Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201830982 nr. 40

30 982 Beleidsdoorlichting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Nr. 40 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2018

De Wajong is belangrijk als inkomensvoorziening. Maar het is veel meer dan dat. Meer dan de helft van de mensen in de oWajong of Wajong2010 kan werken. Een groot deel van hen wil niets liever dan meedoen. Daarom vind ik het ontzettend belangrijk dat zij hulp krijgen om aan het werk te komen en te blijven. Dat het loont als zij werken en als zij meer uren gaan werken. En dat zij gestimuleerd worden om zich te blijven ontwikkelen.

Hierbij ontvangt u de beleidsdoorlichting van artikel 4 van de SZW-begroting, de conclusies die ik daaraan verbind en de acties die ik onderneem1. Daarbij staan voor mij een paar waarden voorop. Mensen met een Wajonguitkering moeten zich verzekerd weten van inkomensondersteuning, ze moeten geholpen worden bij het hebben en houden van werk, zich kunnen ontwikkelen en worden beloond als ze meer gaan werken. Het geheel moet eenvoudiger en duidelijker worden.

Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, complex is geworden. Ik wil een begrijpelijke regeling, waarbij werken lonend is, waarbij mensen die gaan studeren er niet op achteruit gaan en mensen niet langer bang zijn hun uitkering te verliezen als ze gaan werken. Zodat Wajongers die nu zonder dat te willen langs de kant staan, meer mogelijkheden hebben om te werken of te studeren.

Beleidsdoorlichting

In de beleidsdoorlichting is in kaart gebracht of het gevoerde beleid op grond van de oWajong en Wajong2010 doelmatig en doeltreffend is. De algemene doelstelling van artikel 4 is dat de overheid jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning biedt. Prof. dr. F.R.H. Zijlstra en prof. dr. S. Brouwer hebben als onafhankelijke deskundigen hun oordeel gegeven over de kwaliteit van de doorlichting. Daarnaast hebben sociale partners, cliëntenorganisaties en andere betrokkenen hun inbreng kunnen leveren.

Het hoofdaccent in deze beleidsdoorlichting ligt op de activering van Wajongers met arbeidsvermogen en de mate waarin de oWajong en Wajong2010 prikkels bevatten om Wajongers te activeren. Daarbij wordt ook ingegaan op de inzet van dienstverlening door Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) als onderdeel van artikel 11 van de SZW-begroting. De beleidsdoorlichting kijkt terug over de periode 2010 tot en met medio 2016. De doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wajong2015 blijft buiten beschouwing omdat de periode waarin de Wajong2015 in werking is, te kort is. De subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling) waarmee de ESB-instituten worden gefinancierd (ten laste van het re-integratiebudget op artikel 4) kent een eigen evaluatie, die op 9 juni 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd*.

Tijdens het Algemeen Overleg Participatiewet van 26 januari 2017 (Kamerstuk 34 352, nr. 54) en het daaropvolgend VAO van 14 februari 2017 (Handelingen II 2016/17, nr. 52, item 35) heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd een overzicht van de verschillende Wajongregelingen naar uw Kamer te sturen om inzichtelijk te maken hoe de verschillende regels voor inkomensondersteuning uitpakken voor Wajongers die werken. In de beleidsdoorlichting wordt, conform deze toezegging, gedetailleerd uiteengezet hoe de inkomensondersteuning in de diverse Wajongregelingen er uitziet en hoe deze zich tot elkaar verhouden.

Doeltreffendheid en doelmatigheid

In de doorlichting wordt geconcludeerd dat de vraag naar doeltreffendheid en/of doelmatigheid van de oWajong en Wajong2010 in beperkte mate beantwoord kan worden. Beperkte data, informatie en beschikbaar onderzoek in de betreffende periode spelen hierin een belangrijke rol. Op basis van de beschikbare informatie is wel een globaal beeld vast te stellen. De beleidsdoorlichting maakt daarbij onderscheid naar de verschillende doelen van de oWajong en Wajong2010, namelijk de activerende dienstverlening door UWV alsmede de inkomensondersteuning. In totaal hebben momenteel circa 243.000 mensen recht op oWajong en Wajong2010. Hiervan heeft de helft arbeidsvermogen. Het gaat daarmee ook de komende jaren om een substantieel aantal mensen die ondersteuning nodig hebben om aan het werk te komen en te blijven.

Doeltreffendheid en doelmatigheid activerende dienstverlening

Het activeren en het aan het werk helpen en houden van mensen in de oWajong en Wajong2010 is, naast het bieden van inkomensondersteuning, het belangrijkste doel van beide regelingen. De afgelopen jaren heeft UWV deze dienstverlening vorm moeten geven in een moeilijke omgeving die gekenmerkt werd door ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, bezuinigingen, wijzigingen in beleid en onzekerheid over de toekomst van de Wajong. In 2016 waren er meer Wajongers aan het werk dan in 2010 en werkt een relatief groter deel van deze werkende Wajongers bij een reguliere werkgever. In absolute aantallen is het aantal Wajongers dat werkt bij een reguliere werkgever of in een beschutte omgeving in de periode 2010 – 2016 toegenomen van 50.406 tot 57.748. Het aantal werkende Wajongers ten opzichte van het totale aantal Wajongers is in dezelfde periode licht gedaald van 24,6 procent tot 23,7 procent. Dit heeft te maken dat de totale populatie in de periode 2010 – 2016 is toegenomen. Van het aantal Wajongers met arbeidsvermogen werkt ongeveer de helft.

Uit onderzoek is gebleken dat de activerende dienstverlening van UWV in grote lijnen heeft bijgedragen aan de behaalde resultaten, met andere woorden de activerende dienstverlening is doeltreffend. De instrumenten die worden ingezet, zijn goed onderbouwd. De beleidstheorie lijkt ook in de praktijk stand te houden, blijkt uit onderzoek van de Inspectie SZW en evaluaties van specifieke instrumenten (met name jobcoaching). Wel is de vraag in welke mate de verschillende instrumenten hebben bijgedragen aan de behaalde resultaten. De effectiviteit van de verschillende instrumenten is nog nauwelijks onderzocht.

Voor wat betreft de doelmatigheid van de activerende dienstverlening is het niet mogelijk om een onderbouwde conclusie te trekken. Door de beperkte beschikbaarheid van cijfers en inzicht in de effectiviteit van verschillende instrumenten, is het niet mogelijk om de behaalde resultaten en middelen cijfermatig toe te schrijven aan de verschillende onderdelen van de dienstverlening.

Het activeren en aan het werk helpen van Wajongers levert niet per definitie een besparing op de uitgaven van artikel 4 op de SZW-begroting. Wajongers hebben over het algemeen een hoge mate van structurele ondersteuning nodig om aan de slag te komen en te blijven. Een besparing op uitkeringslasten vanwege het starten met een baan brengt daarmee een verhoging van de uitgaven aan re-integratie en voorzieningen met zich mee.

Doeltreffendheid en doelmatigheid inkomensondersteuning

Jonggehandicapten die aan de voorwaarden voldoen, hebben toegang tot de oWajong en Wajong2010 en krijgen inkomensondersteuning. In het algemeen kan geconcludeerd worden dat daarmee de doelstelling van de oWajong en Wajong2010 om inkomensondersteuning te bieden aan jonggehandicapten, doeltreffend is. Daarnaast is het uitgangspunt dat (meer) werken lonend moet zijn.

In de Wajong2010 worden jonggehandicapten ingedeeld in de werkregeling, uitkeringsregeling of studieregeling. Mensen in de werkregeling stromen op minimaal 27-jarige leeftijd en na 7 jaar arbeidsondersteuning door naar de voortgezette werkregeling. In de werkregeling in de Wajong2010 lijkt werken te lonen. Uit de beleidsdoorlichting blijkt echter dat de regels voor inkomensondersteuning in de oWajong en de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 verbeterd kunnen worden. Het is niet bekend in hoeverre de huidige regels voor inkomensondersteuning in de oWajong en de voorgezette werkregeling in de Wajong2010 het benutten van arbeidsmogelijkheden daadwerkelijk inperken.

Behalve de werkregeling bestaat in de Wajong2010 de studieregeling. De studieregeling heeft als doel om passende inkomensondersteuning (25 procent van het WML) te verstrekken aan Wajongers die studeren of naar school gaan en aanspraak maken op studiefinanciering of een tegemoetkoming scholieren. Een neveneffect van deze regeling kan zijn dat Wajongers niet starten met een studie of stoppen met een studie teneinde een volledige Wajong-uitkering te ontvangen. Er is geen onderzoek gedaan in hoeverre de studieregeling heeft geleid tot meer of minder Wajongers die een opleiding zijn gaan volgen. Daarom kunnen geen uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid van de studieregeling in de Wajong2010.

De inkomensondersteuning is doelmatig als het gewenste beleidseffect (activerende werking van de ondersteuning) bereikt wordt tegen zo min mogelijk kosten (aantal Wajongers ten opzichte van uitvoeringskosten) en ongewenste neveneffecten (minder werken dan je zou kunnen). In de beleidsdoorlichting wordt geconcludeerd dat deze vraag niet eenvoudig is te beantwoorden. De reden hiervoor is dat niet duidelijk is in welke mate het eerdergenoemde ongewenste neveneffect zich in de praktijk voordoet. In de periode 2010 – 2016 is de verhouding tussen de uitvoeringskosten en het aantal Wajongers in de periode 2010–2016 verbeterd.

Oordeel onafhankelijke deskundigen

Prof. dr. F.R.H. Zijlstra en prof. dr. S. Brouwer hebben als onafhankelijke deskundigen hun oordeel gegeven over de kwaliteit van de doorlichting3. Hun oordeel ten aanzien van de totstandkoming van het rapport is als bijlage opgenomen in het rapport. Zij zijn van mening dat de beleidsdoorlichting een helder beeld geeft van het beleid. Daarnaast zijn zij het eens met de conclusie dat op onderdelen nader onderzoek gewenst is om tot een meer afgewogen oordeel over doelmatigheid en doeltreffendheid te komen.

Beleidsinzet

De beleidsdoorlichting leert ons dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, een complex geheel is geworden. Met de herindelingoperatie naar aanleiding van de invoeringswet Participatiewet heeft UWV zicht gekregen op wie wel en wie geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Hierdoor zijn twee groepen ontstaan, Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en Wajongers met arbeidsvermogen. Dit biedt mogelijkheden om de ondersteuning aan deze mensen meer te stroomlijnen, ongeacht of zij behoren tot de oWajong of Wajong2010. Dit komt de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid van de Wajong ten goede.

De eerste groep bestaat uit Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het gaat hierbij om mensen in de Wajong2015, uitkeringsregeling van de Wajong2010 en oWajongers die met de herindeling zijn ingedeeld in de categorie duurzaam geen arbeidsvermogen. De ondersteuning van UWV bestaat voor deze mensen uit het verstrekken van een uitkering van 75 procent van het wettelijk minimumloon (WML).

De tweede groep bestaat uit Wajongers met arbeidsvermogen en Wajongers die geen arbeidsvermogen hebben maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ontwikkelen. Hier gaat het om jonggehandicapten in de Wajong2010 (voortgezette) werkregeling en oWajongers bij wie in de herindeling is geconstateerd dat zij arbeidsvermogen hebben of dat kunnen ontwikkelen. In totaal gaat het om circa 120.000 Wajongers, van wie de helft aan het werk is. Voor de werkenden is de ondersteuning van UWV gericht op het aan het werk blijven, bijvoorbeeld door de inzet van ondersteunende voorzieningen als loondispensatie, een jobcoach en het verstrekken van inkomensondersteuning. Voor de mensen zonder werk zet UWV activerende dienstverlening in. Sommige Wajongers zijn direct bemiddelbaar naar werk. Andere jonggehandicapten moeten eerst werkfit gemaakt worden, voordat zij de stap naar de arbeidsmarkt kunnen maken.

Naar een geharmoniseerde activerende dienstverlening

Met de invoering van de Participatiewet is de Wajong alleen nog toegankelijk voor jonggehandicapten zonder arbeidsvermogen. Met de invoeringswet Participatiewet wordt het re-integratiebudget Wajong geleidelijk overgedragen aan het Participatiebudget (integratie-uitkering sociaal domein). Doordat de instroom is gestopt nemen de middelen die UWV de komende jaren kan inzetten om Wajongers activerende dienstverlening aan te bieden jaarlijks af. Dat geldt ook voor de beschikbare middelen voor de inkoop van re-integratietrajecten.

Met het regeerakkoord heeft het kabinet extra geld vrijgemaakt voor persoonlijke dienstverlening aan mensen met een arbeidshandicap. Een gedeelte van dit geld zet ik in voor de activerende dienstverlening aan Wajongers door UWV. Mijn departement heeft in 2017 met UWV afspraken gemaakt over invulling van de dienstverlening met ingang van 1 januari 2018 aan alle Wajongers met arbeidsvermogen, ongeacht de regeling waarin zij zitten. Hiertoe zijn in 2017 en 2018 incidentele middelen toegekend. Doordat er in het regeerakkoord additionele middelen zijn vrijgemaakt kan UWV de afgesproken dienstverlening ook na 2018 voortzetten. Het is van belang om te blijven investeren in Wajongers met arbeidsvermogen, zodat zij actief kunnen deelnemen aan de samenleving. Dit belang wordt onderstreept doordat ultimo 2017 ruim 80 procent van de Wajongers met arbeidsvermogen jonger was dan 35 jaar.

UWV zet in op een actieve en intensieve ondersteuning aan alle Wajongers met arbeidsvermogen. Het is niet bekend hoe lang het opportuun blijft om actief intensieve ondersteuning bij het ontwikkelen van arbeidsmogelijkheden te blijven bieden. Met het oog op doelmatigheid ben ik daarom voornemens om onderzoek hiernaar te starten. Dit onderzoek moet daarbij ook inzicht bieden in hoe in de dienstverlening gevarieerd kan worden in intensiteit. Om het inzicht in de effectiviteit van specifieke instrumenten te verbeteren ben ik daarnaast samen met UWV een kennisprogramma gestart naar de doeltreffendheid van de re-integratie van en dienstverlening voor mensen met een arbeidshandicap.

De effectiviteit van de dienstverlening wordt in belangrijke mate bepaald door vakmanschap van de professionals. Ik ga daarom met UWV in gesprek over hoe en op welke manier UWV inzet op verdere professionalisering van de vakmensen (arbeidsdeskundigen en adviseurs intensieve dienstverlening) die uitvoering geven aan de activerende dienstverlening aan Wajongers. Het eerdergenoemde kennisprogramma draagt ook bij aan een verdere professionalisering van deze vakmensen.

Wajongers die inkomensvormende arbeid gaan verrichten, hebben veelal te maken met tijdelijke arbeidscontracten met veel terugval op de uitkering. De kenmerken van de baan spelen een belangrijke rol bij behoud van werk. Dienstverlening om Wajongers aan de slag te helpen eindigt niet bij het starten van een baan. Naast het aan de slag helpen van Wajongers zet UWV onder andere jobcoaching en andere voorzieningen in om Wajongers aan het werk te houden. Onderdeel van de afspraken over de nadere invulling van de ondersteunende dienstverlening zijn afspraken met UWV over het volgen van werkende Wajongers en hen, op het moment dat zij dreigen uit te vallen, te ondersteunen. UWV heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de handelingsperspectieven van werkgevers, werkbegeleiders, jobcoaches, casemanagers en andere betrokkenen voor het verbeteren van een duurzame uitstroom naar werk van mensen met een arbeidsbeperking4. Deze nieuwe inzichten worden betrokken bij het vormgeven van de activerende dienstverlening aan Wajongers.

Voor Wajongers die arbeidsperspectief hebben, staan werk en de hulp en begeleiding bij het vinden en behouden daarvan voorop. De Wajong2010 kent daarbij, in tegenstelling tot de oWajong, als stok achter de deur een verplichting om een passend werkaanbod te accepteren. Tegenover het recht op een uitkering staat de plicht om een passend werkaanbod te accepteren. De beleidsdoorlichting laat zien dat dit instrument in de praktijk niet of nauwelijks gebruikt is. Gebrek aan motivatie wordt zelden ervaren bij het begeleiden van Wajongers naar werk. Met de indeling van Wajongers in een groep met arbeidsvermogen en een groep zonder arbeidsvermogen, is het mogelijk om de ondersteuning aan deze groepen meer te stroomlijnen, ongeacht of zij behoren tot de oWajong of Wajong2010. Om de oWajong en Wajong2010 te stroomlijnen, verken ik daarom de mogelijkheden om de verplichting om een passend werkaanbod te accepteren in de Wajong2010 te versoepelen.

Werken moeten (meer) lonen

In de beleidsdoorlichting is, mede op verzoek van de Tweede Kamer, het functioneren van de inkomensondersteuning voor werkenden in de oWajong en Wajong2010 in kaart gebracht. Geconcludeerd is dat de regels voor inkomensondersteuning in de oWajong en de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 verbeterd kunnen worden. In de oWajong wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de grondslag van het minimumloon. De oWajong kent een indeling in zes arbeidsongeschiktheids-klassen met een bijbehorende uitkeringshoogte. Bij een arbeidsongeschiktheids-klasse van 80 procent of meer bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70 procent van het wettelijk minimumloon. Dit is 75 procent voor de Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. In de oWajong is de inkomensondersteuning voor mensen die werken, gekoppeld aan de arbeidsongeschiktheidsklasse door middel van een fictieve schatting. Dit maakt dat meer werken niet altijd lonend is. In de voortgezette werkregeling Wajong2010 is het niet lonend om meer te gaan werken als een Wajonger een inkomen van 20 procent van het WML of meer verdient. Het totale inkomen wordt op dat moment, ongeacht de hoogte van het loon, aangevuld tot 100 procent van het WML. Minder gaan werken tot een inkomen van minimaal 20 procent WML heeft, in de voortgezette werkregeling, dus ook geen effect op het totale inkomen.

Het kabinet hecht er belang aan dat wanneer mensen met een arbeidshandicap aan de slag gaan, (meer) werken loont. Daarom ben ik voornemens om de regels voor inkomensondersteuning binnen de Wajong te harmoniseren en te komen tot één systeem van inkomensondersteuning. Bij het uitwerken van deze maatregel zal ik specifiek aandacht schenken aan het behoud van de huidige inkomenspositie van werkende Wajongers. Uiteraard streef ik hierbij een zorgvuldig proces na, waarbij alle betrokkenen hun inbreng kunnen leveren bij de uitwerking van de maatregelen. Het aanpassen van de regels voor inkomensondersteuning vergt wetswijziging. Ik streef naar inwerkingtreding op 1 januari 2020 onder voorbehoud van uitvoerbaarheid.

Regels eindigen recht op oWajong en Wajong2010 harmoniseren

Onder veel mensen in de oWajong en Wajong2010 bestaat de angst dat zij, wanneer zij gaan werken, hun recht op een uitkering verliezen of het niet meer kunnen laten herleven. Deze angst kan een belemmering zijn om te participeren. Dit is bevestigd tijdens de bijeenkomsten die met het veld en ervaringsdeskundigen zijn gehouden in het kader van het project Simpel Switchen in de Participatieketen. Dit project is gestart naar aanleiding van mijn Cedrislezing waarin ik heb gezegd aan de slag te gaan met het veld om de overgangen in de participatieketen te versoepelen. Ik heb uw Kamer hier tijdens verschillende overleggen kort over geïnformeerd.5 Het grootste knelpunt lijkt de regel te zijn, dat je als je een jaar zelfstandig meer dan het WML verdient, het recht op Wajong2010 verliest. Ik ben daarom voornemens om deze regel te schrappen en de regels voor het eindigen van het recht op oWajong en Wajong2010 te harmoniseren. Tijdens de bijeenkomsten over Simpel Switchen in de Participatieketen kwam ook naar voren dat de huidige regels voor het herleven van het recht op oWajong en Wajong2010 mogelijk een belemmering voor Wajongers zijn om te participeren. Ik begrijp de wens om meer zekerheid te hebben en wil daarom onderzoeken op welke manier de huidige regels voor het herleven van het recht uitgebreid kunnen worden. Overkoepelend zet ik samen met UWV in op een verbetering van de communicatie over de huidige regels richting Wajongers om eventuele onduidelijkheid hierover weg te nemen.

Wajong en studie

Iedereen moet kunnen meedoen. Onderwijs biedt mogelijkheden voor ontplooiing en een gelegenheid om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Daarom wil ik belemmeringen om ontwikkelingsmogelijkheden te benutten wegnemen. Een mogelijk neveneffect van de studieregeling in de Wajong2010 met een uitkering van 25 procent WML is dat Wajongers niet starten met een studie of stoppen met een studie teneinde een volledige Wajong-uitkering te ontvangen. Met het oog hierop ben ik voornemens om de studieregeling in de Wajong2010 vanaf 2020 af te schaffen. Wajongers blijven dan in de werkregeling Wajong2010. Hiermee wordt het volgen van een studie voor personen in de oWajong en de Wajong2010 geharmoniseerd en krijgen personen in de Wajong2010 niet meer te maken met een verlaging van de uitkering als zij gaan studeren.

In het kader van het belang van onderwijs voor de participatie van Wajongers, wil ik nader ingaan op de motie Siderius (Kamerstuk 31 497, nr. 188). Uw Kamer heeft met een breed gesteunde motie bij het VAO Passend onderwijs van april 2016 de regering opgeroepen in de Wajong2015 een voorziening te treffen waarmee ernstig meervoudig beperkte leerlingen aanspraak kunnen maken op een uitkering op basis van de Wajong2015. De wenselijkheid en haalbaarheid van een dergelijke voorziening is aan de hand van onderzoek van het CBS nader onderzocht. Ik deel, mede op basis van deze exercitie, de wens van uw Kamer vanuit de overtuiging dat belemmeringen voor ontwikkelingsmogelijkheden moeten worden weggenomen. Waar perspectief op de arbeidsmarkt ontbreekt, dient ontwikkeling door middel van onderwijs gericht op de uitstroom naar dagbesteding een belangrijk sociaal doel. Ik ben dan ook bereid om uitvoering te geven aan de motie Siderius met het doel te voorkomen dat het recht op een uitkering reden is om te stoppen met onderwijs. Het type onderwijs dat wordt gevolgd is hierbij niet relevant. Met deze wijziging wordt de wijze van samenloop van studie en werk in de Wajong2015 in overeenstemming gebracht met die in de oWajong en (zoals voorgenomen) de Wajong2010. Genoemde aanpassingen op het gebied van Wajong en studie vergen wetswijziging. Ik streef naar inwerkingtreding op 1 januari 2020 onder voorbehoud van uitvoerbaarheid.

Verbeteren inzicht in doelmatigheid en doeltreffendheid

De beleidsdoorlichting legt bloot dat door het gebrek aan relevante en actuele informatie de vraag naar doelmatigheid en doeltreffendheid in beperkte mate beantwoord kan worden. Om invulling te geven aan de beleidsdoorlichting, heeft SZW met UWV, zoals hierboven aangegeven, afspraken gemaakt rond monitoring en onderzoek naar de effectiviteit van de dienstverlening. Deze informatie geeft mij de mogelijkheid om beter op doelmatigheid te sturen.

Slotbeschouwing

Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting zet ik een reeks concrete acties in gang die mensen moeten helpen mee te doen. Kort samengevat: Ik ben voornemens om werken lonend te maken waar dat nu niet het geval is, waarbij ik aandacht heb voor het behoud van de huidige inkomenspositie van werkende Wajongers. Verder neem ik belemmeringen om ontwikkelingsmogelijkheden te benutten weg door de studieregeling in de Wajong2010 en de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015 te schrappen. Daarnaast verken ik de mogelijkheden om het passend werkaanbod in de Wajong2010 te versoepelen zodat de oWajong en Wajong2010 meer overeenkomen en harmoniseer ik de regels voor het eindigen van het recht op oWajong en Wajong2010 zodat mensen niet langer bang zijn hun uitkering te verliezen als ze gaan werken.

Het doel van de voorgestelde maatregelen is om belemmeringen voor mensen met een arbeidsbeperking om te participeren weg te nemen en te bevorderen dat zij kunnen deelnemen aan de maatschappij. Hierbij is aandacht voor bestaande rechten. Het kabinet beoogt met de maatregelen om een verbetering te brengen in het perspectief op werk en inkomen van Wajongers die nu nog vaak aan de kant staan. Vanwege deze overwegingen ben ik van mening dat het pakket aan aanpassingen, in lijn met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, een belangrijke verbetering is voor mensen in de Wajong.

De genoemde maatregelen zijn op hoofdlijnen besproken met UWV, sociale partners en de Landelijke Cliëntenraad. Bij de verdere uitwerking van deze maatregelen, streef ik een zorgvuldig proces na, waarbij sociale partners, cliëntenorganisaties en andere betrokkenen wederom hun inbreng kunnen leveren. De uitvoerbaarheid van de maatregelen is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

XNoot
*

Kamerstuk 31 224, nr. 39.

X Noot
3

Prof. dr. F.R.H. Zijlstra is hoogleraar Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Maastricht en directeur van Expertisecentrum Inclusieve Arbeidsorganisatie (CIAO). Prof. dr. S. Brouwer is hoogleraar Sociale Geneeskunde, in het bijzonder arbeidsparticipatie en re-integratie van kwetsbare groepen aan de Rijksuniversiteit Groningen/ Universitair Medisch Centrum Groningen.

X Noot
4

Regioplan – Jonggehandicapten duurzaam aan het werk (29 maart 2018)

X Noot
5

Algemeen Overleg Participatiewet van 8 februari 2018 (Kamerstuk 34 352, nr. 86) en het dertigledendebat over de sociale werkvoorziening nieuwe stijl van 11 april 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 72, item 8).