Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202033566 nr. 106

33 566 Financieel en sociaal-economisch beleid

Nr. 106 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2019

Introductie

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van verschillende dienstverleningsmaatregelen en de eindevaluatie van de sectorplannen. Daarnaast licht ik de mogelijkheden voor scholing in de WW toe en informeer ik u over de voortgang van de regeling tijdelijk scholingsbudget. Tot slot informeer ik uw Kamer in deze brief over de scholingsvouchers en brug-WW, de tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers en de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA).

Eindevaluatie sectorplannen

In mijn brief Dienstverlening naar werk van 24 juni 20191 heb ik u voor het laatst geïnformeerd over de voortgang van de sectorplannen en heb ik de eindevaluatie aangekondigd. Er zijn twee eerdere tussenevaluaties van de Regeling cofinanciering sectorplannen geweest waarover ik uw Kamer in december 20172 en november 20183 heb geïnformeerd.

De Regeling cofinanciering sectorplannen komt voort uit het Sociaal Akkoord van 2013. De hoofddoelen van de regeling waren het overbruggen van de economische crisis en het beter laten functioneren van de arbeidsmarkt. Sociale partners konden binnen sectoren en regio’s plannen indienen met maatregelen om deze doelen te bereiken. De subsidie voor cofinanciering van de sectorplannen is in drie tranches verstrekt. Hieronder informeer ik u over de besteding van het oorspronkelijke budget en bespreek ik de eindevaluatie van de Regeling cofinanciering sectorplannen. Het volledige evaluatierapport is bij deze brief gevoegd4.

Bestedingen

In het kader van deze regeling heeft het vorige kabinet € 600 miljoen vrijgemaakt voor de cofinanciering van de sectorplannen. Niet al deze middelen zijn daadwerkelijk aan de sectorplannen besteed. Tabel 1 bevat een overzicht van hoe het oorspronkelijk budget is benut. Dit overzicht verschilt niet veel van het overzicht uit mijn brief van 24 juni 2019.

Tabel 1: Budget sectorplannen per november 2019
   

Totalen x € mln

Bedragen x € mln

Oorspronkelijk budget sectorplannen

600

 
       

Verplicht aan uitvoeringskosten

10

 

Verplicht aan 100 sectorplannen

323,4

 
 

Waarvan plannen uit 1e en 2e tranche

 

287,9

 

Waarvan plannen uit 3e tranche

 

35,5

Verplicht aan Doorstart naar nieuw werk

108,6

 
 

Waarvan dienstverlening WW door UWV

 

38

 

Waarvan scholingsvouchers kansberoepen (origineel)

 

30

 

Waarvan Regeling DWSRA

 

28,6

 

Waarvan brug-WW

 

10

 

Waarvan mobiliteitscentra UWV

 

2

Verplicht aan motie Kerstens WSW-bedrijven

30

 

Verplicht aan amendementen SZW-begroting 2017

26,1

 
 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 17 bemiddeling over de grens 14 grensregio’s

 

1,4

 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 18 additioneel budget scholingsvouchers

 

20,0

 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 19 voorbereiding programma beroepsziekten

 

0,1

 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 20 klantprofielen gemeenten Kandidaatverkenner

 

3,5

 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 21 team arbeidsmarktdiscriminatie Insp. SZW

 

1,0

 

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 22 ervaringsdeskundigen

 

0,1

Verplicht aan 1000-banenplan Groningen

6,2

 

Verplicht aan ondersteuning door Stichting van de Arbeid

1,0

 

Verplicht aan amendementen SZW-begroting 2018

35,5

 
 

Kamerstuk 34 775 XV, nr. 15 scholingstrajecten richting een kansberoep

 

30,0

 

Kamerstuk 34 775 XV, nr. 17 regionale werkgeversondersteuning

 

5,0

 

Kamerstuk 34 775 XV, nr. 18 re-integratie ex-kankerpatiënten

 

0,5

Verplicht aan motie Segers APB september 2018

Ondersteuning aan kwetsbare mensen

25

 

Verplicht aan amendementen SZW-begroting 2019

6

 
 

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 31 campagne gezond en veilig werken

 

1

 

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 34 verlenging subsidie ambachtsacademie

 

3

 

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 35 aanpak ISZW arbeidsmarktdiscriminatie

 

2

Uit tabel 1 blijkt dat van de oorspronkelijk door het kabinet voor de sectorplannen beschikbaar gestelde € 600 miljoen, € 571,8 miljoen is verplicht. De onderbenutting op het sectorplannenbudget bedraagt dus per november 2019 € 28,2 miljoen. Hiervan is € 14,1 miljoen al teruggevloeid naar de schatkist en daarmee niet meer beschikbaar. Daardoor bedraagt de verwachte budgettaire vrijval van het sectorplannenbudget per november 2019 € 14,1 miljoen voor de resterende periode waarin de financiële afwikkeling van de sectorplannen c.a. plaatsvindt.

Totaalcijfers sectorplannen

De sectorplannen van de drie tranches in totaal hebben ruim 300.000 deelnemers ondersteund. Het totaalbudget van de sectorplannen is ruim € 1 miljard, waarvan € 323,4 miljoen uit cofinanciering vanuit de rijksoverheid komt. Het grootste deel van het totale budget is besteed aan financiële bijdragen voor leerwerkplekken, gevolgd door om- en bijscholing. Voor de derde tranche geldt dat de grootste doelgroep, personen die instromen vanuit de WW, ook het grootste beslag heeft gehad op het budget van de derde tranche.

Eindevaluatie: derde tranche en eindconclusies

Sectorplannen uit de derde tranche zijn anders van opzet dan de eerdere tranches. De derde tranche geeft een extra impuls aan trajecten naar werk, voor zowel werkenden als uitkeringsgerechtigden. De gesubsidieerde maatregelen in de eerste twee tranches waren vooral gericht op het behoud van vakmanschap door onder andere scholing en het bevorderen van duurzame inzetbaarheid. De eerste en tweede tranche zijn eerder aan bod gekomen in de voorgaande twee tussenevaluaties. Met deze brief informeer ik uw Kamer vooral over de derde tranche en over de eindconclusies van de evaluatie.

Deelnemers en budgetten

De meeste sectorplannen in de derde tranche richtten zich op alle vier de mogelijke trajecten; van werk naar werk in hetzelfde beroep, van werk naar werk in een ander beroep, van WW-uitkering naar een baan en vanuit een overige situatie naar een baan. De trajecten zijn er enerzijds op gericht om te zorgen dat mensen een (nieuwe) baan vinden, anderzijds om te voldoen aan de vraag van werkgevers. Alle 24 plannen uit deze tranche zijn inmiddels afgerond.

De eindevaluatie laat zien dat met de 24 sectorplannen in de derde tranche 13.122 deelnemers bereikt zijn. Ten opzichte van de oorspronkelijke ambities van de plannen in deze tranche is het aantal beoogde deelnemers voor 76% gerealiseerd. Tranche 3 was in vergelijking met de voorgaande tranches relatief klein; van alle deelnemers aan de sectorplannen viel ruim 4% in tranche 3.

Van de geplande bestedingen van € 65,6 miljoen is ruim € 58 miljoen (89%) ook daadwerkelijk gerealiseerd. Dit betreft de financiering van de sector en cofinanciering samen; exclusief overhead. Vrijwel alle sectorplannen uit de derde tranche dragen zelf de helft van de kosten bij.

Tabel 2: Gerealiseerd aantal deelnemers en gerealiseerde uitgaven in de derde tranche per thema

Thema

Gerealiseerd aantal deelnemers

Gerealiseerde uitgaven

Vanuit werk naar hetzelfde beroep

1.711

€ 7.691.938

Vanuit werk naar een ander beroep

3.246

€ 13.885.080

Vanuit WW-uitkering naar hetzelfde of ander beroep

4.481

€ 20.878.916

Vanuit overig naar hetzelfde of ander beroep

3.684

€ 15.925.789

Totaal

13.122

€ 58.381.723

Arbeidsmarktpositie deelnemers derde tranche

68% Van de deelnemers uit de derde tranche heeft medio 2019 een baan als werknemer en 8% is werknemer met behoud van een uitkering. 10% is volledig afhankelijk van een uitkering, terwijl 14% procent geen inkomsten heeft uit een baan of uitkering. Deelnemers aan van werk naar werk-trajecten hebben vaker een baan dan deelnemers die een mobiliteitstraject zijn gestart vanuit een situatie zonder werk. De effectiviteit van de sectorplannen is door het ontbreken van een controlegroep echter niet vast te stellen. Wel lijkt de baankans door deelname aan de sectorplannen versterkt, met name voor de groep afkomstig uit een situatie zonder werk.

Conclusie eindevaluatie: zijn de doelen van de Regeling bereikt?

Het eerste doel was het versterken van de arbeidsmarkt. Uit de evaluatie blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de sectorplannen tot een verbetering van de werking van de arbeidsmarkt in deelnemende sectoren en regio’s hebben geleid. Het tweede doel was het overbruggen van de crisis op de arbeidsmarkt. Uit de evaluatie blijkt dat de sectorplannen een beperkte invloed gehad hebben op het bereiken van dit doel.

Versterken van de arbeidsmarkt

De sectorplannen hebben op verschillende manieren kunnen bijdragen aan het versterken van de arbeidsmarkt. Uit de evaluatie blijkt dat de sectorplannen op het niveau van de individuele deelnemers tot positieve effecten hebben geleid. Dankzij de Regeling cofinanciering sectorplannen hebben deelnemers (meer) activiteiten ondernomen die zij zonder de regeling niet of minder ondernomen zouden hebben. Door deelname aan deze activiteiten zijn hun arbeidsmarktpositie, kansen en competenties verbeterd.

Ook hebben de sectorplannen de arbeidsmarkt versterkt door het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod. De sectorplannen in de derde tranche hebben zich gericht op intersectorale mobiliteit en hebben hier specifiek aan bijgedragen.

De sectorplannen hebben over het algemeen gezorgd voor nieuwe of verbeterde samenwerking tussen partijen op de arbeidsmarkt. Ook zijn sociale partners actief op nieuwe beleidsterreinen door de sectorplannen. Veel van de arbeidsmarktpartijen verwachten dat het effect van de sectorplannen op hun samenwerking ook na afloop behouden blijft. De evaluatie toont aan dat het plausibel is dat de grotere betrokkenheid en inspanningen bij de sociale partners hebben bijgedragen aan een betere werking van de arbeidsmarkt omdat de focus van de sectorplannen op het oplossen van concrete knelpunten op de arbeidsmarkt lag.

Overbruggen van de crisis op de arbeidsmarkt

De Regeling cofinanciering sectorplannen heeft gezorgd voor financiering van maatregelen waar vanwege de crisis bij werkgevers en sectorfondsen minder geld voor beschikbaar was. Tegelijkertijd konden veel maatregelen door het proces van regelgeving, overleg en planning pas na afloop en/of tijdens de opgaande lijn van de crisis uitgevoerd worden. Voor het overbruggen van de crisis zijn de sectorplannen vooral van waarde geweest als financieringsbron voor instrumenten die onder druk stonden, zoals leerwerkplekken. De meeste maatregelen zijn uitgevoerd toen er sprake was van een zichtbaar herstel van de economie.

De vormgeving van de sectorplannen zorgde voor knelpunten waardoor de sectorplannen beperkt hebben bijgedragen aan het overbruggen van de crisis. Zonder sectorfonds was het voor sectoren bijvoorbeeld moeilijker om een sectorplan van de grond te krijgen, onder meer vanwege de eis van eigen financiering en de garantstelling die daarbij hoorde. Bij de sectorplannen in de eerste twee tranches vielen werknemers, waarvan hun werkgever in de crisis failliet ging, over het algemeen buiten de doelgroep van de plannen. Tenslotte was de wijze van subsidiering van de overheadkosten een knelpunt doordat deze gesubsidieerd werden als percentage van het totale budget van het sectorplan. Hierdoor was er voor kleine plannen relatief weinig subsidie voor de overheadkosten, wat per saldo leidde tot aanzienlijke kosten voor de primaire uitvoerder die problematisch konden zijn.

De open manier waarop de regeling is opgezet, de rol van de sociale partners in de sectorplannen en de arbeidsmarktanalyse zijn kenmerken van de regeling die hebben bijgedragen aan het draagvlak voor zowel de identificatie van arbeidsmarktknelpunten als voor de maatregelen om deze op te lossen. De verplichte eigen financiering en de rol van de sociale partners zijn kenmerken van de regeling die hebben bijgedragen aan een selectief bereik van de sectorplannen.

Aanbevelingen eindevaluatie

Uit de eindevaluatie volgt ook een aantal aanbevelingen. Bij een volgende crisis is de planning van de inwerkingstelling van een regeling zoals de sectorplannen cruciaal. Door een betere timing van een anticyclische maatregel kan werkloosheid effectiever worden voorkomen. Ook stellen de onderzoekers dat in de vormgeving van de regeling meer aandacht gegeven zou kunnen worden aan de deelname van werkenden in minder goed georganiseerde sectoren. Tenslotte zou er tijdens een volgende crisis nog meer gericht kunnen worden op het voorkomen van werkloosheid van werkenden, bijvoorbeeld door meer aandacht voor intersectorale mobiliteit zoals in de derde tranche van de regeling.

Scholing in de WW

Tijdens het debat over tekorten op de arbeidsmarkt van 12 september jl. (Handelingen II 2018/19, nr. 108, item 5) heeft dhr. Van Kent (SP) aandacht gevraagd voor scholing in de WW en mij verzocht te kijken naar belemmeringen voor scholing in de WW in relatie tot beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en meer ruimte voor scholing richting beroepen waar veel vraag naar is, zogenoemde kansberoepen. Ik heb toegezegd naar eventuele belemmeringen te kijken. In hetzelfde debat heb ik toegezegd uw Kamer te infomeren over het gebruik van het tijdelijk Scholingsbudget. Hieronder ga ik op beide in.

Scholing kan een belangrijke bijdrage leveren aan het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het is vanwege de tijds- en financiële investering belangrijk dat scholing gericht wordt ingezet. Voor scholing vanuit de WW zijn daarbij de arbeidsmarktpositie van de werkzoekende en de arbeidsmarktgerichtheid van de scholing van belang.

Indien UWV scholing voor een werkzoekende noodzakelijk acht om nieuw werk te vinden, kan de werkzoekende het traject volgen met behoud van uitkering en vrijstelling van de sollicitatieplicht. Een scholingstraject wordt noodzakelijk geacht als de werkzoekende zonder de scholing geen passende baan kan uitoefenen. Het gaat om de combinatie van de arbeidsmarktpositie van de werkzoekende en de arbeidsmarktgerichtheid van de scholing.

Ook als UWV scholing niet noodzakelijk acht, kan de werkzoekende met een werkloosheidsuitkering op eigen initiatief scholing volgen met behoud van uitkering. Er geldt dan echter geen vrijstelling van de sollicitatieplicht. De werkzoekende moet dus beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt en kan de scholing alleen vervolgen als er bij een passende baan geen belemmeringen zijn om de scholing te kunnen volgen naast het werk. Voor een WW-gerechtigde bij wie scholing niet noodzakelijk geacht wordt, kan deze voorwaarde belemmerend zijn voor het volgen van scholing. Desalniettemin is het wenselijk dat UWV kan toetsen of een opleiding dermate nuttig is dat deze een vrijstelling van de sollicitatieplicht verantwoord maakt. Het is niet wenselijk om alle scholing richting beroepen waar veel vraag naar is als noodzakelijk te beschouwen. Voor de ene werkzoekende biedt het kansen omdat het de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint. Voor een ander kan scholing de afstand tot de arbeidsmarkt tijdelijk vergroten omdat de werkzoekende ook zonder de scholing goede kans heeft op het vinden van werk en omdat deze werkzoekende bij scholing een periode niet actief kan zoeken naar werk. Het gaat dus om maatwerk.

Ik blijf op zoek naar mogelijkheden om leven lang ontwikkelen in de sociale zekerheid te stimuleren. Op uw verzoek heb ik in september 20185 de SER verzocht tot het opstellen van een inventarisatie van de knelpunten voor leven lang ontwikkelen in de sociale zekerheid. De inventarisatie wordt momenteel afgerond en zal op korte termijn met uw Kamer gedeeld worden.

Tijdelijk scholingsbudget

Sinds 1 juli 2018 beschikt UWV over het tijdelijke scholingsbudget voor WW-gerechtigden. In totaal is hiervoor € 30 miljoen beschikbaar tot met 2020, waarvan € 11 miljoen voor 2019.

Met het tijdelijk scholingsbudget koopt UWV met het beschikbare budget scholing in voor werkzoekenden met een grote kans op langdurige werkloosheid. Het is belangrijk dat de scholing gericht wordt ingezet. Er moet sprake zijn van scholing richting een kans- of krapteberoep6 of een concrete baan die in het vooruitzicht is gesteld binnen een arrangement met een werkgever. UWV zet scholing richting een kans- of krapteberoep in, als het voor de betrokkene de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint. In dat geval geldt dan ook vrijstelling van de sollicitatieplicht gedurende de scholing.

In mijn brief van 24 juni 20197 heb ik uw Kamer ingelicht over verschillende maatregelen om het gebruik van de regeling te vergroten. Zo is de regeling actief onder de aandacht gebracht bij WW-gerechtigden en is er meer ruimte voor maatwerk gevonden in een hogere financiële bijdrage en een langere duur van de scholing.

Mede dankzij deze maatregelen is het gebruik van de regeling gestegen. Tot en met september 2019 zijn er 4.131 aanvragen goedgekeurd voor een bedrag van € 8,7 miljoen. Op basis van de huidige realisatie verwacht UWV dat het budget voor 2019 bijna volledig zal worden uitgeput. 2.028 van de scholingstrajecten hebben betrekking op krapteberoepen. 66% van de scholingen is ingezet voor WW-gerechtigden van 45 jaar en ouder. De meeste opleidingen zijn gericht op beroepen in het transport en logistieke beroepen (31%), beroepen in techniek en bouw (12%) en ICT-beroepen (11%).

Per juli 2019 is het binnen de regeling mogelijk om voor scholing richting een krapteberoep af te wijken van het maximumbedrag van € 2.500,– per toekenning. Voor scholing in combinatie met een baangarantie of -intentie kon al worden afgeweken van het maximumbedrag. Deze aanpassing heeft vooralsnog geen gevolgen gehad voor de gemiddelde kosten van een scholingstraject; deze blijft stabiel rond de € 2.100,–. Het aandeel toekenningen van boven de € 2.500,– is ook gelijk gebleven sinds de aanpassing: grofweg 26%.

Scholingsvouchers en brug-WW

Het tijdelijke scholingsbudget voor WW-gerechtigden dat vanaf 1 juli 2018 beschikbaar is, werd voorafgegaan door de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep, de «scholingsvouchers». Met deze vouchers zijn van mei 2016 tot en met december 2017 werkzoekenden ondersteund om scholing te volgen richting een kansberoep. Brug-WW bood tot 1 april 2018 werkzoekenden met een WW-uitkering de mogelijkheid deels te werken bij een nieuwe werkgever en tegelijkertijd noodzakelijke (bij- of om)scholing te volgen vanuit de WW. Beide regelingen zijn gefinancierd met middelen die vrijgekomen zijn uit de onderuitputting van de sectorplannen. Op mijn verzoek heeft Panteia onderzoek gedaan naar de beide regelingen. Bijgaand is de evaluatie van deze regelingen8.

Het trekken van harde conclusies over de resultaten en doeltreffendheid van de brug-WW is beperkt mogelijk door zowel het beperkte gebruik als de lage respons op de enquête van brug-WW deelnemers (40 van de 104) en werkgevers (13 van de 96). Bij bijna alle deelnemende werkgevers is de bereidheid gestimuleerd om te investeren in nieuwe werknemers. Van de deelnemende werknemers geeft 78% aan dat zij dankzij de inzet van brug-WW hun huidige baan hebben kunnen verkrijgen.

Met het beperkte aantal deelnemers heeft de brug-WW niet aan de verwachtingen voldaan. Om inzicht te krijgen in het beperkte gebruik heb ik eind 2017 onderzoek gedaan naar de achtergronden van het beperkte gebruik van de brug-WW. Op basis van dit onderzoek heb ik in mijn brief van 12 december 20179 reeds de conclusie getrokken dat de brug-WW geen antwoord biedt op de mogelijke mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

Met betrekking tot de scholingsvouchers valt te concluderen dat ongeveer 60% van de deelnemers (voormalig) WW-er is en ook ongeveer 50% is ouder dan 50 jaar. Ongeveer een derde van de deelnemers had een mbo-opleiding als hoogst afgeronde vooropleiding. «Economisch: financieel-commercieel» en «Transport en logistiek» zijn de meest gekozen kanssectoren waarin deelnemers een opleiding gingen volgen. De meest gekozen kansberoepen zijn «marketingmedewerker/online-marketeer», «commercieel medewerker binnendienst» en «vrachtwagenchauffeur».

Door de scholingsvouchers zijn 20.330 deelnemers gestimuleerd om zich te gaan scholen. Het onderzoek laat zien dat de beschikbaarheid van financiële ondersteuning van scholing de scholingsbereidheid stimuleert.

Ongeveer 33% van de deelnemers geeft aan dat zij een opleiding of EVC-traject zijn gaan volgen, die zij zonder de scholingsvoucher niet zouden hebben gedaan. De inzet van de scholingsvouchers heeft erin geresulteerd dat 83% van de deelnemers de studie heeft afgerond binnen de nominale periode, exclusief degenen die op het moment van enquêteren nog in opleiding waren.

Aangezien de effecten naast de inzet van beleidsinstrumenten ook beïnvloed worden door contextfactoren is er geen netto-effectiviteitsonderzoek mogelijk. Een aanpak met vergelijkbare controlegroepen waarmee de mogelijke invloed van contextfactoren wordt geminimaliseerd, is onmogelijk. Uit de enquête blijkt dat bijna 70% van de deelnemers vindt dat zijn arbeidsmarktpositie is verbeterd als gevolg van het volgen van de opleiding. Van de (voormalige) deelnemers die een nieuwe baan vonden (68%), heeft het grootste deel (43%) deze baan zowel in een andere functie als andere sector gevonden. Een derde van de deelnemers die een nieuwe baan heeft gevonden schrijft het bemachtigen van deze baan toe aan de inzet van de scholingsvouchers.

Gebruikers zijn overwegend positief over de laagdrempelige toegang tot gebruik van de scholingsvoucher. Dat heeft er echter ook toe geleid dat vouchers terecht zijn gekomen bij deelnemers, die de opleiding ook gedaan zouden hebben als de subsidie er niet geweest was. Ook zijn mensen gaan scholen waarbij scholing op dat moment niet noodzakelijk was voor de verbetering van hun arbeidsmarktpositie. Aannemelijk is echter dat de arbeidsmarktpositie van alle deelnemers verbeterd is, doordat zij een opleiding of scholing hebben gevolgd.

Eerder heb ik u geïnformeerd over het feit dat een deel van de verstrekte subsidie niet op de juiste wijze is gebruikt10. Uit onderzoek naar de rechtmatigheid van de besteding van de scholingsvouchers is bij 22% van de aanvragers een reden tot (gedeeltelijke) terugvordering geconstateerd. Uit gegevens van UWV blijkt dat ongeveer 50% van de terug te vorderen bedragen inmiddels is ontvangen. Voor de overige gevallen blijft UWV inzetten op terugvorderen, dan wel verrekenen van de ten onrechte ontvangen bedragen.

Ik zal de resultaten van het onderzoek naar het effect en van het onderzoek naar rechtmatigheid betrekken bij toekomstige regelingen, waaronder het STAP-budget.

Tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers

De tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers is onderdeel van het Actieplan Perspectief voor Vijftigplussers. Loopbaanadviseurs kunnen werkende vijfenveertigplussers een ontwikkeladvies geven en daarvoor een subsidiebedrag van € 600,– aanvragen. Het doel van het ontwikkeladvies is dat het deelnemers stimuleert om de regie van hun loopbaan in eigen handen te nemen.

Het gebruik van de tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers is flink toegenomen sinds de regeling vanaf 2019 voor alle werkenden van 45 jaar en ouder is opengesteld. Er is een budget van € 15 miljoen beschikbaar dat voldoende is voor 25.000 adviezen. Wanneer de regeling sluit op 10 januari 2020 is de verwachting dat er circa 25.000 deelnemers gebruik hebben gemaakt van een ontwikkeladvies.

De evaluatie van deze regeling is onderdeel van de algehele evaluatie van het actieplan «Perspectief voor Vijftigplussers» en zal in het voorjaar 2020 aan uw Kamer worden gezonden.

Evaluatie DWSRA

De tijdelijke regeling dienstverlening werkzoekenden en samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA) richt zich op innovatieve arbeidsmarktprojecten. De subsidieperioden voor de eerste en voor de tweede tranche van projecten op grond van de subsidieregeling zijn geëindigd ultimo 2018 respectievelijk ultimo juni 2019. Een onderzoeksbureau is aan de slag met de eindevaluatie van de regeling. Het voornemen is om het rapport van het onderzoek aan uw Kamer te zenden in het voorjaar van 2020.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 33 566, nr. 105.

X Noot
2

Kamerstuk 33 566, nr. 101.

X Noot
3

Kamerstuk 33 566, nr. 103.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Kamerstuk 30 012, nr. 92.

X Noot
6

Een krapteberoep is een beroep waarvoor meer vacatures bestaan dan potentiële sollicitanten. Een kansberoep is een beroep waarvoor de kans op werk hoger dan gemiddeld is, relatief aan de gehele arbeidsmarkt.

X Noot
7

Kamerstuk 33 566, nr. 105.

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
9

Kamerstuk 33 566, nr. 102.

X Noot
10

Kamerstuk 33 566, nr. 103.