Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 106, item 57

57 Armoede- en schuldenbeleid

Aan de orde is het VAO Armoede- en schuldenbeleid (AO d.d. 06/07). 

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de eerste spreker, mevrouw Koşer Kaya. 

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Ik heb twee moties. De inhoud spreekt voor zich, dus zal ik ze direct voordragen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat wetgeving op verschillende domeinen soms met elkaar botst en de effectiviteit van schuldhulpverlening in de weg zit; 

van mening dat de effectiviteit en duurzaamheid van schuldhulpverlening leidend moet zijn; 

verzoekt de regering, samen met gemeenten te inventariseren welk beleid en welke wetgeving met elkaar botsen en de schuldhulpverlening in de weg zitten, en de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over hoe deze knelpunten weggenomen kunnen worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Koşer Kaya, Voortman en Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 361 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat er geen zicht is op hoe groot de instroom, doorstroom en uitstroom van het stelsel van schuldhulpverlening precies is; 

overwegende dat er geen zicht is op de resultaten van en de uitgaven aan schuldhulpverlening; 

constaterende dat op deze manier geen verantwoording mogelijk is over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de schuldhulpverlening; 

verzoekt de regering, voor het einde van 2016 in kaart te brengen hoe groot de instroom, doorstroom en uitstroom van het stelsel van schuldhulpverlening precies is, en wat de resultaten en de uitgaven zijn, en de Kamer hierover te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Koşer Kaya en Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 362 (24515). 

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik zal geen motie indienen over drempels bij gemeenten bij het toewijzen van schuldhulpverlening. De staatssecretaris heeft daarover namelijk uitdrukkelijk gezegd dat zij dit voortvarend ter hand zal nemen en het probleem zal oplossen. Als dat zo snel mogelijk kan, dank ik haar. 

De heer Moors (VVD):

Voorzitter. Ik heb drie moties. Ik zal ze snel voorlezen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de WRR wetenschappelijk heeft vastgesteld dat veel van de huidige interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes in de schuldhulpverlening en financiële educatie in het geheel niet effectief zijn; 

constaterende dat de WRR aanbeveelt om nader te onderzoek te doen naar de effectiviteit van financiële educatie, als daarin ook aandacht wordt besteed aan non-cognitieve factoren zoals motivatie en geloof in eigen kunnen; 

constaterende dat het ministerie van SZW subsidies verstrekt ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes, waarbij de effectiviteit hiervan niet wordt geëvalueerd; 

van mening dat het inzetten van niet-effectieve interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes verspilling van gemeenschapsgeld is; 

van mening dat belastinggeld doelmatig en doeltreffend besteed dient te worden; 

verzoekt de regering, nader onderzoek te laten doen naar wat nodig is om financiële educatie effectiever te maken; 

verzoekt de regering tevens, bij het verstrekken van subsidies aan projecten ter ontwikkeling van nieuwe interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes de voorwaarde te stellen dat deze binnen het project geëvalueerd worden op effectiviteit, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moors. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 363 (24515). 

Ik hoop dat uw volgende moties korter zijn of dat u ze snel gaat voorlezen. 

De heer Moors (VVD):

Ik ga ze heel snel voorlezen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de WRR wetenschappelijk heeft vastgesteld dat veel van de huidige interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes in de schuldhulpverlening en financiële educatie niet effectief zijn; 

van mening dat het inzetten van niet-effectieve interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes verspilling van gemeenschapsgeld is; 

van mening dat belastinggeld doelmatig en doeltreffend besteed dient te worden; 

verzoekt de regering, gemeenten op te roepen interventies, werkwijzen en voorlichtingscampagnes waarvan is aangetoond dat deze niet effectief zijn, stop te zetten; 

verzoekt de regering tevens, methodieken ten behoeve van financiële educatie die worden aangeboden vanuit het Rijk en waarvan is aangetoond dat deze niet effectief zijn, niet langer aan te bieden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moors. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 364 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat steeds meer gemeenten initiatieven ondernemen om schulden van schuldenaren over te nemen en kwijt te schelden; 

overwegende dat dit het signaal geeft dat schulden maken geen consequenties heeft omdat deze toch wel worden overgenomen; 

overwegende dat deze initiatieven dus geen duurzaam effect op de schuldenproblematiek hebben maar slechts symptoombestrijding zijn; 

van mening dat de budgetten voor schuldhulpverlening effectief moeten worden ingezet; 

verzoekt de regering, gemeenten een halt toe te roepen bij het niet effectief inzetten van gemeenschapsgeld door het overnemen en kwijtschelden van schulden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moors. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 365 (24515). 

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Vier moties in twee minuten, dat moet lukken. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering, pilots voor effectieve schuldhulpverlening mogelijk te maken waarbij gemeenten zoals Amsterdam, Den Haag en Leiden schulden van hun inwoners bij het CJIB kunnen overnemen teneinde deze zelf af te handelen; 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut, Yücel, Voortman, Schouten en Koşer Kaya. 

Zij krijgt nr. 366 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten als het gaat om hulp en ondersteuning aan kinderen in armoede; 

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat iedere gemeente een voorziening in de vorm van een kindpakket aanbiedt waarin minimaal is opgenomen: 

  • -basale levensbehoeften, zoals een dak, gas, licht en water, en voldoende te eten; 

  • -voldoende kleding; 

  • -mogelijkheid tot sporten; 

  • -toegang tot cultuur, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 367 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

verzoekt de regering, de toegang tot de schuldhulpverlening voor iedereen te garanderen en te bevorderen dat ook werkende armen gebruik kunnen maken van schuldhulpverlening en armoederegelingen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut, Voortman en Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 368 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de SER met het Sociaal en Cultureel Planbureau op verzoek van de regering voor het einde van 2016 advies moet geven over het terugdringen van het aantal kinderen in armoede; 

verzoekt de regering om, gezien de urgentie van het probleem, het onderzoek te baseren op de meest recent beschikbare gegevens, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Koşer Kaya. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 369 (24515). 

In dit tempo had u er nog drie kunnen indienen, mevrouw Karabulut. 

Mevrouw Yücel (PvdA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat steeds meer gemeenten de ontwikkeling van kindpakketten op een goede manier opgepakt hebben; 

overwegende dat voorkomen moet worden dat armoede van generatie tot generatie wordt overgedragen; 

overwegende dat elk kind moet kunnen deelnemen aan activiteiten op school, aan sport en aan spel om zo de ontwikkeling van kinderen te stimuleren en gelijke kansen te bevorderen; 

verzoekt de regering om de handen ineen te slaan met landelijk werkende organisaties zoals het Jeugdsportfonds, het Jeugdcultuurfonds, Stichting Leergeld, Stichting Jarige Job en VNG om kinderen in gezinnen met armoede met integrale en bredere kindpakketten conform het advies van de Kinderombudsman te ondersteunen; 

verzoekt de regering tevens om te stimuleren dat deze integrale aanpak door gemeenten overgenomen wordt zodat er meer kinderen in armoede beter bereikt worden, en om de Kamer tijdig voor de begroting SZW in het najaar van 2016 te informeren over de uitvoering van het plan, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Yücel. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 370 (24515). 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dien één motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegend dat onder andere Nibud waarschuwt voor armoede bij eenverdieners; 

voorts overwegende dat werken in het verleden juist een weg uit de armoede vormde; 

verzoekt de regering, onderzoek te (laten) doen naar toenemende armoede onder werkenden, in het bijzonder onder eenverdieners, en de oorzaken daarvan, en de Kamer dit onderzoek voor de begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2017 toe te sturen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schouten en Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 371 (24515). 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik weet dat de staatssecretaris heeft gezegd dat zij de SER zal vragen. Ik heb gekeken wat voor onderzoek dat is en volgens mij is dat naar armoede onder kinderen. Oké, een ander onderzoek. Stel dat de SER zegt het niet te kunnen doen, dan nog hechten wij eraan dat er onderzoek hiernaar wordt gedaan. Vandaar deze motie. Mocht de staatssecretaris het bij de SER kunnen onderbrengen, dan kan dat ook via deze route. Ik wil in ieder geval zekerheid hebben dat het gaat gebeuren. Als wij daar pas in het najaar over gaan spreken, kunnen wij die resultaten niet meer meenemen bij de begroting van SZW. 

De heer Krol (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Ik dien de volgende moties in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat consumenten gelokt worden met kredieten en periodieke afbetalingsregelingen waarvan het rentepercentage echter extreem hoog is, tot wel 15%; 

overwegende dat in het Besluit kredietvergoeding, voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2006, het hoogst toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis 12 procentpunten bovenop de actuele wettelijke rente bedraagt; 

verzoekt de staatssecretaris van SZW, in overleg te gaan met haar collega's van Financiën met als doel te bezien of het mogelijk is om het Besluit kredietvergoeding op korte termijn te herzien door de toegestane opslag op de actuele wettelijke rente significant te verlagen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 372 (24515). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat conform het advies van de Nationale ombudsman het burgerperspectief meer centraal moet worden gesteld in het armoede- en schuldenbeleid; 

overwegende dat de gemeentelijke schuldhulpverlening laagdrempelig toegankelijk moet zijn voor mensen met een hulpvraag; 

overwegende dat gemeenten in de praktijk verschillend omgaan met het honoreren van hulpvragen en het toelatingsbeleid tot gemeentelijke schuldhulpverlening; 

verzoekt de regering, te borgen dat in alle gemeenten de minimale toegangseisen tot de gemeentelijke schuldhulpverlening identiek zijn, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 373 (24515). 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. Wederom dank ik de leden voor de ingediende moties, die ik snel zal langslopen. 

Ik begin met de motie-Koşer Kaya c.s. op stuk nr. 361, waarin staat dat wet- en regelgeving soms botsen en niet consequent zijn. Er wordt gevraagd of de regering daar paal en perk aan kan stellen. Ik heb natuurlijk al menigmaal botsende wetten bij de kop gepakt. Vaak zijn de ervaren knelpunten in de wetgeving op te lossen binnen de ruimte die zij voor maatwerk biedt. Ik ontraad daarom deze motie. Ik vind deze overbodig omdat we iedere keer opnieuw kijken naar dit soort zaken en daar niet een heel overzicht voor nodig hebben. 

De motie-Koşer Kaya/Karabulut op stuk nr. 362 gaat over de effectiviteit van de schuldhulp. Ook deze motie ontraad ik. Ik heb verteld aan de Kamer dat we met de verschillende lokale overheden juist bezig zijn om afspraken te maken over de wijze waarop zaken verbeterd kunnen worden, ook binnen gemeenten. Dat is echt de beleidsvrijheid van gemeenten zelf. Wij ondersteunen gemeenten daarbij en hebben daarvoor extra middelen beschikbaar gesteld, namelijk 7,5 miljoen. Dat is een plezierige handreiking aan gemeenten, lijkt mij zo. 

Mevrouw Karabulut (SP):

Waarom maakt de staatssecretaris wel middelen vrij om ervoor te zorgen dat de schuldhulp effectiever wordt, maar neemt zij niet haar stelselverantwoordelijkheid door ervoor te zorgen dat in samenwerking met de gemeenten die gegevens hier terechtkomen, zodat ook wij kunnen beoordelen of de middelen effectief besteed worden? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat doe ik omdat ik eerst met mijn medeoverheden, de gemeenten, heel goed wil bekijken hoe de effectiviteit kan worden verbeterd vanuit de gemeenten zelf. Daar ligt het voortouw. Daar blijf ik bij. 

Mevrouw Karabulut (SP):

In deze motie staat helemaal niet dat gemeenten geen voortouw nemen en dat de staatssecretaris niet moet overleggen. Integendeel, zij zou dit zelfs als ondersteuning van beleid kunnen zien. Laat de staatssecretaris maar uitleggen waar staat dat wij haar en de gemeenten belemmeren in hun werk. Integendeel. We willen juist dat het effectiever en beter wordt. Om dat te kunnen beoordelen, hebben we toch echt die gegevens nodig, zoals de Algemene Rekenkamer zegt. 

Staatssecretaris Klijnsma:

In het dictum van de motie staat "(…) voor het einde van 2016 in kaart te brengen hoe groot de instroom, doorstroom en uitstroom van het stelsel van schuldhulpverlening precies is, en wat de resultaten en de uitgaven zijn (…)". Dat is toch echt aan de gemeenten. Ik ontraad daarom deze motie. 

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik wilde eigenlijk blijven zitten omdat ik vanochtend al een beetje een aanvaring heb gehad met de staatssecretaris op dit punt, maar zij lokt het toch echt uit. De Algemene Rekenkamer noemt het een black box. We stoppen daar een hoop geld in, maar weten totaal niet wat er met dat geld gebeurt, of het effectief is en hoe het beter gebruikt kan worden. Kan de staatssecretaris mij zeggen waarom de Algemene Rekenkamer dat wel ziet en zij niet? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik zit niet in de Algemene Rekenkamer. Afgezien daarvan, ik neem mijn medeoverheden serieus. Ik vind oprecht dat die druk doende zijn om de effectiviteit van de schuldhulpverlening te verbeteren. Wij helpen daarmee, ook in de context van het programma Vakmanschap. Divosa wordt daarbij ondersteund. Ik heb daar vertrouwen in en ga ervan uit dat gemeenten ook waarlijk verbeteren. 

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Dit is toch verbazingwekkend. De staatssecretaris vindt de Algemene Rekenkamer, die over een black box spreekt, wel belangrijk, maar niet belangrijk genoeg om datgene waar hij om vraagt, uit te zoeken en de effectiviteit voor eens en voor altijd duidelijk te maken, opdat we niet zo veel geld kwijtraken, maar het echt effectief kunnen inzetten. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik denk dat ik daar voldoende over gezegd heb. Dat lijkt mij een heldere opstelling. 

Dan de motie van de heer Moors, de motie op stuk nr. 363. In deze motie wordt de regering gevraagd om nader onderzoek te laten doen naar wat nodig is om financiële educatie effectiever te maken. Voorts wordt in de motie gevraagd om aan het verstrekken van subsidies een aantal voorwaarden te verbinden. Dit vind ik een motie waarover ik het oordeel aan de Kamer kan laten. Het is inderdaad een goed idee om dat nader onderzoek te doen. 

Ik stap over naar de motie op stuk nr. 364, eveneens ingediend door de heer Moors. Als ik het dictum van de motie zo mag lezen dat ik in de verzamelbrief die ik van tijd tot tijd naar de gemeenten stuur de in het dictum van de motie verwoorde oproep doe, waarbij ik ook zal refereren aan de WRR, dan kan ik het oordeel over de motie aan de Kamer laten. 

De heer Moors (VVD):

De staatssecretaris doelt dan waarschijnlijk op het eerste punt van het dictum. Ik ga akkoord met haar uitleg van dat punt. Voor het tweede punt van het dictum geldt dat er staat wat er staat. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Het tweede punt van het dictum komt overeen met hetgeen in de eerste motie van de heer Moors al aanhangig is gemaakt. Het oordeel over die motie had ik al aan de Kamer gelaten. 

Ik kom dan bij de motie van de heer Moors op stuk nr. 365. In deze motie wordt de regering verzocht de gemeenten een halt toe te roepen bij het niet-effectief inzetten van gemeenschapsgeld door het overnemen en kwijtschelden van schulden. Deze motie moet ik ontraden. Wij hebben daar in ons debat menig woord aan gewijd. Dit is echt de beleidsvrijheid van de gemeenten. Ik ontraad dus deze motie. 

In de motie op stuk nr. 366, ingediend door mevrouw Karabulut en anderen, wordt de regering opgeroepen om pilots voor effectieve schuldhulpverlening mogelijk te maken. Deze motie ligt mooi in het verlengde van de motie op stuk nr. 365, want de bedoelde pilots zijn al mogelijk. Een gemeenten kan schulden overnemen van inwoners en inwoners kunnen vervolgens de gemeente afbetalen. Op zichzelf hoeven er dus geen pilots meer te komen, maar gemeenten kunnen natuurlijk in nauwe samenspraak met het CJIB bezien of zij verdere stappen kunnen maken. Dat vind ik sympathiek, dus ik wil de motie met die strekking graag oordeel Kamer laten. Overigens blijf ik er zelf graag bij betrokken. 

In de motie op stuk nr. 367, ingediend door mevrouw Karabulut, wordt de regering verzocht te bewerkstelligen dat iedere gemeente een voorziening in de vorm van een kindpakket aanbiedt. Wij zijn druk doende, ook de Kinderombudsman, om het kindpakket verder te promoten bij alle gemeenten. In het AO heb ik al gezegd, ook tegen mevrouw Yücel, dat ik heel graag de thermometer wil hanteren in het najaar, om te bezien hoeveel gemeenten op dat moment het kindpakket uitvoeren. Het gaat mij echter te ver om te bewerkstelligen dat iedere gemeente een dergelijk kindpakket aanbiedt. Dit is immers aan de gemeenten zelf. Wel wil ik in het najaar graag het gevraagde inzicht bieden. Ik ontraad echter de motie op stuk nr. 367. 

In de motie op stuk nr. 368 wordt de regering verzocht de toegang tot de schuldhulpverlening voor iedereen te garanderen en te bevorderen dat ook werkende armen gebruik kunnen maken van schuldhulpverlening en armoederegelingen. Aan de toegang tot de schuldhulpverlening hebben wij al menig woord gewijd. Het is niet voor niets dat ik de inspectie op dit vlak een ronde laat doen. Ook is het niet voor niets dat ik alvast kijk wat wij met wetgeving zouden kunnen bewerkstelligen. Als echter in de motie wordt gezegd dat de toegang tot de schuldhulpverlening voor iedereen gegarandeerd en bevorderd moet worden, dan moet ik haar ontraden, want het gaat hier om gemeentelijk beleid. Ik vind dat wij eerst moeten afwachten wat de inspectie ons op dit punt rapporteert. 

Ik kom vervolgens bij de motie op stuk nr. 369, waarin gesproken wordt over het terugdringen van het aantal kinderen in armoede. In de motie wordt de regering verzocht om, gezien de urgentie van het probleem, een onderzoek te doen. Deze motie is overbodig, dus die ontraad ik. We gebruiken uiteraard alle beschikbare gegevens. De SER en het SCP zijn druk doende, ook op basis van de motie die in de Eerste Kamer is ingediend door de SP. Ik heb dat SER-advies formeel aangevraagd. Dat is goedgekeurd door de ministerraad, dus de SER is aan de slag. 

Mevrouw Karabulut (SP):

Het gaat niet om de gegevens die er nu zijn, maar het gaat erom dat gebruik wordt gemaakt van de meest recent beschikbare gegevens, zodat het wel een actueel rapport wordt, op basis van nieuwe cijfers. Dat is even het punt. Gaat de staatssecretaris dat doen, of in dit geval het SCP? De staatssecretaris wil eind 2016 al dat rapport hebben. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik ga er voetstoots van uit dat zowel de SER als het SCP de meest recente gegevens benutten. Daarom vind ik deze motie een tikje overbodig. Maar we naderen het zomerreces. We kunnen het zo doen dat ik voor de zekerheid zowel de SER als het SCP nog een briefje schrijf of zij de meest recente gegevens wel willen benutten bij de adviesaanvraag, hoewel dat een beetje een open deur is. Dan zou ik deze motie oordeel Kamer kunnen laten. 

Mevrouw Karabulut (SP):

Daar kunnen wij de zonnige zomer wel mee in. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat doet mij dan weer deugd. 

Dan kom ik bij de motie-Yücel op stuk nr. 370 over het kindpakket. Zij verzoekt de regering om te stimuleren dat we met een aantal stichtingen aan de slag gaan om die integrale aanpak door gemeenten overgenomen te krijgen. Dat is niet een verplichting voor gemeenten, maar dat is een aansporing. Uit dien hoofde kan ik het oordeel aan de Kamer laten. 

Mevrouw Karabulut (SP):

Is dit dan iets nieuws wat de staatssecretaris gaat doen? Bij mijn weten is dit wat de staatssecretaris al jaren zegt te doen. Daarmee zou de motie overbodig zijn, maar ik kan het mis hebben. Ik kan iets over het hoofd hebben gezien of iets hebben geïnterpreteerd wat niet zo is. 

De voorzitter:

Omwille van de tijd doen we alleen vragen over onze eigen moties. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Zal ik toch nog maar even antwoorden, voorzitter? 

De voorzitter:

Nou, heel kort. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Heel kort. Mevrouw Karabulut heeft hier een punt, want ik overleg regelmatig met al deze stichtingen. Deze stichtingen zijn ook doende om de handen meer in elkaar te slaan. Ik lees deze motie zo dat we in het najaar kunnen laten zien wat dat precies heeft opgeleverd. Dat vind ik op zichzelf prima. Ik kan daar goed mee leven. 

Mevrouw Yücel (PvdA):

Dit is een motie die ik heb ingediend, maar niet om te onderstrepen wat er al gebeurt. Deze motie vraagt de staatssecretaris om actief met deze landelijk werkende organisaties aan tafel te gaan zitten, om hen te stimuleren om tot een plan van aanpak te komen om die kindpakketten die door de Kinderombudsman worden aanbevolen, meer aan te bieden voor alle kinderen in armoede. Volgens de kennis die wij allemaal hebben, hebben sommige gemeenten nu een summier kindpakket en andere gemeenten een breder pakket. Sommige stichtingen werken wel in bepaalde gemeentes, andere niet. Dat is het hele punt. Deze motie vraagt om een integrale aanpak. Daar wil ik nu echt een reactie op. Dat gaat misschien geld kosten, maar dat is een volgende fase. Dat zien we dan wel weer bij de begroting. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik laat de motie niet voor niets oordeel Kamer. Het kan best een meerwaarde zijn dat deze stichtingen gezamenlijk actie ondernemen, zodat het kindpakket beter kan worden ingekleurd. Het blijft zaak dat gemeenten zelf bekijken of zij dat integrale kindpakket zullen overnemen, ja of nee. Dat is gewoon de beleidsvrijheid van de gemeente, maar ik laat deze motie met liefde oordeel Kamer. 

De voorzitter:

Mevrouw Yücel, kort nog. 

Mevrouw Yücel (PvdA):

Hoor ik de staatssecretaris nu zeggen dat zij bereid is om met deze partijen om tafel te gaan en aan hen de opdracht te geven om met een integraal pakket te komen? Dat is immers geen decentraal beleid. Zij subsidieert deze landelijke organisaties en zij mag daar ook iets van vragen, zodat zij er samen met de VNG voor gaan zorgen dat er meer kinderen in armoede worden bereikt, met alle middelen die er zijn. Dat vraagt deze motie. Kan de staatssecretaris dat bevestigen? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik heb de motie als volgt geduid en het is goed om dat nog even te onderstrepen: ik word opgeroepen om te kijken of deze stichtingen, waar ik al regelmatig overleg mee heb, een integraal kindpakket kunnen maken en, zo ja, op welke wijze en wat dat zou gaan kosten. Vervolgens kijken we naar wat dat voor gemeenten zou gaan betekenen. Zo heb ik de motie geduid. Ik wil het oordeel aan de Kamer laten. 

Dan kom ik tot de motie op stuk nr. 371 van mevrouw Schouten over eenverdieners. Ik heb haar al toegezegd dat ik de SER zal vragen om dit punt van aandacht mee te nemen in de verkenning naar de combinatiebanen. Ik heb ook reeds toegezegd dat ik de Kamer voor 1 september zal informeren of dit lukt. Ik ontraad deze motie omdat die vraagt naar een SER-onderzoek als zodanig naar werkende armen en eenverdieners. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Volgens mij heb ik net precies uitgelegd wat ik bedoelde. Ik heb gezegd: als het bij de SER kan, helemaal goed! Dan moeten we dat lekker bij de SER gaan doen. Maar dat weten we nog niet. De staatssecretaris zegt immers dat ze de Kamer daarover 1 september pas kan informeren. Dan gaat de tijd dringen en wordt het te kort dag als we die gegevens ook nog voor de begrotingsbehandeling willen krijgen. Ik wil eigenlijk dat het linksom of rechtsom gebeurt en als dat bij de SER kan: helemaal goed. Dat is wat deze motie extra vraagt. Volgens mij geef ik de staatssecretaris alle ruimte die ze nodig heeft. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Mevrouw Schouten staat nu een beetje te zuchten, maar als we hiermee kunnen aanhaken bij het reeds lopende onderzoek van de SER, gaat dat natuurlijk het allersnelst. Daarom wil ik met alle plezier de SER verzoeken om dit erbij aan te haken. Ik heb de Kamer beloofd om onmiddellijk na het zomerreces mee te delen wat de situatie is. Dat doe ik met alle plezier. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat heb ik ook beaamd. Ik heb ook gezegd dat dat helemaal goed is. We weten alleen niet of de SER het mee kán nemen. De SER is al bezig, er loopt al een traject en het is misschien moeilijk, maar ik wil dat dit onderzoek, linksom of rechtsom, wel gebeurt. Kan de staatssecretaris toezeggen dat als het niet bij de SER kan, het dan op een andere manier wordt onderzocht en we de gegevens voor de begrotingsbehandeling 2017 krijgen? Ik ben dan best bereid om de motie in te trekken, maar ik wil wel die zekerheid hebben. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik niet zeker weet of ik dat voor de begrotingsbehandeling voor elkaar krijg. Ik denk oprecht dat de kortste route is om aan te haken bij de verkenning van de SER naar de combinatiebanen. Dan kan het "als een speer", zou ik willen zeggen. Ik wil dat echt met alle inzet voor elkaar proberen te krijgen, maar ik kan niet garanderen dat we voor de begrotingsbehandeling de resultaten van een ander onderzoek dan dit kunnen presenteren. 

De voorzitter:

Daarmee blijft het oordeel dat de motie wordt ontraden. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan kom ik tot de motie op stuk nr. 372 van de heer Krol, waarin wordt gevraagd of ik in overleg kan treden met de minister van Financiën, omdat consumenten verlokt worden — als ik me zo mag uitdrukken — en om te bezien of het mogelijk is om het Besluit kredietvergoeding op korte termijn te herzien. Ik ontraad deze motie omdat dit echt thuishoort bij de minister van Financiën. Ik weet dat men er daar al menigmaal naar heeft gekeken. Ik denk dat het hier geen meerwaarde heeft. 

De motie op stuk nr. 373 gaat over de minimale toegangseisen tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Wij hebben daar natuurlijk over van gedachten gewisseld. De inspectie is nu op zoek naar de toegang tot de gemeentelijke schuldhulpverlening en geeft ons daar in het najaar ook de rapportage van. Wij hebben afgesproken dat de brede toegang tot de schuldhulpverlening helder moet zijn en dat ik de wetswijziging ga voorbereiden die aan de orde is als mocht blijken dat die toegang niet breed genoeg is. We doen het dus al. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 373. De overige punten in de motie betreffen gedecentraliseerd beleid. 

De voorzitter:

De heer Krol heeft nog een opmerking naar aanleiding van het oordeel over de motie op stuk nr. 372. 

De heer Krol (50PLUS):

Het enige wat in de motie op stuk nr. 372 wordt gevraagd, is of de staatssecretaris met haar collega van Financiën zou willen gaan praten, omdat er consumenten zijn die op dit moment 14% rente betalen als ze denken dat ze een nieuwe wasmachine nodig hebben, terwijl ze die ergens anders veel goedkoper kunnen aanschaffen. Dat lijkt me echt niet te veel gevraagd. Maar als de staatssecretaris het echt niet wil, dan houd ik de motie aan en dien ik die opnieuw in bij haar collega van Financiën. Juist omdat de staatssecretaris over schuldhulpverlening gaat, vind ik dat de vraag of zij met haar collega zou willen praten, niet te veel zou moeten zijn. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Toch blijf ik bij mijn opvatting dat de motie hier niet thuishoort. Ik ontraad dus de motie. 

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Krol. Betekent dit dat hij de motie aanhoudt? 

De heer Krol (50PLUS):

Ik trek de motie in. 

De voorzitter:

Aangezien de motie-Krol (24515, nr. 372) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Tot zover mijn beoordeling van de moties. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Daarmee komt er een einde aan het VAO Armoede- en schuldenbeleid. Over de ingediende moties gaan wij aan het einde van de vergadering stemmen. Ik bedank de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor haar komst naar de Kamer. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.