32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 347 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 november 2016

Inleiding

Uit internationale vergelijkingen blijkt keer op keer dat Nederland een goed pensioenstelsel heeft. Dat lijkt in tegenspraak met het beeld dat veel Nederlanders hebben. Veel mensen maken zich zorgen om hun pensioen. Begrijpelijk, gezien de berichtgeving over de moeilijke financiële positie van pensioenfondsen en mogelijke kortingen van de pensioenen volgend jaar. Het kabinet begrijpt deze zorgen en houdt samen met de sector, de sociale partners, DNB en CPB de situatie nauwlettend in de gaten. Door de lagere rente is de financiële positie van de pensioenfondsen onder druk komen te staan. Binnen de huidige economische omstandigheden zijn pensioenkortingen in 2017 niet uit te sluiten. Of en in welke mate er werkelijk gekort moet worden is afhankelijk van de financiële positie van de fondsen ultimo december 2016. Daarbij speelt ook het beleid van sociale partners en pensioenfondsen rondom de vaststelling van premie en pensioenopbouw dit najaar een grote rol. Het is daarom belangrijk te beseffen dat de cijfers in de najaarsrapportage van DNB nadrukkelijk slechts een scenario schetsen. Dit scenario is bovendien met veel onzekerheid omgeven wat ook blijkt uit de veranderingen op de financiële markten van afgelopen week.

In deze kabinetsreactie wordt ingegaan op de financiële positie van pensioenfondsen aan het eind van het derde kwartaal van 2016 aan de hand van de najaarsrapportage van DNB. Daarnaast reageert het kabinet op de analyses die door DNB en het CPB zijn gedaan naar de effecten van een tijdelijke verlenging van de hersteltermijn op de kortingen en op de verdeling over generaties. Ook wordt ingegaan op de internationale vergelijking van het CPB op de rentegevoeligheid van pensioenstelsels.

Een goede uitgangspositie

In vergelijking met andere landen presteert Nederland zeer goed in termen van de hoogte van het pensioen. In het meest recente rapport van onderzoeksbureau Mercer, de Melbourne Mercer Global Pension Index, scoort Nederland het beste van de wereld als het gaat om de adequaatheid van het pensioen. Belangrijk fundament onder het Nederlandse stelsel is de welvaartsvaste AOW, als basis voor iedereen. Mede daardoor is de armoede onder ouderen in Nederland een van de laagste ter wereld en hebben ouderen in Nederland van alle leeftijdscategorieën de laagste kans op armoede. Bovendien is bij de jaarlijkse kabinetsbesluitvorming over de koopkracht ook zorgvuldig gekeken naar de positie van ouderen, met name naar de groepen die het meest kwetsbaar zijn.

Zo lieten de ramingen dit voorjaar voor het koopkrachtbeeld van 2017 nog stevige minnen zien voor ouderen; het kabinet heeft hierop maatregelen getroffen, waardoor veel van de ouderen er volgend jaar op vooruit gaan. Dit betreft vooral ouderen met een laag inkomen.

Daarnaast maakt de combinatie van de eerste pijler van de AOW en de kapitaalgedekte aanvullende pensioenen in de tweede pijler ons stelsel internationaal gezien sterk. Als geen ander land hebben we in Nederland veel gespaard voor onze oude dag. Door grote financiële schokken en een sterk stijgende levensverwachting zijn veel fondsen niettemin toch in onderdekking gekomen. Daarom is belangrijk dat met de aanpassing van het financieel toetsingskader (ftk) geregeld is dat schokken over 10 jaar kunnen worden uitgesmeerd waardoor bij tekorten de hoogte van eventuele kortingen beperkt blijft voor de deelnemers en gepensioneerden. Naast de aanpassing van het ftk is de afgelopen jaren het huidige stelsel verbeterd met nieuwe wetgeving op het gebied van communicatie, governance, het algemeen pensioenfonds en de wet verbeterde premieregeling. Al deze elementen verklaren de internationale waardering voor het Nederlandse stelsel van oudedagsvoorziening.

Lage rente voor elk pensioenstelsel probleem

Dat neemt niet weg dat de pensioenfondsen nu in zwaar weer zitten. Naast de stijgende levensverwachting speelt de lage rente hierbij een grote rol. De rente is op dit moment op een historisch laag niveau. Die lage rente is een internationaal fenomeen, waar pensioenuitvoerders wereldwijd mee worden geconfronteerd. Het CPB heeft op verzoek van het kabinet een internationale vergelijking van de rentegevoeligheid van pensioenstelsels uitgevoerd.1 Dat onderzoek van het CPB2, dat vorige week is gepubliceerd, laat zien dat kapitaalgedekte pensioenen altijd gevoelig zijn voor ontwikkelingen van de rente. Dit komt in elk soort pensioenregeling terug, zij het op verschillende manieren. In een uitkeringsovereenkomst heeft een lage rente tot gevolg dat toekomstige verplichtingen van het pensioenfonds relatief duurder worden, wat direct zichtbaar wordt in dalende dekkingsgraden van pensioenfondsen en/of in stijgende pensioenpremies. In premieovereenkomsten is de invloed van de lage rente tijdens de opbouwfase minder zichtbaar, maar uit die zich op het moment dat het vermogen wordt omgezet in een pensioenuitkering. De gevoeligheid voor de rente maakt dat het belangrijk is dat pensioenfondsen zich voldoende tegen het renterisico beschermen via renteafdekking.

De daling van de rente heeft niet alleen in Nederland pensioenen onder druk gezet. In andere landen met uitkeringsovereenkomsten, zoals het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, zijn er pensioenfondsen waarvan de dekkingsgraden gedaald zijn naar zo’n 70%. Daarnaast is het effect van een lage rente ook te zien in landen met premieovereenkomsten waarbij deelnemers een rendementsgarantie krijgen of een rentedaling verwerkt wordt bij het inkopen van een pensioenuitkering. In Zwitserland is recent bekend gemaakt dat toekomstige uitkeringen met 12% worden gekort en in Denemarken is het gegarandeerd rendement bijgesteld tot 0%, wat betekent dat deelnemers alleen de minimale garantie hebben dat ze hun inleg terug zien.

In de kabinetsappreciatie bij de meirapportage over de financiële positie van de pensioenfondsen is al ingegaan op de oorzaken en invloed van de lage rente.3 De financiële positie van pensioenfondsen staat de laatste jaren onder druk als gevolg van de stijgende levensverwachting en een steeds lager wordende rente. De rente in ontwikkelde economieën is sinds de jaren »80 trendmatig gedaald en dit hangt ondermeer samen met de afname van de inflatie en van de economische groei en met veranderingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking. Het mondiale monetaire beleid als reactie op de financiële crisis, waaronder dat van de ECB, heeft de daling in recente jaren versterkt. Het CPB geeft aan dat de toekomstige ontwikkeling van de rente moeilijk te voorspellen is, omdat zowel conjuncturele als structurele factoren een rol spelen bij de lage rente.4 Het CPB merkt daarbij op dat voor de financiële positie van pensioenfondsen de ontwikkeling van de rente ook relevant is voor de verwachte rendementen. In het verleden behaalde rendementen zijn geen garantie voor de toekomst. Het verwacht rendement op obligaties is laag door de lage rente: de goede rendementen uit het verleden werden deels veroorzaakt door de gedaalde rente, waardoor de waarde van eerder ingekochte obligaties steeg. Het toekomstige rendement op aandelen is onzeker.

Dekkingsgraden fondsen nog onder druk

We hebben in Nederland gelukkig veel gespaard voor onze oude dag, ruim € 1.300 miljard aan pensioenvermogen. Tegenover dat gespaarde vermogen staan echter nog hogere verplichtingen. De pensioenambities in Nederland zijn hoog. Die ambities zijn met een lage rente steeds moeilijker waar te maken. Dat maakt dat de financiële positie van pensioenfondsen onder druk is komen te staan.

DNB beschrijft in de rapportage de financiële positie van de fondsen aan het einde van het derde kwartaal. Ook laat DNB met gevoeligheidsanalyses zien wat de effecten bij verschillende economische omstandigheden zijn, evenals de effecten van het verlengen van de hersteltermijn en het premiebeleid van pensioenfondsen. De belangrijkste conclusies uit de rapportage worden hieronder kort weergegeven.

Situatie fondsen 30-09-2016

Op 30 september jl. waren er 133 fondsen met een feitelijke dekkingsgraad die lager lag dan het minimale vereist eigen vermogen. Dit betreft 62% van het totaal aantal fondsen met 74% van het totaal aantal deelnemers. Wanneer een fonds op het minimaal vereist eigen vermogen zit, heeft het net genoeg in kas om aan zijn nominale verplichtingen te voldoen. Een fonds mag maximaal vijf jaar onder dit minimaal vereist eigen vermogen zitten, dat voor een gemiddeld fonds gelijkstaat aan een dekkingsgraad van 104,3%.

Ten opzichte van de cijfers in de meirapportage is de gemiddelde feitelijke dekkingsgraad licht gestegen van 96,3% naar 96,8%. Het beeld van mogelijke kortingen in 2017 is echter juist wat verslechterd ten opzichte van het eerste kwartaal. Dit heeft te maken met de verdere daling van de rente en de specifieke samenstelling van de fondsen. Het zijn met name jonge fondsen, die vanwege de looptijd van hun verplichtingen meer dan gemiddeld last hebben gehad van de daling van de rente met lange looptijden. Ook fondsen met een lagere renteafdekking dan gemiddeld hebben hier last van. Onder de veronderstelling dat de feitelijke dekkingsgraad niet verandert in de rest van het jaar en pensioenfondsen ook hun beleid niet aanpassen, zouden in 2017 30 fondsen met in totaal 2,1 miljoen deelnemers – waarvan 200.000 gepensioneerden – een gemiddelde korting moeten doorvoeren van 0,7%.5 Het totaal aantal gepensioneerden met aanvullend pensioen is circa 3 mln. De fondsen die wellicht moeten korten zijn veelal pensioenfondsen met een relatief lage pensioenopbouw. De korting blijft daarnaast beperkt doordat fondsen een tekort over tien jaar mogen uitsmeren. Consequentie daarvan is wel dat indien de situatie de komende jaren niet wijzigt, deelnemers meerdere jaren met een beperkte korting worden geconfronteerd. Nadrukkelijk merk ik hierbij op dat dit voorlopige cijfers zijn die met de nodige onzekerheden zijn omgeven.

Gevoeligheidsanalyse mogelijke kortingen 2017

Of fondsen in 2017 daadwerkelijk moeten korten hangt af van de feitelijke dekkingsgraad op 31 december 2016. Ontwikkelingen op de financiële markten hebben dan ook grote impact op het aantal fondsen dat mogelijk met een korting wordt geconfronteerd. De verschillende scenario’s van DNB laten zien dat hoeveel deelnemers met een korting te maken krijgen niet alleen sterk afhangt van een daling of stijging van de rente of van de zakelijke waarden, maar ook van het beleggings- en premiebeleid dat pensioenfondsen zelf voeren. De hoogte van de gemiddelde korting voor gepensioneerden blijft in alle door DNB geanalyseerde situaties gemiddeld minder dan 1%. Ook als de situatie verslechtert blijft een eventuele korting beperkt. Dit laat zien dat het ftk zijn dempende functie waar maakt, door het uitsmeren van kortingen. Daarmee worden grote kortingen ineens tot nu toe voorkomen.

Mogelijkheden om met de huidige situatie om te gaan

Het kabinet vindt het van belang om in kaart te brengen welke keuzes de komende maanden gemaakt kunnen worden en welke afwegingen daarbij een rol spelen. In alle gevallen geldt dat er geen gemakkelijke keuzes zijn. Door de dalende rente is de afweging tussen premie, zekerheid en ambitie die sociale partners moeten maken de afgelopen tijd moeilijker geworden. In sommige gevallen kunnen kortingen een passend instrument zijn, met het oog op de dekkingsgraad van een fonds en de evenwichtige belangenafweging tussen premiebetalers en gepensioneerden. Het is immers niet wenselijk dat tekorten oneindig oplopen. Het kabinet realiseert zich daarbij terdege dat kortingen, ook als ze beperkt van omvang zijn, pijnlijk zijn voor alle deelnemers en met name gepensioneerden direct raken. Daarom is het belangrijk dat het kabinet vasthoudt aan een waardevaste AOW.

Effecten vaststelling premie en ambitie

Sociale partners hebben de verantwoordelijkheid als het gaat om het vaststellen van de verhouding tussen premie, zekerheid en ambitie van het pensioencontract. Met een dalende rente stijgt de kostprijs voor pensioen. Indien de premie niet meestijgt, zal de financiële positie van het fonds verslechteren en wordt de kans op een lager pensioen groter. Sociale partners hebben, in samenspraak met fondsbestuurders, binnen de regels van het financieel toetsingskader de verantwoordelijkheid gekregen om hier een passende belangenafweging te maken. Het premie-instrument staat dan ook niet op zichzelf, maar moet worden betrokken in het bredere beleid ten aanzien van beleggingen en de hantering van het kortingsinstrument. Voordat besloten wordt tot het ultimum remedium van het korten van de pensioenen komen ook de afwegingen ten aanzien van het indexatiebeleid en een eventuele bijstorting van de werkgever aan de orde.

Ten aanzien van de premie hebben fondsen de mogelijkheid om de kostendekkende premie te dempen met een gemiddelde rente of met het verwachte rendement, om zo de premie stabieler te houden. De keerzijde van premiedemping is echter dat bij een dalende rente de premie in toenemende mate negatief bijdraagt aan het herstel, doordat nieuwe aanspraken onvoldoende zijn gefinancierd. In de analyse van de herstelplannen in de meirapportage was te zien dat de premie voor veel fondsen in de herstelplannen voor 2016 negatief bijdraagt aan het herstel; dit is te zien in de hoogte van de zogenoemde premiedekkingsgraad. De premiedekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de feitelijk (te) ontvangen premie en de premie die benodigd is voor de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken. Een dalende premiedekkingsgraad maakt de toekomstige opbouw van pensioen onzekerder. Een verder dalende rente vergroot dit effect. Het is aan sociale partners en pensioenfondsen om bij het vaststellen van de premie en de opbouw hier een afweging in te maken. Daarbij spelen verschillende factoren een rol. Zo hangt de afweging om de premie al dan niet te dempen samen met de effectiviteit van het premie-instrument en met de vraag of werkgevers en werknemers ruimte zien om de toekomstige opbouw te verlagen of de premie te verhogen, mede met het oog op de loonkosten voor de werkgever en de koopkrachtontwikkeling voor de werknemer. Een andere factor is dat het pensioenfondsbestuur rekening moet houden met een evenwichtige belangenafweging over de generaties. In deze afweging dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat ook de pensioenuitkeringen in het geval van onderdekking negatief bijdragen aan het herstel. Dit effect wordt groter naarmate de rente lager is. Sommige sociale partners en pensioenfondsen hebben de afgelopen jaren ervoor gekozen om in goede en in slechte tijden vast te houden aan een stabiel premiebeleid. Daarbij bestaat de mogelijkheid om bij bijzondere omstandigheden hier toch van af te wijken.

Om het mogelijke effect van het beleid van sociale partners en pensioenfondsbesturen in beeld te brengen heeft DNB in de najaarsrapportage een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Daaruit blijkt dat indien wordt verondersteld dat de relatieve kostprijs van pensioen constant blijft (met andere woorden: de premiedekkingsgraad ultimo 2016 is gelijk aan de premiedekkingsgraad ultimo 2015) het aantal fondsen dat met een korting wordt geconfronteerd halveert (15 in plaats van 30). Een constante premiedekkingsgraad kan bij een dalende rente worden bereikt door of de premie structureel te verhogen, of de toekomstige opbouw structureel te verlagen (of een combinatie daarvan).

Effecten verlengen hersteltermijn

De overheid is verantwoordelijk als het gaat om het vaststellen van de maximale hersteltermijn waar pensioenfondsen mee mogen rekenen. Bij de invoering van het nieuwe financieel toetsingskader is bepaald dat er een overgangsregime geldt voor de hersteltermijn: in 2015 mochten pensioenfondsen maximaal een termijn hanteren van 12 jaar, in 2016 geldt een maximale termijn van 11 jaar en vanaf 2017 is de reguliere termijn van 10 jaar van kracht. In de Wet is tevens vastgelegd dat het kabinet de mogelijkheid heeft om per ministeriële regeling eenmalig de hersteltermijn aan te passen wanneer er sprake is van bijzondere economische omstandigheden.6

DNB heeft op verzoek van het kabinet in kaart gebracht wat het effect voor 2017 zou zijn als de hersteltermijn voor één jaar op 11 jaar wordt gehouden of voor één jaar wordt verhoogd naar 12 jaar. Wanneer de hersteltermijn op 11 jaar zou blijven en de verdere omstandigheden niet wijzigen heeft dit een beperkt effect: nog steeds krijgen dan 2 miljoen deelnemers waarvan 190.000 gepensioneerden te maken met een gemiddelde korting van 0,4%. Bovendien bestaat bij het verlengen van de hersteltermijn het risico dat eventuele toekomstige kortingen groter worden indien herstel uitblijft. Het geschetste beeld blijkt zeer gevoelig voor het beleid wat sociale partners en pensioenfondsen voeren ten aanzien van de verhouding tussen premie en ambitie. Wanneer het houden van de hersteltermijn op 11 jaar gecombineerd wordt met de veronderstelling dat pensioenfondsen hun premiedekkingsgraad in 2017 op hetzelfde niveau houden als in 2016 zouden 180.000 deelnemers waaronder 60.000 gepensioneerden met een gemiddelde korting van 0,4% te maken krijgen. Voor het verlengen van de hersteltermijn naar 12 jaar geldt een vergelijkbaar verhaal. Bij het verlengen van de hersteltermijn naar 12 zouden onder gelijkblijvende economische omstandigheden en beleid van pensioenfondsen 1 miljoen deelnemers en 100.000 gepensioneerden te maken krijgen met een gemiddelde korting van 0,4%. Onder de veronderstelling dat de premiedekkingsgraad op hetzelfde niveau blijft daalt het aantal deelnemers naar 50.000 en het aantal gepensioneerden naar 6.000. De gemiddelde korting is dan 0,3%.

Generatie-effecten van het verlengen van de hersteltermijn

Net zoals pensioenfondsen rekening moeten houden met een evenwichtige belangenafweging als het gaat om generatie-effecten geldt dit ook voor het kabinet7. Het CPB heeft op verzoek van het kabinet gekeken naar de generatie-effecten van het voor één jaar verlengen van de hersteltermijn naar 11 of 12 jaar.8 Een verlenging van de hersteltermijn van 10 naar 11 of 12 jaar is bij dekkingsgraden van minder dan 100% licht in het voordeel van oudere gepensioneerden. De generatie-effecten van een tijdelijke verlenging van de hersteltermijn zijn beperkt van omvang, minder dan 0,5%. De maatregel vermindert de kans op een korting in 2017 en verkleint de korting een fractie als die toch nodig is. Tegelijkertijd vergroot een verlenging van de hersteltermijn in 2017 de kans dat er in de toekomst gekort moet worden. Zo is van belang dat veel pensioenfondsen in 2020 weer op of boven het minimaal vereist eigen vermogen moeten zitten, om een grotere korting in 2021 en de jaren daarna te voorkomen.

Conclusie

Het Nederlandse pensioenstelsel kent een sterke uitgangspositie. In tegenstelling tot veel andere landen hebben we een sterke combinatie van een AOW als basis voor iedereen en een aanvullend pensioen gebaseerd op kapitaaldekking met momenteel ruim € 1.300 miljard aan gespaard vermogen. Er is dus veel vermogen, maar tegelijkertijd is er veel toegezegd aan deelnemers. Om die toezegging waar te kunnen blijven maken moeten scherpe keuzes gemaakt worden door fondsen en sociale partners. Door de lagere rente is de financiële positie van de pensioenfondsen onder druk komen te staan. Binnen de huidige economische omstandigheden zijn pensioenkortingen in 2017 niet uit te sluiten. Of en in welke mate er werkelijk gekort moet worden is afhankelijk van de financiële positie van de fondsen ultimo december 2016. Daarbij speelt ook het beleid van sociale partners en pensioenfondsen rondom de vaststelling van premie en pensioenopbouw dit najaar een grote rol. Het is daarom op dit moment nog niet te zeggen in hoeverre kortingen volgend jaar aan de orde zijn. Dat is ook te zien aan de gevoeligheidsanalyses die DNB heeft uitgevoerd.

Het kabinet heeft wettelijk de mogelijkheid om de hersteltermijn te verlengen in het geval van een uitzonderlijke economische situatie. De doorrekeningen van DNB geven een indicatie in hoeverre dit eventuele kortingen en de omvang daarvan in 2017 kan beperken. Of het verlengen van de hersteltermijn ook daadwerkelijk noodzakelijk en gewenst is, valt nu nog niet te zeggen. Dit zal afhangen van de financiële ontwikkelingen en het beleid van de sociale partners en de fondsen. Ik vind het van belang eerst de dekkingsgraden van 31 december af te wachten, voordat een besluit kan worden genomen over het eventueel verlengen van de hersteltermijn. Half januari is daarover meer duidelijkheid. Op basis daarvan zal het kabinet een besluit nemen, dat pensioenfondsen kunnen meenemen in het opstellen van hun herstelplannen voor 2017. Deze herstelplannen dienen uiterlijk 1 april bij DNB te worden ingediend. Na de beoordeling van de herstelplannen door DNB komt definitief vast te staan of pensioenfondsen kortingen moeten doorvoeren en moet dit worden gecommuniceerd aan de deelnemers en gepensioneerden.

Er zijn ook partijen die pleiten voor meer verregaande maatregelen dan het eenmalig verlengen van de hersteltermijn. Zo heb ik bijvoorbeeld een brief ontvangen van de ouderenorganisaties. 9 Het is daarbij van belang om goed in het oog te houden wat de aard van het huidige contract is. De huidige uitkeringsovereenkomst is nog altijd een overeenkomst waarbij beoogd wordt om met een hoge mate van zekerheid een nominale aanspraak waar te maken. Het past daarbij niet om tussentijds fundamentele aanpassingen te doen die de aard van het contract aantasten zonder duidelijkheid over de verdere invulling van een nieuw contract.

In welk scenario ook, de financiële positie van de pensioenfondsen zal de komende jaren een belangrijk aandachtspunt blijven, mede gezien het feit dat veel pensioenfondsen in 2020 op het minimum vereist eigen vermogen moeten zitten, om een grotere korting in 2021 en de jaren daarna te voorkomen. Maar ook in de jaren daartussen blijft het risico op korten bestaan indien de financiële positie van de fondsen niet verbetert. Dit toont onverminderd de urgentie van het werken naar een nieuw stelsel aan.

Daarom zijn aanpassingen nodig om het Nederlandse stelsel toekomstklaar te maken voor de 21e eeuw. Een nieuw stelsel kan daarbij geen extra geld creëren voor pensioenfondsen maar kan wel zorgen dat deelnemers meer duidelijkheid krijgen over wat zij wel en niet mogen verwachten van hun pensioen.

De kloof tussen verwachtingen en uitkomsten moet worden gedicht. Een nieuw type pensioenovereenkomst kan daarbij helpen. Het kabinet heeft voor de zomer een Perspectiefnota over de toekomst van het stelsel uitgebracht.10 Zowel de SER, als het pensioenveld en het kabinet is doende om het nieuwe stelsel verder vorm te geven.

Met betrekking tot het al dan niet verlengen van de hersteltermijn laat ik de beide Kamers in de tweede helft van januari weten hoe we op de situatie na 31 december 2016 zullen reageren.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

M.H.C. Lever en M. Loois, Pensioen en rentegevoeligheid, CPB Policy Brief, www.cpb.nl. Dit onderzoek heb ik toegezegd in het Algemeen Overleg van 8 juni 2016, Kamerstuk 32 043, nr. 340.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kabinetsreactie najaarsrapportage DNB, Kamerstuk 32 043, nr. 326.

X Noot
4

O. Ciocyte, S. Muns en M.H.C. Lever (2016), Determinants of long-term interest rates, CPB Background Document, www.cpb.nl.

X Noot
5

In deze rapportage zijn 216 pensioenfondsen met in totaal 17 miljoen deelnemers meegenomen. Dit betreft zowel actieven, als slapers en gepensioneerden. Een individu kan vanwege zijn arbeidsverleden deelnemer zijn bij meerdere pensioenfondsen.

X Noot
6

Artikel 142 Pensioenwet.

X Noot
7

Ik verwijs hierbij ook naar de motie Van Weyenberg/Lodders waarin wordt verzocht dat eventuele maatregelen generatieneutraal moeten uitpakken (Kamerstuk 32 043, nr. 346).

X Noot
8

M.H.C. Lever en T. Michielsen (2016), Generatie-effecten verlenging hersteltermijn pensioenfondsen, CPB-notitie, www.cpb.nl.

X Noot
9

Dit betreft een gezamenlijke brief van zes ouderenorganisaties over het korten van pensioenen van 14 oktober 2016. Een afschrift van deze is verstuurd naar de beide Kamers.

X Noot
10

Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel, Kamerstuk 32 043, nr. 337.

Naar boven