34 775 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2018

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

     

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

       

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       

1.

Leeswijzer

4

       

2.

Beleidsagenda

8

2.1

Beleidsprioriteiten

8

2.2

Budgettaire ontwikkeling SZA-kader

28

2.3

Overzichtstabel voor beleidsagenda

33

2.4

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

36

2.5

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

38

2.6

Overzicht van risicoregelingen

39

       

3.

Beleidsartikelen

41

 

Artikel 1 Arbeidsmarkt

41

 

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

55

 

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

71

 

Artikel 4 Jonggehandicapten

81

 

Artikel 5 Werkloosheid

86

 

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

94

 

Artikel 7 Kinderopvang

102

 

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

109

 

Artikel 9 Nabestaanden

117

 

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

122

 

Artikel 11 Uitvoering

127

 

Artikel 12 Rijksbijdragen

134

 

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

137

       

4.

Niet-beleidsartikelen

144

 

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

144

 

Artikel 98 Algemeen

149

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

151

       

5.

Departementspecifieke informatie

152

5.1

Sociale fondsen SZW

152

5.2

Koopkracht en specifieke inkomenseffecten

157

5.3

Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden

173

       

6.

Bijlagen

 

175

 

Bijlage 6.1

Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen

175

 

Bijlage 6.2

Verdiepingshoofdstuk

177

 

Bijlage 6.3

Moties en toezeggingen

200

 

Bijlage 6.4

Subsidieoverzicht

238

 

Bijlage 6.5

Evaluatie- en overig onderzoek

242

 

Bijlage 6.6

Lijst van afkortingen

250

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het jaar 2018 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2018. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2018.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2018 vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

B. BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1: LEESWIJZER

Opbouw begroting

De begroting van SZW is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV). Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 5 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 6 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) vallen en zijn enkele ingevolge de RBV verplichte tabellen opgenomen en toegelicht.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2018 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zes van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2018 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2018 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat drie niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven en de middelen die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

Departementspecifieke informatie

Voor de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomenseffecten» zijn geen RBV-modellen voorgeschreven. De horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is op de RBV gebaseerd, hoewel voor deze bijlage geen model is voorgeschreven.

Bijlagen

De begroting van SZW bevat zes bijlagen. De eerste vijf van deze bijlagen zijn op basis van de RBV verplicht. Deze bijlagen betreffen de Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en de Zelfstandige Bestuursorganen, het Verdiepingshoofdstuk, de bijlage Moties en Toezeggingen, het Subsidieoverzicht en het overzicht Evaluaties en Overig Onderzoek. De lijst van afkortingen is niet verplicht.

Agentschap SZW

Per 1 januari 2018 wordt het baten-lasten agentschap van SZW (Agentschap SZW) omgevormd tot een directie binnen het kerndepartement. Nu de programmaperiode ESF 2007–2013 is afgerond, is de omvang van de orderportefeuille afgenomen. De agentschapstatus is daardoor minder passend. In deze begroting wordt daarom geen begrotingsstaat voor het agentschap en geen afzonderlijke agentschapsparagraaf meer opgenomen. De apparaatskosten van de directie worden vanaf de begroting voor 2018 opgenomen op artikel 96. In het SZW-jaarverslag over 2017 zal voor de laatste keer de agentschapsparagraaf voor AGSZW worden opgenomen. Hierin worden de baten en lasten 2017 en de balanspositie per 31 december 2017 gepresenteerd.

De opheffing van de agentschapstatus vindt plaats conform de in artikel 8 van de Regeling Agentschappen voorgeschreven procedure. Conform deze procedure is het Ministerie van Financiën ingelicht over het voornemen tot opheffing en wordt de Tweede Kamer na afronding van de procedure achteraf geïnformeerd bij de formele publicatie van de opheffing in de Staatscourant.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en SZA-kader

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf SZA-kader) en in het verdiepingshoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven.

Groeiparagraaf

Indicatoren

De in de brief «Indicatoren in de SZW-begroting» van 3 juni 2016 aangekondigde trajecten voor indicatoren op de langere termijn zijn als volgt verwerkt:

  • Artikel 1 «Arbeidsmarkt» geeft cijfers over Inspectie SZW en over zelfstandigen.

  • Artikel 11 «Uitvoering» bevat voortaan voor het UWV en de SVB indicatoren over doelmatigheid en klantgerichtheid naast de al eerder opgenomen indicator voor rechtmatigheid.

  • Een toelichting over de meetbaarheid van beleidseffecten van het re-integratiebeleid staat in de paragraaf beleidsprioriteiten. Hier staan ook de uitkomsten uit het onderzoek naar het handhavingsbeleid op de sociale zekerheidswetten.

In reactie op het onderzoek van de Algemene Rekenkamer over Inburgering heeft de Minister van SZW toegezegd de aanbeveling van de AR rondom de structurele toevoeging van informatie over leningen en kwijtscheldingen te verwerken in de begroting. Artikel 13 «Integratie en maatschappelijke samenhang» presenteert deze nieuwe kengetallen. Ook presenteert artikel 13 nieuwe indicatoren over integratie.

Fiscale regelingen

In de artikelen 1, 3, 4 en 8 wordt een overzicht gegeven van fiscale regelingen die betrekking hebben op het beleidsterrein van SZW. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota.

Aflopende regelingen

Artikel 97 «Aflopende regelingen» komt niet voor in de RBV en is met ingang van begroting 2018 vervallen. Vanaf deze begroting worden de eventuele budgettaire effecten van aflopende regelingen geboekt op het artikel waar deze regelingen zijn opgenomen. Naar huidige inzichten zijn deze budgettaire effecten overigens nihil.

Wet tegemoetkomingen loondomein

De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) en onderliggende regelingen staan vanaf heden niet langer onder Artikel 99, maar onder Artikel 1 «Inkomensoverdrachten». Het betreft de volgende regelingen:

  • Lage-inkomensvoordeel (LIV);

  • Loonkostenvoordelen (LKV);

  • Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon (Jeugd-LIV).

Koopkracht

De koopkrachtparagraaf bevat nu inzichten in de zogenoemde «doorgroeival». Dit is toegezegd in de Kamerbrief (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 71) die reageert op de motie van Tweede Kamerlid Van Weyenberg (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 44).

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet (CW) is in artikel 19 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid Minister». De Staatssecretaris wordt hier niet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de CW niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. Macrobudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 8 (AOW, pensioenbeleid), 9 (Anw) en 11 (uitvoeringskosten SVB). Dit ongeacht het feit dat de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris in de beleidsartikelen niet expliciet bij «Rol en verantwoordelijkheid» wordt vermeld.

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbevelingen.

HOOFDSTUK 2: BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten

2.1.1 Positieve vooruitzichten, met oog voor voortdurende aandachtspunten

Demissionaire status kabinet

Sinds de verkiezingen van maart 2017 is het huidige kabinet demissionair en handelt het lopende zaken af. De begroting van het kabinet voor 2018 staat in het teken van de uitvoering en implementatie van bestaand beleid. De Tweede Kamer heeft lopende de kabinetsformatie ingediende wetten op het gebied van kinderopvang, de transitievergoeding, zwangerschaps- en bevallingsverlof en de bevoegdheden van ondernemingsraden over de beloningen van bestuurders controversieel verklaard. Bij Voorjaarsnota 2017 zijn maatregelen genomen om de begroting op orde achter te laten. Zo is afgezien van de taakstelling op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet (ZW) en de invoering van de kostendelersnorm AOW. Verder is vanaf 2019 € 44 miljoen vrijgemaakt voor het behoud van de artsencapaciteit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

De arbeidsmarkt is in veel opzichten de crisis te boven...

De economie en de arbeidsmarkt zijn in veel opzichten hersteld van de crisis. Het aantal banen en werkenden is op dit moment groter dan ooit (tabel 2.1). De netto arbeidsparticipatie is over de hele linie toegenomen (tabel 2.2). De werkloosheid ligt op het laagste niveau in ruim zes jaar tijd, al is deze nog wel hoger dan voor de economische crisis in 2008 (figuur 2.1). Het aantal vacatures is flink gestegen en is nu hoog, net als het consumentenvertrouwen. In 2018 verwacht het CPB een verdere groei van de werkgelegenheid en een daling van de werkloosheid. Een teken van die groei is dat er in steeds meer sectoren sprake is van lastig te vervullen vacatures. Deze ontwikkelingen bieden perspectief aan werkenden en werkzoekenden.

De huidige situatie op de arbeidsmarkt staat in scherp contrast met de stand van de economie en op de arbeidsmarkt toen het kabinet in 2012 aantrad. Het kabinet heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om de overheidsfinanciën op orde te brengen, heeft hervormingen doorgevoerd en tegelijkertijd de gevolgen van de crisis zoveel mogelijk beperkt en eerlijk verdeeld. Mede dankzij deze inspanningen staat Nederland er relatief goed voor. Het kabinet laat een stevige basis achter voor de komende jaren.

Figuur 2.1: Kerncijfers conjunctuur

Figuur 2.1: Kerncijfers conjunctuur
Tabel 2.1 Kerncijfers werkloosheid 2016, gemiddelden per jaar1
 

2014

2015

2016

Werkloosheidspercentage

7,4

6,9

6,0

 

waarvan 15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

12,7

11,3

10,8

 

waarvan migrantenjongeren

21,7

19,9

18,1

 

waarvan 25 tot 45 jaar

6,3

5,6

4,6

 

waarvan 45 tot 75 jaar

6,6

6,5

5,6

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

660

614

538

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.214

8.294

8.403

X Noot
1

CBS, Statline.

Tabel 2.2 Kerncijfers netto arbeidsparticipatie1 (%)
   

2014

2015

2016

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

64,9

65,4

65,8

15 tot 75 jaar

vrouwen

59,6

60,3

60,9

 

mannen

70,1

70,4

70,8

15 tot 25 jaar

vrouwen

58,8

61,7

62,1

 

mannen

58,7

59,9

59,6

25 tot 35 jaar

vrouwen

79,0

79,6

79,9

 

mannen

86,3

86,6

87,2

35 tot 45 jaar

vrouwen

76,7

77

77,6

 

mannen

88,3

89,1

89,4

45 tot 55 jaar

vrouwen

74,3

74,8

76,1

 

mannen

86,1

86,9

87,7

55 tot 65 jaar

vrouwen

50,4

52,4

54,2

 

mannen

69,4

71,1

72,8

65 tot 75 jaar

vrouwen

5,6

5,6

5,2

 

mannen

16,6

15,1

15,1

         

Moeders (lid van ouderpaar)

 

76,6

76,7

77,6

Vaders (lid van ouderpaar)

 

90,9

90,4

90,8

         

Alleenstaande moeders

 

59,7

59,5

62,2

Alleenstaande vaders

 

75,9

75,7

76,3

         

Moeders met jonge kinderen (0–11)

75,5

75,9

76,5

Vaders met jonge kinderen (0–11)

93,4

93

93,2

X Noot
1

CBS.

... maar er blijven de komende jaren aandachtspunten op SZW-terrein bestaan

Het kabinet heeft de afgelopen jaren verschillende knelpunten op de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid aangepakt. De positieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt laten echter onverlet dat er voortdurende vraagstukken zijn op het terrein van SZW die de komende jaren om aandacht vragen. Zo werkt nog niet iedereen die kan of wil werken en profiteren langdurige werklozen minder van het herstel. De lonen stijgen vooralsnog gematigd, ondanks de groei van de arbeidsproductiviteit en de daling van de werkloosheid. Dit komt mede doordat er nog een omvangrijk onbenut arbeidspotentieel is van ruim een miljoen mensen. Het CPB verwacht dat de contractloonstijging in de komende jaren weer aantrekt. De groei van de economie en werkgelegenheid bereikt dus nog niet alle Nederlanders. Ook blijven integratie, specifiek het tegengaan van sociale spanningen en radicalisering, en het bevorderen van sociale cohesie aandachtspunten.

Tabel 2.3 Positie in de werkkring1 (gemiddeld, x 1.000)
 

2014

2015

2016

Werknemers

6.860

6.909

7.000

 

waarvan werknemers met vaste arbeidsrelatie

5.172

5.143

5.158

 

waarvan werknemers met flexibele arbeidsrelatie

1.688

1.767

1.841

Zelfstandigen

1.354

1.384

1.403

X Noot
1

CBS, Statline.

De volgende paragrafen gaan in op het beleid in 2018, dan volgt een doorkijk naar vraagstukken die ook op de lange termijn een rol zullen spelen. Tot slot staan in paragraaf 2.1.3 de indicatoren over sectorplannen en handhaving, zoals toegezegd aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 12).

2.1.2 Beleidsthema’s

Het beleid van het huidige kabinet voor het komende jaar is onder te verdelen in drie pijlers: werken aan goed werk, meedoen in de samenleving en een solidair sociaal stelsel. Hierna wordt aan de hand van deze pijlers het beleid voor het komende jaar toegelicht en een doorkijk gegeven.

Ruimte voor de uitvoering

De uitvoering is onmisbaar bij het verwezenlijken van beleid. De afgelopen jaren heeft het kabinet veel gevraagd van gemeenten en uitvoeringssorganisaties. Het implementeren van nieuw beleid vergt veel capaciteit en aanpassingsvermogen. Het is belangrijk dat de uitvoeringsorganisaties en gemeenten ook de gelegenheid krijgen om hun dienstverlening te optimaliseren en verbeteren, zodat de uitvoering nog effectiever wordt en beter aansluit op de behoeften van burgers. Om dit te realiseren is het van groot belang de uitvoering de ruimte en handvatten te bieden die nodig zijn. Dit geldt voor zowel het UWV, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Belastingdienst als voor de gemeenten.

De Algemene Rekenkamer constateerde begin 2017 in het rapport «UWV, balanceren tussen ambities en middelen» (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 586) dat het UWV de afgelopen jaren de taken adequaat heeft uitgevoerd, maar dat dit een wissel heeft getrokken op de organisatie. Onder meer de ICT-component van de uitvoering is een belangrijk knelpunt, ook bij het realiseren van nieuwe plannen. De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zijn ter harte genomen en ook in 2018 wordt er gewerkt aan het verbeteren van inzicht in en de relatie met de uitvoering.

Voorbeelden die zich richten op het verbeteren van de dienstverlening zijn:

  • In het programma sociaal domein pakken gemeenten, Rijk (de Ministeries van V&J, BZK, VWS, SZW en OCW) en andere partijen de komende vier jaar samen uitdagingen naar aanleiding van de decentralisaties op (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 477, nr. 17). Het doel van de decentralisaties is dat gemeenten integraal en met maatwerk burgers kunnen ondersteunen die dat nodig hebben. Het programma sociaal domein wil door middel van de interdepartementale en interbestuurlijke aanpak dit proces verbeteren en versnellen. Het richt zich hierbij op het opsporen en wegnemen van barrières die concrete oplossingen in de weg staan bij complexe situaties van burgers. Daarnaast spelen aanpalende terreinen als veiligheid, wonen en schuldhulpverlening een belangrijke rol. Zo kunnen bij kwetsbare personen door vroegsignalering en een gezamenlijke aanpak, veel leed voor de betrokkenen en hoge maatschappelijke kosten (criminaliteit, overlast) worden voorkomen.

  • In de Werkkamer komen sociale partners, gemeenten, het UWV en SZW tot bestuurlijke voorstellen en afspraken die de uitvoering van de Participatiewet en de banenafspraak verbeteren. Zo zijn naar aanleiding van praktijksignalen bijvoorbeeld afspraken gemaakt over een uniforme no-riskpolis voor mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren of beschut werken. Verder zijn jongeren uit het Voortgezet Speciaal Onderwijs en het Praktijkonderwijs (zonder beoordeling van het UWV) opgenomen in de doelgroep banenafspraak. Ook zijn gemeenten verplicht om beschutte werkplekken aan te bieden en is de Praktijkroute ingevoerd als extra toegangsroute naar de doelgroep banenafspraak. Deze afspraken zijn inmiddels wettelijk geregeld.

  • Met het project Matchen op werk werkt SZW samen met arbeidsmarktregio’s aan versterking van matching en de regionale werkgeversdienstverlening. Zie pagina 17 voor meer toelichting.

  • Het UWV vernieuwt en moderniseert zijn ICT-systemen om ook in de toekomst betrouwbaar en kwalitatief goede dienstverlening te kunnen bieden. Een belangrijk project hierbinnen is «één uniforme betaalomgeving» (Tweede Kamer, 2015–2016, 26 448, nr. 573), waarbij alle betaalfunctionaliteiten vanuit de verschillende werknemersverzekeringen samenkomen in één systeem. Naar verwachting wordt het deeltraject met betrekking tot arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in 2018 afgerond. Zoals eerder aangegeven (Tweede Kamer, 2016 – 2017, 26 448, nr. 591), is in de periode 1 april 2018 tot en met 1 januari 2020 een freeze voorzien op de WW-systemen.

  • De SVB werkt in het kader van het programma «vAKWerk» aan de integratie van het systeem voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslag Wet in het IT-systeem voor AOW en Anw. Met deze integratie neemt de flexibiliteit voor het invoeren van nieuwe beleidsmaatregelen toe. Daarnaast leidt het tot een verbetering van de dienstverlening en maakt de SVB een efficiencyslag. De verwachting is dat de integratie in het tweede kwartaal van 2018 een feit zal zijn. Verder is de SVB in 2017 gestart met het Innovatielab Novum. In dit lab ontwikkelt en test de SVB nieuwe concepten ter verbetering van de dienstverlening. Succesvolle innovaties krijgen een plek in de organisatie.

Kennis van gedrag

Om de uitvoering effectiever en dienstverlenender in te richten, helpt het als bij de vormgeving van beleid scherper rekening gehouden wordt met de doelgroepen op wie het beleid gericht is. Als de uitvoering niet goed gevolg kan geven aan het beleid, kunnen doelstellingen van dat beleid in het gedrang komen. Het WRR-rapport «Weten is nog geen doen» laat zien dat de overheid steeds vaker van burgers verwacht dat ze zelfredzaam zijn op het gebied van gezondheid, arbeidsmarkt en financiën. Maar niet iedereen is daar op elk moment toe in staat (heeft voldoende «doenvermogen»). Het WRR-rapport geeft aan dat beleid meer aan moet sluiten bij het doenvermogen van de doelgroep.

Het toepassen van gedragswetenschappelijke inzichten bij het opstellen van beleid is een manier om dat beleid beter te laten aansluiten bij het vermogen en de beperkingen van burgers. SZW is hier actief mee bezig.

Zo heeft het gedragsexperiment «naleving inlichtingenplicht Anw» aangetoond dat het sturen van een persoonlijke herinneringsbrief met het verzoek te checken hoe de eigen leefsituatie zich verhoudt tot de wettelijke regels over samenwonen, een effectieve en efficiënte interventie is om te voorkomen dat Anw-gerechtigden niet (tijdig) melden dat zij samenwonen. Dit kan financiële problemen door terugvordering bij nabestaanden worden voorkomen.

De Inspectie SZW heeft een interventietoolbox in gebruik genomen om programmateams te helpen bepalen welke interventiemix het meest effectief en passend is bij een bepaald probleem en een specifieke doelgroep om zo het gewenste gedragseffect te bereiken. UWV heeft een eigen gedragsteam opgericht om met behulp van gedragsinzichten de dienstverlening van UWV te verbeteren, om zo onder andere werkzoekenden te stimuleren werk te vinden en te voorkomen dat mensen onbedoeld de regels overtreden.

Kennis van gedrag gaat hand in hand met grondige kennis over de doelgroepen van beleid. SZW zet in 2018 in op het actief ophalen van signalen uit de samenleving en in contact komen en blijven met de doelgroepen van beleid.

2.1.2.1 Werken aan goed werk

Werk is één van de speerpunten van het kabinet. Werkenden zijn gemiddeld genomen gelukkiger en gezonder dan niet-werkenden en werk is de snelste route naar een goed inkomen en economische zelfstandigheid. Door het aangaan van een duurzame arbeidsrelatie investeren werkgevers en werknemers eerder en meer in specifieke kennis en duurzame inzetbaarheid. Dat is gunstig voor zowel werkende als werkgever. Voor de individuele burger en de samenleving is het belangrijk dat werkenden zekerheid hebben over de toekomst van hun baan. Dit biedt het vertrouwen om langetermijnverplichtingen aan te gaan zoals gezinsvorming en investeringen en ondersteunt het consumentenvertrouwen. Voor werkgevers en bedrijven is een gelijk speelveld van belang om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen. Daarom hebben werkenden recht op een eerlijke beloning en moeten zij onder gezonde omstandigheden kunnen werken. De volgende maatregelen dragen bij aan deze doelstelling.

Wml OVO

Gelijk werk verdient gelijke beloning. Afgelopen voorjaar is daarom het wetsvoorstel aangenomen dat regelt dat het wettelijk minimumloon ook geldt voor mensen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht (OVO), tenzij het gaat om mensen die als zelfstandige in fiscale zin worden beschouwd (Staatsblad 2017, nr. 290). In veel situaties werkt het verrichten van arbeid tegen loon op basis van een OVO tot volle tevredenheid van zowel opdrachtnemer als opdrachtgever. Maar ook zijn er opdrachtnemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt die voor hun inkomsten langdurig afhankelijk zijn van één of twee opdrachtgevers. Dat maakt hen kwetsbaar. Zij hebben een slechte onderhandelingspositie en voelen zich genoodzaakt tegen ongunstige voorwaarden te werken. Ze verdienen soms minder dan het minimumloon. Dat is niet de bedoeling. Als mensen werken in een situatie die feitelijk en maatschappelijk overeenkomt met een dienstbetrekking, moeten zij ten minste conform het minimumloon worden betaald. Deze wet treedt op 1 januari 2018 in werking. Daarnaast heeft de Eerste Kamer een motie aangenomen die de regering verzoekt te regelen dat het wettelijk minimumloon ook gaat gelden voor mensen die op basis van een andere overeenkomst tegen beloning werken, zoals een aanneem-, uitgeef-, of vervoersovereenkomst (Eerste Kamer, 2016–2017, 33 623, N). Het ontwerpbesluit dat dit beoogt te regelen is voor advies naar de Raad van State verzonden. De beoogde inwerkingtreding van het besluit is ook op 1 januari 2018.

Jeugd Wml

Om beter aan te sluiten bij veranderende sociaal-economische en maatschappelijke ontwikkelingen en bij wat internationaal gangbaar is, is het wettelijk minimumjeugdloon verhoogd (Staatsblad 2017, nr. 24). Dit gebeurt in stappen. Vanaf 1 juli 2017 hebben werknemers vanaf 22 jaar recht op het volledige wettelijk minimumloon. Ook voor werknemers tussen 18 en 21 jaar gaat het loon omhoog. Twee jaar later, vanaf 1 juli 2019, krijgen werknemers vanaf 21 jaar recht op het volledige minimumloon en gaat het minimumjeugdloon voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar verder omhoog. Om bedrijven te stimuleren meer jongeren aan te nemen, kunnen werkgevers vanaf 1 januari 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar: het jeugd-LIV (lage-inkomensvoordeel). Deze tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon. Voor werknemers van 22 jaar kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen via het LIV.

Gelijke beloning

Beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen zijn afgenomen, zie tabel 2.4 voor de meest recente cijfers. Dit geldt zowel voor werknemers in het bedrijfsleven als voor werknemers bij de overheid. Het gecorrigeerde beloningsverschil nam in het bedrijfsleven af van 9% in 2008 naar 7% in 2014. Bij de overheid is het gecorrigeerde verschil in 2014 gestegen ten opzichte van 2012. Om een trend vast te stellen moet echter over meer jaren gekeken worden. Het CBS concludeert dat er een gestage afname van het gecorrigeerde beloningsverschil bij de overheid bestaat in de onderzochte periode.

Tabel 2.4 Kerncijfers gecorrigeerde beloningsverschillen1 (%)
 

2008

2010

2012

2014

Verschil vrouw-man bedrijfsleven

– 9

– 8

– 8

– 7

Verschil vrouw-man overheid

– 7

– 6

– 4

– 5

Arbeidsomstandigheden

In 2018 start een vierjarig programma gericht op de preventie van beroepsziekten (Tweede Kamer, 2015–2016, 25 883, nr. 267). De blootstelling aan onder andere gevaarlijke stoffen veroorzaakt veel leed. Door middel van een communicatiecampagne, interventies en inzet op kennis en innovatie wil het kabinet de bewustwording en aanpak van de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen versterken. Ook wordt ingezet op vroege signalering van gezondheidsklachten. De afwikkeling van schadeclaims bij beroepsziekten wordt verbeterd door de ontwikkeling van een zelfbindende gedragscode (Tweede Kamer, 2016–2017, 35 883, nr. 295). In aansluiting op de aanpassing van de Arbowet per 1 juli 2017, gericht op het versterken van de arbeidsgerelateerde zorg, werken partijen samen aan voorlichting over de implementatie van de wijzigingen. Verder wordt ingezet op een intensievere samenwerking tussen de arbeidsgerelateerde zorg en de curatieve zorg, met het doel tot een effectieve aanpak van arbeidsgerelateerde aandoeningen te komen. Samen met veldpartijen wordt in de vorm van een «kwaliteitstafel» een impuls gegeven aan het beroep van bedrijfsarts (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 778). Ook promotie van het vak via een imagocampagne draagt hieraan bij.

Inspectie Control Framework

Om eerlijk, veilig en gezond werk te borgen houdt de Inspectie SZW toezicht op bedrijven, instellingen en werkenden. Dit doet ze door in te zetten op thema’s en sectoren met de grootste risico’s en meest kwetsbare groepen door middel van inspecties, handhavingscommunicatie, ketensamenwerking en branchebeïnvloeding. Naar aanleiding van het rapport «Werken met effect», voortvloeiend uit de motie Heerma c.s. over de toereikendheid van de capaciteit van de Inspectie SZW, is een Inspectie Control Framework (ICF) opgesteld (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 74). Het ICF maakt de relatie inzichtelijk tussen enerzijds de maatschappelijke problemen, risico’s en verwachtingen op het domein van SZW en anderzijds de inzet van de Inspectie SZW. Een volgend kabinet kan dit Framework gebruiken om een besluit te nemen over de capaciteitsinzet van de Inspectie SZW in de handhavingsketen.

2.1.2.2 Meedoen in de samenleving

Iedereen moet mee kunnen doen in de samenleving. Vanwege de toenemende complexiteit van de samenleving is het belangrijk om aandacht te hebben voor mensen die dit niet zelfstandig lukt. Dit is niet alleen in het belang van de individu en de economie, maar ook voor de samenleving als geheel.

Sociale cohesie en integratie

Diversiteit is een motor voor vernieuwing. Of men nou oud of jong, hoog- of laagopgeleid, geboren en getogen in Nederland of elders is, als iedereen kan doen waar hij of zij goed in is, dan draait Nederland op z'n best. Maar als groepen Nederlanders tegenover elkaar komen te staan dan heeft dat consequenties voor de samenleving. Zowel voor het welzijn en de veiligheid van burgers als voor de economische groei. Daarom zet de overheid in op het bevorderen van integratie en het versterken van de weerbaarheid van de samenleving door factoren die integratie belemmeren, te beperken.

Alhoewel het opleidingsniveau van de tweede generatie migranten toeneemt, blijft de arbeidsparticipatie van migranten achter bij andere groepen en blijft deze sterk afhankelijk van de conjunctuur (Tweede Kamer, 2015–2016, 30 982, nr. 31). Dit is onwenselijk voor deze mensen en voor de samenleving. Om naar beste vermogen actief te participeren in en bij te dragen aan de samenleving is het nodig dat nieuwkomers de Nederlandse taal, de Nederlandse samenleving en de Nederlandse normen en waarden kennen. Zo treedt per 1 oktober 2017 de verplichting in de Wet inburgering in werking om een participatieverklaringstraject te volgen dat wordt afgesloten met de ondertekening van de participatieverklaring. Het traject en de verklaring wijzen inburgeringsplichtige nieuwkomers op hun rechten en plichten en de Nederlandse waarden. Verder bevat deze wetswijziging een wettelijke verplichting voor gemeenten om te voorzien in maatschappelijke begeleiding. Betere kansen voor arbeidsdeelname voor alle mensen met een migratieachtergrond zijn belangrijk om de integratie en binding aan de Nederlandse samenleving te bevorderen. Voorts zet het programma «Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA)» onder andere in op het tegengaan van discriminatie en wordt het jeugdwerkloosheids- en vluchtelingenbeleid gebundeld.

Een sociaal stabiele samenleving is beter bestand tegen maatschappelijke spanningen en bevordert integratie. Fenomenen als radicalisering, ongewenste buitenlandse beïnvloeding of buitenlandse financiering kunnen leiden tot een toename van sociale spanningen in de Nederlandse samenleving. Om de samenleving weerbaarder te maken gaat de overheid sociale spanningen tegen en treedt op tegen personen en organisaties die de vrijheden van andere mensen beperken of zich onverdraagzaam ten opzichte van de waarden van onze Nederlandse rechtstaat opstellen. Nederlandse burgers moeten in vrijheid hun leven in kunnen richten ongeacht hun geaardheid en eigen keuzes kunnen maken over hun politieke voorkeur, de scholing van hun kinderen en geloofsovertuiging.

Participatiewet en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

Eén van de doelstellingen van dit kabinet is om mensen met een arbeidsbeperking meer kans op werk te geven en toe te werken naar een inclusieve arbeidsmarkt. De Participatiewet, de banenafspraak om op termijn 125.000 extra werkplekken te realiseren en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten dragen bij aan dit doel. Werkgevers hebben in 2016 in totaal 22.554 banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking (Tweede Kamer, 2016–2017, 33 981, nr. J). Het gaat om 18.957 banen bij de sector markt en 3.597 banen bij de sector overheid. Werkgevers in de sector markt voldoen hiermee aan de doelstelling van 14.000 banen, maar dit geldt niet voor de sector overheid (6.500 banen). Vanwege dit resultaat heeft het kabinet besloten om over te gaan tot activering van de quotumregeling voor de sector overheid. Om overheidswerkgevers de tijd te geven een inhaalslag te realiseren is besloten de daadwerkelijke heffing één jaar uit te stellen. Wel worden de resultaten over 2018 gemonitord. Ook is een breed onderzoek aangekondigd dat in kaart moet brengen hoe de quotumregeling voor de diverse onderdelen van de overheidssector in de praktijk uitwerkt. De resultaten van dit onderzoek komen medio 2018 beschikbaar.

Sinds de invoering van de Participatiewet en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is veel in gang gezet door werkgevers, gemeenten, het UWV en scholen om de inclusieve arbeidsmarkt dichterbij te brengen. Nieuwe instrumenten als loonkostensubsidie worden steeds meer ingezet. Ruim 4.000 personen waren eind 2016 aan het werk met deze voorziening (tabel 2.5). Bij steeds meer werkgevers staat het toegankelijk maken van hun werkvloer voor mensen met een arbeidsbeperking op de agenda. Regionale samenwerking gericht op de realisatie van de banenafspraak heeft een duidelijke impuls gekregen: in alle 35 arbeidsmarktregio’s zijn regionale werkbedrijven tot stand gekomen. Ook zijn er met brede maatschappelijke en parlementaire steun vereenvoudigingen doorgevoerd. Zo is voor alle gemeenten de uniforme no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk ook vanaf 2021 beschikbaar en is sinds 1 januari 2017 de Praktijkroute ingevoerd als extra toegangsroute tot de doelgroep van de banenafspraak.

Ook is sinds 1 januari 2017 de wetgeving voor beschut werk aangepast. Vanaf die datum kunnen mensen zelf een advies beschut werk bij het UWV aanvragen en zijn gemeenten verplicht om bij een positief advies een beschutte werkplek aan te bieden. Deze verplichting geldt tot het aantal plekken is bereikt dat een gemeente volgens een ministeriële regeling jaarlijks moet realiseren. Sinds de wetswijziging neemt het aantal beschutte werkplekken toe. In heel 2016 heeft het UWV 388 positieve adviezen afgegeven, eind 2016 werken ca. 140 personen in een beschutte werkomgeving (tabel 2.5). In de eerste helft van 2017 gaf het UWV 758 positieve adviezen af, die deels nog omgezet moeten worden in beschutte werkplekken. Naast deze verplichting zijn ook in 2018 extra middelen beschikbaar gesteld om gemeenten via een bonus te stimuleren om het aantal beschutte werkplekken te vergroten. De resterende middelen van de bonus beschut werk, voor plekken die niet gerealiseerd zijn, blijven beschikbaar voor gemeenten gedurende de hele looptijd van de regeling. In totaal is voor de bonus in 2018 € 16 miljoen beschikbaar. De overgang naar een inclusieve arbeidsmarkt, door de banenafspraak en door de inzet van beschut werk, vergt een blijvende inspanning van alle betrokkenen.

Matchen op werk

De economie trekt aan en dat biedt kansen. Ook voor mensen die hier publieke ondersteuning bij nodig hebben. Om deze kansen te benutten is het belangrijk dat gemeenten, hun sociale werkbedrijven, het UWV, het onderwijs, private bemiddelaars, werknemers en werkgevers in de 35 arbeidsmarktregio’s samenwerken. De Inspectie SZW concludeert in haar rapportage «Werk aan de... uitvoering» (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 745) dat er verbeteringen noodzakelijk zijn op het gebied van matching en werkgeversdienstverlening in de arbeidsmarktregio’s. De Inspectie signaleert risico’s voor het realiseren van de banenafspraak en de doelstellingen van de Participatiewet. Daarom wordt, samen met de arbeidsmarktregio’s en de landelijke partners, gewerkt aan versterking van het functioneren van de arbeidsmarktregio’s (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 779).

Experimenten Participatiewet

Gemeenten kunnen een aanvraag indienen om te mogen experimenteren bij de uitvoering van de Participatiewet om in de praktijk te kunnen onderzoeken wat het beste werkt om mensen vanuit de bijstand naar werk toe te leiden. Tot nu toe zijn de volgende gemeenten aangewezen om te mogen experimenteren: Groningen in samenwerking met Ten Boer, Deventer, Nijmegen, Tilburg en Wageningen. De experimenten in deze gemeenten gaan na deze zomer van start en duren twee jaar.

Tabel 2.5 Kerncijfers re-integratie
   

2014

2015

2016

   

WWB

Participatiewet

Participatiewet

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten1 (x 1.000)

47

43

43

         

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)

37

33

37

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

nvt

1,2

4,2

 

waarvan personen met beschut werk

nvt

<0,1

<0,2

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

8

5,2

3,8

         

Werknemersbestand WSW (x 1.000)

103

96

91

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

30

36

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

6,5

6,6

6,5

       

Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

214

209

222

         

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

170

166

174

X Noot
1

CBS, uitstroom na re-integratie.

Meer inzicht in effecten re-integratie

In het Wetgevingsoverleg over de begroting 2016 is verzocht om een indicator waarmee de doeltreffendheid en doelmatigheid van re-integratievoorzieningen kan worden gemeten. Toegezegd is de mogelijkheden rond een dergelijke indicator met uitvoerende partijen te onderzoeken. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat de effectiviteit van re-integratievoorzieningen vanwege de complexiteit, heterogeniteit van de doelgroep en tijdsverloop tussen inzet en effect niet in een zinvolle jaarlijkse indicator uit te drukken is. Evaluaties en effectiviteitsonderzoeken zijn meer geschikt om de causaliteit tussen inzet en effect te bepalen. In haar brief van 9 november 2015 heeft de Staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd over wat nu reeds bekend is uit eerdere onderzoeken (Tweede Kamer, 2015–2016, 28 719, nr. 94) . Uit de publicatie «Kansrijk Arbeidsmarktbeleid II» blijkt verder dat de meest positieve effecten worden gevonden voor tijdelijke loonkostensubsidies, begeleiding door een klantmanager en sancties, waaronder ook de controle en monitoring van het nakomen van re-integratieverplichtingen en zoekinspanningen. Het CPB wijst op het belang van gericht instrumenten inzetten door middel van profiling en targeting. Scholing blijkt voor lager opgeleiden en ouderen effectief, maar is op de relatief korte termijn niet kosteneffectief (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 723).

Het kabinet vindt het van belang dat er verder onderzoek plaatsvindt om meer duidelijkheid te krijgen over waarom en onder welke voorwaarden instrumenten effectief zijn. Zo wordt gewerkt aan het meerjarige kennisprogramma «Vakkundig aan het werk», waarvoor gemeenten en kennisinstellingen voorstellen kunnen doen gericht op meer inzicht in de effecten van re-integratie. Ook wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de effectiviteit van loonkostensubsidie en loondispensatie (dit onderzoek is eind 2018 gereed), naar de effecten van de Participatiewet in brede zin en gaan verschillende gemeenten experimenteren met de uitvoering van de Participatiewet om in de praktijk te kunnen onderzoeken wat het beste werkt om mensen vanuit de bijstand naar werk toe te leiden. Daarnaast laat het UWV nog meer onderzoek verrichten naar de effecten van de UWV-dienstverlening en bekijken SZW en het UWV de mogelijkheden van een gezamenlijk onderzoeksprogramma naar de effectiviteit van dienstverlening alsmede inzet van werkvoorzieningen en re-integratiediensten gericht op mensen met een arbeidsbeperking.

Toepassing van deze bewezen actieve methoden is van groot belang voor effectief activeringsbeleid. Met het Programma «Vakmanschap & Effectiviteit» worden gemeentelijke professionals ondersteund om beschikbare kennis over effectieve aanpakken in de praktijk te brengen.

Armoede en schulden

Ook in 2018 zijn middelen beschikbaar voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening. Met de inwerkingtreding van het Besluit breed moratorium per 1 april 2017 hebben gemeenten in het kader van de uitvoering van de schuldhulpverlening de mogelijkheid gekregen om bij de rechtbank een breed moratorium aan te vragen. Daarnaast wordt de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Stb. 2017, nr. 110) uiterlijk op 1 januari 2019 geïmplementeerd. Die moet ervoor zorgen dat schuldenaren bij beslaglegging genoeg geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien. Verkend wordt ook hoe een vorm van beslagvrije voet bij bankbeslag kan worden gerespecteerd. In 2018 gaat de implementatie van de rijksincassovisie verder met als doel om met de betrokken overheidsorganisaties te komen tot een socialere incasso. De verbreding van het beslagregister wordt ook in 2018 voorbereid. Het streven is dat de eerste overheidsorganisaties kunnen aansluiten in 2019. Tot slot is de subsidieregeling armoede en schulden uitgebreid met tijdvakken in 2018 en 2019.

In het bijzonder is er aandacht voor het terugdringen van armoede onder kinderen. Doel is dat alle kinderen in Nederland mee kunnen doen op het gebied van sport, cultuur, school en sociale activiteiten, ook kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. Hiervoor is met ingang van 2017 jaarlijks € 100 miljoen extra beschikbaar gesteld. Gemeenten ontvangen daarvan € 85 miljoen. De bestuurlijke afspraken die over de inzet van deze middelen zijn gemaakt met de VNG worden in 2018 geëvalueerd. Verder kunnen partijen in Europees en Caribisch Nederland de komende jaren projecten indienen voor voorzieningen in natura voor kinderen in huishoudens met een laag inkomen. Vanuit de subsidieregeling Kansen voor alle kinderen is hiervoor jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar voor Europees Nederland en € 1 miljoen voor Caribisch Nederland. De overige € 10 miljoen euro van het extra geld wordt besteed door de vier landelijke fondsen die met naturavoorzieningen zorgen dat kinderen kunnen sporten, aan cultuur kunnen doen, hun verjaardag kunnen vieren en op school meedoen. De SER heeft in het advies «Opgroeien zonder armoede» (Tweede Kamer, 2016–2017, 24 515, nr. 387) het belang van het bieden van kansen aan alle kinderen en de verantwoordelijkheid van ouders, rijksoverheid en gemeenten hierbij, onderstreept.

Kinderopvang

Goede kinderopvang draagt bij aan de arbeidsparticipatie van ouders, maar ook aan de ontwikkeling van het kind. Het gemiddelde aantal gewerkte uren van moeders met jonge kinderen (0–11 jaar) neemt de afgelopen jaren licht toe (tabel 2.6). Goede en betaalbare kinderopvang is daarbij van groot belang. De kinderopvangsector en vraagouders zijn gebaat bij een betrouwbare overheid en voorspelbaar beleid. Het kabinet heeft daarom een wetsvoorstel in voorbereiding om de financiering van de kinderopvang te wijzigen naar een systematiek van directe financiering (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. 310). Door middel van dit voorstel zou deze financieringssystematiek in de plaats komen van de huidige kinderopvangtoeslag. De geldstromen van en naar ouders worden hiermee beperkt, wat de risico’s van onverwachte nabetalingen en terugvorderingen verkleint. In aanloop naar de indiening en behandeling van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer vinden investeringen plaats waarvoor in de begroting van 2018 middelen zijn gereserveerd.

Om de kwaliteit van de kinderopvang te borgen en de verschillen in de kwaliteitseisen van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang te verkleinen treden per 2018 de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (Stb. 2017, nr. 251) en de Wet harmonisatie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang (Stb. 2017, nr. 252) in werking (beide wijzigingswetten van de Wet kinderopvang). Daarnaast wordt in 2018 het personenregister ingevoerd waarin alle personen die een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig hebben voor hun rol in de kinderopvang zich moeten inschrijven. Hierdoor wordt de huidige continue screening van de vaste medewerkers uitgebreid met tijdelijke medewerkers (stagiairs, uitzendkrachten, vrijwilligers en zelfstandigen) en met mensen die structureel aanwezig zijn op de opvanglocatie tijdens opvanguren. De invoering van het personenregister draagt bij aan het verder vergroten van de veiligheid in de kinderopvang.

Tabel 2.6 Kerncijfers ontwikkeling in gewerkte uren1 (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

2014

2015

2016

Vrouwen 15 tot 75 jaar

25,3

25,3

25,6

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

25,2

25,5

25,8

X Noot
1

CBS.

Koopkracht

Het kabinet heeft, en houdt ook in 2018, oog voor groepen die financieel op achterstand dreigen te komen, zowel niet-werkenden als werkenden. In het voorjaar was de verwachting van het CPB dat uitkeringsontvangers en gepensioneerden er in koopkracht op achteruit zouden gaan in 2018. Daarnaast zou de koopkrachtstijging van huishoudens met de laagste inkomens fors achterblijven bij huishoudens met hoge inkomens. Het kabinet verbetert met verschillende maatregelen de koopkracht van kwetsbare groepen. Het kabinet verhoogt vanaf 2018 de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, wat gunstig is voor de koopkracht van mensen met een laag inkomen. Daarnaast gaat de ouderenkorting aanzienlijk omhoog, terwijl de inkomensondersteuning voor AOW’ers in mindere mate verlaagd wordt, en wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand nog een jaar getemporiseerd. Hierdoor gaan uitkeringsontvangers en gepensioneerden er in 2018 juist in doorsnee op vooruit in plaats van achteruit. Ruim 80% van alle huishoudens gaat er volgend jaar in koopkracht op vooruit. Het kabinet zorgt er zo voor dat werkenden, uitkeringsontvangers én gepensioneerden profiteren van het economisch herstel in Nederland.

Figuur 2.2

Figuur 2.2

Jeugdwerkloosheid

De weg naar werk of terug naar school vinden is niet voor alle jongeren vanzelfsprekend. De Aanpak Jeugdwerkloosheid krijgt daarom de komende jaren een vervolg in het programma Sociaal Domein (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 787). Juist jongeren die minder zelfredzaam zijn, voelen de gevolgen van de invoering van het passend onderwijs, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de nieuwe Jeugdwet en de Participatiewet. Voor hen wordt de overgang naar werk, onderwijs of een combinatie daarvan versoepeld door met gemeenten, scholen, werkgevers, hun partners, kennisinstellingen, dwarskijkers en jongeren een gezamenlijke overkoepelende ambitie te formuleren waarbij jongeren centraal staan. Van hieruit gaan de partijen aan de slag om tot verbetering en innovatie te komen door eigenaarschap en handelingsruimte te geven aan professionals, jongeren en mensen uit hun leefwereld. Daarnaast worden oplossingen aangedragen voor mogelijke knelpunten rond deze ambitie.

2.1.2.3 Solidair sociaal stelsel

Nederland scoort in internationaal perspectief goed wat betreft de uitkomsten van sociaaleconomisch beleid. De participatie is hoog en (inkomens)ongelijkheid en armoede zijn relatief laag. Om de uitkomsten te behouden en te verbeteren is het van belang dat het sociaal stelsel, de bescherming die de regulering van de arbeidsmarkt en het stelsel van sociale zekerheid biedt, aansluit bij een arbeidsmarkt en samenleving die in beweging zijn. In dit kader heeft het kabinet de afgelopen regeerperiode, onder andere met de Wet werk en zekerheid en de Participatiewet, hervormingen doorgevoerd met als doelstelling het verschil tussen vast en flexibel werk te verkleinen en een inclusieve arbeidsmarkt te bevorderen. Er zijn echter nog meerdere vraagstukken waar maatschappelijk gezien veel aandacht voor is maar die geen eenvoudige oplossing kennen. Hierop wordt hieronder ingegaan.

Permanent leren

Werk verandert, mede door technologische ontwikkelingen. We moeten ervoor zorgen dat ook in de toekomst iedereen van de technologische ontwikkelingen kan blijven profiteren. Het is duidelijk dat banen verdwijnen en nieuwe beroepen ontstaan. Omdat de gevraagde vaardigheden veranderen is het belangrijk dat werkenden meebewegen met de ontwikkelingen. Zeker voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt, die minder snel uit zichzelf scholen, is het verbeteren van duurzame inzetbaarheid een belangrijk thema. Werk- en opdrachtgevers, werkenden en de overheid hebben allen een belangrijke rol in de omslag die nodig is naar een permanente leercultuur.

Toekomst van werk

Ook op de langere termijn zijn er vraagstukken die mogelijk grote impact hebben op de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Dit wordt vaak samengevat als de «toekomst van werk»-discussie, en gaat onder andere over robotisering en de mogelijk veranderende organisatie van werk (flexibilisering en platformisering). Dit kabinet heeft stappen gezet om Nederland hierop voor te bereiden (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 773). SZW volgt deze ontwikkelingen nauwgezet, onder andere in OESO- en ILO-verband, zodat Nederland zo snel en goed mogelijk kan inspelen op de veranderingen die zich voordoen.

Ordening van de arbeidsmarkt en gelijk speelveld

Op de arbeidsmarkt is niet altijd sprake van een gelijk speelveld. De keuze voor een contractvorm wordt vaak niet bepaald door de aard van de werkzaamheden, maar door institutionele factoren, zoals verschillen in de fiscale behandeling van werknemers en zzp’ers. Bij flexibele contractvormen (waaronder zzp) is de kans aanwezig dat minder investeringen plaatsvinden in scholing en duurzame inzetbaarheid dan wenselijk en noodzakelijk is om blijvende ontwikkeling te bevorderen. Vermindering van de institutionele verschillen zorgt ervoor dat er indien gewenst eerder een duurzame arbeidsrelatie tot stand komt en dat werkenden sneller komen te werken op een plek waar hun productiviteit het hoogst is. De Europese Commissie beveelt Nederland aan om actie te ondernemen om de tweedeling op de arbeidsmarkt te beperken.

Toekomst pensioenstelsel

Door de langdurig lage rente is het stelsel van aanvullende pensioenen onder druk komen te staan. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren een flink aantal maatregelen genomen om het stelsel te borgen. Een van die maatregelen is het nieuwe financieel toetsingskader voor pensioenfondsen, dat ervoor gezorgd heeft dat het pensioenstelsel stabieler en schokbestendiger is geworden. Sinds eind 2016 zijn de dekkingsgraden van de pensioenfondsen weer aan het stijgen. De gemiddelde actuele dekkingsgraad van alle pensioenfondsen is met bijna 9 procentpunt gestegen. Tegelijkertijd is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat het stelsel van aanvullende pensioenen niet meer aansluit bij de manier waarop mensen leven en werken in de 21ste eeuw. Stijgende levensverwachting, vergrijzing, flexibilisering van de arbeidsmarkt en de toenemende variëteit in persoonlijke wensen en omstandigheden van mensen spelen hierbij een rol. Om deze redenen heeft het kabinet in 2014 met de Nationale Pensioendialoog de discussie gestart over de toekomst van het stelsel van aanvullende pensioenen. In juli 2016 heeft het kabinet de Perspectiefnota naar de Kamer verstuurd. In de Perspectiefnota zijn de hoofdlijnen voor een nieuw pensioenstelsel nader uitgewerkt: een collectief en solidair stelsel met verplichtstelling, en met een toereikend pensioen voor álle werkenden, een neutralere manier van pensioen opbouwen, ruimte voor een nieuw pensioencontract en meer keuzevrijheid en maatwerk. Het is ook een aanbeveling van de Europese Commissie aan Nederland om het pensioenstelsel transparanter, eerlijker tussen generaties en schokbestendiger te maken. Een nieuw kabinet kan hierin concrete keuzes te maken.

Brexit

In Europees verband zijn (het beperken van) de mogelijke implicaties van de Brexit op de Nederlandse economie en arbeidsmarkt de komende jaren een aandachtspunt. De Brexit kan grote effecten hebben op specifieke sectoren en op werkenden. In interdepartementaal verband wordt er gewerkt aan een inventarisatie van de mogelijke gevolgen hiervan. Hierbij is relevant dat in het verleden de inzet van het Verenigd Koninkrijk en Nederland op het gebied van pensioenen en ander sociaal beleid vaak in elkaars verlengde lag.

Gelijk internationaal speelveld

Arbeidsmigratie leidt tot vraagstukken op het gebied van een gelijk speelveld van arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid. Het kabinet heeft dit onderwerp de afgelopen jaren in Europees verband geagendeerd, bijvoorbeeld in het debat rond de Detacheringsrichtlijn. Dit onderwerp blijft de komende jaren actueel, ook in het kader van het recente voorstel van de Europese Commissie voor het «Mobility package» dat als doel heeft om de beloning en de arbeidsomstandigheden van chauffeurs in de grensoverschrijdende Europese transportsector beter te regelen (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 734 nr. 7). Daarnaast heeft de Europese Commissie (EC) een voorstel gedaan voor de oprichting van de Europese pijler van sociale rechten en een reflectiepaper gepresenteerd over de sociale dimensie van de Europese Unie (EU). Hierin worden drie mogelijke scenario’s geschetst voor de toekomst van de sociale dimensie van Europa. In de komende tijd zal binnen de EU veel worden gesproken over welke route de EU zou moeten bewandelen. Nederland zal actief aan deze discussie deelnemen vanuit het streven naar een gelijk speelveld op de arbeidsmarkt. In internationaal perspectief is de discussie over de toekomst van werk die met name in ILO- en OECD-verband wordt gevoerd, van belang voor de ontwikkeling van een gelijk internationaal speelveld op gebied van arbeid en sociale zekerheid. Tevens zijn de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (VN) van belang. Met name de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding, gendergelijkheid, goede banen en het verminderen van ongelijkheid raken aan SZW-beleid. Deze doelen zijn niet alleen uit zichzelf nastrevenswaardig, maar zorgen ook voor een gelijker wereldwijd speelveld op de arbeidsmarkt. Het kabinet rapporteert jaarlijks over de Nederlandse uitvoering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 485, nr. 246).

2.1.3 Overige indicatoren
2.1.3.1 Handhaving

In opdracht van het Ministerie van SZW heeft PwC een evaluatieonderzoek verricht naar het handhavingsbeleid inzake socialezekerheidswetten, inclusief het sanctieregime zoals vastgelegd in de Fraudewet (Tweede Kamer, 2016–2017, 17 050, nr. 538). Uit dit onderzoek blijkt dat het handhavingsbeleid van SZW functioneert. Er zijn geen grote tekortkomingen geconstateerd, maar er zijn wel kansen om bepaalde onderdelen – ook onderdelen die nu goed gaan – verder te verbeteren. De evaluatie geeft geen concrete nieuwe of verbeterde indicatoren die iets toevoegen aan de reeds opgenomen indicatoren.

De kerncijfers opsporing laten een daling van het totaal opgelegde boetebedrag zien voor zowel het UWV, de SVB als de gemeenten. In 2015 is deze daling onder andere het gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB, 2014, nr. 3754). Naar aanleiding van deze uitspraak is het sanctiebeleid versoepeld, waardoor er minder hoge boetes zijn opgelegd. Bij het UWV is de daling van het aantal geconstateerde overtredingen, het totale benadelingsbedrag en het totaal opgelegde boetebedrag een gevolg van de invoering van de inkomstenverrekening van de Wwz per 1 juli 2015.

De incassoratio’s in tabel 2.7 na één en twee jaar vertonen een stabiel beeld. De incassoratio na drie jaar is lager dan in het voorgaande jaar, ondanks een toename van het geïncasseerde bedrag van € 76,4 miljoen naar € 111 miljoen. De incassoratio van in 2014 ontstane vorderingen kan in de toekomst nog verder oplopen. De Fraudewet geeft het UWV, de SVB en gemeenten de mogelijkheid om gedurende 10 jaar terug te vorderen.

Tabel 2.7 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen

met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag

(x € 1 mln)

Totaal opgelegde boetebedrag

(x € 1 mln)

 

2014

2015

2016

2014

2015

2016

2014

2015

2016

UWV1

50

32

17

88

62

41

55

16

10

SVB2

3,3

3,3

2,6

7,5

9,6

8,8

3,1

1,7

1,6

Gemeenten3

11

11

12

62

66

71

19

14

9

                   

Totaal

64

47

31

157

137

121

77

32

20

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 2.8 Kerncijfers incassoratio’s en geïnd bedrag UWV, SVB en gemeenten
 

2014

2015

2016

2013

2014

2015

2013

2014

Incassoratio (%)

na 1 jaar

na 1 jaar

na 1 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 3 jaar

na 3 jaar

UWV1

22

30

25

50

48

54

61

58

SVB2

23

21

24

56

40

41

62

47

Gemeenten3

13

14

16

28

22

25

37

28

Totaal

19

22

20

46

39

39

56

47

                 

Geïnd bedrag (x € 1 mln)

               

UWV1

31,1

22,9

12,9

47,5

68,6

41,4

57,8

83,4

SVB2

2,5

2,4

2,5

7,6

4,3

4,6

8,4

5,0

Gemeenten4

10,5

11,3

12,8

7,7

17,8

20,2

10,2

22,7

Totaal

44,1

36,5

28,2

62,9

90,7

66,2

76,4

111,0

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS-onderzoek incassoratio 2016.

X Noot
4

SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

2.1.3.2 Sectorplannen

Op verzoek van de Tweede Kamer zijn de kerncijfers van de sectorplannen toegevoegd aan de beleidsprioriteiten van de begroting en het jaarverslag. In 2018 zal dit kabinet geen beleidswijzigingen meer doorvoeren op het gebied van de sectorplannen, wel zijn de kerncijfers hieronder toegevoegd om te voldoen aan bovenstaande wens.

Voor de realisatiecijfers is uitgegaan van de meest actuele meting die ook in de voortgangsbrief van 26 juni 2017 is verwerkt. De brief gaat verder in op de achtergronden van de ontwikkelingen in de ambities en realisaties van de sectorplannen. Scholingsmaatregelen blijven in veel sectoren en regio’s veel deelnemers aantrekken. Binnen bestaande sectorplannen vindt een lichte schuif plaats richting het bevorderen van instroom door bijvoorbeeld meer beroepsbegeleidende (bbl-)leerwerkplekken te creëren.

In het najaar van 2017 verschijnt de eerste tussenevaluatie van de tot dan toe afgeronde sectorplannen. De tussenevaluatie gaat in op de arbeidsmarktpositie van de deelnemers aan deze afgeronde sectorplannen. In 2018 verschijnt een tweede tussenevaluatie van alle tot dan toe afgeronde sectorplannen. In 2019 volgt de eindevaluatie van alle sectorplannen.

Tabel 2.9 Kerncijfers sectorplannen, financieel (bedragen x € 1 mln)1

1e en 2e tranche

 

Peilmoment

maart 2015

oktober 2015

augustus 2016

maart 2017

 

(Initiële beschikkingen)

(bijgestelde beschikkingen)

(bijgestelde beschikkingen)

(bijgestelde beschikkingen)

Arbeidsmobiliteit

67,8

35,2

28,7

23,1

Behoud vakkrachten

16,3

9,2

3,3

3,3

Scholing

145,3

131,6

112

102,3

Bevordering instroom

168,3

150,6

154,4

155,3

Bevordering gezondheid

21,6

19

18,3

15,9

Overig

7,9

8,6

8,6

7,9

Totaal excl overhead

427,2

354,2

325,3

307,8

         

3e tranche

 

Peilmoment

maart 2015

oktober 2015

augustus 2016

(bijgestelde beschikkingen)

maart 2017 (bijgestelde beschikkingen)

Transities naar nieuw werk

2

2

64

64,8

         

Totaal (alle sectorplannen, excl. overhead)

427,2

354,2

389,3

372,7

Totaal (alle sectorplannen, incl. overhead)

437,5

367,7

417,8

399,7

1 Agentschap SZW, administratie.

2 De aanvragen voor de 3e tranche waren op dit moment nog in beoordeling.

Tabel 2.10 Kerncijfers sectorplannen, doelstellingen en deelnemers1

1e en 2e tranche

 

Aantallen deelnemers (volgens beschikkingen)

Geregistreerd aantal deelnemers

Peilmoment

augustus 2016

maart 2017

augustus 2016

maart 2017

Arbeidsmobiliteit

37.125

29.921

21.607

25.411

Behoud vakkrachten

23.531

19.953

13.353

16.550

Scholing

201.744

184.643

147.925

167.200

Bevordering instroom

35.256

37.911

30.425

37.196

Bevordering gezondheid

72.495

69.049

47.270

57.424

Overig

12.080

11.446

7.843

7.166

Totaal

382.191

352.923

268.413

310.947

3e tranche

 

Aantallen deelnemers (volgens beschikkingen)

Geregistreerd aantal deelnemers

Peilmoment

augustus 2016

maart 2017

augustus 2016

maart 2017

Van werk naar werk (ander beroep)

4.842

3.457

927

1.290

Van werk naar werk (zelfde beroep)

3.432

4.842

405

752

Van werkloosheid naar werk

7.189

7.339

1.171

2.254

Van overig naar werk

2.790

2.765

550

1.126

Totaal

18.253

18.403

3.053

5.422

1 Agentschap SZW, administratie.

X Noot
1

Agentschap SZW, administratie.

2.2 Budgettaire ontwikkeling SZA-kader

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenkader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. De SZA-sector is conjunctuurgevoelig doordat de werkloosheidsuitgaven in dit kader zijn opgenomen

2.2.1 Opbouw SZA-kader

Het SZA-kader bevat zowel uitgaven van regelingen die begrotingsgefinancierd zijn als uitgaven van regelingen die premiegefinancierd zijn. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden uit belastinginkomsten betaald. De premiegefinancierde uitgaven worden voornamelijk door middel van premies gefinancierd. Tabel 2.2.1 bevat een toelichting op de opbouw van de SZA-uitgaven.

Tabel 2.2.1 Opbouw SZA-uitgaven (x € 1 mld)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

32,2

32,1

32,6

32,6

32,8

33,0

–/– Correctie Wtl en dubbeltelling rijksbijdragen

12,4

12,2

12,6

12,4

12,4

12,5

–/– Uitgaven Rijksbegroting eng

0,6

0,6

0,5

0,5

0,5

0,5

–/– Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

0,7

0,7

0,6

0,7

0,7

0,7

+ Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,3

0,7

1,2

1,6

2,1

+ Overig

– 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

A. SZA-uitgaven begroting

18,4

19,1

19,5

20,2

20,9

21,4

             

Totaal uitgaven premiegefinancierd

56,7

57,3

59,0

60,6

61,7

63,7

–/– Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

B. SZA-uitgaven premie

56,3

56,9

58,7

60,2

61,3

63,3

             

C. Integratie-uitkering sociaal domein

2,6

2,5

2,4

2,3

2,2

2,2

             

Totale SZA-uitgaven (lopende prijzen) (A+B+C)

77,4

78,5

80,6

82,7

84,5

86,9

Allereerst wordt voor een dubbeltelling gecorrigeerd omdat sociale fondsen voor een deel worden gefinancierd uit begrotingsmiddelen (correctie rijksbijdragen). Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds, die nodig is omdat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de AOW-uitgaven te dekken. In 2018 worden de SZA-uitgaven hierdoor met € 12,2 miljard gecorrigeerd.

De reserveringen voor de regelingen die vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) staan als niet-kaderrelevante posten op de SZW-begroting. Het gaat om het Lage-inkomensvoordeel (LIV), het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) en de Loonkostenvoordelen (LKV’s).

Tevens vallen de apparaatuitgaven van SZW en enkele andere uitgaven niet onder het SZA-kader maar onder het kader Rbg-eng (€ 0,6 miljard). Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend wordt eveneens gecorrigeerd: € 0,7 miljard (terugontvangsten Kinderopvang en Tegemoetkoming ouders, beide begrotingsgefinancierd) en € 0,4 miljard (ontvangsten Ufo, premiegefinancierd). Het uitgavenplafond (SZA-kader) wordt in lopende prijzen uitgedrukt, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen staan de hiervoor gereserveerde middelen (€ 0,3 miljard) niet op de SZW-begroting, maar op een afzonderlijke begrotingspost die door de Minister van Financiën wordt beheerd. De premiegefinancierde uitgaven zijn al uitgedrukt in lopende prijzen. De post overig bestaat uit de in=uittaakstelling. Deze wordt geboekt op de aanvullende post om ervoor te zorgen dat het uitkeren van de eindejaarsmarge 2016 niet leidt tot een belasting van het uitgavenkader SZA in 2017. De middelen voor de Wsw en het participatiebudget maken onderdeel uit van de integratie-uitkering sociaal domein. Deze uitgaven blijven onderdeel van het SZA-kader en worden bijgeteld. In lopende prijzen bedragen de SZA-uitgaven in 2018 € 78,5 miljard.

2.2.2 Uitgaven SZA-kader 2017-2022

In onderstaande tabel worden de ontwikkelingen in de SZA-uitgaven voor 2017–2022 per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. De totale SZA-uitgaven van € 77,4 miljard in 2017 stijgen naar € 86,9 miljard in 2022. Dit is een toename van € 9,5 miljard in vijf jaar tijd. Deze stijging wordt voor een groot deel veroorzaakt door de aanpassing van de uitgaven SZA aan de loon- en prijsontwikkeling. Hiervoor is aan het slot van de tabel een algemene post nominale ontwikkeling opgenomen. Deze post bedraagt € 8,5 miljard in 2022. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling stijgen de uitgaven SZA met € 1,0 miljard.

Tabel 2.2.2 SZA-uitgaven per cluster van regelingen 2017–2022 (x € 1 mld)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Werkloosheid/Bijstand

           

WW-uitgaven (werkloosheid)

4,7

4,0

3,6

3,5

3,4

3,5

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand) en intertemporele tegemoetkoming

6,0

5,9

6,1

6,4

6,6

6,7

             

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

           

WIA/WAO/WAZ/Wajong

12,6

12,7

12,9

13,1

13,3

13,4

ZW/WAZO/Transitievergoeding

2,7

2,7

3,3

3,4

3,0

3,0

             

Ouderdom/Nabestaanden

           

AOW

36,6

36,7

36,8

36,8

36,9

37,0

Inkomensondersteuning AOW

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

Anw

0,4

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

             

Kinderopvang en kindregelingen

           

KOT

2,3

2,4

2,5

2,5

2,5

2,5

AKW/WKB

5,3

5,3

5,3

5,2

5,2

5,2

             

Re-integratie/Participatie

           

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Integratie-uitkeringen sociaal domein

2,6

2,5

2,4

2,3

2,2

2,2

             

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

           

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,0

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

Overige uitgaven

1,1

1,3

1,3

1,4

1,5

1,5

             

Nominale ontwikkeling

0,0

1,4

3,0

4,8

6,6

8,5

             

Totaal SZA-uitgaven

77,4

78,5

80,6

82,7

84,5

86,9

Werkloosheid, bijstand

De werkloosheid daalt over de periode 2017 tot en met 2022. Deze daling is ook zichtbaar in de ontwikkeling van de werkloosheidsuitgaven van € 4,7 miljard in 2017 naar € 3,5 miljard in 2022. De effecten van de maatregelen op de Wwz en op de WW-uitgaven treden voornamelijk op langere termijn op en groeien vanaf 2016 geleidelijk in. De toename in de bijstandsuitgaven in de jaren 2017–2022 hangt samen met een aantal wetswijzigingen vanaf 2015, zoals de invoering van de Participatiewet. Ook wordt de toename in de uitgaven verklaard door de verhoogde asielinstroom van 2015/2016 die leidt tot een extra beroep op de bijstand.

Arbeidsongeschiktheid, ziekte en zwangerschap, Wajong

De uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WIA/WAO/WAZ/Wajong) laten in de periode 2017–2022 een stijging zien. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen. De uitgaven aan de Wajong stijgen in de periode 2017–2022 licht. Met de invoering van de Participatiewet is de groei beheerst doordat de regeling alleen nog zal gelden voor jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben.

De uitgaven aan de ZW/WAZO stijgen in deze periode naar verwachting licht. In de reeks voor de transitievergoeding (zie beleidsartikel 6) is rekening gehouden met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Dit verklaart de piek in de uitgaven aan de ZW/WAZO/Transitievergoeding in 2019 en 2020.

Ouderdom en nabestaanden

De uitgaven aan de AOW en de inkomensondersteuning AOW nemen in de periode 2017–2022 licht toe. In deze ramingen is rekening gehouden met de geleidelijke AOW-leeftijdsverhoging naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Voor de langere termijn wordt hiermee de automatische kostenstijging uit hoofde van de vergrijzing beheerst. De uitkeringslasten Anw dalen in de periode 2017–2022 licht, omdat de instroom in de Anw kleiner is dan de uitstroom uit de Anw en de voorganger van de huidige Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).

Kinderopvang en kindregelingen

De weergegeven ontwikkeling van de kinderopvangtoeslag betreft een saldo van uitgaven en ontvangsten. De uitgaven aan kinderopvangtoeslag nemen licht toe als gevolg van de conjuncturele ontwikkeling. Het budgettair beslag van de AKW en de WKB daalt in de jaren 2018–2022 vanwege een afname van het aantal kinderen onder de 18 jaar.

Re-integratie, participatie

Het budget voor de uitgaven aan de re-integratie van arbeidsongeschikten is in de jaren 2017–2022 vrijwel constant. De integratie-uitkering in het sociaal domein daalt licht in de periode 2017 tot en met 2022.

Uitvoering en overige uitgaven

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. De opgelegde taakstellingen zijn in de uitvoeringsbudgetten van de ZBO’s verwerkt. Mede hierdoor dalen de budgetten in 2018 en latere jaren.

De overige uitgaven betreffen verschillende kleinere regelingen, voornamelijk de AIO, IOW, OBR, TW, uitkeringen Caribisch Nederland en uitgaven aan integratie en maatschappelijke samenhang. Deze uitgaven nemen licht toe in de periode 2017 tot en met 2022.

2.2.3 Mutaties uitgaven SZA-kader 2017–2022

In het actuele uitgavenbeeld SZA ten opzichte van de vorige begroting zijn meevallers opgetreden voor 2017 en 2018 en tegenvallers voor de jaren 2019–2021. Verwacht wordt dat de economische groei in 2018 uitkomt op 2,5%. Hierdoor verbeteren de overheidsfinanciën. De omvang van de SZA-sector wordt thans geraamd op € 78,5 miljard in 2018 terwijl in de vorige begroting nog werd uitgegaan van € 79,6 miljard. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door lagere werkloosheidsuitgaven dan destijds geraamd. Bij ziekte leidt met name de transitievergoeding in 2019 en 2020 tot hogere uitgaven. Bij de nominalen zijn de bijstellingen relatief groot in latere jaren vanwege de verwerking van de Middellangetermijnraming van het CPB. Paragraaf 2.3 splitst de mutaties in het SZA-kader verder op in begrotings- en premiegefinancierde mutaties, en in uitgaven en ontvangsten.

Tabel 2.2.3 Mutaties SZA-uitgaven sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

SZA-uitgaven ontwerpbegroting 2017

77,9

79,6

80,1

81,2

82,7

 

Werkloosheid/Bijstand

– 0,4

– 1,1

– 1,1

– 0,8

– 0,4

 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

0,1

– 0,6

0,6

0,7

0,2

 

Ouderdom/Nabestaanden

– 0,1

– 0,1

 0,1

0,1

0,1

 

Kinderopvang en kindregelingen

0,0

0,0

0,0

0,0

– 0,1

 

Re-integratie/Participatie

– 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

0,0

– 0,1

– 0,1

0,0

0,0

 

Overige uitgaven

– 0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

 

Nominalen

0,1

0,3

1,0

1,6

2,1

 

Brutering SZA

0,0

0,2

– 0,1

– 0,1

– 0,3

 

SZA-uitgaven ontwerpbegroting 2018

77,4

78,5

80,6

82,7

84,5

86,9

2.2.4 Uitgavenplafond SZA-kader en toetsing aan uitgavenplafond

Uitgavenplafond en kadertoetsing

Het uitgavenplafond wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor prijsontwikkelingen (op grond van prijs Nationale Bestedingen), overboekingen en statistische correcties. Op basis van de prijsontwikkeling zijn de uitgaven onder het SZA-kader met € 0,7 miljard verhoogd. Voor 2018 is er geen sprake van een ijklijn waaraan de uitgaven worden getoetst. Het vaststellen van een kader voor 2018 is namelijk aan een volgend kabinet.

Tabel 2.2.4 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2017

IJklijn SZA-kader ontwerpbegroting 2017

77,6

Correcties (met name bijstelling pNB-raming)

0,7

IJklijn SZA-kader ontwerpbegroting 2018

78,2

De actuele uitgavenramingen, zoals deze zijn weergegeven in tabel 2.2.3, dienen volgens de regels budgetdiscipline voor 2017 te worden getoetst aan het actuele kader SZA zoals weergegeven in tabel 2.2.4. Deze kadertoetsing wordt weergegeven in tabel 2.2.5. De SZA-uitgaven zijn in 2017 bijgesteld naar € 77,4 miljard, terwijl het kader uitkomt op € 78,2 miljard. Hiermee wordt het kader SZA in 2017 onderschreden, namelijk met € 0,9 miljard. Omdat er voor 2018 nog geen ijklijn is vastgesteld, is er voor dat jaar geen toetsing aan de ijklijn.

Tabel 2.2.5 Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2017

Totale SZA-uitgaven

77,4

IJklijn SZA-uitgaven

78,2

Over-/onderschrijding ijklijn SZA

– 0,9

2.3 Overzichtstabel voor beleidsagenda

Dit onderdeel van de begroting bestaat uit vier samenvattende tabellen. De tabellen presenteren hoe de budgettaire cijfers van verschillende SZW-taakgebieden zijn gewijzigd ten opzichte van de ontwerpbegrotingsstand van vorig jaar. De eerste twee tabellen gaan in op respectievelijk de begrotingsgefinancierde uitgaven en begrotingsgefinancierde ontvangsten. In deze tabellen is onderscheid gemaakt tussen de middelen die onder het SZA-kader vallen en de middelen die daarbuiten vallen. De laatste twee tabellen gaan in op de premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten. Alle premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten vallen onder het SZA-kader. De onderliggende mutaties bij deze tabellen staan per artikel in het verdiepingshoofdstuk in bijlage 6.2.

Tabel 2.3.1 Belangrijkste mutaties begrotingsgefinancierde uitgaven begroting 2017 naar begroting 2018 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2017

33.601.940

34.236.983

34.663.756

34.661.193

34.729.049

 
                 

SZA-deel begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2017

19.046.288

19.210.507

19.351.770

19.455.742

19.534.028

 
 

Mutaties

157.632

160.708

75.778

245.100

374.710

 
   

Werkloosheid/Bijstand

81.843

– 184.396

– 109.844

101.594

222.992

 
   

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

56.554

82.620

85.322

86.252

87.822

 
   

Kinderopvang en kindregelingen

107.052

162.039

132.568

102.312

70.889

 
   

Re-integratie/Participatie

– 56.905

2.220

1.923

14.861

14.810

 
   

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

52.072

80.282

37.806

35.546

36.658

 
   

Overige uitgaven SZA

38.337

101.835

57.581

50.810

64.181

 
   

Nominale ontwikkeling

– 121.321

– 83.892

– 129.578

– 146.275

– 122.642

 

SZA-deel begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2018

19.203.920

19.371.215

19.427.548

19.700.842

19.908.738

 
                 

Niet-SZA-deel begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2017

14.555.652

15.026.476

15.311.986

15.205.451

15.195.021

 
 

Mutaties

– 1.523.397

– 2.307.298

– 2.162.347

– 2.303.021

– 2.344.147

 
   

Rijksbijdragen (Artikel 12)

– 1.537.735

– 2.358.768

– 2.200.505

– 2.326.078

– 2.368.210

 
   

Overige uitgaven niet-SZA

14.338

51.470

38.158

23.057

24.063

 

Niet-SZA-deel begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2018

13.032.255

12.719.178

13.149.639

12.902.430

12.850.874

 
                 

Totaal mutaties

– 1.365.765

– 2.146.590

– 2.086.569

– 2.057.921

– 1.969.437

 
                 

Begrotingsgefinancierde uitgaven, ontwerpbegroting 2018

32.236.175

32.090.393

32.577.187

32.603.272

32.759.612

32.951.235

Tabel 2.3.2 Belangrijkste mutaties begrotingsgefinancierde ontvangsten begroting 2017 naar begroting 2018 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2017

1.768.281

1.782.173

1.796.511

1.812.537

1.792.170

 
                 

SZA-deel begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2017

645.219

655.544

650.385

659.677

636.878

 
 

Mutaties

57.845

4.496

7.509

15.457

16.951

 
   

Kinderopvang en kindregelingen

– 24.921

3.496

6.509

14.457

15.951

 
   

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

15.627

0

0

0

0

 
   

Overige ontvangsten SZA

67.139

1.000

1.000

1.000

1.000

 

SZA-deel begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2018

703.064

660.040

657.894

675.134

653.829

 
                 

Niet-SZA-deel begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2017

1.123.062

1.126.629

1.146.126

1.152.860

1.155.292

 
 

Mutaties niet-SZA

77.286

98.872

114.611

128.941

140.048

 
   

Werkgeversbijdrage kinderopvang

82.965

104.149

115.848

129.119

142.645

 
   

Overige ontvangsten niet-SZA

– 5.679

– 5.277

– 1.237

– 178

– 2.597

 

Niet-SZA-deel begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2018

1.200.348

1.225.501

1.260.737

1.281.801

1.295.340

 
                 

Totaal mutaties

135.131

103.368

122.120

144.398

156.999

 
                 

Begrotingsgefinancierde ontvangsten, ontwerpbegroting 2018

1.903.412

1.885.541

1.918.631

1.956.935

1.949.169

1.951.976

Tabel 2.3.3 Belangrijkste mutaties premiegefinancierde uitgaven begroting 2017 naar begroting 2018 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Premiegefinancierde uitgaven SZA, ontwerpbegroting 2017

57.040.619

58.506.014

58.706.454

59.511.023

60.633.086

 

Mutaties

– 327.437

– 1.219.183

333.793

1.103.293

1.108.103

 
 

Werkloosheid/Bijstand

– 315.641

– 722.209

– 823.980

– 704.613

– 498.206

 
 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

319.180

– 318.643

784.935

914.509

503.992

 
 

Ouderdom/Nabestaanden

408.777

357.558

598.203

622.242

626.297

 
 

Re-integratie/Participatie

– 24.984

1.877

1.877

2.067

2.088

 
 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

19.502

– 71.895

38.056

49.441

55.320

 
 

Nominale ontwikkeling

– 734.271

– 465.871

– 265.298

219.647

418.612

 

Premiegefinancierde uitgaven SZA, ontwerpbegroting 2018

56.713.182

57.286.831

59.040.247

60.614.316

61.741.189

63.678.577

Tabel 2.3.4 Belangrijkste mutaties premiegefinancierde ontvangsten begroting 2017 naar begroting 2018 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Premiegefinancierde ontvangsten SZA, ontwerpbegroting 2017

365.468

371.623

378.430

386.350

395.684

 

Mutaties

9.558

– 1.732

3.247

7.497

10.720

 
 

Werkloosheid/Bijstand

16.246

– 630

– 630

– 630

– 630

 
 

Nominale ontwikkeling

– 6.688

– 1.102

3.877

8.127

11.350

 

Premiegefinancierde ontvangsten SZA, ontwerpbegroting 2018

375.026

369.891

381.677

393.847

406.404

419.362

2.4 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 2.4 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming

Art. nr.

Naam artikel

Uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Juridisch verplichte uitgaven (%)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

Niet-juridisch verplichte uitgaven (%)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven (x € 1.000)

1

Arbeidsmarkt

509.873

502.428

98,5

7.445

1,5

Subsidies (1.372) en Opdrachten (6.072)

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

6.810.888

6.795.702

99,8

15.186

0,2

Opdrachten (15.186)

3

Arbeidsongeschiktheid

824

824

100

0

0,0

 

4

Jonggehandicapten

3.298.349

3.298.349

100

0

0,0

 

5

Werkloosheid

156.490

155.990

99,7

501

0,3

Opdrachten (501)

6

Ziekte en zwangerschap

8.118

8.118

100

0

0,0

 

7

Kinderopvang

2.831.198

2.799.289

98,9

31.909

1,1

Subsidies (460), Opdrachten (585) en Bijdragen aan agentschappen (30.865)

8

Oudedagsvoorziening

24.447

24.447

100

0

0,0

 

9

Nabestaanden

1.348

1.348

100

0

0,0

 

10

Tegemoetkoming ouders

5.599.200

5.599.200

100

0

0,0

 

11

Uitvoering

468.574

468.574

100

0

0,0

 

12

Rijksbijdragen

11.668.318

11.668.318

100

0

0,0

 

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

317.108

310.075

97,8

7.033

2,2

Subsidies (4.193) en Opdrachten (2.840)

               
 

Totaal niet-juridisch verplichte uitgaven

     

62.074

   

Toelichting

De uitgaven op de beleidsartikelen van SZW zijn voor 99,8% juridisch verplicht. Dit komt doordat een groot deel van de SZW-begrotingsuitgaven voortvloeien uit door het parlement aanvaarde afzonderlijke wetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inkomensoverdrachten uit hoofde van de Participatiewet, de Wajong en de Kinderopvangtoeslag, maar ook voor de rijksbijdragen en de tegemoetkomingen voor ouders. Een wijziging in deze uitgaven vereist een wijziging van de desbetreffende wetten. Deze uitgaven kunnen dus niet worden aangepast door een wijziging van de begroting van SZW.

Naar verwachting is een beperkt deel van de begroting van SZW per 1 januari 2018 niet juridisch verplicht. Het betreft enkele subsidies en opdrachten, en bijdragen aan agentschappen in het kader van kinderopvang. In veel gevallen liggen er wel bestuurlijke afspraken aan deze voorgenomen uitgaven ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Op de totale begroting van SZW gaat het om een bedrag van € 62,1 miljoen aan nog niet juridisch verplichte uitgaven.

Dit alles heeft alleen betrekking op de begrotingsgefinancierde uitgaven. Premiegefinancierde uitgaven, die ook in de begroting van SZW worden toegelicht, kunnen niet worden aangepast middels een wijziging van de begroting. Premie-uitgaven vallen immers niet onder het budgetrecht van de Staten-Generaal. De premiegefinancierde uitgaven, zoals aan de AOW, WW en WIA, zijn overigens ook veelal juridisch verplicht omdat deze voortvloeien uit een wet.

2.5 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Tabel 2.5 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Art. nr.

Naam beleidsartikel

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Geheel artikel?

1

Arbeidsmarkt

       

   

Ja

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

     

     

Ja

3

Arbeidsongeschiktheid

 

         

Nee1

4

Jonggehandicapten

 

         

Ja

5

Werkloosheid

         

Ja

6

Ziekte en zwangerschap

 

         

Ja

7

Kinderopvang

         

 

Ja

8

Oudedagsvoorziening

     

     

Ja

9

Nabestaanden

     

     

Ja

10

Tegemoetkoming ouders

   

       

Ja

11

Uitvoering

         

 

Ja

12

Rijksbijdragen2

             

Nvt

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

 

       

Ja

X Noot
1

De beleidsdoorlichting is als IBO (Interdepartementaal Beleids Onderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt» in de eerste helft van 2017 opgeleverd. Enkele onderwerpen van dit beleidsartikel (onder andere de WAZ) zijn niet aan de orde gekomen in het IBO. Deze onderwerpen komen in een afzonderlijke evaluatie aan de orde. Deze evaluatie wordt in de eerste helft van 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer.

X Noot
2

Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

De website rijksbegroting.nl bevat het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie de bijlage «Overzicht evaluaties en overig onderzoek» (bijlage 6.5).

2.6 Overzicht van risicoregelingen

Tabel 2.6.1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Garantie-plafond

Totaal plafond

2 (Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet)

Startende Ondernemers

65

0

60

5

0

5

0

nvt

5

Tabel 2.6.2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Stand risico-voorziening 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Stand risico-voorziening 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risico-voorziening 2018

Saldo 2018

2 (Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet)

Startende Ondernemers

63

22

0

41

45

0

0

45

5

0

0

5

In 2007 is de tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering van kracht geworden. Een garantie heeft een maximale duur van zes jaar. Er worden geen nieuwe garanties meer verleend. De regeling beoogde te onderzoeken hoe starters voor krediet bij het bankwezen terecht konden. Met de regeling konden starters (aanvankelijk alleen vanuit een uitkering) onder gedeeltelijke en aflopende borgstelling van het rijk een bankkrediet voor hun bedrijf verwerven. De starter betaalde een rente en de bank liep een beperkt risico met weinig uitvoeringskosten. Onder invloed van nieuwe instrumenten is besloten de regeling te sluiten. De claims worden afgedekt op de SZW-begroting.

Tabel 2.6.3 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

13 (Integratie en maatschappelijke samenhang)

Inburgering

230.900

divers

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringonderwijs te bekostigen. Slechts ingeval de nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden.

Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen. De looptijd van deze leningen is divers.

Het leningenbudget neemt vanaf 2016 fors toe vanwege de vluchtelingenproblematiek.

HOOFDSTUK 3: BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

  • Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Invoering loonkostenvoordelen en het minimumjeugdloonvoordeel

Beleidswijzigingen

Voor werkgevers verdwijnen op 1 januari 2018 de premiekortingen voor jongere, oudere en arbeidsgehandicapte werknemers. Hiervoor komen vanaf 2018 loonkostenvoordelen (LKV’s) in de plaats (Stb. 2017, 272). LKV’s gelden voor ouderen en mensen met een arbeidsbeperking, zoals een ziekte of handicap. De nieuwe systematiek is eenvoudiger, robuuster en fraudebestendiger en lost de verzilveringsproblematiek voor met name kleine bedrijven op. Daarnaast kunnen werkgevers vanaf 1 januari 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar (minimumjeugdloonvoordeel, Stb. 2017, 24). Dit moet bedrijven stimuleren om meer jongeren aan te nemen. De tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon die vanaf 1 juli 2017 is ingevoerd. Uitbetaling van LKV’s en minimumjeugdloonvoordeel over 2018 vindt in 2019 plaats. Tevens komt het lage-inkomensvoordeel (LIV) in 2018 voor het eerst tot uitbetaling. De hiervoor gereserveerde middelen waren in de begroting 2017 opgenomen in artikel 99 en worden nu geplaatst in artikel 1 onder het financieel instrument Inkomensoverdrachten.

Implementatie richtlijn onderzoekers, studenten, stagiairs, vrijwilligers

Op 23 mei 2018 moet de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 over de toelating van niet-EU onderzoekers, studenten, stagiairs en vrijwilligers zijn afgerond. Implementatie vindt onder meer plaats via een aantal wijzigingen in het Besluit Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en de Regeling Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. De richtlijn regelt een meer uniforme procedure voor toelating, verblijf en arbeid. Bijgevolg wordt het voortaan onder meer mogelijk voor buitenlandse studenten om meer uren per week te werken naast hun studie. Daarnaast bevat de richtlijn bepalingen inzake intra-EU mobiliteit voor onderzoekers en studenten en geeft het een aantal rechten, met name op het gebied van gelijke behandeling.

Van toepassing verklaring van de Wet minimumloon op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

Op 28 maart 2017 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel (Stb. 2017, 290) aangenomen dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) wijzigt in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (OVO). Door deze wetswijziging gaat vanaf 1 januari 2018 het wettelijk minimumloon zonder nadere voorwaarden ook gelden voor personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een OVO, tenzij het gaat om mensen die werkzaam zijn in de uitoefening van bedrijf of de zelfstandige uitoefening van beroep (en dus fiscaal als ondernemer beschouwd worden). Naar aanleiding van een door de Eerste Kamer aangenomen motie (Eerste Kamer, 2016–2017, 33 623, N) heeft het kabinet toegezegd te regelen dat het wettelijk minimumloon ook gaat gelden voor personen die op basis van een andere overeenkomst tegen beloning werken, zoals een aanneem-, uitgeef-, of vervoersovereenkomst, eveneens met uitzondering van (fiscaal) zelfstandigen (Eerste Kamer, 2016–2017, 33 623, O). Het ontwerpbesluit dat dit regelt is voor advies naar de Raad van State verzonden. Beoogde inwerkingtreding is per 1 januari 2018. De wijzigingen van de wet en het besluit hebben als doel oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen.

Programma beroepsziekten

In 2018 start een vierjarig programma preventie beroepsziekten. Het programma is in 2016 in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd (Tweede Kamer, 2015–2016, 25 883, nr. 267) en richt zich de eerste twee jaar in ieder geval op het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten van het werken met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt in samenwerking met andere partijen ingezet op de versterking van de bewustwording en de aanpak van gezondheidsrisico’s van het werken met gevaarlijke stoffen. Hiervoor zijn middelen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen

Het Ministerie van SZW zal samen met VWS huisartsen, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en medisch specialisten ondersteunen om hun onderlinge samenwerking, gericht op preventie, gezondheidskundige advisering, begeleiding van chronisch zieken, verzuimbegeleiding, werkhervatting en re-integratie verder te versterken. Zoals toegezegd (Tweede Kamer, 2016–2017, 25 883, nr. 286) wordt hiertoe eind 2017 een symposium georganiseerd in samenwerking met actoren in het veld, onder meer om in gezamenlijkheid te spreken over de wijze waarop de samenwerking concreet verder vorm kan krijgen in 2018. Ook wordt invulling gegeven aan de toezegging van de Minister om met een «kwaliteitstafel», waar een brede groep partijen uit het veld aan zal deelnemen, het vak van bedrijfsarts aantrekkelijker en toegankelijker te maken (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 778). Voorts bevordert SZW dat stakeholders werken aan verdere kwaliteitsverbetering van de bedrijfsgezondheidszorg. Hiervoor zijn middelen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Ondersteuning ontwikkeling gedragscode schadeverhaal bij beroepsziekten

Naar inschatting krijgen in Nederland elk jaar zo’n 25.000 werknemers een beroepsziekte (HSI, 2012). Jaarlijks overwegen zo’n 4.500 werknemers om een schadeclaim bij de werkgever in te dienen. Door de vele hindernissen in zo’n traject (onder meer financiële draagkracht, complexiteit van de bewijslast en bereidwilligheid tot medewerking van werkgever en verzekeraar) bereikt het overgrote deel daarvan echter niet de fase van feitelijke afronding. Jaarlijks worden naar schatting slechts rond de 600 claims ingediend. Om het proces van afhandeling van schadeverhaal te verbeteren, wordt met financiële ondersteuning van SZW onder regie van de Letselschaderaad in de periode 2018–2020 een (zelfbindende) gedragscode ontwikkeld voor de afhandeling van claims bij (veronderstelde) beroepsziekten (Tweede Kamer, 2016–2017, 25 883, nr. 295). De verwachting is dat met de gedragscode het proces van schadeverhaal door werknemers wordt vereenvoudigd. Hiervoor zijn subsidiemiddelen beschikbaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

20.914

16.792

508.873

950.123

905.525

905.525

905.525

Uitgaven

19.385

16.592

509.873

950.123

905.525

905.525

905.525

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,5%

       
               

Inkomensoverdrachten

3.427

2.078

493.000

930.000

885.000

885.000

885.000

Vakantiedagen

3.427

2.078

0

0

0

0

0

Lage-inkomensvoordeel

0

0

493.000

503.000

503.000

503.000

503.000

Minimumjeugdloonvoordeel

0

0

0

130.000

85.000

85.000

85.000

Loonkostenvoordelen

0

0

0

297.000

297.000

297.000

297.000

               

Subsidies

3.049

3.009

2.920

2.225

2.345

2.345

2.345

               

Opdrachten

8.948

7.549

8.930

9.475

9.757

9.757

9.757

               

Bekostiging

145

125

100

100

100

100

100

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

1.092

4.492

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZ

0

0

100

3.800

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

0

992

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

3.816

3.831

3.831

3.831

3.831

3.831

3.831

RIVM

3.816

3.831

3.831

3.831

3.831

3.831

3.831

               

Ontvangsten

24.552

27.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten lage-inkomensvoordeel.

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 53%. Dit betreft verschillende subsidies voor bijvoorbeeld de Diversiteitscharter, aan Fairwork, bestemd voor het programma Beroepsziekten, voor Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen en voor de afrondende fase van het programma Duurzame inzetbaarheid.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 33%. De middelen worden ingezet voor bijvoorbeeld Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen, Arboportaal, Certificering en Normalisatie (NEN), pilot handhaven pesten en voor het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Daarnaast zijn middelen verplicht voor onderzoek.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College toelating gewasbestrijdingsmiddelen (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

A. Inkomensoverdrachten1

Toelichting op de financiële instrumenten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel (LIV), het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) en de Loonkostenvoordelen (LKV's). Alle regelingen zijn tegemoetkomingen aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De regelingen worden in het daaropvolgende jaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2019 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2018 in dienst zijn.

A1. Lage-inkomensvoordeel

Het LIV bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming aan werkgevers met als doel om banen in loondienst te creëren voor werknemers met een laag inkomen. Per werknemer met een uurloon van tussen de 100 en 110% van het minimumloon is de tegemoetkoming aan werkgevers maximaal € 2.000 per (kalender)jaar. Bij een uurloon tussen de 110 en 125% van het minimumloon is de tegemoetkoming € 1.000 per jaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur gewerkt hebben in het jaar in kwestie. Werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd vallen niet onder de LIV-doelgroep.

A2. Minimumjeugdloonvoordeel

Per 1 januari 2018 gaat het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) in. Door de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 573, nr. 5), stijgen de loonkosten om jongere werknemers in dienst te hebben. Het Jeugd-LIV dient ter compensatie van die loonkostenstijging. De opzet van het instrument is vergelijkbaar met het reguliere LIV, behalve dat er geen urencriterium per jaar geldt en er andere looneisen gelden, die ook per leeftijdsgroep verschillen.

De hoogte van het Jeugd-LIV is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer. Tabel 1.2 geeft de maximale compensatie waar werkgevers recht op kunnen hebben. In 2018 (uitbetaling in 2019) zijn alle (maximale) tegemoetkomingen van het Jeugd-LIV eenmalig 50% hoger, zodat werkgevers niet alleen voor de hogere minimumjeugdlonen in 2018 gecompenseerd worden, maar ook voor het laatste halfjaar van 2017.

Tabel 1.2 Tegemoetkoming werkgevers over 2018 en laatste halfjaar van 2017 (Jeugd-LIV) (x € 1)

Leeftijd op 31 december 2017

Compensatie per uur

Maximale compensatie op jaarbasis

18 jaar

0,23

478,40

19 jaar

0,28

582,40

20 jaar

1,02

2.121,60

21 jaar

1,58

3.286,40

A3. Loonkostenvoordelen

Per 1 januari 2018 zullen de LKV’s worden ingevoerd. Er zijn vier typen LKV’s: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Doelgroep Banenafspraak en LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. De LKV’s zijn tegemoetkomingen met als doel om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt aan een baan in loondienst te helpen. Om in aanmerking te komen voor een LKV moet een werknemer beschikken over een doelgroepverklaring. De LKV’s komen in de plaats van de mobiliteitsbonussen voor ouderen en arbeidsgehandicapten. Werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd en werknemers, die arbeid verrichten in een sociale werkvoorziening of een beschutwerkplek, vallen niet onder de LKV-doelgroep. Indien een werknemer onder meerdere LKV’s valt, telt het LKV dat het recht geeft op de hoogste tegemoetkoming.

LKV Ouderen

Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen. De tegemoetkoming is maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Arbeidsgehandicapten

Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben. De tegemoetkoming is maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer onder de doelgroep Banenafspraak aanneemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is maximaal € 2.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten

Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten. De tegemoetkoming is maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 1 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

B. Subsidies

Het juridisch verplichte deel onder subsidies betreft verplichtingen die in 2017 zijn of naar verwachting nog worden aangegaan voor 2018. Aan het subsidiëren van de Diverstiteitscharter wordt in 2018 € 0,4 miljoen besteed. Een bedrag van € 0,1 miljoen is bestemd voor Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen. Voor het programma Zelfregulering Gezond en Veilig Werken wordt € 0,1 miljoen ingezet. Voor het programma Duurzame Inzetbaarheid wordt € 0,7 miljoen besteed aan hoofdzakelijk fase 2 van het project «Duurzame Inzetbaarheid in het MKB». Het doel is te bewerkstelligen dat MKB-bedrijven aan de slag gaan met duurzame inzetbaarheid en er binnen het MKB structureel aandacht komt voor duurzame inzetbaarheid. Voorts zijn er nog enkele subsidies tot een bedrag van € 0,1 miljoen onder andere in het kader van Fairwork en NWO SHARE.

Het restant van de uitgaven onder subsidies is niet juridisch verplicht. Voor het Programma Beroepsziekten wordt € 1 miljoen ingezet voor het ondersteunen van branches en beroepsgroepen bij het ontwikkelen en implementeren van instrumenten en werkwijzen gericht op het voorkomen en/of tijdig signaleren van nadelige gezondheidseffecten van gevaarlijke stoffen. Om het proces van schadeverhaal door werknemers te vereenvoudigen is voor de ontwikkeling van een gedragscode gedurende 3 jaar € 0,2 miljoen beschikbaar. Voor subsidie aan beheerstichtingen ten behoeve van Certificering is € 0,1 miljoen beschikbaar.

C. Opdrachten

Het juridisch verplichte deel onder opdrachten betreft verplichtingen die in 2017 zijn of naar verwachting nog worden aangegaan voor 2018. Een bedrag van € 0,5 miljoen is bestemd voor het Arboportaal. Dit portaal dient als startpunt voor werkgevers, werknemers en preventiemedewerkers voor informatie over arbeidsomstandigheden. Een bedrag van € 0,6 miljoen wordt besteed aan het onderhoud van de normalisatie infrastructuur en de beleidsintensivering certificatie. Voorts is een bedrag van € 0,6 miljoen beschikbaar voor het NCvB. Een bedrag van € 0,9 miljoen wordt besteed aan onderzoek waaronder € 0,1 miljoen aan de Arbeidsmarktpanels door het SCP.

Het restant van de uitgaven onder opdrachten is niet juridisch verplicht. Voor de Campagne Arbeid en zorg is € 0,6 miljoen beschikbaar. Voor de toegezegde bijdrage aan het Ministerie van BZK voor registratie van arbeidsmigranten (REVA) is € 0,2 miljoen gereserveerd. Voor het Programma Beroepsziekten wordt € 1 miljoen besteed aan een bewustwordingscampagne gericht op de versterking van de bewustwording en de aanpak van risico’s van werken met gevaarlijke stoffen. In het kader van Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen wordt € 0,5 miljoen besteed. Dit wordt ingezet voor het versterken van samenwerking tussen de bij arbeidsgerelateerde zorg betrokken beroepsgroepen, het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het vak van bedrijfsarts door onder andere een «kwaliteitstafel» en het bevorderen dat stakeholders werken aan verdere kwaliteitsverbetering van de bedrijfsgezondheidszorg. In 2018 wordt voorts € 0,4 miljoen besteed voor het genereren van (blijvende) aandacht voor het belang van cultuur en gedrag bij gezond en en veilig werken (als vervolg en in aansluiting op de programma’s duurzame inzetbaarheid/werkstress, de aanpak van pesten en zelfregulering). Dit bedrag wordt o.a. ingezet voor het continueren van de week voor de werkstress, website en Facebook duurzame inzetbaarheid en het stimuleren van bedrijfstakken. Voor de uitwerking en implementatie van de lessen en maatregelen nav het feitenonderzoek Dupont, waaronder het vormgeven van een kennisplatform gevaarlijke stoffen, is € 0,2 miljoen beschikbaar. Het restant van de middelen betreft onder meer reserveringen in verband met een nieuw pensioenstelsel, arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden (€ 3,1 miljoen).

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van EZ ten behoeve van de financiering van het Ctgb. De bijdrage aan de begroting van het Ministerie van VWS bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad. De bijdrage aan de Gezondheidsraad is voor 2018 verhoogd.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

De inschatting van de boeteopbrengsten is gebaseerd op de realisatie van de voorgaande jaren. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de uiteindelijke realisatie, waaronder de incassoratio en de restitutie van boetes.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 1.3 Fiscale regelingen 2016–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

Arbeidskorting

17.134

18.207

18.657

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.952

2.003

2.056

BTW laag tarief arbeidsintensieve diensten

641

660

680

Gezond en veilig werken

Kerncijfers

Zoals toegezegd bij brief van 3 juni 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 300 XV, nr. 89) geeft de tabel Kerncijfers «gezond en veilig werken» voortaan ook beleidsinformatie weer over arbeidsongevallen en beroepsziekten onder zelfstandigen. Tot de begroting 2017 werd deze beleidsinformatie enkel voor werknemers weergegeven. Tussen 2014 en 2016 is het aandeel van werknemers en zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim vrijwel stabiel gebleven. Ook het aandeel werknemers en zelfstandigen met een beroepsziekte is in de beschouwde periode stabiel. De lichte toename van het percentage bij zelfstandigen in tabel 1.4 is statistisch niet significant.

Tabel 1.4 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1 , 2

1,7

1,4

1,4

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)3

1,2

1,1

Ziekteverzuim (%)4

3,8

3,9

3,9

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen5

4

3

6

Naleving zorgplicht Arbowet (%)6

79

80

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)7

3,2

3,2

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)8

1,6

1,9

X Noot
1

Door gewijzigde opzet en vraagstelling van de enquête is het percentage vanaf 2014 niet goed vergelijkbaar met latere jaren. In 2015 is de meting van arbeidsongevallen verbeterd. Er wordt een extra controle uitgevoerd of het arbeidsongeval wel in de afgelopen 12 maanden heeft plaatsgevonden. Hierdoor valt het aandeel werknemers met een arbeidsongeval in 2015 iets lager uit. Wanneer deze verbetering niet was doorgevoerd zou het percentage in 2015 zijn uitgekomen op 1,6%. Deze verbetering wordt voor het jaar 2015 en latere jaren toegepast.

X Noot
2

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden.

X Noot
3

CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden.

X Noot
4

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
5

Inspectie SZW, administratie.

X Noot
6

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
7

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

X Noot
8

CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar. De stijging van het aantal afgegeven twv’s is voor een groot deel toe te schrijven aan een toename van twv’s aan buitenlandse studenten die naast hun studie een beperkt aantal uren mogen werken.

Tabel 1.5 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
   

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.486

5.500

5.551

 

• waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.850

4.743

4.793

 

• waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

636

757

758

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,2

7,0

7,7

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Op de terreinen Gezond en Veilig en Eerlijk is sprake van handhavingstoezicht. Op het terrein van Werk en Inkomen betreft het stelseltoezicht. Daarnaast voert de Inspectie in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

Onderstaande tabellen en toelichting gaan in op relevante kengetallen over het werk, de capaciteitsinzet en het effect van de Inspectie SZW.

A. Inspectie Control Framework (ICF)

Naar aanleiding van de motie Heerma c.s. (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 475 XV, nr. 9) is onderzoek gedaan naar de toereikendheid van de capaciteit van de Inspectie SZW. Het rapport «Werken met effect» van ABD TOPConsult concludeerde in november 2016 dat het niet mogelijk is om deze vraag eenduidig te beantwoorden, omdat daarvoor niet de juiste informatie beschikbaar is en omdat een politiek vastgestelde norm ontbreekt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 14). Het rapport beveelt aan een Inspectie Control Framework (ICF) op te stellen. Dit ICF is op 16 mei 2017 aan de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 74).

Het ICF identificeert vier punten voor een (politieke) keuze over de beleidsmatige norm:

  • 1. Arbeidsomstandigheden: wel/niet herstellen van de balans tussen ongevalsonderzoek en risicogerichte actieve programmering;

  • 2. Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo): wel/niet vergroten capaciteit om met Brzo-partners meer gezamenlijk te inspecteren;

  • 3. Intelligencegestuurd werken: wel/niet investeren in meer gezamenlijke data-analyse met andere bedrijveninspecties, en

  • 4. Arbeidsuitbuiting/oneerlijk werk: wel/niet vergroten capaciteit om uitbuiting, onderbetaling en andere arbeidsmarktfraude aan te pakken.

De begeleidende brief bij het ICF schetst een aantal scenario’s met concrete keuzes op deze punten, inclusief de inschatting van de ermee gemoeide capaciteitsintensivering. Het is aan een volgend kabinet om deze keuzes te maken. In tabel 1.7 zijn kerncijfers opgenomen die samenhangen met de hiervoor genoemde vier punten.

B. Van output- naar effectsturing

De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. Bij het invullen van haar toezichtstaken maakt de Inspectie gebruik van een breed instrumentarium. Naast de reguliere repressieve handhavingsinstrumenten inspecteren en opsporen worden ook andere preventieve handhavingsinstrumenten ingezet, zoals handhavingscommunicatie, druk zetten op opdrachtgevers, bevordering van samenwerking en branchebeïnvloeding. De Inspectie stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Bij de inzet van mensen en middelen zijn afwegingen rond maatschappelijk effect ook nu al vaak bepalend. Het inzicht dat hier tot op heden in geboden werd, biedt nog ruimte voor verbetering. Een bovenmatige focus op kengetallen zoals aantallen inspecties biedt onvoldoende inzicht in de bijdrage van de Inspectie aan het gewenste maatschappelijk effect. Dergelijke productie-indicatoren dragen tevens als risico in zich dat kwantiteit (output) bij sturing voorgaat op kwaliteit (effect). Een inspectie kan staan voor een bezoek van enkele uren of juist voor een diepgaand onderzoek van dagen of weken waarbij de Inspectie een constructie ontrafelt. De Inspectie wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daarbij gaat het niet om het aantonen van een causaal verband tussen interventies en effect, maar om informatie die de resultaten van de Inspectie weergeeft en waarvan het plausibel is dat deze resultaten bijdragen aan het realiseren van het beoogde maatschappelijk effect.

De Inspectie hanteert tot nu toe de kerncijfers handhaving zoals weergegeven in tabel 1.6. Deze kerncijfers betreffen onder andere aantallen inspecties, opsporingsonderzoeken en onderzoeksrapporten. Ook voor het begrotingsjaar 2018 worden deze kerncijfers opgenomen. De ramingen voor 2018 zijn mede uitvloeisel van uitkomsten met betrekking tot het ICF. Voor haar interne sturing blijven dit voor de Inspectie belangrijke kengetallen. De genoemde kengetallen zijn te beschouwen als middelen in de aanpak om maatschappelijk effect te behalen en niet als een doel op zich. Vanaf het begrotingsjaar 2019 presenteert de Inspectie SZW de cijfers van tabel 1.6 enkel in haar jaarverslagen.

Tabel 1.6 Kerncijfers handhaving
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 20181

Aantal inspecties en onderzoeken Gezond en Veilig (excl. Brzo)

15.491

13.500–14.500

nnb

Handhavingspercentage Gezond en Veilig (excl. Brzo)

51

50

nnb

       

Aantal inspecties en onderzoeken Brzo

541

250–300

nnb

Handhavingspercentage Brzo

43

40

nnb

       

Aantal inspecties Eerlijk

2.890

2.500–3.500

nnb

Handhavingspercentage Eerlijk

48

>30

nnb

       

Aantal programmarapportages Werk en Inkomen

3

3

nnb

Aantal overige producten Werk en Inkomen

16

6

nnb

       

Aantal afgeronde opsporingsonderzoeken

62

50–60

nnb

Aantal bij het OM aangemelde verdachten

167

130–170

nnb

Vastgesteld nadeel (mln. €)

49

25–35

nnb

Bron: Inspectie SZW.

X Noot
1

De ramingen voor 2018 zijn mede uitvloeisel van uitkomsten met betrekking tot het ICF en worden opgenomen in het jaarplan 2018 van de Inspectie SZW. «nnb» staat voor «nog nader te bepalen».

De Inspectie organiseert haar werk in ruim twintig programma´s. Dat doet zij om de bij de medewerkers van de Inspectie aanwezige kennis, ervaring, denk- en uitvoeringskracht op een wendbare en flexibele manier risicogericht te kunnen inzetten. Vanaf haar jaarplan 2017 formuleert de Inspectie per programma wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie wil bijdragen aan de realisatie ervan, en via welke interventies en met welke mensen en middelen zij die resultaten wil realiseren. Ook in haar jaarplan 2018 zal dat per programma gebeuren. In haar jaarverslag rapporteert de Inspectie over de uitvoering van deze programma’s en de in programma’s beoogde resultaten en effecten.

Vanwege de gewenste wendbaarheid en flexibiliteit kan het aantal programma’s van de Inspectie en de inhoud ervan van jaar tot jaar variëren. In de departementale begroting wordt ingegaan op de bijdrage van de Inspectie aan het realiseren van de beoogde maatschappelijke effecten op een wijze die niet afhangt van het aantal programma’s en de inhoud ervan. Zo kan beleidsinformatie tussen begrotingsjaren worden vergeleken en worden reële ontwikkelingen zichtbaar gemaakt.

Het onderdeel «Inspectie Control Framework» van tabel 1.7 geeft de resultaten weer van de in het ICF genoemde punten. Om recht te doen aan de ontwikkeling bij de Inspectie van output- naar effectsturing is nieuwe beleidsinformatie in tabel 1.7 opgenomen bij het onderdeel «Effect». De ramingen voor 2018 van alle onderdelen van tabel 1.7 zijn mede uitvloeisel van uitkomsten met betrekking tot het ICF. Vanaf de begroting 2019 is de beleidsinformatie bij het onderdeel «Handhaving» van artikel 1 beperkt tot tabel 1.7.

De kerncijfers Capaciteitsinzet geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de domeinen Gezond en veilig, Brzo, Eerlijk en Werk en Inkomen. De toekomstige capaciteitsverdeling is mede uitvloeisel van uikomsten in het kader van het ICF.

Hoewel de Inspectie meer interventies inzet dan inspecteren alleen, zal naar verwachting voor de korte en middellange termijn de meeste capaciteit worden ingezet ten behoeve van inspecties op de terreinen Gezond en Veilig en Eerlijk. Zolang dat het geval is, kan de bijdrage van de Inspectie aan de realisatie van het beoogde maatschappelijk effect op hoofdlijnen worden afgemeten aan de volgende kerncijfers:

  • Handhavingspercentage bij eerste inspectie

De Inspectie zet haar beschikbare capaciteit risicogericht in om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken. Het is niet mogelijk (en ook niet nodig) om alle bedrijven te controleren op het naleven van de geldende wet- en regelgeving. De Inspectie werkt risicogericht en streeft daarom naar een hoog handhavingspercentage bij eerste inspecties. De mate waarin de Inspectie erin slaagt om bij haar (selecte) inspecties daadwerkelijk regelovertredende bedrijven aan te treffen, biedt een indicatie voor de mate waarin werkgevers binnen die groep bezochte bedrijven de wet naleven en hun werknemers gezond, veilig en eerlijk werken.

  • Handhavingspercentage bij herinspectie

Bij het aantreffen van regelovertredende bedrijven zal de Inspectie handhavend optreden met de bedoeling om bij de betreffende bedrijven een gedragsverandering te realiseren die maakt dat deze bedrijven in het vervolg de relevante arbeidswetgeving zullen naleven. De Inspectie streeft daarom naar een laag handhavingspercentage bij herinspecties.

De terreinen Gezond en Veilig, Brzo en Eerlijk verschillen in aard en ernst van de problematiek en daarmee in aanpak. Hierdoor zullen de geraamde handhavingspercentages per domein verschillen.

Tabel 1.7 Inspectie SZW: Inspectie control framework, capaciteitsinzet en effecten
 

Realisatie 2016

Raming 20181

Inspectie Control Framework

   

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42:58

nnb

Verhouding niet/wel deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

41:59

nnb

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)2

2

nnb

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)3

1

nnb

Capaciteitsinzet4

   

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42

nnb

Brzo (%)

11

nnb

Eerlijk (%)

44

nnb

Werk en Inkomen (%)

3

nnb

Effect

   

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

58

nnb

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

9

nnb

Handhavingspercentage Brzo

43

nnb

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

48

nnb

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

43

nnb

Bron: Inspectie SZW.

X Noot
1

De waardes in 2018 zijn mede uitvloeisel van uitkomsten met betrekking tot het ICF en worden opgenomen in het jaarplan 2018 van de Inspectie SZW. «nnb» staat voor «nog nader te bepalen».

X Noot
2

Niveau 2 staat voor: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is».

X Noot
3

Betreft het aandeel bedrijven waar de Inspectie toezicht heeft gehouden ten opzichte van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is.

X Noot
4

Betreft de som van de capaciteitsinzet van de toezichtprogramma’s.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratieinspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt en of, en zo ja, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget voor de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstanduitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering, dat een louter gemeentelijke aangelegenheid is.

Structureel worden van de middelen no riskpolis per 2021 voor de gemeentelijke doelgroep

Beleidswijzigingen

Sinds de invoering van de Participatiewet en de Wet banenafspraak, nu tweeënhalf jaar geleden, is veel in gang gezet. Sindsdien zijn enkele wettelijke wijzigingen doorgevoerd om tegemoet te komen aan belemmeringen die in de praktijk werden ervaren. In de begroting 2018 is verwerkt dat de no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk vanaf 2021 structureel is gemaakt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 514, nr. 8). Dit moet de aarzeling wegnemen bij werkgevers om duurzame dienstverbanden aan te gaan.

Experimenten Participatiewet

Verschillende gemeenten zijn aangewezen om voor de duur van maximaal twee jaar te experimenteren bij de uitvoering van de Participatiewet. In dit verband mogen de aangewezen gemeenten afwijken van de Participatiewet door het toepassen van een tijdelijke intensivering van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, ten aanzien van de voor de bijstandsgerechtigde geldende verplichting om werk te verkrijgen, te aanvaarden, te behouden en een tegenprestatie te verrichten en ten aanzien van de bepaling omtrent de vrijlating van inkomsten uit arbeid. Het doel van de experimenten, die binnen drie jaar moeten plaatsvinden en waarvan 2018 het eerste volledige jaar wordt waarin de experimenten worden uitgevoerd, is te onderzoeken hoe de Participatiewet met betrekking tot arbeidsinschakeling doeltreffender kan worden uitgevoerd.

Kansrijk opgroeien

Gemeenten ontvangen sinds 2017 van de structureel beschikbaar gestelde extra € 100 miljoen € 85 miljoen per jaar (via een decentralisatie-uitkering) om ervoor te zorgen dat alle kinderen in Nederland, ook kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, mee kunnen doen op het gebied van sport, cultuur, school of sociale activiteiten. De Staatssecretaris van SZW heeft bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt over de inzet van deze middelen en om de afspraken te evalueren. De eerste evaluatie vindt plaats begin 2018. De overige € 15 miljoen wordt beschikbaar gesteld via subsidies aan instellingen, waaronder in Carabisch Nederland, die ook actief zijn om kinderen in armoede de mogelijkeid te bieden te participeren en die daarbij samenwerken met gemeenten.

Vereenvoudiging beslagvrije voet

De complexiteit van de berekening van de beslagvrije voet alsmede het feit dat de schuldenaar te maken kan krijgen met verschillende los van elkaar ingezette incassomaatregelen, leidt er toe dat een grote groep schuldenaren te weinig geld overhoudt om in de meest basale levensbehoeften te kunnen voorzien. Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die moet voorkomen dat schuldenaren bij beslaglegging te weinig geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien, worden de genoemde knelpunten van de huidige regeling ondervangen. De wet wijzigt de berekeningswijze van de beslagvrije voet, de gegevens die daarvoor met verschillende instanties dienen te worden uitgewisseld, alsmede het uiteindelijke proces tot vaststelling van de beslagvrije voet.

Daarnaast wordt voortgegaan met de verdere concretisering van de rijksincassovisie en de verbreding van het beslagregister. Beide onderdelen zullen in 2018 verder ter hand worden genomen, waarbij de inzet is om in 2019 het eerste overheidsorgaan op het beslagregister aangesloten te hebben.

Schuldhulpverlening

Het kabinet heeft naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de jaren 2016, 2017 en 2018 in totaal € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening. In 2018 voeren Divosa, de Landelijke Cliëntenraad, de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), Sociaal Werk Nederland en de VNG met behulp van een subsidie het eind 2016 gestarte programma «Schouders eronder – kennisontwikkeling, innovatie en professionalisering schuldhulp» uit. Dit programma heeft als doel een impuls te geven aan de kennisontwikkeling, innovatie en professionalisering van de gemeentelijke schuldhulpverlening binnen het brede sociale domein. Daarnaast worden de versterking van de vrijwilligers binnen de schuldhulpverlening en de bredere inzet van vroegsignalering ondersteund.

Jeugdwerkloosheid

De Aanpak Jeugdwerkloosheid krijgt de komende jaren een vervolg in het programma Sociaal Domein. Juist jongeren die minder zelfredzaam zijn, voelen de gevolgen van de invoering van het Passend Onderwijs, de WMO, de nieuwe Jeugdwet en de Participatiewet. Voor hen wordt de overgang naar werk, onderwijs of een combinatie daarvan versoepeld door met gemeenten, scholen, werkgevers, hun partners, kennisinstellingen, dwarskijkers en jongeren een gezamenlijke, overkoepelende ambitie te formuleren, waarbij jongeren centraal staan. Van hieruit gaan de partijen aan de slag om tot verbetering en innovatie te komen door eigenaarschap en handelingsruimte te geven aan professionals, jongeren en mensen uit hun leefwereld. Daarnaast worden oplossingen aangedragen voor mogelijke knelpunten rond deze ambitie.

Quotumregeling

De resultaten van de twee-meting banenafspraak laten zien dat de werkgevers eind 2016 in totaal 22.554 banen ten opzichte van de nulmeting hebben gerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking (Tweede Kamer, 2016–2017, 33 981, nr. J). Met dit resultaat is voldaan aan de doelstelling dat werkgevers eind 2016 in totaal 20.500 banen realiseren. Het gaat om 18.957 banen bij de sector markt en 3.597 banen bij de sector overheid. Werkgevers in de sector markt voldoen hiermee aan de doelstelling van 14.000 banen, maar dit geldt niet voor de sector overheid (6.500 banen). Vanwege dit resultaat heeft het kabinet besloten tot activering van de quotumregeling voor de sector overheid. Eén van de afspraken uit het Sociaal Akkoord is dat vóór het kabinet een besluit neemt om de quotumregeling te activeren, eerst gesproken wordt met sociale partners en gemeenten. Naar aanleiding van dit overleg is besloten om te voorzien in een bepaling die het mogelijk maakt het quotum weer te deactiveren als blijkt dat de banenafspraak alsnog wordt gehaald. Ook is besloten om overheidswerkgevers de tijd te geven een inhaalslag te realiseren en de daadwerkelijke heffing één jaar uit te stellen. Wel worden de resultaten over 2018 gemonitord. Tevens wordt geregeld dat de registratie in het doelgroepregister van mensen niet langer eindigt op 31 december van het tweede kalenderjaar, volgend op de datum waarop deze niet meer aan de doelgroepcriteria voldoen, de zogenaamde de t+2 regel. Deze periode wordt verlengd. Hierdoor blijven de banen waarop de mensen uit de doelgroep werken langer meetellen voor de banenafspraak/quotumregeling. Aanvullend wordt door de overheidwerkgevers een plan van aanpak opgesteld en is afgesproken dat specifieke onderdelen in het veiligheidsdomein van de overheid worden uitgezonderd van de quotumregeling. Tot slot zal nader onderzoek plaatsvinden naar de regionale verschillen, de toereikendheid van de omvang van de doelgroep, en wordt in een breed onderzoek gemonitord hoe de quotumregeling uitpakt bij verschillende overheidssectoren.

Wsw pensioenen

De premielasten voor het Wsw-pensioen stijgen als gevolg van het feit dat de Wsw is afgesloten voor nieuwe instroom. Voor het pensioenfonds PWRI betekent dit dat de pensioenpremie moet worden opgebracht door een afnemend aantal Wsw-werknemers. In verband hiermee heeft het kabinet bij de behandeling van de Participatiewet toegezegd, met ingang van 2018, een financiële tegemoetkoming te bieden van € 10 miljoen per jaar, onder de voorwaarde dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. Ten behoeve hiervan is de ministeriële regeling gepubliceerd waarin de wettelijke basis is gelegd voor een directe geldstroom (Stc., 2017, 21339).

Tabel 2.1 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20161

Streefwaarde 20162

Streefwaarde 20172

Streefwaarde 20182

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

18.957

14.000

23.000

31.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

3.597

6.500

10.000

12.500

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

6.543.926

6.890.482

6.750.803

6.925.566

7.219.656

7.418.596

7.554.707

waarvan garantieverplichtingen

– 170

           

Uitgaven

6.626.117

6.951.513

6.810.888

6.977.917

7.229.656

7.420.596

7.554.707

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,8%

       
               

Inkomensoverdrachten

6.530.514

6.752.024

6.693.003

6.886.616

7.179.956

7.368.900

7.505.011

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.711.137

5.979.610

5.915.743

6.114.742

6.408.786

6.592.028

6.718.218

Participatiebudget

459

0

0

0

0

0

0

Wsw

17.447

0

0

0

0

0

0

TW

496.400

470.789

484.596

475.922

474.265

476.350

480.751

AIO

245.067

254.025

253.938

259.051

261.955

265.230

270.683

Bijstand zelfstandigen

56.427

43.244

31.707

29.570

29.570

29.570

29.570

Bijstand overig

1.500

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

2.077

2.756

5.419

5.731

3.780

4.122

4.189

               

Garanties

41

50

5

0

0

0

0

               

Subsidies

92.361

189.904

88.748

61.570

18.361

20.386

18.361

               

Opdrachten

2.183

8.139

16.873

17.406

19.438

19.849

19.874

               

Bekostiging

782

1.095

2.038

2.108

1.739

1.297

1.297

Nibud

304

0

0

0

0

0

0

ZonMw

478

1.095

2.038

2.108

1.739

1.297

1.297

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

236

301

221

217

162

164

164

ZonMw

236

301

221

217

162

164

164

               

Bijdrage aan sociale fondsen

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Pensioenfonds Wsw

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Ontvangsten

55.901

44.587

2.572

2.572

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. De rijksbijdragen aan de uitvoerende instellingen, gemeenten, het UWV en de SVB, worden ruim voor het begrotingsjaar bekend gemaakt. Inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve ook voor 100% juridisch verplicht.

Garanties:

De geraamde uitgaven zijn voor verwachte claims op garanties van de Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010 en dus 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. De aanvragen in het kader van de subsidieregelingen, zoals voor de sectorplannen, armoede en schulden en Doorstart naar nieuw werk, zijn beschikt of nog in procedure. Evenzo geldt voor de incidentele subsidies, zoals voor armoede onder kinderen, of de subsidies aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM), Nibud of de gesubsidieerde cofinanciering Europees Fonds Meest Behoeftigen (EFMB) dat deze voor meerdere jaren zijn toegekend dan wel toegezegd aan de desbetreffende organisaties.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. Het gaat om ca. € 2 miljoen voor de arbeidsmarktregio’s.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan sociale fondsen is voor 100% juridisch verplicht.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Op grond van de Participatiewet verstrekt het Ministerie van SZW jaarlijks aan gemeenten een budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2018 geraamd op bijna € 6 miljard. In 2018 wordt hiervoor een bedrag van € 138 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2016. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee al rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten van wie het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigen-risicodrempel overstijgt. In het kader van het tijdelijk vangnet geldt voor 2016 (af te wikkelen in 2018) een eigen-risicodrempel van 5% dan wel € 30 per inwoner. In tabel 2.3 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 2.3 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.711.137

5.979.610

5.915.743

6.114.742

6.408.786

6.592.028

6.718.218

               

Macrobudget participatiewetuitkeringen

5.691.569

5.889.610

5.918.189

6.128.438

6.422.482

6.605.724

6.731.914

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

5.336.390

5.497.394

5.500.375

5.693.960

5.980.481

6.169.699

6.311.219

IOAW

326.349

361.723

386.014

400.966

406.567

398.597

381.482

IOAZ

28.830

30.493

31.801

33.511

35.434

37.429

39.214

Intertemporele tegemoetkoming

19.568

90.000

– 2.446

– 13.696

– 13.696

– 13.696

– 13.696

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstanduitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstanduitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2018 € 30,6 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en onvoldoende over eigen middelen van bestaan beschikt, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 2.4 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 2.4 Netto bijstandsnormen van 21-jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2017

Gehuwd/samenwonend

1.409,31

Alleenstaande (ouder)

986,52

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand en loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgen later in het artikel.

Ondanks een daling van de werkloosheid stijgen de uitgaven aan bijstand en loonkostensubsidie. De meerjarige oploop van de uitgaven aan bijstand en loonkostensubsidies hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen, waaronder de invoering van de Participatiewet en de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw en de AOW-leeftijdsverhoging. Daarnaast worden de toenemende uitgaven ook verklaard door de verhoogde asielinstroom in de afgelopen jaren en het extra beroep op bijstand dat daaruit volgt.

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming van € 90 miljoen in 2017 afgesproken. Dit is bedoeld om de feitelijke kosten voor gemeenten door de verhoogde asielinstroom te dekken. In 2016 hebben gemeenten bijna € 20 miljoen aan intertemporele tegemoetkoming ontvangen. De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.5 Kerncijfers Participatiewet
   

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)2

395

391

383

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)2

399

3

3

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

92

3

3

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

168

3

3

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

139

3

3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Dit cijfer is exclusief volume loonkostensubsidies.

X Noot
3

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

Per 1 juli 2015 geldt voor de IOAW en de IOAZ een kostendelersnorm. In de IOAW en IOAZ geldt de kostendelersnorm alleen voor alleenstaande kostendelers. Voor huidige alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt de norm trapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2018 is de norm 55%. Uiteindelijk, per 1 januari 2019, ontvangen alleenstaanden en alleenstaande ouders, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen, 50%van de gehuwdennorm.

Tabel 2.6 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2017

Gehuwd/samenwonend

1.506,52

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.163,94

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

957,80

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven nemen de komende jaren toe. Dit komt vooral omdat de IOAW-instroom, die met vertraging de conjunctuur volgt, toeneemt. De vertraging treedt op omdat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar WW-gerechtigd is geweest. Daarnaast stijgen de IOAW-uitgaven ook als gevolg van de de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, waardoor langer gebruik wordt gemaakt van de IOAW. Vanaf 2021 zien we een daling van de IOAW-uitgaven. De daling wordt verklaard door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965, waardoor korter gebruik wordt gemaakt van de IOAW.

De uitgaven aan de IOAZ en het volume nemen de komende jaren toe door verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.7 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

22

25

26

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,8

1,9

2,0

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De cijfers op het gebied van fraude en handhaving in de WWB/Participatiewet laten een stabiel beeld zien.

Tabel 2.8 Kerncijfers WWB/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

82

77

Kennis van de verplichtingen (%)

88

90

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

11

11

12

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

62

66

71

       

Terugvordering3

     

Incassoratio 2014 (%)

13

22

28

Incassoratio 2015 (%)

4

14

25

Incassoratio 2016 (%)

4

4

16

X Noot
1

Ipsos »Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
3

CBS-onderzoek incassoratio 2016. Deze cijfers zijn overigens door het CBS herzien.

X Noot
4

Deze cijfers komen niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag.

De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het normbedrag-TW. Indien het dagloon lager is dan het normbedrag-TW, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon.Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder, die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lagere norm. De kostendelersnorm is per 1 juli 2016 in de TW ingevoerd en wordt stapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2017 bedraagt de kostendelersnorm 60% van het Wml en vanaf in 1 januari 2018 is dit 55% van het Wml. Uiteindelijk, per 1 januari 2019, zal de kostendelersnorm 50% van het Wml bedragen.

Tabel 2.9 Normbedragen TW bruto per maand, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2017

Gehuwd/samenwonend

1.565,40

Alleenstaande (ouder) van 23 jaar en ouder

1.164,06

Alleenstaande (ouder) van 23 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

959,39

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten.In 2017 dalen de TW-uitgaven onder andere vanwege de daling in WW-uitkeringen als gevolg van de aantrekkende arbeidsmarkt. In 2018 treedt een toename op van de TW-uitgaven, omdat vanaf 2018 de uitkering van de Wajongers met arbeidsvermogen wordt verlaagd. Alleenstaande Wajongers met arbeidsvermogen kunnen daardoor in aanmerking komen voor een toeslag op grond van de TW.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2017 ligt het TW-volume lager dan in 2016. Tot juli 2016 kwamen alleenstaande Wajongers van 23 jaar en ouder nog in aanmerking voor een kleine toeslag op grond van de TW, maar in 2017 is dat niet langer het geval. Vanwege de afbouw van de overdraagbare algemene heffingskorting in het referentieminimumloon ligt het bedrag tot waaraan de TW aanvult niet langer hoger dan de Wajong-uitkering voor deze groep. De gemiddelde toeslag van de resterende groep Wajongers die TW ontvangt is aanzienlijk hoger. Hierdoor ligt de gemiddelde toeslag in 2017 hoger dan in 2016.

Vanaf 2018 wordt de uitkering van de Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd, waardoor zelfstandig wonende alleenstaanden in deze groep in aanmerking kunnen komen voor een aanvulling uit de TW. Hierdoor neemt het TW-volume in 2018 weer toe. Omdat deze groep relatief lage TW-uitkeringen ontvangt, komt de gemiddelde toeslag in 2018 lager uit dan in 2017.

Tabel 2.10 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

155

108

145

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3.203

4.371

3.355

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

Door de inkomstenverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, daalt het aantal geconstateerde overtredingen. De incassoratio’s blijven op een gelijk niveau.

Tabel 2.11 Kerncijfers TW(fraude en handhaving)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Opsporing

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,6

1,9

1,3

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

7,2

5,8

5,6

       

Terugvordering

     

Incassoratio 2014 (%)

15

39

48

Incassoratio 2015 (%)

2

18

40

Incassoratio 2016 (%)

2

2

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers komen niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 2.12 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2017

Gehuwd/samenwonend

1.514,74

Alleenstaande (ouder)

1.108,48

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AIO blijven de komende jaren naar verwachting stijgen. De geraamde volumes blijven de komende jaren vrij constant. De verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd heeft een neerwaarts effect op het volume. Daar staat tegenover dat er sinds 2015 tevens personen de AIO instromen vanwege de afschaffing van de partnertoeslag in de AOW, wat een opwaarts effect heeft op het volume. Deze laatste groep heeft naar verwachting recht op een relatief hogere uitkering in de AIO vergeleken met de huidige populatie. Daarom is de verwachting dat de gemiddelde AIO-uitkering de komende jaren zal stijgen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.13 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

42

43

43

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De cijfers op het gebied van preventie laten een redelijk stabiel beeld zien.

Tabel 2.14 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

75

77

Kennis van de verplichtingen (%)

84

87

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,3

0,5

0,4

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,7

2,2

2,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

9,2

19

27

Incassoratio 2015 (%)

3

14

31

Incassoratio 2016 (%)

3

3

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het krediet?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 2.4) als aanvulling voor levensonderhoud. De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskredieten wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 2.15 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2017

Startende zelfstandige

35.677

Gevestigde zelfstandige

193.784

Budgettaire ontwikkelingen

Voor de verstrekking van bedrijfskredieten en uitkeringen voor levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een afzonderlijke specifieke uitkering Bbz. Deze uitgaven maken geen onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen en zijn voor 2018 geraamd op € 31,7 miljoen. De daling is minder groot dan het lijkt, doordat de uitgaven op gemeentelijk niveau niet goed te ramen zijn met als gevolg dat er achteraf nabetaald en terugontvangen wordt. De hier vermelde totale uitgaven zijn de gesaldeerde uitgaven. Uit onderzoek is gebleken dat gemeenten de daling van de omvang van de kredietverlening vooral verklaren uit een afname van het aantal aanvragen èn uit gemiddeld lagere bedragen, waarbij door de verbetering van de economische situatie er minder behoefte is aan Bbz-krediet.

Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2018 € 30,6 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen (zie tabel 2.3).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.16 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,8

3,8

3,8

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

A5. Bijstand overig

Bijstand overig bestaat vrijwel volledig uit bijstand buitenland. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

Er zijn geen noemenswaardige budgettaire ontwikkelingen ten aanzien van bijstand overig.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.17 Kerncijfers bijstand overig
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume bijstand overig (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,2

0,1

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De toename in de uitgaven aan Onderstand wordt verklaard door de verhoging van het basisbedrag in de Onderstand per 1 maart 2017. Ook kunnen de uitkeringen aan onderstandsgerechtigden langer doorlopen als gevolg van de verhoging van de AOV-gerechtigde leeftijd (zie ook beleidsartikel 8). Verder wordt voor integrale projecten in Caribisch Nederland in 2018 en 2019 een bedrag van € 2,3 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.18 Kerncijfers Caribisch Nederland
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,5

0,4

0,4

X Noot
1

SZW unit RCN.

B. Garanties

De pilot borgstelling is een gesloten regeling. De pilot beoogde te onderzoeken hoe startende ondernemers voor krediet bij het bankwezen terecht zouden kunnen. Het jaar 2018 is het laatste jaar waarin nog claims worden verwacht.

C. Subsidies

In totaal is € 88,7 miljoen voor subsidies beschikbaar. Ruim € 42 miljoen is bestemd voor de uitfinanciering van de sectorplannen, ruim € 18 miljoen voor het armoede- en schuldenbeleid, waarvan € 15 miljoen specifiek voor kinderen. Voor de subsidieregelingen in het kader van de Doorstart naar nieuw werk (DWSRA en scholingsvouchers) is ruim € 20 miljoen beschikbaar. Verder maken incidentele subsidies, de cofinanciering van het Europees Fonds voor Meest behoeftigden (EFMB) en de subsidies aan het NIBUD en de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) voor ruim € 8 miljoen onderdeel uit van het subsidiebudget.

D. Opdrachten

Deze middelen zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (ca. € 10,8 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (ca. € 5,5 miljoen) en bevordering ondernemerschap (ca. € 0,6 miljoen). Uit de middelen bevordering arbeidsparticipatie wordt middels een decentralisatie-uitkering ca. € 1,7 miljoen beschikbaar gesteld aan de arbeidsmarktregio’s om de regionale samenwerking tussen organisaties en professionals uit GGZ en de afdelingen Werk en Inkomen van gemeenten te verbinden voor behandeling van mensen met psycho/sociale problemen. Daarnaast worden uit deze middelen ondersteuningsprogramma’s gefinancierd van de Programmaraad en ondersteuningsprogramma’s op het terrein van vakmanschap en matchen op werk. Uit de middelen voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening wordt onder andere gefinancierd de tijdelijke stimuleringsregeling ter bestrijding van armoede en schulden (2 nieuwe aanvraagtijdvakken in respectievelijk 2018 en 2019 voor een bedrag van € 4,0 miljoen) en een divers ondersteuningsprogramma ter verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening (ca € 3,0 miljoen).

E. Bekostiging

Voor de bekostiging van het Kennisprogramma vakkundig aan het werk is in 2018 ruim € 2,0 miljoen beschikbaar.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de uitvoering van het Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw ruim € 0,2 miljoen beschikbaar in 2018.

G. Bijdrage sociale fondsen

Met ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI, onder de voorwaarde dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds.

H. Ontvangsten

De geraamde ontvangsten 2018 hebben betrekking op de boedelscheiding van de SVB-Nederlandse Antillen.

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden.Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidsevaluatie in 2018

Beleidswijzigingen

In 2018 vindt de beleidsevaluatie plaats naar onderdelen van dit beleidsartikel. Een groot deel van het artikel (Wet WIA) is reeds aan de orde gekomen in het IBO (interdepartementaal beleidsonderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt». Daarom zal de evaluatie zich met name focussen op de andere onderdelen van het artikel. Onder andere de WAZ en de effectiviteit van de no-riskpolis komen aan de orde. De evaluatie zal in de eerste helft van 2018 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

IBO arbeidsongeschiktheid («Geschikt voor de arbeidsmarkt»)

In april 2017 is het IBO afgerond (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 780). Een inhoudelijke reactie zal door het volgende kabinet worden opgesteld.

Taakstelling WIA

In het sociaal akkoord is afgesproken dat sociale partners met concrete maatregelen komen die ervoor zorgen dat minder mensen een beroep hoeven te doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit de WIA. Hiervoor is een taakstelling in de begroting van SZW ingeboekt die structureel € 150 miljoen bedraagt. In september 2016 heeft de Minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken omtrent de invulling van deze WIA-taakstelling (Tweede Kamer, 2016–2017, 32 716, nr. 23). Deze taakstelling is structureel uitgeboekt bij de Voorjaarsnota 2017, omdat er geen zicht is op concrete maatregelen van de sociale partners.

Loonkostensubsidies en het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium

Het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet. De beoogde inwerkingtredingsdatum is nu 1 januari 2019, dit is een jaar later dan vermeld in de begroting 2017. In de normale WIA-systematiek worden deze werknemers met loonkostensubsidie bij ziekte vrijwel altijd volledig arbeidsongeschikt verklaard, omdat zij geen regulier werk kunnen verrichten waarmee zij minimaal het Wml kunnen verdienen. Met de Participatiewet is vastgelegd dat bij het bepalen van het arbeidsongeschiktheidspercentage in de WIA rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een werknemer met loonkostensubsidie heeft gewerkt.

WGA-uitkering eindigt bij getoond herstel verdiencapaciteit

In het wetsvoorstel waar het arbeidsongeschiktheidscriterium wordt gewijzigd voor werknemers die met loonkostensubsidie hebben gewerkt, wordt ook (per 1 januari 2019) geregeld dat de uitkering van WGA-gerechtigden die langer dan één jaar meer dan 65% van hun maatmaninkomen verdienen eindigt zonder tussenkomst van een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige. Op dit moment oordelen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige over de mate van arbeidsongeschiktheid. In deze situaties heeft dat echter geen toegevoegde waarde; betrokkene laat namelijk door zijn inkomsten al zien dat het verlies aan verdiencapacteit minder dan 35% is.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

682

801

824

847

883

918

953

Uitgaven

682

801

824

847

883

918

953

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

682

801

824

847

883

918

953

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

682

801

824

847

883

918

953

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

9.199.616

9.503.207

9.843.383

10.209.079

10.625.037

11.041.507

11.478.297

               

Inkomensoverdrachten

9.138.683

9.447.822

9.560.795

9.691.260

9.830.421

9.962.702

10.097.364

IVA

1.712.782

2.022.714

2.294.369

2.541.884

2.797.234

3.059.173

3.316.974

WGA

2.327.604

2.559.654

2.730.425

2.874.073

3.002.217

3.107.578

3.208.225

WGA eigen-risicodragers

327.861

364.810

369.810

391.310

412.810

434.310

455.810

WAO

4.615.558

4.361.620

4.041.210

3.771.040

3.516.329

3.270.940

3.034.342

WAZ

154.878

139.024

124.981

112.953

101.831

90.701

82.013

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

60.933

55.385

102.317

102.330

112.689

113.775

114.860

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

60.933

55.385

102.317

102.330

112.689

113.775

114.860

               

Nominaal

0

0

180.271

415.489

681.927

965.030

1.266.073

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatst verdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgavenontwikkeling van de Ongevallenverzekering (OV) wordt verklaard door de verhoging van de gerechtigde leeftijd voor de Algemene Ouderdomsverzekering (zie ook beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de OV langer door.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of van wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun ex-werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan het UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van het UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2017 € 207,60, dat is € 4.515,30 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.386,48 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden in 2017 een tegemoetkoming van netto € 176,27 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is met kansen op herstel komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 38 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De wet Werk en Zekerheid bevat maatregelen die de maximale duur van de loongerelateerde uitkering raken, zoals de geleidelijke duurverkorting en de aanpassing van de opbouw van WW-rechten. Dit heeft tot gevolg dat de maximale duur van de loongerelateerde uitkering stapsgewijs – één maand per kwartaal – wordt teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden voor nieuwe instroom in de WGA. Deze maatregelen zijn per 1 januari 2016 in werking getreden.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om hiertoe aan te zetten wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld tot 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van netto € 176,27.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2018 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 450 miljoen. Dit is een gevolg van het feit dat de WIA een relatief nieuwe regeling is die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit zal er ook logischerwijs meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WIA-uitkeringen langer kunnen doorlopen. De ao-tegemoetkoming maakt onderdeel uit van de uitkeringslasten IVA, WGA, WAO en WAZ in tabel 3.2.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden nog slechts nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt per 1 juli 2017 maximaal € 3.386,48 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2017) netto € 176,27.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2018 20.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2018 met ruim € 300 miljoen. In latere jaren gaat de daling van de uitkeringslasten minder snel. Dit komt vooral doordat WAO-uitkeringen langer kunnen doorlopen als gevolg van de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.4 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
   

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

IVA, WGA en WAO

     

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

546

550

553

waarvan IVA

85

97

107

waarvan WGA

168

181

193

waarvan WAO

293

272

253

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

8,1

8,0

         

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

40

44

43

waarvan IVA

9,6

10,4

10,3

waarvan WGA

30

33

32

waarvan WAO

0,7

0,6

0,6

Instroomkans (%)

0,6

0,6

0,6

         

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

40

40

40

waarvan IVA

6,5

8,4

9,3

waarvan WGA

10,1

10,3

10,5

waarvan WAO

23

21

20

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

10,1

10

9,4

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

6,7

7,3

7,2

         

WGA

     

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

43

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Het aandeel werkende WGA’ers wordt niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten over de jaren een stabiel beeld zien. De kerncijfers opsporing zijn in 2016 gedaald. Zowel het aantal geconstateerde overtredingen als het benadelingbedrag zijn afgenomen. Dit komt doordat het UWV in 2016 de focus heeft gelegd op een goede selectie van op te pakken zaken, om de werkvoorraden van de fraudesignalen weg te werken. Als gevolg hiervan zijn er in 2016 minder zaken daadwerkelijk afgedaan, en dus ook minder boetes opgelegd en terugvorderingen ingesteld. Dit effect wordt in 2017 ingehaald. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

83

79

Kennis van de verplichtingen (%)

89

91

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,8

1,7

0,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

9,8

9,4

6,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

20

49

56

Incassoratio 2015 (%)

3

22

45

Incassoratio 2016 (%)

3

3

24

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016». Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2017 maximaal € 1.174,05 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2017) netto € 176,27.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd heeft als gevolg dat WAZ-uitkeringen langer kunnen doorlopen. Hierdoor dalen de uitkeringslasten in de WAZ minder snel.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.6 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

14

12

11

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ en ZW zet het UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Het UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2018 is voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 102 miljoen beschikbaar. € 26 miljoen van de middelen voor 2017 is doorgeschoven naar het begrotingsgefinancierde budget in 2020 en 2021, omdat het beroep op deze middelen in deze jaren gaat toenemen als gevolg van de recente herindelingsoperatie in het Wajong-bestand. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in artikel 4 (tabel 4.1).

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.7 Fiscale regelingen 2016–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

524

574

591

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

– 414

– 460

– 476

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wajong bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de Wajong2015. Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zij zullen nooit kunnen werken, ook niet met ondersteuning. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Afronding herindeling Wajong

Beleidswijzigingen

Eind 2017 rondt het UWV de herindeling Wajong af. Alle Wajongers zijn op dat moment ingedeeld in de categorieën «arbeidsvermogen» of «duurzaam geen arbeidsvermogen». Vanaf 1 januari 2018 wordt de maximale uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd van 75% naar 70%.

Beleidsdoorlichting eind 2017

In 2017 wordt de beleidsdoorlichting van artikel 4 uitgevoerd. De verwachting is dat deze beleidsdoorlichting eind 2017 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

ESB-regeling

Uit de recente evaluatie van de subsidieregeling scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling) is gebleken dat er vooruitgang is geboekt met de implementatie van passend onderwijs, maar dat het mbo op dit moment niet in staat is de huidige ESB-doelgroep op te leiden (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 224, nr. 39). Gezien de uitkomst is de subsidiegeling vanaf 2018 met drie jaar verlengd (tot en met 2020). Deze periode wordt benut om in afstemming met betrokken partijen te verkennen op welke wijze de ondersteuning van de doelgroep het beste kan worden gepositioneerd. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de behoefte van de jongeren centraal staat en dat zij adequaat worden ondersteund.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

3.274.182

3.239.442

3.298.349

3.346.584

3.393.928

3.430.587

3.409.460

Uitgaven

3.274.182

3.239.442

3.298.349

3.346.584

3.393.928

3.430.587

3.409.460

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

3.114.124

3.201.788

3.177.398

3.241.757

3.292.517

3.331.979

3.326.898

Wajong

3.114.124

3.201.788

3.177.398

3.241.757

3.292.517

3.331.979

3.326.898

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

160.058

37.654

120.951

104.827

101.411

98.608

82.562

Re-integratie Wajong

160.058

37.654

120.951

104.827

101.411

98.608

82.562

               

Ontvangsten

0

18.150

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers op grond van de Wajong.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Voor mensen met recht op de oude Wajong die volledig arbeidsgehandicapt zijn en duurzaam geen arbeidsvermogen hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2017 is dit € 1.174,05 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 22 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Voor de groep met arbeidvermogen is de uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is deze afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Voor mensen met recht op de Wajong2010 in de uitkeringsregeling is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen in de Wajong2010 werkregeling is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen die arbeidsmogelijkheden hebben geldt een activerende uitkeringsstructuur, waarbij «werken moet lonen» het uitgangspunt is. Verdient een Wajonger in de werkregeling meer dan 20% van het minimumloon, dan mag hij de helft van elke extra verdiende euro houden, tot 100% van het minimumloon. Jonggehandicapten in de Wajong2010 die studeren ontvangen een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon.

Mensen met recht op de Wajong2015 ontvangen een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven in 2018 dalen ten opzichte van 2017. Deze daling wordt veroorzaakt door een uitkeringsverlaging voor de Wajongers met arbeidsvermogen en door een daling van het volume van de Wajong. De daling van de uitgaven wordt gedempt doordat er ook factoren zijn die gemiddelde uitkering doen stijgen. De belangrijkste factoren zijn:

  • De nieuwe instroom heeft duurzaam geen arbeidsmogelijkheden en zal daarom een volledige uitkering ontvangen. Van de personen die uitstromen zal een deel een gedeeltelijke uitkering hebben, omdat zij wel werken.

  • De gemiddelde leeftijd van de Wajongers neemt toe, omdat de grote groep die de afgelopen jaren is ingestroomd ouder wordt. Hierdoor neemt het percentage Wajongers dat een uitkering krijgt dat gebaseerd wordt op het minimumjeugdloon af.

  • Het aantal mensen dat op grond van de studieregeling nog een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon ontvangt neemt af. Deze personen in de Wajong2010 krijgen een hogere uitkering omdat ze niet meer studeren en doorstromen naar de werk- of uitkeringsregeling.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale volume van de Wajong neemt af. Dit komt doordat de uitstroom uit de oude Wajong en Wajong2010 groter is dan de instroom in de Wajong2015. In 2017 zal naar verwachting een deel van de mensen in de oude Wajong overstappen naar de Wajong2010, als gevolg van de wijzigingen in de voortgezette werkregeling. Hierdoor daalt het aantal mensen in de oude Wajong en stijgt het aantal mensen in de werkregeling in de Wajong2010. Het verwachte aandeel werkenden neemt toe als gevolg van de banenafspraak voor arbeidsbeperkten.

Tabel 4.2 Kerncijfers Wajong
     

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

247

246

245

 

• waarvan oude Wajong (tot 2010)

177

169

166

 

• waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

66

71

70

   

○ waarvan werkregeling (%)

76

69

72

   

○ waarvan studieregeling (%)

9

6

3

   

○ waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

15

25

25

 

• waarvan Wajong2015

3,5

6

9

           

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

4,2

5

5

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,1

6

6

           

Aandeel werkenden in de oude Wajong en Wajong2010 (%)

24

26

27

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers voor de Wajong laten over het totaal een redelijk stabiel beeld zien. De kerncijfers preventie en opsporing zijn in 2016 nagenoeg gelijk aan de jaren ervoor. Ook de incassoratio’s zijn redelijk stabiel.

Tabel 4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

73

77

Kennis van de verplichtingen (%)

85

86

86

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,5

1,2

1,0

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

4,3

4,0

4,6

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

23

50

58

Incassoratio 2015 (%)

3

18

41

Incassoratio 2016 (%)

3

3

17

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten (instellingen die scholings- en arbeidstoeleidingstrajecten bieden aan jongeren die ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van scholing vanwege één of meer specifieke sociaal-medische beperkingen) door middel van de ESB-regeling. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ en ZW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA,WAO,WAZ en ZW en wordt verantwoord in artikel 3.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2018 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 121 miljoen beschikbaar. Het budget voor 2018 is fors hoger dan het budget voor 2017, omdat een deel van het re-integratiebudget 2017 (€ 45 miljoen) reeds in 2016 aan het UWV is betaald om het kasritme van het Rijk te optimaliseren. Dit leidt in 2017 tot terugontvangsten waardoor de begrote uitgaven in 2017 omlaag kunnen worden bijgesteld. Aanvullend is rekening gehouden met de ontvangst van ESF-gelden die het UWV in 2017 ontvangt voor oude projecten, waardoor de bevoorschotting van 2017 ook omlaag is bijgesteld. Dit heeft geen gevolgen voor het feitelijke re-integratiebudget van het UWV in 2017.

Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget neemt na 2018 geleidelijk af (zie tabel 4.1). Dit is het gevolg van de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. Vanwege de recente herindelingsoperatie in het Wajong-bestand is het echter van belang dat deze daling niet te snel gaat. Daarom is een gedeelte van de premiegefinancierde middelen (artikel 3) in 2017 doorgeschoven naar het begrotingsgefinancierde budget in 2020 en 2021.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 4.4 Fiscale regelingen 2016–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

Jonggehandicaptenkorting

177

178

178

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomensverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Brug-WW is erop gericht om arbeidsmobiliteit te stimuleren en transities naar beroepen waar een tekort is aan personeel te bevorderen. Het actieplan perspectief voor 50-plussers is erop gericht de arbeidsmarktpositie van 50-plussers te verbeteren en het risico op (langdurige) werkloosheid te beperken. Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Beleidswijzigingen

Per 1 januari 2018 wordt het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen aangepast waardoor het dagloon voor zogenoemde herlevers, de groep waarbij sprake is van twee WW-uitkeringen in dezelfde kalendermaand, hoger uitkomt. Daarnaast is beoogd dat herlevers in 2018 in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Voor de groep WW-gerechtigden met een periode van ziekte in de referteperiode wordt nog onderzocht hoe reparatie van het Dagloonbesluit kan worden vormgegeven (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 351, nr. 24).

Compensatieregeling oudere werknemers

De doelgroep van de compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen (no-riskpolis voor ouderen) wordt op 1 januari 2018 tijdelijk uitgebreid (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 763). De regeling wordt toegangelijk voor mensen die zijn geboren voor 1 januari 1962 en in 2018 of 2019 vanuit de WW als werknemer gaan werken. Voor deze mensen kan de werkgever een Ziektewet-uitkering van het UWV krijgen als ze ziek worden. De maatregel is een uitwerking in het kader van het actieplan Perspectief voor vijftigplussers.

Conversie naar nieuwe Wwz-systematiek

In de Wet werk en zekerheid (Wwz) is al de mogelijkheid gecreëerd dat op enig moment uitkeringsrechten waarop nog de oude WW-systematiek van toepassing is (weeksystematiek en urenverrekening) worden omgezet naar de Wwz-systematiek (kalendermaandsystematiek en inkomensverrekening). Per 1 oktober 2018 zal deze conversie plaatsvinden. De wijze waarop oude uitkeringen naar de nieuwe systematiek worden omgezet, wordt de komende tijd uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

57.069

174.828

152.392

101.511

114.223

142.783

137.636

Uitgaven

56.986

168.678

156.490

103.119

114.267

143.183

137.636

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

40.297

159.393

137.742

94.511

114.223

142.783

137.636

IOW

40.280

64.291

67.640

94.409

114.121

142.681

137.534

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

17

102

102

102

102

102

102

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

0

95.000

70.000

0

0

0

0

               

Subsidies

16.189

7.900

18.098

8.608

44

400

0

               

Opdrachten

500

1.385

650

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

1.171

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten IOW, uitkeringslasten Cessantiawet (Caribisch Nederland) en de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het budget heeft betrekking op de subsidieregelingen voor het tweede loopbaanadvies, experimenten meer werk en ondersteuning van de Ambachtsacademie.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 23% juridisch verplicht. Het betreft de evaluatie van het actieplan Perspectief voor vijftigplussers.

Tabel 5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

5.863.820

5.083.559

4.525.384

4.259.150

4.197.265

4.290.931

4.484.643

               

Inkomensoverdrachten

5.863.820

5.083.559

4.383.375

3.999.624

3.821.062

3.786.926

3.836.672

WW

5.863.820

5.083.559

4.383.375

3.999.624

3.821.062

3.786.926

3.836.672

               

Nominaal

0

0

142.009

259.526

376.203

504.005

647.971

               

Ontvangsten

386.000

375.026

369.891

381.677

393.847

406.404

419.362

Ufo

386.000

375.026

358.150

358.150

358.150

358.150

358.150

Nominaal

0

0

11.741

23.527

35.697

48.254

61.212

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling. In het sociaal akkoord is afgesproken om de IOW tot 2020 te verlengen en daarna een evaluatie uit te voeren. In de Wwz is daartoe opgenomen dat oudere WW’ers en WGA’ers in aanmerking kunnen komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2020 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering. De regeling is toegankelijk voor oudere werklozen die werkloos zijn geworden vanaf 1 oktober 2006;

  • Gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. De regeling is toegankelijk als het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering op of na 1 januari 2008 is ontstaan.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Dit is op 1 juli 2017 € 1.095,78 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het wettelijk minimumloon als:

  • de WW- of loongerelateerde WGA-uitkering, in de kalendermaand voor het einde van deze uitkering, lager was dan 70% van het minimumloon;

  • de betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOW stijgen van 2017 op 2018 met ruim € 3 miljoen vanwege de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd. In latere jaren nemen de IOW-uitgaven verder ook toe als gevolg van de duurverkorting in de WW. Doordat er in 2022 geen nieuwe instroom meer is nemen de IOW-uitgaven in dat jaar weer af.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd verblijven mensen gemiddeld langer in de IOW. Hierdoor neemt het IOW-volume in 2017 en 2018 toe.

Tabel 5.3 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

3,6

5,2

5,8

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. De uitgaven kunnen van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen ook sterk fluctueren en de hoogte van de uitkeringslasten van jaar tot jaar beïnvloeden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal uitkeringen dat op basis van de Cessantiawet wordt verstrekt is beperkt. Het volume wordt geraamd op minder dan 100 uitkeringen per jaar.

Tabel 5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

De Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen voorziet in een eenmalige tegemoetkoming voor bepaalde groepen WW-gerechtigden voor wie het dagloon sinds de wijziging van het Dagloonbesluit in 2015 lager is uitgekomen dan beoogd. Het UWV voert de tijdelijke regeling uit sinds 1 april 2017.

Wie komt er voor in aanmerking?

Recht op een tegemoetkoming hebben:

  • Starters, herintreders en flexwerkers die recht hebben gehad op een WW-uitkering die is ontstaan op of na 1 juli 2015 en voor 1 december 2016;

  • Starters, herintreders en flexwerkers die tijdens deze periode werkloos zijn geworden maar geen recht hebben gekregen op een WW-uitkering vanwege hun inkomsten;

  • Werknemers die na de wachttijd voor de Wet WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt waren en die recht hebben gehad op een WW-uitkering die is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot 1 december 2016;

  • WW-gerechtigden in bovengenoemde groepen, voor wie sprake was van samenloop met een ander WW-recht in de maand waarin een nieuw recht is of zou zijn ontstaan (de zogenoemde herlevers).

Een werknemer wordt als starter, herintreder of flexwerker aangemerkt als hij in de referteperiode geen loon heeft genoten in één of meer kalendermaanden.

Budgettaire ontwikkelingen

De tijdelijke regeling gaat in 2018 naar verwachting gepaard met € 70 miljoen aan uitkeringslasten. De gemiddelde tegemoetkoming komt in 2018 naar verwachting hoger uit dan in 2017, hoofdzakelijk omdat de duur van de WW-uitkering waarover de tegemoetkoming wordt berekend naar verwachting langer is voor de doelgroep in dit jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

De tijdelijke regeling is een eenmalige compensatie die in 2017 en 2018 voor verschillende groepen wordt verstrekt. Het aantal personen dat in aanmerking komt voor de compensatie wordt geraamd op 78.000 in 2017 en 30.000 in 2018.

Tabel 5.5 Kerncijfers tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit (x 1.000 personen)
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit (x 1.000 personen)

78

30

X Noot
1

De regeling is op 1 april 2017 van kracht geworden.

A4. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur wordt vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Bovendien is de opbouw van WW-rechten vanaf 2016 aangepast. De maximale duur is daarbij afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer vanaf 2016 met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet iemand in ieder geval:

  • de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt en verzekerd zijn voor de WW;

  • minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de betrokkene meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2017 maximaal € 3.386,48 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.160,71 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

Het herstel van de arbeidsmarkt zet de komende jaren naar verwachting door. De ramingen van het CPB geven voor 2017 en 2018 een daling van de werkloosheid aan. Daarnaast groeien de effecten van de Wwz geleidelijk in. Onder meer de aanpassing van het besluit passende arbeid en invoering van inkomensverrekening hebben daarbij in de komende jaren naar verwachting al een licht neerwaarts effect op de WW-uitgaven. Gezamenlijk leidt dit in 2017 tot een daling van de WW-uitgaven met circa € 780 miljoen en in 2018 tot een verdere daling met € 700 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

De werkloosheid zal in 2017 en 2018 naar verwachting verder dalen. Dit leidt tot een afname van het aantal nieuwe WW-uitkeringen. Het aantal beëindigde WW-uitkeringen komt door de aantrekkende arbeidsmarkt in beide jaren naar verwachting hoger uit dan het aantal nieuwe uitkeringen. Het WW-volume vertoont daarmee meerjarig een dalend verloop.

De invoering van de nieuwe WW-systematiek op basis van inkomensverrekening heeft een vertragend effect op de uitstroom uit de uitkering. Het recht op uitkering wordt pas administratief beëindigd nadat gebleken is dat de opgegeven inkomsten overeenkomen met de inkomstenopgave van de werkgever in de polisadministratie. Daarnaast valt de uitstroom mogelijk lager uit dan voorheen, omdat mensen die tegen een lager uurloon vanuit de WW gaan werken, een aanvulling uit de WW blijven behouden.

Tabel 5.6 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

333

288

251

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

412

336

298

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

491

397

347

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

525

473

385

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Het WW-volume in tabel 5.6 wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar omgerekend naar voltijdsequivalenten. Daarnaast bevat tabel 5.6 het aantal lopende WW-uitkeringen per 31 december. De ontwikkeling van deze ultimostand kan via de onderste twee kerncijfers in de tabel worden verklaard uit de totale WW-instroom en de WW-uitstroom gedurende het kalenderjaar.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel en onveranderd hoog beeld zien. Door de inkomensverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, daalt het aantal geconstateerde overtredingen en het totale benadelingsbedrag. De automatische inkomstenopgave voorkomt in hoge mate dat mensen onterecht een WW-uitkering ontvangen.

De incassoratio’s laten een redelijk stabiel beeld zien.

Tabel 5.7 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

84

84

81

Kennis van de verplichtingen (%)

94

97

96

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

43

27

13

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

63

40

22

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

23

49

60

Incassoratio 2015 (%)

3

34

59

Incassoratio 2016 (%)

3

3

29

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Subsidies

Het kabinet heeft in 2016 middelen beschikbaar gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Het plan is onder meer gericht op het voorkomen van werkloosheid door werkende 50-plussers meer wendbaar te maken. Het actieplan bevat de introductie van een tweede loopbaanadvies, training voor leidinggevenden en een centraal aanspreekpunt voor werkgevers. Ook is budget beschikbaar voor experimenten om kansen bij werkgevers te benutten die nu onbenut blijven, zoals in de techniek en de ambachten. In 2018 is voor deze subsidieregelingen € 18,1 miljoen beschikbaar.

C. Opdrachten

Het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers wordt ondersteund door een campagne om de beeldvorming over 50-plussers te verbeteren. Oud-voetbalinternational John de Wolf speelt als boegbeeld van het actieplan hier een belangrijke rol in. Hiervoor is in 2018 € 0,5 miljoen beschikbaar. Aanvullend is budget beschikbaar voor de evaluatie van het actieplan (€ 0,15 miljoen).

D. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Als gevolg van de aantrekkende arbeidsmarkt nemen de ontvangsten Ufo in 2018 naar verwachting af.

Daarnaast zijn er in 2017 terugontvangsten (€ 1,2 miljoen) op de bevoorschotte middelen aan het UWV voor de subsidieregeling scholing en plaatsing van oudere werklozen (scholingsvouchers en plaatsingsfees).

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Aanpassing transitievergoeding controversieel verklaard

Beleidswijzigingen

Het wetsvoorstel aanpassing transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Op grond van dit wetsvoorstel zouden werkgevers door het UWV gecompenseerd worden voor de kosten van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige ziekte. De beoogde inwerkingtredingsdatum van 1-1-2019 van de compensatieregeling zal wanneer het wetsvoorstel op een later moment toch aangenomen wordt, niet gehaald worden vanwege de benodigde voorbereidingstijd bij het UWV.

Beleidsdoorlichting artikel 6

In juni 2017 is de beleidsdoorlichting artikel 6 afgerond en naar de Tweede Kamer gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het kabinet is hierbij naar het volgende kabinet verwezen voor een inhoudelijke reactie.

Uitbreiding kraamverlof controversieel verklaard

De behandeling van het wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof dat per 2019 zou ingaan, is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Dit wetsvoorstel regelt een uitbereiding van het bestaande kraamverlof voor de echtgeno(o)t(e)/partner van de moeder met 3 dagen.

Ziekteverzekering BES uitgebreid

De Wet Ziekteverzekering BES zal worden aangepast. Op dit moment wordt bij opname van zwangerschaps- en bevallingsverlof 80% van de loonkosten vergoed vanuit de Wet ziekteverzekering BES (loondervingsvergoeding) en komt de resterende 20% voor rekening van de werkgever. Het streven is om per 1 januari 2018 de loondervingsvergoeding gedurende het wettelijk zwangerschaps- en bevallingsverlof om te zetten naar een (gemaximeerde) 100% vergoeding.

ZW-pilots niet landelijk uitgerold

In het sociaal akkoord is afgesproken dat sociale partners er verantwoordelijk voor blijven dat minder mensen een beroep doen op de WIA. In pilots gericht op re-integratie hebben sociale partners hiertoe werkwijzen ontwikkeld. De pilots zijn inmiddels afgerond en gemonitord door een onafhankelijk onderzoeksbureau. De Minister van SZW biedt het onderzoeksrapport, met zijn bijbehorende bevindingen en conclusies, in de zomer van 2017 aan de Tweede Kamer aan. De bijbehorende taakstelling van € 15 miljoen structureel is uitgeboekt bij de Voorjaarsnota 2017, omdat er nog geen concrete plannen zijn om de pilots landelijk uit te rollen.

Omissie regelgeving zwangerschapsverlof meerlingen gerepareerd

Sinds 1 april 2016 kunnen vrouwen die zwanger zijn van een meerling 4 weken eerder met zwangerschapsverlof gaan. Inclusief het bevallingsverlof komt de totale verlof periode dan uit op 20 weken. Wegens een omissie in de regelgeving duurt het verlof in de praktijk echter doorgaans minder dan 20 weken, maar wel tenminste 16 weken. Met de Verzamelwet SZW 2018 wordt dit hersteld en genieten vrouwen die zwanger zijn van een meerling daadwerkelijk 20 weken verlof rond de geboorte. Vanaf 1 april 2018 treedt de gewijzigde wetgeving in werking.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

6.246

8.193

8.118

8.221

8.374

8.527

8.682

Uitgaven

6.246

8.193

8.118

8.221

8.374

8.527

8.682

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

6.246

8.193

8.118

8.221

8.374

8.527

8.682

TAS

3.830

4.508

4.202

4.202

4.202

4.202

4.202

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

2.416

3.685

3.916

4.019

4.172

4.325

4.480

               

Ontvangsten

429

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS en uitkeringslasten ziekteverzekering Caribisch Nederland.

Tabel 6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

2.625.808

2.689.059

2.806.355

3.537.150

3.748.812

3.387.958

3.500.320

               

Inkomensoverdrachten

2.625.808

2.689.059

2.717.956

3.320.126

3.410.387

2.987.629

2.991.789

ZW

1.498.216

1.538.725

1.543.020

1.523.635

1.505.115

1.516.295

1.503.179

Transitievergoeding

0

0

0

542.190

634.260

184.140

184.140

WAZO

1.127.592

1.150.334

1.174.936

1.194.990

1.210.909

1.226.321

1.242.782

WAZO kraamverlof

0

0

0

59.311

60.103

60.873

61.688

               

Nominaal

0

0

88.399

217.024

338.425

400.329

508.531

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt vaak uitgekeerd in de vorm van een voorschot. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt wordt de tegemoetkoming hiermee verrekend. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • zij, of in het geval van maligne mesothelioom, een huisgenoot in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • zij, of in het geval van maligne mesothelioom, een huisgenoot op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 19.988.

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2017 € 19.988. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten TAS worden vanaf 2018 constant verondersteld op een niveau van € 4,2 miljoen. Er wordt wel verwacht dat vanaf 2017 de uitkeringslasten hoger liggen dan in 2016, door een lichte toename in het aantal aanvragen (ongeveer 30 extra aanvragen in 2017).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal mensen dat een TAS-uitkering ontvangt blijft de komende jaren stabiel. Asbestziektes kennen een erg lange latentietijd (30–40 jaar). Ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden, blijven de aanvragen in de TAS hierdoor de komende jaren naar verwachting stabiel.

Tabel 6.3 Kerncijfers TAS
   

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

 

• waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,4

0,4

0,4

 

• waarvan toekemnning i.v.m. asbesthose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,2

0,2

0,2

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

2

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Door de verhoging van de gerechtigde leeftijd van de Algemene Ouderdomsverzekering (zie ook beleidsartikel 8) lopen de uitkeringen van de ZV langer door. Hierdoor nemen de uitkeringslasten ZV in de komende jaren toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.4 Kerncijfers ziekteverzekering Caribisch Nederland
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

56

71

71

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ziektewetuitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2017 gemaximeerd op € 207,60 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3.160,71 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar.

Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.515,30 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan het UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW van de bij het UWV verzekerde populatie nemen in 2018 met ca. € 5 miljoen toe. Enerzijds neemt het aantal eindedienstverbanders iets toe, anderszijds neemt het aantal zieke werklozen iets af. Naar verwachting blijft het ZW-volume per saldo nagenoeg gelijk.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.5 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume ZW (x 1.000 uitkeringsjaren)

91

90

90

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

222

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

284

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel beeld zien. Hoewel de kerncijfers over opsporing iets fluctueren is het totaalbeeld stabiel. De incassoratio’s over 2015 en 2016 laten in het eerste jaar van innning een beter resultaat zien, dan de incassoratio over 2014.

Tabel 6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

81

76

Kennis van de verplichtingen (%)

94

94

93

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,2

0,7

0,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

3,5

2,3

3,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

11

38

49

Incassoratio 2015 (%)

3

26

44

Incassoratio 2016 (%)

3

3

25

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Transitievergoeding

Bij ontslag van een werknemer wegens (langdurige) arbeidsongeschiktheid is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd, na de periode van loondoorbetaling. Het wetsvoorstel dat regelt dat werkgevers voor deze kosten van de transitievergoeding door UWV zullen worden gecompenseerd is controversieel verklaard. Hierdoor zal, wanneer het wetsvoorstel op een later moment toch wordt aangenomen, de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1-1-2019 niet gehaald worden en minstens een half jaar later komen te liggen.

A5. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door het UWV.

Recht op kraamverlof ontstaat als het de echtgeno(o)t(e) of de geregistreerd partner betreft. Daarnaast hebben ook ongehuwd samenwonenden en de partner die het kind erkent, recht op dit verlof.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (o.a. thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Hoe hoog is de WAZO?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering, het kraamverlof en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2017 gelijk aan € 4.515,30 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2017 € 1.565,40 bruto per maand inclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van een verwachte lichte toename van het aantal geboorten en een stijgende participatiegraad nemen de uitgaven voor zwangerschap- en bevallingsverlof in 2018 met ca. € 25 miljoen toe ten opzichte van 2017. Het wetsvoorstel dat regelt dat het kraamverlof met drie dagen wordt uitgebreid is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. De hiervoor beschikbare middelen bedragen (vanaf 2019) circa € 60 miljoen per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.7 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

140

141

144

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

129

130

133

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

11

11

11

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen goed toegerust zijn op het primair onderwijs. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten ter verbetering van de kwaliteit van kinderopvang. Dit om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen sturen die van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk;

  • Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

Beleidswijzigingen

DUO uitvoerder personenregister

Op basis van de uitkomst van de heroriëntatie heeft de Minister besloten om DUO aan te wijzen als uitvoerder voor de realisatie en invoering van het personenregister (een register waarin alle werknemers, vrijwilligers, zelfstandigen, uitzendkrachten, stagiaires in de kinderopvang en personen die structureel aanwezig zijn op de opvanglocatie, worden geregistreerd). Op dit moment is de verwachting dat de invoering van het personenregister in het eerste kwartaal van 2018 zal plaatsvinden. De definitieve datum zal later dit jaar bekend worden gemaakt (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 322, nr. 325).

Financiering werkende ouders geharmoniseerd

Vanaf 2018 zijn de verschillen tussen peuterspeelzalen en kinderdagverblijven weggenomen. De financieringsstructuur van peuterspeelzalen is voor werkende ouders vanaf 2018 gelijk getrokken aan die van de dagopvang.

Wetsvoorstel Innovatie en Kwaliteit kinderopvang

Op 1 januari 2018 wordt het wetsvoorstel Innovatie en Kwaliteit kinderopvang ingevoerd. Daarmee wordt een kwaliteitsverbetering gerealiseerd en de ontwikkeling van het kind meer centraal gesteld. Een aantal nieuwe eisen zal per 1 januari 2019 worden ingevoerd zoals de aanpassing van de beroepskracht-kindratio voor baby’s en buitenschoolse opvang (bso) en de pedagogisch beleidsmedewerker. De maatregelen die per 1 januari 2018 ingaan, leiden tot ruim 1% hogere maximumuurprijzen in de dagopvang en de bso (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 322, nr 338). De uitgaven aan kinderopvangtoeslag worden als gevolg van deze maatregelen met circa € 20 miljoen structureel verhoogd.

Wetsvoorstel directe financiering KO

Het kabinet heeft een wetsvoorstel in voorbereiding om de financiering van de kinderopvang te wijzigen naar een systematiek van directe financiering (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. 310). Middels dit voorstel zou deze financieringssystematiek in de plaats komen van de huidige kinderopvangtoeslag. De geldstromen van en naar ouders worden hiermee beperkt, wat de risico’s van onverwachte nabetalingen en terugvorderingen verkleint. In aanloop naar de indiening en behandeling van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer vinden investeringen plaats waarvoor in de begroting van 2018 middelen zijn gereserveerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

2.410.340

2.658.477

2.831.198

2.842.597

2.856.384

2.868.078

2.881.306

Uitgaven

2.406.838

2.658.477

2.831.198

2.842.597

2.856.384

2.868.078

2.881.306

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,9%

       
               

Inkomensoverdrachten

2.385.422

2.632.948

2.793.688

2.827.205

2.841.528

2.853.211

2.866.439

Kinderopvangtoeslag

2.385.422

2.632.948

2.793.688

2.827.205

2.841.528

2.853.211

2.866.439

               

Subsidies

4.879

5.872

5.106

5.100

5.100

5.100

5.100

Kinderopvang

4.879

5.872

5.106

5.100

5.100

5.100

5.100

               

Opdrachten

3.580

2.963

1.539

2.049

2.502

2.502

2.502

               

Bijdrage aan agentschappen

12.957

16.694

30.865

8.243

7.254

7.265

7.265

DUO

12.373

16.439

30.610

8.002

7.002

7.010

7.010

Justis

256

255

255

241

252

255

255

Centraal informatiepunt beroepen gezondheidszorg

328

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

1.490.499

1.486.125

1.548.224

1.542.941

1.571.605

1.590.383

1.595.911

Ontvangsten algemeen

379.069

311.447

352.362

335.380

350.773

356.025

361.553

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.111.430

1.174.678

1.195.862

1.207.561

1.220.832

1.234.358

1.234.358

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 91% juridisch verplicht. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om subsidies gericht op de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang, op toezicht en handhaving in de gastouderopvang, op de harmonisatie van kwaliteitseisen in kinderopvang en peuterspeelzalen en op de versterking van de positie van ouders in het klachtrecht.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 62% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen onder andere kosten voor toezicht, onderzoek, gegevenslevering en projecten. Het niet-juridisch verplichte deel betreft vooral de kosten in het kader van Continue Screening, toezicht 2018, het project «een betere basis voor peuters» en onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is nog niet juridisch verplicht maar wel bestuurlijk gebonden. Het betreft middelen voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van project Directe Financiering en voor de ICT-voorbereiding en -ontwikkeling van het Personenregister ten behoeve van Continue Screening in de kinderopvang.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). De KOT wordt uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beide werken (werknemers en zelfstandigen);

  • Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het verzamelinkomen;

  • Hoogte van de werkelijk betaalde uurprijs;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillend maximumuurtarief waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het aantal gewerkte uren door de ouder die de minste uren per jaar werkt dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor kinderopvangtoeslag nemen in 2018 en 2019 nog toe door ingroei van gedragseffecten als gevolg van de intensiveringen van 2016 en 2017. Daarnaast is er een toename van het gebruik van kinderopvangtoeslag door demografie en conjunctuurverbetering. Met ingang van 2018 treedt ook de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang in werking waardoor peuters op peuterspeelzalen gebruik kunnen gaan maken van kinderopvangtoeslag (mits hun ouders tot een van de doelgroepen van kinderopvangtoeslag behoren). Ook hierdoor stijgen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal kinderen neemt vooral in 2017 fors toe door het extra gebruik van kinderopvang als gevolg van de intensiveringen in de kinderopvangtoeslag en de conjunctuurverbetering. Het aantal uren per kind stabiliseert in 2017 en neemt in 2018 naar verwachting licht toe.

De toename van het aantal kinderen in 2017 is relatief het sterkst bij de hoogste inkomens. Dit komt doordat kinderopvang vooral voor de hoogste inkomens in 2017 goedkoper is geworden: de vaste voet in de kinderopvangtoeslagtabel is verhoogd van 23,8% naar 33,3%. De maximumuurprijzen en de gemiddelde tarieven nemen in 2017 en 2018 toe door de reguliere indexeringen. In 2017 komt daar een indexatie van 2,5%-punt bij die in 2012 achterwege is gebleven. In 2018 zijn in het kader van de Wet Innovatie en Kwaliteit in de kinderopvang de uurprijzen in de dagopvang en buitenschoolse opvang met ruim 1% extra verhoogd om de beoogde kwaliteitsverbetering te bekostigen.

Tabel 7.2 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1
 

Realisatie 20162

Raming 2017

Raming 2018

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000, jaargemiddelde)

450

484

494

       

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000, jaargemiddelde)

     

0–12 jaar

682

734

749

0–4 jaar

320

343

351

4–12 jaar

362

391

397

       

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

     

0–12 jaar

31

34

34

0–4 jaar

46

49

50

4–12 jaar

24

26

27

       

Aantal uren per kind per maand

     

0–12 jaar

57,3

57,2

57,6

0–4 jaar

80,0

80,0

80,5

4–12 jaar

37,2

37,3

37,4

       

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen

     

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000

     

Tot 130% Wml

64

67

68

130% Wml tot 1½ x modaal

176

176

181

1½ x modaal tot 3 x modaal

352

382

389

3 x modaal en hoger

90

109

111

       

Aantal uren per kind per maand met kinderopvangtoeslag

     

Tot 130% Wml

73,0

72,8

73,3

130% Wml tot 1½ x modaal

53,1

53,8

54,3

1½ x modaal tot 3 x modaal

54,5

54,2

54,6

3 x modaal en hoger

65,2

63,7

64,2

X Noot
1

SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Belastingdienst/Toeslagen.

X Noot
2

De realisatiecijfers van 2016 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 7.3 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders1
   

Realisatie 20162

Raming 2017

Raming 2018

Bijdragen sectoren (in %)

     

Collectief

68

69

69

 

• waarvan Overheid

30

34

35

 

• waarvan Werkgevers

38

35

34

Ouders

32

31

31

         

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)3 , 4 , 5

     

Dagopvang

6,97

7,13

7,40

Buitenschoolse opvang

6,81

6,92

7,18

Gastouderopvang

5,64

5,75

5,91

       

Wettelijke maximum uurprijs (in €)6

     

Dagopvang

6,89

7,18

7,45

Buitenschoolse opvang

6,42

6,69

6,95

Gastouderopvang

5,52

5,75

5,91

       

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen7

     

130% Wml

0,56

0,45

0,46

1½ x modaal

1,77

1,70

1,77

3x modaal

5,00

4,79

4,97

       

Ouderbijdrage volgende kind in € per uur voor gezinsinkomen7

     

130% Wml

0,41

0,37

0,38

1½ x modaal

0,45

0,47

0,48

3x modaal

1,14

1,19

1,24

X Noot
1

SZW-berekeningen op basis van informatie van Belastingdienst/Toeslagen.

X Noot
2

De realisatiecijfers van 2016 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

X Noot
3

De raming is opgesteld in prijzen 2017. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2018 is, evenals de wettelijk maximum uurprijs 2018 weergegeven op prijsniveau 2018.

X Noot
4

De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgeven. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen.

X Noot
5

Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

X Noot
6

De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

X Noot
7

Kosten van kinderdagopvang per uur voor ouders, gebaseerd op de maximum uurprijzen en de toeslag die ouders ontvangen.

B. Subsidies

Voor 2018 is er € 5,1 miljoen beschikbaar voor subsidies, dit betreft onder andere uitgaven aan:

  • De bevordering van de kwaliteit van kinderopvang door middel van een subsidie voor de subsidieregeling Versterking Taal- en Interactievaardigheden Beroepskrachten en Gastouders in de Kinderopvang;

  • Een bijdrage aan Bureau Kwaliteit Kinderopvang;

  • Toezicht en handhaving door middel van een bijdrage aan de Stichting Geschillencommissie in het kader van de versterking van de positie van ouders;

  • Een bijdrage aan het Expertisecentrum toezicht en handhaving kinderopvang van de VNG dat gemeenten ondersteunt bij het versterken en verbeteren van toezicht en handhaving in de kinderopvang;

  • De harmonisatie van kwaliteitseisen in kinderopvang en peuterspeelzalen via een bijdrage aan de Brancheorganisatie Kinderopvang voor een project over permanente educatie.

C. Opdrachten

Voor 2018 is er € 1,5 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Het opdrachtenbudget wordt onder andere gebruikt ten behoeve van uitgaven voor de ontwikkeling van beleidsinstrumenten en daarnaast voor de de financiering van huidig toezicht, voor het project Innovatie en Kwaliteit in de Kinderopvang, voor het project «een betere basis voor peuters» en voor diverse onderzoeken.

D. Bijdrage aan agentschappen

Voor 2018 wordt naar verwachting € 30,9 miljoen uitgegeven aan bijdragen voor agentschappen. Het merendeel hiervan is bestemd voor DUO, voornamelijk ten behoeve van voorbereidende werkzaamheden in het kader van het project Directe Financiering. Daarnaast worden middelen ingezet voor de ontwikkeling en beheer van het LRKP en de Gemeenschappelijke Inspectieruimte en voor het beheer van het Register Buitenlandse Kinderopvang en uitvoering van Continue Screening kinderopvang fase 1.

De bijdrage voor Justis betreft de kosten voor uitvoering van Continue Screening kinderopvang fase 1.

E. Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit twee componenten: de ontvangsten algemeen en de werkgeversbijdrage. De ontvangsten algemeen zijn de terugbetalingen door ouders die in eerdere jaren te veel kinderopvangtoeslag hebben ontvangen. In de raming zet de dalende trend zich door tot 2020 waarbij de ontvangsten in 2017 naar verwachting extra laag uitvallen als gevolg van tegenvallende ontvangsten over de toeslagjaren 2012 en 2014. Als gevolg van de intensiveringen in 2016 en 2017 stijgen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag weer. Hierdoor nemen, met vertraging, de ontvangsten vanaf 2020 naar verwachting weer toe.

De ontvangsten werkgeversbijdrage kinderopvang betreffen een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom (0,5%).

8. Oudedagsvoorziening

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt een basisinkomen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

De overheid vindt dat iedere gepensioneerde minimaal een basisinkomen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 95% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt onder voorwaarden een inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV). Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • De vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Kostendelersnorm afgesteld

Beleidswijzigingen

Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota 2017 besloten de kostendelersnorm in de AOW niet meer in te voeren. Aan het parlement is toegezegd de kostendelersnorm in de AOW pas in te voeren als er een duidelijk beeld bestaat over mantelzorgrelaties onder AOW’ers. Omdat de onderzoeken hierover geen duidelijk beeld geven, is besloten tot afstel van de maatregel.

Verplichtgestelde bedrijfspensioenfondsen bij fusie mogelijk met gescheiden vermogens

Het kabinet is voornemens (Tweede Kamer 2016/2017, 32 043, nr 351) om met ingang van 1 januari 2018 verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen de mogelijkheid te bieden om bij een fusie tijdelijk gescheiden vermogens aan te houden, mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan ter bescherming van de deelnemer en de juridische houdbaarheid van de verplichtstelling.

Verlaging inkomensondersteuning AOW

Het kabinet heeft een pakket maatregelen getroffen om de koopkracht van kwetsbare groepen in 2018 te repareren. Gepensioneerden gaan er door het koopkrachtpakket volgend jaar in doorsnee in koopkracht op vooruit, onder andere door een verhoging van de ouderenkorting. Om binnen het beschikbare budget tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen, is een kleine verlaging van de inkomensondersteuning AOW (€ 10 per jaar) doorgevoerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

24.118

25.139

24.447

25.304

25.276

26.312

27.135

Uitgaven

24.118

25.139

24.447

25.304

25.276

26.312

27.135

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

24.118

25.139

24.447

25.304

25.276

26.312

27.135

MKOB

1.017

0

0

0

0

0

0

Overbruggingsregeling

3.900

4.363

3.642

3.787

4.075

4.317

4.373

AOV incl. tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

19.197

20.776

20.805

21.517

21.201

21.995

22.762

Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW

4

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

2.124

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Overbruggingsregeling AOW (OBR) en AOV.

Tabel 8.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

36.940.400

37.505.430

38.265.435

39.124.794

40.093.223

41.037.056

42.181.696

               

Inkomensoverdrachten

36.940.400

37.505.430

37.635.424

37.719.900

37.754.638

37.793.619

37.981.353

AOW

36.004.000

36.556.102

36.709.790

36.789.692

36.822.187

36.859.357

37.041.856

Inkomensondersteuning AOW

936.400

949.328

925.634

930.208

932.451

934.262

939.497

               

Nominaal

0

0

630.011

1.404.894

2.338.585

3.243.437

4.200.343

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep alleen het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden. Sinds 1 oktober 2016 kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd (de aanvraag moet wel worden gedaan vóór dat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Het inkomen waarbij er toegang ontstaat tot de OBR bedraagt voor alleenstaanden maximaal 200% van het wettelijk minimumloon en voor paren 300% van het wettelijk minimumloon. Dit is in de tweede helft van 2017 gelijk aan een bruto bedrag van € 3.130,80 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een alleenstaande en € 4.696,20 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een paar.

Voor de vermogenstoets wordt aangesloten bij de grens van het box 3-vermogen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Het heffingvrije vermogen uit box 3 bedraagt in 2017 € 25.000 per persoon. Dit betekent voor een (volwassen) eenpersoonshuishouden dat er tot een vermogen van € 25.000 recht bestaat op een overbruggingsuitkering en voor een (volwassen) tweepersoonshuishouden tot een vermogen van € 50.000.

Hoe hoog is de OBR?

De maximale uitkeringshoogte van de overbruggingsregeling is afgeleid van het wettelijk minimumloon en komt netto overeen met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Inkomen uit arbeid wordt gedeeltelijk en inkomen uit uitkeringen wordt volledig in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. De hoogte is voorts afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de opbouwperiode overeenkomstig de systematiek van de AOW, en begrensd tot de hoogte van het inkomen uit vut- of prepensioen of het daarmee vergelijkbaar inkomen dat aan de OBR vooraf ging.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitkeringslasten OBR liggen de komende jaren rond de € 4 miljoen. De komende jaren neemt enerzijds de instroom in de OBR af, maar tegelijkertijd neemt de te overbruggen periode toe (dus langere duur OBR-uitkering). De verwachte uitgaven dalen in 2018 ten opzichte van 2017, omdat het neerwaartse effect door de lagere instroom groter is dan het opwaartse effect van een langere overbruggingsperiode. Vanaf 2019 nemen de verwachte uitgaven jaarlijks iets toe, omdat het opwaartse effect van de langere overbruggingsperiode dan iets groter is dan het neerwaartse effect van een afnemende instroom.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting zal de instroom in de OBR verder afnemen, omdat steeds minder personen er voor in aanmerking kunnen komen.

Tabel 8.3 Kerncijfers OBR
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

1,5

1,2

0,9

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A2. Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op St. Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden.

Budgettaire ontwikkelingen

Tot 2021 wordt de AOV-gerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 65 jaar. De hogere AOV-gerechtigde leeftijd dempt het volume van het aantal AOV-gerechtigden. Het aantal 60-plussers neemt in deze jaren tegelijkertijd in geringe mate toe. Hierdoor flucturen de uitgaven van de AOV van jaar tot jaar in enige mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 8.4 Kerncijfers AOV
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,1

4,4

4,4

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2018 16 jaar) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2018 66 jaar) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als een persoon niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

In 2018 zal de AOW-gerechtigde leeftijd 66 jaar bedragen. Na 2018 zet de geleidelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd door. De AOW-gerechtigde leeftijd wordt in stappen verhoogd naar 67 jaar in 2021. Daarna wordt de AOW- gerechtigde leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De AOW-gerechtigde leeftijd voor 2022 is vastgesteld op 67 jaar en drie maanden.

Is de partner nog niet AOW-gerechtigd, dan heeft de AOW-gerechtigde recht op een toeslag. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt. Per 1 januari 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%.

Tabel 8.5 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag en exclusief inkomensondersteuning AOW (in €)
 

1 juli 2017

Gehuwd/samenwonend1

775,49

Alleenstaande

1.136,13

X Noot
1

Indien beide partners AOW-gerechtigd zijn ontvangen zij beiden € 775,49.

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de stijgende levensverwachting en de vergrijzing nemen het AOW-volume en daarmee de verwachte uitgaven aan de AOW de komende jaren toe. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 – en de versnelling van deze verhoging vanaf 2016 – wordt deze toename afgevlakt.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 8.6 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.3642

3.390

3.418

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

Gemiddeld kortingspercentage AOW-uitkering i.v.m. niet verzekerde jaren (%)

46

46

46

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

SVB, administratie.

Handhaving

De kerncijfers over preventie laten over het totaal een stabiel beeld zien. Het aantal geconstateerde overtredingen is licht afgenomen. Ook het totale benadelingsbedrag is gedaald. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 8.7 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

70

66

67

Kennis van de verplichtingen (%)

89

87

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,6

0,7

0,5

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

2,7

4,0

3,2

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

21

43

51

Incassoratio 2015 (%)

3

22

44

Incassoratio 2016 (%)

3

3

23

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Wie komt er voor in aanmerking?

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland.

Hoe hoog is de inkomensondersteuning AOW?

De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren en bedraagt in 2017 maximaal € 25,56 bruto per maand (prijspeil 2017). De IOAOW wordt jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 2018 wordt de IOAOW in het kader van de koopkrachtbesluitvorming met € 10 per jaar (€ 0,83 per maand) verlaagd (zie beleidswijzigingen).

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven aan de IOAOW dalen in 2018 (t.o.v. 2017), vanwege de verlaging van de hoogte van de IOAOW (zie beleidswijzigingen). Als gevolg van de stijgende levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking stijgt het aantal mensen dat recht heeft op de IOAOW jaarlijks. Hierdoor nemen de verwachte uitgaven aan de IOAOW vanaf 2019 weer toe. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd wordt deze stijging evenwel afgevlakt.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 8.8 Kerncijfers inkomensondersteuning AOW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume inkomensondersteuning AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.364

3.390

3.418

X Noot
1

SVB, administratie.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 8.9 Fiscale regelingen 2016–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

Pensioen niet-belaste premie

17.423

19.178

19.686

Pensioen belaste uitkering

– 12.797

– 13.175

– 13.449

Pensioen vrijstelling box 3

7.183

7.288

7.427

Lijfrente premieaftrek

501

549

565

Lijfrente belaste uitkering

– 383

– 394

– 402

Lijfrente vrijstelling box 3

215

218

222

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130%, alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen.

Het aantal pensioenfondsen neemt jaarlijks af. Het gaat hierbij vooral om de pensioenfondsen die vanwege de uitdagingen waarvoor ze zich gesteld zien, nadenken over hun toekomstbestendigheid. Dit kan er toe leiden dat pensioenfondsen fuseren of dat de uitvoering van de pensioenregeling wordt ondergebracht bij een andere pensioenuitvoerder, bijvoorbeeld een premiepensioeninstelling, een verzekeraar of een ander (algemeen) pensioenfonds. Het aandeel pensioenfondsen – ook in termen van daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden – met een dekkingsgraad lager dan 130% is vergelijkbaar met dat van voorafgaande jaren.

Tabel 8.10 Kerncijfers aanvullende pensioenen1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Totaal aantal pensioenfondsen2

245

231

219

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%

227

212

208

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.130

5.082

5.273

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

2.943

3.144

3.192

X Noot
1

DNB, statistiek toezicht pensioenfondsen.

X Noot
2

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

9. Nabestaanden

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Er zijn in 2018 geen voornemens tot beleidswijzigingen op het terrein van nabestaanden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

1.072

1.276

1.348

1.384

1.439

1.493

1.549

Uitgaven

1.072

1.276

1.348

1.384

1.439

1.493

1.549

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

1.072

1.276

1.348

1.384

1.439

1.493

1.549

AWW (Caribisch Nederland)

1.072

1.276

1.348

1.384

1.439

1.493

1.549

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AWW Caribisch Nederland.

Tabel 9.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

424.300

388.404

369.545

356.517

348.182

344.957

343.054

               

Inkomensoverdrachten

424.300

388.404

365.607

348.210

335.344

327.740

321.467

Anw

417.300

381.761

359.272

342.117

329.417

321.944

315.789

Tegemoetkoming Anw

7.000

6.643

6.335

6.093

5.927

5.796

5.678

               

Nominaal

0

0

3.938

8.307

12.838

17.217

21.587

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De stijging van de uitgaven van de AWW wordt verklaard door de verhoging van de gerechtigde leeftijd van de Algemene Ouderdomsverzekering (zie ook beleidsartikel 8). Hierdoor lopen de uitkeringen van de AWW langer door.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 9.3 Kerncijfers AWW Caribisch Nederland
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A2. Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Nabestaande partners komen in aanmerking voor een nabestaandenuitkering als zij jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd, de partner op de datum van overlijden verzekerd was voor de Anw en de nabestaande:

    • één of meer kinderen onder de 18 jaar verzorgt, of;

    • voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

Een kind heeft recht op een wezenuitkering indien beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De uitkering kan worden verlengd tot 18 jaar wanneer het kind bezig is een startkwalificatie te behalen of daarvan is vrijgesteld of volledig dagonderwijs volgt na het behalen van een startkwalifcatie. De wezenuitkering kan eventueel tot 21 jaar worden verstrekt wanneer de wees volledig dagonderwijs volgt of wanneer een ongehuwde wees de tijd grotendeels besteedt aan een gezamenlijke huishouding met een andere wees of voor een hulpbehoevende zorgt.

De Anw maakt geen onderscheid tussen gehuwden en mensen die ongehuwd zijn en samen een huishouding vormen. Daarom wordt gesproken van «partner». Nabestaanden die vóór 1 juli 1996 recht hadden op de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vallen onder een overgangsregeling.

Hoe hoog is de Anw?

De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het referentieminimumloon. Op de nabestaandenuitkering vindt inkomstenverrekening plaats. Daarbij kent de nabestaandenuitkering een vrijlating voor inkomen uit arbeid. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, plus eenderde deel van het meerdere inkomen. Inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld WIA- of WW-uitkering) wordt geheel gekort. Eigen vermogen, de inkomsten uit dit vermogen en particuliere aanvullende nabestaandenpensioenen worden niet gekort op de nabestaandenuitkering.

Per 1 juli 2015 is voor de nabestaandenuitkering de kostendelersnorm ingevoerd. De hoogte van de uitkering wordt in jaarlijkse stappen verlaagd tot 50% van het referentieminimumloon als nabestaanden kosten delen met een of meer meerderjarige personen. In 2018 bedraagt het uitkeringspercentage voor kostendelers 55% van het referentieminimumloon.

De wezenuitkering bedraagt een percentage van het referentieminimumloon, afhankelijk van de leeftijd van de wees. De hoogte van de wezenuitkering is niet afhankelijk van het inkomen.

Nabestaanden of wezen ontvangen naast hun Anw-uitkering ook een tegemoetkoming Anw.

Tabel 9.4 Anw bruto maandbedragen (maxima), exclusief vakantietoeslag en exclusief tegemoetkoming Anw (in €)
 

1 juli 2017

Nabestaandenuitkering

1.172,78

Nabestaandenuitkering met een of meer meerderjarige medebewoners (kostendelersnorm)1

962,16

Wezenuitkering (wezen tot 10 jaar)

375,29

Wezenuitkering (wezen van 10 tot 16 jaar)

562,93

Wezenuitkering (wezen van 16 tot 21 jaar)

750,58

Tegemoetkoming Anw

16,79

X Noot
1

In 2017 was het normbedrag voor kostendelers gelijk aan 60% van het referentieminimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten in de Anw dalen omdat de instroom van nieuwe nabestaanden in de Anw kleiner is dan de uitstroom van personen die recht hebben op de Anw en de voorganger van de huidige Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). AWW-gerechtigden stromen de komende jaren uit, voornamelijk vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. In latere jaren vlakt de daling van de Anw-uitgaven af. De voornaamste reden hiervoor is de AOW-leeftijdsverhoging, waardoor Anw-gerechtigden later uitstromen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 9.5 Kerncijfers Anw1
   

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Volume Anw (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde)

29

28

26

Volume Anw (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

36

33

31

       

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde), ingang recht voor 1 juli 1996

9

8

7

 

• waarvan nabestaanden met kind

02

0

0

 

• waarvan nabestaanden op grond van arbeidsongeschiktheid

92

8

7

       

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde), ingang recht na 1 juli 1996

19

18

18

 

• waarvan nabestaanden met kind

82

7

7

 

• waarvan nabestaanden op grond van arbeidsongeschiktheid

112

11

11

       

Volume wezenuitkering (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde)

1,3

1,3

1,3

X Noot
1

SZW-berekening op basis van gegevens SVB.

X Noot
2

SVB, administratie.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie laten een stabiel beeld zien. Het aantal geconstateerde overtredingen is in 2016 gelijk gebleven, terwijl het totale benadelingsbedrag licht is gestegen. De incassoratio 2016 laat in het eerste jaar bijna een verdubbeling zien ten opzichte van de incassoratio’s van 2015 en 2014 in het eerste jaar. De incassoratio kan bij de Anw snel fluctueren doordat het volume klein is en enkele grote vorderingen een grote impact kunnen hebben.

Tabel 9.6 Kerncijfers Anw, fraude en handhaving
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

83

83

80

Kennis van de verplichtingen (%)

90

84

83

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,1

0,1

0,1

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,9

2,2

2,6

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

12

32

37

Incassoratio 2015 (%)

3

11

30

Incassoratio 2016 (%)

3

3

22

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2015».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

10. Tegemoetkoming ouders

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB door de Belastingdienst.

Beleidswijzigingen

Het tweede kindbedrag van het kindgebonden budget wordt verhoogd met € 71 per jaar om de inkomenspositie van gezinnen met lage en middeninkomens te ondersteunen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 10.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 10 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

5.468.559

5.600.601

5.599.200

5.547.681

5.500.656

5.458.760

5.429.108

Uitgaven

5.468.559

5.600.601

5.599.200

5.547.681

5.500.656

5.458.760

5.429.108

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

5.468.559

5.600.601

5.599.200

5.547.681

5.500.656

5.458.760

5.429.108

AKW

3.323.000

3.330.935

3.330.784

3.306.855

3.286.281

3.268.069

3.254.587

Kinderbijslagvoorziening BES

1.868

1.871

1.871

1.871

1.871

1.871

1.871

WKB

2.143.517

2.267.795

2.266.545

2.238.955

2.212.504

2.188.820

2.172.650

TOG-kopje

174

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

261.245

284.251

272.478

287.514

299.361

272.804

270.069

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AKW, kinderbijslagvoorziening BES en WKB.

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Algemene Kinderbijslag Wet (AKW)

De AKW biedt ouders een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich mee brengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders van kinderen tot 18 jaar hebben recht op kinderbijslag.

Hoe hoog is de kinderbijslag?

De hoogte van de kinderbijslag hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslagbedragen worden per 1 januari 2018 en 1 juli 2018 geïndexeerd. Bij ziekte of handicap of omdat het kind niet thuis woont om onderwijsredenen kan onder nadere voorwaarden sprake zijn van dubbele kinderbijslag. Alleenstaande en alleenverdienende ouders van thuiswonende kinderen met ziekte of handicap kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een extra tegemoetkoming.

Tabel 10.2 AKW tegemoetkoming, netto bedragen per kwartaal (in €)
 

1 juli 2017

Voor kinderen van:

 

0 t/m 5 jaar

200,59

6 t/m 11 jaar

243,57

12 t/m 17 jaar

286,55

Extra tegemoetkoming AKW (jaarbedrag 2017)

2.013,21

Budgettaire ontwikkelingen

Het budgettaire beslag van de AKW kent een licht dalend verloop door afname van het aantal kinderen onder de 18 jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Zowel het aantal kinderen als het aantal gezinnen met AKW daalt licht.

Tabel 10.3 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.913

1.907

1.899

Aantal telkinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

3.405

3.394

3.378

X Noot
1

SVB, administratie.

Handhaving

De kerncijfers AKW over fraude en handhaving laten een stabiel beeld zien.

Tabel 10.4 Kerncijfers AKW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

71

74

71

Kennis van de verplichtingen (%)

78

76

77

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,3

2,0

1,6

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,2

1,2

1,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

55

69

74

Incassoratio 2015 (%)

3

50

69

Incassoratio 2016 (%)

3

3

54

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A2. Wet kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders en verzorgers die op Bonaire, St. Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn. De kinderbijslagvoorziening BES wordt uitgevoerd door de RCN-unit SZW namens de Minister van SZW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders en verzorgers van kinderen tot 18 jaar die ingezetene zijn van Bonaire, St. Eustatius en Saba.

Hoe hoog is de kinderbijslagvoorziening BES?

De hoogte van het bedrag bedraagt in 2017 40 USD op Bonaire en 42 USD op St. Eustatius en Saba per kind per maand. Dit bedrag wordt voor 2018 geïndexeerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven kinderbijslagvoorziening BES zijn constant.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 10.5 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, jaargemiddelde)

4,6

4,6

4,6

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders van kinderen tot 18 jaar kunnen het kindgebonden budget krijgen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en vermogen.

Hoe hoog is het kindgebonden budget?

De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, het (gezamenlijke) inkomen en vermogen van de ouders en de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 20.109 (bedrag 2017) wordt het kindgebonden budget geleidelijk minder. Voor iedere euro boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 0,0675 lager. De bedragen van het kindgebonden budget worden per 1 januari aangepast aan de prijsontwikkelingen.

Tabel 10.6 WKB tegemoetkoming, netto maximum bedragen per jaar (in €)
 

1 januari 2017

Een gezin met:

 

1 kind

1.142

   

Verhoging 2e kind (extra bedrag per jaar)

898

Verhoging 3e kind (extra bedrag per jaar)

285

Verhoging ieder volgend kind (extra bedrag per jaar)

285

   

Extra verhoging 12–15-jarigen1

234

Extra verhoging 16–17-jarigen1

417

Extra verhoging alleenstaande ouder

3.076

X Noot
1

Ten opzichte van de bovengenoemde bedragen.

Budgettaire ontwikkelingen

De verhoging van het 2e kindbedrag per 2018 zorgt voor een stijging van het budgettaire beslag met ongeveer € 36 miljoen. Tegelijkertijd zorgen een afnemend aantal kinderen en stijgende inkomens voor een dalende trend in het budgettaire beslag. Voor 2018 blijft hierdoor per saldo het budgettaire beslag ongeveer gelijk, na 2018 daalt het.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens met kindgebonden budget neemt naar verwachting af in 2018. Deze daling komt geheel voor rekening van paren en hangt samen met de hierboven beschreven ontwikkelingen. Het aantal eenouderhuishoudens met WKB blijft stabiel omdat het aantal eenouderhuishoudens in de bevolking naar verwachting toeneemt.

Tabel 10.7 Kerncijfers WKB
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

768

760

748

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.409

1.390

1.370

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

320

317

317

X Noot
1

Ministerie van Financiën, Belastingdienst/Toeslagen. De realisatiecijfers van 2016 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen bij het definitief vaststellen van het recht op toeslag.

B. Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de terugontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, zijn de terugontvangsten in een bepaald jaar veelal gebaseerd op definitieve afrekeningen van eerdere jaren. De terugontvangsten zijn meerjarig grosso modo stabiel.

11. Uitvoering

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van sociale zekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de sociale zekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB). Hij maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • De vormgeving van het stelsel van sociale zekerheidswetten die het UWV en de SVB uitvoeren;

  • De vaststelling van de budgetten die aan het UWV, de SVB en het IB beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door het UWV, de SVB en het IB en de verantwoording daarover;

  • De vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld.

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabel zijn indicatoren voor het UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven. Het afgelopen jaar hebben het Ministerie van SZW en de ZBO’s gezamenlijk nieuwe prestatie-indicatoren ontwikkeld (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 591).

Tabel 11.1 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 20161

Streef-waarde 20172

Streef-waarde 20183

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

100

⩽ 100

⩽ 100

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,0

99,0

99,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,1

7,0

7,0

X Noot
1

Jaarverslag 2016 UWV.

X Noot
2

Jaarplan 2017 UWV.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan van het UWV.

Tabel 11.2 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 20161

Streef-waarde 20172

Streef-waarde 20183

Doelmatigheid: Reële efficiency-groei4

n.b.

n.b.

1,5

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,9

99,0

99,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

7,7

8,0

8,0

X Noot
1

Jaarverslag 2016 SVB.

X Noot
2

Jaarplan 2017 SVB.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan van de SVB.

X Noot
4

Norm is 1,5% efficiency-groei (kostenbesparing los van volume- en beleidswijzigingen) voor de grote wetten, uitzonderingen op specifieke wetten.

Beleidswijzigingen

Voor de beleidswijzigingen per wet wordt verwezen naar de overige beleidsartikelen.

Rapport Algemene Rekenkamer «UWV, balanceren tussen ambities en middelen»

De Algemene Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het UWV en geconstateerd dat het UWV haar taken de afgelopen jaren adequaat heeft uitgevoerd. Om het UWV toekomstbestendig te maken wordt een zakelijker aansturing tussen het Ministerie van SZW en het UWV aanbevolen. Om de zakelijke relatie rondom het vaststellen van het budget van het UWV te bevorderen werken UWV en SZW samen aan het verbeteren van het inzicht in de verhouding tussen prestaties en kosten en wordt de financiële (meerjarige) situatie actief gemonitord. Ook de normtijden van de producten van het UWV worden regelmatiger herijkt (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 587).

Prestatie-indicatoren ZBO’s

Er zijn nieuwe prestatie-indicatoren voor de ZBOs opgesteld, die vanaf 2018 ingaan (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 591). De opzet voor de indicatorenset voor het UWV en de SVB is in de kern gelijk, al zijn er kleine verschillen in de uitwerking omdat beide organisaties hun eigen karakteristiek kennen. De indicatoren sluiten zoveel mogelijk aan op de strategische doelen van de ZBO’s. Beide organisaties zullen in hun jaarplan 2018 de prestatie-indicatoren met normering opnemen. De jaarplannen worden in december aan de Tweede Kamer aangeboden.

Artsencapaciteit UWV

Om de benodigde capaciteit bij verzekeringsartsen voor 2017 in evenwicht te brengen zijn aanvullende maatregelen genomen en de prioriteit is verlegd van herbeoordelingen naar andere beoordelingen. Er blijft sprake van een tekort aan verzekeringsartsen dat niet snel in te lopen is. Elk tertaal wordt over de voortgang een monitor opgesteld. Voor 2018 is € 25 miljoen incidenteel beschikbaar gesteld om de artsencapaciteit te vergroten. Voor 2019 en verder is bovenop de reeds toegekende basismiddelen € 44 miljoen extra beschikbaar (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 592).

Afspraken dienstverlening WW

In het najaar van 2016 is het UWV gestart met een nieuw WW-dienstverleningsmodel. De nieuwe dienstverlening combineert de algemene online dienstverlening met een meer persoonlijke benadering. Bij de start van de WW-periode vult de WW-gerechtigde de Werkverkenner in, een online vragenlijst. De uitkomsten van de verkenner bepalen welke aanvullende dienstverlening wordt ingezet. In 2017 zal een onderzoek starten naar de effectiviteit van de nieuwe dienstverlening. De eerste resultaten uit het onderzoek zullen in de eerste helft van 2019 bekend worden (Tweede Kamer, 2016–2017, 33 566, nr. 99).

Veranderagenda SVB

De SVB werkt in 2018 verder aan de drie pijlers uit de Veranderagenda, gericht op een betrouwbare dienstverlening voor de burger, het verhogen van de continuïteit en wendbaarheid van de uitvoering en het intensiveren van de ketensamenwerking. Bij aanvang van het project vAKWerk (Vernieuwing AKW) is richting de Kamer aangegeven dat afronding was voorzien in 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 579). Sinds maart 2017 is duidelijk dat in verband met het aangepaste implementatietraject het project vAKWERK uiterlijk in het 2e kwartaal 2018 zal worden afgerond. Deze actualisatie past binnen de planning en budgettaire kaders zoals aangegeven op het Rijks ICT-dashboard. Dit project levert een bijdrage aan goede dienstverlening en toekomstbestendige ICT-infrastructuur.

Innovatielab

Verder is de SVB in 2017 gestart met het Innovatielab Novum. In dit lab worden nieuwe concepten ter verbetering van de dienstverlening ontwikkeld en uitgeprobeerd. Succesvolle innovaties krijgen een plek in de staande organisatie.

UWV Informatieplan

Het UWV werkt aan het vernieuwen en moderniseren van de interne ICT-systemen om ook in de toekomst betrouwbaar en kwalitatief goede dienstverlening te kunnen bieden. De manier waarop dit wordt gerealiseerd staat vastgelegd in het UWV informatieplan 2017–2021 (Tweede Kamer, 2016–2017, 26 448, nr. 587). Een belangrijk project hierbinnen is «één uniforme betaalomgeving» (1UBO), waarbij alle betaalfunctionaliteiten vanuit de verschillende werknemersverzekeringen samen worden gebracht in één systeem (Tweede Kamer, 2015–2016, 26 448, nr. 573). Naar verwachting wordt het deeltraject met betrekking tot arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in 2018 afgerond. De ingreep op de betalingssystemen van de WW vindt plaats in de periode 1 april 2018 tot en met 1 januari 2020. In deze periode is een freeze voorzien op de WW-systemen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.3 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

433.006

486.550

468.574

388.492

371.349

373.190

371.452

Uitgaven

433.006

486.550

468.574

388.492

371.349

373.190

371.452

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's1

432.328

485.902

467.931

387.849

370.706

372.547

370.809

Uitvoeringskosten UWV

324.638

372.077

357.383

285.070

269.606

274.014

273.291

Uitvoeringskosten SVB

100.687

107.116

104.099

96.375

94.696

92.129

91.114

Uitvoeringskosten IB

7.003

6.709

6.449

6.404

6.404

6.404

6.404

               

Bijdrage aan nationale organisaties

678

648

643

643

643

643

643

Landelijke Cliëntenraad

678

648

643

643

643

643

643

               

Ontvangsten

16.367

15.627

0

0

0

0

0

X Noot
1

Deze bedragen hebben alleen betrekking op de uitvoering van het SZW-beleid door de ZBO’s.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Budgetflexibiliteit

De bijdragen aan ZBO’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitvoeringsbudgetten van het UWV, de SVB en het IB. Deze budgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen vastgesteld.

Bijdrage aan nationale organisaties:

De bijdrage aan nationale organisaties is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de LCR. Het budget wordt bij goedkeuring van het jaarplan vastgesteld.

Tabel 11.4 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Uitgaven

1.527.338

1.543.523

1.476.729

1.553.557

1.601.797

1.638.780

1.690.567

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's1

1.527.338

1.543.523

1.444.738

1.482.966

1.491.709

1.489.955

1.499.219

Uitvoeringskosten UWV

1.411.327

1.428.044

1.326.265

1.370.785

1.384.620

1.380.591

1.389.704

Uitvoeringskosten SVB

116.011

115.479

118.473

112.181

107.089

109.364

109.515

               

Nominaal

0

0

31.991

70.591

110.088

148.825

191.348

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Deze bedragen hebben alleen betrekking op de uitvoering van het SZW-beleid door de ZBO's.

A. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Toelichting op de financiële instrumenten

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor het UWV, de SVB en het IB, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen het UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. De opgelegde taakstellingen zijn in de uitvoeringsbudgetten van de ZBO’s verwerkt. Per saldo dalen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancierd) in 2018 met circa € 76 miljoen. Na 2018 stijgen de uitvoeringskosten licht, met name door de nominale loon- en prijsontwikkeling.

In de tabellen 11.5 en 11.6 zijn de uitvoeringskosten van het UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Deze toedeling is extracomptabel.

Tabel 11.5 Extracomptabel overzicht uitvoeringskosten begrotings- en premiegefinancierde uitgaven UWV (x € 1.000)1
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

UWV (incl. BKWI)

1.735.965

1.800.121

1.683.648

1.655.855

1.654.226

1.654.605

1.662.995

               

Begrotingsgefinancierd

324.638

372.077

357.383

285.070

269.606

274.014

273.291

IOW

1.907

2.000

2.259

2.986

3.465

3.995

3.717

Wajong

108.170

156.788

154.522

97.653

95.137

95.912

95.481

Re-integratie Wajong2

86.631

85.000

82.863

80.322

67.042

70.108

70.111

Basisdienstverlening

80.053

84.478

86.014

71.954

71.954

71.954

71.954

Uitvoeringskosten WW 50+

13.600

240

0

0

0

0

0

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

19.340

18.100

17.900

20.000

20.000

20.000

20.000

Wsw indicatiestelling

5.313

4.120

4.099

3.949

3.980

4.017

4.001

Scholingsvouchers kansberoep

900

4.100

0

0

0

0

0

Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

0

9.210

1.740

220

0

0

0

BKWI

8.724

8.050

7.987

7.987

8.028

8.028

8.028

               

Premiegefinancierd

1.411.327

1.428.044

1.326.265

1.370.785

1.384.620

1.380.591

1.389.704

WAO

80.358

68.637

65.986

64.005

62.815

61.262

59.530

IVA

98.874

92.149

95.581

98.671

101.581

104.399

107.011

WGA

244.844

177.708

175.711

211.707

215.486

217.970

216.895

WAZ

3.744

3.360

3.175

3.047

2.951

2.845

2.751

WW

649.324

740.372

641.959

682.498

685.929

671.206

679.2077

ZW

270.853

265.781

264.537

241.927

245.472

251.116

251.411

WAZO

10.484

13.158

12.815

11.704

11.824

11.900

11.827

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW2

56.312

66.879

66.501

57.226

58.563

59.894

61.073

Onttrekking uit bestemmingsfonds/egalisatiereserve

– 3.466

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

SZW-administratie.

X Noot
2

Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan op het desbetreffende beleidsartikel.

Tabel 11.6 Extracomptabel overzicht uitvoeringskosten begrotings- en premiegefinancierde uitgaven SVB (x € 1.000)1
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

SVB

216.698

222.595

222.572

208.557

201.785

201.493

200.629

               

Begrotingsgefinancierd

100.687

107.116

104.099

96.375

94.696

92.129

91.114

AKW

67.722

75.310

71.920

70.152

70.468

67.791

66.998

TAS

821

1.023

1.023

1.023

1.023

1.023

1.023

KOT/WKB

4.375

4.355

4.333

4.333

4.333

4.333

4.333

AIO

22.647

22.350

23.299

17.817

15.923

16.054

16.331

Bijstand buitenland

270

268

265

265

265

265

265

OBR

2.652

1.575

1.066

600

503

489

0

Remigratiewet

2.200

2.236

2.193

2.186

2.181

2.174

2.164

               

Premiegefinancierd

116.011

115.479

118.473

112.181

107.089

109.364

109.515

AOW

105.674

104.490

107.706

101.496

96.465

98.785

98.989

Anw

10.337

10.989

10.767

10.685

10.624

10.579

10.526

X Noot
1

SZW-administratie.

B. Bijdrage aan nationale organisaties

De LCR is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en het UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met het UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

12. Rijksbijdragen

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De financiering van de sociale fondsen loopt hoofdzakelijk via premie-inning. In een aantal gevallen acht de overheid premieheffing niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen acht de overheid financiering van een regeling via de algemene middelen passender, maar wordt wel gekozen voor uitvoering via de sociale fondsen. De sociale fondsen worden in dat geval via rijksbijdragen voorzien van voldoende financiering.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de sociale fondsen uit de algemene middelen, al dan niet in aanvulling op premieheffing. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

Beleidswijzigingen

Er zijn geen belangrijke wijzigingen op dit beleidsterrein.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 12 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

12.806.406

12.420.195

11.668.318

11.704.249

11.562.136

11.509.415

11.612.307

Uitgaven

12.806.406

12.420.195

11.668.318

11.704.249

11.562.136

11.509.415

11.612.307

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Bijdrage aan sociale fondsen

12.806.406

12.420.195

11.668.318

11.704.249

11.562.136

11.509.415

11.612.307

Kosten heffingskortingen AOW

2.033.300

2.114.100

2.150.600

2.186.600

2.230.400

2.268.800

2.311.100

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

10.525.800

10.083.600

9.296.800

9.181.200

9.035.400

8.940.400

8.998.000

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

175.574

147.470

147.082

148.496

150.137

151.931

153.390

Tegemoetkoming Anw-gerechtigden

7.075

6.643

6.335

6.093

5.927

5.796

5.678

Zwangere zelfstandigen

64.657

68.382

67.501

67.749

69.209

70.655

71.491

Kraamverlof

0

0

0

59.311

60.103

60.873

61.688

Transitievergoeding

0

0

0

54.800

10.960

10.960

10.960

               

Ontvangsten

1.747

423

0

0

0

0

0

Bijdrage aan sociale fondsen:

Budgetflexibiliteit

De bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW, vermogenstekort Ouderdomsfonds en tegemoetkoming Anw-gerechtigden zijn juridisch verplicht volgens de Wet financiering sociale verzekeringen. De rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten is juridisch verplicht volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rijksbijdrage zwangere zelfstandigen is juridisch verplicht volgens de Wet arbeid en zorg.

A. Bijdrage aan sociale fondsen

Toelichting op de financiële instrumenten

A1. Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De ontwikkeling van de bijdrage volgt de ontwikkeling van de heffingskortingen.

A2. Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor dit fonds bestaat.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage Ouderdomsfonds daalt in 2018. De premie-inkomsten van het Ouderdomsfonds stijgen met ruim € 2,5 miljard. Daartegenover stijgen de uitkeringslasten licht. Ook is in 2017 een vermogensoverschot uit 2016 verrekend waardoor de rijksbijdrage in dat jaar lager uitviel. De raming voor 2018 houdt geen rekening met de verrekening van een eventueel overschot of tekort uit het voorgaande jaar. Al deze effecten samen leiden tot een rijksbijdrage die in 2018 € 0,8 miljard lager is dan in 2017.

A3. Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De Wet Tegemoetkoming Chronisch zieken en Gehandicapten (Wtcg) is vanaf 2014 afgeschaft. De regeling van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is overgeheveld van de Wtcg naar de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van het UWV opgenomen. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de ao-tegemoetkoming blijven nagenoeg gelijk in 2018. Daarna lopen de uitgaven licht op doordat het uitkeringsvolume in de arbeidsongeschiktheidsregelingen oploopt.

A4. Tegemoetkoming Anw-gerechtigden

Deze rijksbijdrage dient ter financiering van de in beleidsartikel 9 verantwoorde tegemoetkoming Anw.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage voor de Anw-tegemoetkoming daalt doordat het aantal Anw-gerechtigden de komende jaren verder daalt. Dat komt doordat de instroom lager is dan de uitstroom.

A5. Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van het UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De Rijksbijdrage ZEZ daalt in eerste instantie licht. Vanaf 2019 stijgen de uitgaven. Dit hangt onder meer samen met een lichte stijging van het aantal geboorten.

A6. Rijksbijdrage kraamverlof

De behandeling van het wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof dat per 2019 zou ingaan is door de Tweede Kamer uitgesteld. Dit wetsvoorstel regelt een uitbreiding van het bestaande kraamverlof voor de echtgeno(o)t(e)/partner van de moeder met 3 dagen. Het huidige kraamverlof wordt betaald door werkgevers, de vergoeding voor de uitbreiding wordt via het UWV uitbetaald. De uitbreiding van het kraamverlof wordt gefinancierd uit algemene middelen via een rijksbijdrage aan het Aof.

A7. Rijksbijdrage transitievergoeding

Het wetsvoorstel aanpassing transitievergoeding bij bedrijfseconomische redenen en langdurige arbeidsongeschiktheid is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Op grond van dit wetsvoorstel zouden werkgevers door het UWV gecompenseerd worden voor de kosten van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige ziekte. Dit wetsvoorstel wordt gefinancierd via werkgeverspremies alsook een rijksbijdrage van OCW aan het Aof.

Budgettaire ontwikkelingen

De beoogde inwerkingtredingsdatum van 1-1-2019 wordt niet gehaald. De nieuwe beoogde invoeringsdatum is 1-7-2019. Een deel van de middelen schuift door naar 2020.

13. Integratie en maatschappelijke samenhang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migrantenachtergrond.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het doen ontstaan van een sociaal stabiele samenleving. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • Mensen zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • Zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • Iedereen zich thuis voelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Daarbij is tevens aan de orde dat migranten en hun kinderen zelfredzaam zijn en nieuwkomers verantwoordelijk zijn voor hun inburgering. Dit wordt gerealiseerd door:

  • Het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • Het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;

  • Het ervoor zorgen dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten. Hij financiert een uitkeringsregeling (Remigratiewet) en een sociaal leenstelsel om eventuele financiële drempels om in te burgeren weg te nemen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringstelsel;

  • De visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • Het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • De uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

De uitvoering van het inburgering- (onder meer examens) en leenstelsel en voorinburgering/maatschappelijke begeleiding is belegd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) respectievelijk het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De Minister van OCW is eigenaar van DUO en de Minister van V&J van COA. Vanuit deze rol zijn laatstgenoemde ministers verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering en daaronder valt de dienstverlening van COA respectievelijk DUO aan het Ministerie van SZW.

Evaluaties 2018

Beleidswijzigingen

In 2018 staan twee evaluaties van wetten op het programma. Het gaat om de evaluatie van de Wet Inburgering 2013 en van de Remigratiewet 2013. De Tweede Kamer zal de verslagen van de evaluaties in de tweede helft van het jaar ontvangen. De uitkomsten van de evaluaties kunnen zo nodig aanleiding geven tot aanpassingen in beleid en wetgeving.

Wijziging financieringsarrangement maatschappelijke begeleiding

Per 1 oktober 2017 treedt de gewijzigde Wet inburgering in werking. Daarmee verandert tevens een deel van de daarmee gemoeide financieringstroom van karakter. De middelen voor maatschappelijke begeleiding zullen via een decentralisatieuitkering rechtstreeks aan de gemeenten worden toegekend. Aangezien de betaling achteraf op basis van realisaties plaatsvindt, zal de decentralisatie-uitkering voor het eerst in 2018 plaatsvinden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 13 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

278.628

330.376

317.108

269.597

232.264

208.665

192.090

Uitgaven

250.574

334.376

317.108

269.597

232.264

208.665

192.090

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,8%

       
               

Inkomensoverdrachten

44.221

44.105

43.408

43.247

43.162

43.061

42.838

Remigratiewet

44.105

43.605

43.408

43.247

43.162

43.061

42.838

Inburgering

116

500

0

0

0

0

0

               

Subsidies

7.546

13.143

10.482

4.982

4.982

4.982

4.782

Kennisinfrastructuur

2.708

3.240

2.450

2.450

2.450

2.450

2.250

Landelijk Overleg Minderheden

30

0

0

0

0

0

0

Vluchtelingenwerk Nederland

1.298

1.407

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

Overige subsidies

3.510

8.496

7.000

1.500

1.500

1.500

1.500

               

Opdrachten

9.310

15.336

14.202

11.955

12.838

12.678

12.878

Inburgering en Integratie

7.614

13.636

12.502

10.255

11.138

10.978

11.178

Remigratie

1.696

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

               

Bijdrage aan agentschappen

10.640

15.217

14.598

14.410

14.410

14.410

14.410

DUO

10.640

15.217

14.598

14.410

14.410

14.410

14.410

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

74.577

80.169

76.258

54.104

40.395

40.387

40.380

COA

74.577

80.169

76.258

54.104

40.395

40.387

40.380

               

Leningen

104.280

166.406

158.160

140.899

116.477

93.147

76.802

DUO

104.280

166.406

158.160

140.899

116.477

93.147

76.802

               

Ontvangsten

4.727

3.403

1.200

1.000

1.000

1.000

1.000

Ontvangsten algemeen

3.587

2.403

200

0

0

0

0

Leningen

1.140

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Inkomensoverdrachten:

Budgetflexibiliteit

De inkomensoverdrachten volgen uit wet- en regelgeving op het terrein van de Remigratiewet en zijn daarmee voor 100% juridisch verplicht. Datzelfde geldt voor de inkomensoverdrachten ten behoeve van Inburgering.

Subsidies:

De subsidiemiddelen zijn bestemd voor bekostiging van de kennisinfrastructuur op het vlak van integratie, Vluchtelingenwerk Nederland en overige incidentele subsidies. Op basis van (meerjarige) afspraken c.q. toezeggingen is circa 60% daarvan juridisch verplicht. Het nog niet verplichte deel van de verwachte utigaven zal voornamelijk benut worden voor het verstrekken van incidentele subsidies.

Opdrachten:

De middelen ten behoeve van het verstrekken van opdrachten zijn voor circa 80% juridisch verplicht. De verplichting berust op meerjarige contracten in verband met het ontwikkelen, onderhouden en afnemen van inburgeringexamens in binnen- en buitenland, (periodiek) onderzoek en publiekscampagnes. De middelen die nog niet juridische verplicht zijn, worden aangewend voor beleidsevaluatie en beleidsonderzoek, voorlichtingscampagnes en overige aanbestedingen.

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ten behoeve van het beheer van het examenstelsel en de uitvoering van het leenstelsel is gebaseerd op gemaakte afspraken en daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

De bijdrage aan het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) voor voorinburgering zal worden verstrekt in de vorm van een rijksbijdrage en is daarmee 100% juridisch verplicht. De bijdrage maatschappelijke begeleiding zal voortaan in de vorm van een decentralisatie-uitkering rechtstreeks aan gemeenten worden verstrekt. De bijdrage volgt uit afspraken uit het bestuurlijk akkoord met de VNG over de verhoogde instroom vluchtelingen. De uitgaven zijn daarmee 100% juridisch verplicht.

Leningen:

Het leenstelsel is gebaseerd op de Wet Inburgering 2013 en daarmee zijn de uitgaven in de vorm van leningen 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Het uiteindelijke doel van het beleid is dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond (zie bijvoorbeeld de beleidsdoorlichting en de bijbehorende brief aan de Tweede Kamer). Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Twee belangrijke maten hiervoor zijn de startkwalificatie (verplicht minimaal onderwijsniveau dat nodig is voor de arbeidsmarkt) en de arbeidsparticipatie. De onderstaande tabel presenteert de voortgang ten aanzien van dit doelbereik in de ontwikkeling van de gepresenteerde verschilscores. Overigens geldt hierbij dat er niet alleen verschillen bestaan tussen herkomstgroepen (die worden verklaard door verschillen), maar ook tussen generaties binnen dezelfde herkomstgroep. De 2e generatie scoort bijvoorbeeld gunstiger op de indicator netto arbeidsparticipatie dan de 1e. In onderstaande tabel is niet gecontroleerd voor groepskenmerken die deze onderlinge verschillen (deels) kunnen verklaren.

Tabel 13.2 Kerncijfers integratie: startkwalificatie en arbeidsparticipatie bevolking 15–75 jaar (%)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Startkwalificatie niet-schoolgaande bevolking van de 2e generatie

     

Zonder migratieachtergrond

71,3

71,8

72,1

Met migratieachtergrond

     
 

Turks

– 9,8

– 8,1

– 6,6

 

Marokkaans

– 4,5

– 7,8

– 1,7

 

Surinaams

3,6

5,2

3,4

 

Voormalige Antillen

9,1

9,1

4,5

 

Overig niet-westers

9,1

8

7,5

 

Westers

2,3

2,3

2,6

       

Netto arbeidsparticipatie

     

Zonder migratieachtergrond

66,5

67,1

67,4

Met migratieachtergrond

     
 

Turks

– 13,5

– 13

– 10,5

 

Marokkaans

– 15,7

– 17,6

– 13

 

Surinaams

– 6,3

– 6,8

– 8,4

 

Voormalige Antillen

– 10,9

– 10,1

– 10,9

 

Overig niet-westers

– 10,7

– 11,5

– 12

 

Westers

– 3,9

– 3,9

– 3,2

X Noot
1

CBS, kernindicatoren Integratie 2017.

A. Inkomensoverdrachten

Met de wijziging van de Remigratiewet die 1 juli 2014 in werking trad, werden de criteria om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening aangescherpt.Tevens kunnen aanvragen nog tot eind 2024 worden ingediend. Daarna vervalt de mogelijkheid een beroep te doen op een remigratievoorziening. Uitvoering van de wet is opgedragen aan de SVB.

Een remigratievoorziening is een maandelijkse uitkering, met eventueel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Deze uitkering geldt voor personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben, omdat zij in een uitzichtloze en afhankelijke situatie (uitkering) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om voor een dergelijke uikering in aanmerking te komen gelden bepaalde criteria betreffende onder meer leeftijd, verblijfsduur in Nederland, doelgroep en herkomstland.

Op de uitkeringen remigratievoorziening is het woonlandbeginsel van toepassing. Voorts kunnen er volledige, gekorte of nihil-uitkeringen worden verstrekt (na verrekening van overige inkomsten uit uitkeringen). Een gemiddelde uitkering van personen die vanaf 1 april 2000 zijn vertrokken bedraagt € 495,– per maand.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de wijziging van de Remigratiewet zien we dat de uitgaven op grond van de Wet licht afnemen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 13.3 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Aantal remigranten met een periodieke uitkering (x 1.000 personen, ultimo)2

14

14

14

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

B. Subsidies

Op de begroting zijn subsidiemiddelen voor een bedrag van € 2,45 miljoen opgenomen die worden gebruikt voor het in stand houden van een kennisinfrastructuur op het terrein van integratievraagstukken (www.kis.nl). Vanaf dit begrotingsjaar is de subsidie op haar structurele niveau beland en daarmee lager dan in opbouwperiode. De verzamelde kennis en expertise komt ten goede aan gemeenten, bedrijven, en organisaties en instellingen.

Vluchtelingenwerk Nederland (www.vluchtelingenwerk.nl) ontvangt een subsidie voor de organisatie van de ondersteuning van het werk van de bij de stichting betrokken vrijwilligers en medewerkers in de regio (€ 1,03 miljoen). Vrijwilligers en medewerkers bevorderen de maatschappelijke begeleiding en integratie van asielgerechtigden in het land.

Tenslotte is er € 7 miljoen beschikbaar voor het verstrekken van incidentele subsidies aan instellingen en organisaties die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de overheid op het terrein van inburgering, integratie en participatie. Het meerjarig geraamde budget neemt af als gevolg van het tijdelijke karakter van bij bestuursakkoord Verhoogde instroom vluchtelingen afgesproken screening- en matchingactiviteiten om asielgerechtigden sneller op de arbeidsmarkt te laten participeren.

C. Opdrachten

C1. Programma Inburgering en Integratie

Onder deze noemer worden meerdere activiteiten bekostigd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om:

  • Ontwikkeling, onderhoud en toezicht inburgeringsexamens en het monitoren van inburgeringsresultaten. Binnen het kader van de Wet Inburgering en Wet Inburgering Buitenland worden de meeste werkzaamheden uitbesteed.

  • Bevorderen van integratie en participatie van nieuwkomers. Hierbij worden organisaties in het veld en organisatie-, onderzoeks- en publiciteitsbureau’s ingeschakeld (voorlichtingscampagnes, dialoog- en netwerkbijeenkomsten, materiaal- en methodiekontwikkeling, trainingen, conferenties).

  • Preventie radicalisering (vervolgactiviteiten Actieprogramma Integrale aanpak Jihadisme). In dit licht zal onder meer de expertise-unit Sociale Stabiliteit worden gecontinueerd om gemeenten, professionals en gemeenschappen te ondersteunen in het omgaan en tegengaan van radicalisering en maatschappelijke spanningen (www.socialestabiliteit.nl).

  • Onderzoek en evaluatie effecten beleid. Organisatie als SCP, CBS en onderzoeksbureaus worden hierbij ingeschakeld.

Tabel 13.4 Kerncijfers inburgering
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO krijgen (x 1.000 personen, ultimo)

341

30

26

Inburgeraars die slagen voor het inburgeringexamen of NT2-examen (x 1.000 personen, ultimo)

101

12

16

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van de COA (x 1.000 personen, ultimo)

132

8,8

9,0

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten (x 1.000 personen, ultimo)

202

24

24

X Noot
1

DUO, Informatiesysteem Inburgering.

X Noot
2

COA, voortgangsrapportages.

C2. Remigratie

Het Nederlands Migratie Instituut (NMI) geeft voorlichting over de Remigratiewet. Zij wijzen belangstellenden daarbij op de voors en tegens van remigratie, waarbij tevens wordt gewezen op de voorwaarde dat in geval van een uitkering afstand gedaan moet worden van het Nederlanderschap (www.nmigratie.nl).

Het budget voor Inburgering en Integratie (C1) is voor 2018 geraamd op € 12,5 miljoen. De uitgaven voor de onder C2 genoemde activiteiten bedragen meerjarig € 1,7 miljoen.

D. Bijdrage aan agentschappen

De organisatie van inburgeringsexamens en de uitvoering van het leenstelsel, informatieverstrekking aan inburgeraars, gemeenten en instellingen, en de handhaving van de inburgeringsplicht bij nieuwkomers is door SZW belegd bij DUO (www.duo.nl) en SZW stelt hiervoor de financiële middelen beschikbaar.

Naar verwachting blijft de hoogte van het budget in de komende jaren vrijwel constant.

E. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De financieringstroom Voorinburgering en maatschappelijke begeleiding loopt vanaf 2013 van SZW naar COA. COA verstrekt vervolgens middelen voor maatschappelijke begeleiding aan gemeenten. Per 1 oktober 2017 (inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering) verandert de financieringstroom daarvan van karakter. De middelen voor maatschappelijke begeleiding zullen via een decentralisatie-uitkering rechtstreeks aan de gemeenten worden toegekend.

Voornemen is om de middelen voor Voorinburgering via een rijksbijdrage aan COA toe te gaan kennen (in plaats van in de vorm van een subsidie). De mogelijkheden daartoe zijn momenteel in onderzoek.

Als gevolg van de verwachte volumedaling van de instroom van vluchtelingen is het budget voor beide geldstromen neerwaarts bijgesteld, en dat verklaart mede de meerjarige daling in het budget voor de periode 2017–2020). Vanaf 2020 komt het budget dan – behoudens nieuwe pieken in de instroom – op een meer structureel niveau.

F. Leningen

Nieuwkomers die niet beschikken over voldoende middelen of inkomen kunnen voor het behalen van hun inburgeringsdiploma een beroep doen op het sociaal leenstelsel inburgering. Daarbij geldt voor asielgerechtigden dat zij de lening kwijtgescholden krijgen indien zij het inburgeringsdiploma binnen de daarvoor gestelde tijd behaald hebben of daartoe voldoende inspanningen geleverd hebben.

Het leningenbudget zal naar verwachting na een aantal jaren te zijn gestegen gaan dalen als gevolg van de door het kabinet verwachte dalende instroom. Omdat inburgeraars drie jaar de tijd hebben om in te burgeren en een behoorlijk aantal daarover langer doet (al dan niet met uitstelverlening) is lastig in te schatten wanneer de daling precies optreedt. In 2016 en 2017 heeft dit geleid tot tegenvallers en is het budget voor 2017 opgehoogd. Naar verwachting zal vanaf 2018 een daling van het budget inzetten.

Tabel 13.5 Kerncijfers leningen
   

Realisatie 20161

Raming 2017

Raming 2018

Toegekende leningen

     
 

Aantal aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo)

26

21

21

 

Totaal bedrag toegekende leningen (x € 1 mln, ultimo)

104

166

158

Terugbetaalde leningen

     
 

Aantal terugbetalende inburgeraars die in het betreffende jaar een terugbetaling op hun lening doen.(x 1.000 personen, ultimo)

1

1

1

 

Totaal bedrag terugbetaalde leningen in het betreffende jaar inclusief rente (x € 1 mln, ultimo)

1

1

1

Kwijtgescholden leningen

     
 

Aantal kwijtgescholden leningen (x 1.000 personen, ultimo)

2

4

8

 

Totaalbedrag kwijtgescholden leningen incl rente (x € 1 mln, ultimo)

8

26

53

X Noot
1

DUO, Informatiesysteem Inburgering.

G. Ontvangsten

De ontvangsten op artikel 13 zijn van verschillende oorsprong: leenstelsel en het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf).

Leningen aan met name gezinsvormers/-herenigers worden geacht te worden terugbetaald. Dat geldt ook voor leningen aan asielgerechtigden waarbij onvoldoende inspanningen zijn verricht en niet tijdig aan de inburgeringsplicht is voldaan. Uit ervaringsgegevens is nog onvoldoende helderheid verkregen over het terug te verwachten bedrag. De raming is daarom gebaseerd op de in 2016 ontvangen terugbetalingen. Deze zijn meerjarig doorgetrokken.

De van het UWV afkomstige ontvangsten uit het AWf houden verband met verrekeningen uitkeringen werkloosheidswet en remigratievoorziening van personen die in het jaar van remigratie een werkloosheidsuikering genoten.

HOOFDSTUK 4: NIET-BELEIDSARTIKELEN

96. Apparaatsuitgaven kerndepartement

Artikel

Dit artikel bevat alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van SZW. In beleidsartikel 11 staat een verdere toelichting op de bijdragen aan ZBO’s.

Tabel 96.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 96 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

252.321

272.666

295.856

313.923

312.417

311.339

309.550

Uitgaven

255.510

273.041

295.856

313.923

312.417

311.339

309.550

                 

Personele uitgaven

197.625

209.593

230.745

247.081

245.098

243.909

241.820

 

waarvan eigen personeel

189.394

200.581

221.222

237.246

235.769

234.510

232.421

 

waarvan externe inhuur

5.846

5.712

6.636

6.950

6.444

6.514

6.514

 

waarvan overige personele uitgaven

2.385

3.300

2.887

2.885

2.885

2.885

2.885

                 

Materiële uitgaven

57.885

63.448

65.111

66.842

67.319

67.430

67.730

 

waarvan ICT

6.013

8.876

9.555

9.577

9.609

9.724

9.724

 

waarvan bijdrage aan SSO's

38.607

35.323

39.770

40.328

40.322

40.406

40.406

 

waarvan overige materiële uitgaven

13.265

19.249

15.786

16.937

17.388

17.300

17.600

                 

Ontvangsten

13.563

22.499

36.655

60.217

60.969

60.982

60.996

A Personele en materiële uitgaven

Toelichting

De totale begrote apparaatsuitgaven voor het kerndepartement bedragen in 2018 € 295,9 miljoen. Hiervan heeft € 230,7 miljoen betrekking op personele uitgaven en € 65,1 miljoen op materiële uitgaven.

De totale uitgaven nemen eenmalig toe vanwege de transitie per 1 januari 2018 van het Agentschap SZW van baten-lastenagentschap naar uitvoeringsdirectie. Hierdoor vervalt de bijdrage Agentschap SZW per 2018 op artikel 98. De uitgaven van de nieuwe uitvoeringsdirectie staan voor het grootste deel op artikel 96. Meerjarig stijgen de uitgaven vanwege de opbouw van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO).

B. Ontvangsten

De ontvangsten hebben met name betrekking op de facturering door RSO van schoonmaakkosten aan de afnemers.

Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

De RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. De opbouw van de organisatie zal in de komende jaren geleidelijk plaatsvinden naar gelang er meer departementen aansluiten. De verwachting is dat in 2020 alle beoogde departementen zijn aangesloten. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk. De bijbehorende uitgaven komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW.

Op de begroting van SZW zijn taakstellende ontvangsten voor de RSO opgenomen. Facturering aan de opdrachtgevers vindt plaats op basis van meerjarige dienstverleningsafspraken. Dit houdt in dat de uitgaven voor schoonmaak zowel bij de departementen als bij SZW op de begroting staan.

Ter financiering van aanloopkosten van de RSO is voor de eerste jaren een transitiebudget ingesteld, omdat de inkomsten in de eerste jaren onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken. Tabel 96.2 geeft een splitsing van de totale apparaatsuitgaven in kerndepartement exclusief RSO en RSO.

Tabel 96.2 Extracomptabele tabel apparaatsuitgaven kerndepartement en apparaatsuitgaven RSO (x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Kerndepartement exclusief RSO

             

Uitgaven

245.314

251.712

262.199

257.861

256.099

257.189

255.086

Ontvangsten

3.576

3.838

7.377

7.727

7.827

7.677

7.377

               

Rijksschoonmaakorganisatie

             

Uitgaven RSO

10.196

21.329

33.657

56.062

56.318

54.150

54.464

Ontvangsten RSO

9.987

18.661

29.278

52.490

53.142

53.305

53.619

Tabel 96.3 geeft een samenvatting van de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, het Agentschap SZW en van de ZBO’s van het ministerie. Vanaf 2018 is het Agentschap SZW niet meer een baten-lastenagentschap maar een uitvoeringsdirectie van het ministerie.

Tabel 96.3 Apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO’s/RWT’s (x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

255.510

273.041

295.856

313.923

312.417

311.339

309.550

               

Totaal apparaatskosten agentschappen

16.106

15.300

0

0

0

0

0

               

Totaal apparaatskosten ZBO’s/RWT’s1

1.943.346

2.013.798

1.912.669

1.870.815

1.862.415

1.862.502

1.870.028

UWV (inclusief BKWI)

1.726.331

1.785.534

1.683.648

1.655.855

1.654.226

1.654.605

1.662.995

SVB

210.012

221.555

222.572

208.556

201.785

201.493

200.629

IB

7.003

6.709

6.449

6.404

6.404

6.404

6.404

X Noot
1

Dit betreft apparaatskosten samenhangend met zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde artikelen binnen de SZW-begroting. De ontvangsten artikel 11 zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het departement onderverdeeld naar de verschillende organisatieonderdelen. De uitgaven voor de RSO, huisvesting en ICT van het gehele kerndepartement staan onder de pSG.

Tabel 96.4 Apparaatsuitgaven kerndepartement 2018 naar directoraat-generaal (x € 1.000)
 

2018

SG

22.641

pSG

126.221

DG SZI

26.108

DG Werk

22.606

Inspectie SZW

98.280

Totaal kerndepartement

295.856

Taakstelling 2016–2018

De taakstelling 2016–2018 is voor het kerndepartement SZW onder meer ingevuld door een verdere versobering van de bedrijfsvoering. Voorts zijn de processen rond het beroep en bezwaar van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) vereenvoudigd en gestroomlijnd. Tevens is door deregulering per 1 januari 2016 gestopt met het organisatiegerichte toezicht op het UWV en de SVB. De taakstelling van het kerndepartement is verhoogd om extra formatieplaatsen te kunnen creëren voor medewerkers uit de doelgroep kwetsbare groepen.

De taakstelling van het UWV en de SVB wordt ingevuld door besparingsmogelijkheden als gevolg van een meer doelmatige uitvoering, vereenvoudiging van wet- en regelgeving en versobering van taken en dienstverlening. Het UWV en de SVB verwerken de invulling van de taakstelling in hun jaarplannen die worden aangeboden aan Tweede Kamer.

Verdeling taakstelling tussen kerndepartement SZW, Agentschap SZW en ZBO’s

Tabel 96.5 geeft de verdeling van de taakstelling tussen het kerndepartement, het Agentschap SZW en de ZBO’s.

Tabel 96.5 Extracomptabele tabel invulling taakstelling (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

Structureel

Departementale taakstelling totaal

23.354

52.803

64.978

64.978

         

Kerndepartement

3.354

7.703

9.378

9.378

         

Agentschap SZW

0

0

0

0

         

ZBO’s totaal

20.000

45.100

55.600

55.600

UWV (inclusief BKWI)

17.700

39.700

48.900

48.900

SVB

2.300

5.400

6.700

6.700

Personele ontwikkeling SZW-domein in meerjarig perspectief

Onderstaande grafieken laten de ontwikkeling van het aantal fte voor het kerndepartement SZW en voor het SZW-domein zien voor de periode 2006–2022. Het basisjaar is 2006, omdat in dat jaar ten behoeve van het programma Vernieuwing Rijksdienst een nulmeting heeft plaatsgevonden naar de personele omvang van de rijksdienst.

Figuur 96.1 fte-ontwikkeling kerndepartement SZW in- en exclusief RSO

Figuur 96.1 fte-ontwikkeling kerndepartement SZW in- en exclusief RSO

De door achtereenvolgende kabinetten opgelegde taakstellingen op de apparaatsuitgaven laten voor het kerndepartement SZW vanaf 2006 tot 2016 een afname van het aantal fte’s zien. Daarnaast is er een overgang van fte’s naar het Ministerie van BZK door het onderbrengen van de uitvoering van de bedrijfsvoering in Shared Service Organisaties. Aan de andere kant is er na 2011 een uitbreiding van het aantal fte’s door de komst van beleidsterreinen bij SZW (Kinderopvang in 2011, Integratie en maatschappelijke samenhang in 2012, Financieel Dienstencentrum in 2015).

De raming voor de jaren na 2016 is enerzijds gebaseerd op de te realiseren taakstellingen op de apparaatsuitgaven in die periode, de afloop van (tijdelijke) uitbreiding van taken bij de Inspectie SZW en de overgang van taken naar BZK. Anderzijds leidt de opbouw van de RSO tot een opwaartse bijstelling van de formatie. Het effect van de oprichting van de RSO is indicatief in de figuren 96.1 en 96.2 in beeld gebracht.

Figuur 96.2 fte-ontwikkeling SZW-domein (inclusief UWV en SVB) in- en exclusief RSO

Figuur 96.2 fte-ontwikkeling SZW-domein (inclusief UWV en SVB) in- en exclusief RSO

De periode 2006–2022 laat voor het gehele SZW-domein een zelfde beeld zien als voor het kerndepartement. De ontwikkeling betreft een saldo van de gevolgen van de taakstellingen op de apparaatsuitgaven en de uitvoeringskosten, de overgang van dienstonderdelen van en naar andere departementen en van de in- en extensiveringen van beleid(suitvoering) en de oprichting van RSO. Daarbij hebben conjuncturele effecten op de formatie van het UWV geleid tot een toename van het aantal fte in het SZW-domein in de jaren 2009/2010 en 2013/2015.

98. Algemeen

Artikel

Op dit artikel worden de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen budgetten verantwoord.

Tabel 98.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 98 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

36.414

44.042

29.041

30.465

24.657

24.677

24.614

Uitgaven

34.334

41.714

31.084

31.460

24.657

24.677

24.614

               

Subsidies

1.714

2.406

2.043

995

0

0

0

               

Opdrachten

12.075

18.488

22.998

24.422

18.936

19.329

19.266

Handhaving

627

4.086

4.984

6.626

3.553

3.553

3.553

Opdrachten overig

11.448

14.402

18.014

17.796

15.383

15.776

15.713

               

Bekostiging

3.666

3.920

3.170

3.170

2.848

2.475

2.475

Uitvoeringskosten Caribisch Nederland

3.666

3.920

3.170

3.170

2.848

2.475

2.475

               

Bijdrage aan agentschappen

15.576

14.700

673

673

673

673

673

Agentschap SZW

15.077

14.007

0

0

0

0

0

Rijksdienst Ondernemend Nederland

387

513

513

513

513

513

513

Agentschap CJIB

112

180

160

160

160

160

160

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

1.303

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

Ministerie van Financiën

1.303

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

               

Ontvangsten

798

176

412

387

0

0

0

A. Subsidies

Toelichting

Op het subsidiebudget van artikel 98 worden subsidies begroot en verantwoord met een breed departementaal karakter. Het begrotingsbedrag 2018 heeft betrekking op subsidies aan de Vereniging van de Nederlandse Gemeenten (VNG) voor ondersteuning gemeenten binnen de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI)-structuur, routewijzer Landelijk Platform Geestelijke Gezondheids Zorg (LPGGZ) en Young professionals.

B. Opdrachten

B1. Handhaving

Het beleidsbudget voor handhaving 2018 bedraagt € 5,0 miljoen. Een belangrijk gedeelte daarvan is gereserveerd voor de uitvoering van niet-structurele innovatieve projecten. Daarvoor vinden tijdens de begrotingsuitvoering overboekingen plaats naar de relevante budgetten.

B2. Opdrachten overig

Hieronder vallen de uitgaven voor onderzoek en voorlichting die niet zijn toebedeeld aan beleidsartikelen. Het budget op artikel 98 bedraagt voor 2018 € 18,0 miljoen. Het onderzoeksbudget op artikel 98 bedraagt € 5,5 miljoen. Van het totale onderzoeksbudget is € 3,7 miljoen bestemd voor beleidsinformatie. Naast de uitgaven voor voorlichtingsprogramma’s worden uit het budget op artikel 98 ook de uitgaven van € 1,9 miljoen voor algemene publieksinformatie betaald.

C. Bekostiging

De unit SZW, die ondergebracht is bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), voert namens de Minister de regelingen op Caribisch Nederland uit. Het budget voor de uitvoeringskosten van de RCN bedraagt in 2018 € 3,2 miljoen.

D. Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan het Agentschap SZW vervalt in 2018 vanwege de opheffing per 1 januari 2018 van het agentschap. De apparaatskosten worden vanaf het begrotingsjaar 2018 opgenomen op artikel 96.

De bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft betrekking op de uitvoeringskosten van de borgstellingregeling (€ 0,1 miljoen). Daarnaast wordt jaarlijks € 0,4 miljoen gereserveerd voor de controle van de betaalaanvragen uit het Europees Globaliserings Fonds en de ESF-programma’s.

Voor uitvoeringskosten voor het innen van bestuurlijke boetes door de Inspectie SZW is structureel € 0,16 miljoen geraamd ten behoeve van het Centraal Justitieel Incassobureau.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Naar het Ministerie van Financiën wordt jaarlijks € 2,2 miljoen overgeboekt ten behoeve van controlewerkzaamheden voor het ESF-programma 2014–2020.

99. Nominaal en onvoorzien

Artikel

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling.

Tabel 99.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 99 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Verplichtingen

0

9.587

68.718

65.689

64.061

68.347

85.161

Uitgaven

0

9.587

68.718

65.689

64.061

68.347

85.161

               

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

               

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

               

Onvoorzien

0

9.587

68.718

65.689

64.061

68.347

85.161

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Onvoorzien

De grondslag van dit artikel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. Op dit artikel staan middelen gereserveerd die op een later moment nog uitgedeeld moeten worden als de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. Dit betreft onder andere middelen voor de compensatieregeling voor zwangere zelfstandigen tussen 2005–2008 en de herstructurering Wsw in Oost-Groningen.

HOOFDSTUK 5: DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

5.1 Sociale fondsen SZW

Inhoud

Deze paragraaf beschrijft de financiering van de premie-uitgaven voor de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). Hiertoe zijn de door de Minister van SZW vastgestelde premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen opgenomen. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen.

5.1.1 Premiepercentages 2018

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de Minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2018 zijn in tabel 5.1.1 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven, de koopkrachtontwikkeling en het gewenste EMU-saldo. Een aantal premiepercentages is nog onder voorbehoud van (definitieve) vaststelling. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) telt mee voor de berekening van het EMU-saldo.

AOW

Het premiepercentage voor de AOW wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2017. De AOW-premie is op dit niveau gemaximeerd. Bij het Ouderdomsfonds zijn de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het Ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie artikel 12). De AOW-premie wordt gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting in de eerste en tweede schijf.

Anw

Het premiepercentage voor de Anw wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2017.

Sectorfondsen

Uit de sectorfondsen wordt het eerste halfjaar van een WW-uitkering gefinancierd. De sectorfondspremies voor 2018 worden in oktober 2017 door het UWV vastgesteld, op advies van de verschillende sectoren. De in de tabel weergegeven premie van 1,23 procent is een gemiddelde. In werkelijkheid verschilt de premie per sector. Het gemiddelde is een voorlopig percentage. Nog niet voor alle sectorfondsen is de definitieve premie vastgesteld.

AWf

Het Algemeen Werkloosheidsfonds financiert de WW-uitkeringen met een duur langer dan 6 maanden. De Awf-werkgeverspremie wordt voorlopig vastgesteld op 2,95 procent. De hoogte van de AWf-premie is nog onder voorbehoud van vaststelling van de sectorfondspremies. Als het UWV voor 2018 een andere (gemiddelde) sectorfondspremie vaststelt dan nu wordt verwacht, dan kan de AWf-werkgeverspremie worden aangepast, zodat het effect op de lasten neutraal is.

Ufo

Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie. De Ufo-premie wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2017.

Uniforme opslag kinderopvang

De premieopslag kinderopvang voor 2018 blijft met 0,50% gelijk aan die in 2017. De verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang wordt door werkgevers in de marktsector betaald door middel van en opslag op de Aof-premie.

Aof

De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op 6,27 procent. Definitieve vaststelling van de Aof-premie vindt plaats in oktober.

Whk

De premie voor de Werkhervattingskas, waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) worden betaald, wordt vastgesteld door het UWV. Een eerste inschatting duidt op een rekenpremie van 1,16 procent in 2018.

Tabel 5.1.1 Premiepercentages sociale verzekeringen (%)

Premie

Fonds

Uitgaven

Betaald door

2017

2018

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

Werknemer

17,90

17,90

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

Werknemer

0,10

0,10

           

Sfn

Sectorfondsen (gemiddelde premie)

WW, ZW, WGA

Werkgever

1,36

1,23

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW, re-integratie

Werkgever

2,64

2,95

           

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

ZW, WAZO, WGA overheid

Werkgever

0,78

0,78

Sfn / Ufo

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

Werkgever

0,50

0,50

           

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WAO, WIA, WAZ, WAZO

Werkgever

6,16

6,27

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA

Werkgever

1,16

1,16

5.1.2 Sociale fondsen 2017–2018

Exploitatiesaldi

De premiegefinancierde uitgaven worden vanuit de sociale fondsen gedaan. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2017 en 2018 en de verwachte ontwikkeling van de desbetreffende grondslagen zijn de ontvangsten van de sociale fondsen geraamd, zie tabel 5.1.2 en 5.1.3. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het Rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit enkele van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen zijn de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) samengevoegd. Dit geldt eveneens voor de werkloosheidsfondsen (het AWf en de sectorfondsen). In de praktijk betreft het hier gescheiden fondsen.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2018 bedraagt dit saldo naar verwachting € 5,7 miljard voor alle fondsen samen, tegenover een exploitatiesaldo van € 2,0 miljard over 2017. Het exploitatiesaldo van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale EMU-saldo.

Het exploitatiesaldo over 2018 verbetert fors ten opzichte van het saldo over 2017. Dat is te danken aan de verbetering van het saldo van de AOW-, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsfondsen. Bij de werkloosheidsfondsen stijgen de premie-inkomsten en dalen de uitkeringslasten. Bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen stijgen de premie-inkomsten sterker dan de uitkeringslasten. Ook bij de AOW stijgen de inkomsten sterker dan de uitgaven. De AOW-uitgaven stijgen terwijl de premiehoogte gemaximeerd is. De premie-inkomsten stijgen dankzij een toename van de grondslag waarover de premie wordt geheven. Het Anw-fonds heeft een negatief exploitatiesaldo. In 2017 is de premie verlaagd om zo het vermogensoverschot langzaam af te bouwen. De premie-inkomsten zijn in 2018 hoger dan in 2017 door een toename van de grondslag en door kas-transverschillen.

Tabel 5.1.2 Overzicht sociale verzekeringen 20171 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

24.831

199

14.730

7.645

47.406

Bijdragen van het rijk

12.198

7

211

133

12.548

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.115

736

1.851

Saldo Interest

20

3

27

9

60

Totaal Ontvangsten

37.049

209

16.084

8.523

61.866

           

Uitkeringen/ Verstrekkingen

37.505

388

10.851

6.060

54.805

Uitvoeringskosten

106

11

425

1.031

1.573

Betaalde onderlinge Betalingen

514

24

1.767

1.153

3.458

Totaal Uitgaven

38.126

423

13.042

8.245

59.836

           

Exploitatiesaldo

– 1.076

– 214

3.042

278

2.030

X Noot
1

SZW en CPB (MEV 2018).

Tabel 5.1.3 Overzicht sociale verzekeringen 20181 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

27.763

306

15.933

8.319

52.322

Bijdragen van het rijk

11.447

6

211

135

11.800

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.112

754

1.865

Saldo Interest

16

2

58

20

95

Totaal Ontvangsten

39.226

314

17.314

9.227

66.082

           

Uitkeringen/ Verstrekkingen

38.265

370

11.314

5.483

55.432

Uitvoeringskosten

109

11

424

932

1.476

Betaalde onderlinge Betalingen

524

23

1.878

1.079

3.504

Totaal Uitgaven

38.898

404

13.616

7.495

60.413

           

Exploitatiesaldo

328

– 89

3.698

1.732

5.670

X Noot
1

SZW en CPB (MEV 2018).

Vermogensposities

In tabel 5.1.4 wordt voor de jaren 2017 en 2018 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De vermogens van de fondsen worden vergeleken met de normen. Een vermogen gelijk aan de norm geeft aan dat het fonds gemiddeld genomen over het jaar over voldoende liquiditeiten beschikt om de uitkeringen te financieren. Overschotten en tekorten bij de fondsen gedurende het jaar worden aangehouden op een rekening-courant bij het Rijk. Indien er sprake is van een vermogenstekort zal het Rijk niet alleen tijdelijk gedurende het jaar maar ook langduriger deze tekorten moeten aanvullen via de rekening-courant.

Voor de sociale fondsen samen slaat het vermogenstekort van – € 4,6 miljard in 2017 om naar een overschot van € 1,1 miljard in 2018. Bij het Ouderdomsfonds is het feitelijk vermogen ultimo 2018 € 1,3 miljard. Binnen het nabestaandenfonds is sprake van een vermogensoverschot, dat overigens langzaam zal worden afgebouwd omdat de premie-inkomsten lager zijn dan de uitkeringslasten. Voor de Arbeidsongeschiktheidsfondsen is het feitelijk vermogen ultimo 2017 en 2018 respectievelijk € 7,2 miljard en € 10,9 miljard.

De WW-fondsen hebben in 2017 en 2018 een vermogenstekort dat afloopt. Dit tekort zorgt niet voor risico’s met betrekking tot de uitbetaling van uitkeringen. Deze fondsen maken onderdeel uit van de totale Rijksbegroting en zijn in feite niets anders dan een rekening van het UWV bij het Ministerie van Financiën. Het Ministerie van Financiën garandeert hiermee dat het UWV altijd over voldoende middelen kan beschikken. Een vermogenstekort vormt derhalve geen enkel risico voor de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen.

Tabel 5.1.4 Vermogens sociale fondsen 2017 en 20181 (x € 1 mln)
 

ultimo 2017

ultimo 2018

 

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogensoverschot

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogensoverschot

AOW

1.016

1.015

0

1.344

1.020

324

Anw

3.841

50

3.791

3.751

35

3.716

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

7.212

559

6.652

10.910

568

10.342

WW-fondsen

– 12.859

2.137

– 14.996

– 11.126

2.117

– 13.243

Totaal sociale fondsen

– 791

3.762

– 4.553

4.879

3.740

1.139

X Noot
1

CPB (MEV 2018).

5.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

5.2.1 Inleiding

In deze paragraaf wordt de koopkrachtontwikkeling voor 2018 uitgebreid toegelicht. In paragraaf 5.2.2 wordt de koopkrachtontwikkeling voor een aantal voorbeeldhuishoudens gepresenteerd. Hierbij is rekening gehouden met de algemene economische ontwikkeling (lonen, prijzen, etc.) en gebruik van regelingen die voor iedereen van toepassing zijn. Specifieke maatregelen die niet voor iedereen van toepassing zijn en waarvan het effect per huishouden kan verschillen (bijvoorbeeld als er wijzigingen zijn in de kinderopvangtoeslag of huurtoeslag) zijn hier niet in meegenomen. Paragraaf 5.2.3 gaat in op de effecten van specifieke maatregelen. Op basis van een representatieve steekproef van ongeveer 90.000 huishoudens, waarbij ook bekend is wat het gebruik is van bijvoorbeeld kinderopvangtoeslag of huurtoeslag, wordt een beeld geschetst van de totale koopkrachtontwikkeling.

Verder wordt in paragraaf 5.2.4 ingegaan op de ontwikkeling van financiële prikkels bij werkaanvaarding. Ook wordt er stilgestaan bij de veranderingen in marginale druk als gevolg van kabinetsmaatregelen. Vanaf deze begroting zijn ook cijfers over de zogenoemde «doorgroeival» opgenomen, zoals toegezegd in de Kamerbrief (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV nr. 71) als reactie op de motie van Kamerlid van Weyenberg (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV nr. 44). In paragraaf 5.2.5 wordt een nadere toelichting gegeven op relevante maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. De hier gepresenteerde effecten en maatregelen hebben alleen betrekking op Europees Nederland. Paragraaf 5.2.6 bevat een overzicht van de maatregelen die de inkomens op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) raken.

5.2.2 Algemeen koopkrachtbeeld (voorbeeldhuishoudens)

Het generieke inkomensbeeld wordt gepresenteerd in de vorm van een standaard koopkrachtoverzicht zoals weergegeven in tabel 5.2.1. Deze cijfers laten voor achttien voorbeeldhuishoudens de koopkrachtontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten)premies, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget, die voor iedereen in de betreffende groep gelden. Voor huishoudens met kinderen wordt in deze berekeningen uitgegaan van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.

Belangrijke ontwikkelingen die leiden tot het generieke koopkrachtbeeld in 2018 zijn:

  • Een gemiddelde contractloonstijging van 2,2% in de markt;

  • De stijging van het minimumloon met 1,8%. Door de koppeling werkt dit ook door naar uitkeringen;

  • Stijging van de consumentenprijzen met 1,4%;

  • Een tabelcorrectiefactor van 0,8%;

  • Een dalende gemiddelde pensioenpremie voor werknemers van 6,0% naar 5,8%;

  • De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen nauwelijks geïndexeerd.

Naast bovenstaande ontwikkelingen en los van reguliere indexaties wordt het standaardkoopkrachtbeeld voor het jaar 2018 beïnvloed door de volgende beleidsmatige wijzigingen, die in detail zijn beschreven in paragraaf 5.2.5.

  • Een toename van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.290 naar € 1.362;

  • Een verhoging van de lage inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 5,4% naar 5,65%;

  • Beleidsmatige verlaging van de normpercentages van de zorgtoeslag. Hierdoor stijgt de zorgtoeslag met € 67 extra voor een alleenstaande en € 65 voor een paar. Dit komt bovenop de stijging van de zorgtoeslag als gevolg van de hogere zorgpremie (met € 72) en de stijging van de gemiddelde eigen betalingen (van € 8);

  • Verhoging van het belastingtarief tweede en derde schijf met 0,05%-punt;

  • Verlaging van het belastingtarief vierde schijf met 0,05%-punt;

  • Een beleidsmatige verhoging van het eindpunt van de derde belastingschijf met € 898 naar € 68.507 in 2018;

  • Een beleidsmatige verlaging van de algemene heffingskorting met € 8 tot € 2.265 in 2018. De algemene heffingskorting is door de reguliere indexatie alsnog hoger dan in 2017;

  • Verhoging van de ouderenkorting tot de inkomensgrens met € 115 tot € 1.418 in 2018;

  • Een beleidsmatige verlaging van de alleenstaande ouderenkorting met € 19 tot € 423 in 2018;

  • Een beleidsmatige verlaging van de inkomensondersteuning AOW met € 10 naar € 299 in 2018;

  • Verhoging van het bedrag voor het tweede kind in het kindgebonden budget met € 71 naar € 977 in 2018;

  • Afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon naar 1,7875 vanaf januari 2018 en 1,775 vanaf juli 2018.

  • Versobering van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minst verdienende partner naar 33,3% in 2018.

Het kabinet verbetert met verschillende maatregelen de koopkracht van kwetsbare groepen. In de ogen van het kabinet was de koopkrachtontwikkeling voor 2018 onvoldoende evenwichtig. In het voorjaar was de verwachting van het CPB bij het CEP dat uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden er in 2018 op achteruit zouden gaan in koopkracht. Daarnaast zou de koopkrachtstijging van huishoudens met de laagste inkomens fors achterblijven bij huishoudens met hoge inkomens. De koopkracht van kwetsbare groepen heeft de aandacht van het kabinet. Ook zij dienen te kunnen profiteren van de opleving van de economie. Daarom heeft het kabinet maatregelen genomen die de koopkracht voor deze groepen repareert (figuur 5.2.1).

De beoogde afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand wordt gehalveerd, wat ten opzichte van het basispad een positief effect heeft op de inkomens van de sociale minima. Ook worden de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verhoogd om (grotere) gezinnen met lagere inkomens tegemoet te komen. Werkenden met een lager inkomen hebben hier ook profijt van. Om gepensioneerden verder te ondersteunen wordt de ouderenkorting verhoogd. Het resulterende koopkrachtbeeld is een stuk evenwichtiger; werkenden, uitkeringsontvangers en gepensioneerden gaan er in 2018 in doorsnee in koopkracht op vooruit. De verwachte mediane koopkracht voor uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden is door het koopkrachtpakket met respectievelijk 0,4 en 0,7 procentpunt gestegen en die van werkenden met 0,2 procentpunt. De koopkrachtverbetering van werkenden komt terecht bij de werkenden met een lager inkomen. De mediane koopkracht over alle huishoudens komt uit op +0,6%. Ruim 80% van de huishoudens gaat er in 2018 op vooruit in koopkracht.

De koopkracht voor 2017 valt lager uit dan in de begroting van vorig jaar werd verwacht. Dit is voornamelijk het gevolg van een fors hogere inflatie en een hogere nominale zorgpremie dan destijds werd ingeschat. De loonontwikkeling is daarbij achtergebleven.

Figuur 5.2.1

Figuur 5.2.1
Tabel 5.2.1 Standaard koopkrachteffecten in %1
 

Raming

2017

Raming

2018

Actieven

   
     

Alleenverdiener met kinderen

   

Modaal2

– 0,7

0,1

2 x modaal

– 0,8

0,1

     

Tweeverdieners

   

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 0,4

0,3

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 0,2

0,6

modaal + modaal zonder kinderen

– 0,5

0,3

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 0,3

0,5

     

Alleenstaande

   

minimumloon

0,5

0,5

modaal

– 0,5

0,3

2 x modaal

– 0,2

0,7

     

Alleenstaande ouder

   

minimumloon

0,6

0,8

modaal

– 0,1

0,3

     

Inactieven

   
     

Sociale minima

   

paar met kinderen

0,2

0,2

alleenstaande

– 0,5

0,1

alleenstaande ouder

0,3

0,3

     

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

– 0,2

0,4

AOW + € 10.000

– 0,1

0,1

     

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

– 0,1

0,2

AOW + € 10.000

– 0,1

0,1

X Noot
1

In het beeld (en elders in de begroting) is gerekend met de raming van de nominale zorgpremie van het Ministerie van VWS. Deze raming valt in 2018 € 17 hoger uit dan de raming van het CPB. Een onderbouwing van de raming van het Ministerie van VWS is opgenomen in de begroting van het Ministerie van VWS.

X Noot
2

Het modaal inkomen bedraagt in 2018 bruto € 37.500.

5.2.3 Algemeen koopkrachtbeeld (puntenwolk inclusief specifieke effecten)

Het koopkrachtbeeld op basis van voorbeeldhuishoudens zoals hierboven is gepresenteerd, houdt geen rekening met verschillen tussen specifieke huishoudens. Ook maatregelen die een deel van een bepaalde groep raken zijn niet in de effecten voor de voorbeeldhuishoudens verwerkt. Een grotere diversiteit van huishoudkenmerken en specifieke maatregelen zorgen voor een grotere spreiding in het koopkrachtbeeld dan de voorbeeldhuishoudens (tabel 5.2.1) suggereren. De spreiding in het koopkrachtbeeld wordt getoond in figuur 5.2.2.

In deze puntenwolk wordt voor een representatieve steekproef van 90.000 huishoudens in kaart gebracht welke koopkrachteffecten zich voordoen, rekening houdend met de kenmerken van de huishoudens zoals de verdeling van inkomen over partners, de kosten van de woning, het aantal kinderen en een breed scala van specifieke maatregelen. Bij deze berekeningen is – zoals gebruikelijk – verondersteld dat zich geen veranderingen voordoen in de persoonlijke situatie van huishoudens. Met andere woorden: werkloosheid, baanaanvaarding of gezinsuitbreiding en dergelijke zijn niet meegenomen bij de doorrekeningen. Dergelijke veranderingen in de persoonlijke situatie hebben in veel gevallen een veel groter effect op de koopkracht van huishoudens dan de hier gepresenteerde «statische» koopkrachteffecten.

Nieuw in de puntenwolk zijn de gekleurde lijnen die de mediane koopkracht weergeven per inkomensniveau van verschillende inkomensbronnen. Er kunnen namelijk bij een zelfde inkomensniveau grote verschillen zijn in koopkrachtontwikkeling naar inkomensbron. Door deze nieuwe presentatie wordt inzichtelijker hoe de koopkrachtontwikkeling bij bepaalde inkomensniveaus verloopt. Deze lijnen sluiten aan bij de lijnen die het CPB in haar puntenwolken presenteert. Naast deze vernieuwing in de puntenwolk wordt er continu gekeken naar betere vormen van koopkrachtpresentatie. Daarnaast is er ook aandacht voor verbetering van de ramingsystematiek. In het koopkrachtmodel wordt voor iedereen gerekend met gemiddelde zorgkosten onder het verplichte eigen risico. Inmiddels zijn gedetailleerde gegevens over deze zorgkosten beschikbaar en de komende periode wordt bezien of en hoe het mogelijk is deze informatie te gebruiken om de zorgkosten meer te differentiëren in de koopkrachtberekeningen.

Figuur 5.2.2. Statische koopkrachtontwikkeling 2018 huishoudens naar bruto huishoudinkomen (incl. specifieke effecten)

Figuur 5.2.2. Statische koopkrachtontwikkeling 2018 huishoudens naar bruto huishoudinkomen (incl. specifieke effecten)

Bron: SZW-berekeningen

Uit een puntenwolk is niet goed af te lezen hoeveel huishoudens precies te maken hebben met een koopkrachteffect van een bepaalde omvang. Ter aanvulling is daarom tabel 5.2.2 opgenomen die inzicht geeft in de verdeling van de koopkrachtontwikkeling uitgesplitst naar inkomenshoogte, inkomensbron en het al dan niet hebben van kinderen.

Tabel 5.2.2 Frequentieverdeling van koopkrachtontwikkeling 2018
 

<-5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x 1.000)

Inkomenshoogte1

                 

Minimum

1%

1%

13%

77%

4%

4%

100%

0,4%

430

Minimum-modaal

1%

1%

14%

77%

7%

1%

100%

0,6%

2.420

1x-1,5x modaal2

0%

1%

28%

65%

6%

1%

100%

0,4%

1.560

1,5x-2x modaal

0%

0%

18%

77%

4%

1%

100%

0,7%

1.120

>2x modaal

0%

0%

11%

79%

8%

1%

100%

0,9%

1.700

                   

Inkomensbron3

                 

Werkenden

0%

0%

13%

79%

7%

1%

100%

0,7%

4.560

Uitkeringsontvangers

1%

2%

20%

73%

4%

1%

100%

0,3%

650

Gepensioneerden

0%

1%

23%

67%

7%

2%

100%

0,6%

1.860

                   

Kinderen4

                 

Zonder kinderen

0%

0%

11%

81%

6%

1%

100%

0,8%

1.800

Met kinderen

0%

1%

17%

75%

6%

1%

100%

0,6%

3.610

                   

Alle huishoudens

0%

1%

17%

75%

6%

1%

100%

0,6%

7.230

X Noot
1

Categorie minimum op basis van netto inkomen, overige op basis van bruto inkomen.

X Noot
2

Het modaal inkomen bedraagt in 2018 bruto € 37.500.

X Noot
3

Indeling op basis van belangrijkste inkomensbron van huishouden.

X Noot
4

Indeling naar kinderen op basis van aanwezigheid kinderen tot 18 jaar en exclusief gepensioneerden.

Voor alle huishoudgroepen geldt dat de grote meerderheid van de huishoudens erop vooruit gaat. Van alle huishoudens gaat zo’n 82% per saldo in koopkracht vooruit en circa 18% achteruit. Het koopkrachtbeeld is evenwichtig: alle groepen gaan er ongeveer in dezelfde mate op vooruit.

Van de uitkeringsontvangers gaat 78% erop vooruit. Zij profiteren van de temporisering van de afbouw van de algemene heffingskorting in de bijstand en van de verhoging van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Zonder deze maatregelen zou de meerderheid van de uitkeringsontvangers er volgend jaar op achteruit gaan. Binnen de groep werkenden gaat 87% er in koopkracht op vooruit.

Van de gepensioneerden ervaart 24% een negatieve koopkrachtontwikkeling. Dit zijn gepensioneerden met een relatief hoog aanvullend pensioen. Deze groep wordt harder geraakt door het niet-indexeren van de pensioenen.

5.2.4 Financiële prikkels voor werkaanvaarding

Het is van belang dat het inkomensbeeld naast evenwichtig ook activerend is. Dat houdt in dat (meer) werken loont en niet leidt tot een armoedeval. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de werkloosheidsval, de doorgroeival, de herintredersval en de deeltijdval.

De werkloosheidsval laat het verschil in inkomen zien tussen werk en een bijstanduitkering. Een hoger percentage betekent dat gaan werken meer lonend is geworden. Uit tabel 5.2.3 blijkt dat alleenstaanden en alleenstaande ouders er in 2018 meer op vooruit gaan bij het aanvaarden van werk tegen het minimumloon. Ondanks de verdere afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting blijft de prikkel om te gaan werken voor alleenverdieners gelijk.

De doorgroeival brengt in beeld welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Dit wordt de marginale druk genoemd. Op het inkomenstraject tussen 100% en 150% van het minimumloon (van circa € 20.000 naar € 30.000) worden veel heffingskortingen en toeslagen afgebouwd, wat in sommige voorbeelden leidt tot een hoge marginale druk. Het vanaf deze begroting in beeld brengen van deze doorgroeival is een goede aanvulling op de bestaande indicatoren in de begroting en komt tegemoet aan de wens hiertoe vanuit de Kamer. Ten opzichte van vorig jaar is de marginale druk voor de hier gerapporteerde groepen weinig veranderd.

De herintredersval gaat over de inkomensvooruitgang van paren waarvan de partner eerst niet werkte en nu (weer) aan het werk gaat. De herintredersval wordt gemeten door te kijken naar welk deel van het extra inkomen het huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen, en kosten kinderopvang als de partner 3 dagen gaat werken. De tabel laat zien dat in 2018 de marginale druk licht daalt voor alle groepen herintreders.

De deeltijdval laat zien hoeveel een huishouden van de extra inkomsten inlevert als een in deeltijd werkende partner een dag meer gaat werken. Ook de deeltijdval wordt gemeten in termen van marginale druk. Tabel 5.3.2 laat zien dat de marginale druk stijgt voor de huishoudens waarvan het hoofd meer dan modaal verdient. Dit is voornamelijk het gevolg van het feit dat een modaal inkomen in 2018 net een iets lagere vergoeding kinderopvangtoeslag krijgt dan in 2017.

Tabel 5.2.3 Arbeidsmarktprikkels
 

vooruitgang in %

 

2017

2018

Verschil1

Werkloosheidsval

   

(Inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand tegen minimumloon)2

Alleenverdiener met kinderen3

3%

3%

0%

Alleenstaande

26%

26%

1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)3

9%

10%

1%

       
 

marginale druk in %

 
 

2017

2018

Verschil1

Doorgroeival

     

(Marginale druk bij hogere beloning werk (van 100% Wml naar 150% Wml))2

     

Alleenverdiener met kinderen3

90%

90%

1%

Alleenstaande

70%

70%

0%

Alleenstaande ouder (werkt 4 dagen)3

49%

50%

1%

       
 

marginale druk in %

 

2017

2018

Verschil1

Herintredersval

   

(Marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner)2

Hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6xminimumloon)3

65%

64%

– 1%

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)3

27%

26%

0%

Hoofd 2xmodaal partner 3 dagen werk (1/2xmodaal)3

31%

31%

– 1%

       
 

marginale druk in %

 

2017

2018

Verschil1

Deeltijdval minstverdienende partner2

 

(Marginale druk bij dag extra werk)

 

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8xminimumloon)3

51%

51%

– 1%

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)3

43%

49%

7%

Hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)3

57%

60%

3%

X Noot
1

Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste twee kolommen.

X Noot
2

Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld.

X Noot
3

Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar en gebruik van buitenschoolse opvang.

In tabel 5.2.4 is de gemiddelde marginale druk voor werknemers weergegeven voor een bruto loonstijging (dit verschilt van de situatie in tabel 5.2.3 (behalve bij de doorgroeival) waar het gaat om meer uren werken). Dit is berekend voor alle werknemers in de eerder genoemde representatieve steekproef, rekening houdend met alle fiscale en inkomensafhankelijke regelingen waar een huishouden mee te maken heeft. De marginale druk geeft hier aan hoeveel procent van de bruto loonstijging moet worden «ingeleverd». In 2018 is de marginale druk vrijwel onveranderd ten opzichte van 2017. De licht hogere gemiddelde marginale druk voor werknemers tussen 100% en 150% Wml is voornamelijk het gevolg van het achterblijven van de indexatie van de schijfgrenzen in de inkomensbelasting bij de loonstijging. Meer mensen komen hierdoor in een hoger belastingtarief terecht.

Tabel 5.2.4 Gemiddelde marginale druk naar inkomenscategorie voor werknemers (%)

Bruto inkomen

2015

2016

2017

2018

Omvang (2017, in %)

< wml

29,5

24,3

24,4

24,6

23

1x-1,5x wml

49,3

50,0

51,2

52,2

20

1,5x-2x wml

48,9

51,5

52,5

52,7

20

2x-3x wml

49,2

52,6

52,8

53,0

23

>3x wml

55,7

54,9

55,1

55,2

13

Totaal

45,6

45,5

46,1

46,5

100

5.2.5 Beschrijving maatregelen inkomensbeeld

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 5.2.5 staan de maatregelen die voor 2018 van belang zijn. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre deze maatregelen al dan niet in de puntenwolk en in tabel 5.2.2 zijn opgenomen. In alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn worden deze betreffende effecten ook vermeld.

Tabel 5.2.5 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2018

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

In puntenwolk zichtbaar

1. Fiscaal generiek

Verhoging tarief tweede en derde belastingschijf

Ja

 

Verlaging tarief vierde belastingschijf

+

Ja

 

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Ja

 

Verhogen eindpunt derde belastingschijf

+

Ja

 

Verlaging algemene heffingskorting

Ja

 

Verhoging ouderenkorting

+

Ja

 

Verlaging alleenstaande ouderenkorting

Ja

 

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting

Ja

 

Inflatieverhogende maatregelen

Ja (via inflatie)

       

2. Kinderen

Verhoging kindgebonden budget

+

Ja

 

Veranderingen kinderopvang

+/–

Nee

       

3. Zorg

Verhoging zorgtoeslag

+

Ja

 

Correctie eigen bijdrage Wlz/Wmo voor AOW-gerechtigden

+

Ja

       

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

Ja

 

Herinvoering 10%-regeling

+

Nee

       

5. Sociale zekerheid

Wml van toepassing op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

+

Nee

 

Overgangsrecht kostendelersnorm Anw/IOAW/IOAZ/TW

Nee

 

Verlaging uitkering Wajongers met arbeidsvermogen

Ja

 

Aanpassing Dagloonbesluit en eenmalige tegemoetkoming

+

Nee

 

Aanpassing zwangerschapsverlof

+

Nee

 

(Versnelde) verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

Nee

 

Verlaging inkomensondersteuning AOW

Ja

 

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Ja

1. Fiscaal generiek

Verhoging tarief tweede en derde belastingschijf

Het tarief voor de tweede en derde belastingschijf gaat omhoog van 40,8% in 2017 naar 40,85% in 2018. Huishoudens met een inkomen boven € 20.142 ondervinden hiervan een negatief inkomenseffect. Dit negatieve inkomenseffect loopt op tot een maximum van – 0,1% voor huishoudens met een inkomen van twee keer modaal.

Verlaging tarief vierde belastingschijf

Het tarief voor de vierde belastingschijf gaat omlaag van 52% in 2017 naar 51,95% in 2018. Deze verlaging is een compensatie voor de beperking van de hypotheekrenteaftrek zoals vermeld onder het kopje «Wonen». Huishoudens met een inkomen boven € 68.507 ondervinden een beperkt positief inkomenseffect van het verlagen van de vierde belastingschijf. Het positieve inkomenseffect loopt op naar mate een huishouden meer belasting in de vierde schijf betaalt.

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Met ingang van 2011 wordt de bovengrens van de tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd. Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf gelijk zijn is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd, die geboren zijn na 1945.

Verhoging eindpunt van de derde belastingschijf

De bovengrens van de derde schijf wordt beleidsmatig met € 898 verhoogd naar € 68.507 in 2018. Dit betekent feitelijk een verhoging van het startpunt van de vierde schijf. Deze verhoging is een saldo van een verhoging van € 595 ter compensatie van de beperking van de hypotheekrenteaftrek zoals vermeld onder het kopje «Wonen» en een beleidsmatige verhoging van € 303 resulterend uit het Belastingplan 2016. De verhoging van het eindpunt van de derde belastingschijf resulteert in een positief inkomenseffect van maximaal 0,2%.

Verlaging algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. In 2018 neemt de algemene heffingskorting beleidsmatig af met € 8 naar € 2.265 voor hen die in 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet zullen bereiken. Deze beleidsmatige aanpassing zorgt voor een maximaal negatief inkomenseffect bij de sociale minima van – 0,1%. Naar mate het inkomen hoger is, is het inkomenseffect kleiner. Boven een inkomen van € 68.507 is er geen inkomenseffect.

Verhoging ouderenkorting

De ouderenkorting tot de inkomensgrens wordt beleidsmatig verhoogd met € 115 naar € 1.418 in 2018. Gepensioneerden met een inkomen tot € 36.346 ondervinden hiervan een positief inkomenseffect van gemiddeld 0,5%.

Verlaging alleenstaande ouderenkorting

De alleenstaande ouderenkorting wordt beleidsmatig verlaagd met € 19 naar € 423 in 2018. Alleenstaande gepensioneerden ondervinden hiervan een negatief inkomenseffect van gemiddeld – 0,1%.

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting

De minstverdienende partner, die niet genoeg belastbaar inkomen heeft om de algemene heffingskorting te verzilveren, krijgt deze toch uitbetaald als de partner genoeg belasting betaalt. Om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt sinds 2009 de uitbetaling van de algemene heffingskorting over een periode van vijftien jaar stapsgewijs afgebouwd. Het gevolg hiervan is dat de minstverdienende partner een grotere prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 is uitgezonderd van de maatregel. Er zijn ongeveer 280.000 huishoudens die te maken hebben met de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Deze alleenverdienershuishoudens ondervinden een gemiddeld negatief inkomenseffect van – 0,5%. De uitbetaling aan de minstverdienende partner bedraagt nog 33,3% in 2018.

Inflatieverhogende maatregelen

Vanaf 1 januari 2018 geldt er een aantal nieuwe fiscale maatregelen die effect hebben op de prijzen die de consument betaalt. Het gaat dan om een (tijdelijke) verhoging van de energiebelasting en in mindere mate door een hogere kansspelbelasting, een wijziging in de definitie van geneesmiddelen en de afschaffing van de btw-landbouwregeling. Deze maatregelen hebben een negatief effect op de koopkracht en worden meegenomen in de inflatie.

2. Kinderen

Verhoging kindgebonden budget

In 2018 wordt het bedrag voor het tweede kind in het kindgebonden budget verhoogd met € 71. Gezinnen met lage of middeninkomens met twee of meer kinderen gaan er hierdoor in 2018 op vooruit. Daarnaast leidt het tot extra rechthebbenden, doordat het kindgebonden budget minder snel is afgebouwd. Met name alleenstaande ouders en alleenverdieners met kinderen gaan er op vooruit met deze maatregel, doordat zij relatief vaak rechthebbend zijn. Een gezin met twee kinderen met een minimuminkomen ondervindt een positief inkomenseffect van +0,3%. Een gezin met een modaal inkomen met twee kinderen gaat er 0,2% op vooruit.

Veranderingen kinderopvang

Op 1 januari 2018 wordt de Wet Innovatie en Kwaliteit kinderopvang ingevoerd. Dit leidt tot hogere uurprijzen in de dagopvang en de bso; daarom wordt tegelijkertijd de vergoede maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag ook verhoogd. Dit geeft een zeer beperkt negatief koopkrachteffect voor alle huishoudens die gebruik maken van dagopvang en bso omdat zij altijd een deel van de extra kosten van de opvang zelf moeten dragen. Daarnaast wordt de financieringsstructuur van peuterspeelzalen voor werkende ouders vanaf 2018 gelijk getrokken aan die van de dagopvang. Hoe het inkomenseffect uitvalt voor werkende ouders die gebruik maakten van peuterspeelzaalwerk is afhankelijk van in hoeverre deze gemeenten het peuterspeelzaalwerk financierden.

3. Zorg

Verhoging zorgtoeslag

Via de zorgtoeslag wordt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming verstrekt die het voor huishoudens met lage- en middeninkomens mogelijk moet maken de nominale zorgpremie en het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering te betalen. In 2018 wordt de zorgtoeslag ten opzichte van 2017 verhoogd. Deze verhoging wordt bereikt door de normpercentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen in 2018 neerwaarts aan te passen. Het normpercentage voor eenpersoonshuishoudens daalt van 2,305% in 2017 maar 1,99% in 2018. Het normpercentage voor meerpersoonshuishoudens daalt van 5,055% in 2017 naar 4,75% in 2018. Deze maatregelen staan los van de stijging van de zorgtoeslag als gevolg van de hogere nominale zorgpremie. De zorgtoeslag stijgt beleidsmatig met € 67 voor een alleenstaande en € 65 voor een paar. Het positieve inkomenseffect voor werkenden met een minimuminkomen bedraagt door deze maatregel ongeveer 0,6%. Het inkomenseffect is kleiner naar mate het inkomen hoger is. Vanaf een inkomen van € 28.650 en een inkomen van € 36.850 komen respectievelijk alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens niet meer in aanmerking voor zorgtoeslag.

Correctie eigen bijdrage Wlz/Wmo voor Aow-gerechtigden

Onderdeel van het Belastingplan 2015 was het afschaffen van de ouderentoeslag (extra heffingsvrij vermogen 65-plus in box 3) per 2016. Deze maatregel resulteert zonder aanvullende maatregelen vanaf 2018 voor een deel van de 65-plussers in hogere eigen bijdragen voor de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning. Het Kabinet heeft besloten dat de maatregel niet mag doorwerken in de eigen bijdragen. Er komt voor AOW-gerechtigden een aftrek op het bijdrageplichtig inkomen van 12% van de grondslag sparen en beleggen, waarbij geldt dat de aftrek op het bijdrageplichtig inkomen maximaal € 2.700 bedraagt. De aftrek gaat gelden voor Wmo2015-cliënten en Wlz-verzekerden met een inkomen uit box 1 en 2 (het verzamelinkomen minus van 4% van de grondslag sparen en beleggen) dat kleiner is dan € 20.075. Omdat één op één compensatie niet mogelijk is, is het inkomenseffect hiervan licht positief. Grofweg 40.000 AOW’ers krijgen recht op deze compensatie.

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek wordt aangepast voor bestaande en nieuwe hypotheken. In 2014 is begonnen het maximale aftrektarief in de vierde schijf stapsgewijs te verlagen naar 38% in 2041. Dit gebeurt in stappen van 0,5%-punt per jaar. Voor alle hypotheken wordt in 2018 de aftrek inkomstenbelasting daardoor maximaal mogelijk tegen 49,5%. Voor 90% van de betreffende huishoudens ligt het inkomenseffect van deze maatregel in 2018 tussen – 0,1% en 0,0%. De opbrengst van deze maatregel wordt teruggeven door de derde belastingschijf te verlengen en het belastingtarief in de vierde schijf te verlagen, zie daarvoor onder «Fiscaal generiek».

(Her)invoering afwijking toetsingsinkomen (10% regeling) bij vertrek partner of medebewoner.

Inkomensstijgingen van de voormalige partner of medebewoner na diens vertrek kunnen negatief doorwerken in het recht op (huur)toeslag van de belanghebbende over de periode van partnerschap of medebewonerschap. Belanghebbenden kunnen vanaf 2018 weer een verzoek doen bij de Belastingdienst/Toeslagen om bij de berekening van het toetsingsinkomen de inkomensstijging van de voormalige partner of medebewoner na diens vertrek deels buiten beschouwing te laten. De regeling kan alleen worden toegepast als dat tot gevolg heeft dat het toetsingsinkomen ten minste 10% lager wordt. Doordat het toetsingsinkomen lager wordt na toepassing van de 10%-regeling leidt dit mogelijk tot een hogere (huur)toeslag. Dit heeft positieve inkomenseffecten, maar de mate waarin verschilt per geval.

5. Sociale Zekerheid

Vantoepassingverklaring van de Wet minimumloon op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

Vanaf 1 januari 2018 zal het wettelijk minimumloon zonder nadere voorwaarden ook gelden voor personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (OVO) en voor personen die op basis van een andere overeenkomst tegen beloning werken, zoals een aanneem-, uitgeef-, of vervoersovereenkomst, met uitzondering van (fiscaal) zelfstandigen. Onder de reikwijdte van Wml OVO en deze uitbreiding vallen naar verwachting 431.000 mensen die momenteel niet als werknemer en niet als zelfstandig ondernemer werkzaam zijn, hoewel een deel van hen al het minimumloon met de werkzaamheden zal verdienen. De betreffende beleidswijzigingen hebben als doel oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen. Voor zover de eerder genoemde werkenden tot nu toe niet het wettelijk minimumloon verdienden, zullen zij naar verwachting een opwaarts inkomenseffect ervaren.

Overgangsrecht kostendelersnorm Anw/IOAW/IOAZ/TW

Bij de minimumregelingen Anw, IOAW, IOAZ en TW wordt de uitkering voor personen die samenwonen met één of meer volwassenen geleidelijk verlaagd van 70% naar 50% van het minimumloon in 2019. In 2018 krijgt deze groep 55% van het minimumloon.

Verlaging uitkering Wajongers met arbeidsvermogen

Vanaf 1 januari 2018 wordt de maximale uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd van 75% naar 70%. Circa 70.000 mensen krijgen te maken met deze uitkeringsverlaging. Naar verwachting wordt ongeveer de helft hiervan voor een deel via de TW gecompenseerd. Het maximale negatieve inkomenseffect bedraagt – 5%.

Aanpassing Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Per 1 januari 2018 wordt het Dagloonbesluit aangepast, waardoor het dagloon voor zogenoemde herlevers hoger uitkomt. Daarnaast is beoogd dat de groep herlevers in 2018 in aanmerking komt voor een eenmalige tegemoetkoming. Voor de groep WW-gerechtigden met een periode van minder loon wegens ziekte of een ZW-uitkering in de referteperiode wordt nog onderzocht hoe de aanpassing van het Dagloonbesluit en de regeling eenmalige tegemoetkoming kunnen worden vormgegeven. Dit betreft naar inschatting circa 30.000 mensen die gemiddeld recht hebben op circa € 2.000 bruto.

Aanpassing zwangerschapsverlof

Vanaf 1 april 2018 treedt de gewijzigde wetgeving in werking waardoor vrouwen die zwanger zijn van een meerling daadwerkelijk 20 weken verlof hebben rond de geboorte. Uitbreiding van het betaalde zorgverlof zorgt voor positieve inkomenseffecten voor mensen die voorheen onbetaald verlof opnamen.

(Versnelde) verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

In 2013 is gestart met het stapsgewijs verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd. Vanaf 2016 is een versnelling aangebracht in de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd als gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. In 2018 wordt de AOW-gerechtigde leeftijd met 3 maanden verhoogd naar 66 jaar.

Verlaging inkomensondersteuning AOW

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren. De verlaging van de inkomensondersteuning AOW met € 10 per jaar leidt tot een maximaal negatief inkomenseffect van – 0,1% (voor een paar met AOW zonder aanvullend pensioen). Naar mate er sprake is van meer aanvullend pensioen wordt het inkomenseffect kleiner.

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in sociale zekerheid

Sinds januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid (excl. AOW) afgebouwd. In de structurele situatie hebben uitkeringsgerechtigden, net zoals alleenverdieners in de fiscaliteit, recht op eenmaal de algemene heffingskorting. In het regeerakkoord is afgesproken dat de afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid in de jaren 2014 tot en met 2017 zou worden getemporiseerd, zodat per jaar 2,5%-punt wordt afgebouwd in plaats van 5%-punt per jaar. Deze temporisering wordt in 2018 nog een jaar doorgetrokken als onderdeel van een aantal maatregelen om de koopkracht van de minima te stutten. Per saldo resulteert nog steeds een negatief inkomenseffect van gemiddeld – 0,2% voor bijstandsgerechtigden.

5.2.6 Maatregelen Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland beschikt SZW niet, zoals voor Europees Nederland, over betrouwbare ramingen van de contractloonontwikkeling, de indexatie van de pensioenen en de inflatie. Hierdoor is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling kwantitatief te visualiseren, zoals dat voor de Europees-Nederlandse situatie wordt gedaan. Wel wordt de inflatieontwikkeling nauwgezet door het CBS gemonitord. Deze prijsontwikkeling en bijbehorende indexering van uitkeringen komen in deze paragraaf kort aan bod.

Prijsontwikkeling en indexering van uitkeringen

Jaarlijks worden het minimumloon, de AOV, de AWW, en de Onderstand geïndexeerd op basis van de gerealiseerde prijsontwikkeling in het derde kwartaal van het voorgaande jaar. Per 1 januari 2018 zullen de uitkeringen en het minimumloon dan ook geïndexeerd worden met de consumentenprijsindex (CPI) van het derde kwartaal van 2017.

5.3 HORIZONTALE OVERZICHTCONSTRUCTIE INTEGRATIEBELEID ETNISCHE MINDERHEDEN

Tabel 5.3 Overzichtconstructie Integratiebeleid etnische minderheden

Nr. hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Onderdeel

Doelstelling

Inburgering

XV

SZW

13

Faciliteren dat inburgeringsplichtigen hun inburgeringsexamen halen.

Arbeid en werkgelegenheid

VI

VenJ

31

31.2

Om de legitimiteit van het politiewerk te waarborgen, specifieke veiligheidsproblemen in de wijk aan te kunnen pakken en om in contact te blijven met verschillende gemeenschappen en daarmee het politiewerk te verbeteren moet de diversiteit bij de politie worden vergroot. Het diversiteitsbeleid van de politie is gericht op een betere verbinding met de samenleving; een meer inclusieve werkcultuur; meer divers samengestelde teams; en een beter werkproces voor de aanpak van discriminatie.

VII

BZK

7

7.1

Mede zorgen voor een voldoende aanbod van goed geschoold overheidspersoneel en voor een betrouwbare, herkenbare overheid door het bevorderen van integriteit, diversiteit, transparantie en kostenbewustzijn van overheidsorganisaties.

XVIII

WR

3

3.1

Kwaliteit Rijksdienst.

Jeugd (en veiligheid)

XV

SZW

13

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

Emancipatie

       

VIII

OCW

25

Het versterken van maatschappelijke zelfredzaamheid van bi-culturele LHBTI’s en bijdragen aan de sociale acceptatie op grond van seksuele oriëntatie en/of gender-identiteit in bi-culturele kringen.

Participatie

       

VII

BZK

7

7.2

Uitvoeren van pensioenregelingen voor (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalig overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

XV

SZW

13

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

XVIII

WR

1

1.1

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

Toelichting

In het interdepartementaal overzicht integratiebeleid etnische minderheden zijn doelstellingen opgenomen uit de begrotingen met specifieke maatregelen en algemene maatregelen, waarbij expliciete beleidsdoelstellingen op het terrein van het integratiebeleid etnische minderheden zijn geformuleerd in de begroting, in beleidsnota’s of in de integratiemonitor. Het overzicht is ingedeeld naar een aantal beleidsterreinen om de samenhang tussen de beleidsmaatregelen van de verschillende ministeries inzichtelijker te maken: Inburgering, Arbeid en werkgelegenheid, Jeugd (en veiligheid), Emancipatie en Participatie.

Voor elk beleidsterrein is weergegeven waar de specifieke en algemene maatregelen zijn te vinden in de Rijksbegroting. Weergegeven zijn:

  • begrotingshoofdstuk;

  • ministerie;

  • nummer artikel;

  • onderdeel artikel (indien in de desbetreffende begroting nader uitgesplitst);

  • omschrijving doelstelling waar de maatregel deel van uitmaakt.

De maatregelen op andere begrotingshoofdstukken dan die van SZW worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van bewindspersonen van andere departementen.

HOOFDSTUK 6 BIJLAGEN

BIJLAGE 6.1 RWT’s en ZBO’s

Deze bijlage bevat in tabel 6.1 een overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het moederdepartement vallen. In tabel 6.2 zijn de bijdragen aan de ZBO’s en de RWT’s opgenomen die onder de verantwoordelijkheid van een ander ministerie vallen. De opgenomen bedragen zijn de in de beleidsartikelen verantwoorde uitgaven van de begrotings- en de premiegefinancierde regelingen in de budgettaire tabellen onder de instrumenten «Inkomensoverdrachten» en «Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s».

Tabel 6.1 Overzicht RWT’s en ZBO’s vallend onder Ministerie van SZW

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

(x € 1 mln)

Verwijzing website

Hyperlink evaluatie

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief BKWI

x

x

Het UWV voert de sociale verzekeringen voor werknemers, zelfstandigen en jonggehandicapten uit. Werkzoekenden kunnen terecht voor het vinden van werk of het aanvragen van een uitkering, werkgevers voor vacaturebemiddeling en informatie over de arbeidsmarkt. Daarnaast verleent het UWV ontslagvergunningen en tewerkstellingsvergunningen, verricht keuringen en indicatiestellingen en geeft arbeidsrechtelijke informatie. Het BKWI is opgericht om het geheel aan centrale voorzieningen binnen de keten van werk en inkomen te beheren en door te ontwikkelen.

2, 3, 4, 5, 6, 11

22.438,8

www.uwv.nl en www.bkwi.nl

evaluatie

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

x

x

De SVB voert voor verschillende overheidsorganisaties regelingen en wetten uit.

2, 6, 8, 9, 10, 11, 13

42.496,2

www.svb.nl

evaluatie

Inlichtingenbureau (IB)

x

 

Het IB ondersteunt gemeenten bij hun wettelijke taken in het kader van de sociale zekerheid. Het doel is bestrijding van fraude en bevorderen van samenwerking tussen de verschillende organisaties door gegevensuitwisseling tussen gemeenten en derden in de keten van werk en inkomen.

11

6,4

www.inlichtingenbureau.nl

evaluatie

Tabel 6.2 Overzicht RWT’s en ZBO’s vallend onder andere ministeries

Naam organisatie

Ministerie

RWT

ZBO

Functie

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

(x € 1 mln)

Verwijzing website

ZonMw

VWS

 

x

ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren.

2

76,3

www.zonmw.nl

               

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

VenJ

 

x

Het COA is verantwoordelijk voor de opvang, begeleiding en uitstroom (uit de opvang) van asielzoekers in Nederland.

13

0,2

www.coa.nl

BIJLAGE 6.2 VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Dit onderdeel bevat het verdiepingshoofdstuk van de SZW-begroting. In deze paragraaf wordt voor alle artikelen op de SZW-begroting de mutatie van uitgaven en ontvangsten tussen de ontwerpbegroting 2017 en de huidige ontwerpbegroting 2018 gedetailleerd toegelicht. Dit gebeurt zowel voor de begrotingsgefinancierde als voor de premiegefinancierde regelingen.

De opbouw van deze tabellen verschilt van elkaar. Bij de begrotingsgefinancierde regelingen worden, conform de RBV, de mutaties als gevolg van de nota van wijziging, de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de nieuwe mutaties (Miljoenennota) vermeld. Bij de premiegefinancierde regelingen is geen sprake van een nota van wijziging of van een suppletoire wet. Voor deze regelingen worden de mutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 2017 uitgesplitst naar uitvoeringsmutaties, macromutaties, loon- en prijsmutaties, beleidsmatige mutaties en kasschuiven. Bovendien wordt een onderverdeling in standen aangebracht in reëel en nominaal.

1. Arbeidsmarkt
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 1 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

15.992

20.819

20.349

20.469

20.469

 
             

Amendement

100

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

415

– 132

– 282

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijs bijstelling 2017

56

56

56

56

56

 

2. Overboekingen met departementen

83

– 3.700

0

0

0

 

3. Budgettair neutrale herschikking

– 43

492.830

930.000

885.000

885.000

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

16.592

509.873

950.123

905.525

905.525

905.525

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De belangrijkse overboeking die inmiddels is uitgevoerd betreft de bijdrage aan het Ministerie van EZ ten behoeve van het maatschappelijke programma arbeidsomstandigheden, dat door TNO wordt uitgevoerd.

  • 3. Budgettair neutrale herschikking binnen de SZW-begroting. De overboeking van het Lage-InkomensVoordeel (LIV), het LoonKostenVoordeel (LKV) en het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd LIV) van artikel 99 naar artikel 1 valt onder deze post.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 1 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Bijstelling boeteontvangsten

3.000

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

27.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

  • 1. De raming voor de boeteontvangsten is voor 2017 naar boven bijgesteld. Deze bijstelling komt door het wegwerken van achterstanden en door een verschuiving van WAV- naar Arbo-boetes die sneller betaald worden.

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 2 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

6.802.144

6.980.551

7.068.161

7.113.127

7.179.669

 

Amendement

– 5.600

– 500

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

67.306

– 335.660

– 326.033

– 217.297

– 129.458

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

68.694

69.920

72.322

74.762

76.225

 

2. Macro mutaties

– 1.914

74.133

112.354

225.064

281.160

 

3. Overboekingen met departementen

– 267

0

0

0

0

 

4. Budgettair neutrale herschikkingen

– 40

9.650

10.000

10.000

10.000

 

5. Kasschuiven

6.190

– 8.303

2.113

0

0

 

6. Structurele no-riskpolis banenafspraken en beschut werk

0

0

0

0

– 21.000

 

7. Armoede onder kinderen

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

 

8. Temporisering afbouw algemene heffingskorting bijstand (Participatiewet)

0

6.097

9.000

9.000

9.000

 

9. Uitstel quotumheffing

0

0

15.000

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

6.951.513

6.810.888

6.977.917

7.229.656

7.420.596

7.554.707

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op het loon- en prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De ramingen voor het macrobudget Participatiewetuitkeringen, de AIO en de TW zijn aangepast op basis van ontwikkelingen in de werkloosheid en realisaties op basis van uitvoeringsinformatie van gemeenten, de SVB en het UWV.

  • 3. Er zijn in totaal 4 overboekingen met andere departementen verwerkt. De voornaamste overboeking in 2017 betreft een overboeking naar het Ministerie van Financiën van € 0,2 miljoen voor het programma Wijzer in Geld.

  • 4. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting. De overboeking van de bijdrage aan het pensioenfonds Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) van artikel 99 naar artikel 2 valt hieronder.

  • 5. De kasschuiven hebben betrekking op de uitvoering van de subsidieregeling armoede en schulden, waar de middelen beschikbaar voor 2017 volgens het benodigde kasritme worden ingezet voor 2018 en 2019. Verder zijn er voor de scholingsvouchers (subsidies kansberoepen) middelen beschikbaar voor 2017 die volgens het benodigde kasritme worden ingezet voor 2018.

  • 6. De uniforme no-risk polis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk is structureel gemaakt. De extra uitgaven, inclusief uitvoeringskosten, voor het Rijk worden gecompenseerd door een verlaging van het macrobudget Participatiewetuitkeringen en de integratie-uitkering sociaal domein. Door middel van een rekenregel op basis van de meest actuele gegevens worden de uitgaven en de daarmee gepaard gaande uitname bij gemeenten om de vijf jaar herijkt. De eerste herijking vindt plaats in 2021. Deze mutatie betreft de verlaging van het macrobudget Participatiewetuitkeringen.

  • 7. Voor het kansrijk opgroeien van kinderen heeft het Rijk € 100 miljoen beschikbaar gesteld. € 15 miljoen hiervan is toegevoegd aan artikel 2 voor subsidies ten gehoeve van in natura ondersteuning van kinderen in armoede.

  • 8. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand wordt getemporiseerd in 2018. De effecten hiervan op de uitkeringshoogte worden geboekt op de nominalen van de uitkeringsregelingen. Het gedragseffect op de bijstand, doordat prikkels tot werk kleiner worden, wordt geboekt op artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet.

  • 9. Omdat de sector overheid de banenafspraak niet heeft gehaald, heeft het kabinet besloten tot het activeren van de quotumregeling voor de sector overheid. Besloten is niet te heffen in 2019 over 2018, hierdoor treedt een besparingsverlies op van € 15 miljoen.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 2 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

2.572

2.572

2.572

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ontvangsten

42.015

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

44.587

2.572

2.572

0

0

0

  • 1. De ontvangstenmutatie heeft betrekking op terugbetaling van te hoge voorschotten inzake Rijksvergoedingen, zoals Bijstand zelfstandigen (€ 15,5 miljoen) en Toeslagenwet (€ 4,3 miljoen), ontvangsten uit terugvorderingen in verband met onderrealisatie bij de Wsw (€ 22 miljoen) en overige ontvangsten (€ 0,2 miljoen).

3 Arbeidsongeschiktheid
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 3 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

787

809

832

867

902

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

14

15

15

16

16

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

801

824

847

883

918

953

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

Uitgaven premiegefinancierd artikel 3 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

9.313.439

9.393.480

9.507.646

9.661.439

9.817.543

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

164.940

167.407

169.594

172.406

175.099

 

2. Uitvoering

24.828

92.175

96.250

79.165

43.735

 

3. Uitboeken WIA-taakstelling

0

10.000

20.000

30.000

40.000

 

4. Overige mutaties

0

50

100

100

100

 

Stand OB 2018 reëel

9.503.207

9.663.112

9.793.590

9.943.110

10.076.477

 
             

Stand OB 2017 nominaal

161.451

306.325

457.940

628.814

829.109

 

5. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

3.489

41.353

127.143

225.519

311.020

 

6. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 164.940

– 167.407

– 169.594

– 172.406

– 175.099

 

Stand OB 2018 nominaal

0

180.271

415.489

681.927

965.030

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

9.503.207

9.843.383

10.209.079

10.625.037

11.041.507

11.478.297

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV zijn de geraamde uitgaven aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen naar boven bijgesteld. De IVA-uitgaven zijn naar boven bijgesteld, doordat zowel het aantal personen met een IVA-uitkering als de gemiddelde jaaruitkering naar boven zijn bijgesteld. De WGA-uitgaven zijn naar boven bijgesteld doordat het aantal personen met een WGA-uitkering naar boven is bijgesteld en de gemiddelde jaaruitkering ook naar boven is bijgesteld. De WAO-uitgaven zijn naar beneden bijgesteld door een lager gemiddelde jaaruitkering en een neerwaartse bijstelling van het aantal personen met een WAO-uitkering.

  • 3. In het sociaal akkoord is afgesproken dat sociale partners met concrete maatregelen zouden komen die ervoor zorgen dat minder mensen een beroep hoeven te doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit de WIA. Deze taakstelling is structureel uitgeboekt bij de Voorjaarsnota 2017, omdat er geen zicht is op concrete maatregelen van de sociale partners.

  • 4. Dit betreft het besparingsverlies als gevolg van het niet halen van 1 januari 2018 als invoeringsdatum voor het wetvoorstel WIA voor mensen die met een loonkostensubsidie hebben gewerkt. De ingangsdatum is nu 1 januari 2019.

  • 5. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 6. Zie 1.

4 Jonggehandicapten
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 4 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

3.239.793

3.213.509

3.259.339

3.292.815

3.327.955

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 29.350

29.562

29.594

41.637

42.088

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

56.456

57.687

59.392

61.179

62.803

 

2. Ramingsbijstelling Wajong

– 5.457

– 2.409

– 1.741

– 1.703

– 2.259

 

3. Ramingsbijstelling re-integratie Wajong

– 22.000

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

3.239.442

3.298.349

3.346.584

3.393.928

3.430.587

3.409.460

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Op basis van de Juninota van het UWV is de raming van de uitgaven van de uitkeringslasten Wajong naar beneden bijgesteld.

  • 3. Op basis van de Juninota van het UWV is de raming van de uitgaven aan re-integratie Wajong naar beneden bijgesteld.

Ontvangsten begrotingsgefinacierd artikel 4 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ontvangsten

18.150

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

18.150

0

0

0

0

0

  • 1. De ontvangstenmutatie heeft betrekking op terugbetaling door het UWV van te hoge voorschotten in 2016 inzake de uitkeringslasten Wajong (€ 13,3 miljoen) en de re-integratie Wajong (€ 4,8 miljoen)

5 Werkloosheid
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

190.345

66.141

68.238

90.241

112.915

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 2.300

9.421

17.983

21.883

30.675

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

1.084

1.009

1.452

2.026

2.607

 

2. Uitvoering

2.889

10.521

10.588

73

– 3.414

 

3. Tijdelijke regeling aanpassing dagloonbesluit

– 18.000

70.000

0

0

0

 

4. Budgettair neutrale herschikking

– 340

– 300

0

0

0

 

5. Kasschuiven

– 5.000

– 302

4.858

44

400

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

168.678

156.490

103.119

114.267

143.183

137.636

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV en de bijgestelde werkloosheidsramingen van het CPB zijn de IOW-uitgaven tot en met 2020 opwaarts bijgesteld en vanaf 2021 neerwaarts. De opwaartse bijstelling in de eerste jaren wordt met name veroorzaakt doordat de gerealiseerde WW-instroom van 60-plussers hoger blijkt dan verwacht. De IOW-instroom komt hierdoor met een aantal jaren vertraging ook hoger uit. In de latere jaren verwachten we op basis van de lagere CEP-werkloosheidsverwachtingen van het CPB juist een lagere IOW-instroom.

  • 3. De wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen heeft voor enkele groepen onbedoeld geleid tot een lager WW-dagloon. In 2017 zijn starters, flexwerkers en werknemers die na de wachttijd voor de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn hiervoor gecompenseerd. Op basis van uitvoeringsinformatie zijn de kosten van compensatie aan deze groepen neerwaarts bijgesteld. Voor 2018 is geld vrijgemaakt voor compensatie aan de groep herlevers en werknemers die minder dan twee jaar ziek zijn geweest.

  • 4. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting ten behoeve van de ambassadeur ouderenwerkloosheid en uitvoering subsidies.

  • 5. Er is een kasschuif om de middelen ten behoeve van de Ambachtsacademie die niet in 2018 en 2019 nodig zijn door te schuiven naar 2020 en 2021. De middelen voor het 2e loopbaanadvies worden in 2017 bijna niet gebruikt en worden doorgeschoven naar het jaar 2019 waarin de middelen wel nodig zijn.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ontvangsten

1.171

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

1.171

0

0

0

0

0

  • 1. De ontvangstenmutatie betreft een terugontvangst op het voorschot aan het UWV in 2016 voor de subsidieregeling 50-plus (€ 1,2 miljoen).

Uitgaven premiegefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

5.399.200

5.105.584

4.823.604

4.525.675

4.285.132

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

117.363

104.102

95.691

90.548

88.175

 

2. Macro mutaties

– 433.004

– 835.811

– 929.171

– 799.661

– 590.881

 

3. Dagloonbesluit

0

9.500

9.500

4.500

4.500

 

Stand OB 2018 reëel

5.083.559

4.383.375

3.999.624

3.821.062

3.786.926

 
             

Stand OB 2017 nominaal

99.662

181.731

262.646

345.661

437.872

 

4. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

17.701

64.380

92.571

121.090

154.308

 

5. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 117.363

– 104.102

– 95.691

– 90.548

– 88.175

 

Stand OB 2018 nominaal

0

142.009

259.526

376.203

504.005

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

5.083.559

4.525.384

4.259.150

4.197.265

4.290.931

4.484.643

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Op basis van neerwaarts bijgestelde werkloosheidsramingen van het CPB en uitvoeringsinformatie van het UWV is de raming van het WW-volume meerjarig neerwaarts bijgesteld. Ook de overige WW-lasten zijn op basis van uitvoeringsinformatie meerjarig neerwaarts bijgesteld. Dit betreft met name de faillisementsuitkeringen en het verhaal op faillissementsuitkeringen.

  • 3. De wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen heeft onbedoeld geleid tot een lager WW-dagloon voor herlevers en mensen die minder dan twee jaar ziek zijn geweest. Vanaf 2018 wordt dit structureel gerepareerd.

  • 4. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 5. Zie 1.

Ontvangsten premiegefinancierd artikel 5 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

358.780

358.780

358.780

358.780

358.780

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

8.316

8.317

8.316

8.316

8.317

 

2. Uitvoering

7.930

– 8.947

– 8.946

– 8.946

– 8.947

 

Stand OB 2018 reëel

375.026

358.150

358.150

358.150

358.150

 
             

Stand OB 2018 nominaal

6.688

12.843

19.650

27.570

36.904

 

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

1.628

7.215

12.193

16.443

19.667

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 8.316

– 8.317

– 8.316

– 8.316

– 8.317

 

Stand OB 2018 nominaal

0

11.741

23.527

35.697

48.254

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

375.026

369.891

381.677

393.847

406.404

419.362

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Overheidswerkgevers zijn eigen-risicodragers voor de WW. De WW-uitgaven worden door het UWV verhaald op deze werkgevers. De raming van de ontvangsten uit verhaal is naar boven bijgesteld op grond van uitvoeringsinformatie van het UWV.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 4. Zie 1.

6 Ziekte en zwangerschap
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 6 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

7.450

7.549

7.650

7.801

7.951

 

Mutaties Voorjaarsnota

257

257

257

257

257

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

180

182

184

186

189

 

2. Ramingsbijstelling

306

130

130

130

130

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

8.193

8.118

8.221

8.374

8.527

8.682

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. In 2016 is er € 0,3 miljoen te weinig bevoorschot voor de uitkeringslasten Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS). Dit bedrag wordt in 2017 verrekend met de SVB. Vanaf 2018 zijn er extra middelen voor Caribisch Nederland voor de werkgeverslasten voor zwangerschapsverlof (€ 0,13 miljoen vanaf 2018).

Uitgaven premiegefinancierd artikel 6 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

2.584.631

3.304.354

2.819.258

2.775.482

2.740.483

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

34.836

34.101

56.055

37.483

37.736

 

2. Uitvoering

68.521

120.286

135.157

125.055

141.293

 

3. Kasschuiven transitievergoeding

0

– 755.000

295.807

459.193

0

 

4. Uitboeken pilot ziektewet

0

15.000

15.000

15.000

15.000

 

5. Structurele No-riskpolis banenafspraak en beschut werk

0

0

0

0

53.000

 

6. Overige mutaties

1.071

– 785

– 1.151

– 1.826

117

 

Stand OB 2018 reëel

2.689.059

2.717.956

3.320.126

3.410.387

2.987.629

 
             

Stand OB 2017 nominaal

48.153

91.207

139.390

194.847

257.207

 

7. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

– 13.317

31.293

133.689

181.061

180.858

 

8. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 34.836

– 34.101

– 56.055

– 37.483

– 37.736

 

Stand OB 2018 nominaal

0

88.399

217.024

338.425

400.329

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

2.689.059

2.806.355

3.537.150

3.748.812

3.387.958

3.500.320

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De raming van de ZW is naar boven bijgesteld. Dit komt voornamelijk door volumestijgingen van zieke werklozen en eindedienstverbanders. Verder is de raming opwaarts bijgesteld op basis van de uitvoeringsinformatie van het UWV over de uittreding van eigenrisicodragers bij de vangnetgroepen uitzendkrachten en eindedienstverbanders.

  • 3. De beoogde inwerkingstreding van het wetsvoorstel aanpassing transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen en langdurige arbeidsongeschiktheid is verschoven naar 1 juli 2019 en daarmee zijn de middelen verschoven van 2018 naar 2019 en 2020.

  • 4. De taakstelling «pilots Ziektewet» zijn bij de Voorjaarsnota 2017 uitgeboekt, omdat er geen concrete maatregelen zijn genomen om de pilots landelijk uit te rollen.

  • 5. De uniforme no-risk polis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk is structureel gemaakt. Hierdoor zullen de uitgaven aan het macrobudget Participatiewetuitkeringen en de integratie-uitkering sociaal domein (onderdeel van het Gemeentefonds) afnemen. Door middel van een rekenregel op basis van de meest actuele gegevens worden de uitgaven en de daarmee gepaard gaande uitname bij gemeenten om de vijf jaar herijkt. De eerste herijking vindt plaats in 2021. Deze mutatie betreft een bijstelling van de uitgaven aan de Ziektewet.

  • 6. Overige mutaties met onder andere de leeftijdsverlaging in de no-riskpolis voor ouderen die vertraagd is met 1 jaar. Met deze kasschuif sluiten de middelen beter aan bij de behoefte.

  • 7. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 8. Zie nr 1.

7 Kinderopvang
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 7 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

2.597.959

2.710.940

2.750.462

2.778.105

2.802.582

 

Mutaties Voorjaarsnota

27.923

36.606

23.801

10.877

– 1.752

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

42.765

44.736

45.156

45.389

45.582

 

2. Ramingsbijstelling

– 2.570

17.487

22.193

22.017

21.667

 

3. Diverse kasschuiven

– 7.600

6.600

1.000

0

0

 

4. Budgettair neutrale herschikkingen

0

14.830

– 14

– 3

0

 

5. Overige mutaties

0

– 1

– 1

– 1

– 1

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

2.658.477

2.831.198

2.842.597

2.856.384

2.868.078

2.881.306

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De Belastingdienst betaalt gedurende het toeslagjaar altijd meer uit dan waar uiteindelijk recht op blijkt te bestaan. Dit komt bijvoorbeeld doordat huishoudens verminderd gebruik van kinderopvang pas laat aanpassen waardoor verrekening binnen het jaar (deels) onmogelijk wordt. Deze «overfinanciering» wordt in de jaren erna teruggevorderd. De verwachte overfinanciering is licht naar boven bijgesteld, hetgeen leidt tot hogere uitgaven. In 2017 vinden daarnaast naar verwachting minder nabetalingen plaats over eerdere jaren, waardoor in 2017 per saldo sprake is van een kleine meevaller.

  • 3. In 2017 waren middelen gereserveerd voor DUO voor de voorbereidingen voor Directe Financiering Kinderopvang. In afwachting van besluitvorming over het wetsvoorstel Directe Financiering Kinderopvang zullen ook in 2018 voorbereidende werkzaamheden van DUO plaatsvinden. De middelen van 2017 schuiven daarom deels door naar 2018.

  • 4. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 5. Overige mutaties.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 7 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

1.426.533

1.424.773

1.417.870

1.428.958

1.431.602

 

Nota van wijziging

           

Mutaties Voorjaarsnota

9.075

3.747

3.605

1.537

– 202

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ramingsbijstelling

– 32.448

22.455

16.818

19.891

21.438

 

2. Beslagvrije voet

0

– 6.900

– 11.200

– 7.900

– 5.100

 

3. Werkgeversbijdrage

82.965

104.149

115.848

129.119

142.645

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

1.486.125

1.548.224

1.542.941

1.571.605

1.590.383

1.595.911

  • 1. Meerjarig zijn de ontvangsten hoger als gevolg van de hoger geraamde overfinanciering, zie de toelichting bij punt 2 aan de uitgavenkant. Specifiek voor 2017 zijn de ontvangsten lager als gevolg van minder terugontvangsten in 2017 over toeslagjaren 2012 en 2014.

  • 2. Het proactief hanteren van de beslagvrije voet (wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet) leidt vanaf de voorziene inwerkingtreding in 2018 tot minder terugvorderingen kinderopvangtoeslag.

  • 3. De te ontvangen werkgeversbijdrage kinderopvang is aan de hand van de raming van het CPB naar boven bijgesteld.

8 Oudedagsvoorziening
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 8 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

24.887

23.942

24.975

25.004

25.997

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 224

– 230

– 431

– 481

– 489

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

413

407

421

419

435

 

2. Ramingsbijstelling

63

328

339

334

369

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

25.139

24.447

25.304

25.276

26.312

27.135

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Vanaf 2018 zijn er hogere uitkeringslasten voor de algemene ouderen voorziening Caribisch Nederland. De bijstelling in 2017 heeft te maken met een nabetaling van het ministerie aan de SVB over 2016 voor de Overbruggingsregeling AOW (OBR). De uitgaven aan de OBR vielen € 63.000 hoger uit dan gedurende 2016 aan de SVB is bevoorschot. Dit bedrag wordt in 2017 verrekend met de SVB.

Uitgaven premiegefinancierd artikel 8 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

37.079.477

37.259.417

37.099.067

37.102.898

37.136.861

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

506.461

508.371

508.917

508.783

509.111

 

2. Uitvoering

– 80.508

– 101.169

– 71.081

– 39.975

– 35.237

 

3. Uitboeken AOW-kostendelersnorm

0

0

214.347

214.357

214.370

 

4. Verlagen inkomensondersteuning AOW

0

– 31.195

– 31.350

– 31.425

– 31.486

 

Stand OB 2018 reëel

37.505.430

37.635.424

37.719.900

37.754.638

37.793.619

 
             

Stand OB 2017 nominaal

397.726

899.525

1.694.599

2.350.742

3.180.838

 

5. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

108.735

238.857

219.212

496.626

571.710

 

6. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 506.461

– 508.371

– 508.917

– 508.783

– 509.111

 

Stand OB 2018 nominaal

0

630.011

1.404.894

2.338.585

3.243.437

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

37.505.430

38.265.435

39.124.794

40.093.223

41.037.056

42.181.696

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De raming van de uitkeringslasten AOW en de inkomensondersteuning AOW (IOAOW) zijn meerjarig bijgesteld. De bijstelling heeft grotendeels te maken met een lagere gemiddelde uitkering van de AOW dan eerder is geraamd. Verder is nieuwe uitvoeringsinformatie van de SVB in de ramingen verwerkt.

  • 3. Het kabinet Rutte/Asscher heeft besloten de AOW-kostendelersnorm niet meer in te voeren.

  • 4. Het kabinet heeft een pakket maatregelen getroffen om de koopkracht van kwetsbare groepen in 2018 te repareren. Gepensioneerden gaan er door het koopkrachtpakket volgend jaar in doorsnee in koopkracht op vooruit, onder andere door een verhoging van de ouderenkorting. Om binnen het beschikbare budget tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen, is een kleine verlaging van de inkomensondersteuning AOW doorgevoerd.

  • 5. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 6. Zie nr 1.

9 Nabestaanden
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 9 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

1.253

1.288

1.324

1.377

1.429

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

23

24

24

25

26

 

2. Ramingsbijstelling

0

36

36

37

38

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

1.276

1.348

1.384

1.439

1.493

1.549

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Als gevolg van een verwacht lager niet-gebruik zijn er vanaf 2018 hogere uitkeringslasten voor de Algemene Weduwen en Wezen verzekering BES.

Uitgaven premiegefinancierd artikel 9 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

405.580

384.056

370.840

364.842

358.201

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

4.557

4.283

4.074

3.918

3.825

 

2. Uitvoering

– 21.733

– 22.732

– 26.704

– 33.416

– 34.286

 

Stand OB 2018 reëel

388.404

365.607

348.210

335.344

327.740

 
             

Stand OB 2017 nominaal

4.763

7.001

8.956

11.379

14.427

 

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

– 206

1.220

3.425

5.377

6.615

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 4.557

– 4.283

– 4.074

– 3.918

– 3.825

 

Stand OB 2018 nominaal

0

3.938

8.307

12.838

17.217

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

388.404

369.545

356.517

348.182

344.957

343.054

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van de SVB is de raming meerjarig neerwaarts bijgesteld. Uit de gegevens van de SVB blijkt dat minder personen gebruik maken van de nabestaandenuitkering dan eerder verwacht.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 4. Zie nr 1.

10 Tegemoetkoming ouders
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 10 (x € 1.000
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

5.560.635

5.533.099

5.505.550

5.475.891

5.452.624

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 6.982

– 35.120

– 58.548

– 75.432

– 93.630

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

45.377

65.221

64.679

64.197

63.766

 

2. Ramingsbijstelling

1.571

0

0

0

0

 

3. Verhoging WKB-bedragen

0

36.000

36.000

36.000

36.000

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

5.600.601

5.599.200

5.547.681

5.500.656

5.458.760

5.429.108

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. In 2016 is er € 1,6 miljoen te weinig bevoorschot voor de uitkeringslasten Wet Kindgebonden Budget (WKB) buitenland. Dit bedrag wordt in 2017 met de SVB verrekend.

  • 3. Het tweede kindbedrag van het kindgebonden budget wordt verhoogd met € 71 per jaar om de inkomenspositie van gezinnen met lage en middeninkomens te ondersteunen.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 10 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

285.799

288.284

290.228

298.432

272.989

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 16.486

– 17.067

– 4.045

– 457

– 1.448

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

1.909

2.261

3.031

2.786

2.663

 

2. Beslagvrije voet

0

– 1.000

– 1.700

– 1.400

– 1.400

 

3. Ramingsbijstelling

13.029

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

284.251

272.478

287.514

299.361

272.804

270.069

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de ontvangsten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De ontvangsten kindgebonden budget worden lager vanaf 2018 als gevolg van minder terugvorderingen door het proactief hanteren van de beslagvrije voet (wetsvoorstel beslagvrije voet).

  • 3. In 2016 is er € 13 miljoen te veel bevoorschot voor de uitkeringslasten Algemene Kinderbijslag Wet (AKW). Dit bedrag wordt in 2017 terugbetaald door de SVB.

11 Uitvoering
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 11 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

434.478

388.292

350.686

335.803

336.532

 

Mutaties Voorjaarsnota

44.378

72.825

37.325

37.264

37.301

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

8.368

7.478

6.752

6.465

6.480

 

2. Ramingsbijstelling

19.888

1.108

1.303

1.190

1.488

 

3. Wet GDI en wet MEBV

0

750

750

750

750

 

4. Herschikking begroting/premie

– 18.390

– 4.019

– 8.314

– 10.113

– 9.351

 

5. Overboeking departementen

– 112

– 30

– 30

– 30

– 30

 

6. Kasschuif

– 2.150

2.150

0

0

0

 

7. Budgettair neutrale herschikkingen

90

20

20

20

20

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

486.550

468.574

388.492

371.349

373.190

371.452

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitvoeringskosten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De raming is bijgesteld op basis van volumeontwikkelingen van de verschillende regelingen die worden uitgevoerd door het UWV en de SVB. Verder is er in 2016 € 19,9 miljoen te weinig bevoorschot voor de uitvoeringskosten Wajong. In 2017 wordt dit bedrag betaald aan het UWV.

  • 3. Betreft de meerkosten als gevolg van de wet Generieke Digitale Intrastructuur (GDI) en de wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer (MEBV) bij de SVB.

  • 4. De verdeling tussen begrotings- en premiegefinancierde uitvoeringskosten wordt regulier aangepast op basis van informatie van het UWV en de SVB. De herschikking bij begrotingsgefinancierd is grotendeels opgenomen in de 1e suppletoire begroting. De reeksen in deze bijlage bij begrotingsgefinancieerd en premiegefinancierde uitgaven komen dan ook niet overeen (zie de algemene opmerkingen aan het begin van deze bijlage).

  • 5. Naar het Ministerie van BZK is een bijdrage overgemaakt voor de dienstverlening door de Algemene Bestuursdienst bij de benoeming van raden van bestuur bij het UWV en de SVB.

  • 6. De voorziene uitvoering van de handhavingsrichtlijn voor detacheringen wordt later geïmplementeerd dan eerder voorzien. De middelen worden daarom van 2017 naar 2018 overgeboekt.

  • 7. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 11 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ramingsbijstelling

15.627

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

15.627

0

0

0

0

0

  • 1. In 2016 is er € 14,6 miljoen te veel bevoorschot voor de uitvoeringskosten Wajong re-integratie. Dit bedrag wordt in 2017 terugbetaald door het UWV. In 2016 is er € 1 miljoen te veel bevoorschot voor de uitvoeringskosten SVB. Dit bedrag wordt in 2017 terugbetaald door de SVB.

Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 11 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand OB 2017 reëel

1.524.021

1.516.633

1.444.910

1.442.268

1.434.635

 

Mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

28.337

27.522

28.396

27.892

28.039

 

2. Macro mutaties

0

– 61.603

– 55.142

– 44.805

– 31.048

 

3. Ramingsbijstelling

0

8.352

7.027

6.114

6.373

 

4. Dienstverlening WGA

0

10.380

0

0

0

 

5. Herschikkingen begroting/premie

– 10.367

– 37.629

– 27.103

– 25.152

– 25.943

 

6. Capaciteit verzekeringsartsen

0

0

44.000

44.000

44.000

 

7. Wet GDI en wet MEBV

0

6.131

20.246

21.760

23.267

 

8. Jeugd LIV

0

0

5.000

5.000

5.000

 

9. Structurele no-riskpolis banenafspraak en beschut werk

0

0

0

0

4.000

 

10. Kasschuif transitievergoeding en informatiebeveiliging SVB

0

– 27.000

14.000

13.000

0

 

11.Overige mutaties

1.532

1.952

1.632

1.632

1.632

 

Stand OB 2018 reëel

1.543.523

1.444.738

1.482.966

1.491.709

1.489.955

 
             

Stand OB 2017 nominaal

22.516

56.701

77.598

106.976

140.778

 

12. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

5.821

2.812

21.389

31.004

36.086

 

13. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2017

– 28.337

– 27.522

– 28.396

– 27.892

– 28.039

 

Stand OB 2018 nominaal

0

31.991

70.591

110.088

148.825

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

1.543.523

1.476.729

1.553.557

1.601.797

1.638.780

1.690.567

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitvoeringskosten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De raming is aangepast aan de ontwikkelingen in de werkloosheid.

  • 3. De raming is bijgesteld op basis van volumeontwikkelingen van de verschillende regelingen die worden uitgevoerd door het UWV en de SVB.

  • 4. In het kader van de integrale aanpak van de achterstand van herbeoordelingen in de WGA zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor dienstverlening.

  • 5. De verdeling tussen begrotings- en premiegefinancierde uitvoeringskosten wordt regulier aangepast op basis van informatie van het UWV en de SVB. De herschikking bij begrotingsgefinancierd is grotendeels opgenomen in de 1e suppletoire begroting. De reeksen in deze bijlage bij begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven komen dan ook niet overeen (zie de algemene opmerkingen aan het begin van deze bijlage).

  • 6. Om vanaf 2019 de capaciteit verzekeringsartsen op peil te houden zijn middelen toegevoegd.

  • 7. Betreft de meerkosten als gevolg van doorbelasting van de GDI-middelen en van de wet GDI en de wet MEBV bij het UWV.

  • 8. De middelen voor de uitvoeringskosten van het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) worden overgeheveld naar artikel 11. Vanaf dit artikel worden de de uitvoeringskosten voor het UWV en de Belastingdienst overgeboekt.

  • 9. De uniforme no-risk polis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk is structureel gemaakt. De extra uitgaven, inclusief uitvoeringskosten, voor het Rijk worden gecompenseerd door een verlaging van het macrobudget Participatiewetuitkeringen en de integratie-uitkering sociaal domein. Door middel van een rekenregel op basis van de meest actuele gegevens worden de uitgaven en de daarmee gepaard gaande uitname bij gemeenten om de vijf jaar herijkt. De eerste herijking vindt plaats in 2021. Deze mutatie betreft het effect op de uitvoeringskosten.

  • 10. Er zijn twee kasschuiven. De kasschuif transitievergoeding: de compensatieregeling voor de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid wordt niet eerder dan 1 juli 2019 uitgevoerd. De middelen benodigd voor de uitvoering van deze regeling worden daarom doorgeschoven van 2018 naar 2019 en 2020. De kasschuif informatiebeveiliging SVB: betreft schuif van gereserveerde middelen ten behoeve van de Veranderagenda SVB tranche 2020 naar het jaar 2018 voor investeringen in ICT. Dit met als doel het verhogen van het niveau van Informatiebeveiliging

  • 11. Diverse overige mutaties waaronder de tarifering op de Basisregistratie Personen van het Ministerie van BZK.

  • 12. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassingen van de indexcijfers.

  • 13. Zie nr 1.

12 Rijksbijdragen
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 12 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

13.957.930

14.027.086

13.904.754

13.888.214

13.877.625

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 1.565.410

– 586.130

– 455.537

– 506.951

– 523.481

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

20

19

18

18

17

 

2. Transitievergoeding

0

0

54.800

10.960

10.960

 

3. Ramingsbijstelling

27.655

– 1.772.657

– 1.799.786

– 1.830.105

– 1.855.706

 

4. Diverse mutaties

           
             

Stand ontwerpbegroting 2018

12.420.195

11.668.318

11.704.249

11.562.136

11.509.415

11.612.307

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De compensatieregeling voor de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid wordt niet eerder dan 1 juli 2019 uitgevoerd. De middelen worden daarom opgenomen vanaf 2019.

  • 3. De ramingen van de rijksbijdragen zijn op basis van uitvoeringsgegevens van de SVB en van macro-economische gegevens van het CPB bijgesteld.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 12 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ramingsbijstelling

423

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

423

0

0

0

0

0

  • 1. In 2016 is er € 0,4 miljoen te veel bevoorschot voor de uitkeringslasten Tegemoetkomingen Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ). Dit bedrag wordt in 2017 terugbetaald door het UWV.

13 Integratie en maatschappelijke samenhang
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 13 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

323.351

307.505

240.909

205.942

176.070

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 16.850

3.165

26.959

24.833

31.188

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

2.466

2.129

1.420

1.409

1.407

 

2. Ramingsbijstelling leningen

29.471

0

0

0

0

 

3. Overboekingen met departementen

69

309

309

80

0

 

4. Kaschuiven

– 4.000

4.000

0

0

0

 

5. Budgettair neutrale herschikkingen

– 131

0

0

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

334.376

317.108

269.597

232.264

208.665

192.090

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitgaven op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De raming voor 2017 is bijgesteld op grond van uitvoeringsinformatie van DUO.

  • 3. Er zijn diverse overboekingen met andere departementen waaronder naar het Gemeentefonds voor de pilot Nederlandse Kernwaarden en de pilot weerbaar opvoeden. Ook zijn er middelen naar het Ministerie van VWS overgemaakt voor het inrichten van het kennisplatform jeugdzorg. Naar het Ministerie van OCW zijn middelen overgemaakt voor de cohortstudie statushouders.

  • 4. De middelen voor het Programma Inburgering en Integratie ten behoeve van borging screening en matching worden van 2017 naar 2018 geboekt om zo beter aan te sluiten bij de behoefte.

  • 5. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 13 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

600

200

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

0

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Ramingsbijstelling

2.803

1.000

1.000

1.000

1.000

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

3.403

1.200

1.000

1.000

1.000

1.000

  • 1. In 2016 is € 1,8 miljoen te veel bevoorschot voor de uitkeringslasten van de Remigratiewet. Dit bedrag wordt in 2017 terugbetaald door de SVB. Verder is op basis van ervaringsgegevens uit 2016 vanaf 2017 in verband met de terugbetaling van leningen structureel voor € 1 miljoen aan ontvangsten in de begroting opgenomen.

96 Apparaat
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 96 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

278.324

279.911

296.177

294.157

295.905

 

Amendement

500

500

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 2.375

– 3.623

– 1.083

– 26

– 3.249

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijsbijstelling 2017

4.738

5.135

5.467

5.261

5.326

 

2. Overboekingen met departementen

635

– 1.310

– 1.310

– 1.681

– 1.681

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

2.090

– 1.271

339

1.103

1.103

 

4. Kasschuiven

– 11.470

5.883

– 952

906

3.233

 

5. RSO

1.721

1.159

1.159

1.159

1.159

 

6. Dienstauto's Inspectie SZW

– 486

– 201

– 128

– 84

0

 

7. Agentschap SZW

0

10.252

15.183

12.551

10.472

 

8. Diverse boekingen

– 636

– 579

– 929

– 929

– 929

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

273.041

295.856

313.923

312.417

311.339

309.550

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitgaven op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. De belangrijkste overboekingen met andere departementen zijn de overboeking naar het Ministerie van BZK voor de bijdrage in Doc Direct en de overboekingen van diverse departmenten aan SZW voor de exploitatiekosten van het Financieel Dienstencentrum (FDC).

  • 3. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 4. De kasschuiven hebben betrekking op middelen voor personeel. Verder wordt een deel van de beschikbare middelen in 2017 voor SSO ingezet voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het onbenutte deel van de transitiekosten voor RSO wordt doorgeschoven naar 2019 en 2020 om volgens afspraak beschikbaar te houden voor eventuele tekorten. Ook is er een kasschuif voor het budget van het Agentschap SZW om zo beter aan te sluiten bij de behoefte (zie ook nr. 7).

  • 5. De RSO heeft in 2017 extra dienstverleningsafspraken gemaakt met de afnemers. Daarnaast zijn de begrote uitgaven opgehoogd naar prijspeil 2017.

  • 6. Actualisatie van de raming van de uitgaven voor dienstauto’s van de Inspectie SZW. Het resulterende budget is (als onderdeel van mutatie 3) overgeboekt naar artikel 98, omdat ze niet langer als «apparaatskosten» worden aangemerkt.

  • 7. Vanaf 1 januari 2018 wordt het Agentschap SZW een uitvoeringsdirectie bij het Ministerie van SZW. De middelen voor personeel, inhuur externen, materieel, automatisering en bijdrage SSO’s worden daarom opgenomen op het apparaatsartikel 96. De bijdrage aan het Agentschap SZW op artikel 98 vervalt. Zie ook nummer 1 bij de ontvangsten van artikel 96.

  • 8. Diverse overige mutaties.

Ontvangsten begrotingsgefinancierd artikel 96 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

28.777

42.344

61.841

61.147

63.579

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 7.181

– 9.131

– 5.909

– 5.005

– 7.361

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Omzet subsidieregelingen

0

3.305

3.655

3.755

3.605

 

2. Overboekingen met departementen

237

0

0

0

0

 

3. Correctie ontvangsten RSO

– 814

– 845

– 845

– 845

– 845

 

4. RSO

1.966

1.595

1.990

2.001

2.004

 

5. Dienstauto’s Inspectie SZW

– 486

– 201

– 128

– 84

0

 

6. Budgettair neutrale herschikkingen

0

– 412

– 387

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

22.499

36.655

60.217

60.969

60.982

60.996

  • 1. Vanaf 1 januari 2018 is het Agentschap SZW een uitvoeringsdirectie bij het Ministerie van SZW. Vanaf 2018 worden de ontvangsten op de begroting van SZW opgenomen. De ontvangsten bestaan uit de omzet van de subsidieregelingen die voor de andere departementen worden uitgevoerd en de tegemoetkoming in de kosten vanuit de Europese Commissie. Zie ook nr. 7 bij de uitgaven van artikel 96.

  • 2. Van het Ministerie van BUZA worden de salariskosten ontvangen van twee medewerkers van het Ministerie van SZW die gedetacheerd zijn in het buitenland.

  • 3. Het voordeel bij andere departementen van het contractmanagement inkoop schoonmaak wordt via een budgetoverheveling aan de begroting van SZW toegevoegd en niet via facturering op de ontvangsten zoals oorspronkelijk geraamd.

  • 4. De raming van schoonmaakvergoedingen aan de RSO is geactualiseerd, onder andere samenhangend met het prijspeil 2017.

  • 5. Actualisatie van de raming van de dienstauto’s van de Inspectie SZW. Het gaat hier om de inruilwaarde van de eigen auto’s.

  • 6. De uitgaven en ontvangsten van de dienstauto’s worden niet langer aangemerkt als «apparaatskosten» en zullen daarom vanaf 2018 verantwoord worden op beleidsartikel 98 in plaats van artikel 96.

98 Algemeen
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 98 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

37.749

31.728

37.743

34.329

32.740

 

Mutaties Voorjaarsnota

2.900

957

1.186

115

174

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Loon- en prijs bijstelling 2017

387

113

113

107

100

 

2. Overboekingen met departementen

– 283

– 350

– 350

– 350

– 350

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

2.485

5.518

862

– 335

– 339

 

4. Kasschuiven

– 1.524

65

3.434

– 413

– 781

 

5. Agentschap SZW

0

– 6.947

– 11.528

– 8.796

– 6.867

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

41.714

31.084

31.460

24.657

24.677

24.614

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2017 is overgeheveld om de uitgaven op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2. Er zijn verschillende overboekingen met andere departementen verwerkt. De voornaamste is de aanvullende overboeking naar het Ministerie van BZK voor de kosten van het uitvoeringsorgaan Rijksdienst Caribisch Nederland.

  • 3. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 4. Er zijn 3 kasschuiven verwerkt zodat de gereserveerde middelen beter aansluiten aan de behoefte.

  • 5. Omdat het Agentschap SZW per 1 januari 2018 een uitvoeringsdirectie wordt, vervalt aan de ene kant de bijdrage aan het Agentschap SZW en worden aan de andere kant uitgaven voor voorlichting toegevoegd. De uitgaven en ontvangsten van het Agentschap SZW staan vanaf 2018 op artikel 96.

Ontvangsten begrotingsgefinacierd artikel 98 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

0

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

176

0

0

0

0

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Dienstauto’s Inspectie SZW

0

412

387

0

0

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

176

412

387

0

0

0

  • 1. De uitgaven en ontvangsten van de dienstauto’s worden vanwege een definitieaanpassing vanaf 2018 overgeboekt van artikel 96 naar beleidsartikel 98.

99 Nominaal en onvoorzien
Uitgaven begrotingsgefinancierd artikel 99 (x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Stand ontwerpbegroting 2017

128.863

643.814

1.126.607

1.097.051

1.077.684

 

Amendement

5.000

0

0

0

0

 

Mutaties Voorjaarsnota

– 60.963

– 69.401

– 67.551

– 71.379

– 78.501

 
             

Nieuwe mutaties:

           

1. Verdeling loon- en prijsbijstelling 2017

– 18.421

– 16.657

– 15.194

– 14.834

– 14.852

 

2. Budgettair neutrale herschikkingen

– 4.100

– 506.447

– 947.526

– 895.785

– 895.784

 

3. Overboekingen departementen

1.263

– 2.000

– 2.000

– 2.000

– 2.000

 

4. Diverse reserveringen/uitdelingen

– 15.000

– 11.130

– 32.888

– 29.288

– 20.188

 

5. Kasschuiven

– 27.055

30.539

4.241

– 19.704

1.988

 
             

Stand ontwerpbegroting 2018

9.587

68.718

65.689

64.061

68.347

85.161

  • 1 Toedeling van de loon- en prijsbijstelling 2017 naar de begrotingsartikelen om de budgetten op prijspeil 2017 te brengen.

  • 2 Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting. De overboeking van het Lage-InkomensVoordeel (LIV), het LoonKostenVoordeel (LKV) en het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd LIV) van artikel 99 naar artikel 1 valt onder deze post. Ook de overboeking van de bijdrage aan het pensioenfonds WSW van artikel 99 naar artikel 2 valt hieronder.

  • 3 Er zijn verschillende overboekingen met andere departementen. Van IenM is € 1,3 miljoen ontvangen als ongebruikt deel van de subsidie aan waterschappen. Naar BZK is vanaf 2018 structureel € 2 miljoen voor stelselkosten eID overgeboekt.

  • 4. Diverse reserveringen en uitdelingen binnen de SZW-begroting, waaronder de compensatieregeling voor zwangere zelfstandigen tussen 2005–2008 en de herstructurering Wsw in Oost-Groningen.

  • 5. Er zijn diverse kasschuiven verwerkt zodat de gereserveerde middelen beter aansluiten op de kasbehoefte. De grootste kasschuif heeft betrekking op het dossier MH17. Middelen die in 2017 niet tot uitgaven leiden worden doorgeschoven naar 2018 tot en met 2022.

BIJLAGE 6.3 MOTIES EN TOEZEGGINGEN2

6.3.1 Afgehandelde moties
Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2008–2009

ID1

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

394

Kamerstukken II, 2008–2009, 31 780 nr. 34

Motie-Ortega-Martijn c.s. over verruimen van de criteria voor zelfstandigenaftrek voor Wajong'ers

Met het evaluatierapport «Fiscale onderne-mingsregelingen» is uitvoering gegeven aan deze motie. Dit rapport is op 18 mei 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 311, nr. 186)

X Noot
1

Dit is een identificatienummer voor de administratie van de motie binnen het Ministerie van SZW.

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2011–2012

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

539

Kamerstukken II, 2011–2012, 32 701 nr. 18

Motie-Peters/Azmani over integratie van de WwiK in het Bbz

In aansluiting op de motie is in de werkwijzers vanuit het programma Effectiviteit en Vakmanschap (Divosa) aandacht besteed aan het belang om bij de uitvoering van het Bbz de krachten te bundelen en meer regionaal samen te werken (zoals onder de Wwik verplicht was). Daarnaast is de gemeente Amsterdam in januari 2017 met gedeeltelijke ondersteuning van het Rijk een pilot gestart, waarbij startende en net gestarte kunstenaars tijdelijk begeleiding wordt aangeboden bij het ontwikkelen van noodzakelijke ondernemersvaardigheden. De pilot zal worden geëvalueerd, waarbij onderzocht zal worden wat de resultaten van de pilot zijn en wat de werkzame elementen zijn van het begeleidingstraject. Tevens zal een MKBA (maatschappelijke kosten en baten analyse) worden uitgevoerd. De resultaten en inzichten van de evaluatie zullen onder andere gemeenten worden verspreid. In Meicirculaire Gemeentefonds 2017 en de Verzamelbrief 2017-1 kenmerk 2017D08923 (31 maart 2017 verzonden) is dit ook aangekondigd. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie

573

Kamerstukken II, 2011–2012, 31 929 nr. 17

Motie-Sterk over een kwalitatief onderzoek naar de effecten van het wetsvoorstel huisbezoek

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 17 050, nr. 535)

586

Kamerstukken II, 2011–2012, 33 241 nr. 14

Motie-Klaver c.s. over begeleiding van zieke werklozen

De motie is afgedaan middels de brief evaluatie BEZAVA/Modernisering ZW van 19-12-2016 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 368, nr. 2)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2012–2013

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

641

Kamerstukken II, 2012–2013, 33 538, nr. 14

Motie-Tellegen/Heerma inz. verzoek om het functioneren van het systeem van continue screening, alsmede van andere maatregelen in navolging van rapport-Gunning na een periode van drie jaar na inwerkingtreding van de Wijzigingswet kinderopvang 2013 te evalueren en de Tweede Kamer te informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 318)

700

Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 43

Motie-Hamer over gelijke behandeling bij de arbeidsvoorwaarden voor pay-rollwerknemers

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2015–2017, 29 544, nr. 761)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2013–2014

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

707

Kamerstukken II, 2013–2014, 33 161 nr. 168

Motie-Potters/Dijkgraaf over één landelijk aanspreekpunt voor werkgevers om plaatsing van arbeidsbeperkten te bevorderen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 779)

720

Kamerstukken II, 2013–2014, 31 322, nr. 237

Motie-Yücel/Tellegen over de onderlinge aansluiting tussen kwaliteitseisen voor basisonderwijs en kinderopvangvoorzieningen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 27-05-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 31 322, nr. 303)

728

Kamerstukken II, 2013–2104, 29 544 nr. 537

Gewijzigde motie-Kerstens c.s. over monitoren van de nieuwe grens van belastbaarheid van ten minste twee uur per dag

Aan deze motie is tegemoetgekomen met de Monitor Arbeidsvermogen Wajong 2015 die op 27-06-2017 naar de Tweede en Eerste Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 57 en Kamerstukken I, 2016–2017, 33 161, nr. M)

732

Kamerstukken II, 2013–2014, 33 863 nr. 23

Gewijzigde motie-Omtzigt/Vermeij over een oplossing voor het probleem van het niet samenvallen van verschillende data

Afgehandeld met het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen van FIN (Kamerstukken I, 2016–2017, 34 555)

736

Kamerstukken II, 2013–2014, 17 050, nr. 481

Gewijzigde Motie-Van Weyenberg over meldingen van de Stichting Normering Arbeid

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 17 050, nr. 529)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2014–2015

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

758

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000-XV, nr. 32

Motie-Van Weyenberg c.s. over het bevorderen van intersectorale scholing

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 71)

761

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000-XV, nr. 35

Motie-Schouten c.s. over initiatieven om werken over de grens gemakkelijker te maken

Afgedaan met het rapport van het actieteam grensoverschrijdende arbeid en economie van 20 januari 2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 851, nr. 33)

768

Kamerstukken II, 2014–2015, 33 981, nr. 36

Motie-Kerstens c.s. over een brede prestatieladder sociaal ondernemen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 40)

773

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 045, nr. 14

Motie-Yücel c.s. over geschikte vormen van alternatieve ouderraadpleging

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 045, nr. 15)

774

Kamerstukken II, 2014–2015, 31 322, nr. 72

Motie-Van Weyenberg/Pieter Heerma over het jaarlijks monitoren van de ontwikkeling van het aantal oudercommissies

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 015, nr. 15)

801

Kamerstukken II, 2014–2015, 29 544, nr. 635

Motie-Schut-Welkzijn/Tanamal over onderzoek naar de werking van het tweedespoortbeleid

Op 22-12-2016 is het onderzoeksrapport als bijlage bij de brief Loondoorbetaling bij ziekte naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 765)

811

Kamerstukken II, 2014–2015, 32 824, nr. 100

Gewijzigde motie-Karabulut/Potters over vervolgonderzoek naar de TRSO’s in Nederland

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 198)

814

Kamerstukken II, 2014–2015, 29 279, nr. 258

Motie-Pieter Heerma c.s. over een verbod op groeperingen met doelstellingen die in strijd zijn met de democratische rechtsorde

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 29-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 382)

815

Kamerstukken II, 2014–2015, 29 797, nr. 259

Motie-Van Dam over gedeelde waarden en onderlinge verbondenheid in de samenleving

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 371)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2015–2016

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

826

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 312

Motie-Karabulut over de hoogte van de beslagvrije voet

Afgedaan met het aanvaarden van het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet. Op 16-02-2017 is deze motie afgedaan

827

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 313

Gewijzigde motie-Voortman c.s over ruimte voor variatie in de experimenten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 39)

844

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 36

Motie-Nijkerken-De Haan over effectiviteit van re-integratieprojecten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-06-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 19)

845

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 37

Motie-Nijkerken-De Haan/Kerstens over vervullen van vacatures in grensregio's

Op 01-12-2016 is het antwoord op de Kamervragen «weinig Nederlanders zoeken een baan over de grens» naar de Tweede Kamer gestuurd. Hiermee is aan de motie voldaan (Kamerstukken II, 2016–2017, Aanhangsel, nr. 344)

847

Kamerstukken II, 2015–2016, nr. 34 300, nr. 40

Motie-Vermeij/Van Weyenberg over lokale proeven met anoniem solliciteren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 760)

849

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 46

Motie-Yücel c.s. over een maatschappelijke kosten-batenanalyse van schuldenbeleid van overheden A

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

855

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 53

Motie-Van Weyenberg/Pieter Heerma over meer mogelijkheden voor intersectorale scholing A

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 71)

858

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 69

Motie-Krol over de Rotterdamse aanpak voor zzp'ers in geldproblemen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 389)

866

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 824, nr. 109

Gewijzigde-motie-Sjoerdsma over op korte termijn aanbieden van taalcursussen op de noodopvanglocaties

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 334, nr. 23)

871

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 690

Gewijzigde motie-Anne Mulder over maatwerk in het algemeen verbindend verklaren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 74)

873

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 330

Gewijzigde motie-Krol/Yücel over een verkenning naar het kwijtschelden en overnemen van schulden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

874

Kamerstukken II, 2015–2016, 30 012, nr. 58

Motie-Lucas over een nationaal scholingsfonds voor alle werkenden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 25-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 74)

875

Kamerstukken II, 2015–2016, 30 012, nr. 63

Motie-Krol over een evenredige deelname van alle werkenden aan scholingstrajecten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 71)

876

Kamerstukken II, 2015–2016, 30 012, nr. 64

Motie-Van Weyenberg/Lucas over de afspraken van O&O fondsen over intersectorale scholing

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 012, nr. 71)

879

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 694

Gewijzigde motie-Van Weyenberg c.s. over intensiveren van de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

880

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 695

Motie-Van Weyenberg c.s. over voorstellen om zwangerschapsdiscriminatie te verminderen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 729)

885

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 255, nr. 19

Motie-Aukje de Vries over onderzoek naar de bijdrage van banksparen naar een beter pensioen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 255, nr. 31)

890

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 824, nr. 124

Motie-Karabulut/Marcouch over concrete voorstellen tegen segregatie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 23-03-2017(Kamerstukken II, 2016–2017, 30 950, nr. 107)

892

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 336, nr. 7

Motie-Schut-Welkzijn over het brengen van het IVA onder het hybride stelsel

Afgehandeld met de brief «Hybride markt WGA» van 12-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 336, nr. 12)

898

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 351, nr. 7

Motie-Vermeij over een overgangsregeling voor het WW-dagloonbesluit. Onderzoeken of de overgangsregeling voor het WW-dagloonbesluit eerder van kracht kan worden dan 1 januari 2017 en de Tweede Kamer te informeren over de uitvoeringstoets voor deze overgangsregeling. Monitoren van de uitvoering en gevolgen van de compensatieregeling en het nieuwe dagloonbesluit, en de uitkomsten daarvan voor 01-06-2017 aan de Tweede Kamer te sturen

Middels de vierde voortgangsbrief WWZ die op 05–07- 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd is voldaan aan de motie (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 351, nr. 24)

900

Kamerstukken II, 2015–2016, 31 322, nr. 291

Gewijzigde motie-Voortman/Yücel over actie openbaarmaking van risicoprofielen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 27-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 323, nr. 313)

907

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 396, nr. 16

Motie Van Weyenberg/Pieter Heerma over aanvullende maatregelen om hernieuwd misbruik te voorkomen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 10-10-2016, Kamerstukken II, 2016–2017, 26 448, nr. 576)

908

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 614, nr. 42

Motie Sjoerdsma over transparantie over de financiering van religieuze instellingen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 04-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 614, nr. 56)

909

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 614, nr. 43

Gewijzigde motie-Sjoerdsma/Marcouch over borging van artikel 6 van de Grondwet

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31–01- 2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 371)

910

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 614, nr. 45

Gewijzigde-motie Pieter/Heerma over voorkomen van financiering van Nederlandse gebedshuizen door buitenlandse overheden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 04-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 614, nr. 56)

911

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 614, nr. 46

Motie-Marcouch/Sjoerdsma over voorstellen om de vrijheid van godsdienst te beschermen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31–01- 2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 371)

912

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 614, nr. 47

Motie-Kuzu over wegnemen van het beeld dat de overheid inz. de islam met twee maten meet

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 950, nr. 118)

914

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 824, nr. 132

Motie-Sjoerdsma/Karabulut over harde criteria voor toekenning van het keurmerk Blik op werk

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 161)

917

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 824, nr. 144

Motie-Azmani over informeren van gemeenten door DUO

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 161)

918

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 340

Motie-Schouten/Yücel over een concreet actieplan voor de Rijsincassovisie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 382)

919

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 342

Motie-Van Veldhoven/Koşer Kaya over de vaste lasten betalen voor mensen met gediagnosticeerd laag IQ

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

920

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 344

Motie-Van Veldhoven/Koşer Kaya over ondersteunen van lokale pilots gericht op schuldpreventie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 581

921

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 344

Motie-Yücel/Schouten over bevorderen dat organisaties werk gaan maken van een sociale incasso

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 382)

924

Kamerstukken II, 2015–2016, 30 950, nr. 95

Motie-Amhaoch/Marcouch over de rol van het bedrijfsleven in het Nationaal Actieprogramma tegen discriminatie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

928

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 475-XV, nr. 8

Motie-Van Weyenberg/Pieter Heerma over het niet naar achteren schuiven van middelen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 29–12- 2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 566, nr. 94)

929

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 475-XV, nr. 9

Motie-Pieter Heerma c.s. over de capaciteit van de Inspectie SZW

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 14)

930

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 475-XV, nr. 10

Motie-Schut-Welkzijn c.s. over de bestrijding van ouderenwerkloosheid

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 20-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 2)

932

Kamerstukken II, 2015–2016, 22 831 nr. 111

Motie-Azmani/Knops over voorkomen van afdracht van gemeenschapsgeld aan een buitenlandse mogendheid

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15–12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 22 831, nr. 125)

938

Kamerstukken II, 2015–2016, 22 831, nr. 118

Gewijzigde motie-Karabulut over het in kaart brengen van het netwerk en de vertegenwoordigers van het Eritrese regime in Nederland

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-12-2016, (Kamerstukken II, 2016–2017, 22 831, nr. 125)

939

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 731

Motie-Van Weyenberg/Ziengs over zo snel mogelijk afspraken maken met de Aziatische horecasector

Verzoek van deze motie wordt verwerkt in wijzigingen van de Regeling Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Ruwav) en het Besluit Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Buwav). De wijzigingen zijn gepubliceerd: Ruwav Staatscourant 23-09-2016 nr. 50328, Buwav Staatsblad 08-12-2016, nr. 480

942

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 734

Motie-Ziengs/Van Weyenberg over een flexibel quotum dat wordt aangepast aan de daadwerkelijke behoefte aan koks

Verzoek van deze motie wordt verwerkt in wijzigingen van de Regeling Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Ruwav) en het Besluit Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Buwav). De wijzigingen zijn gepubliceerd (zie ook nr. 939)

944

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 29

Motie-Koşer Kaya over alles op alles zetten om het doelgroepenregister zo snel mogelijk up to-date te brengen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d.14-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 41)

945

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 33

Gewijzigde motie-Voortman c.s. over de algemene maatregel van bestuur zo snel mogelijk aan de Kamer sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 39)

947

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 32

Motie-Kerstens-Nijkerken-De Haan over leerlingen uit het praktijkonderwijs automatische in het «doelgroepenregister» opnemen

De motie is verwerkt in het Verzamelbesluit 2017. Dat is gepubliceerd in het Staatsblad 2016, nr. 536 d.d. 20-12-2016. De Tweede Kamer is hierover onder andere geïnformeerd in de brief d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 50)

948

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 362

Motie-Koşer Kaya/Karabulut over in kaart brengen hoe groot de instroom, doorstroom en uitstroom van het stelsel van schuldhulpverlening is

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 388)

949

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515 nr. 363

Motie-Moors over nader onderzoek doen naar wat nodig is om financiële educatie effectiever te maken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 388)

950

Kamerstukken II. 2015–2016, 24 515, nr. 364

Motie-Moors over stopzetten van interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes waarvan is aangetoond dat deze niet effectief zijn

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 389)

951

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 366

Motie-Karabulut c.s. over mogelijk maken van pilots voor effectieve schuldhulpverlening

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 389)

952

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 369

Motie-Karabulut/Koşer Kaya over advies van de SER en het SCP over het terugdringen van het aantal kinderen in armoede

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 387)

953

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 370

Motie-Yücel over een integrale en bredere kindpakketten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

954

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 371

Motie-Schouten/Karabulut over onderzoek naar toenemende armoede onder werkenden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

956

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 375 nr. 18

Motie-Schut-Welkzijn/Tanamal over ontwikkeling van een samenwerkingsprogramma om langdurige arbeidsuitval te voorkomen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-02-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 25 883, nr. 286)

961

Kamerstukken II, 2015–2016, 30 950, 95

Motie-Amhaouch/Marcouch verzoekt regering om in overleg met werkgevers te komen tot initiatieven die de bewustwording van discriminatie en vooroordelen vergroten

Afgehandeld met 2e Voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde moties, vergaderjaar 2016–2017

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

960

Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 345

Gewijzigde motie-Van Weyenberg/ Lodders over generatieneutraal uitpakken van eventuele maatregelen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 18-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 347)

964

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550, nr. 39

Motie-lid Schouten c.s. inz. overwegende dat de rentes zich, wereldwijd en waarschijnlijk langjarig, op een laag niveau bevinden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 06-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 283, nr. 16)

965

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-IV, nr. 9

Motie-Van Raak en Van Laar: Constaterende dat het kabinet de onderstand fors gaat verhogen; overwegende dat de onderstand ook na de verhoging nog onvoldoende is om in basisbehoeften te voorzien; verzoekt de regering om, de verhoogde onderstand geen sociaal minimum te noemen en het sociaal minimum vast te stellen op basis van de kosten voor levensonderhoud (34 550 IV)

De motie is afgedaan middels de brieven aan de Tweede en Eerste Kamer d.d. 13–06-2017 (Kamerstukken I, 2016–2017, 34 550-IV nr. P en Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550, nr. 30)

966

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-IV, nr. 11

Motie-Van Laar constaterende dat alleenstaande ouders in Caribisch Nederland die fulltime werken en het minimumloon verdienen geen leefbaar inkomen hebben; constaterende dat veel kinderen in Caribisch Nederland opgroeien in gezinnen zonder leefbaar inkomen; van mening dat kinderen in Nederland niet op zouden moeten groeien in gezinnen zonder leefbaar inkomen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-IV, nr. 19)

970

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 351, nr. 43

Gewijzigde motie-Voortman c.s. over maximale ruimte voor gemeenten te experimenteren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 59)

971

Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 314

Motie-Voortman c.s. over een overzicht de indicatoren uit het landelijk riscioprofiel

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 324)

981

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-VX, nr. 31

Motie-Van 't Wout/Kerstens over het vrijgeven van gebruik van de applicatie «Kandidatenverkenner/banenafspraak voor gebruik door gemeenten en arbeidsregio's

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 25 944, nr. 779)

983

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV,nr. 33

Motie-Kerstens/Van 't Wout over structurele uitbreiding van de Inspectie SZW

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 74)

985

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 36

Motie-Kerstens/Yücel over een publiekscampagne om kinderen armoede mee te laten doen in de samenleving

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 407)

987

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 39

Motie-Marcouch c.s. over een specifiek inhaalprogramma voor achteropgeraakte 50-plussers

Afgedaan in het AO overleg van 02-02-2017 met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dit AO heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de heer Marcouch over de motie geinformeerd. Bron: Verslag van het Algemeen overleg vaste commissie voor SZW op 02–02, vastgesteld 24-02-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 190)

988

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 46

Motie-Van Weyenber/Schut-Welkzijn over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor ex-kankerpatiënten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 06-02-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 72)

993

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 036, nr. 54

Gewijzigde-motie Mei Li Vos over de aanbevelingen van de commissie Boot betrekken bij een nieuw beoordelingskader

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 062, nr. 64)

994

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 036, nr. 54

Motie-Bashir over duidelijke criteria en zekerheid vooraf voor ondernemers

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 062, nr. 64)

995

Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 354

Motie-Van Weyenberg over afspraken met de pensioensector over de Code Pensioenfondsen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer van 11-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 362)

997

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 956, nr. 10

Motie-Yücel/Ulenbelt over het vier-ogenprincipe als verplicht onderdeel van het veiligheidsplan

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 10-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 328)

999

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 596, nr. 13

Motie-Van 't Wout c.s. over uitvoeren van een bedrijfseffectentoets

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 18-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 338)

1000

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 596, nr. 14

Gewijzigde motie-Pieter Heerma over uitstel van de invoering van de harmonisatie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 335)

1001

Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 185

Motie-Pieter Heerma over aanbieden van taal- en inburgeringscursussen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 191)

1002

Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 188

Motie-Voortman over het evaluatieproces van het onderdeel Kennis Nederlandse Maatschappij

Afgedaan met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 196)

1010

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501-07, nr. 1433

Gewijzigde motie-Omtzigt over het opleggen van btw voor beleggen bij pensioenfondsen en bij beheersdiensten

Afgehandeld met brief van FIN aan de Tweede Kamer d.d. 28-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501-07, nr. 1449)

6.3.2 Lopende moties
Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2008–2009

ID1

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

372

Kamerstukken II, 2008–2009, 31 802 nr. 2

Motie-Omtzigt/ Spekman over aspecten van de Anw en de verhouding tot de herziene Europese Sociale Code; hierin meenemen de rol van gemeentes bij reïntegratie van nabestaanden

Planning: eind 2017

X Noot
1

Dit is een identificatienummer voor de administratie van de motie binnen het Ministerie van SZW.

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2012–2013

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

607

Kamerstukken II, 2012–2013, 33 086 nr. 48

Gewijzigde motie-Dibi over monitoren van de effecten van de gewijzigde wet

De Tweede Kamer wordt eind 2017 hierover geïnformeerd

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2013–2014

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

688

Kamerstukken II, 2013–2014, 24 515 nr. 273

Motie-Schouten over privacyproblemen bij het vroegtijdig signaleren van schulden

Medio juni heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen BKR en SZW. Inmiddels is een aantal pilots met «VindPlaats van Schulden» (VPS), waaronder in ’s-Hertogenbosch, gestart. Beoogd is de Tweede Kamer over de pilot vroegsignalering eind december te informeren

705

Kamerstukken II, 2013–2014, 33 161 nr. 153

Gewijzigde motie-Dijkgraaf c.s. over het beschikbaarstellen van aanvullende instrumenten

Op 27 november 2015 zijn de eerste ervaringsonderzoeken Participatiewet naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 1). Dit was de nulmeting in het kader van de monitoring van de Participatiewet. In het najaar van 2017 (na Prinsjesdag) is de eerste vervolgmonitor voorzien

712

Kamerstukken II, 2013–2014, 33 161, nr. 174

Motie-Van Weyenberg/Pieter Heerma over onderzoek naar de effectiviteit van loondispensatie en loonkostensubsidie

Motie verzoekt om onderzoek naar effectiviteit loondispensatie en loonkostensubsidie uiterlijk drie jaar na invoering Participatiewet. Het betreft een vergelijkend effectiviteitsonderzoek. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 27-11-2015 (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 1) over eerste ervar-ingsonderzoeken Participatiewet is aangegeven is het streven om het onderzoek in 2018 af te ronden en de Tweede Kamer eind 2018 over de resultaten te informeren. Planning eind 2018

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2014–2015

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

754

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000, nr. 25

Motie-Vermey/Van Oijk over de toegankelijkheid van de kinderopvang voor zzp’ers

Dit wordt meegenomen in het initiële wetsvoorstel Directie Financiering. Het is aan het nieuwe kabinet om dit wetsvoorstel aan te bieden aan de Tweede Kamer

765

Kamerstukken II, 2014–2015, 33 981, nr. 16

Motie-Potters/Kerstens over deactivering van de quotumheffing

Deactivering is niet opportuun zolang niet tot activering van de quotumheffing is overgegaan. Als besloten wordt tot activering zal middels wetswijziging de mogelijk tot deactivering worden geregeld. Planning: indien quotumregeling wordt geactiveerd, 1e kwartaal 2018

771

Kamerstukken II, 2014–2015, 33 981, nr. 40

Motie-Van Ojik/Kerstens over het eventueel verhogen van de heffing

Deze motie vraagt de heffing te verhogen als werkgevers er voor kiezen de heffing te betalen in plaats van meer mensen met een beperking in dienst te nemen. De heffing wordt niet eerder dan 01-01-2018 geactiveerd. Pas in 2019 zal dan voor het eerst blijken of werkgevers ervoor kiezen de heffing te betalen. Als de heffing verhoogd moet worden, zal dit niet eerder dan 1-1-2020 aan de orde kunnen zijn. Planning: 1e kwartaal 2020

775

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 108, nr. 19

Motie-Van Weyenberg c.s. over de jaarlijkse monitor over het resultaat van de Wet aanpak schijnconstructies

Op 19-12-2016 is de eerste monitor WAS naar de Tweedee Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 108, nr. 28). De volgende rapportages gaan in december 2017 en december 2018 naar de Tweede Kamer

779

Kamerstukken II, 2014–2015, 34 008, nr. 23

Motie-Vermeij/Van Weyenberg verzoekt de regering om, communicatiekanalen te verkennen om werknemers meer inzicht te bieden in het absolute bedrag aan pensioenpremie dat de werkgever voor hen betaalt en de Kamer hier voor 01-07-2015 over te informeren

Loopt mee in implementatie IORP-richtlijn. De richtlijn moet 13-1-2019 in werking treden

807

Kamerstukken II, 2014–2015, 25 883, nr. 252

Motie-Kerstens over de mogelijkheid van één certificerings- en keuringsinstelling

De motie loopt mee in het onderzoek naar het functioneren van het asbeststelsel. Het onderzoek wordt in september opgeleverd. In het vierde kwartaal van 2017 volgt een beleidsreactie aan de Tweede Kamer waarmee de motie wordt afgedaan

812

Kamerstukken II, 2014–2015, 17 050, nr. 510

Motie-Schouten/Kerstens over beleidsregels voor vrijwilligerswerk bij commerciële activiteiten

Op 21-02-2017 is de Evaluatie regeling vrijwilligerswerk in de WW naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 771). Aangegeven is dat een volgend kabinet conclusies dient te trekken op basis van dit evaluatieonderzoek.

Planning: Tweede kwartaal 2018

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2015–2016

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

828

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 314

Gewijzigde motie-Voortman/Yücel over integrale werkwijzen voor schuldhulpverlening voor jongeren

In overleg met partijen is afgesproken de maatwerkregelingen van uitvoeringsorganisaties op eenduidige wijze in beeld te brengen. Dit overzicht is in het najaar van 2017 voor professionals in de schuldhulpverlening beschikbaar. Tevens worden middels onderzoek quick wins in kaart gebracht. Deze resultaten zullen eind 2017 beschikbaar komen. Zodra de resultaten er zijn wordt de Tweede Kamer geïnformeerd. Planning: december 2017

846

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 39

Motie-Pieter Heerma/Schouten over de toename van mensen in beschermingsbewind

De voorbereiding van de pilot is afgerond. Een externe partij is gevraagd de uitvoering van de pilots te begeleiden. Naar verwachting zullen de eerste pilots binnenkort starten. De eerste resultaten worden in het najaar verwacht. Beoogd is de Kamer over de pilot «de toename van mensen in beschermingsbewind» eind december te informeren. Planning: eind december 2017

860

Kamerstukken II, 2015–2016, 26 448, nr. 548

Motie-Schut-Welkzijn over inperken van de twee jaar gewenningsbijdrage

De motie stelt zowel een aanpassing van de uitlooptermijnen als een uitbreiding van de no-riskpolis voor. De sociale partners hebben ingestemd om op de resultaten van het onderzoek effectiviteit no-riskpolis te wachten. Deze komen naar verwachting eind 2017 beschikbaar. Planning informeren Tweede Kamer over onderzoeksresultaten: Eerste kwartaal 2018

869

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 194, nr. 17

Motie-Nijkerken-De Haan/Kerstens (PvdA) om de resterende financiële middelen mobiliteitsbonus vanaf 2021 specifiek aan te wenden voor de doelgroep in de vorm van een bonus/ korting voor de werkgever

De huidige regeling loopt eind 2020 af. In 2019 zal de stand van zaken wat betreft de premiekorting/mobiliteritsbonus doelgroep banenafspraak worden bezien (zie ook ID 3413). Er is dan voldoende volume is om de evaluatie over drie jaar te kunnen uitvoeren.

In 2019 zal aansluitend een besluit worden genomen over de inzet van de resterende middelen. Planning: december 2019

878

Kamerstukken II, 2015–2016, 29 544, nr. 693

Motie-Van Weyenberg/Vermeij over verruimen van de uitsluitingsgronden wegens arbeidsmarktdiscriminatie

Planning: brief naar de Tweede Kamer vierde kwartaal 2017

883

Kamerstukken II, 2015–2016, 21 501, nr. 394

Motie-Schut-Welkzijn/Pieter Heerma over toepassing van het woonlandbeginsel bij de export van alle kindregelingen binnen de EU

De Tweede Kamer zal periodiek, door middel van rapportages bij de geannoteerd agenda van de Raad worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen

884

Kamerstukken II, 2015–2016, 21 501, nr. 395

Motie-Ulenbelt/Kerstens over gelijke behandeling van alle legaal verblijvende werkenden

Deze motie had betrekking op het pakket dat de EU27 en het VK overeengekomen waren voorafgaand aan het EU-referendum in juni 2016. Dit pakket zou in werking treden, als het VK zou besluiten om in de EU te blijven. Nu het VK heeft besloten om uit de EU te stappen, is het betreffende pakket van tafel

887

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 255, nr. 21

Motie-Omtzigt over transparantie van kosten die ten laste komen van pensioendeelnemers

Planning: voor het zomerreces 2018 brief naar Tweede Kamer

893

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 336, nr. 8

Motie Schut-Welkzijn over continuering van de uitvoering van de re-integratie door verzekeraars

Het Verbond van Verzekeraars, UWV en SZW werken aan een oplossing waarbij de onderlinge afspraken, die worden vastgelegd in een convenant, de verdere betrokkenheid van de verzekeraar na een faillissement van een eigenrisicodrager waarborgen. Afronding is gepland in het 4e kwartaal van 2017

899

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 351, nr. 12

Motie-Van ‘t Wout over meer meetbare doelstellingen bij de evaluatie van de Wwz

In de komende (tussen)evaluatie(s) wordt aandacht gegeven aan de meetbare doelstellingen (zowel kwantitatief als kwalitatief). Planning evaluatie eind 2020 naar de Tweede Kamer

905

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 408, nr. 12

Gewijzigde motie-Ulenbelt c.s. over de capaciteit van de Inspectie SZW

Wijze van invulling van de motie hangt samen met capaciteitsdiscussie, Inspectie Control Framework, begroting SZW 2018 en formatie van het nieuwe kabinet. Op dit moment geen beeld van tijdpad

916

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 824, nr. 141

Motie-Marcouch/Pieter Heerma over actie kennismaken met de Nederlandse Cultuur en Samenleving

De Tweede Kamer wordt per brief geïnformeerd over de opbrengsten van de pilot. oplevering van het rapport is gepland in november/december. Rekening houdende met opleverdatum en het schrijven van de brief aan de Tweede Kamer, is de verwachting dat de Tweede Kamer na de begrotingsbehandeling in december wordt geïnformeerd

922

Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 345

Motie-Yücel over aansluiten van rijksoverheidsinstanties op het landelijk beslagregister

Bij brief van 15-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 389) heeft de Staatssecretaris van SZW de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang concretisering Rijksincassovisie en verbreding van het beslagregister. Beoogd is de Kamer over de voortgang concretisering Rijksincassovisie en verbreding van het beslagregister eind december te informeren

927

Kamerstukken II, 2015–2016, 32 043, nr. 336

Gewijzigde motie-Van Weyenberg over evaluatie van de Wet verevening pensioenrechten

Planning: de eindevaluatie wordt voor de Kerst 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd

943

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 22

Motie-Schouten/Pieter Heerma over meetellen van de inkoop van diensten voor de banenafspraak als het werk niet op locatie bij de opdrachtgever gebeurt

In juli 2017 wordt het eindrapport opgeleverd. Het advies van de Werkkamer wordt na de zomer verwacht. Planning brief aan Tweede Kamer: derde kwartaal 2017 (vóór Prinsjesdag)

946

Kamerstukken II, 2015–2016, 34 352, nr. 31

Motie-Pieter Heerma/Schouten over pilots waarbij de inkoop bij bedrijven met de hoogste trede op de PSO-ladder overdraagbaar wordt

Het onderzoek loopt en wordt binnenkort afgerond waarna de Tweede Kamer wordt geïnformeerd. Planning: derde kwartaal 2017 vóór Prinsjesdag

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen moties, vergaderjaar 2016–2017

ID

Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

972

Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 315

Gewijzigde motie-Voortman over kinderopvanglocaties met een structureel verhoogd risico

Aan motie wordt invulling gegeven door huidige toezichtinformatie beter te ontsluiten. Mogelijkheden hiervoor worden momenteel verkend. De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2017 geïnformeerd

973

Kamerstukken II, 2016–2017, 32 322, nr. 316

Motie-Van ‘t Wout inz. het duidelijk formuleren van het beoogde maatschappelijke effect van de bestuursafspraken over de peuteropvang

De Tweede Kamer ontvangt hierover uiterlijk in het voorjaar 2018 een brief

977

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 578, nr. 14

Motie-Karabulut over een cao beschut werk

De VNG heeft een verkenner ingeschakeld om te mogelijkheden voor een CAO te onderzoeken. Deze verkenner heeft in augustus ook met SZW gesproken. Mogelijk leidt dit tot agendering in bestuurlijk overleg met de VNG op 14–9. Planning: 2e helft september

980

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 30

Motie-Van ’t Wout/Pieter Heerma over ondersteuning van het initiatief van de ambachtsacademie voor 50-plussers

In lijn met de motie Van ’t Wout/Heerma (Kamerstukken II 2016–2017 34 550 XV, nr. 30) wordt het initiatief van de Ambachtseconomie ondersteund vanuit het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» middels een subsidie van maximaal € 2 miljoen. Het project kent een looptijd van 1 juli 2017 tot en met 1 oktober 2020. Planning van informeren Tweede Kamer: eerste kwartaal 2018

982

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 32

Motie-Pieter Heerma over het mogelijk maken van verlies van verblijfrecht

Zoals aan de Tweede Kamer gemeld in de brief van 28-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 174) zal dit onderwerp aan de orde worden gesteld in een volgende bijeenkomst van het European Integration Network, in oktober 2017

984

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 34

Motie-Kerstens/Cegerek over optimaal benutten van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt en regionale werkgelegenheid

De SER is door I&M verzocht eind 2017 een vervolgadvies over de circulaire economie uit te brengen, waarin ook aandacht is voor bredere afwegingen (zoals bestedings- en werkgelegenheidseffecten), waaronder die bedoeld in de motie Kerstens/Cegerek over kansen voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt en voor de regionale werkgelegenheid

986

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 550-XV, nr. 37

Motie-Kerstens/Yücel over een vervolgonderzoek op het rapport Een Onbemind Probleem

In de brief over diverse onderwerpen op het terrein van armoede- en schuldenbeleid van 15-06-2017 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het vervolgonderzoek (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 389). Het vervolgonderzoek zal in ieder geval aandacht besteden aan sociale incasso door overheidsorganisaties en de verschillende preferente posities van overheidsorganisaties. Planning: eind december 2017 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de onderzoeken

989

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 48

Motie-Van Meenen over evaluatie van de Wet inburgering

De uitkomst van de evaluatie van de Wet inburgering is voorzien in voorjaar 2018. Daarna wordt de Tweede Kamer geïnformeerd

990

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 51

Motie-Schouten/Vermeij over een werkgelegenheidsaanpak in de regio Drechtsteden

Er is overleg gevoerd met de betrokken gemeenten en SZW is in afwachting van hun formele reactie. Planning brief aan Tweede Kamer: derde kwartaal 2017 vóór Prinsjesdag

991

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 53

Motie-Schouten/Pieter Heerma over een onderzoek naar groepen die niet door het armoedebeleid bereikt worden

Aan de motie is invulling gegeven door onder meer gesprekken met gemeenten en het toevoegen van dit thema aan de subsidieregeling armoede en schulden. De kamer wordt per eerstvolgende brief over Armoede en Schuldenbeleid nader geïnformeerd over de precieze invulling. Verwachte verzending brief december 2017. Planning: december 2017

992

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 58

Gewijzigde motie-Voortman over een oplossing voor werknemers in fysiek zeer zware beroepen

Planning: de Kamer wordt geïnformeerd in het najaar van 2017

996

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 597, nr. 9

Gewijzigde motie-Voortman/Yücel over de gevolgen van de nieuwe kwaliteitseisen voor de tarieven in en het gebruik van kinderopvang

De motie loopt mee in de opzet van de kostprijsmonitor. De resultaten van het onderzoek worden in het eerste kwartaal 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd

998

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 596, nr. 12

Motie-Van ’t Wout c.s. over monitoren van de voorbereiding op en de implementatie van de wet

De Tweede Kamer ontvangt hierover najaar2017 een brief

1003

Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 770

Motie-Yücel/Kerstens over onderzoek naar arbeidsomstandigheden van de werknemers in de Nederlandse kledingbranche

Planning: brief naar de Tweede Kamer na het zomerreces (vóór Prinsjesdag 2017)

1004

Kamerstukken II, 2016–2017, nr. 34 655, nr. 3

Motie-Schut-Welkzijn over toepassing van het woonlandbeginsel bij de export van kindregelingen binnen de EU

De Tweede Kamer zal periodiek, door middel van rapportages bij de geannoteerde agenda van de Raad, worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen

1008

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501-07, nr. 1433

Gewijzigde motie-Lodders/Omtzigt over geen raamwerk voor Europese persoonlijke pensioenproducten

Er is een voorstel van de Europese Commissie uitgebracht op 29-06-2017.

1016

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 950, nr. 11

Motie-Jasper van Dijk c.s. over een nulquotum voor onderdanen van derde landen

Planning: inwerkingtreding wijziging BUWAV per 1-1-2018 (nul quotum)

1017

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501, nr. 441

Motie-Gijs van Dijk/Jasper van Dijk over pensioenonderdeel laten uitmaken van de arbeidsvoorwaarden na de detacheringstermijn

De motie is in uitvoering als onderdeel van de onderhandelngen over de detacheringrichtlijn

1018

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501, nr. 443

Motie-Gijs van Dijk over gelijk loon voor gelijk werk en geen oneerlijke concurrentie tussen vrachtwagenchauffeurs

De motie is in uitvoering als onderdeel van de onderhandelngen over de detacheringrichtlijn

1019

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501, nr. 443

Motie-Jasper van Dijk/Gijs van Dijk over de Detacheringsrichtlijn ook laten gelden voor transportsector

De motie is in uitvoering als onderdeel van de onderhandelngen over de detacheringrichtlijn

1020

Kamerstukken II, 2016–2017, 21 501, nr. 444

Motie-Jasper van Dijk/Gijs van Dijk over zo veel mogelijk bekorten van de termijn van 24 maanden

De motie is in uitvoering als onderdeel van de onderhandelngen over de detacheringrichtlijn

1021

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 719, nr. 5

Motie-Van Kent/Jasper van Dijk over de stand vanzaken van het SER-advies over opname verlof voor zorg voor kinderen in het eerste jaar na de geboorte

Uit navraag is gebleken dat de SER dit advies voor het einde van het jaar verwacht af te ronden. Tweede Kamer wordt geïnformeerd via de eerstvolgende geannoteerde agenda van de Sociale Raad in het vierde kwartaal van 2017

1022

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 719, nr. 6

Motie-Wiersma c.s. over sociale zekerheid als primaire verantwoordelijkheid van EU-lidstaten zelf

De Minister zal de Tweede Kamer informeren als onderdeel van de geannoteerde agenda die voorafgaande aan de Sociale Raad aan de Tweede Kamer wordt aangeboden in het vierde kwartaal van 2017

1023

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 719, nr. 8

Motie-Van Weyenberg over de Europese afspraken voor vaders ook laten gelden voor meemoeders Motie-Van Weyenberg over de Europese afspraken voor vaders ook laten gelden voor meemoeders

De Minister zal de Tweede Kamer informeren als onderdeel van de geannoteerde agenda die voorafgaande aan de Sociale Raad aan de Tweede Kamer wordt aangeboden in het vierde kwartaal van 2017

1024

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 390

Gewijzigde) motie-Peters c.s. over een reductiedoelstelling voor de vermindering van armoede onder kinderen

In de brief aan de Tweede Kamer over Vervolg AO armoede en schulden is opgenomen dat de Staatssecretaris n.a.v. twee moties met VNG en gemeenten zal overleggen om de mogelijkheden van een dergelijke doelstelling te verkennen. Het streven is om de Tweede Kamer in het najaar over deze verkenning te informeren. Planning: december 2017

1025

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 391

Motie-Gijs van Dijk over een concrete doelstelling voor een daling van de kinderarmoede

In de brief aan de Tweede Kamer over Vervolg AO armoede en schulden is opgenomen dat de Staatssecretaris n.a.v. twee moties met VNG en gemeenten zal overleggen om de mogelijkheden van een dergelijke doelstelling te verkennen. Het streven is om de Tweede Kamer in het najaar over deze verkenning te informeren. Planning: december 2017

1026

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 393

Motie-Gijs van Dijk/Jasper van Dijk over komen tot een socialere incasso

De Ministeries van VenJ, EZ en SZW zijn in gesprek over de uitvoering van de motie. Beoogd is de Kamer over de motie in december te informeren. Planning: december 2017

1027

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 395

Motie-Jasper van Dijk over mogelijkheden van laagdrempelige toegang tot schuldhulp

De Staatssecretaris van SZW is op 6 juli 2017 in overleg getreden met de VNG. De VNG zal het initiatief nemen om een verkenning uit te voeren en de mogelijkheden te onderzoeken. Beoogd is de Kamer over de motie in december te informeren. Planning: december 2017

1028

Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 401

Motie-Voortman/Van Brenk over verrekenen huurtoeslag met de woningcorporatie en/of verhuurder

Een eerste interdepartementaal overleg tussen Fin, BZK en SZW heeft plaatsgevonden onder voorzitterschap van Fin. De Kamer wordt voor 1 november 2017 geïnformeerd over de invulling van de motie

1029

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 725-XV, nr. 10

Motie-Raemakers c.s. over de SZW-begrotingsbehandeling de Kamer te informeren over de UWV-kandidaten-verkenner

Beoogd wordt binnenkort aan de uitwerking van de motie te beginnen. Planning: november 2017

1030

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 725-XV, nr. 11

Motie-Yesilgöz-Zegerius c.s. over een transparante effectiviteitsmeting inz. het programma aanpak Schijnconstructies en CAO-naleving

De invulling van deze motie wordt waarschijnlijk meegenomen in de voortgangsbrief WAS (Wet Aanpak Schijnconstructies) eind 2017

1031

Kamerstukken II, 2016–2017, 34 725, nr. 7

Motie-Nijboer en Schouten inz. dat overheidsvoorzieningen voor veel mensen moeilijk te doorgronden zijn en dat een fout snel gemaakt is; overwegende dat mensen soms door een fout of iets te late reactie ernstig in de knel kunnen komen

In het kader van deze motie worden de verschillende aspecten van het invorderingsbeleid van overheidsorganisaties in kaart gebracht. Hierbij worden de desbetreffende overheidsorganisaties betrokken. Planning: de Tweede Kamer wordt eind dit jaar geïnformeerd over de uitkomsten van de inventarisatie en de stappen die in vervolg daarop gezet zullen worden. Planning: december 2017

6.3.3 Afgehandelde toezeggingen
Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde toezeggingen, vergaderjaar 2012–2013

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

2870

Uitgaande brief 17-03-2013 – Voortgangsbrief aanpak malafide uitzendbureaus

G-rekening voor uitzendbureaus

Afgehandeld met brief van FIN aan de Tweede Kamer d.d. 04-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 066, nr. 318)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde toezeggingen, vergaderjaar 2013–2014

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

2951

Uitgaande brief 01-11-2013 Registratieplicht zelfstandigen op grond van de Waadi

De beleidsregels boeteoplegging Waadi zullen gepubliceerd worden in de Staatscourant. Over twee jaar zal de Minister onderzoeken of deze regeling tot misbruik heeft geleid. Als dat niet het geval is, kan zo nodig een wettelijke uitzondering van de registratieplicht voor deze groep zelfstandigen in de Waadi worden opgenomen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 19-09-2016, (Kamerstukken II, 2016–2017, 17 050, nr. 529)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde toezeggingen, vergaderjaar 2014–2015

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3180

01-10-2014

Vervolg AO Kinderopvang

Naar aanleiding van de uitkomst van de verkenning naar kinderen met diabetes in het onderwijs, zal de Minister de Tweede Kamer informeren over de maatregelen die hij (eventueel) zal nemen in de kinderopvangsector voor deze kinderen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 08-02-2017, Kamerstukken II, 2016–2017 (31 322, nr. 325)

3204

26-11-2014 Begrotingsbehandeling SZW

De Minister zegt toe de praktische belemmeringen t.a.v. de sollicitatieverplichtingen voor oudere werklozen te bezien

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 763)

3230

AO Arbeidsomstandigheden 30-10-2014

In de eerste helft van 2015 informeert de Minister de kamer over het overleg met de sociale partners over de beeldschermrichtlijn

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-02-2017, Kamerstukken II, 2016–2017, 25 883, nr. 286

3261

11-02-2015 AO Arbeidsmarktbeleid

De Minister stuurde op 01–04- 2015 een brief samen met OCW aan de Kamer over het vervolg van de Aanpak Jeugdwerkloosheid en zegt daarin toe de Kamer periodiek te informeren over de voortgang

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 787)

3291

12-03-2015

Plenaire behandeling Wet werken na de AOW (34 073)

De Minister zegt toe om in overleg met Staatssecretaris Klijnsma nader onderzoek te doen naar hoe pensioenopbouw bij werken na de AOW in pensioenregelingen is geregeld. Daarbij zal de vraag worden betrokken hoe dat het beste geregeld kan worden voor AOW-gerechtigden, en zal het belang van werknemers worden meegewogen. Minister merkt op dat het wel een zaak van sociale partners is om hier afspraken over te maken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer van 21-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 350)

3304

14-04-2015

Mondelinge vraag van het lid KROL (50PLUS) aan de Staatssecretaris van SZW over het bericht «Kabinet prikkelt langer werken én straft af» (mondelinge vraag goedgekeurd)

De Staatssecretaris zal het verzoek m.b.t. het fiscale doorwerkvereiste overbrengen aan de Staatssecretaris van Financien. De Tweede Kamer zal voor 15 mei a.s. een gezamenlijke brief ontvangen. NB Regeling van werkzaamheden d.d. 15 april: De vaste commissie voor SZW zal nog een inventarisatie van de vragen over het fiscale doorwerkvereiste toesturen aan SZW ten behoeve van de brief die is toegezegd

In het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is opgenomen dat het fiscaal doorwerkvereiste voor ouderdomspensioen met ingang van 01-01-2017 is afgeschaft. (Kamerstuk I, 2016–2017, 34 555)

3305

14-04-2015 Mondelinge vraag van het lid KROL (50PLUS) aan de Staatssecretaris van SZW over het bericht «Kabinet prikkelt langer werken én straft af» (mondelinge vraag goedgekeurd)

De Tweede Kamer een motie aangenomen, die verzoekt in overleg met sociale partners en pensioenuitvoerders te komen met voorstellen om de data voor pensioen, ontslag en AOW te laten samenvallen. De Tweede Kamer zal voor de zomer in kennis worden gesteld van de resultaten van het overleg met sociale partners en pensioenuitvoerders

In het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is opgenomen dat het fiscaal doorwerkvereiste voor ouderdomspensioen met ingang van 1 januari 2017 is afgeschaft. (Kamerstuk I, 2016–2017, 34 555)

3315

21-05-2015 AO Loondoorbetaling bij ziekte

Voorstel loondoorbetalingsverplichting. De Minister streeft er naar voor de zomer aan de Tweede Kamer een voorstel te doen ten aanzien van knelpunten bij loondoorbetaling bij ziekte, met name gericht op kleine werkgevers. Dit in samenhang met IBO ZZP en herziening belastingstelsel. Indien vóór de zomer niet gehaald wordt, zal de Minister de Tweede Kamer hierover informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 765)

3330

09-10-2014

Plenaire behandeling wetsvoorstel modernisering regelingen voor verlof 32 855

De Minister zal een arbeid en zorgbijeenkomst organiseren en daarna een brief met de visie van het kabinet over arbeid en zorg naar de Tweede Kamer sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 06-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 855, nr. 33)

3332

16-06-2015

Plenaire behandeling Wet Algemeen Pensioenfonds

De Staatssecretaris bericht in het najaar de Tweede Kamer over wat het voor deelnemers betekent als een pensioenregeling naar België verhuist

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 2270)

3334

16-06-2015

Plenaire behandeling Wet Algemeen Pensioenfonds

De Staatssecretaris stuurt de Tweede Kamer een inventarisatie van wat er moet gebeuren om het algemeen pensioenfonds voor internationale regelingen werkbaar te maken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer van 21-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 2270)

3336

16-06-2015

Plenaire behandeling Wet Algemeen Pensioenfonds

De Staatssecretaris zal de Tweede Kamer op de hoogte stellen van de juridische analyse over de mogelijkheden om het overdragen van het pensioenkapitaal bij een verzekeraar aan een lopende pensioenregeling bij een pensioenfonds mogelijk te maken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-03-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 255, nr. 31)

3354

Uitgaande brief 26-08-2015 Onderzoek «werknemers en insolventie»

In overleg met de Minister van Veiligheid en Justitie en met de diverse stakeholders uit de praktijk wil de Minister verder bekijken of er – mede op basis van de onderzoeksrapporten – aanleiding is tot het nemen van maatregelen, waaronder eventuele aanpassing van het arbeids- en/of insolventierecht, met het oog op de positie van de werknemer bij insolventie van de werkgever. Over de conclusies die de Minister hieruit zal trekken zal de Minister de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van 2016 nader informeren

Afgehandeld met brief van V&J, mede namens SZW, d.d. 23-02-2017 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 695, nr. 14)

3355

Uitgaande brief 26-08-2015 Onderzoek «werknemers en insolventie»

Naar aanleiding van de conclusie van de onderzoekers dat in de praktijk vaak wordt verondersteld dat de medezeggenschapsregels bij insolventie van de werkgever niet van toepassing zijn, zal de Minister in ieder geval in overleg treden met de Commissie Bevordering Medezeggenschap van de Sociaal Economische Raad om te bekijken in hoeverre er meer bekendheid kan worden gegeven aan het feit dat dit in beginsel wel degelijk het geval is

Afgehandeld met brief van V&J, mede namens SZW, d.d. 23-02-2017 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 695, nr. 14)

3356

Uitgaande brief 01-09-2015 Voortgangsrapportage actieplan arbeidsmarktdiscriminatie (Kamerstukken II 2014–2015, 29 544, nr. 649)

De Minister zal de Tweede Kamer volgend jaar (2016) opnieuw informeren over de verdere voortgang van het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie en eventuele nieuwe maatregelen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde toezeggingen, vergaderjaar 2015–2016

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3372

AO Arbeidsmigratie van 23 september 2015

Implementatiewet handhavingsrichtlijn eind dit jaar, begin volgend jaar aangeboden aan de kamer, samen met uitbreiding ketenaansprakelijkheid naar vervoersovereenkomst

Wet uitbreiding ketenaansprakelijkheid vervoersovereenkomst. Staatsblad 473, 2016

3387

AO Integratie d.d. 29 oktober 2015

De Minister zegt toe dat het onderzoek en de Kabinetsreactie antidemocratische groeperingen in de 1e kwartaal van 2016 naar de Tweede Kamer gaan

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamr d.d. 29-03-2017 (Kamerstukken II, 29 279, nr. 382)

3394

24-09-2015

AO Medezeggenschap

Najaar 2016 ontvangt de Minister het SER-onderzoek naar de scholing bij de OR. Daarna zal hij de Tweede Kamer informeren inclusief een kabinetsreactie daarop

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 10-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 818, nr. 43)

3395

24-09-2015

AO Medezeggenschap

Gevolgen voor de pensioenen werknemers betrekken bij onderzoek positie van werknemers in insolventie

Afgehandeld met brief van V&J, mede namens SZW, d.d. 23-02-2017 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 695, nr. 14)

3397

Uitgaande brief 30-11-2015 Uitvoering toezeggingen pensioencommunicatie en uniformering begrip partner. (Kamerstukken II 2015–2016, 34 008, nr. 35)

Het is het voornemen van de Staatssecretaris om eind volgend jaar (2016) te bezien in hoeverre aan deze Aanbevelingen (van de StvdA) inzake uniformering partnerdefinitie gevolg is gegeven en zij zal de Tweede Kamer dan over de uitkomsten informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer van 21-12-2016 (Kamerstukken II 2016–2017, 32 043, nr. 350)

3399

18-11-2015

Begrotingsonderzoek

De Minister gaat, samen met de Commissie SZW Tweede Kamer, aan de slag met de door alle Kamerleden gesteunde aanbevelingen van de rapporteurs t.a.v. indicatoren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 07-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 300-XV, nr. 89)

3406

02-12-2015

Begrotingsdebat SZW

De Minister zegt toe het boekje van het lid Heerma te betrekken bij de uitwerking van de motie-Van Dam over de weerbare democratie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 371)

3415

20-01-2016

AO Pensioenen

SZW beziet de casus van de pensioenregeling waarvan de uitvoering recent naar Malta is verhuisd, en bericht de Tweede Kamer over eventuele bevindingen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 255, nr. 31)

3417

20-01-2016

AO Pensioenen

De Minister zegt toe dat er een onderzoek komt naar het (niet)gebruik van de overbruggingsregeling AOW incl. inzicht in de uitgekeerde bedragen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-09-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 32 163, nr. 41)

3418

20-01-2016

AO Pensioenen

De Staatssecretaris zegt toe dat er een onderzoek komt naar het (niet-) gebruik van de overbruggingsregeling AOW, incl. inzicht in de uitgekeerde bedragen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-09-2016 (Kamerstuk 2015–2016, 32 163 nr. 41)

3419

20-01-2016

AO Pensioenen

De Minister zegt toe mbt uitsluitsel over de timing van het onderzoek OBR: wanneer krijgt de Tweede Kamer de resultaten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-09-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 32 163, nr. 41)

3433

04-02-2016

Verzoek van het lid Van Weyenberg tijdens de RvW van 24-02-2015 om een debat inz. toekomst CAO's

Tegelijkertijd met de reeds geplande monitor over transparante dispensatiebepalingen in cao’s (van diretie UAW) zal de Minister de Tweede Kamer na de zomer berichten over hoe cao-partijen zelf omgaan met dispensatieverlening, en daarbij ook een appreciatie te geven van het dispensatiebeleid van SZW

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 755)

3434

18-02-2016

Verzoek van het lid Van Weyenberg (D'66) tijdens de RvW van 17 juni 2015 om een plenair debat inz. het onderzoeksrapport van het CPB inz. discriminatie op de arbeidsmarkt

In de nieuwe voortgangsrapportage actieplan arbeidsdiscriminatie die eind 2016 aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden wordt ingegaan op de invulling van diversiteitsbeleid binnen de rijksoverheid

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

3443

16-03-2016 AO SUWI-onderwerpen

De Minister informeert de Tweede Kamer uiterlijk september 2016 over de haalbaarheid dat UWV werkzoekenden een persoonlijke brief verstrekt met daarin aangegeven op welke regelingen de werkgever aanspraak kan maken bij deze specifieke potentiële werknemer.Aanvullende informatie: Bovenstaand n.a.v. een verzoek van Kamerlid Weyenberg. Of (uitvoerbaarheid) het kan en hoe het kan. Wenselijkheid ondersteunt ieder

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 763)

3444

16-03-2016 – AO SUWI-onderwerpen

De Minister informeert de Tweede Kamer in december 2016 over de KPI’s van de ZBO’s. Aanvullende informatie: Bij de aanbieding van de jaarplannen 2017 worden ze uitgelicht. Diverse Kamerleden dringen aan op actief op de hoogte te worden gehouden bij ontwikkelingen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 26 448, nr. 591)

3458

23-03-2016 AO Discriminatie

De Minister zegt toe dat de Tweede Kamer voor eind 2016 zal worden geïnformeerd over de opbrengsten van de motie Bisschop om antisemitisme binnen de EU te agenderen, waarbij nadruk ligt op inzicht in effectieve maatregelen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 176)

3459

23-03-2016

AO Discriminatie

In de voortgangsrapportage arbeidsmarktdiscriminatie wordt aandacht besteed aan de positieve rol van het bedrijfsleven in het bevorderen van meer aandacht voor diversiteit

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 03-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 748)

3463

07-04-2016 AO Huwelijksdwang en Achterlating

De Minister zegt toe dat de voortgangsrapportage integratie eind 2016 naar de Tweede Kamer wordt gezonden. Daarin wordt meegenomen of het mogelijk is seksuele diversiteit toe te voegen aan burgerschapsonderwijs op scholen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 176)

3464

07-04-2016 AO Huwelijksdwang en Achterlating

De Minister zegt toe dat de Tweede Kamer geïnformeerd voor het zomerreces 2016 wordt geïnformeerd over hoe het onderzoek wordt uitgevoerd naar de dilemma’s waar hulpverleners mee te maken krijgen bij hulpverlening aan meisjes, vrouwen en LHBT’-ers met een biculturele achtergrond

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 04-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 28 345, nr. 170)

3465

07-04-2016 AO Huwelijksdwang en Achterlating

De Minister zegt toe dat de Tweede Kamer voor de zomer geïnformeerd wordt over de motie van Dam (gedeelde waarden en onderlinge verbondenheid in de samenleving)

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 279, nr. 371)

3466

07-04-2016 AO Huwelijksdwang en Achterlating

De Minister zegt toe dat hij KIS om advies zal vragen over effectieve aanpakken. Informatie hierover wordt opgenomen in de voortgangsrapportage integratie voor eind 2016

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 824, nr. 176)

3469

14-04-2016 AO Armoede- en Schuldenbeleid

De AMvB ten behoeve van het moratorium komt na een consultatieronde en na advies van de Raad van State in september naar de Tweede Kamer

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 23-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 379)

3470

14-04-2016 AO Armoede- en Schuldenbeleid

Het streven is dat de vereenvoudiging van de beslagvrije voet per 1 januari 2017 zal worden ingevoerd

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 20-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 628, nr. 6)

3478

02-06-2016 34 378 (Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen)

De Staatssecretaris zal de SER om advies vragen over de medezeggenschap ten aanzien van pensioen in kleine bedrijven. Daarbij zal de Staatssecretaris ook aandacht vragen voor de positie van voormalige werknemers in gesloten pensioenregelingen

Adviesaanvraag is bij brief van 15-09-2016 naar SER gezonden. Toezegging daarmee afgehandeld

3482

17-05-2016 Mondelinge vraag van het lid Karabulut (SP) over het bericht dat 421.000 kinderen in armoede opgroeit (goedgekeurd)

De Staatssecretaris zegt toe voor de begrotingsbehandeling inzicht te verschaffen in de (voor zover) bekende resultaten ten aanzien van de 5 miljoen euro die het kabinet n.a.v. het amendement Van Dekken/Yücel beschikbaar heeft gesteld om meer kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen te kunnen laten sporten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3484

22-06-2016 AO Arbeidsongeschiktheid

Informeren WGA-instroomcijfers uitzendbranche en andere sectoren. De Minister zal de Tweede Kamer schriftelijk informeren over de WGA-instroomcijfers van de uitzendbranche en andere sectoren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 12-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 336, nr. 12)

3485

22-06-2016 AO Arbeidsongeschiktheid

Gesprek aangaan met AYA platform. De Minister zal in gesprek gaan met het AYA platform. De Tweede Kamer zal hierover gelijktijdig met de voortgang van de AMvB geïnformeerd worden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d.18-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 743)

3486

22-06-2016 AO Arbeidsongeschiktheid

Uitkomsten gesprek Novag en UWV betreffende herbeoordelingen delen. In september 2016 zal de Minister de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van de gesprekken tussen UWV en Novag met betrekking tot de uitvoering van de herbeoordelingen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 09-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 26 448, nr. 580)

3492

08-06-2016

AO Pensioenonderwerpen

De Tweede Kamer ontvangt vóór 01-07-2016 informatie over de mogelijke marsroute nav gesprek SZW met de partners over de fusiemogelijkheden voor verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 351)

3493

08-06-2016

AO Pensioenonderwerpen

In oktober/november ontvangt de Tweede Kamer een nieuw overzicht van de financiële positie (dekkingsgraden) van de pensioenfondsen, gebaseerd op de stand eind derde kwartaal. Het kabinet stuurt een appreciatie mee

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 18-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, nr. 347)

3494

08-06-2016

AO Pensioenonderwerpen

Voor 01-12-2016 ontvangt de Tweede Kamer een analyse over de tendens dat pensioenfondsen naar België uitwijken en het vestigingsklimaat voor pensioenfondsen in Nederland

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 2270)

3495

Uitgaande brief 03-06-2016 Verzamelbrief pensioenonderwerpen (Kamerstukken II 2015–2016, 32 043, nr. 328)

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over het vervolgonderzoek naar de reden van de witte vlek

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-06-2017 (Kamerstukken II 2016–2017, 32 043, nr. 364)

3496

08-06-2016 AO Pensioenonderwerpen

.

Het CPB of een andere partij zal worden gevraagd een internationale vergelijking te maken van de rentegevoeligheid van pensioenstelsels

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 18-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 347)

3497

Uitgaande brief 03-06-2016 Verzamelbrief pensioenonderwerpen (Kamerstukken II 2015–2016, 32 043, nr. 328)

Wet verplichte beroepspensioenregeling aanpassen om verschil in rechten van verantwoordingsorganen te repareren

Afgehandeld met brief aan Tweede Kamer d.d. 30-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, nr. 34 674)

3500

Uitgaande brief 12-04-2016 Motie Kerstens

De Minister zal Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling 2016 informeren over de voortgang van het plan van aanpak misbruik stages

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 759)

3510

23-06-2016 WGO Begrotingsonderzoek

In het WGO van 23-06-2016 toegezegd dat in het vervolg beleidsmatige en technische mutaties in de Slotwet conform RBV zullen worden toegelicht

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 725-XV, nr. 3)

3511

23-06-2016 WGO Begrotingsonderzoek

In het WGO van 23-06-2016 is toegezegd dat conform de werkwijze bij OCW en VWS met een werkgroep van de commissie in gesprek zal worden gegaan om een gezamenlijke informatiebehoefte van de Tweede Kamer en het ministerie nader te bepalen zodat voor alle partijen een zinvolle en gedragen set van indicatoren/ kerncijfers beschikbaar komt

Tijdens het WGO van 28 juni 2017 over het jaarverslag 2017 heeft de Minister van SZW herhaald, bereid te zijn in gesprek te gaan met een werkgroep om een zinvolle en gedragen set indicatoren te ontwikkelen. SZW zorgt dat zij in dit proces betrokken wordt. In de aanloop naar de begroting 2018 heeft SZW indicatoren ontwikkeld die een plek in de begroting 2018 hebben gekregen. De toezegging is daarmee afgerond.

3512

23-06-2016 WGO Begrotingsonderzoek

In het WGO van 23-06-2016 is toegezegd dat op basis van het lopende onderzoek naar prestatie-indicatoren UWV en SVB eind van het jaar bezien zal worden welke indicatoren kunnen worden opgenomen in Begroting en Jaarverslag

SZW heeft op 24-05-2017 een brief gestuurd waarin wordt aangekondigd welke prestatie-indicatoren UWV en SVB m.i.v. het jaarplan 2018 presenteren (Kamerstukken II, 2016–2017, 26 448, nr. 591). De indicatoren in artikel 11 van de SZW-begroting 2018 zijn hierop aangepast, zoals toegezegd bij brief van 03-06-2016.(Kamerstukken II, 2015–2016, 34 300 XV, nr. 89).

3513

23-06-2016 WGO Begrotingsonderzoek

De Minister zegt toe de Tweede Kamer vóór 01-10-2016 een beeld te geven of het mogelijk is om de tussenevaluatie sectorplannen voor de verkiezingen af te ronden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 29-09-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 566, nr. 94)

3514

06-07-2016

AO Armoede- en Schuldenbeleid

Voor 01-09-2016 zal de Staatssecretaris de Tweede Kamer informeren over de mogelijkheid om in de verkenning van de SER naar combinatiebanen, waarbij aandacht is voor werkende armen, ook de positie van de eenverdieners onder de werkende armen te betrekken. De verkenning zelf verwacht de Staatssecretaris in het najaar

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 06-09-2016 (Kamerstukken II, 2015–2016, 24 515, nr. 376)

3515

20-01-2016 AO Pensioenen

SZW beziet de casus van de pensioenregeling waarvan de uitvoering recent naar Malta is verhuisd, en bericht de Kamer over eventuele bevindingen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3516

06-07-2016 AO Armoede en Schuldenbeleid

Uiterlijk eind november maakt de Staatssecretaris aan de Kamer duidelijk of en op welke punten wetgeving aangepast dient te worden om de toegang tot de schuldhulpverlening te verbeteren (verduidelijken). Het onderzoek naar de toegang tot de schuldhulpverlening door inspectie SZW verschijnt in oktober/november. Om tijd te winnen bereidt ze al een eventuele wetswijziging voor, maar of dat daadwerkelijk doorgang krijgt is afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3517

06-07-2016 AO Armoede en Schuldenbeleid

Na het reces en voor de begrotingsbehandeling zal de Staatssecretaris de Kamer informeren over de vorderingen van de gesprekken met VNG en de rechterlijke macht over alternatieven voor beschermingsbewind

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3518

06-07-2016 AO Armoede en Schuldenbeleid

Voor eind oktober gaat de Staatssecretaris in gesprek met VWS en Maatschappelijke opvang koepels over armoedeproblematiek in de vrouwenopvang en zelfredzaamheid

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3522

15-09-2016 – Debat over het korten van pensioenen

In kaart laten brengen wat de effecten zijn van een verlenging van de hersteltermijn voor pensioenfondsen en de Tweede Kamer op de hoogte stellen van de mogelijke effecten inclusief de generatieeffecten

Toezegging is afgedaan met CPB-notitie «generatieeffecten» die als bijlage is meeverstuurd met de najaarsrapportage van 18-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 347)

3531

Plenaire behandeling van 07-09-2016 van wetsvoorstel Arbo

Wetsvoorstel Toekomst arbeidgerichte zorg: Inspectie beziet situatie ongevallen in de bouwnijverheid. Indien daar aanleiding voor is informeert de Minister de Tweede Kamer

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 73)

Overzicht van door de bewindspersonen afgehandelde toezeggingen, vergaderjaar 2016–2017

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3524

21-09-2016 Algemeen Politieke Beschouwingen Tweede Kamer

De Minister zegt toe dat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VenJ een brief aan de Tweede Kamer stuurt over vervroeging van de voorinburgerings- en taalcursus voor de groep asielzoekers die met 95% zekerheid een verblijfsvergunning krijgt

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-10-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 334, nr. 23)

3526

26-09-2016

AO Kinderopvang

De Minister stuurt de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling de uitkomsten van de evaluatie Gunning en zijn reactie daarop

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 318)

3527

26-09-2016

AO Kinderopvang

De Minister stuurt zijn visie op SMI aan de Tweede Kamer voor januari 2017

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 320)

3529

21-09-2016 Algemeen Politieke Beschouwingen Tweede Kamer

De Minister zegt toe dat half oktober (ruim voor de begrotingsbehandeling SZW) een brief wordt gestuurd aan de Tweede Kamer over buitenlandse financiering van organisaties. De aangenomen motie-Segers/Zijlstra (34 550, nr. 17) zal daarbij worden betrokken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 04-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 614, nr. 56)

3530

21-09-2016 Algemeen Politieke Beschouwingen Tweede Kamer

De Minister zegt toe dat de Tweede Kamer half oktober een brief ontvangt over de buitenlandse financiering van de aankoop van een schoolgebouw in Rotterdam door een salafistische organisatie

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 04-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 614, nr. 56)

3533

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om in het eerste kwartaal van 2017 inzicht te verschaffen in de duurzaamheid van banen door middel van een rapportage van UWV

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017(Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3535

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zal begin volgende week een nota van wijziging op het wetsvoorstel Stroomlijning indienen zodoende de no risk polis na 2020 structureel beschikbaar te stellen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 514, nr. 8)

3536

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris informeert de Tweede Kamer met een brief voor 15-03-2017 over de uitkomsten van de gesprekken met de Werkkamer en Programmaraad over matchen op werk

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 779)

3538

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om via de Voorjaarsnota een voorstel te doen om te regelen dat de onbenutte gelden van de 100 mln voor beschut werk niet terugvloeien naar de staatskas maar beschikbaar blijven voor de Participatiewet

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 587, nr. 18)

3540

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om de Tweede Kamer voor het kerstreces een brief te sturen waarin ze aangeeft of het opportuun is om een AMvB voor bepaalde tijd te evalueren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 50)

3542

AO Handhaving 02-11-2016

Onderzoek postpakketsector. De Minister zegt toe het rapport dat de Inspectie SZW opstelt naar aanleiding van de motie van de leden van Weyenberg en Heerma (Kamerstukken II, 29 502, nr. 118) om de Inspectie SZW een nadrukkelijkere rol te laten spelen in de handhaving in de pakketpostsector begin 2017 aan de Tweede Kamer aan te bieden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 502, nr. 139)

3543

01-11-2016

Mondelinge vraag

Rapport Kerk in Actie «Toename hulpverzoeken bij Kerken»

De Staatssecretaris zegt toe dat zij de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling van SZW zal informeren over de stand van zaken rond kinderen in armoede

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 380)

3544

01-11-2016

Mondelinge vraag

Rapport Kerk in Actie «Toename hulpverzoeken bij Kerken»

De Staatssecretaris zegt toe de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling nader te informeren over haar reactie op het rapport van Kerk in Actie en de te nemen vervolgstappen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 381)

3545

15-11-2016

VAO Arbeidsmarktbeleid (N.a.v. het AO Arbeidsmarktbeleid van 27-10-2016)

De Minister heeft toegezegd in overleg te treden met Staatssecretaris Wiebes over de vraag wat het probleem is met de regeling in Den Haag. Volgende week ontvangt de Tweede Kamer van de Minister of van Staatssecretaris Wiebes een brief over wat wel en niet kan bij het generatiepact

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 752)

3546

02-11-2016

AO Handhaving

De Minister zegt toe een afschrift van de Verzamelbrief met een nieuwe instructie voor gemeenten hoe om te gaan met EU-burgers die bijstand aanvragen voor 1 januari 2017 aan de Tweede Kamer te sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 29-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 2016D51304)

3547

24-11-2016

AO Pensioenonderwerpen

In januari 2017 ontvangt de Tweede Kamer een brief van het kabinet met daarin de stand van de dekkingsgraden op 31 december 2016 en een eventueel kabinetsvoorstel tot maatregelen. Advies van DNB en doorrekeningen van CPB maken onderdeel uit van deze brief

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 27-01-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 972, nr. AA)

3548

29-11-2016

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris spreekt met UWV over het advies beschut werk in relatie tot de ontwikkelmogelijkheden van de cliënt

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 05-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 578, nr. 17)

3550

29-11-2016

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris gaat voor de begrotingsbehandeling met Cedris in overleg over welke mogelijkheden er zijn om beschut werk tijdelijk in te zetten

Overleg met Cedris over welke mogelijkheden er zijn om beschut werk tijdelijk in te zetten heeft plaatsgevonden. Daarmee is deze toezegging ook afgedaan

3551

29-11-2016

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris zegt toe een onderzoek te doen naar de mogelijkheid de Praktijkroute voor beschut werk in te voeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3552

29-11-2016

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris geeft voor de begrotingsbehandeling een «houtskoolschets» over de voorlichting voor de doelgroep. Voor 15-03-2017 volgt een uitgewerkt plan

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 587, nr. 18)

3555

17-11-2016

AO Arbeidsmarktdiscriminatie

In februari 2017 zal een actieplan zwangerschapsdiscriminatie aan de Tweede Kamer worden toegezonden. Hierbij zal aandacht worden besteed aan de door het College voor de Rechten van de Mens gedane suggesties

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer van 22-3-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 775)

3556

17-11-2016

AO Arbeidsmarktdiscriminatie

De Minister vraagt de Algemene Rekenkamer om suggesties om acties op het gebied van arbeidsmarktdiscriminatie meetbaarder te maken

Afgehandeld met brief van BZK aan de Tweede Kamer d.d. 23-03-2017 (Voortgangsrapportage Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie 2017) (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 950, nr. 107)

3557

17-11-2016

AO Arbeidsmarktdiscriminatie

Goede voorbeelden (Charter Diversiteit, boegbeeld ouderenwerkloosheid) worden waar mogelijk kwalitatief geduid en meegenomen in de eerste voortgangsrapportage van Minister BZK over het Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie

Afgehandeld met brief van BZK aan de Tweede Kamer d.d. 23-03-2017 (Voortgangsrapportage Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie 2017) (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 950, nr. 107)

3558

17-11-2016

AO Arbeidsmarktdiscriminatie

Verstrekt – indien mogelijk – cijfers over het aantal personen bij het Rijk die een cursus hebben gevolgd over selecteren zonder vooroordelen

Afgehandeld met brief van BZK aan de Tweede Kamer d.d. 23-03-2017 (Voortgangsrapportage Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie 2017) (Kamerstukken II, 2016–2017, 30 950, nr. 107)

3559

AO Handhaving 2-11-16

Openbaarmaking HH-toetsen: De Minister zegt toe de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling te informeren over de vraag of handhavingstoetsen van de Inspectie SZW openbaar gemaakt kunnen worden en aan Kamerleden in vertrouwelijkheid ter inzage te leggen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-11-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 14)

3563

02-11-2016

AO Handhaving

In contact treden met het SNA over nadere informatie over de 550 bedrijven die het keurmerk hebben verloren. Dit wordt meegenomen in de brief aan de Tweede Kamer over het het vergaat met het kenmerk begin 2017

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 26-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 17 050, nr. 537)

3565

19-01-2017

VAO Pensioenonderwerpen (n.a.v. het AO Pensioenonderwerpen van 24 november 2016)

De Staatssecretaris zegt op verzoek van de PvdA toe om voor 01-05-2017 te rapporteren over de gesprekken die gaande zijn met de uitzendbranche

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-06-2017 (Kamerstukken II 2016–2017, 32 043, nr. 364)

3566

06-12-2016

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV)

Kamerlid Weyenberg heeft tijdens begrotingsbehandeling 2017 een motie ingediend met het verzoek de werkloosheidsval voor werkenden met een inkomen van 120% wettelijk minimumloon weer op te nemen in de begroting. (Kamerstukken II, 2016–2016, 34 550 XV nr. 44)

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-02-2017, (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 71)

3567

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris stelt alles in het werk om de AMvB met het experimenteerartikel voor 15-03-2017 in het staatsblad te publiceren

De publicatie in de Staatscourant (Nr. 10881) op 01-03-2017

3569

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zal voor de zomer van 2017 de contouren van het onderzoek naar de praktijkroute beschut werk aan de Kamer zenden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3570

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om in februari 2017 aan de Tweede Kamer te melden welk onderzoeksbureau de pilot «overdraagbaarheid quotum na inkoop van producten bij bedrijven op de hoogste trede van de PSO-ladder» gaat uitvoeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3571

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om bij de bewindspersonen BZK na te gaan hoe vanaf 01-03-2017 de taken van de aanjager banenafspraak overheid worden ingevuld. Zij vraagt hen om de Tweede Kamer hierover in een brief te informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 07-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 777)

3573

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om te verkennen hoe het staat met het voorkeursbeleid bij werving voor de doelgroep banenafspraak en de Tweede Kamer voor 15-03-2017 hierover te informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3575

02-11-2016

AO Handhaving

De Minister zegt toe een overzicht te geven van de nationale en bilaterale maatregelen om het beginsel van «gelijk loon voor hetzelfde werk op dezelfde plaats» dichterbij te brengen.

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 16-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 17 050, nr. 534)

3578

26-01-2017

AO Participatiewet

Voorkeursbeleid bij werving van doelgroepen banenafspraak. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd of een werkgever voorkeursbeleid voor de doelgroep van de banenafspraak mag voeren als een vacature zich daarvoor leent.

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3579

27-10-2016

AO Participatiewet

Pilot Overdraagbaarheid quotum na inkoop van prodcuten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3580

09-02-107

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte,

Arbeidsongeschiktheid en

Arbeidsmarktbeleid

De Minister informeert de Tweede Kamer voor de zomer over het resultaat van gesprekken met sociale partners over het opzetten van een onafhankelijk instituut voor beoordeling van schadeverhaal beroepsziekten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 06-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 25 883, nr. 295)

3582

06-10-2016

AO Ouderenwerkloosheid

Uitwerking van het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers». Aan de Tweede Kamer is toegezegd om vóór het einde van het jaar 2016 een uitwerking van het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» naar de Tweede Kamer te sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-12-2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 763)

3584

14-02-2017

VAO Participatiewet (n.a.v. AO van 26 januari 2017)

De Staatssecretaris zegt toe om naar aanleiding van de evaluatie van de ESB-regeling te bekijken of de strakke koppeling aan de schooljaren met enige flexibiliteit ingezet kan worden

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 09-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 224, nr. 39)

3585

19-01-2017

VAO Pensioenonderwerpen (n.a.v. het AO Pensioenonderwerpen van 24 november 2016)

De Staatssecretaris zal de pensioensector aanspreken op de diversiteit in besturen van pensioenfondsen. Zij zal voor 1 mei hierover rapporteren aan de Tweede Kamer

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 362)

3586

19-01-2017

VAO Pensioenonderwerpen (n.a.v. het AO Pensioenonderwerpen van 24 november 2016)

De Staatssecretaris zal navraag doen naar de opvatting van DNB over de toetsing van 30 bestuurders die nog voor 2000 in functie zijn gekomen en hierover aan de Tweede Kamer rapporteren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-4-2017 (Kamerstukken II. 2016–2017, 32 043, nr. 362)

3588

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

AFM AOV ZZP. De Minister zal de AFM vragen een onderzoek uit 2011 naar AOV’s van zzp’ers te herhalen. Hierbij zal de Minister de AFM verzoeken om bij dit onderzoek ook advocaten die zich bezig houden met claimbeoordeling van verzekeraars te betrekken. De Minister laat spoedig weten hoe de AFM hierop reageert

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 12-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, aanhangsel 2323)

3589

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

Uitvoering ZW bezwaarmogelijkheid. De Minister informeert de Tweede Kamer in het voorjaar over gesprekken met het UWV over bekendheid van de bezwaarmogelijkheid voor ZW-uitkeringsgerechtigden bij UWV bij klachten over de private uitvoering

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 01-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 786)

3590

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

Evaluatie actieplan 50 plussers. De Minister zal eind maart 2017 het evaluatiekader voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplus naar de Kamer sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-05-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 544, nr. 782)

3596

02-06-2016 34 378 (Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen)

De Staatssecretaris zal advies SER vragen inzake medezeggenschap van werknemers in kleine ondernemingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-02-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 360)

3597

Uitgaande brief 13-09-2016 Beantwoording schriftelijke overleg IORP. (Kst. 33 931, nr. 18)

Het kabinet zal zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn, het implementatieplan naar de Tweede Kamer sturen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 13-04-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 931, nr. 20)

3602

21-06-2017

AO Armoede- en schuldenbeleid

De Staatssecretaris komt in de week na het bestuurlijk overleg met VNG (6 juli) terug op de mogelijkheid van een schuldhulplijn

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 407)

3603

21-06-2017

AO Armoede- en schuldenbeleid

De Staatssecretaris verschaft de Tweede Kamer voor het zomerreces inzicht in de schuldhulpverlening aan jongeren in de gemeenten Den Haag en Leiden en geeft daarbij aan wanneer de gemeenten de eerste resultaten van deze aanpak verwachten

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 407)

3604

21-06-2017

AO Armoede- en schuldenbeleid

De Staatssecretaris stuurt de Tweede Kamer voor het zomerreces de resultaten toe van de pilot voor jonge nabestaanden in de gemeente Zwolle

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 23-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 29 358, nr. 243)

3605

21-06-2017

AO Armoede- en schuldenbeleid

De Staatssecretaris vraagt in de verzamelbrief van juli 2017 aandacht voor de invulling van de kindpakketten door gemeenten en gemeenteraden

Afgehandeld met afschrift van verzameldbrief aan gemeente, brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 407)

3606

21-06-2016

AO Armoede- en Schulden-beleid

De Staatssecretaris zal haar verantwoordelijke collega’s van VenJ en EZ vragen de wenselijkheid van een verbod op het opkopen en doorverkopen van schulden te verkennen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–201 7, 24 515, nr. 407)

3610

21-06-2017

AO Kinderopvang

Voor het reces zal de Minister met de betrokken partijen overleggen over buitenspeelruimte en de Tweede Kamer over de uitkomsten informeren. Tevens informeert de Minister de Tweede Kamer over de communicatie richting ouders over de verschillende financieringsstromen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 12-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 322, nr. 336)

3611

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Staatssecretaris stuurt in de zomer een brief aan de Tweede Kamer over de opzet van het verbeterplan van de RCN-unit SZW naar aanleiding van de bevindingen van de ADR en de AR

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 725-XV, nr. 19)

3617

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Staatssecretaris informeert de Tweede Kamer voor de zomer over de stand van zaken met betrekking tot beschutte werkplekken

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 30-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 352, nr. 58)

3619

15-06-2017

AO Pensioenonderwerpen

Tijdens het AO Pensioenonderwerpen van 15 juni jl. heeft de Staatssecretaris toegezegd om de Tweede Kamer voor het zomerreces te informeren over een aantal uiteenlopende onderwerpen

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d.11-07-207 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 374)

3620

12-04-2017 plenair debat onderzoek Eurozone naar de fiscale houdbaarheid van pensioenstelsels

De Staatssecretaris heeft de Tweede Kamer toegezegd een actualisatie te geven van de ontwikkelingen ten aanzien van grensoverschrijdende pensioenregelingen. De Staatssecretaris heeft daarbij tevens toegezegd nogmaals aan te geven wat er in dit kader onder de huidige wet- en regelgeving mogelijk is en wat er verandert met de implementatie van de herziene IORP-richtlijn

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 02-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 364)

3625

28-06-2017

VAO Armoede en Schuldenbeleid

De Staatssecretaris heeft toegezegd op verzoek van de SP toegezegd om in de volgende brief aan de Tweede Kamer over het armoede- en schuldenbeleid kort in te gaan op het pamflet van VNG, Divosa, NVVK en Sociaal Werk Nederland over de armoede- en schuldenproblematiek

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 14-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 24 515, nr. 407)

3628

16-05-2017

Mondelinge vraag van het lid GIJS VAN DIJK (PvdA) over het bericht «Ruim € 30 mln aan bonussen voor beleggers APG» (goedgekeurd)

De Staatssecretaris zal de Minister van BZK vragen in overleg te treden met het bestuur van het ABP over de bonussen bij APG en de Tweede Kamer daarover te informeren

Afgehandeld met brief aan de Tweede Kamer d.d. 11-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 32 043, nr. 374)

6.3.4 Lopende toezeggingen
Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 1996–1997

ID1

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3

Uitgaande brief 29-10-1996 Kabinetsstandpunt over bekrachtiging van protocol bij ILO-verdrag nr. 81 (Arbeidsinspectie) Kamerstukken II, 1996–1997, 25 478, nr. 4

Kabinetsstandpunt over bekrachtiging van protocol bij ILO-verdrag nr. 81 (Arbeidsinspectie)

Er is samenhang met een lopende procedure bij de ILO (art. 24 procedure, d.d. juni 2012) over naleving door Nederland van ILO-Verdrag 81. Naar verwachting kan het nieuwe kabinet in 2018 een beslissing nemen over de wenselijkheid van bekrachtiging door Nederland van dit protocol

X Noot
1

Dit is een identificatienummer voor de administratie van de toezegging binnen het Ministerie van SZW.

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2010–2011

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

2382

Plenaire behandeling Wetsvoorstel (Aanpassing Wet arbeid vreemdelingen; introductie van de referent in de Vreemdelingenwet 2000 en verkorting van de wachttermijn voor seizoenswerkers

De Tweede Kamer ontvangt een brief over de beleidsregels UWV inzake de nieuwe weigerings/intrekkingsgrond, binnen een half jaar nadat het wetsvoorstel door beide Kamers is aanvaard

Planning: brief naar Tweede Kamer januari 2018

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2011–2012

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3145

19-06-2012 Plenaire behandeling wetsvoorstel (Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met bonussen voor werkgevers voor het in dienstnemen en in dienst houden van oudere werknemers en arbeidsgehandicapte werknemers) (33 284) Evaluatie mobiliteitsbonussen

De mobiliteitsbonussen voor oudere werklozen en arbeidsgehandicapten dient te worden geëvalueerd. Deze toezegging is ook opgenomen in de evaluatie agenda

Planning oplevering evaluatie: 4e kwartaal 2019

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2012–2013

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

2831

17-04-2013 Plenaire behandeling van de Herziening van de Wet arbeid Vreemdelingen (33 475)

De Minister zegt op verzoek van D66 toe na een te jaar kijken naar het aantal verleende twv’s en in hoeverre deze repeterend worden toegekend

Planning: brief naar Tweede Kamer januari 2018

2868

22-05-2013 Vervolg plenaire behandeling Wetsvoorstel Versterking Bestuur Pensioenfondsen (33 182)

In de evaluatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen worden ook de onderwerpen visitatiecommissie, diversiteit en de bevindingen van DNB over onder meer bestuursleden zonder stemrecht meegenomen

Planning: Start van de evaluatie is drie jaar na inwerkingtreding van de organisatiebepalingen van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en dat is 1 juli 2017. De resultaten van de evaluatie inclusief de monitoring kunnen vervolgens begin 2018 aan beide Kamers gemeld worden

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2013–2014

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

2935

20-03-2014 AO SUWI-onderwerpen

De Minister zal de Tweede Kamer informeren over verplichte inschrijving door werkzoekenden bij een uitzendbureau en de mogelijkheid van een uitzendbureau om inschrijving te weigeren

Er vindt overleg plaats tussen het UWV en SZW over de invulling van de sollicitatieplicht en de uitvoering van de verplichte inschrijving bij een uitzendbureau. De Tweede Kamer zal in de eerste helft van 2018 worden geïnformeerd over de vermeende weigering door uitzendbureaus en de invulling van de verplichte inschrijving. Planning: Tweede kwartaal van 2018

3075

23-01-2014

AO Arbeidsomstandigheden

(Arbo)

Brand windturbine: De Minister zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de resultaten van de onderzoeken n.a.v. de brand in een windturbine met dodelijke slachtoffers

Het OM heeft nog geen beslissing genomen over strafvervolging.

3090

13-02-2014 Plenair debat Wet werk en zekerheid (33 818) Voortzetting

De Minister zegt toe nauwlettend te zullen volgen of de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie in de WWZ er, gezien de precedentwerking, toe leidt dat het aantal zaken bij de rechter op termijn zal afnemen. De Minister zegt ook toe scherp in de gaten te houden of het middel niet misbruikt wordt (in die zin dat het een onderhandelpunt wordt), en of dit al dan niet leidt tot een toename van hogere vergoedingen in vaststellingsovereenkomsten dan de wettelijke transitievergoeding. Dit zal te zijner tijd onderzocht worden door een enquête onder werkgevers en werknemers te houden, om na te gaan hoe de vaststellingsovereenkomsten eruit zien. De Tweede Kamer zal over de resultaten worden geïnformeerd

Wordt meegenomen met de evaluatie van de Wwz in 2020 zoals aangegeven in de eerste voortgangsbrief Wwz (2015)

3093

13-02-2014 Plenair debat Wet werk en zekerheid (33 818) Voortzetting

De Minister zegt toe dat hij de jurisprudentie over de uitwerking van het criterium «billijke vergoeding» bij «ernstig verwijtbaar handelen of nalaten» in de WWZ op de voet zal volgen en zal analyseren. Daarmee wacht hij niet op de evaluatie van de totale WWZ in 2020. Als het misgaat, als het uit de hand loopt, komt de Minister terug naar de Tweede Kamer met voorstellen

Onderzoek ten behoeve van een evaluatie criterium ernstige verwijtbaarheid is gaande. Zoals aangegeven in de tijdlijn van de evaluatie Wwz (bijlage bij eerste voortgangsbrief Wwz dd 27-11-2015), is het streven om de resultaten aan het eind van 2017 gereed te hebben

3110

05-06-2014 AO Inburgering

De Minister zegt toe, n.a.v. vragen De Graaf PVV betreffende inburgeraars die met lening examen hebben gedaan en dat niet hebben gehaald en die vervolgens uit beeld raken, om welke aantallen gaat het dan, hoeveel geld is daarmee gemoeid, hoe wordt het geleende geld dan teruggehaald, deze vragen mee te nemen bij de reeds toegezegde rapportage over de terugbetalingsdiscipline van DUO-leningen

De Tweede Kamer zal in het laatste kwartaal van 2018 hierover worden geïnformeerd

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2014–2015

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3174

01-10-2014 Vervolg AO Kinderopvang

Vraag of kinderopvang onder WNT valt, wordt meegenomen in de nadere uitwerking van de omkering die aankomend voorjaar aan de Tweede Kamer wordt aangeboden

Dit wordt meegenomen in het initiële wetsvoorstel Directie Financiering. Het is aan het nieuwe Kabinet om dit wetsvoorstel aan te bieden aan de Tweede Kamer

3186

De Minister zal de Kamer informeren over verplichte inschrijving door werkzoekenden bij een uitzendbureau en de mogelijkheid van een uitzendbureau om inschrijving te weigeren

De Minister heeft toegezegd dat hij, naar aanleiding van het bericht in de Volkskrant van 27 oktober, UWV opheldering zal vragen of het bericht in de Volkskrant juist is;of er sprake is van een incident of structureel;of de in 2013 gemaakte afspraken zijn geïmplementeerd.hoe de bescherming van de medische privacy gewaarborgd wordt voor iedereen die contact heeft met UWV. Alsdan zal de Minister bezien of dat moet leiden tot nadere maatregelen. Over de uitkomsten zal de Minister de Tweede Kamer informeren

De AP heeft haar voorlopige bevindingen uitgebracht aan het UWV. AP brengt definitief rapport in het najaar 2017 uit. De Kamer wordt geïnformeerd direct nadat het definitieve rapport van de AP is ontvangen

3199

13-11-2014

AO Participatiewet en WWB-onderwerpen

De Staatssecretaris heeft toegezegd voor het einde van het jaar een brief te sturen over social return bij het Rijk in relatie tot de banenafspraak. Dit betreft geen nieuwe toezegging maar een herhaling van de toezegging, zoals gedaan in de brief van V&J

Vanuit het Ministerie van BZK zijn proeftuinen gestart over de uitvoering van de banenafspraak binnen de rijksoverheid. De resultaten daarvan worden eind 2017 gecommuniceerd naar de Tweede Kamer, door Minister V&J. De inhoud van de Kamerbrief raakt de inhoud van de toezegging (en wordt zo afgedaan)

3239

22-01-2015

AO Inburgering

De Minister zegt toe om een brief naar de Tweede Kamer te sturen over Europese procedures zodra infractieprocedure EC over Wib officieel binnen is

Brief over aanpassingen in Vreemdelingen-regelgeving is op 18 november 2016 naar EC verstuurd. Daarop is geen reactie van de EC ontvangen. Pas wanneer dat het geval is, kan de Tweede Kamer geïnformeerd worden. Het is ook mogelijk dat de EC helemaal niet reageert

3267

25-02-2015 Plenair debat Wetsvoorstel Pensioencommunicatie (34 008)

Voor de zomer wordt de Tweede Kamer geïnformeerd hoe het best kan worden gecommuniceerd over het werkgeversdeel in de pensioenpremie

Loopt mee in implementatie IORP-richtlijn. De richtlijn moet 13-01-2019 in werking treden

3290

12-03-2015 Plenaire behandeling Wet werken na de AOW (34 073)

De Minister zal de werking van de WAA-maatregel uit het wetsvoorstel Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd betrekken bij de evaluatie van de wet (of dit inderdaad als antiverdringingsmaatregel werkt en AOW-gerechtigden niet juist aantrekkelijker maakt als werknemer)

Planning: Betrekken bij evaluatie over de werking van de wet over de eerste twee jaar na inwerkingtreding, najaar 2018 gereed

3302

Uitgaande brief 19-12-2014 Wetsvoorstel pensioencommunicatie. (Kamerstukken II 2014–2015, 34 008, nr. 6)

Drie jaar na inwerkingtreding van het (volledige) wetsvoorstel nagaan of de maatregelen hebben bijgedragen tot een beter pensioenbegrip van de deelnemer en daarbij ook na te gaan of er sprake is geweest van een verlaging van de regeldruk

Wet Pensioencommunicatie is 1 juli 2015 gefaseerd in werking getreden. Onderzoek in 2018

3335

16-06-2015 Plenaire behandeling Wet Algemeen Pensioenfonds

Het keuzerecht rond de ingang van de pensioendatum wil de Staatssecretaris snel nader bestuderen. Als het enigszins kan neemt de Staatssecretaris het in de beantwoording van de Kamervragen van de heer Omtzigt over de kleine pensioenen mee

Dit onderwerp gaat meelopen in het wetstraject waardeoverdracht en kleine pensioenen, dat naar verwachting in augustus 2017 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend (voor Prinsjesdag)

3340

Uitgaande brief 13-07-2015 Onderzoek gepensioneerden in besturen beroepspensioenfondsen (Kamerstukken II 2014–2015, 33 863, nr. 33)

Er zijn veel ontwikkelingen gaande bij de beroepspensioenfondsen, die de Staatssecretaris de komende jaren zal blijven bezien. De Staatssecretaris is voornemens de Kamer over twee jaar te informeren over hoe die ontwikkelingen zijn verlopen en welke conclusies daaruit zouden kunnen volgen

Loopt mee in de evaluatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, die begin 2018 aan de Tweede Kamer wordt verzonden

3357

02-09-2015 Plenaire behandeling wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige buitenschoolse opvang (34 195)

Meer duiding geven aan het begrip structureel en regelmatig ten behoeve van de praktijk. Dit door in overleg met de branche in te zetten op communicatie hierover n door met de toezichthouder de invulling van het begrip vast te leggen in de beleidsregels werkwijze toezichthouder. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd voor de inwerkingtreding van de wet, komend voorjaar

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2017 hierover schriftelijk geïnformeerd

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2015–2016

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3375

23-09-2015 AO Arbeidsmigratie

Er komt in oktober een brief van de Minister van SZW en de Staatssecretaris Financiën over de ET-regeling

Rond de ET-regeling heeft de Minister tijdens het AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid d.d. 9 februari 2017 aangegeven dat zowel de wetgever, als de sociale partners moeten bijdragen aan een oplossing. Indien er wordt gekozen voor een wetgevende oplossing is dit allen mogelijk door aanpassing van het fiscale bouwwerk. Dit wil de Minister aan een volgend kabinet laten

3385

Uitgaande brief 14-10-2015 Inzagerecht raad van toezicht en verantwoordingsorgaan

Tijdens de behandeling van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen heeft de Staatssecretaris toegezegd om drie jaar na de inwerkingtreding van de organisatiebepalingen uit deze wet – 1 juli 2017 – een evaluatie uit te zullen voeren. De Staatssecretaris is bereid om in het kader van deze evaluatie de wenselijkheid van een inzagerecht van verantwoordingsorganen in contracten en kosten van het pensioenfonds mee te nemen

Planning: Start van de evaluatie is drie jaar na inwerkingtreding van de organisatiebepalingen van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en dat is 1 juli 2017. De resultaten van de evaluatie inclusief de monitoring kunnen vervolgens begin 2018 aan beide Kamers gemeld worden

3403

Uitgaande brief 27-11-2015 Opzet evaluatie Wwz en eerste beeld invoering Wwz. (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 351, nr. 1)

De Minister zal de Tweede Kamer periodiek, halfjaarlijks, via voortgangsrapportages informeren over de werking van de Wwz. In deze halfjaarlijkse brieven zullen dan verschillende toezeggingen en deelrapportages over de Wwz meelopen die eerder zijn toegezegd

Deze toezegging loopt tot 1-1-2020. Halfjaarlijks wordt er een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over de voortgang van de Wwz. De vierde brief is van 05-07-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 351, nr. 24)

3404

Uitgaande brief 10-12-2015 Beantwoording van de Kamervragen van het lid Vermeij over de representativiteit van beroepspensioenfondsen

De Staatssecretaris wil een duurzame oplossing vinden voor de beroepspensioenregelingen. Daarom wil de Staatssecretaris in overleg met de pensioensector en sociale partners kijken naar de wijze van verplichtstelling van beroepspensioenfondsen, in het bijzonder in relatie tot beroepsgenoten in loondienst en zelfstandigen, en mede in relatie tot de voorgenomen wijziging van de vormgeving van verplichtstelling van bedrijfstakpensioenfondsen

Dit loopt mee in de toekomstdiscussie pensioenen. Planning wetgeving: eind 2020

3413

29-09-2015 Stemmingen n.a.v. de ingediende amendementen, moties en het wetsvoorstel plenaire behandeling wijziging van de Participatiewet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet financiering sociale verzekeringen ivm harmonisatie van instrumenten ter bevordering van arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten (34 194)

Na drie jaar vindt een evaluatie naar de werking van de no-riskpolis plaats. Op basis daarvan zal worden bezien of er aanleiding is voor wetgeving met het oog op de situatie na 2020. (...) Wanneer de tussentijdse evaluatie aanleiding geeft tot continuering van de uniforme no-riskpolis zal daarvoor een nieuwe wettelijke basis moeten worden getroffen. Voorts is met sociale partners en VNG afgesproken dat na drie jaar de stand van zaken wat betreft de premiekorting doelgroep banenafspraak zal worden bezien en dat na vijf jaar de mobiliteitsbonus verdwijnt voor de doelgroep van de banenafspraak. De dan resterende financiële middelen kunnen dan voor andere arbeidsmarktinstrumenten in de belasting- en premiesfeer worden ingezet

De evaluatie dient begin 2019 beschikbaar te zijn omdat er dan voldoende volume is om de evaluatie over drie jaar te kunnen uitvoeren. In de aanloop daar naar toe zal met betrokken partijen de evaluatie worden voorbereid. Planning: januari 2019

3479

02-06-2016 Plenaire behandeling wijz.wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet ivm de bevoegdheden van de ondernemingsraad inz. de arbeidsvoorwaarden pensioenen

Op verzoek van VVD en PvdA heeft de Staatssecretaris toegezegd om de uitvoering van de wet in de praktijk – inclusief eventuele procedures bij de rechter – te monitoren en de Tweede Kamer daarover na twee jaar te informeren

Planning: evaluatie medio 2018

3483

Uitgaande brief 21-06-2016 Reactie op aangenomen motie 31 497 nr. 188 over een Wajong-uitkering voor ernstig meervoudig gehandicapte kinderen

De Staatssecretaris gaat de in de motie geschetste situatie dat ouders om financiële redenen hun kinderen van school afhalen als onderdeel van de evaluatie Participatiewet onderzoeken. Met de tussenrapportage evaluatie Participatiewet rapporteert de Staatssecretaris de Tweede Kamer voor het zomerreces van 2017 over de resultaten van dit onderzoek

Het onderzoek naar deze gegevens loopt en wordt in de zomer afgerond. Planning brief aan Tweede Kamer: 4e kwartaal 2017

3519

30-06-2016 Uitgaande brief tweede voortgangsbrief Wwz

De Minister zegt toe om de Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten van het gesprek met de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) over de toepassing van het nieuwe ontslagrecht uit de Wwz. Het gaat om de constatering uit onderzoek dat de hoogte van de transitievergoeding soms lijkt te worden meegewogen bij het toe- of afwijzen van een ontbindingsverzoek en om de vraag waarom rechters menen in soms te weinig ruimte te zien om te ontbinden o.g.v. een verstoorde arbeidsverhouding

Planning: het gesprek met de RvdR heeft nog niet plaatsgevonden

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen, vergaderjaar 2016–2017

ID

Datum/Vindplaats

Omschrijving

Stand van zaken

3525

21-09-2016 Algemeen Politieke Beschouwingen Tweede Kamer

De SER zal de eerdere adviesaanvraag over loondoorbetaling bij ziekte en langdurige werkloosheid uitbreiden naar een breder advies over de arbeidsmarkt

De verwachting is dat de SER het advies aan het nieuwe kabinet wil aanbieden. Daarna zal de kabinetsreactie voorbereid worden. Planning verzending aan Tweede Kamer: 2e kwartaal 2018

3534

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe dat er in de beleidsdoorlichting van de Wajong aandacht zal zijn voor de systematiek van de loonaanvullingsregeling in de Wajong die niet altijd lonend werkt

Onderzoek beleidsdoorlichting loopt. Verschillen in loonaanvulling bij loondispensatie wordt meegenomen in het onderzoek. Rapport en kabinetsstandpunt wordt eind 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden. Planning: 4e kwartaal 2017

3539

27-10-2016

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe jaarlijks inzicht te verschaffen in de experimenten. Eerste keer ¾ jaar na de start van de experimenten

De experimenten starten naar verwachting in 2017. De eerste rapportage conform deze toezegging kan niet eerder dan eind 2017 plaatsvinden. Planning december 2017

3549

29-11-2016

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling Tweede Kamer 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris zegt toe in de verzamelbrief aandacht te vestigen op het feit dat gemeenten in hun verordening aandacht moeten geven hoe ze omgaan met personen die wel een positief advies hebben, maar voor wie in een jaar geen beschut werkplek beschikbaar is

Komt in de eerstvolgende verzamelbrief, datum afronding afhankelijk van verzending brief. Beoogd is de Tweede Kamer in de eerstvolgende verzamelbrief in november te informeren. Planning: november 2017

3553

Stemmingen n.a.v. de ingediende moties en het wetsvoorstel bij de plenaire behandeling 34 578 (Wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute)

De Staatssecretaris zegt toe dat ze behoefte aan beschut werkplekken gaat monitoren.

Dit is een nog niet nagekomen toezegging. De behoefte aan beschutte werkplekken zal structureel gemonitord worden en deze informatie maakt onderdeel uit van de reguliere beleidsinformatie van het UWV. Bij gelegenheden en waar nodig zullen wij de Tweede Kamer van de stand van zaken op de hoogte stellen. Beoogd is de Kamer hierover december te informeren. Planning: december 2017

3554

17-11-2016

Arbeidsmarktdiscriminatie

Het Team Arbeidsinspectie van de Inspectie SZW kijkt bij een tweede (herhaald) bedrijfsbezoek specifiek welke wijzigingen in het bedrijf n.a.v. het eerste bedrijfsbezoek zijn doorgevoerd

Betrekken bij herinspecties die vanaf het voorjaar 2017 gepland staan. Terugkoppeling aan Tweede Kamer wordt meegenomen in 2e voortgangsrapportage over het Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie die in het voorjaar 2018 aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden door BZK, mede namens SZW en andere ministeries

3561

Uitgaande brief 21-12-2016

Grensoverschrijdende pensioenregelingen

Het Kabinet zal nader besturen of er aanpassingen nodig zijn om in de mogelijkheid van maatwerk in de governance van het algemeen pensioenfonds voor buitenlandse regelingen tot wasdom te laten komen en, zo ja, wat de effecten daarvan zijn

Bezien zal worden of dit kan meelopen in de evaluatie governance die in 2017 wordt uitgevoerd

3562

Uitgaande brief 22-12-2016

Fusie van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen met tijdelijke afgescheiden vermogens

Vrijwillige aansluitingen bij verplicht bpf: door middel van een extern onderzoek zal worden bekeken in hoevere vrijwillige aansluitingen plaatsvinden, of dit in de praktijk tot problemen leidt en zo ja of het wenselijk zou zijn dat hier beperkingen of randvoorwaarden aan verbonden zijn

Er wordt naar gestreeft het onderzoek inclusief kabinetsreactie voor 01-10-2017 aan de Tweede Kamer te sturen (na Prinsjesdag)

3564

02-11-2016

AO Handhaving

De Minister zegt toe de Tweede Kamer in het voorjaar van 2017 te informeren over de mogelijkheden die de Aanbestedingswet biedt om bedrijven die arbeidswetten meermaals overtreden en uitzendbureaus die zich niet houden aan het SNA-keurmerk uit te sluiten van overheidsopdrachten

Planning: brief naar de Tweede Kamer na het vierde kwartaal 2017

3568

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris laat nader onderzoek doen naar de constructie van Flextensie en bericht de Tweede Kamer voor het zomerreces hierover. Ook de volgende punten moeten inzichtelijk worden gemaakt:

○ De aantallen en de snelheid waarmee mensen doorstromen naar een betaalde baan

○ De tarieven die hierbij gehanteerd worden

○ Of er sprake is van oneerlijke concurrentie en onderbetaling

○ Of de gemeenten en de inlenende werkgevers aan Flextensie hoge inkomsten genereren in tegenstelling tot de uitkeringsgerechtigde

Opdracht onderzoek is gegund aan de Beleidsonderzoeker. Naar verwachting is het onderzoek in september gereed en kan de Tweede Kamer daarover geïnformeerd worden. Planning: september 2017

3572

26-01-2017

AO Participatiewet

De Staatssecretaris zegt toe om voor 15 maart een overzicht van de verschillende Wajong-regelingen naar de Tweede Kamer toe te sturen om inzichtelijk te maken hoe de verschillende loonaanvullingensregeling uitpakken voor Wajongers bij werken. Tevens wordt inzicht gegeven in de korting van 5% voor werkenden vanaf 2018

Planning versturen brief aan Tweede Kamer: vierde kwartaal 2017

3576

19-02-2017

VAO Pensioenonderwerpen (n.a.v. het AO Pensioenonderwerpen van 24 november 2016

De Staatssecretaris zegt toe om, als de Raad van State er in slaagt snel te adviseren, voor 1 mei het wetsvoorstel fusie verplichtgestelde bedrijfstak-pensioenfondsen met tijdelijke afgescheiden vermogens bij de Tweede Kamer te hebben

Planning: wetsvoorstel na de zomer 2017 naar de Tweede Kamer (na Prinsjesdag)

3581

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

De Minister informeert de Tweede Kamer dit voorjaar over de verkenning naar het inrichten van een fonds voor slachtoffers van schildersziekte

De Tweede Kamer is met de brief «Tussenrapportage OPS verkenning» (ID 9830) d.d. 29-06-2017 (Kamerstukken II, 2016–2017, 30-06-2017, 29 544, nr. 790) geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de voortgang van de verkenning naar de bereidheid van bedrijfssectoren om OPS slachtoffers financieel tegemoet te komen. In deze brief wordt aangegeven dat er meer tijd nodig is om de verkenning af te ronden. De Tweede Kamer zal naar verwachting in de loop van het najaar 2017 worden geïnformeerd over de resultaten van de verkenning

3587

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

Sollicitatieplicht AOW. De Minister zal snel een schriftelijke toelichting geven op het voornemen de sollicitatieplicht voor werklozen vanaf één jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd geheel af te schaffen

Op 21-03-2017 heeft de Minister een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over dit onderwerp (Kamerstukken II, 2016–2017, documentnummer 2017D08063). Vervolgens is dit onderwerp controversieel verklaard

3591

09-02-2017

AO Arbeidsmigratie, Loondoorbetaling bij ziekte, Arbeidsongeschiktheid en Arbeidsmarktbeleid

Effectiviteit No Risk Polis. De Minister informeert de Tweede Kamer voor het einde van het jaar (2017) over de Rapportage effectiviteit van de no-risk polis

De enquête onder werknemers wordt uitgevoerd. Planning Tweede Kamer te informeren: eind vierde kwartaal 2017

3593

Uitgaande brief 21-12-2016 wetsvoorstel waarde-overdracht kleine pensioenen

Het streven is het wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen op 1 januari 2018 in werking te laten treden

Planning: wetsvoorstel indienen bij de Tweede Kamer na de zomer 2017, vóór Prinsjesdag

3595

Uitgaande brief 24-02-2017

Medezeggenschap ten aanzien van pensioen in kleine ondernemingen

De Staatssecretaris beziet op welke wijze de aanbevelingen van de SER in het briefadvies medezeggenschap ten aanzien van pensioen in kleine ondernemingen uitgewerkt kunnen worden

Planning: brief naar de Tweede Kamer in najaar 2017 (na Prinsjesdag)

3598

Uitgaande brief 02-05-2017

Meerlingenverlof

Toegezegd is een nota van wijziging om meerlingenverlof uit wetsvoorstel Kraamverlof te halen en aan de Verzamelwet SZW 20187 toe te voegen

De tweede nota van wijziging betreft het eerste deel van de toezegging. Deze is op 29-05-2017 verstuurd naar de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 617, nr. 9). Het tweede deel, de toevoeging aan de Verzamelwet, wordt in september 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden (vóór Prinsjesdag)

3601

Uitgaande brief 13-06-2017

Verzamelbrief pensioenen 2017 en nettopensioen

Naar aanleiding van de vragen van het lid Lodders (VVD) meldt de Staatssecretaris dat DNB de eventuele blokkades voor een «carve out» tegen het licht zal houden en de Staatssecretaris (of haar opvolger) zal informeren over haar bevindingen. In september wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd

Verzoek is uitgezet bij DNB. Planning: in september 2017 brief naar de Tweede Kamer (na Prinsjesdag)

3607

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Minister stuurt vóór de SZW-begrotingsbehandeling een zo integraal mogelijke eerste tussenevaluatie van de sectorplannen toe

Planning tussenevaluatie Sectorplannen aan de Tweede Kamer: 4e kwartaal 2017 (vóór SZW-begrotingbehandeling)

3608

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Minister heeft toegezegd de Tweede Kamer, in samenspraak met OCW, te informeren over de netto-effectiviteit van de scholingsvouchers in het kader van mismatch op de arbeidsmarkt

Vanwege de doorlooptijd van de regeling wordt het eindrapport in 2019 aan de Tweede Kamer gestuurd. Een tussenrapportage van de uitkomsten wordt medio 2018 verwacht. Planning aan de Kamer: 3e kwartaal 2018

3609

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Minister informeert de Tweede Kamer in de zomer over de mogelijkheden tot onderzoek naar het door het UWV (nog) niet verklaarde deel van de verhoogde WIA-instroom

Planning informeren Tweede Kamer: derde kwartaal 2017 vóór Prinsjesdag

3612

21-06-2017

AO Kinderopvang

In het najaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de mogelijkheden van een betere ontsluiting van bestaande toezichtinformatie over kwaliteit van opvang voor ouders

Mogelijkheden voor betere ontsluiting worden op dit moment in samenwerking met de toezichthouder verkend

3613

21-06-2017

AO Kinderopvang

De uitkomsten van het ex ante kostprijsonderzoek naar de effecten van de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang zal uiterlijk in het eerste kwartaal van 2018 aan de Tweede Kamer worden verstuurd en waar mogelijk eerder

Onderzoek wordt aanbesteed. De uitkomsten van het onderzoek zullen uiterlijk in het eerste kwartaal van 2018 aan de Tweede Kamer worden verstuurd en waar mogelijk eerder

3615

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Minister informeert de Tweede Kamer in het najaar van 2017 over de plannen rondom landelijke arrangementen voor werkgevers. Hierbij wordt aandacht geschonken aan de rol en belangen van de arbeidsmarktregio’s

De stand van zaken van het Schakelpunt Landelijke Werkgevers wordt teruggekoppeld via een brief aan de Tweede Kamer. Planning: najaar 2017

3616

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Staatssecretaris zal de vraag over de stand van zaken inzake het inwerkingtredings KB mbt de vermogensvaststelling bij kwijtschelding gemeentelijke belastingen, doorgeleiden naar Financiën. Zij verwacht dat Financiën daar in de zomer duidelijkheid over kan geven aan de Tweede Kamer

Verzoek Kamer is doorgegeven aan Financiën. Beoogd is de Kamer over de stand van zaken inzake «het inwerkingtredings KB m.b.t. de vermogensvaststelling bij kwijtschelding gemeentelijke belastingen» in september te informeren. Planning: september 2017

3618

28-06-2017

Wetgevingsoverleg Jaarverslag SZW en Slotwet

De Minister stuurt de tabel met de verdeling van origineel budget en daadwerkelijk budget voor de sectorplannen, zoals in de brief van januari 2017 gebeurd is, mee met komende rapportages of brieven

De tabel met de benutting van de budgetten zal opgenomen worden in de halfjaarlijkse voortgangsbrieven aan de Tweede Kamer. De eerstvolgende voortgangsbrief over de sectorplannen staat gepland voor najaar 2017 (vóór de begrotingsbehandeling SZW 2018)

3621

14-06-2017

AO Behandelvoorbehoud Richtlijn tussen werk en privéleven

De Minister zal de Tweede Kamer op een later moment» meer informeren over de gevolgen van de voorstellen van de Europese Commssie inzake de bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven voor het MKB

De Minister zal de Tweede Kamer informeren als onderdeel van de geannoteerde agenda die voorafgaande aan de Sociale Raad aan de Tweede Kamer wordt aangeboden in het vierde kwartaal van 2017

3622

14-06-2017

AO Behandelvoorbehoud Richtlijn tussen werk en privéleven

De Minister zal het tegengaan van zwangerschapsdiscriminatie inbrengen bij de besprekingen van de voorstellen van de Europese Commssie inzake de bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven

Dit punt zal naar voren worden gebracht tijdens de werkgroepvergaderingen over de Commissievoorstellen in het vierde kwartaal van 2017

3623

14-06-2017

AO Behandelvoorbehoud Richtlijn tussen werk en privéleven

De Minister zal het uitbreiden van het recht op vaderschapsverlof tot vrouwelijke partners van de moeder inbrengen bij de besprekingen van de voorstellen van de Europese Commssie inzake de bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven

Dit punt zal naar voren worden gebracht tijdens de werkgroepvergaderingen over de Commisievoorstellen in het vierde kwartaal van 2017

3624

28-06-2017

VAO Pensioenonderwerpen

De Staatssecretaris heeft toegezegd dat de amvb ter aanpassing van het inkooptarief voor nettopensioen uiterlijk 1 januari 2018 klaar zal zijn

Planning: na bekendmaking in het Staatsblad in december 2017 kan het aangepaste Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling per 1 januari 2018 in werking treden

3626

28-06-2017

VAO Pensioenonderwerpen

De Staatssecretaris zal bij De Nederlandsche Bank navragen of het mogelijk is om een overzicht te verschaffen van de communicatie over herstelplannen aan het einde van het jaar

Planning: de Tweede Kamer wordt eind 2017 geïnformeerd

3627

15-06-2017

AO Pensioenonderwerpen

Voor het einde van dit jaar ontvangt de Tweede Kamer informatie over de wijze waarop de communicatieartikelen uit de herziene IORP-richtlijn worden geïmplementeerd

Planning: de Tweede Kamer wordt eind 2017 geïnformeerd

BIJLAGE 6.4 SUBSIDIEOVERZICHT

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de subsidies van het Ministerie van SZW. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies uit hoofde van subsidieregelingen en incidentele subsidies uit hoofde van de Kaderwet SZW. Subsidieregelingen zijn regelingen die door het Ministerie van SZW zijn ingesteld. De Kaderwet SZW is een algemene titel op grond waarvan partijen een subsidieverzoek kunnen indienen bij het Ministerie van SZW.

In deze bijlage wordt de subsidiedefinitie van de Algemene wet bestuursrecht gebruikt. Deze wet definieert een subsidie als volgt (artikel 4.21 Awb):

«De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

Tabel 6.4.1 Subsidies uit hoofde van subsidieregelingen (x € 1.000)

Begrotingsartikel

Naam subsidie (met hyperlink naar vindplaats)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Laatste evaluatie (jaartal, met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (jaartal)

1

Kwaliteit arbeidsverhoudingen

148

0

0

0

0

0

0

2013

2018

2016

2

Sectorplannen

80.284

107.690

42.394

39.930

0

0

0

2017

2017

2019

2

Armoede en schulden

3.136

4.185

3.332

1.633

0

0

0

2020

20196

2

Cofinanciering dienstverlening 1

990

22.262

13.575

750

0

0

0

2019

2018

2

Europees fonds meestbehoeftigen

89

100

100

100

100

100

0

2017

2018

2015

2

Scholing richting een kansberoep

4.000

34.573

6.527

0

0

0

0

2019

2017

2

Kansen voor alle kinderen

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

2022

2021

4

Scholing jonggehandicapten 2

13.166

13.300

13.300

13.300

13.300

0

0

2017

20182

2020

5

Scholing en plaatsing oudere werklozen

16.189

5.000

0

0

0

0

0

20193

2017

5

Experimenten meer werk voor vijftigplussers

500

2.000

500

0

0

0

2019

2017

5

2e loopbaanadvies

0

14.000

7.000

0

0

0

2019

4

7

Versterking vaardigheden 5

3.392

3.400

3.400

0

0

0

0

20176

2018

2018

13

Subsidiëring overleg minderheden

30

0

0

0

0

0

0

2017

2014

 

TOTAAL

121.424

196.010

103.628

68.213

18.400

5.100

5.000

     
X Noot
1

De volledige naam: Cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt.

X Noot
2

De regeling Scholing jonggehandicapten wordt steeds voor een periode opengesteld en toegekend en daarna via een in het Staatsblad te publiceren wijziging verlengd. In de eerste helft van 2018 stuurt SZW een brief naar de Kamer met de uitkomsten van de verkenning van de tijdelijke verlenging ESB-regeling.

X Noot
3

Conform artikel 27 van de regeling heeft het UWV verslag gedaan van de doeltreffendheid van de regeling in de periodieke rapportages van het UWV. Bij brief Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 782, is de aanpak, methodiek en planning voor de evaluatie van deze regeling met de Tweede Kamer gedeeld.

X Noot
4

Regeling wordt nog gepubliceerd, de einddatum staat hierdoor nog niet helemaal vast.

X Noot
5

De volledige naam: Versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang. In 2017 is een onderzoek naar ervaren effecten van de trainingen »TINK» en «Oog voor Interactie» met de Tweede Kamer gedeeld.

X Noot
6

De regeling is in augustus 2017 verlengd tot en met 2019. De budgettaire verwerking zal naar verwachting bij de Voorjaarsnota 2018 plaatsvinden.

Tabel 6.4.2 Beschikbare middelen incidentele subsidies uit hoofde van de Kaderwet (x € 1.000)

Begrotingsartikel

Naam subsidie (met hyperlink naar vindplaats)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Laatste evaluatie (jaartal, met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (zie toelichting)

1

Arbeidsmarkt

2.901

3.009

2.920

2.225

2.345

2.345

2.345

2013

2020

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

6.966

16.094

17.820

14.157

13.261

15.286

13.361

2019

 

Subsidies algemeen

3.862

4.915

4.716

1.053

157

182

257

     
 

SBCM

2.800

2.875

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

     
 

Nibud

304

304

304

304

304

304

304

     
 

Alle kinderen doen mee

8.000

10.000

10.000

10.000

12.000

10.000

     

5

Werkloosheid

 

2.400

2.098

1.108

44

400

0

2016

2022

7

Kinderopvang

1.487

2.472

1.706

5.100

5.100

5.100

5.100

2015

2021

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

7.516

13.143

10.482

4.982

4.982

4.982

4.782

2017

2022

 

Opbouw kennisfunctie integratie

2.708

3.240

2.450

2.450

2.450

2.450

2.250

     
 

Vluchtelingenwerk

1.298

1.407

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

     
 

Overig

3.510

8.496

7.000

1.500

1.500

1.500

1.500

     

98

Algemeen

1.714

2.406

2.043

995

0

0

0

 

TOTAAL

20.584

39.524

37.069

28.567

25.732

28.113

25.588

     

Incidentele subsidies worden vanwege het ad-hoc-karakter en de veelal kleine bedragen niet afzonderlijk geëvalueerd. In tabel 6.4.2 wordt onder de laatste en volgende evaluatie verwezen naar de beleidsdoorlichtingen op het desbetreffende beleidsartikel. In een beleidsdoorlichting kan het gehele beleidsterrein aan de orde komen. In 2013 is de begroting van SZW opnieuw ingedeeld. Artikel 2 is gevormd uit diverse andere artikelen. Dit houdt in dat er nog geen beleidsdoorlichting van artikel 2 is geweest. Omdat artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang pas sinds 2013 op de begroting van SZW staat, heeft hier nog niet eerder een beleidsdoorlichting plaatsgevonden.

Tabel 6.4.2 geeft een overzicht van de in de begroting 2018 onder het financiële instrument subsidies beschikbare middelen. Deze middelen zijn beschikbaar voor aanvragen voor incidentele subsidies (looptijd in de regel niet meer dan vier jaar). Op voorhand kan niet worden aangegeven welke subsidies zullen worden aangevraagd en wat de einddatum zal zijn. Omdat daarnaast de middelen structureel op de begroting staan, wordt de einddatum in deze tabel niet ingevuld.

BIJLAGE 6.5 OVERZICHT EVALUATIES EN OVERIG ONDERZOEK

Overzicht onderzoek artikel 1: Arbeidsmarkt
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Arbeidsmarkt

2019

2020

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Functioneren certificatiestelsel asbest

2016

2017

 

Evaluatie Informatievoorziening(structuur) grensoverschrijdende arbeid

2017

2017

 

Evaluatie Werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2016

2018

 

Definitieve evaluatie duurzame inzetbaarheid in het MKB (2e fase)

2016

2018

 

Effectmeting Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2016

2019

 

Monitoring en evaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

2019

 

Tussentijdse evaluatie jeugdlonen

2018

2019

 

Evaluatie mobiliteitsbonussen in dienst nemen arbeidsgehandicapten en uitkeringsgerechtigden ouder dan 56 jaar

2019

2019

 

Evaluatie Wet Werk en Zekerheid (artikel 1 en 5)

2014

2020

 

Evaluatie arbeidsgerelateerde zorg

2020

2020

2. Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Kansen taakdelegatie bedrijfsartsen

2017

2017

 

Betere handhaving arbeidsomstandigheden in Caribisch Nederland

2017

2017

 

Toegang beroepsmatige gezondheidgegevens

2017

2017

 

Beleidsevaluatie instrument Actieteam PSA

2017

2017

 

Onderzoek naar (wijze implementatie van) MBO les-materiaal gezond en veilig werken

2017

2017

 

Monitor Wet aanpak schijnconstructies

2016

2018

 

Gedragsexperiment duurzame inzetbaarheid rondom Tiptrack van de AWVN

2017

2018

 

Gedragsinterventie pesten ism ISZW

2017

2018

 

Omvang en arbeidsrechterlijke impact van de klusjeseconomie in Nederland

2017

2018

 

Onderzoek ontslagkosten

2017

2018

 

Jong geleerd en Oud gedaan

2017

2018

 

Kwalitatief onderzoek naar de effecten van de Wet werk en zekerheid (Wwz) op het aanname- en ontslagbeleid van werkgevers en hun omgang met flexibele arbeidskrachten

2017

2018

 

Sectoranalyse stagemisbruik na studeren

2017

2018

 

Evaluatie ESF-regeling Duurzame inzetbaarheid voor sectoren

2017

2019

 

Evaluatie ESF-regeling Actieve Inclusie

2016

2020

 

Evaluatie ESF-regeling Geïntegreerde en Territoriale Investering

2018

2020

Overzicht onderzoek artikel 2: Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

2018

2019

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Effectonderzoek loonkostensubsidie en dispensatie

2016

2018

 

Subsidieregeling EFMB (Europees Fonds voor de Meest Behoeftigen)

2017

2018

 

Effectmeting Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2016

2019

 

Monitor en eindevaluatie Participatiewet

2014

2019

 

Monitoring en evaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

2019

 

Subsidieregeling Scholing richting een kansberoep

2017

2019

 

Subsidieregeling Cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt

2018

2019

 

Subsidieregeling armoede en schulden

2017

2020

 

Evaluatie quotumheffing (indien quotum geactiveerd)

2019

2020

 

Subsidieregeling Kansen voor alle kinderen

2021

2022

2. Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Vermogens en schulden van huishoudens

2016

2018

 

Prestatieindicatoren goed werkende arbeidsmarktregio’s

2017

2018

 

Monitor betalingsachterstanden en huishoudens in de rode cijfers

2017

2018

 

Ervaringsonderzoek werkgevers Participatiewet

2014

20191

 

Ervaringsonderzoek doelgroep Participatiewet

2014

20191

 

Ervaringsonderzoek gemeenten Participatiewet

2014

20191

 

Ervaringsonderzoek cliëntenraden Participatiewet

2017

20191

 

Gemeentecijfers monitor transities Participatiewet

2015

2019

 

Thermometer WSW

2015

2019

X Noot
1

De ervaringsonderzoeken maken onderdeel uit van de «monitor en eindevaluatie Participatiewet»

Overzicht onderzoek artikel 3: Arbeidsongeschiktheid
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Niet van toepassing1

   

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Evaluatie Arbeidsongeschiktheid1

2017

2018

2. Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Onderzoek beleid private aanbieders in het hybride stelsel WGA

2017

2018

 

Onderzoek beweegreden bewegingen hybride WGA- en ZW markt

2017

2018

X Noot
1

In 2018 vindt een beleidsevaluatie plaats naar artikel 3 van de SZW-begroting (Arbeidsongeschiktheid). Een groot deel van het artikel (Wet WIA) is reeds aan de orde gekomen in het IBO (interdepartementaal beleidsonderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt». Daarom zal de evaluatie zich met name focussen op de andere onderwerpen van het artikel. Onder andere de WAZ en de effectiviteit van de no-riskpolis komen aan de orde. De evaluatie zal in de eerste helft van 2018 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Overzicht onderzoek artikel 4: Jonggehandicapten
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Jonggehandicapten

2016

2017

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Meer Wajongers aan het werk? (Evaluatie van de activerende dienstverlening door het UWV aan Wajongers in de periode 2010–2016)

2016

2017

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Niet van toepassing

   
Overzicht onderzoek artikel 5: Werkloosheid
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Werkloosheid

2021

2022

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Evaluatie Werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2016

2018

 

Effectmeting maatregelen Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

2017

2019

 

Monitoring en evaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

2019

 

Perspectief voor vijftigplussers, bestaande uit o.a. Subsidieregeling «Scholing en Plaatsing oudere werklozen», subsidieregeling «Experimenten meer werk voor vijftigplussers» en subsidieregeling «2e loopbaanadvies»

2017

2019

 

Effect tijdelijke aanvullende dienstverlening UWV

2017

2019

 

Evaluatie Wet Werk en Zekerheid (artikel 1 en 5)

2014

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Niet van toepassing

   
Overzicht onderzoek artikel 6:Ziekte en zwangerschap
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Niet van toepassing

   

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Vervolgonderzoek loondoorbetaling bij ziekte

2015

2017

 

Effectiviteit van re-integratie in het tweede spoor

2016

2017

 

Evaluatie flexibel opnemen bevallingsverlof

2017

2017

 

Effectiviteit no-riskpolis

2017

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Onderzoek beweegreden bewegingen hybride WGA- en ZW markt

2017

2018

Overzicht onderzoek artikel 7: Kinderopvang
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Kinderopvang

2020

2021

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Subsidieregeling Versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang

2015

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Maatschappelijke effecten bestuurlijke afspraken bereik peuters.

2017

2017

3. Overig onderzoek

     
 

Kostprijsmonitor

2017

2018

 

Keuzes van ouders (SCP)

2017

2018

 

Effecten beroepskracht-kindratio

2017

2018

 

Programma Kwaliteit Kinderopvang

2017

2020

 

Monitor bestuurlijke afspraken bereik peuters en inspanning gemeenten

2017

2021

 

Jaarlijkse kwaliteitsmeting kinderopvang

2017

2026

Overzicht onderzoek artikel 8: Oudedagsvoorziening
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Oudedagsvoorziening

2018

2019

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Evaluatie Wet aanpassing FTK

2017

2017

 

Evaluatie Werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2016

2018

 

Evaluatie besluit vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen

2019

2019

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Niet van toepassing

   
Overzicht onderzoek artikel 9: Nabestaanden
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Nabestaanden

2018

2019

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Experiment Anw inlichtingenplicht

2016

2017

Overzicht onderzoek artikel 10: Tegemoetkoming ouders
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Tegemoetkoming ouders

2017

2018

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Evaluatie wetsvoorstel hervorming kindregelingen1

2017

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Niet van toepassing

   
X Noot
1

Volgens planning zal artikel 10 (tegemoetkoming ouders, waaronder AKW en WKB) in 2018 worden doorgelicht. De evaluatie van het wetsvoorstel zal daarin meelopen.

Overzicht onderzoek artikel 11: Uitvoering
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Uitvoering

2020

2021

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Monitoring en evaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

2019

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Regeldruk SZW

2017

2017

Overzicht onderzoek artikel 13: Integratie en maatschappelijke samenhang
 

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1. Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichtingen

     
 

Integratie en maatschappelijke samenhang

2021

2022

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Evaluatieonderzoek zelfbeschikking

2015

2018

 

Wetsevaluatie Wet inburgering 2013

2017

2018

 

Evaluatie Remigratiewet

2018

2018

 

Het effect van inburgering op participatie

2018

2019

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

2a. MKBA's

     
 

Niet van toepassing

   

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

     
 

Niet van toepassing

   

3. Overig onderzoek

     
 

Doorwerking stagediscriminatie op rest van loopbaan

2017

2018

 

Barometer Culturele diversiteit

2016

2018

 

Kansen op de arbeidsmarkt van hoger opgeleide migrantenjongeren

2017

2018

 

Longitudinaal Onderzoek Cohort nieuwe «vluchtelingen» (statushouders)

2016

2020

BIJLAGE 6.6 LIJST MET AFKORTINGEN

ABP

Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

AC

Audit Committee

ADR

Auditdienst Rijk

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AGSZW

Agentschap SZW

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

AMU

Aanpak Malafide Uitzendbureaus

AMvB

Algemene maatregel van bestuur

Anw

Algemene Nabestaandenwet / Nabestaandenfonds

ao

Arbeidsongeschiktheid

AO

Algemeen Overleg

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOV

Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland

AOW

Algemene Ouderdomswet / Ouderdomsfonds

APG

Algemene Pensioen Groep Nv

APS/BO

Directie Analyse, Programmering en Signalering; afdeling Beleidsondersteuning (Inspectie SZW)

AR

Algemene Rekenkamer

Arbo

Arbeidsomstandigheden

ATW

Arbeidstijdenwet

avv

Algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Awb

Algemene Wet bestuursrecht

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

AWW

Algemene Weduwen- en Wezenverzekering Caribisch Nederland

AYA

Adolescent en Jongvolwassen

AZC

Asielzoekerscentrum

bbp

Bruto binnenlands product

Bbz

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen

BD

Belastingdienst

BES

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland)

BeZaVa

Wet Beperking Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid Vangnetters

BIKK

Bijdragen in de kosten van heffingskortingen

BIR

Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst

BIT

Bureau ICT-Toetsing

BKK

Bureau Kwaliteit Kinderopvang

BKR

Bureau Krediet Registratie

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BNC

Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen

Brzo

Besluit risico’s zware ongevallen

bso

Buitenschoolse opvang

BTW

Belasting Toegevoegde Waarde

BUIG

Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten

Buwav

Besluit Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

BUZA

(Ministerie van) Buitenlandse Zaken

BZK

(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

cao

Collectieve arbeidsovereenkomst

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CKA

Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

CN

Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Sint Maarten)

CNV

Christelijk Nationaal Vakverbond

CPB

Centraal Planbureau

Ctgb

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen

Divosa

Vereniging van directeuren van gemeentelijke sociale diensten

DNB

De Nederlandsche Bank

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

DUS-i

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen

DWSRA

Dienstverlening Werkzoekenden en projecten Samenwerking en Regie Arbeidsmarkt

EBB

Enquête Beroepsbevolking

EC

Europese Commissie

ECN

Stichting Educatieve Centra Nederland met inwoning

EER

Europese Economische Ruimte

EFMB

Europees Fonds voor Meest Behoeftigen

EGF

Europees Globalisatiefonds

eID

Elektronische identiteitskaart

EMU

Economische en Monetaire Unie

EMVF

Europese Migratie- en Veiligheidsfondsen

ESB-regeling

Subsidieregeling scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en Ernstige Scholingsbelemmeringen

ESF

Europees Sociaal Fonds

EU

Europese Unie

EZ

(Ministerie van) Economische Zaken

FDC

Financieel Dienstencentrum

FG

Functionaris Gegevensbescherming

FIN

(Ministerie van) Financiën

FNV

Federatie Nederlandse Vakbeweging

fte

Fulltime equivalent (=voltijdbaan)

GDI

Generieke digitale infrastructuur van de overheid

GGD

Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst

GGZ

Geestelijke Gezondheidszorg

G-rekening

Geblokkeerde rekening

HH

Handhaving

IAU

Incidentele Aanvullende Uitkering

IB

Inlichtingenbureau

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICF

Inspectie Control Framework

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

ID-banen

In- en doorstroombanen

IenM

(Ministerie van) Infrastructuur en Milieu

ILO

International Labour Organization

IOAOW

Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IORP

Europese Pensioenfondsrichtlijn

IOW

Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

IPO

Inkomenspanelonderzoek

IQ

Intelligentiequotiënt

IVA

Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten

IWI

Inspectie Werk en Inkomen

Jeugd-LIV

Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon, of Minimumjeugdloonvoordeel

KIS

Kennisplatform Integratie en Samenleving

KO

Kinderopvang

KOT

Kinderopvangtoeslag

KPI’s

Kritieke prestatie-indicatoren

LCR

Landelijke Cliëntenraad

LHBT(IQ)

Lesbische vrouwen, Homoseksuele mannen, Biseksuelen, Transgenders (en Intersekse personen en Queers).

LIV

Lage-inkomensvoordeel

LKV

Loonkostenvoordeel

LPGGZ

Landelijk Platform Geestelijke Gezondheidszorg

LRKP

Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen

LSI

Landelijke Stuurgroepinterventieteams

LTO

Land- en Tuinbouworganisatie

MAU

Meerjarige Aanvullende Uitkering

mbo

Middelbaar beroepsonderwijs

MEBV

Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer

MenO

Misbruik en Oneigenlijk Gebruik

MEV

Macro-Economische Verkenning

MH17

Malaysia Airlines, vlucht #17

mkb

Midden- en kleinbedrijf

MKOB

Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming voor Oudere Belastingplichtigen

MLT

Middellange Termijnraming

MvT

Memorie van toelichting

NCvB

Nederlands Centrum voor Beropesziekten

NEN

Nederlands Normalisatie instituut

Nibud

Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

Novag

Nieuwe Orde van Verzekeringsartsen voor Arbeid en Gezondheid

NVVK

Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet

NT2

Nederlands als tweede Taal

OB

Ontwerpbegroting

OBR

Overbruggingsregeling AOW

OCW

(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Oke

Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie

OM

Openbaar Ministerie

OOP

Out-of-pocketkosten

OR

Ondernemingsraad

OV

Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

OVO

Overeenkomst van Opdracht

O&O-fondsen

Opleidings- en ontwikkelingsfondsen

Pgb

Persoonsgebonden budget

PGVN

Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland

PSO-ladder

Prestatieladder Socialer Ondernemen

PwC

PricewaterhouseCoopers

PWRI

Pensioenfonds Werk en (Re)Integratie

RBG-eng

Rijksbegroting in enge zin

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken)

RCSP

Regeling Cofinanciering Sectorplannen

RCV

Regeling Claims Vakantiedagen

REA

(Re)integratie Arbeidsgehandicapten

REVA

Registratie Van Arbeidsmigranten

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RSO

Rijksschoonmaakorganisatie

RUS

Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies

RvW

Regeling van Werkzaamheden

Ruwav

Regeling uitvoering wet arbeid vreemdelingen

RWT

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak

SBCM

Stichting Beheer Collectieve Middelen

SER

Sociaal-Economische Raad

Sfn

Sectorfondsen

SMI

Sociaal Medische Indicatie

SNA

Stichting Normering Arbeid

SSO

Shared Service Organisatie

Stb.

Staatsblad

Stc.

Staatscourant

StvdA

Stichting van de Arbeid

SUWI

Structuur Uitvoering Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

Sw

Sociale werkvoorziening

SZA

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

SZW

(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAS

Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers

TK

Tweede Kamer

TNO

Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TOG

Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen

TW

Toeslagenwet

twv

Tewerkstellingsvergunning

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de Overheid

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

vAKWERK

Project vernieuwing AKW

VAO

Voortgezet algemeen overleg

VenJ

(Ministerie van) Veiligheid en Justitie

VJN

Voorjaarsnota

VK

Verenigd Koninkrijk

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VPS

Vindplaats van Schulden

VWS

(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Wamil

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

WAS

Wet Aanpak Schijnconstructies

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet Arbeid en Zorg

WGA

Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

WGO

Wetgevingsoverleg

Whk

Werkhervattingskas

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WIW

Wet inschakeling werkzoekenden

WKB

Wet op het Kindgebonden Budget

Wko

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Wml

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloon

WNT

Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

WOB

Wet Openbaarheid van Bestuur

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

WR

(Ministerie van) Wonen en Rijksdienst

WRR

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtcg

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Wtl

Wet tegemoetkomingen loondomein

WW

Werkloosheidswet

WWB

Wet Werk en Bijstand

Wwz

Wet werk en zekerheid

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZEZ

Regeling Zelfstandig En Zwanger

ZonMw

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie

ZV

Ziekteverzekering Caribisch Nederland

ZW

Ziektewet

zzp

Zelfstandige zonder personeel


X Noot
1

De inkomensoverdrachten op dit artikel betreffen overdrachten aan werkgevers.

X Noot
2

Het overzicht is bijgewerkt tot 1 september 2017.

Naar boven