Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 december 2012
De leden van de fracties van de PVV en het CDA hebben mij verzocht te reageren op
het bericht uit het FD van 12 december 2012. Hierin wordt melding gemaakt van stijging
van de bestuurskosten bij pensioenfondsen. Deze leden vragen of het waar is dat de
kosten zijn gestegen en of de bestuurders en uitvoerders onder enige wetgeving of
salariscode vallen.
Voor de beantwoording van de vragen heb ik informatie bij de Pensioenfederatie ingewonnen.
De Pensioenfederatie heeft mij laten weten dat het klopt dat de bestuurskosten zijn
gestegen. Dat heeft volgens de federatie meerdere oorzaken. Als gevolg van de verslechterende
financiële situatie van een aantal pensioenfondsen is de vergaderdruk toegenomen.
Besluiten rond premie, indexatie of eventueel korten vergden de afgelopen jaren een
gedegen voorbereiding. Daarnaast richt de toezichthouder zich vaker rechtstreeks tot
het bestuur, waardoor het bestuur meer dan vroeger geacht wordt zich direct bezig
te houden met uitvoeringstechnische zaken van een fonds. Tenslotte zijn de eisen inzake
deskundigheidsontwikkeling aangescherpt, hetgeen extra tijdsinvesteringen vergt. Enkele
van deze oorzaken blijken ook uit het artikel uit het FD. De stijging van de bestuurskosten
is volgens dat artikel bijvoorbeeld met name zichtbaar bij die fondsen die bestuursleden
een vacatievergoeding geven. Een hoger aantal vergaderingen leidt bij vacatievergoeding
per vergadering automatisch tot hogere kosten. Bij de grootste ondernemingspensioenfondsen,
waar de bestuursleden overigens in de regel niet per vergadering worden betaald, is
er sprake van geen of een zeer beperkte stijging over de afgelopen jaren.
Bestuurders van pensioenfondsen doen hun werk over het algemeen binnen hun reguliere
werkzaamheden. Ze hebben een baan en besteden daarbinnen een deel van hun tijd aan
het besturen van het pensioenfonds. Bestuurders van een ondernemingspensioenfonds
ontvangen, behalve hun reguliere salaris, doorgaans geen extra vergoeding voor hun
bestuurstaken. Bestuurders van een bedrijfstakpensioenfonds zijn in de regel in dienst
van een werkgevers- of werknemersorganisatie. Ook zij ontvangen een regulier salaris.
De vergoeding voor de bestuurder gaat direct naar de vakbond of werkgeversorganisatie.
De Pensioenfederatie heeft in 2011 de Aanbevelingen competent pensioenfondsbestuur
gepubliceerd. Bijlage 6 van deze aanbevelingen gaat in op de compensatie van bestuursleden.
Hierin wordt zowel kwalitatief als kwantitatief ingegaan op wat redelijke beloningen
zijn. Uit de brief die de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid over de
nieuwe code pensioenfondsen op 19 november aan uw Kamer hebben gestuurd blijkt dat
in deze code ook aanbevelingen worden opgenomen over de vergoeding van bestuursleden.
Pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de invulling van het beheerste beloningsbeleid
in de praktijk. Dat laat onverlet dat ook de wetgever een verantwoordelijkheid heeft.
Zij heeft als taak te borgen dat wordt gehandeld in het belang van de deelnemer. Vanuit
dat perspectief moet er sprake zijn van een beheerst beloningsbeleid bij pensioenfondsen
en hun uitvoerders, dat niet uitnodigt tot het nemen van onnodige risico’s.
Ik constateer dat sociale partners en pensioenfondsbesturen in de regel goed letten
op een verantwoord beloningsbeleid. Zij hebben daar ook alle aanleiding toe. Het gaat
immers om de pensioenpremies en uitkeringen van hun achterban.
Tegelijkertijd is het van belang dat dit in de toekomst zo blijft, ook als er bijvoorbeeld
externe deskundigen in het fondsbestuur worden opgenomen. Het kabinet verscherpt daarom
het intern en extern toezicht op de fondsbesturen. In de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen (Kamerstukken II 2012/13, 33 182, nr. 3) is aangegeven dat in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen naar
analogie van het Besluit prudentiële regels Wft nadere regels zullen worden opgenomen
met betrekking tot een beheerst beloningsbeleid. Dit betekent dat fondsen een beleid
inzake beloningen moeten gaan hanteren dat niet aanmoedigt tot het nemen van meer
risico’s dan voor het betreffende fonds aanvaardbaar is met het oog op de soliditeit
van het fonds. Het beloningsbeleid moet schriftelijk worden vastgelegd en openbaar
worden gemaakt. De deelnemers- en pensioengerechtigdenraad en het belanghebbendenorgaan,
zoals die in het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen vorm zullen krijgen,
krijgen een adviesrecht ten aanzien van het beloningsbeleid en de Raad van Toezicht
heeft een goedkeuringsrecht. Daarnaast zal het beloningsbeleid onderdeel zijn van
het toezicht dat DNB uitoefent. DNB krijgt de bevoegdheid nadere regels te stellen
aan het beloningsbeleid van pensioenfondsen. Het beloningsbeleid van pensioenfondsen
moet in lijn zijn met de bepalingen uit de AFM/DNB Principes voor een beheerst beloningsbeleid.
Het kabinet is van mening dat hiermee voldoende waarborgen zijn dat het bestuur tot
een beheerst beloningsbeleid zal komen.
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma