Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2017
Nr. 251

Gepubliceerd op 19 juni 2017 09:00
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier



Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de herijking en harmonisatie van enige kwaliteitseisen voor kindercentra en peuterspeelzalen, de innovatie van die kwaliteitseisen en het aanpassen van enige eisen aan de kwaliteit van voorschoolse educatie (Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk te verhogen, door de kwaliteitseisen waaraan kindercentra en peuterspeelzalen moeten voldoen te harmoniseren en te innoveren en enige eisen aan de kwaliteit van voorschoolse educatie aan te passen;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving «beroepskracht in opleiding» komt te luiden:

beroepskracht in opleiding:

degene die beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau;.

2. In de alfabetische rangschikking wordt de volgende begripsomschrijving ingevoegd:

pedagogisch beleidsmedewerker:

de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens of het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden;.

3. Het begrip «vrijwilliger» met de omschrijving vervalt.

B

Artikel 1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c.

2. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien de arbeid van een ouder of zijn partner in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen berekeningsjaar is beëindigd, behoudt de ouder in afwijking van het vijfde lid gedurende zes kalendermaanden dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien sprake is van omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid.

C

Artikel 1.46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.

3. Na het vierde lid (nieuw) worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.

  • 6. In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen.

  • 7. Indien de aanvraag tot exploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010 door middel van een melding bij het college volstaat het college, in afwijking van het vijfde en zesde lid, met een beschikking waarin wordt bepaald met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie en verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang.

  • 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang.

D

Artikel 1.47, derde en vierde lid, komen te luiden:

  • 3. De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau kan het college verzoeken de beschikking, bedoeld in artikel 1.46, tweede lid, in te trekken. Indien het college besluit tot intrekking van de beschikking, draagt het college onverwijld zorg voor de verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang.

  • 4. Indien de aanvraag tot exploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010 door middel van een melding bij het college volstaat het college, in afwijking van het derde lid, met een beschikking waarin wordt bepaald met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie en verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het register kinderopvang.

E

Artikel 1.47a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt «Onze Minister» telkens vervangen door «Onze Minister dan wel het college» en wordt «verwerkt hij dit» vervangen door: wordt dit verwerkt.

3. In het tweede lid (nieuw) vervalt: en tweede.

F

Artikel 1.49 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang.

G

Artikel 1.50 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de tweede zin te luiden: Ter uitvoering van de eerste zin besteedt de houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen, de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen, de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «de kwaliteit van kinderopvang» vervangen door: de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang.

b. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs;.

c. In onderdeel d vervalt: en vrijwilligers.

d. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen;.

e. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • j. de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers;

  • k. de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

H

Artikel 1.50b, onderdelen a en b, komt te luiden:

  • a. de categorieën beroepskrachten voorschoolse educatie die worden onderscheiden en de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan zij voldoen;

  • b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie van verschillende categorieën;.

I

Artikel 1.51 komt te luiden:

Artikel 1.51

De houder van een gastouderbureau voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de door de gastouder op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder van het gastouderbureau legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang van kinderen met zich brengt.

J

In artikel 1.56, derde lid, vervalt de tweede zin.

JA

Artikel 1.56, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Op de houder of voorgenomen houder van een gastouderbureau en de personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert of daarvoor beschikbaar zijn, is artikel 1.50, derde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

K

In artikel 1.56b, eerste lid, wordt «bedoeld in artikel 1.56, derde lid, juncto artikel 1.51» vervangen door: bedoeld in artikel 1.51.

L

Artikel 2.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving «beroepskracht in opleiding» komt te luiden:

beroepskracht in opleiding:

degene die beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een peuterspeelzaal en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;.

2. In de alfabetische rangschikking wordt de volgende begripsomschrijving ingevoegd:

pedagogisch beleidsmedewerker:

de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de totstandkoming van pedagogische beleidsvoornemens of het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden;.

3. Het begrip «vrijwilliger» met de omschrijving vervalt.

M

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

3. Na het derde lid (nieuw) worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, tweede tot en met vierde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer de peuterspeelzaal exploiteert en er geen wijziging van de houder van die peuterspeelzaal heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.

  • 5. In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van de peuterspeelzaal uit het register peuterspeelzaalwerk, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verwijdering van de peuterspeelzaal uit het register peuterspeelzaalwerk.

N

Artikel 2.4, derde en vierde lid, komen te luiden:

  • 3. De houder van een peuterspeelzaal kan het college verzoeken de beschikking, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in te trekken.

  • 4. Het college kan naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het derde lid besluiten tot intrekking van de beschikking. Indien het college hiertoe besluit, draagt het college onverwijld zorg voor de verwijdering van de peuterspeelzaal uit het register peuterspeelzaalwerk.

O

Artikel 2.4a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt «Onze Minister» telkens vervangen door «Onze Minister dan wel het college» en wordt «verwerkt hij dit» vervangen door: wordt dit verwerkt.

3. In het tweede lid (nieuw) vervalt: en tweede.

P

Artikel 2.5 komt te luiden:

Artikel 2.5

  • 1. Een houder van een peuterspeelzaal biedt verantwoord peuterspeelzaalwerk, waaronder wordt verstaan het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoord peuterspeelzaalwerk.

Q

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de tweede zin te luiden: Ter uitvoering van de eerste zin besteedt de houder van de peuterspeelzaal in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen, de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen, de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk» vervangen door: de voorwaarden voor verantwoord peuterspeelzaalwerk.

b. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs;.

c. In onderdeel d vervalt: en vrijwilligers.

d. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen;.

e. Onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel f door een puntkomma, worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor peuterspeelzaalwerk;

  • h. de beschikbare ruimte voor kinderen;

  • i. de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers;

  • j. de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

R

Artikel 2.8, onderdelen a en b, komt te luiden:

  • a. de categorieën beroepskrachten voorschoolse educatie die worden onderscheiden en de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan zij voldoen;

  • b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie van verschillende categorieën;.

S

Artikel 2.9 vervalt.

ARTIKEL IA

Indien artikel II, onderdelen F, G, L en M, van de Wet van 23 augustus 2016 tot aanpassing van enige bepalingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de reparatie van enige onvolkomenheden (Stb. 2016, 319) eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdelen C, onder 3, en M, onder 3, van deze wet, wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

A

Het in onderdeel C, onder 3, voorgestelde artikel 1.46, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.

B

Het in onderdeel M, onder 3, voorgestelde artikel 2.3, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, tweede tot en met vierde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, 2.4c, tweede en derde lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer de peuterspeelzaal exploiteert en er geen wijziging van de houder van die peuterspeelzaal heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.

ARTIKEL IB

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL II

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 31 mei 2017

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Uitgegeven de negentiende juni 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 34 597


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl