zullen tijd nodig hebben om kennis te nemen van de wijziging in de regelgeving rondom het verlofsparen. Geschat wordt dat de kosten om kennis te nemen grofweg € 4,0 miljoen bedragen. Ook zullen werkgevers hun systemen moeten (laten) aanpassen in verband met de verruiming van de fiscale grens voor verlofsparen. De kosten hiervoor zijn beperkt, en afhankelijk van de door de werkgever gebruikte systemen. Er zijn voor wat betreft de regeldruk voor verlof sparen geen jaarlijkse kosten, aangezien het sparen van verlof ook nu al mogelijk is.

8.4. Toets Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft advies uitgebracht over de regeldrukeffecten van het wetsvoorstel. Het ATR heeft dit gedaan op basis van een toetsingskader, waarin aandacht wordt besteed aan de nuloptie, minder belastende alternatieven, de uitvoeringswijze en de gevolgen voor de regeldruk. Het ATR heeft geen opmerkingen over de in beeld gebrachte regeldrukgevolgen van het wetsvoorstel.

Voor elk van de drie onderdelen van het wetsvoorstel heeft het ATR ook advies uitgebracht voor wat betreft de overige onderdelen van het toetsingskader.

8.4.1 Bedrag ineens

Ten eerste adviseert het ATR om – gelet op de voornemens uit het pensioenakkoord om over te stappen op premieregelingen en om het pensioenstelsel robuuster en persoonlijker te maken – te onderzoeken onder welke voorwaarden een combinatie van de uitkering ineens met het hoog-laagpensioen kan worden toegestaan. In het pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over een nieuw pensioencontract. Een belangrijk element van het nieuwe pensioencontract is de collectiviteit en collectieve risicodeling. Ook in geval van een pensioencontract met persoonlijke pensioenvermogens wordt het langlevenrisico gedeeld. Het grote verschil met nu is dat de «pot en de aanspraken meebewegen met de economie». Het blijft echter een solidair stelsel, met eigen aanspraken ten opzichte van elkaar en binnen een collectieve pot. Bij alle pensioencontracten – dus ook die uit het pensioenakkoord – geldt dat een combinatie van beide keuzemogelijkheden ten koste kan gaan van de solidariteit in het collectief in verband met optredende selectie-effecten. Daarnaast is – ter bescherming van de deelnemer – een belangrijke reden om de combinatie niet toe te staan het voorkomen van een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering.

Het ATR adviseert om de datumeis voor de 10%-uitkering ineens te verruimen tot een jaar na de pensioeningangsdatum. Het ATR stelt dat deelnemers vaak rondom de pensioeningangsdatum niet hun gehele financiële situatie kunnen overzien, daarom kan de eis tot uitkering op die datum voor sommigen te vroeg komen. Echter, een goede informatievoorziening moet «het niet kunnen overzien van de financiële situatie» voorkomen. Daarnaast wordt met de in dit wetsvoorstel opgenomen voorwaarden geborgd dat de solidariteit binnen een pensioenfonds zo min mogelijk onder druk komt te staan. Immers, door dit keuzerecht alleen bij pensioeningangsdatum aan te bieden, worden selectie-effecten beperkt. Ook zou de opname van een bedrag ineens na de pensioeningangsdatum – wanneer de pensioenuitkering derhalve reeds is ingegaan – moeten leiden tot herrekening van de pensioenuitkering, hetgeen extra complexiteit en administratieve lasten voor pensioenuitvoerder met zich brengt.

8.4.2 Tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing

Het ATR adviseert om de leeftijdsgrens voor de RVU terug te zetten op 65 jaar in plaats van de tijdelijke versoepeling maximaal 3 jaar voor de AOW-leeftijd. Echter, een permanente versoepeling is meer ingrijpend dan de in dit wetsvoorstel voorgestelde tijdelijke versoepeling. Dat is ook het geval als deze permanente versoepeling vanaf een vaste leeftijd van 65 jaar geldt. Zeker in combinatie met de vergrijzing zou een uitzondering voor de RVU-heffing vanaf een vaste leeftijd van 65 jaar de betaalbaarheid van de sociale voorzieningen onder druk zetten. Stijgende arbeidsparticipatie, ook boven de 65 jaar, zorgt immers voor een betere verhouding tussen werkenden en niet-werkenden. Dat is ook een van de beoogde doelen van de verhoging van de AOW-leeftijd.

9. Internetconsultatie62

Tijdens de internetconsultatie zijn in totaal 104 reacties geplaatst. Daarvan zijn 89 reacties openbaar en te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/wetbedragineens. De meeste reacties zagen op de introductie van het keuzerecht bedrag ineens. Daarna volgde de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing. Tot slot is een beperkt aantal reacties ontvangen op de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof.

Opmerkingen en suggesties die geen betrekking hebben op het wetsvoorstel zijn buiten beschouwing gelaten. Opmerkingen die zien op het opstellen van lagere regelgeving zullen bij de uitwerking hiervan worden betrokken.

9.1 Keuzerecht bedrag ineens

In de internetconsultatie zijn zowel vragen gesteld als suggesties tot wijziging van het voorstel gedaan. De algemene toelichting is op onderdelen aangevuld om te voorzien in een antwoord op de gestelde vragen. Hierna wordt per deelonderwerp gereageerd op de reacties.

Afkoop

Naar aanleiding van reacties van pensioenuitvoerders en vertegenwoordigers van pensioenuitvoerders is in de memorie van toelichting verduidelijkt dat het recht op gedeeltelijke afkoop alleen ziet op pensioen dat kwalificeert als ouderdomspensioen. Het wetsvoorstel biedt derhalve geen ruimte om voor bepaalde soorten ouderdomspensioen het keuzerecht bedrag ineens niet aan te bieden. Daarnaast is verduidelijkt dat een gedeeltelijke afkoop alleen betrekking heeft op ouderdomspensioen, en niet op andere soorten pensioen zoals arbeidsongeschiktheidspensioen en nabestaandenpensioen.

Indien er aanspraken op ouderdomspensioen zijn opgebouwd bij verschillende uitvoerders, dan kan per aanspraak gebruik worden gemaakt van de gedeeltelijke afkoop. Doordat de pensioenuitvoerder de gedeeltelijke afkoop niet mag weigeren (indien voldaan is aan de voorwaarden) kan de deelnemer bij al zijn pensioenuitvoerders 10% afkopen. Op die manier heeft hij de beschikking over 10% van zijn totale pensioenvermogen.

Recht van de deelnemer

De mogelijkheid om op pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen af te laten kopen, is een wettelijk recht. Dit is een andere vormgeving dan bij een aantal andere keuzemogelijkheden op pensioeningangsdatum, zoals het hoog-laagpensioen of het vervroegen of uitstellen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. Van deze keuzemogelijkheden kan alleen gebruik worden gemaakt indien de pensioenregeling hierin voorziet. In de pensioenregeling kunnen bovendien nadere voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de keuzemogelijkheden of voor een bepaalde vormgeving van de keuzemogelijkheden worden gekozen.

Diverse reacties op de internetconsultatie zagen op de wens om nadere voorwaarden te kunnen stellen aan afkoop (zoals het inperken van de keuze tot een paar vaste afkooppercentages, handelingsvrijheid voor een pensioenuitvoerder om bij een ouderdomspensioen net boven de afkoopgrens alsnog gedeeltelijke afkoop toe te staan of om bepaalde voorwaarden aan het recht op gedeeltelijke afkoop te stellen bij deeltijdpensioen). De variëteit aan keuzemogelijkheden zouden een eenvoudige administratie bemoeilijken. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat dergelijke inperkingen van het keuzerecht niet zijn toegestaan. In het voorstel wordt geregeld dat alle deelnemers (mits voldaan aan de wettelijke voorwaarden) gebruik kunnen maken van dit keuzerecht en dat voor iedereen een maximum van 10% geldt. Pensioenuitvoerders en sociale partners hebben dus ook niet de vrijheid om in een pensioenregeling een default percentage te hanteren.

Voorwaarde 1: maximumpercentage van 10%

In een aantal reacties is aangegeven dat het maximumpercentage van 10% te laag te wordt geacht. In paragraaf 2.3.4 is bij de toelichting van deze voorwaarde nader aangegeven waarom gekozen is voor een maximum van 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen.

In het wetsvoorstel en deze memorie van toelichting is verder verduidelijkt dat de gedeeltelijke afkoop uitsluitend mag plaatsvinden over 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen. Een aantal reacties uit de adviespraktijk en van de pensioenkoepels op de internetconsultatie opperen om het – in geval van een premie- en kapitaalovereenkomst – mogelijk te maken dat maximaal 10% van het totale kapitaal kan worden afgekocht. Echter, ook in geval van een premie- en kapitaalovereenkomst mag een deelnemer maximaal 10% van het (kapitaal dat bestemd is voor) ouderdomspensioen (eventueel na het doorvoeren van keuzemogelijkheden) afkopen. Volgens sommige reacties is hierover onduidelijkheid ontstaan, omdat in het wetsvoorstel is opgenomen dat een partner moet instemmen met de gedeeltelijke afkoop indien de hoogte van het partnerpensioen daardoor wordt verlaagd. In de praktijk bestaat er een verscheidenheid aan regelingen voor partnerpensioen. Stel dat in de pensioenregeling een verplichte verhouding ouderdomspensioen/partnerpensioen is vastgelegd, dan is instemming van de partner nodig voor de gedeeltelijke afkoop. Immers, een stukje van het partnerpensioen zal moeten worden uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen om zo de verplichte verhouding te kunnen behouden. Op voorhand is niet uit te sluiten dat de gedeeltelijke afkoop van ouderdomspensioen mogelijk van invloed is op de hoogte van het partnerpensioen ten opzichte van de situatie dat er geen sprake zou zijn van een gedeeltelijke afkoop. De pensioenuitvoerder dient deze beoordeling steeds per individueel geval te maken.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in het geval het partnerpensioen is uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen, voorafgaand aan de gedeeltelijke afkoop, de gedeeltelijke afkoop plaatsvindt over de (totale) waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen na uitruil. Immers, het partnerpensioen is na uitruil ouderdomspensioen geworden. De instemming van de partner hoeft in een dergelijk geval enkel voor de uitruil te worden gegeven en niet voor de gedeeltelijke afkoop.

Voorwaarde 2: datum afkoop

In een aantal reacties van onder meer vakprofessionals is voorgesteld om het moment van gedeeltelijke afkoop, met name om fiscale redenen, flexibel te maken (bijvoorbeeld door de daadwerkelijke uitbetaling pas na pensioeningang te laten plaatsvinden om zodoende een gunstiger fiscale behandeling te krijgen) en gedeeltelijke afkoop tevens mogelijk te maken tijdens de opbouwfase. In paragraaf 2.3.4 van deze memorie van toelichting is nader toegelicht waarom gekozen is om de gedeeltelijke afkoop uitsluitend op de pensioeningangsdatum mogelijk te maken. Naast de redenen genoemd in paragraaf 2.4.3, geldt vanuit het bestaande fiscale stelsel dat een gedeeltelijke afkoop van de aanspraak op het moment van opname als ontvangen wordt beschouwd, omdat de gerechtigde op dat moment over het geldbedrag kan beschikken. Op dat moment is dan ook de belastingheffing verschuldigd, het uitstellen van de uitbetaling wijzigt daaraan niets.

In een reactie op de internetconsultatie is gevraagd wettelijk vast te leggen dat de kosten die met de gedeeltelijke afkoop gepaard gaan ten laste komen van de pensioenuitvoerder. In lijn met andere afkoopbepalingen wordt in het wetsvoorstel geen wettelijke bepaling opgenomen over het in rekening brengen van kosten voor de gedeeltelijke afkoop.

Volgorde keuzemogelijkheden

In de memorie van toelichting is naar aanleiding van een aantal reacties van pensioenuitvoerders en van adviesbureaus verduidelijkt dat er geen wettelijke voorschriften zijn voor de volgorde van de keuzemogelijkheden op de pensioeningangsdatum. Dit betekent dat een pensioenuitvoerder zelf kan bepalen of de gedeeltelijke afkoop van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen plaatsvindt vóór of na het eventueel toepassen van andere keuzemogelijkheden, zoals uitruil.

Voorwaarde 3: geen stapeling met hoog-laagpensioen

In de reacties is als suggestie geopperd om een combinatie van het hoog-laagpensioen en de gedeeltelijke afkoop toe te staan, met als ondergrens bijvoorbeeld de 75% van het hoog-laagpensioen. In het pensioenakkoord is afgesproken dat de gedeeltelijke afkoop als specifieke invulling van het hoog-laagpensioen zal worden vormgegeven, hetgeen betekent dat het keuzerecht binnen het hoog-laagpensioen zou moeten worden vormgegeven. Een stapeling van beide mogelijkheden wordt daarmee uitgesloten. In het kader van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid neemt de complexiteit van gedeeltelijke afkoop toe als een dergelijke ondergrens wordt gehanteerd of als de gedeeltelijke afkoop als een hoog-laagpensioen wordt vormgegeven.

Door een aantal pensioenuitvoerders is gevraagd wat de gevolgen van deze voorwaarde zijn voor de combinatie gedeeltelijke afkoop en de AOW-overbrugging. In de toelichting is verduidelijkt dat een AOW-overbrugging als bedoeld in artikel 18d, derde lid, Wet LB 1964, aangemerkt wordt als een vorm van het hoog-laagpensioen. Een deelnemer kan alleen gebruikmaken van de gedeeltelijke afkoop als er geen gebruik wordt gemaakt van een AOW-overbrugging met een hoog-laag uitkering.

Voorwaarde 4: afkoopgrens

In een aantal reacties van pensioenuitvoerders en vertegenwoordigers van pensioenuitvoerders op de internetconsultatie is voorgesteld om de vierde voorwaarde zodanig vorm te geven dat ook voorafgaand aan het toepassen van de gedeeltelijke afkoop getoetst mag worden op de afkoopgrens. Dat zou betekenen dat de gedeeltelijke afkoop is toegestaan, mits de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen vóór de gedeeltelijke afkoop liggen boven de afkoopgrens van een klein pensioen. Echter, daarmee wordt niet voldaan aan het doel van deze voorwaarde, zoals beschreven in paragraaf 2.3.4 van deze memorie van toelichting. Indien een toets voorafgaand aan de gedeeltelijke afkoop plaatsvindt, zou het mogelijk worden dat een ouderdomspensioen dat in eerste instantie boven de afkoopgrens van artikel 66 van de Pensioenwet ligt, in twee stappen (eerst 10% afkoop, dan volledige afkoop klein pensioen) alsnog volledig af te kopen. Vanuit de beschermingsgedachte wordt dit als onwenselijk beschouwd.

Deeltijdpensioen

Vanuit de advocatuur en door pensioenuitvoerders en vakbonden is gevraagd te verduidelijken hoe met de afkoop van het bedrag ineens wordt omgegaan bij deeltijdpensioen. Daartoe is in paragraaf 2.3.4 verduidelijkt dat bij deeltijdpensioen zowel de afkoop als de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om recht te hebben op deze afkoop, steeds geheel worden beoordeeld aan de hand van het deel van de aanspraak op ouderdomspensioen dat op het moment van het deeltijdpensioen in zou gaan.

Vaststellen afkoopwaarde

Bij de internetconsultatie zijn door DNB, adviesbureaus, vertegenwoordigers van pensioenuitvoerders en pensioenuitvoerders zelf, een aantal vragen gesteld over de wijze waarop de afkoopwaarde wordt vastgesteld. Het keuzerecht is gekwalificeerd als een vorm van afkoop. Dit betekent dat, in lijn met de overige afkoopmogelijkheden die op grond van de PW en Wvb reeds bestaan, er geen sprake is van opschorting (zoals bij individuele waardeoverdracht van toepassing is) van de gedeeltelijke afkoop wanneer het pensioenfonds zich in een slechte financiële positie bevindt. Ook hoeft een pensioenfonds bij de vaststelling van de hoogte van de afkoopwaarde geen rekening te houden met de buffer van het pensioenfonds. Berekeningen van de Pensioenfederatie laten zien dat de impact hiervan op de dekkingsgraad zeer gering is. Verdere onderbouwing van deze keuze is reeds opgenomen in paragraaf 2.3.5 van deze memorie van toelichting.

Informatieverstrekking over het keuzerecht

In een aantal reacties op de internetconsultatie van onder meer de AFM, werkgeversorganisaties en vakbonden is aandacht gevraagd voor een adequate informatieverstrekking rondom het keuzerecht bedrag ineens. Voor de informatieverstrekking over het keuzerecht vanuit de pensioenuitvoerder wordt aangesloten bij de huidige wet- en regelgeving. Op grond van de PW en de Wvb63 worden algemene eisen gesteld aan de verplichte en overige informatie die door de pensioenuitvoerder wordt verstrekt. De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt dient correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig te zijn. Dit zijn open normen, die door de pensioenuitvoerder zelf moeten worden ingevuld. De pensioenuitvoerder kan op die wijze de informatieverstrekking afstemmen op de eigen doelgroepen. De AFM houdt toezicht op de naleving van de open normen. In lagere regelgeving zullen nadere regels met betrekking tot de informatievoorziening over de keuzemogelijkheid bedrag ineens worden opgenomen.

Ook is in internetconsultatie aandacht gevraagd voor de informatievoorziening omtrent de eventuele gevolgen van het keuzerecht bedrag ineens voor de verschuldigde inkomstenbelasting, de inkomensafhankelijke regelingen en de verschuldigdheid van de AOW-premie. De norm van «evenwichtig» kan ook betrekking hebben op informatie over risico’s. Een pensioenuitvoerder moet volgens deze norm naast positieve kenmerken ook informeren over beperkende kenmerken of voorwaarden. Het is wenselijk dat in het kader van het keuzerecht bedrag ineens expliciet wordt vastgelegd waarover de deelnemer in ieder geval moet worden geïnformeerd. Dit zal in het Besluit uitvoering PW en Wvb worden vastgelegd.

Dat betekent dat een pensioenuitvoerder de deelnemer enerzijds informeert over de hoogte van de afkoopwaarde. Anderzijds zal de pensioenuitvoerder ook moeten informeren over nadelige gevolgen, zoals de verlaging van het ouderdomspensioen en dat de gedeeltelijke afkoop van invloed kan zijn op diverse toeslagen, de verschuldigdheid van de AOW-premie, het vervallen van het recht op inkomensafhankelijke regelingen en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarbij hoeft de pensioenuitvoerder niet alle mogelijke gevolgen voor toeslagen, belastingen of sociale zekerheidsuitkeringen op te sommen, zolang in de informatie duidelijk wordt aangegeven waar en hoe de deelnemer aan nadere informatie kan komen.64 Eenzelfde informatieverplichting zal gaan gelden voor aanbieders van derde pijlerproducten, zoals lijfrenteverzekeringen.

In een reactie op de internetconsultatie is gevraagd om een termijn voor te schrijven waarbinnen pensioenuitvoerders informatie dienen te verstrekken over het keuzerecht bedrag ineens en waarbinnen een deelnemer zijn/haar keuze kenbaar dient te hebben gemaakt. Voor beide vragen geldt dat ook hierbij wordt aangesloten bij de algemene normen uit de PW en de Wvb, in dit geval bij de open norm van tijdigheid. Tijdig betekent dat de deelnemer voldoende tijd moet hebben om een weloverwogen besluit te kunnen nemen.

De pensioenuitvoerders dienen met de verstrekte informatie de deelnemer inzicht te bieden in zowel de keuzemogelijkheden als de voor- en nadelen verbonden aan deze keuzemogelijkheden.65 Daarbij is het van belang dat de pensioenuitvoerder de deelnemer handelingsperspectief biedt, door de deelnemer goed te informeren wat de deelnemer kan doen.66

Voorts is naar aanleiding van een aantal reacties in de toelichting verduidelijkt dat niet wordt voorgeschreven op welke wijze pensioenuitvoerders moeten informeren, elektronisch of schriftelijk. Ook hierbij geldt dat aangesloten wordt bij de huidige wet- en regelgeving.67

In reactie op de internetconsultatie is vanuit werkgevershoek, het Verbond van Verzekeraars en de branchevereniging voor onafhankelijke adviesbureaus opgemerkt dat de informatieverstrekking over het keuzerecht om een bedrag ineens te laten uitkeren in de derde pijler gelijk zou moeten zijn aan de informatieverstrekking in de tweede pijler. In de tweede pijler is onderscheid gemaakt tussen de algemene informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder over de verschillende keuzemogelijkheden en meer specifieke en persoonlijke informatie aan de deelnemer. Het lijkt er volgens deze partijen op dat de aanbieder van het uitkeringsproduct in de derde pijler meteen de consument dient te informeren over de meer specifieke en persoonlijke informatie. Voorts wordt opgemerkt dat niet duidelijk is hoe ver de informatieverplichtingen van de uitvoerders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler gaan. In de toelichting is beschreven hoe de informatieverplichting voor een uitvoerder in de tweede- en derde pijler gelijk is getrokken (zie paragraaf 2.4.1). Zowel in de tweede pijler als in de derde pijler dient de deelnemer respectievelijk consument voor de pensioeningangsdatum dan wel ingangsdatum van de uitkering in de derde pijler in algemene zin te worden geïnformeerd over de mogelijkheid om een bedrag ineens te laten uitkeren. Vervolgens dient zowel de pensioenuitvoerder in de tweede pijler als de aanbieder van het uitkeringsproduct in de derde pijler de consument – indien de deelnemer/consument aangeeft gebruik te willen maken van het keuzerecht of meer informatie wenst te ontvangen – persoonlijke informatie te verstrekken over bijvoorbeeld de hoogte van de gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens, de resterende hoogte van de periodieke uitkeringen na gebruik van het keuzerecht en de resterende hoogte van de periodieke uitkering als er geen gebruik wordt gemaakt van een bedrag ineens. De informatieverplichtingen over het keuzerecht met betrekking tot oudedagsvoorzieningen in de derde pijler zullen worden geregeld in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. In dit besluit zal ook worden vastgelegd welke informatie door de aanbieder van het uitkeringsproduct dient te worden verstrekt. Met inachtneming van de verschillen tussen tweede pijlerpensioenproducten en derde pijlerpensioenproducten zullen de informatieverplichtingen ten aanzien van de keuzemogelijkheid gedeeltelijke afkoop zo veel als mogelijk met elkaar in lijn worden gebracht.

Voorts is in de consultatie aangegeven dat het duidelijk moet zijn dat de informatieverstrekking ten aanzien van het recht op opname van een bedrag ineens voor de oudedagvoorzieningen die zijn opgebouwd in de derde pijler door de bemiddelaar mag worden verstrekt. Voorgesteld wordt om daartoe artikel 4:20, derde lid, Wft aan te passen. Dit is echter niet nodig omdat de informatie over het recht op opname van een bedrag ineens weliswaar aan het einde van de looptijd dient te worden verstrekt maar dat dit nog gedurende de looptijd van de opbouw van de oudedagsvoorziening plaatsvindt. Hierdoor valt de informatieverstrekking onder artikel 4:20, derde lid, Wft.

Uitgangspunten bij scheiding

In de memorie van toelichting is naar aanleiding van een reactie van vakprofessionals verduidelijkt dat indien de tweejaarstermijn in geval van scheidingen wordt overschreden en de tot verevening verplichte partner gebruikmaakt van het recht op gedeeltelijke afkoop, het afkoopbedrag volledig toekomt aan de tot verevening verplichte partner. Deze moet dan een evenredig deel van het bedrag doorgeven aan de tot verevening gerechtigde partner.

Grensoverschrijdende fiscale aspecten

In de reactie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op de internetconsultatie wordt aandacht gevraagd voor de fiscale behandeling van een bedrag ineens in grensoverschrijdende situaties. In grensoverschrijdende situaties bepaalt het geldende belastingverdrag of Nederland of het verdragsland mag heffen. In beginsel valt een bedrag ineens onder het verdragsartikel dat het heffingsrecht regelt over pensioenuitkeringen. Immers, volgens Nederlands recht valt een bedrag ineens onder de pensioendefinitie. Of het bedrag ineens volgens het geldende belastingverdrag mag worden belast in het woonland (waar de ontvanger woont) of het bronland (waar het pensioen is opgebouwd) dan wel in beide landen, hangt af van de concrete formulering in het toepasselijke belastingverdrag. Daarbij is in principe de bepaling over afkoop van toepassing waarvoor doorgaans een bronstaatheffing geldt. Dit kan anders zijn als de afkoopbepaling is beperkt tot afkoop vóór pensioeningangsdatum. In dat geval wordt normaliter teruggevallen op de algemene bepaling over de verdeling van heffingsrechten voor pensioenen en andere soortgelijke beloningen. Indien de uitvoerder zekerheid wil over juiste verdragstoepassing kan de deelnemer een verdragsverklaring opvragen bij de Belastingdienst.

Daarnaast zijn vragen gesteld over de voorwaarde van het hanteren van een afkoopverbod door buitenlandse pensioenlichamen zoals dit volgt uit het besluit van 20 december 2018.68 Dit besluit zal voor zover nodig worden aangepast naar aanleiding van dit wetsvoorstel.

Oudedagsverplichting (ODV)

Meerdere reacties op de internetconsultatie, van onder meer vertegenwoordigers van pensioenuitvoerders, adviesbureaus en vakprofessionals, refereerden aan de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV) met de vraag of voor deze aanspraak ook de mogelijkheid wordt geboden om een bedrag ineens op te nemen. In het kader van het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer bestond tot uiterlijk 31 december 2019 de mogelijkheid om van de in een eigenbeheerlichaam verzekerde pensioenaanspraak het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van die aanspraak gedeeltelijk prijs te geven tot aan de fiscale balanswaarde en tevens het resterende bedrag om te zetten in een ODV. Deze mogelijkheid werd geboden als alternatief voor het bevriezen van een pensioen in eigen beheer dan wel voor de afkoop ervan.

Tijdens de gedachtewisseling met de Tweede Kamer in aanloop naar de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen69 verzocht de Kamer dat ook directeuren-grootaandeelhouders en hun eigenbeheerlichamen die niet over toereikende financiële middelen beschikten om de aanspraken af te kopen en de daarbij verschuldigde loonheffingen af te dragen in de gelegenheid zullen worden gesteld om van de problemen die zij met het pensioen in eigen beheer ondervonden af te komen70. Als een vorm van uitstel van betaling en gefaseerd kunnen afdragen van de loonheffingen is toen de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting in de wet gekomen. De term is gekozen vanuit de positie van het eigenbeheerlichaam, waar de verplichting op ligt om de resterende aanspraken aan de directeur-grootaandeelhouder uit te betalen. Bij de uitwerking is er bewust voor gekozen om de ODV niet vorm te geven als een tweedepijlerpensioen of een derdepijlerlijfrente, maar als een eigen vorm van loon uit vroegere dienstbetrekking, namelijk een aanspraak waarvan de waarde wordt uitgekeerd aan de directeur-grootaandeelhouder en – alleen bij voortijdig overlijden – aan zijn erfgenamen. Voor de ODV zijn dan ook geen keuzemogelijkheden geïntroduceerd zoals variabilisatie in de hoogte van de pensioenuitkeringen (hoog-laagpensioen) zoals dat mogelijk is voor het tweedepijlerpensioen of een tijdelijke uitkering zoals dat mogelijk is voor derdepijlerlijfrenten. Bij de vormgeving als uitstelmogelijkheid voor de verschuldigde loonheffingen past het niet om de ODV nu met dezelfde mogelijkheden te voorzien zoals die voor de tweede en de derde pijler worden voorgesteld. In tegenstelling tot een pensioen in eigen beheer dat met de waarde in het economische verkeer te boek staat, kon bij de ODV al gebruik worden gemaakt van de afwaardering naar de fiscale balanswaarde. Overigens bestaat fiscaal wel de mogelijkheid om de ODV om te zetten in een lijfrente, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht bij een professionele verzekeraar, bank of beleggingsonderneming en er daardoor een aanspraak in de derde pijler van te maken. Deze aanspraak biedt dan te zijner tijd wel de mogelijkheid om op het moment van ingaan van de uitkeringen een bedrag ineens op te nemen.

Inwerkingtredingsdatum

In een aantal reacties is door vakprofessionals, vertegenwoordigers van pensioenuitvoerders en door individuele pensioenuitvoerders gevraagd te verduidelijken wanneer deelnemers gebruik kunnen maken van het keuzerecht. Daarnaast is door een aantal partijen aandacht gevraagd voor een redelijke implementatietermijn. Voorgesteld wordt om – in verband met een redelijke implementatietermijn bij pensioenuitvoerders – een minimuminvoeringstermijn van 12 maanden te hanteren. Streven is dat alle deelnemers met een pensioeningangsdatum vanaf 1 januari 2022 gebruik kunnen maken van de gedeeltelijke afkoop. Dit betekent dat pensioenuitvoerders in de loop van 2021 al moeten informeren over het bestaan van de keuzemogelijkheid per die datum.

Overig

In een reactie op de internetconsultatie is door een vakbond gevraagd naar de situatie dat een deelnemer overlijdt ná een aanvraag tot een gedeeltelijke afkoop, maar vóór de uitkeringsdatum. In zo’n situatie gaat de afkoop niet door en vervalt de afkoopsom (als deel van het ouderdomspensioen) veelal aan het collectief, omdat de afkoopsom tot aan de uitbetaling als een aanspraak wordt aangemerkt. Dit is in lijn met de systematiek zoals die wordt gehanteerd bij afkoop klein pensioen.71

In een reactie op de internetconsultatie is door een pensioenuitvoerder ook aandacht gevraagd voor de gedeeltelijke afkoop van pensioen in relatie tot schuldenproblematiek en de mogelijkheden en bevoegdheden die curatoren en bewindvoerders hebben. De wet kent curatele, beschermingsbewind en Wsnp-bewind (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij zelf zijn belangen niet behoorlijk behartigt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik. Een curator beheert dan het vermogen van de betrokkene, zoveel mogelijk in samenspraak met de betrokkene. Als een meerderjarige zelf niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden, kan de kantonrechter (een deel van) het vermogen van de betrokkene onder bewind stellen. Een bewindvoerder beheert dan het vermogen van de betrokkene, zoveel mogelijk in samenspraak met de betrokkene.

Het gedeeltelijk afkopen van een pensioen valt niet onder handelingen die een curator of beschermingsbewindvoerder uitvoert in het kader van het beheer van het vermogen van de betrokkene. Het betreft een beschikkingshandeling waarvoor de curator of bewindvoerder in het algemeen een machtiging van de kantonrechter nodig heeft.

Een Wsnp-bewindvoerder beheert de boedel van een schuldenaar die vanwege zijn problematische schulden tot de wettelijke schuldsanering is toegelaten. Voor zover de bewindvoerder tot afkoop van een pensioen van de betrokkene wil overgaan, zal hij hiervoor toestemming nodig hebben van de betrokkene zelf of een machtiging van de rechter.72 Daarbij geldt voor alle vormen van beheer dat deze ook achteraf ter toetsing aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Daarmee wordt het risico op een – op lange termijn – onverantwoorde (gedeeltelijke) afkoop door bewindvoerders zo veel mogelijk beperkt.

9.2 RVU

In de internetconsultatie heeft de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs aangegeven dat niet is ingegaan op de vraag wanneer een regeling kwalificeert als een RVU en of hier nog wijzigingen zijn ten opzichte van bestaand beleid. Er zijn wat betreft de kwalificatievraag geen wijzigingen beoogd ten opzichte van het bestaande beleid. De wettekst is op dit punt dan ook niet aangepast. De vrijstelling van RVU-heffing is slechts aan de orde in die gevallen waarin een regeling kwalificeert als een RVU.

Ook vraagt de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs welke eisen worden gesteld aan fondsen en verzekeraars om een RVU te mogen uitvoeren en welke waarborgen voor adequate financiële dekking van de afgesproken RVU’s gaan gelden. Er worden ten opzichte van de huidige situatie geen andere eisen of waarborgen gesteld met betrekking tot de uitvoering van een RVU.

Voorts stelt de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs dat de RVU-vrijstelling vergelijkbaar is met de stamrechtvrijstelling. Om de vrijstelling van RVU-heffing echter maximaal te kunnen benutten geldt wel dat de uitkeringen dienen aan te vangen op zijn vroegst 36 maanden voorafgaande aan de AOW-datum en geldt een maximumbedrag dat vrijgesteld is van RVU-heffing. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan geldt de vrijstelling van RVU-heffing niet.

In de memorie is naar aanleiding van de internetconsultatie een extra voorbeeld (situatie 6) opgenomen waarin wordt verduidelijkt hoe de RVU-vrijstelling werkt in de uitloopperiode 2026 tot en met 2028.

Een aantal reacties van onder meer een werkgeversorganisatie benoemen de samenhang met andere onderdelen van het pensioenakkoord. Daarbij gaat het met name over de samenhang met de tijdelijke subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid en voor het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van RVU-heffing. Benadrukt wordt dat het voor decentrale sociale partners behulpzaam is als meer duidelijkheid is over de voorwaarden voor deze subsidieregeling, zodat sociale partners daarmee rekening kunnen houden bij het maken van afspraken. De conceptregeling is op 20 juli 2020 in internetconsultatie gegaan. De consultatie staat open tot 18 september 2020.

Ook de combinatie met het verlofsparen wordt benoemd. Zo wil onder meer de FNV graag weten of een werknemer die van zijn of haar werkgever een RVU ontvangt dit kan aanvullen met behulp van het uit laten betalen van gespaard verlof. Het gaat hierbij steeds om de vraag hoe de regeling kwalificeert. Als een werknemer met het oog op vervroegde uittreding verlof krijgt toegekend kan dit kwalificeren als een RVU. Als het echter gaat om regulier gespaard verlof kwalificeert het opnemen van dit verlof op zich niet als RVU. Stel dat alle werknemers structureel, bijvoorbeeld bij zwaar werk of onregelmatige diensten, extra bovenwettelijk verlof krijgen toebedeeld. Zij kunnen er zelf voor kiezen om dit gedurende hun carrière in te zetten of om dit op te sparen. Als een oudere werknemer, die gebruikmaakt van een regeling voor vervroegde uittreding, aan het eind van zijn of haar loopbaan dit gespaarde verlof naast de aangeboden regeling voor vervroegd uittreden laat uitbetalen dan zal dit niet kwalificeren als RVU. Het kan wel zo zijn dat het opnemen of uitbetalen van verlof als onderdeel van een regeling moet worden beschouwd en dat dat tot de conclusie leidt dat er sprake is van een regeling voor vervroegd uittreden. De STAR zal in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën, ten behoeve van het decentrale cao-overleg, een handreiking opstellen, waarin voorbeeldsituaties worden geschetst en antwoord wordt gegeven op de meest gestelde vragen. De Belastingdienst heeft hierover ook reeds V&A 12-00373 en de Handreiking RVU74 gepubliceerd.

Een aantal vragen uit de internetconsultatie, onder andere van individuele burgers en een werkgever, ziet op de vrijwilligheid van de kant van werkgevers of werknemers om enerzijds regelingen voor vervroegde uittreding aan te bieden en anderzijds om daar gebruik van te maken. De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing is generiek. Werkgevers en werknemers kunnen op decentraal of individueel niveau afspraken maken over vervroegde uittreding. Dit is nu, voor inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregel, ook al mogelijk, maar wordt aantrekkelijker omdat regelingen die voldoen aan de voorwaarden tot het drempelbedrag worden vrijgesteld van de RVU-heffing. Het is aan werkgevers en werknemers om onderling af te spreken welke werknemers in aanmerking komen en onder welke voorwaarden. Uitgangspunt daarbij is dat werknemers die willen doorwerken, en dus niet eerder willen stoppen, dat ook kunnen doen. In de internetconsultatie is ook gevraagd of door dit wetsvoorstel werkgevers kunnen worden gedwongen om regelingen voor vervroegde uittreding aan te bieden. Dat is niet het geval. Wel is het zo dat afspraken die in cao’s worden gemaakt bindend kunnen zijn voor individuele werkgevers. Het is aan sociale partners om hierover een zorgvuldige afweging te maken.

9.3 Uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof

De reacties op dit onderdeel van het wetsvoorstel gaan vooral over twee thema’s. Het eerste thema is de vraag hoe het gespaarde verlof wordt ondergebracht. Nu is het zo dat bovenwettelijk verlof administratief ondergebracht is bij de eigen werkgever.

Een eerste risico dat onder meer door individuele burgers en een adviesbureau wordt aangekaart, is de kans dat de werkgever failliet gaat. Voor werknemers die verlof hebben gespaard brengt dit met zich dat de kans bestaat dat het gespaarde verlof daarmee verloren gaat. Dat is – ook onder de huidige regeling – inderdaad een risico dat door de werknemer moet worden meegewogen bij de keuze om verlof te sparen.

Een tweede risico dat in reacties van individuele burgers aandacht kreeg is de kans dat mensen, om extra bovenwettelijk verlof te sparen, minder of geen bovenwettelijk verlof meer opnemen gedurende een aantal jaar. Daarmee zouden deze mensen het risico lopen niet genoeg rust te nemen tijdens hun werkzame leven, om zo eerder met pensioen te kunnen gaan. Dit risico wordt in de praktijk gemitigeerd, namelijk door de bestaande wettelijke regels voor het inzetten van het wettelijke verlof. Iedere werknemer heeft jaarlijks recht op viermaal het aantal uren dat hij of zij per week werkt aan verlof. Ieder jaar moeten werknemers in de gelegenheid worden gesteld het wettelijk aantal vakantiedagen te kunnen opnemen. Ook is het zo dat niet opgenomen wettelijke vakantiedagen in beginsel na een half jaar vervallen. Het is dus veelal niet mogelijk om de wettelijke vakantiedagen te «sparen». Op die manier wordt geborgd dat elke werknemer in principe jaarlijks voldoende (het wettelijke minimum) aan verlof opneemt. Het bovenwettelijke verlof is hiermee «extra». Werkgever en werknemer kunnen hier samen afspraken over maken, ook eventueel over het inzetten van een minimumaantal uren per jaar of de minimale tijd tussen werkzaamheden.

Een tweede thema waar vooral individuele burger aandacht voor vragen is de levensloopregeling. Deelname aan de levensloopregeling is sinds 1 januari 2012 niet meer mogelijk voor nieuwe deelnemers. Er geldt een overgangstermijn van 10 jaar voor bestaande deelnemers tot en met 31 december 2021. Levenslooptegoeden die op dat moment nog bestaan zullen worden belast. In 2013 en 2015 zijn fiscaal vriendelijke afkoopregelingen geweest waarbij voor een deel van het tegoed gold dat slechts 80% van het tegoed in de belastingheffing werd betrokken. Het kabinet heeft derhalve mogelijkheden gegeven voor een fiscaal vriendelijke afwikkeling van de levensloopregeling. Het is niet wenselijk de levensloopregeling in dit stadium nog aan te passen door een fiscale faciliteit te introduceren waarmee het tegoed kan worden omgezet in verlofsparen.

10. Toezicht- en uitvoeringstoetsen75

Het wetsvoorstel is voor een toezichttoets voorgelegd aan DNB, de AFM en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het wetsvoorstel is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan de Belastingdienst, de SVB en het UWV.

De toezichttoetsen van DNB, de AFM en de AP en de uitvoeringstoets van het UWV hebben geen aanleiding gegeven om het wetsvoorstel aan te passen. Naar aanleiding van de uitvoeringstoetsen van de SVB en de Belastingdienst is het wetsvoorstel aangepast en is de memorie van toelichting verduidelijkt. Hierna volgt een korte beschrijving van de belangrijkste punten uit de toezicht- en uitvoeringstoetsen en indien van toepassing met een beschrijving van de aanpassing in het wetsvoorstel of verduidelijking in de memorie van toelichting.

10.1 Toezichttoetsen

AFM

De AFM geeft in haar toezichttoets aan positief te staan tegenover het toevoegen van het keuzerecht bedrag ineens aan de reeds bestaande mogelijkheden. De waarborgen van het maximum percentage van 10% en het uitsluiten van de combinatie van het hoog-laagpensioen en bedrag ineens dragen volgens de AFM bij aan het beperken van individuele en impactvolle fouten en het behouden van een adequaat pensioen. Net zoals de AFM onderkent de regering het belang dat deelnemers goed geïnformeerd en begeleid worden bij het maken van (gestapelde) keuzes (zie paragrafen 2.4.1 en 9). Een zorgvuldig ingerichte keuzearchitectuur bij en keuzetools (biedt inzicht in de gevolgen van keuzemogelijkheden) opgesteld door een pensioenuitvoerder kan bijdragen aan deze keuzebegeleiding en wordt door de regering ook aangemoedigd. Daarnaast zal in de lagere regelgeving aandacht worden besteed aan de informatieverstrekking vanuit pensioenuitvoerders naar deelnemers toe over het keuzerecht bedrag ineens.

DNB

De toezichttoets van DNB ziet op het onderdeel bedrag ineens. In de toets vraagt DNB aandacht voor de wijze waarop de afkoopwaarde («het bedrag ineens») wordt vastgesteld. Bij het vaststellen van de afkoopwaarde wordt geen rekening gehouden met de (negatieve dan wel positieve) buffer van het pensioenfonds. DNB meent dat niet rekening houden met een negatieve buffer onevenwichtig kan zijn. Berekeningen van de Pensioenfederatie laten echter zien dat de impact van het opnemen van het bedrag ineens op de dekkingsgraad van een pensioenfonds zeer gering is, ook bij lage dekkingsgraden. Als de negatieve buffer wel wordt meegenomen in het vaststellen van de afkoopwaarde, dan zou de pensioenaanspraak van de deelnemer direct gekort worden. De impact voor de individuele deelnemer is daarmee aanzienlijk. Het rekening houden met de (negatieve dan wel positieve) buffer wordt daarom niet wenselijk en evenwichtig geacht.

AP

De AP heeft geen opmerkingen bij het voorstel.

10.2 Uitvoeringstoetsen

SVB

In de toelichting staat beschreven welke gevolgen gedeeltelijke afkoop mogelijk kan hebben voor socialezekerheidsuitkeringen als de partnertoeslag AOW of Anw- en overbruggingsuitkering. In de toelichting stond beschreven dat gedeeltelijke afkoop mogelijk tot gevolg kan hebben dat de AOW-partnertoeslag of Anw-uitkering gedurende één maand wordt verminderd of helemaal niet tot uitbetaling komt. Op basis van jurisprudentie76 heeft de SVB geconcludeerd dat het in één maand korten van de volledige afkoopsom niet mag. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in deze uitspraken dat de afkoopsom van een ouderdomspensioen in de zin van de Pensioenwet geacht moet worden bestemd te zijn voor de periode na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De toelichting is daarom op dit punt aangepast. Hierbij is aangesloten bij de wijze van verrekenen van de afkoopsom met de AIO-aanvulling. Dit betekent dat de afkoopsom wordt herleid naar een bedrag per maand, rekening houdend met de resterende levensverwachting van personen.

Belastingdienst

De Belastingdienst heeft drie uitvoeringstoetsen opgesteld voor de drie afzonderlijke onderdelen van het wetsvoorstel, te weten: bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Voor het onderdeel bedrag ineens heeft de Belastingdienst gevraagd om te verduidelijken wat wordt verstaan onder de afkoopwaarde van een lijfrente. Dit is verduidelijkt door in het voorgestelde artikel 3.133, elfde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 toe te voegen dat het gaat om de waarde in het economische verkeer. Verder is in het artikelsgewijze deel van deze memorie een verduidelijking opgenomen voor wat betreft situaties waarbij een lijfrente fiscaal geruisloos kan worden omgezet in een ander zodanig recht. In de uitvoeringstoets heeft de Belastingdienst ook aandacht gevraagd voor verschillende uitvoeringsaspecten bij het gedeeltelijk afkopen van een bevroren pensioen in eigen beheer. In lagere regelgeving zal dit nader worden uitgewerkt. De uitvoeringstoetsen voor de onderdelen RVU en verlofsparen hebben geen aanleiding gegeven om het wetsvoorstel of de memorie van toelichting aan te passen.

Als gevolg van aanpassing van de overgangsregeling na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State heeft de Belastingdienst aangegeven dat de introductie van de overgangsregeling noopt tot een aanpassing van de huidige uitvoeringstoets op dit specifieke punt. Deze aangepaste uitvoeringstoets is nog niet gereed. In de aangepaste uitvoeringstoets worden de verwachtte gevolgen, zoals bijvoorbeeld een additioneel effect voor de controle en handhavingscapaciteit, in kaart gebracht. De aangepaste uitvoeringstoets zal worden nagezonden aan de Tweede Kamer.

UWV

Het UWV heeft aangegeven dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is, onder twee voorwaarden. In de eerste plaats moest de uitgewerkte opdracht voor het toevoegen «RVU-vinkje» voor 1 juli 2020 bij de ketenpartners «jaarovergang loonaangifte» bekend zijn. Dit is ook gebeurd. Het «RVU-vinkje» houdt in dat werkgevers die RVU-uitkeringen verstrekken aan een werknemer, dit aangeven in de loonaangifteketen. Daardoor zijn RVU-uitkeringen op persoonsniveau te herkennen. De gegevens uit de loonaangifte kunnen dan worden gebruikt door handhavers van UWV om te toetsen of WW-gerechtigden die ook een RVU ontvangen voldoen aan alle WW-voorwaarden. Uitgangspunt is dat het «RVU-vinkje» wordt vormgegeven door een nieuwe code soort inkomstenverhouding. Deze wens heeft niet tot aanpassing van dit wetsvoorstel geleid, maar is gehanteerd als uitgangspunt voor de praktische uitwerking en implementatie van het RVU-vinkje. In de tweede plaats geeft UWV in het kader van de monitoring omtrent de samenloop van WW en RVU aan dat de werkgever zelf de cao-code aangeeft. Hierdoor kan er enige onnauwkeurigheid ontstaan in de rapportage. Aangezien de monitoring bedoeld is om een globaal beeld te krijgen van het aantal WW-gerechtigden met een RVU en de cao waaronder zij vallen, vormt deze beperking geen belemmering.

Naast monitoring van de samenloop van WW en RVU vindt de regering ook de handhaving hieromtrent van belang. De versoepeling van RVU is bedoeld om mensen die niet langer kunnen doorwerken tot aan de AOW-leeftijd de mogelijkheid te bieden om te stoppen met werken, terwijl de WW juist is bedoeld voor personen die weer aan de slag willen. De doelstellingen zijn dus tegengesteld. Er bestaat daarmee een risico op oneigenlijk gebruik. Daarom is SZW met UWV in overleg over de aanvullende handhavingsactiviteiten die UWV zal nemen om dit risico te ondervangen.

Tot slot geeft het UWV mee dat de RVU-uitkering geheel moet worden gekort op de WW-uitkering, maar alleen als het een periodieke RVU-uitkering betreft. Een eenmalige RVU-uitkering kan niet worden gekort op een WW-uitkering, hiervoor ontbreekt een juridische grondslag in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Het kabinet zal er om die reden bij sociale partners op aandringen dat de betalingen in het kader van de RVU zoveel mogelijk de vorm van een periodieke uitkering krijgen. De RVU-uitkering moet ook worden gekort op uitkeringen op grond van de TW en IOW, het is hierbij niet van belang of het een eenmalige of periodieke RVU-uitkering betreft. Een eenmalige uitkering is wel uitgezonderd voor zover er is uitgekeerd in de vorm van een stamrecht waaruit periodieke uitkeringen voortvloeien.

Artikelsgewijs

Artikelen I en II

Artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel A (artikel 35 PW en artikel 21 Wvb)

In artikel 35, tweede lid, PW en artikel 21, tweede lid, Wvb is vastgelegd welke informatie in ieder geval in het pensioenreglement moet zijn opgenomen. Voorgesteld wordt om voor te schrijven dat het pensioenreglement ook informatie moet bevatten over de hoogte van de (sekseneutrale) afkoopvoet die moet worden vastgesteld in verband met het keuzerecht om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als bedrag ineens op te nemen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel C, van dit wetsvoorstel.

Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel B (artikel 65 PW en artikel 77 Wvb)

Uitgangspunt op grond van de PW en de Wvb is dat afkoop slechts in een limitatief aantal in de wet omschreven gevallen mogelijk is. Het keuzerecht dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd betreft een vorm van afkoop, aangezien het gaat om het uitkeren van een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als een bedrag ineens. De pensioenaanspraken verliezen daarmee de pensioenbestemming. Om dit keuzerecht mogelijk te maken, wordt voorgesteld in artikel 65 PW en artikel 77 Wvb een verwijzing op te nemen naar het artikel waarin dit keuzerecht verder is uitgewerkt (artikel 69a PW respectievelijk artikel 80b Wvb).

Artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel C (artikel 69a PW en artikel 80b Wvb)

In de voorgestelde artikelen 69a PW en 80b Wvb wordt het keuzerecht om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen uitgewerkt.

Eerste lid

Uitgangspunt op grond van het eerste lid is dat een pensioenuitvoerder verplicht is om op verzoek van de deelnemer een deel van de waarde van diens aanspraken op ouderdomspensioen af te kopen. Het betreft hier aldus een wettelijk recht van de deelnemer.

Het recht op gedeeltelijke afkoop is wel aan enkele voorwaarden verbonden.

Allereerst mag maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen worden afgekocht (onderdeel a). Daarbij kan het ouderdomspensioen zijn opgebouwd in een uitkeringsovereenkomst, kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst. Bij die laatste twee overeenkomsten betreft het dan 10% van het kapitaal dat is opgebouwd voor ouderdomspensioen. Hierbij wordt uitgegaan van de stand van zaken op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. De grens van 10% is een maximumgrens. Een deelnemer kan de pensioenuitvoerder ook verzoeken om een lager percentage van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen af te kopen. Als tweede voorwaarde geldt dat de afkoop moet plaatsvinden op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (onderdeel b). Als derde voorwaarde geldt dat een deelnemer geen gebruik mag maken van een eventuele mogelijkheid om het pensioen te laten variëren als bedoeld in artikel 63 PW respectievelijk artikel 75 Wvb (onderdeel c). Als vierde voorwaarde geldt dat de levenslange pensioenuitkering die na de afkoop resteert, boven de afkoopgrens van artikel 66, eerste lid, onderdeel a, PW dan wel artikel 78, eerste lid, onderdeel a, Wvb moet liggen (onderdeel d). Tot slot geldt als voorwaarde dat een deelnemer alleen met toestemming van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen gebruik kan maken van het recht op gedeeltelijke afkoop, indien gebruikmaking van het afkooprecht leidt tot een verlaging van het partnerpensioen (onderdeel e). Zie voor een nadere toelichting bij deze voorwaarden paragraaf 2.3.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Tweede lid

Het voorgestelde tweede lid bevat de eis tot gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de eis van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

De eis van gelijke behandeling van mannen en vrouwen brengt met zich dat mannen en vrouwen na afkoop (in gelijke gevallen) hetzelfde bedrag moeten ontvangen. Om dit te realiseren, dient de pensioenuitvoerder een sekseneutrale afkoopvoet vast te stellen. Het vaststellen van een sekseneutrale afkoopvoet is noodzakelijk omdat bij de berekening van de afkoopwaarde rekening wordt gehouden met sterftekansen, de levensverwachting van vrouwen gemiddeld hoger is dan van mannen en derhalve het pensioen voor vrouwen een hogere waarde vertegenwoordigt. Als er bij de berekening van de afkoopwaarde («het bedrag ineens») wel rekening zou worden gehouden met het geslacht, zouden vrouwen derhalve een hogere afkoopwaarde ontvangen dan mannen. Dat wordt niet wenselijk geacht.

De eis van collectieve actuariële gelijkwaardigheid houdt in dat er op collectief niveau sprake moet zijn van actuariële gelijkwaardigheid van de afgekochte pensioenaanspraken van mannen en vrouwen. De pensioenuitvoerder moet de sekseneutrale afkoopvoet vaststellen, rekening houdend met de weging naar de totale aanspraken voor mannen en vrouwen voor het gehele deelnemersbestand voor zover zij tot het volgende uitkeringsmoment naar verwachting pensioneren. Een vrouw verkrijgt daardoor na afkoop dezelfde afkoopwaarde als een man. Op individueel niveau is de actuariële waarde van de afgekochte aanspraken niet gelijkwaardig, maar op collectief niveau wel.

Deze uitgangspunten gelden ook bij de overige keuze- en afkoopmogelijkheden die zijn opgenomen in de PW en Wvb.

Derde lid

In het derde lid wordt vastgelegd dat een beding in strijd met dit artikel is nietig is.

Vierde lid

In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels vast te stellen over dit keuzerecht. Van deze mogelijkheid zal onder meer gebruik worden gemaakt voor het stellen van nadere regels over de informatieverstrekking voorafgaand aan de pensioeningang over het keuzerecht. In artikel 7a van het Besluit uitvoering PW en Wvb zal worden geëxpliciteerd dat een pensioenuitvoerder een deelnemer voorafgaand aan de pensioeningangsdatum moet informeren over de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen. Voorts zal in artikel 9 van het Besluit uitvoering PW en Wvb worden vastgelegd welke meer specifieke en persoonlijke informatie de pensioenuitvoerder op verzoek van de deelnemer over het recht op de gedeeltelijke afkoop dient te verstrekken. Ook zal in artikel 16 van het Besluit uitvoering PW en Wvb – dat betrekking heeft op het vaststellen van de afkoopvoet – een verwijzing naar artikel 69a PW en 80b Wvb worden opgenomen.

Artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel D (artikel 176 PW en artikel 171 Wvb)

Voorgesteld wordt aan de artikelen met de beboetbare bepalingen artikel 69a PW respectievelijk artikel 80b Wvb toe te voegen. Hiermee wordt gerealiseerd dat de toezichthouder in geval van overtreding van de voorschriften over de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen een bestuurlijke boete kan opleggen. De toezichthouder heeft voor de handhaving van deze voorschriften ook de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing77 en het opleggen van een last onder dwangsom.78

Artikel III

In artikel 4:71.0a, eerste lid, Wft wordt opgenomen dat een aanbieder van een zogenoemd uitkeringsproduct de consument de mogelijkheid moet bieden maximaal 10% van de waarde van de aanspraak op periodieke uitkeringen die is opgebouwd via een lijfrenteverzekering, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als een bedrag ineens te laten uitkeren. Het moet gaan om een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001. Het gaat derhalve om aanspraken op periodieke uitkeringen ten behoeve van de oudedagsvoorziening en bijvoorbeeld niet ten behoeve van nabestaanden.

De gedeeltelijke uitkering mag alleen plaatsvinden onder bepaalde voorwaarden. Hiervoor wordt verwezen naar de voorwaarden waaronder gedeeltelijke afkoop wordt toegestaan in de Wet IB 2001. Dit betekent dat de gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens van maximaal 10% moet plaatsvinden op de eerste ingangsdatum van de periodieke uitkeringen ten behoeve van de oudedagsvoorziening en dat de waarde van de periodieke uitkeringen die na de opname van een bedrag ineens resteert op dat moment meer bedraagt dan € 4.475 (bedrag zoals dat geldt in 2020). De consument kan ook besluiten een lager percentage van de waarde van de aanspraken op dergelijke periodieke uitkeringen als bedrag ineens te laten uitkeren.

In het tweede lid wordt aangegeven wat moet worden verstaan onder het begrip «uitkeringsproduct» als bedoeld in het eerste lid.

In artikel 4:71.0a, derde lid, Wft wordt geregeld dat bij een gedeeltelijke uitkering als bedrag ineens van een nettolijfrente ten behoeve van de oudedagsvoorziening het eerste lid van overeenkomstige toepassing is. Echter, voor een nettolijfrente geldt niet dat het restant na uitkering van een bedrag ineens meer moet bedragen dan € 4.475 (bedrag zoals dat geldt in 2020).

Artikel IV

Artikel IV, onderdeel A (artikel 3.133 Wet IB 2001)

Artikel 3.133, eerste lid, Wet IB 2001 regelt de fiscale gevolgen bij een in het tweede lid van dat artikel opgenomen omstandigheid met betrekking tot onder andere een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkering als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001. Kort gezegd gaat het hierbij om handelingen die in strijd zijn met de voorwaarden voor fiscale facilitering van lijfrenten.79 Afkoop van een lijfrente is in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 opgenomen als zijnde een dergelijke handeling. Gevolg van het handelen in strijd met de voorwaarden is dat de premies en bedragen die zijn betaald voor de aanspraak en het daarover behaalde rendement in beginsel geheel of gedeeltelijk als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking moeten worden genomen. In artikel 3.133 Wet IB 2001 zijn hierop twee uitzonderingen opgenomen. In artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 is geregeld dat geen sprake is van een handeling in strijd met de voorwaarden als van de aanspraak nog geen termijnen zijn vervallen, de aanspraak in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer ervan op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.475 (bedrag zoals dat geldt in 2020). Op grond van het negende lid van genoemd artikel is – onder voorwaarden – geen sprake van een onregelmatige handeling bij de gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraak bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

Met betrekking tot artikel 3.133 Wet IB 2001 wordt allereerst voorgesteld om de uitzondering op het afkoopverbod die is vastgelegd in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 voor kleine lijfrentes te verplaatsen naar een nieuw tiende lid. Reden hiervoor is dat alle uitzonderingen op het «afkoopverbod» dan overzichtelijk staan opgesomd in het negende tot en met elfde lid van artikel 3.133 Wet IB 2001.

Voorgesteld wordt een elfde lid toe te voegen aan artikel 3.133 Wet IB 2001. Hierin wordt geregeld dat het eerste lid van artikel 3.133 Wet IB 2001 eveneens niet van toepassing is bij de gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001, indien aan de in dit nieuwe lid op te nemen voorwaarden wordt voldaan. Met de verwijzing naar lijfrenten als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001 wordt geregeld dat een gedeeltelijke afkoop alleen is toegestaan voor oudedagslijfrenten, tijdelijke oudedagslijfrenten en de hiermee overeenkomende varianten van de lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Gedeeltelijke afkoop blijft fiscaal dus niet toegestaan voor nabestaandenlijfrenten, lijfrenten voor het meerderjarige invalide kind en arbeidsongeschiktheidslijfrenten.

De voorwaarden voor de gedeeltelijke afkoop zijn ontleend aan de voorgestelde voorwaarden voor een ingevolge de PW of de Wvb toegestane afkoop van een deel van de waarde van de pensioenaanspraken (zie het voorgestelde artikel 69a PW en het voorgestelde artikel 80b Wvb). Deze voorwaarden zijn: (a) maximaal 10% van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001 mag worden afgekocht; (b) de gedeeltelijke afkoop moet plaatsvinden op de ingangsdatum van de termijnen van deze lijfrente en (c) na de afkoop moet de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen meer bedragen dan € 4.475 (bedrag zoals dat geldt in 2020). Voorwaarde (b) betekent dat alleen bij de uitkerende aanbieder kan worden afgekocht. Het is namelijk uitdrukkelijk de bedoeling dat eenmalig een gedeeltelijke afkoop kan plaatsvinden over een bepaalde (deel)aanspraak. Als een lijfrente gedeeltelijk ingaat kan alleen over het deel dat ingaat 10% worden afgekocht. Zodra het resterende deel ingaat kan over het resterende deel 10% worden afgekocht. Als een lijfrente na ingang met toepassing van artikel 3.134 Wet IB 2001 wordt omgezet in een andere lijfrente kan met betrekking tot de laatstgenoemde lijfrente geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om 10% af te kopen.

Indien aan de voorwaarden van het voorgestelde artikel 3.133, elfde lid, Wet IB 2001 wordt voldaan is artikel 3.133, eerste lid, Wet IB 2001 niet van toepassing op de gedeeltelijke afkoop van de lijfrenteaanspraken. Hierdoor is over deze afkoop geen revisierente als bedoeld in artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verschuldigd.

In het voorgestelde twaalfde lid van artikel 3.133 Wet IB 2001 wordt geregeld dat hetgeen wordt ontvangen ter zake van de in het negende, tiende en elfde lid van genoemd artikel toegestane afkopen als termijn van een lijfrente wordt aangemerkt. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het bedrag van een dergelijke afkoop als belastbare periodieke uitkering als bedoeld in artikel 3.100 Wet IB 2001 in de heffing van de inkomstenbelasting wordt betrokken.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 3.135 Wet IB 2001)

Artikel 3.135 Wet IB 2001 regelt de fiscale gevolgen bij een onregelmatige handeling van een IB-ondernemer of resultaatgenieter met betrekking tot pensioenregelingen waaraan wordt deelgenomen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wvb. Met de voorgestelde wijziging van artikel 3.135, zesde lid, Wet IB 2001 wordt een afkoop van een deel van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 69a PW of artikel 80b Wvb ook voor de toepassing van artikel 3.135, zesde lid, Wet IB 2001 aangemerkt als een toegestane afkoop. Derhalve heeft deze afkoop niet tot gevolg dat de waarde van de pensioenaanspraak in aanmerking wordt genomen als negatieve uitgaven voor de inkomensvoorzieningen. Aangezien artikel 3.135, eerste lid, Wet IB 2001 hierdoor niet van toepassing is op de gedeeltelijke afkoop van de pensioenaanspraken, is ook geen revisierente als bedoeld in artikel 30i AWR verschuldigd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het afgekochte deel van de waarde van de pensioenaanspraken op grond van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 in de belastingheffing wordt betrokken als onder de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen vallende afkoopsom.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 5.16c Wet IB 2001)

Artikel 5.16c Wet IB 2001 regelt de fiscale gevolgen bij een onregelmatige handeling met een nettolijfrente. Ook gehele of gedeeltelijke afkoop van een nettolijfrente is daarbij aangemerkt als onregelmatige handeling. Ingeval een gehele of gedeeltelijke afkoop van een nettolijfrente plaatsvindt, vervalt op grond van artikel 5.16c, eerste lid, Wet IB 2001 op dat moment voor de volledige aanspraak de vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing. Verder wordt in dat geval in het jaar na de afkoop het ingevolge artikel 5.16c, tweede en derde lid, Wet IB 2001 berekende bedrag tot de bezittingen gerekend voor de vermogensrendementsheffing.

Voorgesteld wordt een nieuw vijfde lid in artikel 5.16c Wet IB 2001 op te nemen waarin wordt geregeld dat artikel 5.16c, eerste lid, Wet IB 2001 niet van toepassing is bij de gedeeltelijke afkoop van een nettolijfrente die aan de voorwaarden van het eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 3.133, elfde lid, onderdelen a en b, Wet IB 2001 voldoet. Verder is, net als bij de brutolijfrente, vereist dat de nettolijfrente een oudedagslijfrente is als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, Wet IB 2001. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan is bij de gedeeltelijke afkoop van een nettolijfrente geen sprake meer van een onregelmatige handeling. Overigens hoeft in dit geval niet te worden voldaan aan de voorwaarde uit artikel 3.133, elfde lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Achtergrond hiervan is dat afkoop door de aanbieder van een «kleine» nettolijfrente niet is toegestaan (behoudens bij arbeidsongeschiktheid), zodat het voorschrijven van een zogenoemde afkoopgrens als bedoeld in paragraaf 3.4 van deze memorie van toelichting onder «Voorwaarde 3: afkoopgrens» niet nodig is.

Artikel V

Artikel V, onderdeel A (artikel 11 Wet LB 1964)

Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 1°, Wet LB 1964 worden aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof niet tot het loon gerekend, voor zover deze aanspraken aan het einde van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig weken. Met de voorgestelde wijziging van de bepaling vindt een uitbreiding plaats naar honderd weken. Indien de aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van het jaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van honderd weken, worden deze aanspraken niet tot het loon gerekend.

Artikel V, onderdeel B (artikelen 18 Wet LB 1964)

De Wvb is van toepassing op beroepspensioenregelingen. De PW geldt niet voor deze pensioenregelingen. Wanneer een werknemer deelneemt aan een beroepspensioenregeling, zijn voor de fiscale facilitering de bepalingen uit hoofdstuk IIB Wet LB 1964 van toepassing. In artikel 18 Wet LB 1964 ontbreekt abusievelijk een verwijzing naar de Wvb. Met de voorgestelde wijziging wordt deze verwijzing alsnog opgenomen.

Artikel V, onderdeel C (artikel 19b Wet LB 1964)

Artikel 19b, eerste lid, Wet LB 1964 regelt de fiscale gevolgen van een onregelmatige handeling met pensioenaanspraken. Afkoop van een pensioenaanspraak is hierin opgenomen als zijnde een onregelmatige handeling. Ingeval een onregelmatige handeling plaatsvindt, wordt de volledige pensioenaanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en in de belastingheffing betrokken. In artikel 19b, vierde lid, Wet LB 1964 is een uitzondering opgenomen voor afkoop van kleine pensioenen. Dat artikellid regelt dat bij afkoop van een klein pensioen op grond van de artikelen 66, 67 of 68 PW de hoofdregel van artikel 19b, eerste lid, Wet LB 1964 niet van toepassing is.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 19b, vierde lid, Wet LB 1964 wordt een verwijzing naar het afkopen van een deel van de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het voorgestelde artikel 69a PW, toegevoegd aan artikel 19b, vierde lid, Wet LB 1964. Hiermee wordt voorkomen dat het afkopen van een deel van de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 69a PW, kwalificeert als een onregelmatige handeling, die tot gevolg heeft dat de volledige pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Aangezien artikel 19b, eerste lid, Wet LB 1964 hierdoor niet van toepassing is op een dergelijke gedeeltelijke afkoop van de pensioenaanspraken, is ook geen revisierente als bedoeld in artikel 30i AWR verschuldigd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het afgekochte deel van de waarde van de pensioenaanspraken in deze situatie op grond van artikel 10, eerste lid, Wet LB 1964 in de belastingheffing wordt betrokken als loon uit (vroegere) dienstbetrekking.

Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om in artikel 19b, tweede, vierde en vijfde lid, Wet LB 1964 ook verwijzingen naar de Wvb op te nemen.

Artikel 19b, tweede tot en met zevende lid, Wet LB 1964 is op grond van artikel 5.17e, vijfde lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing voor nettopensioen. Dit heeft tot gevolg dat een gedeeltelijke afkoop als bedoeld in het voorgestelde artikel 69a PW of artikel 80b Wvb ook bij nettopensioen niet leidt tot een onregelmatige handeling.

Artikel V, onderdeel D (artikel 32ba Wet LB 1964)

Zesde lid

De Wvb is van toepassing op beroepspensioenregelingen. De PW geldt niet voor deze pensioenregelingen. Wanneer een werknemer deelneemt aan een beroepspensioenregeling, zijn voor de fiscale facilitering de bepalingen uit hoofdstuk IIB Wet LB 1964 van toepassing. In artikel 32ba, zesde lid, Wet LB 1964 ontbreekt abusievelijk een verwijzing naar de Wvb. Met de voorgestelde wijziging wordt deze verwijzing alsnog opgenomen.

Zevende en achtste lid

Artikel 32ba Wet LB 1964 regelt dat een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, wordt aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 52% (RVU-heffing). Met de voorgestelde invoeging van een nieuw zevende lid in genoemd artikel wordt bewerkstelligd dat deze uitkeringen, bijdragen en premies ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, onder voorwaarden en tot een bepaalde hoogte voor de berekening van de verschuldigde RVU-heffing niet als zodanig worden aangemerkt. Er blijft wel volledig sprake van een regeling voor vervroegde uittreding, zodat de bijbehorende aanspraken ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964 niet tot het loon behoren.

Het vrijstellingsbedrag geldt uitsluitend voor zover de uitkeringen plaatsvinden in de periode van 36 maanden voor de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW-gerechtigde leeftijd). Hierbij wordt voor de volledigheid opgemerkt dat het gaat om de voor de betreffende werknemer vastgestelde AOW-gerechtigde leeftijd.

De hoogte van de vrijstelling bedraagt € 1.767 (bedrag 2020) vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen de eerste uitkering in de genoemde periode en het bereiken van AOW-gerechtigde leeftijd. Hierbij worden delen van maanden als een maand in aanmerking genomen.

Om te toetsen of het vrijstellingsbedrag wordt overschreden, worden alle uitkeringen die ingevolge de regelingen in de genoemde periode plaatsvinden bij elkaar opgeteld. Als een werkgever meerdere regelingen voor vervroegde uitreding aan dezelfde werknemer aanbiedt, worden al deze regelingen voor deze toets samengevoegd. Indien de hoogte van de uitkeringen het maximumbedrag overschrijdt, is naar rato van het bedrag van die overschrijding de bestaande RVU-heffing verschuldigd over de bijdrage, premie of uitkering en wel voor het eerst in het loonaangiftetijdvak dat de vrijstellingsdrempel is overschreden.

Het voorgestelde achtste lid van genoemd artikel 32ba bevat een indexatiebepaling voor het in genoemd zevende lid opgenomen maandbedrag. Jaarlijks wordt aan het begin van het kalenderjaar vastgesteld welk maandbedrag relevant is voor de beoordeling of nog sprake is van een regeling die kwalificeert voor de vrijstelling voor de RVU-heffing. Dit maandbedrag wordt berekend door het aan het begin van dat kalenderjaar geldende netto-ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, te bruteren. Hierbij wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Door deze koppeling wordt bereikt dat de vrijstelling meebeweegt met het op de peildatum geldende bedrag van de netto-AOW-uitkering voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De vernummering van het zevende en achtste lid tot negende en tiende lid van genoemd artikel 32ba houdt verband met de hiervoor toegelichte invoeging van twee nieuwe leden.

Artikel V, onderdeel E (artikel 32ba Wet LB 1964)

Dit onderdeel regelt dat het met artikel V, onderdeel D, voorgestelde zevende en achtste lid van artikel 32ba Wet LB 1964 komen te vervallen onder (terug)vernummering van het negende en tiende lid tot zevende en achtste lid. Dit onderdeel zal – via het in artikel VII genoemde koninklijke besluit – in werking treden met ingang van 1 januari 2026. Voor de periode 2026 tot en met 2028 is een overgangsregeling in artikel 39j Wet LB 1964 opgenomen (zie artikel V, onderdeel G) zoals beschreven in paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze memorie.

Artikel V, onderdeel F (artikel 38n Wet LB 1964)

Met de voorgestelde aanpassing van artikel 38n Wet LB 1964 wordt geregeld dat het afkopen van een deel van de waarde van de pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 69a PW ook op overeenkomstige wijze mogelijk wordt voor een zogenoemd bevroren pensioen in eigen beheer. Aan de toepassing van deze mogelijkheid zullen bij ministeriële regeling nadere voorwaarden worden gesteld. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan regels voor het vaststellen van de waarde van het op pensioeningangsdatum ineens op te nemen deel van de in eigen beheer verzekerde aanspraak op ouderdomspensioen.

Artikel V, onderdeel G (artikel 39j Wet LB 1964)

Dit onderdeel voorziet in een overgangsregeling voor de jaren 2026, 2027 en 2028 voor reeds op 31 december 2025 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding. Voor uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk overeengekomen regelingen voor vervroegde uittreding voor werknemers die uiterlijk op 31 december 2028 de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, blijft op grond van die in artikel 39j Wet LB 1964 op te nemen overgangsregeling artikel 32ba, zevende en achtste lid, Wet LB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2025 gelden. Het bedrag genoemd in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2025 wordt in de jaren 2026, 2027 en 2028 bij ministeriële regeling aangepast op basis van dezelfde systematiek als genoemd in artikel 32ba, achtste lid, Wet LB 1964 en hiervoor toegelicht.

Artikel VI

Met dit artikel wordt voorgesteld de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van verschillende onderdelen van het wetsvoorstel binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I, betreffende het keuzerecht bedrag ineens, van het wetsvoorstel te evalueren. Uitgaande van het streven om het keuzerecht «bedrag ineens» als laatste van de te evalueren onderdelen van dit wetsvoorstel op 1 januari 2022 in werking te laten treden, zal de evaluatie derhalve vóór 1 januari 2027 plaatsvinden. Een verslag van de evaluatie wordt toegezonden aan de Staten-Generaal.

Onderdeel van de evaluatie is allereerst de doeltreffendheid en effecten van het recht op afkoop van een deel van het ouderdomspensioen dat met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd. Hierbij zal onder meer aandacht worden besteed aan (a) de mate waarin gebruik wordt gemaakt van het recht op afkoop, (b) de doeltreffendheid van de waarborgen en voorwaarden waarmee het keuzerecht bedrag ineens is omkleed, mede met het oog op mogelijke neveneffecten van het keuzerecht (bijvoorbeeld op het terrein van de inkomensafhankelijke regelingen). De evaluatie zal zich ook uitstrekken tot het (soortgelijke) keuzerecht dat wordt geïntroduceerd met betrekking tot een bevroren pensioen in eigen beheer, het nettopensioen, oudedagsvoorzieningen die zijn opgebouwd in de derde pijler en de nettolijfrente. Tot slot wordt in de evaluatie de mogelijkheid om fiscaal gefaciliteerd 100 weken verlof te kunnen opsparen betrokken. Er zal onder meer worden bezien in hoeverre in cao’s hierover afspraken zijn gemaakt. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat ervoor is gekozen de voorgestelde RVU-drempelvrijstelling niet mee te nemen in de evaluatie, aangezien dit een tijdelijke maatregel betreft voor de duur van vijf jaar.

Artikel VII

Het moment van inwerkingtreding van deze wet wordt bij koninklijk besluit vastgesteld, waarbij voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillende tijdstippen kunnen worden vastgesteld.

Voor zover het de wijzigingen betreft die noodzakelijk zijn voor het tijdelijk versoepelen van de RVU-heffing en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof is het streven dat deze in werking treden met ingang van 1 januari 2021. Zo kunnen sociale partners op zo kort mogelijke termijn regelingen voor vervroegde uittreding treffen en hiermee de groep werknemers die bijna de AOW-leeftijd bereiken tegemoetkomen.

De versoepeling van de RVU-heffing betreft een tijdelijke maatregel voor een beoogde duur van vijf jaar, daarmee uiterlijk eindigend per 1 januari 2026. De artikelleden waarin deze versoepeling is neergelegd, zullen derhalve ingevolge genoemd koninklijk besluit vervallen met ingang van 1 januari 2026. Achtergrond hiervan is dat het kabinet ervan uitgaat dat vanaf 2026 voldoende maatregelen zijn genomen, zodat de versoepeling van de RVU-heffing kan vervallen (zie paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting). Vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028 geldt er wel een overgangsregeling (zie het voorgestelde artikel 39j Wet LB 1964).

Voor zover het de wijzigingen betreft voor het invoeren van het keuzerecht voor een bedrag ineens is het voornemen om een minimuminvoeringstermijn te hanteren en deze wijzigingen naar verwachting per 1 januari 2022 in werking te laten treden. Achtergrond hiervan is dat deelnemers vanaf het moment van inwerkingtreding gebruik moeten kunnen maken van de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen te kunnen laten afkopen. Om te realiseren dat pensioenuitvoerders deelnemers hierover tijdig kunnen informeren en deelnemers een weloverwogen beslissing kunnen nemen, is een minimuminvoeringstermijn wenselijk.

Deze inwerkingtredingsdata zijn conform de afspraken die zijn gemaakt in het pensioenakkoord.

Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 32 043, nr. 457. Op 22 juni 2020 is de nadere uitwerking van het pensioenakkoord aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). In deze hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord worden wijzigingen aangekondigd van de vormgeving van pensioencontracten en het financieel toetsingskader (hoofdstuk 6 van de Pensioenwet). De beoogde inwerkingtreding van deze wijzigingen is 1 januari 2022. Dit is ook de beoogde inwerkingtredingsdatum van het onderdeel bedrag ineens uit voorliggend wetsvoorstel. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt in voorliggend wetsvoorstel nog gebruik gemaakt van de terminologie van de huidige Pensioenwet, bijvoorbeeld waar het «buffer» betreft.

X Noot
2

Zie de artikelen 60, 61, 62, eerste lid, onderdeel b, en 63 PW en de artikelen 72, 73, 74, eerste lid, onderdeel b, en 75 Wvb.

X Noot
3

Marcel Lever, Eduard Ponds, Rik Dillingh en Ralph Stevens, «CPB Achtergronddocument. Keuzevrijheid in de uitkeringsfase: internationale ervaringen», Centraal Planbureau, 10 juli 2018.

X Noot
4

Waar in deze memorie van toelichting wordt gesproken van «deelnemer» wordt ook de «gewezen deelnemer» bedoeld.

X Noot
5

Marcel Lever, Eduard Ponds, Rik Dilling en Ralph Stevens, «CPB Achtergronddocument. Keuzevrijheid in de uitkeringsfase: internationale ervaringen», Centraal Planbureau, 10 juli 2018.

X Noot
6

Zie onder andere Willemsen, M. en N. Kortleve (2016b), «Eenmalige pensioenuitkering voorziet in behoefte», ESB, Jaargang 101 (4734), 12 mei 2016 en Bockweg, C., Ponds, E., Steenbeek, O. W., & Vonken, J. (2016), «Framing and the Annuitization Decision: Experimental Evidence from a Dutch PensionFund», Netspar Discussion Paper; Vol. 03/2016–007, Netspar.

X Noot
7

Sociaal-Economische Raad, Naar een nieuw pensioenstelsel, advies 19/05, Den Haag, juni 2019.

X Noot
8

Kamerstukken II 2018/19, 32 043, nr. 457, p. 10.

X Noot
9

Kamerstukken II 2015/16, 32 043, nr. 337.

X Noot
10

Kamerstukken II 2018/19, 32 043, nr. 486.

X Noot
11

Hieronder vallen: een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht.

X Noot
12

Kees Folmer, Marcel Lever, Eduard Ponds, Bastiaan Starink, Ed Westerhout, Effecten van meer keuzevrijheid bij pensioenuitkering, Centraal Planbureau, 17 september 2018, p. 1.

X Noot
13

Arjan Soede, Tevreden met pensioen. Veranderende inkomens en behoeften bij ouderen, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2012.

X Noot
14

Artikel 1 PW dan wel artikel 1, eerste lid, Wvb.

X Noot
15

Het recht op afkoop heeft betrekking op alle vormen van ouderdomspensioen. Dit betekent dat een gedeeltelijke afkoop bijvoorbeeld ook kan plaatsvinden over de waarde van de aanspraken op tijdelijk ouderdomspensioen en ongehuwdenpensioen.

X Noot
16

Artikel 15 Pensioenwet.

X Noot
17

Marcel Lever, Eduard Ponds, Rik Dillingh en Ralph Stevens, «CPB Achtergronddocument. Keuzevrijheid in de uitkeringsfase: internationale ervaringen», Centraal Planbureau, 10 juli 2018.

X Noot
18

Bladzijde 65 van bijlage 776606 bij Kamerstukken II 2015/16, 32 043, nr. 337.

X Noot
19

Berekend op basis van gemiddelde overlevingskansen, in reële euro’s bij afkoop van 5%, 15% en 1/3 van de pensioenaanspraak, voor verschillende inkomens (gemiddeld 120% WML bij 1% reële loongroei, gemiddeld modaal bij 1,5% reële loongroei en gemiddeld 2x modaal bij 1,5% reële loongroei).

X Noot
20

Artikel 63 PW en artikel 75 Wvb.

X Noot
21

Sociaal-Economische Raad, Naar een nieuw pensioenstelsel, advies 19/05, Den Haag, juni 2019, p. 14, voetnoot.

X Noot
22

Artikel 63, tweede lid, PW en artikel 75, tweede lid, Wvb.

X Noot
23

Artikel 66, eerste lid, onderdeel a, PW en artikel 78, eerste lid, onderdeel a, Wvb.

X Noot
24

Artikel 62, tweede lid, PW en artikel 74 Wvb.

X Noot
25

Artikel 66 PW en artikel 78 Wvb.

X Noot
26

Een grijs pensioenfonds heeft relatief veel (bijna) gepensioneerden in het bestand.

X Noot
27

Zoals thans nog opgenomen in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001; ingevolge het onderhavige wetsvoorstel wordt die regeling verplaatst naar het tiende lid van dat artikel.

X Noot
28

Artikel 48 PW en artikel 59 Wvb.

X Noot
29

Artikel 49 PW en 60 Wvb.

X Noot
30

Artikel 80 PW e.v. en artikel 88 Wvb e.v.

X Noot
31

Kamerstukken II 2018/19, 35 287, nr. 2.

X Noot
33

Indien het scheidingsformulier niet binnen de tweejaarstermijn bij de pensioenuitvoerder wordt ingediend, gaat de afkoopwaarde volledig naar de tot verevening verplichte partner en moet deze een evenredig deel van het bedrag ineens doorgeven aan de tot verevening gerechtigde partner.

X Noot
34

Arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, NJ 1982, 503.

X Noot
35

Artikel 12, tweede lid, Wvps.

X Noot
36

Het geldt eveneens voor een gedeelte van een regeling dat aan de genoemde voorwaarde voldoet.

X Noot
37

Ingeval uitsluitend een of meer uitkeringen worden gedaan voorafgaand aan de periode van 36 maanden vóór de AOW-gerechtigde, blijft de werkgever derhalve over de gehele uitkering, onderscheidenlijk over alle uitkeringen, de RVU-heffing verschuldigd.

X Noot
38

Ingeval de RVU wordt vormgegeven als een periodieke uitkering, wordt bij een overschrijding van de jaargrenzen de RVU-drempelvrijstelling opnieuw berekend. Door de indexering van het vrijstellingsbedrag zal het bedrag jaarlijks toenemen.

X Noot
39

Bij iedere betaling dient gekeken te worden hoeveel reeds is uitgekeerd binnen de termijn van 36 maanden vóór de AOW-gerechtigde leeftijd om de hoogte van het vrijstellingsbedrag te berekenen.

X Noot
41

Zie ook: Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VI, nr. 88, p. 5.

X Noot
42

Kees Folmer, Marcel Lever, Eduard Ponds, Bastiaan Starink, Ed Westerhout, Effecten van meer keuzevrijheid bij pensioenuitkering, CBS, 17 september 2018 en Casper van Ewijk, Roel Mehlkopf, Sara van den Bleeken en Chantal Hoet, Welke keuzemogelijkheden zijn wenselijk vanuit het perspectief van de deelnemer?, Netspar Industry series, Design paper 71, april 2017.

X Noot
43

CBS, Pensioenaansprakenstatistiek 2016, gepubliceerd februari 2019, https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2019/06/pensioenaansprakenstatistiek-2016.

X Noot
44

Er is uitgegaan van een alleenstaande, zonder kinderen met een volledige AOW-uitkering. Het vakantiegeld is buiten beschouwing gelaten, dit wordt jaarlijks in de maand mei uitgekeerd.

X Noot
45

Bij deze berekening is uitgegaan van een pensioeningangsdatum die plaatsvindt op de eerste dag van het jaar.

X Noot
46

Verzamelinkomen is op grond van artikel 2.18 Wet IB 2001 het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3), verminderd het daarin begrepen te conserveren inkomen.

X Noot
47

Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.

X Noot
48

Artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet.

X Noot
49

Artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

X Noot
50

Artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet.

X Noot
51

Voor de benodigde tijd per handeling is uitgegaan van de tijdsbestedingstabel voor burgers/bedrijven uit het handboek Meting Regeldrukkosten. (https://www.kcwj.nl/sites/default/files/handboek_meting_regeldrukkosten_v_1-1-2018.pdf).

X Noot
52

De initiële kosten voor de geschetste beleidsopties wordt geschat op € 1,75–€ 1,85 miljoen. De administratie moet op één onderdeel worden aangepast, namelijk het inbouwen van dit keuzerecht. Deze kosten worden geraamd op € 1,8 mln. Dit is conform de aannames bij de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021.

X Noot
53

De initiële kosten voor de geschetste beleidsopties wordt geschat op € 1,75–€ 1,85 mln. De kosten voor het uitbreiden van de (generieke) brief wordt voor de gehele sector geraamd op € 1,8 mln. Deze aanpassing is eenmalig.

X Noot
54

Hier is uitgegaan van 1/3 van de kosten voor de geschetste beleidsopties, namelijk 1,8 mln.

X Noot
55

Niet alle deelnemers die informatie zullen opvragen, zullen ook daadwerkelijk gebruik maken van het keuzerecht. Daarom is gekozen om de aanname van het gebruik bij deze handelingen gelijk te houden.

X Noot
56

Uitgaande van gemiddeld drie vragen per deelnemer die gebruik wil maken van dit keuzerecht. De inschatting is dat dit in totaal 60 minuten in beslag zal nemen. De aanname is dat er 20.000 personen gebruik zullen maken van dit keuzerecht. Deze kosten worden geraamd op € 780.000 (uitgaande van een uurtarief van € 39 voor administratief personeel).

X Noot
57

Uitgaande van gemiddeld drie berekeningen per deelnemer die gebruikmaakt van dit keuzerecht. De inschatting is dat dit in totaal 360 minuten per deelnemer in beslag zal nemen. De aanname is dat er 20.000 personen gebruik zullen maken van dit keuzerecht. Deze kosten worden geraamd op € 6,5 mln. (uitgaande van een uurtarief van € 54 voor hoogopgeleide medewerkers).

X Noot
58

Uitgaande van gemiddeld drie berekeningen per deelnemer die van dit keuzerecht gebruik maakt. De inschatting is dat dit in totaal 30 minuten per deelnemer in beslag zal nemen. De aanname is dat er 20.000 personen gebruik zullen maken van dit keuzerecht. Deze kosten worden geraamd op € 390.000 (uitgaande van een uurtarief van € 39 voor administratief personeel).

X Noot
59

Het doen van betalingen zal in de praktijk geautomatiseerd verlopen en daarom ongeveer 2 minuten extra per deelnemer in beslag nemen. De aanname is dat jaarlijks 20.000 personen gebruik zullen maken van dit keuzerecht. Deze kosten worden geraamd op € 26.000 (uitgaande van een uurtarief van € 39 voor administratief personeel).

X Noot
60

De aanname is dat jaarlijks 200.000 personen met pensioen gaan. Deze handeling zal in totaal ongeveer 15 minuten in beslag nemen. Deze kosten worden geraamd op € 750.000. Uitgaande van een «uurtarief» van € 15. Aan dit bedrag ligt een publicatie van www.salarisnet.nl over het gemiddelde netto uurloon ten grondslag.

X Noot
61

De aanname is dat 20.000 deelnemers jaarlijks gebruik zullen maken van dit keuzerecht. De handeling zal in totaal ongeveer 54 minuten in beslag nemen. Deze kosten worden geraamd op € 250.000. Uitgaande van een «uurtarief» van € 15. Aan dit bedrag ligt een publicatie van www.salarisnet.nl over het gemiddelde netto uurloon ten grondslag.

X Noot
62

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
63

Artikel 48 PW en artikel 59 Wvb.

X Noot
64

Kamerstukken II 2014/2015, 34 008, nr. 6, p. 8.

X Noot
65

Artikel 48, derde lid, PW en artikel 59, derde lid, Wvb.

X Noot
66

Kamerstukken II 2013/2014, 34 008, nr. 3, p. 5.

X Noot
67

Artikel 49 PW en artikel 60 Wvb.

X Noot
68

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 20 december 2018, nr. 2018–24770.

X Noot
69

Kamerstukken II 2016/17, 34 555, nr. 2.

X Noot
70

Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 117, p. 23; Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 113, pagina’s 4, 8, 9, 15 en 23.

X Noot
71

Artikel 66, vijfde lid, PW en artikel 78, vijfde lid, Wvb.

X Noot
72

Artikel 316, tweede lid, van de Faillissementswet.

X Noot
75

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
76

Zie onder meer CRvB 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4146 en CRvB 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4145.

X Noot
77

Artikel 171 PW en artikel 166 Wvb.

X Noot
78

Artikel 175 PW en artikel 170 Wvb.

X Noot
79

Hieronder wordt tevens verstaan een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht.