Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201724515 nr. 381

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 381 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 november 2016

In deze brief informeer ik uw Kamer over de volgende onderwerpen, toezeggingen en moties op het gebied van armoede- en schuldenbeleid:

  • 1. Subsidieregeling armoede en schulden

  • 2. Bestrijding armoede onder kinderen

  • 3. Onderzoek Inspectie SZW toegang schuldhulpverlening

  • 4. MKBA schuldenproblematiek in Nederland

  • 5. Federatie Opvang

  • 6. Stand van zaken pilots beschermingsbewind

  • 7. Vaste lasten mensen met een gediagnosticeerd laag IQ

  • 8. In-, door- en uitstroom stelsel schuldhulpverlening

  • 9. Werkende armen

  • 10. Tussenstand Jeugdsportfonds

  • 11. Onderzoek Armoede in Nederland 2016 Kerk in Actie

1. Subsidieregeling armoede en schulden

De subsidieregeling ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek kende aanvraagtijdvakken in 2014 en 2015 en is naar aanleiding van de motie Yücel1 uitgebreid met subsidiemogelijkheden in 2016 en 2017. Het derde tijdvak van deze subsidieregeling is op 17 juni 2016 gesloten. In totaal heb ik in het derde tijdvak 14 aanvragen toegekend waarmee het plafond voor 2016 is bereikt. Op 1 februari 2017 opent het vierde tijdvak van de subsidieregeling. Zoals in genoemde motie van de Kamer is verzocht, ligt in het derde en vierde tijdvak van de subsidieregeling meer nadruk op het bereiken van kwetsbare groepen. Specifiek gaat het om kinderen in huishoudens met lage inkomens of een laag besteedbaar inkomen, jongeren met (risico op) schulden, alleenstaande oudergezinnen, huishoudens met een langdurig laag inkomen, niet-westerse huishoudens en overige doelgroepen die extra aandacht behoeven op het gebied van armoede en schulden. In bijlage 12 bij deze brief vindt u nadere informatie over deze projecten.

Vervolg

De verschillende projecten in de subsidieregeling armoede en schulden rapporteren aan mij over hun resultaten. Het Ministerie van SZW verspreidt informatie over deze projecten, onder andere via de website www.effectieveschuldhulp.nl. Daarnaast wordt de subsidieregeling armoede en schulden als geheel geëvalueerd in 2020.

Om maatschappelijke organisaties ook in 2018 en 2019 de mogelijkheid te geven om subsidieaanvragen in te dienen voor landelijke projecten gericht op bestrijding van armoede en schulden, ben ik voornemens om nog twee tijdvakken aan de subsidieregeling toe te voegen.

2. Bestrijding armoede onder kinderen

Op 11 november heb ik u geïnformeerd over de bestuurlijke afspraken die ik met de VNG heb gemaakt over het kansrijk opgroeien voor alle kinderen in Nederland3. Daarbij is de ambitie geformuleerd dat Rijk en gemeenten zich zullen inspannen om alle kinderen voor wie dit niet vanzelfsprekend is te bereiken en te ondersteunen met voorzieningen in natura. Zoals ik uw Kamer heb toegezegd tijdens het AO armoede- en schuldenbeleid op 6 juli jl. heb ik onderzoek laten doen om inzicht te krijgen in het aantal gemeenten met een Kindpakket. Dit onderzoek is uitgevoerd voordat ik bekend heb gemaakt jaarlijks € 100 miljoen extra beschikbaar te stellen voor kinderen in armoede. Het onderzoek is uitgevoerd door Bureau Bartels, bijgaand treft u het rapport aan (bijlage 2)4. Kindpakketten zijn een goed voorbeeld van in natura ondersteuning aan kinderen, zoals aanbevolen door de Kinderombudsman. Onder een Kindpakket wordt verstaan een «bundeling van voorzieningen in natura die direct ten goede komen aan kinderen in armoede». Elke gemeente vult dat anders in, maar het kan bijvoorbeeld gaan om vouchers voor zwemlessen, een abonnement op de bibliotheek en bonnen voor kleren en schoolspullen.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat het aantal gemeenten met een Kindpakket ten opzichte van 2014 bijna is verviervoudigd. Toen bleek dat 12% beschikte over een Kindpakket, in 2016 is dat 44%. Overigens is het niet zo dat gemeenten die geen Kindpakket aanbieden per definitie geen kindgericht armoedebeleid voeren. Gemeenten kunnen conform hun decentrale bevoegdheid en verantwoordelijkheid immers kiezen om kinderen in armoede op een andere manier te steunen dan middels een Kindpakket.

Verder blijkt dat gemeenten het Kindpakket als een waardevol instrument beschouwen en naar verwachting zal het aantal gemeenten met een Kindpakket in de nabije toekomst stijgen. Het onderzoek toont naast deze stijging ook dat het aantal typen voorzieningen is toegenomen en vrijwel elke gemeente voorzieningen aanbiedt op het gebied van sport, cultuur en school maar ook vaak vervoer en basisvoorzieningen zoals kleding. Het integrale karakter van het Kindpakket is terug te zien in de samenwerking met maatschappelijke partners. Ten opzichte van 2014 is het aantal gemeenten dat samenwerkt met lokale partners zoals Stichting Leergeld, het Jeugdsportfonds, het Jeugdcultuurfonds, kerken en scholen toegenomen. Deze samenwerking draagt eraan bij dat meer kinderen in beeld zijn en worden bereikt, mede omdat deze partners vaak al persoonlijk contact met de doelgroep hebben of achter de voordeur komen. Signalen van armoede en sociale uitsluiting worden hierdoor eerder zichtbaar.

Ondanks deze positieve ontwikkeling, blijkt dat er nog winst is te behalen in het in beeld krijgen en bereiken van kinderen. De (potentiële) doelgroep, communicatie naar de doelgroep en registratie van gebruik is verschillend. Gemeenten die onlangs gestart zijn met het Kindpakket, hebben bijvoorbeeld minder zicht op het aantal kinderen dat gebruik maakt van de voorzieningen. In hoeverre gemeenten de totale doelgroep weten te bereiken, is volgens het onderzoek daarom lastig in kaart te brengen. Op basis van schattingen van gemeenten zegt men gemiddeld circa 65% van de kinderen uit de doelgroep te bereiken. Het vergroten van het bereik en het tegengaan van niet-gebruik verdient dan ook extra aandacht en inzet.

Een ander aandachtspunt is de betrokkenheid van kinderen bij het Kindpakket. Het onderzoek laat een lichte stijging zien van het aantal gemeenten dat kinderen actief betrekt bij de vormgeving en invulling van het Kindpakket. Toch geldt dit nog maar voor 18% van de gemeenten met een Kindpakket. Het onderzoek toont aan dat zich landelijk een positieve trend ontwikkelt: meer gemeenten bieden een integraal Kindpakket aan en werken daarbij nauw samen met maatschappelijke en lokale partners. Maar het onderzoek laat ook zien dat er nog veel stappen gezet dienen te worden om alle kinderen in armoede te bereiken. De aangekondigde extra investering van € 100 miljoen zal hier een bijdrage aan leveren. In de brief die ik op Prinsjesdag naar uw Kamer heb verstuurd5 gaf ik het voorbeeld van de gemeente Den Haag die samen met Stichting Leergeld het Kindpakket uitvoert en hiermee 86% van de kinderen in minimagezinnen bereikt. Ik zal mij samen met de VNG, Stichting Leergeld, het Jeugdsportfonds, het Jeugdcultuurfonds, Fonds Kinderhulp en Stichting Jarige Job inspannen om goede voorbeelden, als het gaat om het bereiken en betrekken van kinderen bij het Kindpakket, te verspreiden onder gemeenten om deze te ondersteunen en te stimuleren op dit gebied.

Integrale en bredere Kindpakketten

Met het bovenstaande geef ik ook invulling aan de motie Yücel6 over integrale en bredere kindpakketten. Uit het onderzoek blijkt dat steeds meer gemeenten een kindpakket toepassen en met de maatregelen die zijn opgenomen in mijn brief van 11 november jl.7 zullen gemeenten en maatschappelijke organisaties in lijn met de motie de handen in een slaan om te zorgen dat kinderen kunnen meedoen.

3. Onderzoek Inspectie SZW toegang schuldhulpverlening

De afgelopen maanden heeft de Inspectie SZW op mijn verzoek onderzocht hoe gemeenten in de praktijk uitvoering geven aan de toegankelijkheid van de schuldhulpverlening. Het onderzoek maakt deel uit van het pakket aan maatregelen dat het kabinet in nauw overleg met betrokken partijen treft om naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) de gemeentelijke schuldhulpverlening te verbeteren8. Het eindrapport bied ik u hierbij aan (bijlage 3)9.

Resultaten

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat 93% van de gemeenten de individuele omstandigheden van schuldenaren in beeld brengen voordat er een besluit over toegang tot een vorm van schuldhulpverlening wordt genomen. Daarmee is er geen reden om te veronderstellen dat gemeenten op grote schaal groepen mensen categoriaal uitsluiten. De resultaten laten echter, net als eerdere publicaties van onder andere de Nationale ombudsman, tegelijkertijd zien dat er ruimte is voor verbeteringen als het gaat om toegang tot schuldhulpverlening. Zo zijn vier op de tien gemeenten van mening dat er onvoldoende kennis is bij de verschillende toegangsloketten. Daar komt bij dat ruim een vijfde van de gemeenten geen beschikking afgeeft bij een besluit iemand toe te laten of te weigeren, waardoor de rechtszekerheid van burgers niet goed geborgd is. Ook geeft bijna een op de vijf gemeenten aan een beschikking niet altijd inhoudelijk toe te lichten. Tot slot constateert de Inspectie dat relatief veel hulpvragers na melding van de eerste hulpvraag afhaken omdat zij niet in staat blijken om het vervolgproces te doorlopen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanleveren van gevraagde informatie.

Vervolg op dit onderzoek

Uit het onderzoek komt naar voren dat het overgrote deel van de gemeenten zich bewust is van de bedoeling van de Wgs en mensen individueel beoordeelt. Er zijn geen aanwijzingen dat het categoriaal en daarmee oneigenlijk afwijzen van specifieke groepen hulpvragers op grote schaal voorkomt. Het onderzoek geeft dan ook geen aanleiding voor het in gang zetten van een aanscherping van de Wgs.

Wel constateer ik dat het onderzoek van de Inspectie SZW laat zien dat er zeker nog verbeteringen in de uitvoering mogelijk en ook nodig zijn. Sinds de decentralisaties zijn er nieuwe loketten zoals wijkteams bijgekomen. De kennis van medewerkers op het gebied van schulden moet zich veelal nog ontwikkelen. Mijn inzet is dan ook gericht op verdere professionalisering van de uitvoering – ook als het gaat om het begeleiden van niet-zelfredzame mensen – en de noodzakelijke verhoging van het kennisniveau van de bij de toegang tot schuldhulpverlening betrokken medewerkers. Hierbij gaat het ook om verbetering van het toegangsproces vanaf de toegangsloketten waar mensen met (risico op) financiële problemen zich kunnen melden. Tevens verdient het bieden van maatwerk aan specifieke groepen zoals mensen met multiproblematiek speciale aandacht.

Ik heb voor het gehele pakket aan maatregelen ter verbetering van de schuldhulpverlening in de jaren 2016, 2017 en 2018 in totaal € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld. De VNG, Divosa, de NVVK, Sociaal Werk Nederland en de LCR leggen de lat hoog als het om de verbetering van de professionalisering van de gemeentelijke schuldhulpverlening gaat. Dat hebben partijen eerder al aangekondigd in het pamflet naar een betere aanpak van armoede en schulden. Gezamenlijk willen zij een aanzienlijke impuls geven aan professionalisering, vakmanschap en innovatie. Daarbij richten zij zich op alle mensen en organisaties die betrokken zijn bij (de uitvoering van) de gemeentelijke schuldhulpverlening; van schuldhulpverleners, beleidsmedewerkers en bestuurders tot cliëntenorganisaties/-raden en vrijwilligersorganisaties. Gezien de uitkomsten van het onderzoek van de Inspectie SZW zal de toegang tot de schuldhulpverlening en een inclusieve benadering daar onderdeel van moeten zijn. De voornoemde partijen zijn druk bezig om de verbetermaatregelen uit te werken. Ik verwacht hiertoe voor het einde van het jaar uitgewerkte voorstellen te ontvangen. Met een aantal onderdelen van dit plan wordt nog dit jaar gestart.

Tevens wordt begin volgend jaar een handreiking over de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht in de Wgs gepubliceerd. Om te zorgen dat in de toekomst alle gemeenten (i.p.v. 93%) bij toegang een individuele afweging maken zal ik gemeenten via de verzamelbrief wijzen op de uitkomsten van het onderzoek, hen oproepen om na te gaan wat de situatie in hun gemeente is en verzoeken om zo nodig maatregelen te treffen.

Om een vinger aan de pols te houden zal ik de Inspectie verzoeken om medio 2017 een vervolgonderzoek uit te voeren. Op basis van dat onderzoek zal bezien worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen nodig zijn en of een eventuele aanscherping van de Wgs daaraan kan bijdragen.

4. MKBA schuldenproblematiek in Nederland

Op verzoek van uw Kamer wordt er een maatschappelijke kosten en baten analyse (MKBA) uitgevoerd naar schuldenproblematiek in Nederland, meer specifiek naar de manier waarop verschillende (overheids)organisaties handelen rondom een schuldenaar10. Het vooronderzoek, dat is uitgevoerd door prof. Dr. R.J. in ’t Veld e.a. van de Universiteit van Tilburg, is afgerond11. Bijgaand vindt u de rapportage (bijlage 4)12. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten van het rapport en het vervolgproces.

Resultaten

Het eindrapport «Een onbemind probleem» geeft een goed overzicht van de belangrijkste knelpunten die op dit moment spelen bij het ontstaan, signaleren en oplossen van schulden. De probleemanalyse schetst het samenspel van de verschillende actoren: de rol van de schuldenaar, het incassobeleid van private partijen en overheden en de schuldhulpverlening door gemeenten. De belangrijkste knelpunten die hierbij naar voren komen zijn:

  • Gebrekkige coördinatie tussen overheidsorganisaties;

  • Veel mensen met problematische schulden ontvangen geen hulp;

  • Het moment waarop hulp wordt gevraagd is vaak relatief laat en het daarop volgende tempo van hulpverleningstrajecten is relatief laag;

  • Op gemeentelijk niveau is de aanwezige expertise niet altijd van de noodzakelijke kwaliteit;

  • Een deel van de mensen die wel hulp ontvangen eindigt niet schuldenvrij of in een duurzame financiële situatie.

Het rapport geeft aan dat het niet eenvoudig is om een nulsituatie voor de schuldenproblematiek in Nederland cijfermatig volledig in beeld te brengen, voorzien van de baten en kosten. Zo zijn er volgens de onderzoekers beperkt cijfers bekend over de specifieke groep huishoudens met problematische schulden en in hoeverre deze in de huidige situatie begeleid worden naar een financieel stabiele situatie. Ook wordt geconstateerd dat nadere analyse nodig is met betrekking tot publieke en private incassokosten. Daarnaast heeft het kabinet reeds een aantal belangrijke maatregelen getroffen dan wel in voorbereiding om de schuldenproblematiek aan te pakken. Het gaat onder andere om de invoering van een breed moratorium (instrument voor de gemeentelijke schuldhulpverlening), (implementatie van) de Rijksincassovisie, (verbreding van) het beslagregister en de vereenvoudiging van de beslagvrije voet. Deze beleidswijzigingen zijn nog niet geïmplementeerd, maar beïnvloeden wel sterk de nulsituatie. Ook dit gegeven maakt het lastig om de volledige nulsituatie op dit moment vast te kunnen stellen. De beleidswijzigingen zijn echter van zodanig gewicht – en dragen bij aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten – dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan.

Voorgestelde maatregelen

Ten slotte stelt het onderzoek ook een set van maatregelen voor als oplossing voor de gesignaleerde knelpunten (het beleidsalternatief). Daarbij wordt een aantal randvoorwaarden geschetst. De maatregelen en de gegeven randvoorwaarden bieden goede aanknopingspunten voor het vervolg. Daarbij zal ik rekening houden met de maatregelen die het kabinet reeds heeft getroffen dan wel in gang heeft gezet ten aanzien van de in het rapport gesignaleerde knelpunten. Daarbij wijs ik bijvoorbeeld op het pakket aan verbetermaatregelen ter verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de inzet om de samenwerking tussen overheidspartijen te verbeteren13. De resultaten van het vooronderzoek vormen een basis voor een vervolgonderzoek waarin (een deel van) de voorgestelde beleidsmaatregelen verder zullen worden geconcretiseerd en de effecten daarvan in kaart gebracht. Ik streef ernaar dat dit onderzoek medio 2017 afgerond is.

5. Federatie Opvang

Tijdens het AO Armoede en schulden van 6 juli jl. heb ik de Kamer toegezegd in gesprek te gaan met de koepels van maatschappelijke opvang over armoede, schulden en (financiële) zelfredzaamheid van vrouwen in de opvang en de Kamer hierover te informeren.

Begin oktober heb ik een constructief gesprek gevoerd met de Federatie Opvang. Tijdens dit gesprek hebben we uitgebreid stilgestaan bij knelpunten waar de zeer kwetsbare doelgroep die terechtkomt bij de opvang tegenaan loopt, als het gaat om het streven naar (grotere) financiële zelfredzaamheid. Van de 70.000 cliënten in de opvang heeft 80 tot 90% te maken met complexe schuldenproblematiek, in combinatie met andere problemen en belemmeringen. Het gaat om een brede doelgroep van uiterst kwetsbare burgers, waaronder 10.000 kinderen. De problematiek van deze groep vereist gespecialiseerde hulpverlening die op dit moment niet overal beschikbaar is. In het kader van de bovengenoemde subsidieregeling armoede en schulden ondersteun ik een tweetal projecten die tot doel hebben om de (schuld)hulpverlening aan deze kwetsbare doelgroep te verbeteren en de (financiële) zelfredzaamheid te vergroten (zie bijlage 1).

Steun aan opvangorganisaties

Naast deze projecten heb ik de partijen die invulling zullen geven aan het ondersteuningsprogramma voor de professionalisering van de gemeentelijke schuldhulpverlening14 verzocht om de aandacht voor deze doelgroep te borgen in hun aanpak. De inzichten en expertise die worden opgedaan in de projecten die ik op basis van de subsidieregeling armoede en schulden (die worden beschreven in bijlage 1) subsidieer, kunnen hierin een waardevolle rol vervullen. Ook heb ik de Federatie Opvang in ons gesprek toegezegd in de eerstvolgende verzamelbrief aan gemeenten een aantal bestaande mogelijkheden voor effectieve hulp aan deze kwetsbare groep onder de aandacht te brengen bij gemeenten. Het gaat hier onder meer over het belang van het afgeven van een beschikking bij toe- of afwijzing voor gemeentelijke schuldhulpverlening juist voor deze doelgroep. Daarnaast gaat het over reeds bestaande mogelijkheden om lasten te verrekenen vanuit de broninkomsten en de oproep om schuldhulpverlening direct op te starten bij de start van een verblijf in de opvang. Ook zal ik gemeenten wijzen op het belang van samenwerking met maatschappelijke organisaties, zoals het Jeugdsportfonds, het Jeugdcultuurfonds en Stichting Leergeld om kinderen die verblijven in de opvang kansen te bieden die de ouder niet kan bieden vanwege een tekort aan financiële middelen.

6. Stand van zaken pilots beschermingsbewind

In mijn brief van 1 juli 201615 heb ik toegezegd in gesprek te gaan met de Raad voor de Rechtspraak over mogelijke pilots beschermingsbewind, waarbij recht wordt gedaan aan de rechterlijke onafhankelijkheid en zowel gemeenten als de kantonrechters zo beperkt mogelijk administratief worden belast. Vanuit deze contacten hebben meerdere rechtbanken aangegeven om mee te willen denken over de ontwikkeling van een pilot waarbij gemeenten – als de burger waarop het verzoek tot onderbewindstelling ziet hier toestemming voor verleent – op de hoogte worden gesteld van een verzoek tot onderbewindstelling. De gemeente heeft zo de mogelijkheid om hangende dit verzoek deze burger alternatieve ondersteuning aan te bieden. Binnen het project Inclusieve Stad16 besteedt een werkgroep aandacht aan beschermingsbewind. Er wordt bekeken of de plannen van deze werkgroep kunnen worden vervlochten met de pilots waar met de rechtspraak aan wordt gewerkt.

Screeningsinstrumenten beschermingsbewind

Naast de hierboven genoemde pilots ondersteun ik de ontwikkeling van een tweetal screeningsinstrumenten die gemeenten in staat stellen om meer grip op beschermingsbewind te krijgen. Naast het project van Stadsring 51 (zie bijlage 1), ondersteun ik een project van Mesis17. Mesis ontwikkelt een screeningsinstrument dat tot doel heeft aanvragen voor beschermingsbewind methodisch en onderbouwd te kunnen beoordelen zodat afgewogen kan worden of beschermingsbewind het meest passende instrument is om mensen te ondersteunen. Daarnaast brengt het instrument gedrag en vaardigheden in kaart die van belang zijn om grotere financiële zelfstandigheid te bereiken en biedt het de mogelijkheid de ontwikkeling hiervan te meten.

7. Vaste lasten mensen met een gediagnosticeerd laag IQ

Financiële zelfredzaamheid van mensen is een groot goed, maar voor hen die niet (voldoende) zelfredzaam zijn moet passende dienstverlening worden geboden. Dat kan aan de orde zijn voor mensen met een gediagnosticeerd laag IQ, waarvoor de leden Van Veldhoven en Koşer Kaya18, in hun motie aandacht vragen. Ook ik vind het belangrijk om de risico’s op financiële problemen te beperken en daarbij gebruik te maken van mogelijkheden om mensen die moeite hebben om hun vaste lasten te betalen, financieel te ontzorgen.

Daarvoor staan de gemeente verschillende instrumenten ter beschikking. Ten eerste kan de inzet van budgetbeheer worden overwogen. Bij budgetbeheer gaat het om een vorm van financieel beheer op vrijwillige basis. Hierdoor worden de inkomsten en uitgaven van iemand in evenwicht gehouden. De budgetbeheerder zorgt er voor dat verschillende betalingen waaronder in ieder geval de huur of hypotheek, nutsvoorzieningen en wettelijk verplichte verzekeringen worden betaald.

Het kan zijn dat het vrijwillige karakter van budgetbeheer onvoldoende soelaas biedt en alleen een meer gedwongen vorm van beheer verantwoord financieel gedrag mogelijk maakt. In dat geval kan de inzet van beschermingsbewind noodzakelijk zijn. Een zeer laag IQ kan daarbij een indicatie vormen om juist voor een onderbewindstelling te kiezen. In dat kader biedt de wet ook de instelling waar betrokkene eventueel wordt verzorgd of door wie hij wordt begeleid de mogelijkheid om om een onderbewindstelling te verzoeken (artikel 1:432, tweede lid BW).

Tot slot biedt de Participatiewet de mogelijkheid aan gemeenten om vaste lasten in te houden op de bijstanduitkering en voor betaling te zorgen. Van deze mogelijkheid wordt door gemeenten, al dan niet tijdelijk, ook gebruik gemaakt.

Ik vind het belangrijk dat mensen ter voorkoming van financiële problemen die ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Gemeenten hebben daarvoor verschillende instrumenten. Ik zal daarvoor in de verzamelbrief aan gemeenten nogmaals aandacht vragen. Tevens zal ik via de website www.effectieveschuldhulp.nl goede voorbeelden verspreiden.

8. In-, door- en uitstroom stelsel schuldhulpverlening

Naar aanleiding van de motie Koşer Kaya en Karabulut19 die verzoekt in kaart te brengen hoe groot de instroom, doorstroom en uitstroom van het stelsel van schuldhulpverlening is inclusief de resultaten en uitgaven is een onderzoek aanbesteed. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door KWIZ en zal zo veel mogelijk een landelijk, actueel en volledig beeld geven van het stelsel van schuldhulpverlening. Het eindrapport kan als ondersteuning gebruikt worden bij het verder verbeteren van de monitoring en registratie door gemeenten zoals reeds aangekondigd in de kabinetsreactie op de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Voor het eind van het jaar zal er een rapportage opgeleverd worden en aan uw Kamer worden aangeboden, gebaseerd op de beschikbare informatie over de in-, door-, en uitstroom van de schuldhulpverlening, aangevuld met resultaten en uitgaven.

9. Werkende armen

Met onderstaande informatie kom ik tegemoet aan de aangenomen motie van de leden Schouten en Karabulut van 7 juli jl.20 die oproept een onderzoek te doen naar de toenemende armoede onder werkenden en de oorzaken daarvan. Specifiek wordt ook gevraagd naar de positie van eenverdieners. U heeft mij verzocht hierover voor de begrotingsbehandeling te rapporteren. Om tegemoet te komen aan de motie binnen de gestelde termijn, is het CBS gevraagd om een actualisatie van de maatwerktabellenset die de basis vormde van een eerder onderzoek naar dit onderwerp21. Deze informatie, inclusief uitgebreidere bijlage (bijlage 3), geeft inzichten die aan deze cijfers ontleend kunnen worden. Uit deze cijfers blijkt dat het aantal werkende armen tussen 2010 en 2013 is gestegen. De voornaamste redenen dat iemand werkt en toch een laag inkomen heeft zijn volgens het CBS:

  • Het lage aantal uren dat iemand per week werkt;

  • Niet het gehele jaar werken;

  • Het hebben van negatief vermogen.

Deze gegevens tonen aan dat het verhogen van de arbeidsparticipatie de beste weg uit armoede is. Een lage werkintensiteit – per week of over de lengte van het jaar gemeten – vergroot de kans op een laag inkomen. Ook toont dit onderzoek aan dat economische zelfredzaamheid samenhangt met financiële zelfredzaamheid. Een duurzaam inkomen uit arbeid vergroot de kans dat financiële tegenslagen opgevangen kunnen worden en een negatief vermogen kan worden voorkomen. Daarom zet het kabinet in op zowel het bevorderen van arbeidsparticipatie als op het voorkomen en tegengaan van schulden.

Maatregelen van het kabinet

Het kabinet heeft de afgelopen jaren in het inkomensbeleid veel gedaan om de lasten te verlagen. Omdat de meest recente cijfers voor dit onderzoek over 2013 gaan, is het effect van een groot deel van de maatregelen die het kabinet heeft genomen nog niet te zien.

Lastenverlaging voor werkenden

Het kabinet heeft ervoor gekozen de lasten voor werkenden te verlagen. Hierbij is de focus geweest op werkenden met een inkomen rond het minimumloon. Zo is voor deze groep de maximale arbeidskorting verhoogd met € 1.600. Dit heeft een dubbel effect: zo verbetert de inkomenspositie van werkenden met een laag inkomen en maakt het meer werken lonender. De verbetering van het inkomen is duidelijk terug te zien in het koopkrachtcijfer voor een alleenstaande op minimumloon; deze is er 12,8% op vooruit gegaan in de kabinetsperiode.

€ 1.000 voor alleenstaande ouders

Als beide ouders werken, profiteren gezinnen verder nog van de verhoogde kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor alle gezinnen is ook de kinderbijslag verhoogd. De Wet hervorming kindregelingen heeft werken vanuit een uitkering lonend gemaakt voor een alleenstaande ouder. Het CBS heeft eerder al aangegeven dat dit gemiddeld € 1.000 bij minima heeft opgeleverd22. Dit inkomenseffect is terug te zien in de koopkracht voor een alleenstaande ouder op minimumloon; deze is er 19,0% op vooruitgegaan deze kabinetsperiode. Dit is de sterkste koopkrachtstijging van alle groepen.

Stimuleren van werk

Naast deze maatregelen die een directe invloed hebben op het besteedbaar inkomen van huishoudens, heeft het kabinet zich ook ingezet om meer mensen aan het werk te krijgen. Een baan biedt mensen een sociaal netwerk, zelfvertrouwen en de mogelijkheden tot ontplooiing. Juist daarom heeft het kabinet de Participatiewet ingevoerd in 2015. Met deze wet beoogt het kabinet om iedereen die arbeidsmogelijkheden heeft, met of zonder arbeidsbeperking, werk te kunnen (laten) vinden. Ook maakt het lage-inkomensvoordeel het in dienst nemen van werknemers met een inkomen tot 125% WML aantrekkelijker voor werkgevers. De maatregelen van het kabinet hadden als doel werken lonender te maken en de economische groei te bevorderen. Inmiddels zien we dat de economie groeit, de armoede afneemt en er meer mensen een baan vinden. Steeds meer mensen kunnen dus ook meer uren gaan werken.

Verder onderzoek

Verder onderzoek naar werkende armen volgt. Het SCP heeft in 2017 uitgebreider onderzoek op de planning staan, in samenwerking met het instituut Gak. Daarnaast verwacht het kabinet dit najaar de verkenning van de SER naar combinatiebanen waarin aandacht wordt besteed aan werkende armen.

10. Tussenstand Jeugdsportfonds

Tijdens de begrotingsbehandeling van SZW is het amendement Van Dekken / Yücel23 aanvaard. Conform mijn toezegging tijdens het Vragenuur op 17 mei 2016 informeer ik u hierbij, mede namens de Minister van VWS, over de voortgang. Aan het amendement is invulling gegeven door € 5 miljoen als extra subsidie te verstrekken aan het Jeugdsportfonds Nederland voor de jaren 2016 en 2017. De subsidie voor dit jaar is vanaf medio 2016 verstrekt. Met deze subsidie moeten in juli 2018 25.000 kinderen extra blijvend sporten bovenop de 50.000 kinderen die het Jeugdsportfonds nu al bereikt. VWS en SZW hebben met het Jeugdsportfonds afgesproken om zorgvuldig tussentijds en na afloop te monitoren in hoeverre de ambities worden gerealiseerd. Het Jeugdsportfonds wil de ambitie realiseren door onder meer het aantal gemeenten waarmee wordt samengewerkt te verhogen (van 211 naar 300). Het Jeugdsportfonds heeft voorlopige cijfers verstrekt over de voortgang per 1 november 2016. Inmiddels zijn ten opzichte van 2015 4.600 kinderen extra aan het sporten (een groei van bijna 4%) en 245 kinderen extra actief in dans (een groei van 11%). Ook is Jeugdsportfonds inmiddels in 9 extra gemeenten actief. Definitieve cijfers over de bereikte resultaten in 2016 ontvangt de Minister van VWS conform de subsidievoorwaarden in het eerste kwartaal van 2017.

11. Onderzoek Armoede in Nederland 2016 Kerk in Actie

Op 28 oktober jl. heb ik het Armoedeonderzoek 2016 van Kerk in Actie ontvangen. Het onderzoek geeft aan dat er een toename is van mensen met financiële problemen die bij de kerk aankloppen voor hulp. Uit het onderzoek blijkt dat de kerken veel mensen bereiken en mensen doorverwijzen naar andere partijen die ook hulp leveren. Het onderzoek doet een aantal aanbevelingen aan het adres van de rijksoverheid. Zo is het verzoek om kwetsbare groepen te ontzien bij bezuinigingen en vragen de kerken om te zorgen voor regelgeving om schulden te voorkomen en bestrijden.

Het kabinet is met diverse aanbevelingen al aan de slag. Ik noem u de voorgenomen vereenvoudiging van de beslagvrije voet, de implementatie van de Rijksincassovisie, het beslagregister en de voorgenomen invoering van het breed wettelijk moratorium. Met bovenstaande maatregelen wil het kabinet een bijdrage leveren aan het voorkomen en terugdringen van schuldenproblematiek. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen periode stevig geïnvesteerd in koopkracht van huishoudens. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het armoede en schuldenbeleid. Het rapport bevat ook aanbevelingen aan het adres van de lokale overheden. Het kabinet stelt zoals hiervoor reeds aangegeven voor een periode van drie jaar in totaal € 7,5 miljoen beschikbaar om de uitvoering van de gemeentelijke schuldhulpverlening te verbeteren24. Ik zal in de verzamelbrief aan gemeenten het rapport van Kerk in Actie onder de aandacht brengen van de gemeenten. Ook zal ik het rapport van Kerk in Actie agenderen voor mijn periodiek overleg met gemeenten en maatschappelijke organisaties over het armoede- en schuldenbeleid begin 2017.

Ik heb in de afgelopen periode gezien dat veel maatschappelijke organisaties en vrijwilligers zich met niet-aflatende energie inzetten om mensen in armoede te helpen. Ik waardeer hun werk enorm. Mijn inzet is dan ook om gezamenlijk op te blijven trekken om armoede tegen te gaan en schulden te voorkomen. En vooral ervoor te zorgen dat kinderen alle kansen krijgen die zij verdienen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstuk 34 300 XV, nr. 47.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
3

Kamerstuk 24 515, nr. 380.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Kamerstuk 24 515, nr. 378.

X Noot
6

Kamerstuk 24 515, nr. 370.

X Noot
7

Kamerstuk 24 515, nr. 380.

X Noot
8

Kamerstuk 34 509, nr. 1.

X Noot
9

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
10

Motie van het Lid Yücel (PvdA) c.s. Kamerstuk 34 300 XV, nr. 46.

X Noot
11

Het onderzoek is uitgevoerd conform de MKBA leidraad van het CPB.

X Noot
12

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
13

PM separate brief Verdiepend onderzoek concretisering Rijksincassovisie.

X Noot
14

VNG, Divosa, NVVK, Sociaal Werk Nederland en LCR, zie ook Kamerstuk 34 509, nr. 1.

X Noot
15

Kamerstuk 24 515, nr. 360.

X Noot
16

Inclusieve Stad is een samenwerking tussen de gemeenten Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht, Zaanstad en het Rijk in het kader van de Agenda Stad.

X Noot
17

Methodisch screeningsinstrument schulddienstverlening.

X Noot
18

Kamerstuk 24 515, nr. 342.

X Noot
19

Motie leden Koşer Kaya en Karabulut, Kamerstuk 24 515, nr. 362.

X Noot
20

Kamerstuk 24 515, nr. 371.

X Noot
23

Kamerstuk 34 300 XV, nr. 17.

X Noot
24

Kamerstuk 34 509, nr. 1.