Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202024515 nr. 494

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 494 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 oktober 2019

In mijn brief van 1 april 2019, waarin ik u de ambities van het kabinet voor het reduceren van de armoede onder kinderen presenteerde, heb ik aangegeven met de gemeenten en de VNG de ambities uit te werken en u in de zomer daarover te informeren.1 Met deze brief geef ik u een overzicht van de acties ter uitwerking van de ambities. Ook geef ik uitwerking aan de motie van het lid Bruins c.s. over een extra tussenevaluatie bestuurlijke afspraken Rijk-VNG kinderarmoede2 en de motie van het lid Segers over extra ondersteuning van kwetsbare mensen op het terrein van armoede en schuldhulpverlening.3 Deze acties zijn aanvullend op het lopende beleid rondom (kinder)armoede. Sinds 2017 stelt het rijk extra middelen ter beschikking aan gemeenten en maatschappelijke organisaties voor de aanpak van kinderarmoede. Uit een eerste evaluatie blijkt dat gemeenten steeds meer kinderen in armoede bereiken.4

De vier ambities samen zijn erop gericht de armoede onder kinderen verder te reduceren via gerichte acties die zoveel mogelijk in samenhang worden opgepakt. Het kabinet en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hechten er belang aan dat ieder kind dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit kan meedoen aan zinvolle maatschappelijke en sociale activiteiten en hier niet van worden buitengesloten vanwege de financiële positie van de ouders (ambitie 1).

De armoede onder kinderen is onlosmakelijk verbonden met de financiële positie van hun ouders. Om armoede onder kinderen aan te pakken is het dan ook nodig aandacht te hebben voor zowel de financiële als ook de sociale positie van de ouders. Daarom is de inzet om het aantal huishoudens met kinderen dat te maken heeft met een laag inkomen de komende jaren een dalende trend te laten zien (ambitie 2). Armoede kan een negatief effect hebben op het leven van kinderen, op hun kansen en op de ontwikkeling van hun talenten. Om daar de goede aanpakken voor te maken is inzicht nodig in wat het voor kinderen betekent om in armoede te leven. Via onderzoek wil ik in beeld te brengen hoe ze de armoede ervaren, met welke intensiteit en gevolgen op meerdere leefgebieden. Met ambitie drie komt dan ook periodiek kwalitatief inzicht in de brede kansarmoede onder kinderen. Vervolgens is de vierde ambitie om vanuit deze verschillende maar met elkaar samenhangende ambities de goede, aansprekende voorbeelden te verzamelen en ter inspiratie breed te verspreiden, zodat we kunnen tonen hoe vanuit verschillende invalshoeken de armoede onder kinderen integraal aan te pakken.

In het overzicht in de bijlage treft u per ambitie informatie aan over de verschillende acties ter uitwerking van de ambities en de uitwerking van de motie van het lid Bruins c.s. en motie van het lid Segers5. In de brief van 27 juni 2019 «Voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland» heb ik aangegeven op welke wijze de (kinder)armoede op Caribisch Nederland wordt bestreden en dat ik met de openbare lichamen in gesprek ga over de verdere invulling van de reductiedoestelling op Caribisch Nederland.6

Hiermee zetten we samen met gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties de goede stappen om het integrale beleid en de infrastructuur in gemeenten en de aanpak van maatschappelijke organisaties gericht op het voorkomen en bestrijden van armoede onder kinderen te versterken. Tegelijkertijd, zoals ik in de brief van 1 april heb aangegeven, werken we eraan om in 2021 een breed beeld te hebben van hoe de armoede onder kinderen zich zowel kwalitatief als kwantitatief ontwikkelt. Het periodieke inzicht is ook aanleiding voor alle partijen, Rijk en gemeenten, om hier vanuit hun verantwoordelijkheden mee aan de slag te gaan, zodat we er samen gericht aan kunnen blijven werken dat alle kinderen in Nederland zich optimaal kunnen ontplooien.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Kamerstuk 24 515, nr. 484

X Noot
2

Kamerstuk 24 515, nr. 479

X Noot
3

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 25

X Noot
4

Kamerstuk 24 515, nr. 455

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Kamerstuk 35 000 IV, nr. 61