Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2010-2011
Kamerstuk 32500-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 22 september 2010

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



32 500 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2011

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  

blz.

   

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

3

   

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

   

1.

Leeswijzer

4

   

2.

De beleidsagenda

8

   

3.

De beleidsartikelen

17

 

1. Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

17

 

2. Een sterk innovatievermogen

27

 

3. Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

44

 

4. Doelmatige en duurzame energiehuishouding

58

 

5. Internationale economische betrekkingen

73

 

8. Economische analyses en prognoses

84

 

9. Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

86

 

10. Elektronische communicatie en post

89

   

4.

De niet-beleidsartikelen

103

 

21. Algemeen

103

 

22. Nominaal en onvoorzien

105

   

5.

Verdiepingshoofdstuk

106

   

6.

Begroting van baten-lastendiensten

120

   

7.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

133

   

8.

Bijlagen

134

8.1

Kerngegevens EZ

134

8.2

Lijst van (overige) subsidies die niet op grond van een AMvB of ministeriële regeling worden verstrekt

136

8.3

De bijlage inzake ZBO’s en RWT’s

139

8.4

Bijlage moties en toezeggingen

142

8.5

Trefwoordenregister

186

8.6

Lijst met afkortingen

188

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsartikel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2011 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2011. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2011.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en kapitaaluitgaven en ontvangsten van de baten-lastendiensten Agentschap NL en Agentschap Telecom voor het jaar 2011 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B van deze memorie van toelichting.

De Minister van Economische Zaken,

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur

  • 2. Prestatiegegevens

  • 3. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

  • 4. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

1. Begrotingsstructuur

Gewijzigde opzet begroting

Bij begroting 2010 is in overleg met het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer de opzet van beleidsartikel 2 gewijzigd. Artikel 2 diende daarbij als pilot voor een verdergaande wijziging van de beleidsartikelen in de begroting 2011. De ervaringen met de pilot waren positief en er is derhalve besloten om ook de overige beleidsartikelen op te stellen volgens de nieuwe opzet in artikel 2.

Kernelementen van de nieuwe opzet zijn:

  • Verduidelijken samenhang in het beleid door meer aandacht voor de beleidstheorie achter de algemene doelstelling en de operationele doelstellingen en daarmee de verschillende bijdrage van het basisinstrumentarium en het programmatische instrumentarium (wat willen we bereiken?).

  • Verduidelijken samenhang tussen de instrumenten en/of activiteiten en hun bijdrage aan de operationele doelstellingen door een uniforme toelichting, waarbij wordt ingegaan op de doelstelling en de voornaamste acties in 2011 (wat gaan we daarvoor doen?).

  • Verduidelijken samenhang financiële informatie en het beleid door de financiële informatie per operationeel doel weer te geven (wat gaat het kosten?).

  • Vergroten leesbaarheid door daar waar mogelijk aanvullende informatie (voorbeelden) in tekstboxen op te nemen.

Daarnaast is ten opzichte van de begroting 2010 artikel 23 komen te vervallen. De verantwoording van deze middelen zal voortaan op artikel 3 plaatsvinden.

Pijlers EZ-beleid

Het EZ-beleid berust op drie pijlers:

  • Markt en spelregels: het bijdragen aan een stabiele macro-economische omgeving, goed werkende (internationale) markten, heldere wet- en regelgeving en een aantrekkelijk fiscaal klimaat.

  • Eén basispakket voor alle ondernemers: het basispakket is voor alle ondernemers toegankelijk. Het omvat instrumenten voor de diverse fasen van het ondernemerschap, van het starten van een onderneming tot de overdracht of de beëindiging. Ook worden de eerste stappen naar innoveren en internationaal ondernemen gestimuleerd. Naast voorlichting en advies zijn er financiële instrumenten als vouchers, kredieten en (samenwerkings-)subsidies. Het basispakket omvat drie modules: 1) starten, groeien en overdragen, 2) innoveren en 3) internationaal ondernemen.

  • Programmatisch pakket voor topprestaties: het programmatisch pakket omvat vier modules: 1) sterktes in innovatie, 2) sterktes in de regio, 3) Energietransitie en 4) Internationaal excelleren en samenwerken. In het programmatisch pakket is het stimuleren van internationale R&D-samenwerking een belangrijk onderdeel. Kenmerkend voor alle programma’s zijn de begrippen excellentie, selectiviteit, maatwerk en vraagsturing. Er nemen specifieke clusters van ondernemers aan deel.

In de EZ-begroting 2011 komen deze drie pijlers duidelijk herkenbaar in de beleidsartikelen terug. Elk artikel bevat, voor zover van toepassing, de onderverdeling markt en spelregels, basispakket voor alle ondernemers en programmatisch pakket voor topprestaties. Met deze indeling is snel duidelijk wat EZ doet om de randvoorwaarden voor ondernemers op orde te krijgen (bijvoorbeeld via het aanpassen van wetgeving), wat EZ doet om ondernemers een geschikt basispakket aan ondersteuning te leveren (bijvoorbeeld door middel van de BBMKB of het Innovatiekrediet) en wat EZ doet om op bepaalde gebieden te kunnen excelleren (programmatisch pakket).

2. Prestatiegegevens

De missie van EZ is om in een open wereldeconomie de condities te realiseren voor een welvarend, duurzaam en ondernemend Nederland. De Minister van Economische Zaken zet zich in voor goed functionerende markten, een ondernemingsklimaat waarin bedrijven zich kunnen ontwikkelen tot sterspelers in binnen- en buitenland en een energiehuishouding die betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam is. Doelstellingen waarbij EZ een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en/of te borgen, maar waarbij het uiteindelijke resultaat mede afhankelijk is van externe factoren waar EZ geen of beperkt invloed op heeft. Ook zijn op sommige terreinen geen statistieken of gegevens beschikbaar en als deze statistieken wel beschikbaar zijn dan is dat, met name op het terrein van innovatie, regelmatig met een vertraging van één tot enkele jaren. Voor deze doelstellingen geldt dan ook dat er niet altijd een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en het uiteindelijke resultaat. Dit compliceert het met prestatie-indicatoren verantwoording af te leggen over de bijdrage van EZ bij de realisatie van beleidsdoelstellingen. Waar mogelijk zijn in deze begroting prestatie-indicatoren opgenomen die hier direct inzicht in geven. Omdat dit veelal niet goed mogelijk was, is een combinatie van prestatiegegevens opgenomen van kengetallen die inzicht bieden in relevante ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein en prestatie-indicatoren die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten op instrument-/activiteitenniveau.

Een kengetal geeft relevante informatie zonder dat een directe relatie is te leggen met het gevoerde beleid (bijvoorbeeld «R&D-uitgaven van de private sector als percentage van het BBP»). Deze kengetallen hebben informatieve waarde omdat ze aangeven hoe Nederland ervoor staat op verschillende terreinen. Daarmee komen sterktes en zwaktes in beeld waarop het beleid kan aangrijpen. Daarnaast geven kengetallen een beeld in hoeverre de ambities van het kabinet gerealiseerd worden.

In de nieuwe opzet staan de meeste kengetallen onder de algemene doelstelling van het betreffende beleidsartikel. Hierdoor kan het voorkomen dat geen prestatiegegevens meer zijn opgenomen bij de operationele doelstelling zelf, omdat de kengetallen die eerder onder de operationele doelstelling waren opgenomen, nu onder de algemene doelstelling staan. De kengetallen geven daarbij informatie over het behalen van de Algemene Doelstelling, maar ook meer specifieke informatie over het behalen van de operationele doelstellingen.

Om de leesbaarheid en de samenhang tussen de prestatiegegevens en de beleidsinformatie verder te vergroten, worden de prestatie-indicatoren niet langer aan het einde van de operationele doelstelling gepresenteerd, maar direct bij de instrumenten waar zij betrekking op hebben.

Voor operationele doelstelling 1 in artikel 5 (Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde) bleek het lastig om meer specifieke prestatiegegevens in de vorm van kengetallen of prestatie-indicatoren op te nemen. EZ is verantwoordelijk voor het beleid dat het vrijmaken van het internationale handels- en investeringsverkeer beoogt en de internationale economische rechtsorde bevordert. Door middel van contacten met overheidspartijen in binnen- en buitenland en het bedrijfsleven schept EZ de basis voor gunstige en concurrerende voorwaarden voor internationaal ondernemen en lost EZ daar waar nodig knelpunten voor het bedrijfsleven op. De uiteindelijke realisatie van deze operationele doelstelling is van een veelheid van factoren afhankelijk (geopolitieke factoren, WTO-onderhandelingen, et cetera). Ook is geen sprake van concrete instrumenten, waardoor het niet mogelijk is om naast de meer algemene kengetallen onder de algemene doelstelling ook nog meer specifieke prestatiegegevens voor de betreffende operationele doelstelling op te nemen.

In het rapport Rijk Verantwoord 2009 1 en de Factsheet bij de EZ-begroting 2010 2 concludeert de Algemene Rekenkamer dat ook voor de artikelen 8 en 9 een explain opgenomen zou moeten worden. Voor deze artikelen geldt dat deze taakgericht zijn, een breder maatschappelijk belang dienen en dat geen sprake is van een eenduidig na te streven maatschappelijk effect. Zowel in artikel 8 als in artikel 9 zijn prestatie-indicatoren opgenomen die informatie geven over het bereiken van de algemene doelstelling. Gezien het karakter van deze artikelen acht EZ het niet mogelijk om deze effectinformatie verder te optimaliseren.

Evaluaties en beleidsdoorlichtingen geven meer detailinformatie over het bereiken van de gestelde doelen dan prestatie-indicatoren en kengetallen. Binnen VBTB zijn dit dan ook belangrijke instrumenten om het inzicht in de beleidsprestaties te completeren. Met verschillende soorten evaluatie-instrumenten wordt zo goed mogelijk inzicht gegeven in de effectiviteit en efficiency van beleid. De Kamer wordt op de hoogte gebracht van de uitkomsten en beleidsmatige conclusies van deze doorlichtingen. In elk beleidsartikel worden de belangrijkste evaluatieonderzoeken weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar beleidsdoorlichtingen, effectenonderzoek en overig evaluatieonderzoek.

3. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

De personele uitgaven van het kernministerie EZ die direct verband houden met beleidsuitgaven worden verbijzonderd naar de betreffende artikelen. De personele uitgaven voor de Directoraten-Generaal die onder het kernministerie vallen, zijn geraamd bij de beleidsartikelen 1 tot en met 5, alsmede beleidsartikel 10. De in dit opzicht als indirect te beschouwen personele uitgaven van het kernministerie (algemene leiding, stafdirecties) worden geraamd op artikel 21 Algemeen. De materiële uitgaven van het kernministerie en de overige apparaatsuitgaven worden eveneens geraamd op artikel 21 Algemeen. Er vindt geen toerekening van deze uitgaven aan de beleidsartikelen plaats.

Voor de diensten van EZ (de NMa, de Consumentenautoriteit, SodM en het CPB) geldt dat de integrale apparaatsuitgaven geraamd zijn op de betreffende beleidsartikelen (respectievelijk de artikelen 1, 1, 4 en 8). De bijdragen aan de (EZ-) ZBO’s CBS en OPTA zijn geraamd op respectievelijk artikel 9 en artikel 10.

Per 1 januari 2010 zijn SenterNovem, EVD en Octrooicentrum Nederland samengevoegd tot Agentschap Nederland (Agentschap NL). De paragrafen over de diensten die een baten-lasten stelsel voeren (SenterNovem, EVD, Octrooicentrum Nederland en Agentschap Telecom) zijn daarom gedeeltelijk samengevoegd tot één paragraaf. De paragrafen geven inzicht in de begroting van baten en lasten en de kasstroom van deze diensten. De opdrachtbudgetten worden geraamd op de beleidsmatig daarvoor in aanmerking komende artikelen.

4. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

In afwijking van de voorschriften specificeert EZ bij de beleidsartikelen de verplichtingenramingen in plaats van de uitgavenramingen, omdat de verplichtingenramingen het meeste inzicht geven in het actuele beleid. Beleidsbeslissingen, zoals het introduceren of het beëindigen van subsidieregelingen, zijn in de verplichtingenramingen immers direct traceerbaar. Vanwege de doorlooptijden en betalingsschema’s van subsidies, bieden de uitgavenramingen in dat opzicht minder informatie. Overigens wordt wel een specificatie van de uitgavenramingen naar operationeel doel gegeven. Daarnaast zijn de bedragen in de financiële tabellen in de artikelen, uit oogpunt van de presentatie, uitgedrukt in miljoenen in plaats van in duizenden.

2. DE BELEIDSAGENDA

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een beperkte technische invulling van de beleidsagenda 2011. Daar waar de beleidsagenda’s in voorgaande jaren uitgebreid ingingen op de prioriteiten uit het kabinetsprogramma Balkenende IV, aangevuld met prioriteiten van de minister, is de opzet dit jaar sober van aard. Er zal vooral worden ingegaan op eventuele relevante beleidsarme ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

Inleiding

Nederland is de zestiende economie in de wereld, de vijfde exporteur en de zesde ontvanger van buitenlandse investeringen. We hebben alles in huis om deze positie vast te houden en te zorgen voor onze welvaart in de toekomst. Een welvaartsniveau dat niet alleen wordt bepaald door de consumptie van goederen en diensten, maar ook door voldoende vrije tijd, sociale cohesie, de mogelijkheid tot zelfontplooiing en de kwaliteit van de leefomgeving.

In een wereldeconomie met een groeiende internationale concurrentie en een schaarste aan energie en grondstoffen gebeurt dit niet vanzelf. Om zich te onderscheiden van andere landen moet Nederland zich krachtig positioneren en investeren in zijn economische sterktes. Het Nederlandse bedrijfsleven is daarbij de cruciale schakel. Ondernemers vormen het kloppend hart van onze economie, innovatie is onontbeerlijk voor productiviteitsgroei en duurzaam ondernemen is een belangrijke randvoorwaarde.

EZ werkt in 2011 volgens drie lijnen aan de versterking van de Nederlandse concurrentiekracht:

  • Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

  • Nederland sterk positioneren in de wereld

  • Een toekomstbestendige energievoorziening

Onderstaand is aangegeven welke activiteiten EZ in 2011 op deze terreinen onderneemt, voorafgegaan door een korte economische schets van Nederland.

1. Sterker uit de crisis

De grootste economische crisis in tachtig jaar heeft wereldwijd diepe gaten geslagen in wereldhandel, werkgelegenheid en winstgevendheid. Ook Nederland is hard getroffen. Ondanks een relatief goede uitgangspositie met een lage werkloosheid, een hoge winstgevendheid en een begrotingsoverschot, is ons welvaartsniveau onder druk komen te staan. Door de crisis zijn de overheidsfinanciën uit het lood geslagen. Tegen de achtergrond van een nog herstellende financiële sector en voortdurende onzekerheid op internationale financiële markten, vraagt de toenemende concurrentie van opkomende markten het uiterste van de Nederlandse economie.

De economie is in 2009 met 3,9% gekrompen. Dit kwam vooral door het instorten van de wereldhandel. Inmiddels trekt de economische groei weer wat aan, maar het niveau van voor de crisis is nog niet bereikt. De economische groei is door de opleving van de export ondertussen iets toegenomen. In het tweede kwartaal groeide de economie met ruim 2% ten opzichte van het tweede kwartaal van 2009.

Recente CPB-ramingen gaan voor heel 2010 uit van een groei van 1,8%.

Volgens de Europese Commissie en de OESO zal Nederland het wel iets beter doen dan de meeste andere eurolanden. Het CPB verwacht voor 2011 in Nederland een groei van 1,6%. De Verenigde Staten en opkomende Aziatische landen hebben beduidend betere vooruitzichten.

In deze context werkt EZ aan een Nederland dat sterker uit de crisis komt. EZ streeft ernaar de effecten van de crisis te beperken, te voorkomen dat de crisis onze economische structuur onherstelbaar schaadt en stimuleert investeringen in duurzaamheid en innovatie. Tegelijkertijd zijn maatregelen nodig om de overheidsfinanciën in het gareel te krijgen, zodat voorkomen wordt dat onze toekomstige economie onder structurele tekorten gebukt gaat en zodat het lange termijn groeivermogen versterkt wordt.

2. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

Ondernemerschap en innovatie zijn de motoren voor duurzame economische groei en de basis voor een sterke concurrentiepositie. Een gezond vestigingsklimaat daagt mensen uit, biedt heldere regels en een goede toegang tot kapitaal. EZ ondersteunt grote en kleine bedrijven bij het verkrijgen van kapitaal en de inzet van medewerkers voor R&D. Het neemt onnodige regeldruk weg en zorgt voor een goede (digitale) loketfunctie van de overheid voor ondernemers. Hierdoor wordt ruimte gecreëerd voor innovatie en groei die nodig is om de Europa 2020-strategie te realiseren. Deze is erop gericht om structurele uitdagingen zoals vergrijzing, globalisering en klimaatverandering het hoofd te bieden.

In een goed vestigingsklimaat spelen marktordening en een adequate bescherming van consumenten een belangrijke rol. Via de Mededingingswet, de Elektriciteits-, Gas-, Telecommunicatie-, Post- en Warmtewet en de Wet handhaving consumentenbescherming werkt EZ aan gezonde concurrentieverhoudingen, voldoende bescherming voor consumenten en goed functionerende markten.

In 2011 werkt EZ onder meer aan:

  • Een nieuw wetsvoorstel voor de Aanbestedingswet en de implementatie van aanvullend beleid.

  • Meer synergie in de innovatieinstrumenten voor het MKB, zoals de innovatievouchers en de innovatieprestatiecontracten.

  • De toegankelijkheid van de kredietmarkt voor grote en kleine bedrijven. Vanwege het belang van een gezonde vermogensverschaffing aan bedrijven, heeft het demissionaire kabinet besloten om crisismaatregelen ter ondersteuning van de kredietverlening aan bedrijven met een jaar te verlengen tot eind 2011. De garantieregelingen zullen er, voor bedrijven die in de kern gezond zijn, aan bijdragen dat vermogensverschaffers aan de vraag naar krediet kunnen voldoen.

  • Een betere digitale overheidsdienstverlening voor bedrijven. Via e-factureren, e-herkenning, Standard Business Reporting en specifieke projecten in het kader van Slim Geregeld Goed Verbonden. En een verdere vermindering van de administratieve lastendruk met 6,5%.

  • De nationale implementatie van de Europa 2020-strategie, bijvoorbeeld op het terrein van innovatie, industriebeleid, klimaat en de digitale agenda. En de inzet op een hoog beschermingsniveau van de Europese investeringbeschermingsovereenkomsten (IBO’s).

  • De implementatie van het New Regulatory Framework, het Europese reguleringskader voor de telecomsector. Hierbij wordt transparantie over internetverkeer door aanbieders van internettoegang verplicht gemaakt.

  • Een aanpassing van het Nationaal Frequentieplan en het beschikbaar stellen van het 800 MHz spectrum voor elektronische communicatiediensten (is deel van Digitaal Dividend). Ook zullen de GSM-vergunningen in het 900 en 1 800 MHz spectrum opnieuw worden uitgegeven.

3. Nederland sterk positioneren in de wereld

Met de opkomst van economieën als China en India verschuift het economisch zwaartepunt en veranderen de internationale machtsverhoudingen. Daarom moet Nederland zich sterk positioneren en zich specialiseren op markten waar we internationaal een toppositie kunnen innemen; daar ligt ons concurrentievoordeel. EZ zet in op economische diplomatie, publiek-private partnerschappen en strategische allianties met derde landen. Niet alleen met het oog op nieuwe afzetmarkten, maar ook voor het aantrekken van buitenlandse investeringen en kenniswerkers naar Nederland.

Innovatie is hierbij cruciaal. Het verhoogt de productiviteit van bedrijven en is daarmee een belangrijke bron voor onze toekomstige welvaartsgroei. Via de innovatieprogramma’s zorgt EZ ervoor dat publieke R&D-investeringen worden ingezet op díe innovatieve sleutelgebieden waarmee Nederland tot de wereldtop kan behoren. ICT speelt hierbij bijvoorbeeld een belangrijke rol als innovatie-as in alle sectoren van de economie. Het World Congress on Information Technology (mei 2010) bevestigde nog eens dat Nederland de digital gateway to Europe is, een positie die we ook in de toekomst moeten vasthouden.

In 2011 werkt EZ onder meer aan:

  • Het aantrekken van kennisintensieve bedrijven naar Nederland: in 2010–2013 wordt gestreefd naar ten minste 15 significante buitenlandse investeringen. Daarnaast is er via het investor development programma intensief contact met bestaande buitenlandse investeerders.

  • Het ondersteunen van excellente clusters van bedrijven en onderzoeksinstellingen met de programmatische aanpak. In 2011 wordt de aansluiting versterkt tussen de innovatie-, internationale en ruimtelijk-economische programma’s.

  • De versterking van de effectiviteit van een normatief kader voor maatschappelijk verantwoord ondernemen voor Nederlandse bedrijven die in het buitenland opereren. Op basis van de bestaande beleidslijnen (ketenverantwoordelijkheid en Non-Trade Concerns (NTC’s)).

  • Een economische visie op de Noordvleugel van de Randstad (Amsterdambrief) en op de Brainport regio Zuidoost Nederland. Beide zijn gepland voor begin 2011.

  • Holland Branding. Ook in 2011 wordt hard gewerkt aan een betere naamsbekendheid van Nederland in China en India.

  • Een follow-up van de World Congres of Information Technology en de Verklaring van Amsterdam, in lijn met Europese en mondiale afspraken.

4. Een toekomstbestendige energievoorziening

Een goede energievoorziening is cruciaal voor onze economische groei. Door Nederland strategisch te positioneren op de internationale olie- en gasmarkt, door het aandeel duurzame energie te vergroten en door te zorgen voor een goede energie-infrastructuur, werken we aan een betaalbare, schone en betrouwbare energiehuishouding.

Een toekomstbestendige energievoorziening betekent ook het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Eind 2010 wordt tijdens de klimaattop in Cancun gesproken over nieuwe klimaatdoelstellingen voor het post-Kyoto tijdperk. Eén ding is zeker: zonder innovatieve oplossingen komen we er niet. Het Nederlandse bedrijfsleven speelt hierbij een doorslaggevende rol. Bij de ontwikkeling van energiezuinige productiemethoden en door investeringen in het opwekken van schone energie.

In 2011 werkt EZ onder meer aan:

  • Een beter werkende gasmarkt, energievoorzieningszekerheid en duidelijke voorrangsregels voor duurzame energie.

  • De koppeling van de pentalaterale regio met de Scandinavische regio. Ook wordt een marktkoppeling met het Verenigd Koninkrijk voorbereid (de Britned kabel komt in 2011 beschikbaar voor elektriciteitstransport).

  • Beleidsaanpassingen naar aanleiding van de gewijzigde Mijnbouwwet. Zoals een stroomlijning van de vergunningsprocedures, duidelijke voorschriften voor aardwarmte en criteria voor de toelating van nieuwe mijnbouwmaatschappijen. Ook wordt de CCS-richtlijn geïmplementeerd.

  • Een tijdige realisatie van energie-infrastructuur van nationaal belang, zoals Randstad 380 kV en een aantal windparken groter dan 100 MW.

  • Het bevorderen van energie-innovatie voor de transitie naar een schonere energievoorziening en een energie-efficiënte economie.

5. Slotparagraaf

Onderstaand is een selectie opgenomen van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) ten opzichte van de begroting 2010. Een volledig overzicht van de majeure beleidsmatige verplichtingenmutaties is opgenomen in het verdiepingshoofdstuk.

Uitgaven (in € mln)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand Ontwerpbegroting 2010 (incl. Amendementen)

2 959,9

2 768,6

2 789,8

2 716,4

2 896,5

 

Artikel 2 Een sterk innovatievermogen

1 Innovatieprogramma’s (deels VJN)

55,4

52,0

44,5

44,5

42,6

 

2 Kenniswerkers / High Tech Topprojecten (VJN)

25,8

     

3 Lucht- en ruimtevaart

– 8,4

4,2

– 1,5

– 0,3

– 4,6

 

4 Subsidietaakstelling

 

– 4,0

– 8,0

– 12,0

– 16,0

 
       

Artikel 3 Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

5 Bedrijventerreinen

– 40,0

 

– 24,3

– 24,9

– 11,9

 

6 Pieken in de Delta (deels VJN)

57,7

41,0

33,2

21,4

21,0

 

7 Groeifinancieringsfaciliteit / GO (VJN)

37,6

11,0

10,0

9,0

8,0

 

8 Ondernemerschap en Onderwijs

11,3

     

9 Subsidietaakstelling

 

– 1,0

– 2,0

– 3,0

– 4,0

 
       

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

10 COVA

 

11,0

11,0

11,0

11,0

 

11 Energie-innovatie

21,9

17,0

11,7

3,0

1,5

 

12 Transitiemanagement (deels VJN)

– 8,1

12,0

12,0

12,0

  

13 Duurzame energie (MEP / SDE, deels VJN)

17,8

50,0

72,4

8,3

– 150,9

 

14 Carbon Capture and Storage

13,3

45,2

21,0

20,0

3,0

 

15 Subsidietaakstelling

 

– 4,0

– 8,0

– 12,0

– 16,0

 
       

Artikel 10 Elektronische communicatie en post

      

16 Subsidietaakstelling

 

– 1,0

– 2,0

– 3,0

– 4,0

 
       

Artikel 21 Algemeen

17 BES eilanden

 

2,2

2,2

2,2

2,2

 
       

Overige mutaties

84,4

50,5

4,6

13,9

29,0

 

Stand Ontwerpbegroting 2011

3 228,5

3 054,7

2 966,5

2 807,5

2 807,4

2 823,1

Ontvangsten (in € mln)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand Ontwerpbegroting 2010

5 798,7

6 188,4

6 330,1

6 128,6

5 095,4

 

Artikel 2 Een sterk innovatievermogen

18 Ontvangsten uit het FES (deels VJN)

29,3

71,1

38,8

48,0

45,5

 
       

Artikel 3 Excellent ondermnings- en vestigingsklimaat

19 Groeifinancieringsfaciliteit / GO (VJN)

37,6

11,0

10,0

9,0

8,0

 

20 Ontvangsten uit het FES (deels VJN)

69,0

41,0

33,2

21,4

21,0

 

21 Lucht- en ruimtevaart

– 5,7

– 8,0

– 10,6

– 12,7

– 6,8

 
       

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

22 COVA

 

11,0

11,0

11,0

11,0

 

23 Aardgasbaten (deels VJN)

– 400,0

1 600,0

1 750,0

2 050,0

2 250,0

 

24 FES afdracht (deels VJN)

– 197,8

77,9

9,6

– 351,4

– 134,2

 

25 Ontvangsten uit het FES (deels VJN)

47,0

52,8

30,3

22,6

6,9

 

26 CO2-veiling (VJN)

55,0

     
       

Overige mutaties

19,6

3,2

– 2,0

4,9

4,3

 

Stand Ontwerpbegroting 2011

5 452,7

8 048,3

8 200,3

7 931,5

7 301,1

7 976,7

  • 1. Deze mutatie betreft een actualistatie van de ramingen en het opvragen van de FES middelen voor de projecten Food & Nutrition Delta (onderdeel TIFN), High Tech Systemen en Materialen (HTSM) en Energie (Be-Basic). Daarnaast is bij eerste suppletore begroting 2010 vanuit de enveloppe duurzaam ondernemen uit het Aanvullende Beleidakkoord € 20 mln aan de EZ-begroting toegevoegd voor de ondersteuning van de productie van elektrische voertuigen en componenten daarvoor.

  • 2. In het Aanvullend Beleidsakkoord is in totaal € 280 mln beschikbaar gesteld voor kennisinfrastructuur. Hiervan loopt € 140 mln aan verplichtingen via de EZ-begroting en € 140 mln via de begroting van OCW. De verplichtingen zijn in 2009 aangegaan. In 2009 verliep de uitfinanciering voor Kenniswerkers op de OCW-begroting sneller dan bij de oorspronkelijke verdeling was geraamd en is bij tweede suppletore begroting 2009 € 22,9 mln overgeboekt naar de begroting van OCW. Bij de eerste suppletore begroting 2010 is de EZ-begroting hiervoor door OCW gecompenseerd. Daarnaast zijn bij eerste suppletore begroting 2010 de in 2009 niet tot besteding gekomen kasmiddelen voor High Tech Topprojecten doorgeschoven naar 2010.

  • 3. Deze mutatie bestaat uit 2 delen:

    • Na arbitrage is in 2010 het tekort in de Business Case JSF vastgesteld op € 157 mln (netto contant, prijspeil 2001). Van het tekort wordt € 105 mln terugontvangen uit afdrachten van de industrie over de JSF-gerelateerde omzet. Daarnaast verlagen het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Defensie hun uitgaven elk met € 26 mln. Deze uitgavenverlaging komt ten gunste van het generale beeld en draagt daardoor bij aan de vermindering van de rentelast op de staatschuld. EZ levert de bijdrage in de jaren 2010–2019. Gedisconteerd en in prijspeil 2010 gaat het om een bedrag van € 50,5 mln. De helft daarvan komt uit vrijval van middelen door de overgang van het NIVR naar Agentschap NL (€ 8,2 mln), uit onverplichte middelen op het terrein van Ondernemerschap in 2013 en 2014 (€ 15 mln) en uit niet uitgegeven middelen voor TNO (€ 1,5 mln). De andere helft komt uit de vermindering van de rente-uitgaven omdat wordt afgelost op de EMU-lening.

    • Bij eerste suppletore begroting 2010 is een actualisatie gemaakt van het kasverloop binnen de luchtvaartkredietfaciliteit. Er is vertraging opgetreden in het Airbus 350-project. Daardoor is het beroep van Nederlandse vliegtuigbouwindustrie op de luchtvaartkredietfaciliteit lager dan verwacht. In 2009 is de faciliteit voor meer vliegtuigbouwprogramma’s opengesteld dan alleen die van Airbus 3. De kredietverstrekking hiervoor vindt in 2010 en latere jaren plaats.

  • 4. Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het demissionair kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van deze maatregelen betreft een subsidietaakstelling op de EZ-begroting vanaf 2011, die in kastermen oploopt tot in totaal € 50 mln in 2015. De subsidietaakstelling is verdeeld over de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 10 en zal op een later moment aan specifieke instrumenten worden toegewezen.

  • 5. In december 2009 hebben Rijk, VNG en IPO het convenant bedrijventerreinen 2010–2020 ondertekend. Dit convenant legt de afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten vast over onder andere de uitvoering van de herstructureringsopgave 2009–2013 (bedrijventerreinenbeleid) inclusief de afspraken over rijksfinanciering. Met betrekking tot de rijksfinanciering is in het convenant afgesproken om de Toppermiddelen te decentraliseren naar de provincies via een decentralisatie-uitkering aan het provinciefonds. Het gaat om een netto bedrag van € 101 mln. Deze mutatie betreft de overboeking.

  • 6. Deze mutatie betreft het opvragen van FES-middelen ten behoeve van de Nota Ruimte-projecten Apeldoorn Kanaalzone, Eindhoven A2 zone, Groningen Centrale zone, Alternatief Hoeksche Waard en Brainport Avenue Eindhoven en de Sterke Regio-projecten Bio Sciencepark Leiden, High Tech Factory Twente, HST Cargo Amsterdam en CAT Agrofood.

  • 7. Bij eerste suppletore begroting 2010 is de in 2009 niet benutte garantieverplichtingenruimte van de GO opnieuw beschikbaar gesteld. Daarnaast is garantieverplichtingenruimte toegevoegd voor garanties op leningen in het kader van bouwinvesteringen in de zorg. Ter afdekking van de schades zullen kostendekkende premies in rekening worden gebracht. Met deze mutatie worden de ramingen van de uitgaven en de ontvangsten hiervoor aangepast.

  • 8. Deze mutatie betreft het opvragen van FES-middelen voor onderwijs en ondernemerschap.

  • 9. Zie toelichting mutatie 4.

  • 10. Ter dekking van de exploitatiekosten van de stichting COVA wordt door de belastingdienst een heffing geïnd op aardolieproducten. De inkomsten uit deze heffing worden via de EZ-begroting doorbetaald aan de stichting COVA en zijn op de lange termijn in evenwicht met de kosten van de stichting COVA. Vanwege de toenemende omvang van de binnenlandse consumptie van aardolieproducten nemen de verwachte inkomsten uit deze heffing toe.

  • 11. Deze mutatie betreft het opvragen van FES-middelen voor de innovatieagenda energie. Deze hebben betrekking op de thema’s nieuw gas, wind op land, wind op zee en het project Hisarna (het internationale onderzoeksproject dat begin 2011 bij Corus in IJmuiden van start gaat en als doel heeft om ruwijzer te maken met minder energie en minder CO2-uitstoot).

  • 12. Bij eerste suppletore begroting zijn FES-middelen opgevraagd ter financiering van verplichtingen betreffende een aantal UKR (Unieke Kansen Regeling) tenders. Voorgesteld wordt om een gedeelte van de in 2010 beschikbare middelen te verdelen over de periode 2011 t/m 2013, zodat hiermee beter wordt aangesloten bij de kasbehoefte.

  • 13. Voor 2010 geldt dat de mutatie nagenoeg geheel wordt veroorzaakt door de middelen die bij eerste suppletore begroting vanuit het Aanvullend Beleidsakkoord beschikbaar zijn gesteld voor het thema Wind op Zee. De aanpassingen in de periode 2011 t/m 2014 zijn het nettoresultaat van twee afzonderlijke mutaties. Ten eerste zijn in het beleidsprogramma van het kabinet Balkenende IV extra middelen uitgetrokken voor de ondersteuning van nieuwe WKK-installaties. Met deze mutatie worden de middelen vanuit de aanvullende post aan de EZ-begroting toegevoegd (€ 14 mln structureel vanaf 2012). Ten tweede wordt een temporisatie voorgesteld die de beschikbare middelen evenwichtiger over de periode 2011 t/m 2014 verdeelt, zodat deze beter aansluiten bij de kasbehoefte.

  • 14. Deze mutatie betreft het saldo van vijf aanpassingen:

    • Vanuit het Aanvullend Beleidsakkoord is bij eerste suppletore begroting in 2010 vanuit de enveloppe duurzaam ondernemen € 9,3 mln aan de EZ-begroting toegevoegd ten behoeve van het E.ON/Electrabel (ROAD)-project.

    • In het beleidsprogramma van het kabinet Balkenende IV zijn middelen uitgetrokken voor CCS. Met deze mutatie worden de middelen van de aanvullende post (in totaal € 65 mln) aan de EZ-begroting toegevoegd ten behoeve van het E.ON/Electrabel (ROAD)-project.

    • Ten behoeve van het E.ON/Electrabel CCS project (ROAD) is in 2011 € 22,7 mln beschikbaar gesteld vanuit het FES.

    • Ten behoeve van het E.ON/Electrabel CCS project (ROAD) is in 2011 € 5,5 mln van de begroting van VROM overgeheveld naar de EZ-begroting.

    • Daarnaast wordt uit het FES € 15 mln opgevraagd voor het project CATO2, verdeeld over de periode 2010 t/m 2014.

  • 15. Zie toelichting mutatie 4.

  • 16. Zie toelichting mutatie 4.

  • 17. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de beschikbare middelen voor de benodigde activiteiten ten behoeve van de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) na de ontvlechting van de Nederlandse Antillen verdeeld over de betrokken departementen. Voor EZ is met ingang van 2011 jaarlijks € 2,2 mln beschikbaar. In de toelichting bij artikel 21 wordt nader ingegaan op de voorgenomen besteding hiervan.

  • 18. Deze mutatie betreft voor een groot deel het bij eerste suppletore begroting 2010 opvragen van FES-middelen voor diverse instrumenten die in 2009 niet tot besteding zijn gekomen, maar in 2010 alsnog tot besteding zullen komen. Daarnaast zijn FES-middelen opgevraagd voor de projecten High Tech Systemen en Materialen (HTSM), Chemie en Energie (Be-Basic), NanoLab, Dynamic Two Phase Flow Lab (Marin) en Food & Nutrition Delta (onderdeel TIFN).

  • 19 Zie toelichting mutatie 7.

  • 20. Deze mutatie betreft de toevoeging van middelen aan de EZ-begroting voor gehonoreerde FES-projecten (Nota Ruimte, Sterke Regio’s en Onderwijs en ondernemerschap).

  • 21. In mei 2010 heeft een actualisatie plaatsgevonden van de Business Case JSF. Met deze mutatie worden de ramingen voor de afdrachten over de behaalde omzet vanuit de industrie bijgesteld, omdat deze later zullen binnenkomen dan eerder werd verwacht.

  • 22. Zie toelichting mutatie 10.

  • 23. Bij eerste suppletore begroting 2010 is het grootste deel van de netto bijstelling van de aardgasbatenramingen reeds toegelicht. Het belangrijkste element met betrekking tot deze neerwaartse bijstelling in 2010 wordt gevormd door de lager dan verwachte spotprijzen op de gasmarkt. De ramingen voor de periode 2011–2014 zijn bijgesteld als gevolg van de nieuwe middellange-termijnverkenning (MLT) van het CPB. De opwaartse bijstelling is het gevolg van een hogere verwachte olieprijs (van 65 dollar naar bijna 80 dollar) en een bijstelling van de eurokoers in 2011 uitgedrukt in dollars (van 1,40 naar 1,27).

  • 24. Met deze mutatie wordt de bijdrage aan het FES en daarmee de voeding van het FES afgestemd op de wijzigingen die sinds eerste suppletore begroting 2010 door de verschillende departementen zijn voorgesteld.

  • 25. Dit betreft de middelen die vanuit het FES aan de EZ-begroting worden toegevoegd. Het betreft onder meer middelen voor de innovatieagenda energie, het project Hisarna en het project ADEM. Daarnaast vindt een aanpassing van de raming plaats voor Transitiemanagement en het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK).

  • 26. Dit betreft de ontvangsten van de oorspronkelijk in 2009 geplande veiling van CO2-emissierechten die uiteindelijk op 15 april jl. heeft plaatsgevonden. Er zijn 4 miljoen CO2-rechten geveild voor een totaalbedrag van ruim € 55 mln.

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

Algemene doelstelling

Het versterken van het duurzaam economisch groeivermogen in Nederland, door bevordering van het functioneren van de economie en markten.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Goed functionerende markten leveren een bijdrage aan onze welvaart. Publieke belangen dienen op een doelmatige wijze te worden geborgd. Wanneer er te weinig concurrentie in een markt is, kunnen consumenten een te hoge prijs voor producten en diensten moeten betalen. Met behulp van de Mededingingswet, de Elektriciteits-, Gas-, Telecommunicatie- en Warmtewet werkt EZ aan gezonde concurrentieverhoudingen. Het is daarom belangrijk dat burgers en bedrijven kunnen beschikken over transparante informatie over de kwaliteit van goederen en diensten. Hiernaast moeten consumenten weten welke rechten zij hebben indien na aankoop blijkt dat de beloofde kwaliteit toch niet wordt waargemaakt.

Het komen tot een goed functionerende interne markt is reeds sinds het begin van het proces van Europese integratie in de jaren 50 een van de centrale doelstellingen geweest. Uit onderzoek van het CPB 4 blijkt bovendien dat de Nederlandse burger ten opzichte van andere Europeanen zelfs meer dan gemiddeld profijt heeft van de open interne markt en dat op lange termijn de voordelen van de gerealiseerde integratie nog groter zullen zijn. Doelstelling van Nederland is om de interne markt te bestendigen en te versterken.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is (mede)verantwoordelijk voor:

  • de versterking van het groei- en concurrentievermogen in Nederland en de EU. Zo is de minister verantwoordelijk voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie voor groei en banen in Nederland;

  • beleid ter bevordering van de interne markt, waaronder op het terrein van staatssteun;

  • de Nederlandse inbreng in de Raad voor Concurrentievermogen en in de Raad voor Energie en Telecommunicatie;

  • marktordening en mededinging;

  • het generieke consumentenbeleid.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt af van de volgende externe factoren:

  • Politieke, economische en internationale ontwikkelingen, zoals fluctuaties in de wereldhandel.

  • Het Europese krachtenveld en de speelruimte die Europese regelgeving nationaal biedt.

  • Het vertrouwen van consumenten. Behalve het garanderen van goede basis wet- en regelgeving en het toezicht daarop, het afdwingen van voldoende transparantie en het garanderen van goede verhaalmogelijkheden, wordt het consumentenvertrouwen mede bepaald door economische ontwikkelingen en (sociaal-economische) ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de individuele consument.

Kengetallen

Het BBP per capita is een indicator die een indruk geeft van de levensstandaard in een land. Met een BBP per capita dat boven het EU-27 gemiddelde ligt, kan Nederland een welvarend land worden genoemd. De structurele arbeidsproductiviteitsgroei is een belangrijke determinant van economische groei en daarmee van toekomstige welvaart. Het werkloosheidspercentage in Nederland ligt ver beneden het EU-27 gemiddelde. Dit betekent dat in Nederland veel mensen aan het arbeidsproces deelnemen. Wanneer de economie de komende jaren verder aantrekt, zal de druk op de arbeidsmarkt snel toenemen.

BBP in euro per capita (PPS, prijzen 2000)

2006

2007

2008

2009

Nederland

28 266

29 184

29 624

28 325

EU-27

20 978

21 521

21 619

20 611

Bron: Eurostat

Gemiddelde werkloosheid in januari in %

2006

2007

2008

2009

2010

Nederland

4,4

3,6

2,8

2,8

4,1

EU-27

8,8

7,5

6,8

7,9

9,5

Bron: Eurostat

Structurele arbeidsproductiviteit mutaties per jaar in %

2006–2010

Nederland

2,3

Bron: CPB Economische Verkenning 2011–2015

Index of Economic Freedom

2006

2007

2008

2009

2010*

Ambitie 2011

Nederland

75,4

75,5

77,4

77

75

>70

Europees gemiddelde

66,2

66,3

66,8

66,3

66,8

 

Bron: www.heritage.org/Index/

De Index of Economic Freedom geeft een indicatie hoe het met de economische vrijheid in een land is gesteld. Economische vrijheid wordt gemeten in 10 categorieën die uiteenlopen van de bescherming van eigendomsrechten en de aanwezigheid van corruptie tot het vrije verkeer van goederen, diensten, arbeid en kapitaal. De economische vrijheid in Nederland is hoog. De Nederlandse score ligt ruim boven het Europees gemiddelde.

Kengetallen: Naleving Europese aanbestedingsrichtlijnen in % inkoopvolume

Sector

2006

2008

Kerndepartementen

78%

86%

Gemeente > 100 000

73%

81%

Gemeente > 50 000 < 100 000

56%

61%

Gemeente > 20 000 < 50 000

33%

45%

Gemeente > 10 000 < 20 000

27%

36%

Gemeente < 10 000

24%

26%

Provincies

90%

90%

Waterschappen

66%

68%

Academische Ziekenhuizen

57%

65%

Politieregio’s (incl. KLPD)

64%

65%

Universiteiten

50%

66%

Hogescholen

33%

66%

Eens in de twee jaar doet EZ onderzoek naar de naleving van de Aanbestedingsrichtlijnen door de aanbestedende diensten. Uit de zo verkregen gegevens kan worden afgeleid in hoeverre de naleving van de richtlijnen door aanbestedende diensten toe- of afneemt. Deze gegevens geven een beeld van de gevolgen van het beleid van EZ dat inzet op een goede naleving van de Aanbestedingswetgeving. Het is voor EZ echter niet mogelijk de naleving direct te beïnvloeden, omdat het juist toepassen van de aanbestedingsregels in concrete gevallen de verantwoordelijkheid van aanbestedende diensten is.

Markt en consumenten prestaties Nederland; kengetallen

Consumentenbeleid

EU 27 (2009)

NL (2009)

Percentage consumenten dat zich voldoende beschermd acht

54,6%

64,4%

Percentage consumenten dat verkopers/providers vertrouwt

58,1%

67,3%

Percentage dat bij verkopers heeft geklaagd

10,3%

6,9%

Percentage consumenten tevreden met klachtenafhandeling

49,7%

51,1%

Percentage consumenten dat het makkelijk vindt om via zelfregulering geschillen op te lossen

37,3%

38,9%

Consumenten Omgevingsindex

55

61

Bron: Europees Scorebord Consumentenmarkten

In de internationale vergelijking op een aantal issues die raken aan het vertrouwen van consumenten, scoort Nederland relatief hoog. De Omgevingsindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen.

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 1
Artikel 1: Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

90,6

89,6

87,2

82,9

82,5

82,2

82,5

Operationeel doel 1

24,6

22,8

24,1

22,6

23,5

23,5

23,5

Algemeen

66,0

66,8

63,1

60,3

58,9

58,6

59,0

        

Uitgaven (totaal)

86,4

89,2

87,0

82,9

82,4

80,5

80,2

Operationeel doel 1

20,1

22,8

24,3

22,6

23,5

23,6

23,2

Algemeen

66,3

66,4

62,7

60,3

58,9

56,9

57,0

        

Programma-uitgaven

22,3

25,8

27,2

26,2

26,8

26,8

26,6

Waarvan juridisch verplicht 1

  

26,0

23,1

23,6

23,6

23,2

        

Ontvangsten (totaal)

19,3

50,6

43,2

36,4

35,8

35,8

35,8

Ontvangsten NMa

1,6

16,6

4,6

    

High Trust

13,4

26,5

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

Ontvangsten apparaat NMa

0,2

      

Ontvangsten Energiekamer

2,9

4,7

4,7

2,6

2,6

2,6

2,6

Fees NMa

1,2

2,8

2,8

2,7

2,1

2,1

2,1

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Optimale marktordening en mededinging bevorderen

Operationele doelstelling 1

Motivering

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan economische groei. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Zowel consumenten als bedrijven profiteren daarvan. Goed functionerende markten zorgen voor een optimalisering van de prijs-kwaliteitverhouding van goederen en diensten en keuzevrijheid voor gebruikers en stimuleren daarnaast innovatie.

De eerste doelstelling is optimale marktordening, een essentiële voorwaarde voor goed functionerende markten. Daarbij wordt gestreefd naar een balans tussen een efficiënte marktwerking enerzijds en de borging van publieke belangen anderzijds. Voor een aantal specifieke markten is EZ verantwoordelijk voor de marktordening. De Waarborgwet, Winkeltijdenwet en Metrologiewet vormen elk op hun eigen wijze belangrijke pijlers in het economisch verkeer en bepalen de voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor de aanbestedingswetgeving waarin wordt geregeld op welke wijze overheidsopdrachten voor concurrentie worden opengesteld. In dat verband speelt PIANOo een belangrijke rol bij het stimuleren en faciliteren van de kennis van expertise over aanbestedingen bij alle publieke opdrachtgevers.

Naast de ordeningsdoelstelling heeft EZ de doelstelling van optimale mededinging. Goed werkende markten vereisen een gezonde concurrentie. Het mededingingsbeleid, zoals opgenomen in de Mededingingswet, is erop gericht dat gezonde concurrentie niet wordt verstoord door mededingingsbeperkend gedrag van ondernemingen, zoals kartelvorming of misbruik van een economische machtspositie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) houdt toezicht op de naleving van de Mededingingswet. Daarnaast is in sommige sectoren sprake van sectorspecifiek toezicht op de concurrentieverhoudingen. De NMa houdt sectorspecifiek toezicht op de uitvoering van de Elektriciteits-, Gas-, Telecommunicatie- en Warmtewet. Voor de Telecommunicatiewet is OPTA de aangewezen toezichthouder.

Naast het bestendigen van de interne markt door middel van handhaving van de regels voor de interne markt en staatssteunregels, zet EZ in op het versterken van de interne markt.

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1: Optimale marktordening en mededinging bevorderen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Bijdrage aan Metrologie

15,0

14,8

14,6

14,6

14,6

14,6

14,6

– Raad Deskundige Nationale Standaard

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

– PIANOo Programma

8,2

6,6

7,2

5,7

6,6

6,6

6,6

– Markt en Overheid

0,0

0,0

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

– Bijdrage aan Nederlands Normalisatie Instituut

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

– Raad voor Accreditatie

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Mededingingsbeleid (Mededingingswet en de NMa)

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De Mededingingswet is de wettelijke verankering van het streven naar een optimale concurrentie. Doel van de Mededingingswet is markten te laten werken. Daarom verbiedt de wet onder meer het maken van prijsafspraken tussen bedrijven en het misbruik maken van een economische machtspositie door een individueel bedrijf. Daarnaast geeft zij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) de bevoegdheid fusies boven een bepaalde omzetdrempel te beoordelen op hun gevolgen voor de mededinging op specifieke markten.

De uitvoering van de Mededingingswet is opgedragen aan de NMa. De NMa handhaaft het verbod op kartels en op misbruik van een economische machtspositie en toetst eveneens fusies en overnames. Naast het toezicht op de Mededingingswet is de NMa ook belast met de uitvoering van het toezicht op een aantal sectorspecifieke wetten: de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet op het gebied van energie en de Wet Personenvervoer 2000, de Spoorwegwet, de Wet Luchtvaart en de Wet markttoezicht registerloodsen op het gebied van vervoer. Het vervoerstoezicht valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Op Europees niveau houdt de Europese Commissie zich bezig met de naleving van de mededingingsregels. EZ heeft een adviserende rol bij de totstandkoming van de verschillende beleidsinstrumenten binnen de Europese Unie.

Voornaamste acties in 2011:

  • Indien het nieuwe kabinet hiermee instemt zal in 2011 een wetsvoorstel in worden gediend voor de strafrechtelijke handhaving van de Mededingingswet. In dit wetsvoorstel wordt de strafrechtelijke vervolging geregeld voor overtredingen van de Mededingingswet. Dit strafrechtelijke traject zal alleen gaan gelden voor bijzonder ernstige overtredingen van de Mededingingswet, voor de overige overtredingen blijft het bestuursrecht van toepassing.

  • Het streven is de Tweede Kamer in de zomer van 2010 te informeren over de resultaten van de evaluatie van het functioneren van de Raad van Bestuur van de NMa. In 2011 zal naar aanleiding van de resultaten van deze evaluatie worden bekeken of het functioneren van de NMa verder kan worden verbeterd.

Aanbestedingsbeleid

Doel en beschrijving: Het doel van het aanbestedingsbeleid is erop gericht dat de overheid op een transparante en effectieve manier inkoopt tegen de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij ondernemers een goede en eerlijke kans maken op een opdracht. Het wetvoorstel Aanbestedingswet heeft tot doel een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen. Voorts heeft EZ enkele aanvullende beleidsinitiatieven genomen, die behalve het versterken van de mededinging tot doel hebben de kwaliteit van de inkoop te bevorderen, de naleving te verhogen en ten slotte de effectiviteit van de inkoop te verbeteren. PIANOo, het expertisecentrum voor aanbesteden, heeft als taak de professionaliteit van het inkopen en aanbesteden door alle overheden in Nederland te vergroten. Iedereen die zich in de publieke sector bezighoudt met het inkopen en aanbesteden van werken, leveringen en diensten kan bij PIANOo terecht voor informatie, advies en praktische tips.

Op Europees niveau speelt EZ een rol bij de onderhandeling en de totstandkoming van de Europese richtlijnen die van toepassing zijn op Europese aanbestedingsprocedures.

Voornaamste acties in 2011:

  • Na de afwijzing in 2008 van het Wetsvoorstel Aanbestedingswet door de Eerste Kamer wordt gewerkt aan een nieuw wetsvoorstel. Het wetsvoorstel is in 2010 bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel bevat een hernieuwde implementatie van de Aanbestedingsrichtlijnen, aangevuld met maatregelen die de concurrentie moeten bevorderen, de lasten moeten verminderen, de aanbestedingspraktijk waar nodig uniformeren en de klachtenafhandeling vergemakkelijken.

  • Implementatie aanvullend beleid bij de Aanbestedingswet (Handreiking Proportionaliteit, Richtsnoeren Leveringen en Diensten).

  • Introductie elektronisch aanbesteden via TenderNed.

Indicator: TenderNed wordt het centrale systeem voor elektronisch aanbesteden in Nederland. TenderNed is daarmee een belangrijk onderdeel van het flankerende aanbestedingsbeleid en levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop. TenderNed leidt tot vermindering van de administratieve lasten voor potentiële opdrachtnemers uit het bedrijfsleven. Ondernemers kunnen, zonder dat zij op verschillende plaatsen hoeven te zoeken, op één centrale plaats alle (overheids)opdrachten vinden. In het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet wordt een bepaling opgenomen die aanbestedende diensten verplicht de (voor)aankondiging van een opdracht en het bekendmaken van de gunning te publiceren via TenderNed. Doordat de bouw van TenderNed vertraging heeft opgelopen is de streefwaarde van 2010 doorgeschoven naar 2011.

Prestatie-indicator

Streefwaarde 2011

Gebruik elektronisch systeem voor aanbesteden wordt gemeengoed bij de overheid

Alle Europese aanbestedingen worden via TenderNed gepubliceerd

Metrologiewet

Doel en beschrijving: Het belangrijkste doel van de Metrologiewet is ervoor te zorgen dat nationale meetstandaarden beschikbaar zijn en dat juist en nauwkeurig kan worden gemeten met meetinstrumenten. Meetstandaarden dragen bij aan de rechtszekerheid. De gecontroleerde meetinstrumenten worden met name gebruikt bij het leveren van goederen in het kader van eerlijke handel en consumentenbescherming. Het Van Swinden Laboratorium (VSL), Verispect en de aangewezen instanties zijn belast met de uitvoering van de regelgeving.

Voornaamste acties in 2011:

  • In 2011 zal de evaluatie van de Metrologiewet worden afgerond. In deze evaluatie zal ook het functioneren van VSL, Verispect en de aangewezen instanties worden meegenomen. Indien nodig zullen naar aanleiding van de evaluatie vervolgacties worden opgesteld.

  • In 2011 zal de Europese Commissie een rapport, vergezeld van een wijzigingsvoorstel, uitbrengen over het functioneren van Richtlijn 2004/22/EC betreffende meetinstrumenten. Dit wijzigingsvoorstel zal vervolgens op raadsniveau onderwerp van discussie zijn.

  • In 2011 zal de herziening van de Europese metrologische richtlijnen op basis van verordening 765/2008 betreffende accreditatie en marktoezicht en besluit 768/2008 betreffende het verhandelen van producten afgerond worden. De Metrologiewet zal hieraan moeten worden aangepast.

Interne markt

Doel en beschrijving: EZ acht het voor de goede werking van de interne markt van cruciaal belang dat de Europese regels betreffende de interne markt kwalitatief goed, eenduidig en consistent zijn. Voorts dat zij correct en tijdig worden geïmplementeerd. Adequaat toezicht op de naleving van de regels is vervolgens een vereiste voor het borgen van het gelijke speelveld voor ondernemers. Zo volgt EZ nauwlettend de implementatie van belangrijke interne markt regelgeving in andere lidstaten, zoals m.b.t. de dienstenrichtlijn, postrichtlijn, vrij verkeer van goederen en markttoezicht. EZ coördineert de interdepartementale afstemming van interne markt dossiers en vraagstukken die mede het beleidsterrein van de andere ministeries raken, ook voor het vervolgtraject na-implementatie van de dienstenrichtlijn. Voor klachten van burgers en bedrijven uit een lidstaat over overheidsdiensten van een andere lidstaat die EU-recht verkeerd toepast, zijn voorts in de EU-lidstaten SOLVIT klachtenloketten opgericht.

Voornaamste acties in 2011: Een deel van de knelpunten binnen de interne markt dienen op EU-niveau te worden aangekaart. Hierbij gaat het ondermeer om knelpunten die voortvloeien uit het ontbreken van (eenduidige of geharmoniseerde) Europese regels of gebrekkige harmonisatie of wederzijdse erkenning op EU-niveau. Op basis van het in 2010 uitgebrachte rapport van de heer Monti 5, zal de Europese Commissie voorstellen doen voor de vervolmaking van de interne markt. Nederland zal in aanloop naar deze voorstellen waar mogelijk de discussie proactief beïnvloeden.

Vergroten vertrouwen van consumenten

Operationele doelstelling 2

Motivering

Consumenten moeten in staat zijn met vertrouwen op markten te opereren en daarbij goed gefundeerde keuzes te maken. Om consumenten als volwaardige spelers op de markt hun rol als afnemers te kunnen laten spelen blijft het van groot belang dat er voldoende, juiste en transparante (begrijpelijke) marktinformatie bestaat voorafgaand, tijdens en na de aanschaf van een product of dienst. Informatie die zowel betrekking heeft op de rechten (en plichten) van consumenten en de kenmerken van de betreffende producten of diensten. Voor een deel komt dit uit het marktproces zelf tot stand, maar deels ook niet. Aanbieders hebben meestal een kennisvoorsprong. Met het oog op deze informatieasymmetrie zijn afspraken nodig over de informatie die aan consumenten moet worden verstrekt en de wijze waarop die informatie wordt verstrekt. Daarnaast moeten de rechten en plichten voor consumenten helder worden vastgelegd en dienen er mechanismen te zijn die de consument ondersteunen om zijn gelijk te halen wanneer zijn rechten niet worden gerespecteerd.

Goed geïnformeerde, zelfbewuste consumenten zijn ook een stimulans voor ondernemers om innovatief te zijn of te worden. Ondernemers kunnen zich door middel van het aanbod van producten zowel op prijs als kwaliteit van producten onderscheiden.

Ondernemers en consumenten hebben in het verleden door middel van zelfregulering invulling kunnen geven aan de bovenstaande voorwaarden voor een transparant en gelijkwaardig marktproces. Zelfregulering, bijvoorbeeld door middel van gedragscodes of door tweezijdige algemene voorwaarden en geschilbeslechting is toegesneden op de praktijk van alle dag en dient dan ook in samenhang te worden gezien met de wettelijke regels. Enerzijds vormt zelfregulering de uitwerking van algemene wettelijke normen; anderzijds vullen ze die ook aan. Bij de wettelijke regels gaat het onder meer om regels waarin is vastgelegd welke rechten en plichten consumenten in ieder geval hebben, regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van goederen en diensten, regels omtrent informatieverplichtingen, en regels omtrent garanties et cetera. Ten behoeve van de handhaving van (een deel van) die wettelijke regels is in 2007 de Consumentenautoriteit opgericht.

Informatieloket ConsuWijzer

Instrumenten & activiteiten

Doel en omschrijving: Goed geïnformeerde, zelfbewuste consumenten zijn essentieel voor het goed functioneren van markten. Kennis van de eigen rechten en plichten draagt daar aan bij. Dit geldt zowel voor ondernemers als voor consumenten. Het informatieloket ConsuWijzer biedt deze informatie aan. Het is van belang de bekendheid van dit loket onder consumenten verder te vergroten.

Voornaamste acties in 2011:

  • Uit eerder onderzoek 6 naar de kennis van rechten en plichten komt naar voren dat bijna 50% van de consumenten vindt dat men niet genoeg (juridische) kennis heeft om volwaardig tegenspel te kunnen bieden aan de handelaar. Met ConsuWijzer, het informatieloket van de Consumentenautoriteit, de NMa en OPTA, wordt getracht in die kennisbehoefte te voorzien. Uit het onderzoek blijkt ook dat de bekendheid van Consuwijzer onder consumenten nog niet al te groot is. Slechts 2% noemt spontaan dit loket als organisatie waar men advies zou vragen bij een probleem. Met enige hulp noemt 38% dit loket. Het doel is de naamsbekendheid van dit loket verder te vergroten en het aantal bezoeken aan de website ook structureel op een hoog niveau te houden.

Indicator: De klanttevredenheid wordt tweejaarlijks onderzocht.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde 2011

Percentage consumenten dat weet van bestaan ConsuWijzer

2%

6%

Aantal bezoeken op website ConsuWijzer

2 000 000

2 000 000

Klanttevredenheid ConsuWijzer (schaal van 1-10)

7,3

7

Positie consument versterken in Nederland en Europa

Doel en beschrijving: Naast goede evenwichtige afspraken tussen ondernemers en consumentenorganisaties op het gebied van bijvoorbeeld geschillenbeslechting en de Nederlandse reclamecode, is ook wet- en regelgeving belangrijk. Te meer omdat niet alle ondernemers betrokken zijn bij zelfreguleringsarrangementen. Goede wet- en regelgeving in Nederland en binnen de EU beschermt consumenten tegen oneerlijke praktijken en geeft hen belangrijke rechten in de relatie met ondernemers. Consumenten maken steeds vaker gebruik van aanbiedingen over de grens. In dat licht is het van belang dat zij ook in andere EU landen met vertrouwen kunnen consumeren. Wanneer dat vertrouwen beschaamd wordt is het eveneens van belang dat de toezichthouder, waar nodig in samenwerking met de Europese collega’s, effectief kan optreden.

Voornaamste actie’s in 2011:

  • In Europa wordt onderhandeld over een Richtlijn Consumentenrechten. Deze richtlijn is een samenstelling van de bestaande richtlijnen Verkoop op afstand, Colportage, Consumentenkoop en Oneerlijke bedingen. De uitkomsten van deze onderhandelingen, een nieuwe Europese richtlijn consumentenrechten, zullen worden geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Inzet van Nederland is het realiseren van een interne markt voor consumenten en retailers, met zoveel mogelijk eenduidige en gestroomlijnde wet- en regelgeving.

  • Uitbreiding mogelijkheden laagdrempelige geschiloplossing. Wanneer consumentenorganisaties en brancheverenigingen kansen zien op tot de oprichting van een geschillencommissie op basis van tweezijdige algemene voorwaarden te komen, zal dit zo mogelijk worden gefaciliteerd.

  • Samen met het Ministerie van Justitie wordt verder gewerkt aan de verdere verbetering van al bestaande mogelijkheden van collectief verhaal. Hierbij zal ook de zogenaamde strooischade, massaschade die zo gering is dat het op grond van een kosten-baten analyse niet loont die individueel te verhalen, betrokken worden.

  • De modernisering van de Pandhuiswet 1910. De modernisering van de Pandhuiswet 1910 is nodig om de consument beter te bescherming wanneer hij zijn goederen beleent bij een pandhuis. In de nieuwe wet zal aandacht worden geschonken aan de kredietvergoeding die aanbieders in rekening mogen brengen, de beleentermijn en de informatie die aan de consument moet worden verstrekt evenals het toezicht hierop.

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel EP

8,0

5,9

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

– Personeel Marktwerking

0,0

2,7

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

– Personeel PIANOo

2,4

2,4

2,3

0,6

0,5

0,5

0,5

– NMa/DTe

47,6

45,6

43,0

41,8

40,7

40,4

40,4

– Consumentenautoriteit

5,5

6,7

6,6

6,5

6,5

6,5

6,5

– Onderzoek en Ontwikkeling

2,4

3,5

3,4

3,5

3,4

3,4

3,7

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Marktordening

1.1

2015

2015

 
 

Consumentenbeleid

1.2

2015

2015

 

Effectenonderzoek ex post

Bijdrage NMI/Verispect

1.1

2011

2012

 
 

Evaluatieonderzoek Metrologiewet

1.1

2010

2011

 
 

Bijdrage Normalisatie-instituut (NEN)

1.1

2014

2014

 
 

Functioneren Raad van Bestuur NMa

1.1

2009

2010

 
 

PIANOo

1.1

2010

2011

 
 

Wet handhaving consumentenbescherming

1.2

2010

2011

 
 

Nalevingsonderzoek aanbesteden

1.1

2011

2011

 

Overig evaluatieonderzoek

Raad voor Accreditatie

1.1

2015

2015

 

Artikel 2 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Innovatie is een belangrijke bron voor de toekomstige welvaartsgroei van de Nederlandse economie. Niet alleen verhoogt innovatie de productiviteit van Nederlandse bedrijven, ook verbetert het de Nederlandse concurrentiepositie en leidt het tot nieuwe producten en diensten, die ook kunnen bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken.

Investeringen in kennisontwikkeling worden door bedrijven niet zonder meer gedaan, onder andere vanwege financiële risico’s en niet optimaal functionerende markten. De overheid spant zich daarom in om publieke en private investeringen in kennisontwikkeling en innovatie te vergroten en zo veel mogelijk partijen aan het innoveren te krijgen. Door partijen samen te brengen en de juiste condities te creëren wordt kennisontwikkeling gestimuleerd en worden kennisbenutting en commercialisering van kennis voor innovatie vergroot.

EZ bevordert dit met een eenvoudig en toegankelijk instrumentarium waarmee bedrijven snel en op maat geholpen kunnen worden. Het innovatiebeleid is daarom ingedeeld in basisvoorzieningen voor alle ondernemers (basispakket) en een pakket dat zich richt op die terreinen waarop Nederland excellent is (programmatisch pakket).

Het basispakket is met name gericht op het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en wordt gekenmerkt door grote toegankelijkheid. Ondernemers worden via subsidies, kredieten of fiscale faciliteiten zoals de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) gestimuleerd om in hun bedrijfsvoering meer aandacht te besteden aan innovatie en meer samen te werken met kennisinstellingen en andere bedrijven om de beschikbare kennis beter te benutten.

Het programmatisch pakket bestaat met name uit de innovatieprogramma’s. Met de innovatieprogramma’s worden kansrijke clusters, die wereldwijd concurreren, gericht en vraaggestuurd ondersteund. Om de concurrentiekracht verder te vergroten stimuleert EZ ondernemingen en kennisinstellingen om hun krachten te bundelen. Daarnaast helpt EZ daar waar mogelijk om knelpunten die deze ontwikkelingen in de weg staan, uit de weg te ruimen.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor optimale innovatiecondities voor bedrijven, de vormgeving en uitvoering van de innovatiestimuleringsmaatregelen en de stimulering van goede samenwerking tussen kennisinfrastructuur en bedrijfsleven.

Externe factoren

De overheid heeft beperkt invloed op de innovatiegraad van de Nederlandse economie. De innovatiegraad van bedrijven en het succes van innovaties worden primair bepaald door de (internationale) marktontwikkelingen en strategische afwegingen die bedrijven daarbij maken.

Kengetallen

European Innovation Scoreboard
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Positie van Nederland binnen EU27-landen

11e

11e

11e

11e

11e

11e

Bron: Europese Commissie (European Innovation Scoreboard)

R&D-uitgaven in de private sector als % van het BBP
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Nederland

1,03

1,01

1,01

0,96

0,88 1

Nnb 2

EU27-gemiddelde

1,18

1,17

1,20

1,21

1,231

Nnb2

OESO-gemiddelde

1,52

1,56

1,60

1,64

1,681

Nnb2

Bron: CBS, Eurostat en OESO (R&D-statistiek)

XNoot
1

Voorlopig cijfer

XNoot
2

Nnb = nog niet beschikbaar; van alle kengetallen in deze tabel zijn de meest actuele cijfers opgenomen.

R&D-uitgaven in de publieke sector als % van het BBP
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Nederland

0,90

0,90

0,87

0,85

0,88 1

Nnb 2

EU27-gemiddelde

0,64

0,65

0,65

0,64

0,671

Nnb2

OESO-gemiddelde

0,65

0,65

0,64

0,64

0,651

Nnb2

Bron: CBS, Eurostat en OESO (R&D-statistiek)

XNoot
1

Voorlopig cijfer

XNoot
2

Nnb = nog niet beschikbaar; van alle kengetallen in deze tabel zijn de meest actuele cijfers opgenomen.

Aangevraagde Europese octrooien, per mln personen van de beroepsbevolking
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Nederland

813

903

845

802

821

748

EU27-gemiddelde

239

246

250

258

270

254

Bron: European Patent Office (Annual Reports) voor aantallen aangevraagde octrooien en Europese Commissie (AMECO database) voor omvang beroepsbevolking

Aandeel innoverende bedrijven in het MKB
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Nederland

24%

 

24%

 

24% 1

 

Bron: CBS (uitkomsten van innovatie-enquêtes die tweejaarlijks worden gehouden)

XNoot
1

Voorlopig cijfer

Aandeel innoverende bedrijven in het MKB dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke en/of private partijen
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Nederland

36%

 

34%

 

36% 1

 

Bron: CBS (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

XNoot
1

Voorlopig cijfer

Toelichting

In internationale vergelijkingen van het innovatievermogen heeft Nederland een middenpositie, zoals bijvoorbeeld uit het European Innovation Scoreboard blijkt. De private uitgaven aan research en development (R&D) zijn relatief laag. Dat komt deels door de sectorstructuur van Nederland (een relatief gering aandeel van hoogtechnologische sectoren in de economie van Nederland). Daarnaast speelt een voorname rol dat de R&D-uitgaven van buitenlandse bedrijven in Nederland veel lager zijn dan op grond van de sterke openheid van de Nederlandse economie verwacht zou mogen worden. Nederlandse bedrijven doen veel onderzoek in het buitenland, maar Nederland trekt relatief veel minder R&D van buitenlandse bedrijven aan. Het Netherlands Foreign Investment Agency, onderdeel van Agentschap NL, heeft zijn acquisitiestrategie dan ook sterker gericht op het aantrekken van kennisintensieve bedrijven en R&D-investeringen uit het buitenland. Bij de R&D-uitgaven in de publieke sector scoort Nederland hoog ten opzichte van het buitenland. In het kader van de Europa 2020-strategie is de ambitie gesteld om in 2020 publieke en private R&D-uitgaven op EU-niveau gezamenlijk op 3% van het BBP te brengen. Het volgende kabinet zal voor Nederland de nationale invulling van dit doel bepalen. Nederland scoort verder hoog bij het aantal aangevraagde Europese octrooien. Dit geeft aan dat Nederland goed is in het ontwikkelen van nieuwe kennis. De hoge score van Nederland wordt echter in belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid in Nederland van de hoofdkantoren van enkele kennisintensieve bedrijven.

Box: De innovativiteit van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf

In 2006 kende de Nederlandse economie in totaal 746 365 bedrijven. Het aantal commerciële MKB-bedrijven met 1-100 werknemers was 275 900. Het EIM 7 heeft in opdracht van EZ die groep bedrijven onderzocht en ingedeeld in verschillende segmenten van innovatief gedrag.

  • 1. Koplopers (13 800 bedrijven): ontwikkelen zelf product- of procesinnovaties en doen expliciet en systematisch aan R&D.

  • 2. Ontwikkelaars (46 900 bedrijven): ontwikkelen zelf product- of procesinnovaties en hebben eigen capaciteit voor de ontwikkeling van prototypes, maar zonder expliciet georganiseerde R&D.

  • 3. Toepassers (57 900 bedrijven): realiseren product- of procesinnovaties waarbij het zowel om eigen ontwikkelingen als adopties kan gaan door externe innovatieve samenwerking en/of gebruik van externe kennisnetwerken.

  • 4. Overig MKB (157 300 bedrijven): ontplooien relatief weinig of helemaal geen innovatieve activiteiten, en kunnen worden verdeeld in volgers (bedrijven met bescheiden doch aanwezige innovatieve activiteiten) en niet-innovatieven (bedrijven die in de afgelopen drie jaar geen innovaties hebben gerealiseerd, geen R&D doen en niet met andere partijen samenwerken om te innoveren).

De instrumenten in het basispakket van EZ zijn gericht op ieder van de verschillende segmenten van het MKB. De WBSO stimuleert met name de koplopers en ontwikkelaars om meer speur- en ontwikkelingswerk te doen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld de innovatievouchers en innovatieprestatiecontracten erop gericht de toepassers te ondersteunen bij het innoveren. Syntens heeft als doel het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren en bewustwording van de mogelijkheden om te innoveren bij het overig MKB te vergroten.

Box: Revisie van R&D-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen

In februari 2010 heeft het CBS herziene cijfers over de R&D-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen bekendgemaakt. De herziening heeft ertoe geleid dat de R&D-uitgaven in de publieke sector ongeveer een miljard euro hoger worden ingeschat dan eerder het geval was. Eerder werd er nog van uitgegaan dat de R&D-uitgaven in de publieke sector in 2007 0,67% van het BBP bedroegen. Na de revisie komen deze uit op 0,85% van het BBP in 2007. Voor 2008 geldt een voorlopig cijfer van 0,88% van het BBP.

De belangrijkste reden voor de sterke opwaartse bijstelling van de R&D-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen is een betere meting van R&D-uitgaven van Universitaire Medische Centra (UMC’s). Een andere reden voor de opwaartse bijstelling van de R&D-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen is dat naast de R&D-uitgaven van universiteiten nu ook de R&D-uitgaven in het hoger beroepsonderwijs worden gemeten. Daarnaast wordt nu ook een deel van de uitgaven van universiteiten voor nevenactiviteiten (bijvoorbeeld kinderopvang) aan R&D toegerekend.

Na de opwaartse bijstelling van de R&D-uitgaven van hogeronderwijsinstellingen neemt Nederland bij de R&D-uitgaven in de publieke sector als percentage van het BBP internationaal een sterk bovengemiddelde positie in.

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 2
Artikel 2: Een sterk innovatievermogen (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

935,6

904,0

517,4

520,6

521,9

514,9

502,5

Operationeel doel 1

138,6

185,7

119,2

117,9

120,9

121,4

130,5

Operationeel doel 2

710,4

634,0

322,8

330,5

329,3

322,4

300,5

Algemeen

86,6

84,3

75,5

72,2

71,6

71,0

71,5

        

Uitgaven (totaal)

656,8

828,1

660,3

646,6

608,3

606,1

539,2

Operationeel doel 1

92,2

138,6

120,5

110,3

111,6

97,6

108,7

Operationeel doel 2

482,2

597,5

462,1

461,5

425,0

436,1

359,3

Algemeen

82,3

92,1

77,7

74,9

71,8

72,4

71,1

        

Programma-uitgaven

582,6

743,5

587,1

575,4

539,7

535,9

470,4

Waarvan juridisch verplicht 1

  

493,4

368,8

298,7

219,2

118,8

        

Ontvangsten (totaal)

197,7

222,1

196,5

153,9

135,2

130,4

59,8

Ontvangsten Rijksoctrooiwet

33,4

29,2

29,2

29,2

29,2

29,2

29,2

Ontvangsten innovatiekredieten

  

0,5

2,1

5,5

9,8

14,6

Ontvangsten Eurostars

 

1,4

1,3

1,3

1,3

1,3

1,3

Ontvangsten TOP

8,1

18,8

10,0

10,0

5,0

4,0

3,0

Ontvangsten luchtvaartkredietregeling

   

0,2

0,4

0,6

2,2

Ontvangsten uit het FES

152,2

167,6

154,0

109,5

92,3

83,9

7,9

Diverse ontvangsten

4,0

5,1

1,5

1,6

1,5

1,6

1,5

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per 						operationeel doel
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 

2009 (raming MN 2010)

2009 (realisatie/ aangepaste raming)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

8

3

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

606

701

692

810

715

715

715

715

Basispakket

Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

Operationele doelstelling 1

Motivering

Vanuit het streven naar zo veel mogelijk investeringen in kennisontwikkeling en innovatie vindt een brede stimulering van die investeringen plaats, middels een breed toegankelijk basispakket. Naast algemene advisering en voorlichting worden met name MKB-ondernemingen gericht gestimuleerd om in hun bedrijfsvoering voldoende aandacht te besteden aan innovatie. Kennisinstellingen en ondernemers worden samengebracht om de beschikbare kennis te delen en te benutten om zo hun innovatievermogen te vergroten. Bedrijven en kennisinstellingen leren van elkaar en maken beter gebruik van de beschikbare kennis. Daarnaast worden innovatieprojecten, met veel commerciële potentie maar ook met grote technische risico’s, direct ondersteund, omdat deze anders onvoldoende van de grond zouden komen. Enerzijds omdat het bedrijf de (financiële) risico’s niet zelf kan dragen en anderzijds omdat de risico’s nog te groot zijn om hiervoor volledige externe financiering te kunnen aantrekken.

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1: Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

Verplichtingen (in € mln)

       

– Innovatievouchers

30,8

34,2

23,0

21,8

24,8

27,5

27,5

– Innovatie Prestatie Contracten

34,3

40,0

9,0

9,0

9,0

9,0

9,0

– Innovatiekredieten

37,5

72,4

48,1

48,1

48,1

48,1

57,1

– Syntens

33,2

32,8

32,8

32,8

32,8

32,8

32,8

– Eurostars

2,8

6,3

6,3

6,3

6,3

4,1

4,1

Innovatievouchers en Innovatie Prestatie Contracten (IPC’s)

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De Innovatievouchers zijn in 2004 geïntroduceerd. De IPC’s zijn in 2005 als pilot gestart. De afgelopen jaren is met beide instrumenten veel ervaring opgedaan.

Omdat er veel vraag is naar beide instrumenten en sprake is van een gedeeltelijke overlap in doelstelling en doelgroep, wordt bezien of beide instrumenten worden samengevoegd tot één nieuw voucherinstrument. De doelstelling van het nieuwe instrument – het stimuleren van het MKB om te innoveren, door gebruik te maken van de kennis van kennisinstellingen en door meer onderling samen te werken – blijft daarbij gelijk. Ook belangrijke eigenschappen als de laagdrempeligheid en de beperkte verkrijgingskosten zullen worden gehandhaafd. Idee is ook dat Syntens een grotere rol zal gaan vervullen en ook branche-organisaties gestimuleerd zullen worden een functie te vervullen in de verbetering van wisselwerking tussen kennisinstellingen en MKB-bedrijven, zowel nationaal als internationaal.

Voornaamste acties in 2011:

  • Introductie van de nieuwe regeling;

  • Het doorvoeren van verbeteringen in efficiëntie en effectiviteit (o.a. verzilvering);

  • Het onderzoeken van de mogelijkheden om de regeling geheel te digitaliseren.

Indicator:

  • De indicator «verzilveringspercentage kennisvouchers» geeft weer welk deel van de kennisvouchers die in een bepaald jaar zijn uitgegeven per ultimo van het daaropvolgende jaar zijn besteed. Daarmee geeft de indicator informatie over de mate waarin de kennisvouchers hebben geleid tot een wisselwerking tussen MKB en kennisinstellingen. De vouchers die in 2011 worden verstrekt kunnen tot in 2012 verzilverd worden. EZ streeft naar een verzilveringspercentage van 70%. Om dit te bereiken wordt o.a. Syntens ingezet om ondernemers te begeleiden bij het formuleren van een kennisvraag en het vinden van een geschikte kennisinstelling.

  • Het «aantal betrokken bedrijven» is als indicator opgenomen voor de samenwerkingsvouchers, omdat dit informatie geeft over het aantal MKB-ers dat met dit instrument wordt gestimuleerd om kennis over te dragen en te innoveren. De streefwaarde van 150 voor 2011 is gerelateerd aan het voor 2011 beschikbare budget van € 9 mln.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Verzilveringspercentage vouchers/kennisvouchers

58%

63%

Nog niet bekend

70%

Aantal betrokken bedrijven bij IPC’s/samenwerkingsvouchers

65

718

623

150

Bron: Agentschap NL

Innovatiekredieten

Doel en beschrijving: Het innovatiekrediet is een financieringsinstrument dat zich richt op het stimuleren van ontwikkelingsprojecten (producten, processen en diensten), waaraan substantiële technische en daaruit voortvloeiende financiële risico’s zijn verbonden en die voor hun financiering niet of onvoldoende terecht kunnen op de kapitaalmarkt.

Voornaamste acties in 2011: Er vinden gesprekken plaats tussen EZ en de Europese Investeringsbank (EIB) die zouden kunnen leiden tot een samenwerkingsovereenkomst, waarin de EIB een bijdrage zal leveren in de financiering van innovatiekredieten.

Indicator: EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2011 is vastgesteld op basis van de beschikbare verplichtingenruimte voor innovatiekredieten in 2011: € 48,1 mln. Maximaal 35% van de subsidiabele innovatieprojectkosten wordt door EZ gefinancierd. De streefwaarde is daarom vastgesteld op € 137 mln (€ 48,1 mln gedeeld door 0,35).

Prestatie-indicator

2008

2009

Streefwaarde 2011

Omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet

€ 54 mln

€ 111 mln

€ 137 mln

Bron: EZ

Box: Het Innovatiekrediet

Zowel jonge als gevestigde ondernemingen kunnen profiteren van het Innovatiekrediet. Het krediet is bestemd voor de financiering van de ontwikkelingsactiviteiten die leiden tot het nieuwe product, proces of dienst, waarop de business case is gebaseerd. Het kan gaan om een technische ontwikkeling of de ontwikkeling van een medicijn waarbij nog een klinische studie is vereist. Het gaat om projecten die wellicht meer technische risico’s met zich meebrengen, maar die van groot belang zijn voor de toekomst van het bedrijf.

De ervaring leert dat het Innovatiekrediet een brugfunctie kan vervullen naar andere financiers. Het toekennen van een Innovatiekrediet helpt een ondernemer in meerdere opzichten. Er wordt voorzien in een deel van de financieringsbehoefte en de plannen zijn getoetst en goed bevonden (en vaak nog verbeterd tijdens het aanvraagtraject).

Bij de verdeling van de toegezegde kredieten over de sectoren valt op dat ICT, machinebouw en Life Sciences eruit springen. Concrete toepassingen van innovatiekredieten zijn:

  • simulatoren van vliegtuigen voor opleiding en training van piloten

  • ontwikkelen van cloud computing 8 technologie voor datacenters. Door het delen van capaciteit worden datacenters vele malen efficiënter bezet. Dit resulteert in enorme energie besparingen.

  • ontwikkelen van een innovatief geneesmiddel dat de schade, veroorzaakt door zuurstoftekort bij de geboorte, kan beperken.

Syntens

Doel en beschrijving: Syntens is het landelijk netwerk dat als doel heeft het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, activeert en ondersteunt op het gebied van innovatie.

Voornaamste acties in 2011: Bezien wordt of Syntens in 2011 in een nieuwe voucherregeling een grotere rol gaat spelen. Ook activeert Syntens MKB-bedrijven tot deelname aan innovatieprogramma’s.

Indicator: De indicator geeft het oordeel van klanten van Syntens weer over het totale pakket van activiteiten van Syntens.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid Syntens (schaal van 1-10)

7,9

7,9

7,9

8,0

Bron: Klanttevredenheidsonderzoek Syntens

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)

Doel en beschrijving: de WBSO is een fiscale faciliteit ter bevordering van R&D, waarmee de kosten voor het verrichten van R&D worden verlaagd. Het overgrote deel van de WBSO is bestemd voor werknemers in loondienst. Voor die groep wordt de WBSO via de loonbelasting verrekend. Het gebruik van de WBSO blijkt uit het aantal toegekende uren voor speur- en ontwikkelingswerk. In 2009 is dit aantal met 8,4% gegroeid tot 67 600 jaren, het aantal aanvragers is met 23,6% gegroeid tot 16 620. Uit de evaluatie van de WBSO blijkt dat met name voor het MKB de toegevoegde waarde groot is.

Het WSBO-budget wordt structureel opgehoogd met € 170 mln, bovenop de verruiming van structureel € 63 mln die reeds was voorzien. Deze extra middelen maken het mogelijk om in 2011 een deel van de verruiming in het kader van de crisis door te zetten en structureel een hoger gebruik te accommoderen.

Indicator: De indicator «aantal aanvragers met toegekende WBSO» geeft het bereik van de WBSO onder bedrijven en kennisinstellingen aan. De indicator «aantal aanvragers met toegekende WBSO dat van de startersfaciliteit gebruik maakt» geeft een beeld van dit bereik onder starters, waarvoor een speciale faciliteit geldt binnen de WBSO. Als gevolg van de definitieverruiming en de incidentele intensiveringen hebben in 2009 en 2010 aanzienlijk meer ondernemers een WBSO aanvraag ingediend en toegekend gekregen. De verwachting is dat in 2011 het aantal aanvragers niet onder het aantal van 2009 zal uitkomen.

Prestatie-indicatoren

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal aanvragers met toegekende WBSO

13 030

13 450

16 620

16 620

Aantal aanvragers met toegekende WBSO dat van de startersfaciliteit gebruik maakt

2 390

2 550

3 430

3 430

Bron: Agentschap NL

Programmatisch Pakket

Topprestaties op innovatiethema’s

Operationele doelstelling 2

Motivering

Om op wereldschaal te kunnen concurreren is het noodzakelijk om als onderneming uit te blijven blinken en dus te blijven innoveren. Nederland beschikt over excellente clusters die tot de wereldtop behoren. Het programmatisch pakket voor innovatie richt zich op het vergroten van het innovatief vermogen en daarmee de concurrentiekracht op die gebieden. Het doel is om in dialoog met het bedrijfsleven en de kennisinstellingen economische kansen te signaleren en sterktes door middel van publiek/private samenwerkingsverbanden uit te bouwen. Eventuele knelpunten worden geïdentificeerd en met gerichte acties aangepakt.

Verplichtingen operationele doelstelling 2
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 2: Topprestaties op innovatiethema’s

Verplichtingen (in € mln)

       

– Innovatieprogramma’s

285,8

446,1

210,6

204,3

207,3

191,7

170,8

– Kenniswerkers/High Tech Topprojecten

138,6

      

– Lucht- en ruimtevaart

189,4

72,3

39,4

46,6

52,1

60,9

59,9

– Institutioneel onderzoek

57,0

70,5

56,3

56,3

56,3

56,3

56,3

– Internationaal innoveren

9,1

6,3

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

– Overig 1

30,5

38,7

30,1

36,9

27,2

27,1

27,1

– Subsidietaakstelling 2

  

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

XNoot
1

Overige verplichtingen bestaan met name uit de Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s, bijdrage aan instituten en overige kredieten.

XNoot
2

Zie toelichting bij artikel 2 in de verdiepingsbijlage.

Innovatieprogramma’s

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: Met de innovatieprogramma’s investeert het Ministerie van Economische Zaken samen met het bedrijfsleven en kennisinstellingen gericht in innovatienetwerken in Nederland. Deze innovatienetwerken zijn hechte, primair op innovatie gerichte, samenwerkingsverbanden van grote bedrijven, kleine bedrijven en kennisinstituten in domeinen, zoals nano-elektronica, materiaaltechnologie en voedingsmiddelen, waarin Nederland excelleert en internationaal kan uitblinken. In de jaarrapportage 2009 9 zijn de 10 lopende innovatieprogramma’s beschreven. Een voorbeeld uit een van die programma’s, Point One, staat beschreven in aansluitende tekstbox.

In de innovatieprogramma’s wordt een breed scala aan activiteiten ontplooid, zoals financiële ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling, het aanpakken van hinderlijke regelgeving, mobiliteit van onderzoekers, bevorderen van opleidingen voor onderzoekers, het bevorderen van starters of netwerkvorming.

Verder wordt er meer aandacht besteed aan de inzet van kredieten in plaats van subsidies, met name bij nieuwe onderzoeksprojecten die relatief dicht bij de markt liggen.

Voornaamste acties in 2011:

  • In 2011 gaat wederom een aantal lopende programma’s het laatste jaar in. In dialoog met deze sectoren wordt opnieuw bezien welke (nieuwe) economische kansen er liggen en welke ondersteuning EZ kan bieden bij het aanpakken van eventuele knelpunten, waar nodig in samenwerking met andere departementen.

  • Daarnaast zal de onderlinge aansluiting en de complementariteit tussen innovatieprogramma’s, het internationale programmatische instrumentarium, 2g@there, en gebiedsgerichte programmatische instrumentarium van EZ, Pieken in de Delta, in 2011 verder versterkt worden door een betere afstemming.

  • De innovatieprogramma’s dragen ook bij aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken binnen de domeinen waarin zij actief zijn. Naar aanleiding van de brede heroverweging voor Innovatie en toegepast onderzoek zal worden bezien in hoeverre en op welke wijze de maatschappelijke innovatie agenda’s (MIA’s) en de innovatieprogramma’s elkaar verder kunnen versterken. EZ zal bij de verdere ontwikkeling van de innovatieprogramma’s nagaan hoe de maatschappelijke agenda’s effectief kunnen worden gekoppeld aan de innovatieprogramma’s.

Indicator: De bijdrage van de innovatieprogramma’s aan het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie komt tot uiting in de volgende twee indicatoren:

  • Aantal deelnemers in innovatieprogramma’s: alle partijen die betrokken zijn bij de innovatieprogramma’s, inclusief deelnemers aan workshops et cetera. Dit getal geeft een indicatie van de omvang van het totale netwerk dat met de innovatieprogramma’s wordt versterkt.

  • Totale R&D-investeringen in innovatieprogramma’s: totale publieke en private investeringen in R&D in dat jaar zoals zichtbaar binnen de regelingen (inclusief Technologische Topinstituten) van de innovatieprogramma’s.

Prestatie-indicatoren

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal deelnemers in innovatieprogramma’s

2 300

4 100

4 000

Totale R&D-investeringen in innovatieprogramma’s

€ 300 mln

€ 743 mln

€ 450 mln

Bron: Agentschap NL

Box: Voorbeeld uit het Innovatieprogramma Point One: netwerk verlaagt drempels

De productie van hightech systemen heeft een sterk mondiaal karakter en de te leveren producten zijn kapitaalintensief. Karakteristiek voor de sector is dat het grootste deel van de productiewaarde met export wordt verdiend. Door de intensieve grensoverschrijdende samenwerking werden de hightech en de automotive sector als een van de eerste getroffen door de sterk dalende wereldhandel met name in het begin van de economische crisis.

De hightech onderneming Prodrive ontwikkelt en levert geavanceerde besturingstechnologieën en componenten en beschikt over een eigen geautomatiseerde productielijn. Het bedrijf investeert veel in risicodragende projecten, omdat die voor Prodrive essentieel zijn om innovaties te ontwikkelen die hun concurrentiepositie versterken in een sterk competitieve sector. Daarbij helpen de Point-One subsidies en de fiscale voordelen van de WBSO enorm. Met de banken zijn nog steeds goede afspraken te maken over groeikapitaal, al hoewel ze nu wel meer eisen stellen.

De Point-One bijeenkomsten bieden voor bedrijven als Prodrive een goede gelegenheid om apparatenbouwers en collega toeleveranciers te ontmoeten. Bij het samen opstellen van de nieuwe Point-One roadmap kon Prodrive daar een goed beeld krijgen van wat de laatste ontwikkelingen zijn. En ook of de koers van het bedrijf in lijn ligt met de R&D-vraagstukken van hun grote klanten, de zogenoemde «Original Equipment Manufacturers».

De partijen in het netwerk leren elkaar steeds beter kennen. Dat werkt drempelverlagend in de samenwerking en geeft vertrouwen. Ook de internationale missies en bijeenkomsten die de EVD en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM organiseren, helpen bij het verwezenlijken van de internationale ambities van Prodrive en indirect die van Point-One.

Box: Innovatie op maatschappelijke thema’s

Maatschappelijke Innovatieagenda’s (MIA’s)

In 2011 worden de verschillende maatschappelijke innovatieagenda’s die de afgelopen periode zijn gestart, verder uitgevoerd: Gezondheid, Water, Veiligheid, Energie, Onderwijs en Duurzame Agro- en Visserijketens. Daarnaast zal in 2011 de maatschappelijke innovatie agenda Bouw van start gaan. De agenda’s zijn opgesteld in het kader van het kabinetsproject Nederland Ondernemend Innovatieland voor de periode 2008–2012. In de maatschappelijke innovatieprogramma’s staat de inzet van kennis en vernieuwend ondernemerschap ten behoeve van het oplossen van maatschappelijke vraagstukken centraal.

Een voorbeeld van een project uit de MIA Veiligheid is het project «Integratie van luchtwaarneming in de commandovoeringketen». Het doel van dit project is om het real-time totaaloverzicht van grote branden te verbeteren door de inzet van onbemande vliegtuigjes. Zo krijgen de juiste mensen op het juiste tijdstip de juiste informatie en kan men de branden bestrijden.

De overheid als opdrachtgever voor innovatie

De overheid kan de vraagkant van innovatie stimuleren door op te treden als opdrachtgever. Een methode die hierbij bij uitstek toegepast wordt is het Small Business Innovation Research programma (SBIR), waarbij de overheid R&D opdrachten op maatschappelijke thema’s uitbesteedt. SBIR is interessant voor Nederlandse innovatieve bedrijven, met name voor MKB-bedrijven. SBIR maakt deel uit van bestaande en nieuwe programma’s voor R&D, zoals de maatschappelijke innovatieprogramma’s. Inmiddels lopen al zo’n 20 SBIR programma’s. De verwachting is dat in 2011 het aantal SBIR projecten verder zal toenemen, mede doordat meerdere departementen inmiddels SBIR ook zelfstandig inzetten naast de maatschappelijke innovatieprogramma’s.

In gevallen waar al wel een oplossing bestaat, maar die nog nieuw is, kan de overheid optreden als innovatiebevorderende klant (launching customer). In 2010 is EZ gestart met een pilot voor een rijksbrede prestatie-indicator voor de overheid als innovatiebevorderende klant. De prestatie-indicator is het aantal door de aanbestedende dienst uitgevoerde innovatie bevorderende aanbestedingen. Bewustwording, kennisontwikkeling en kennisdeling zijn belangrijke onderdelen van het project innovatiegericht inkopen. Daartoe is in 2009 gestart met een expertisenetwerk dat overheden bijstaat in hun traject naar (precommerciële) innovatiegerichte inkoop.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde 2011

Aantal door de aanbestedende dienst uitgevoerde innovatie gerichte aanbestedingen

Niet van toepassing

20

Bron: EZ

Luchtvaartbeleid

Doel en beschrijving: Doel van het beleid is het luchtvaartcluster te ondersteunen in het versterken van zijn positie binnen de keten van vooral de Europese vliegtuigbouw en het zorgen voor een gelijk speelveld. Instrumenteel hierbij zijn het subsidiebesluit onderzoek vliegtuigontwikkeling (SOV, opvolger SRP) en het subsidiebesluit Civiele Vliegtuigontwikkeling (CVO). De CVO ondersteunt, via het verlenen van kredieten, risicodragende deelname door het luchtvaartcluster in nieuwe ontwikkelingsprogramma’s van Airbus en van regionale vliegtuigbouwers. Het SOV beoogt fundamentele en industriële basiskennis via toepassingsgericht onderzoek te vertalen naar concrete toepassingen in de vliegtuigbouw op middellange termijn.

Voornaamste acties in 2011: Op basis van een in 2010 uitgevoerde beleidsdoorlichting zal in 2011 een besluit worden genomen over (de vorm van) het beleid voor de beleidsperiode 2011–2015.

Ruimtevaartbeleid

Doel en beschrijving: In het kader van het Europese ruimtevaartbeleid draagt EZ bij aan onderwerpen op wetenschappelijk, industrieel en technologisch gebied, waar Nederland in excelleert. Door te investeren in ruimtevaart draagt EZ bij aan oplossingen van maatschappelijke vraagstukken, bijvoorbeeld op de gebieden veiligheid en defensie, mobiliteit, milieu, klimaat en landbouw.

Voornaamste acties in 2011: Naast een verdere programmatische uitwerking en invulling van de Nederlandse inschrijvingen in R&D programma’s van de European Space Agency (ESA), zal in 2011 de nadruk vooral liggen op het stimuleren van het gebruik van ruimtevaartdata voor aardse toepassingen bij oplossingen van maatschappelijke vraagstukken. Daarnaast zal 2011 in het teken staan van (de spin-off van) de tweede ruimtevlucht van de Nederlandse astronaut André Kuipers naar het internationale ruimtestation, die voor november 2011 staat gepland.

Indicator: De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return» betreft opdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten vloeien voort uit de Nederlandse contributies aan diverse R&D-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een return van 0,9 (90%) van de bijdrage van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. De afgelopen jaren heeft Nederland een overreturn gerealiseerd. Voor 2011 wordt gestreefd naar een waarde van tenminste 1,15.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Ruimtevaart geo-return

(juste retour)

1,15

1,16

1,15

1,15

Bron: ESA

Box: Europees programma: Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)

Doel en beschrijving: In een periode van 2007 tot en met 2013 trekt de Europese Commissie circa € 50 mrd uit voor het stimuleren van innovatie. Dit geld wordt besteed binnen het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese industrie en kennisinstellingen te verbeteren en de Europese concurrentiepositie te versterken. Dit gebeurt door financiering van onderzoekssamenwerking, excellente (individuele) onderzoeksvoorstellen, mobiliteit van onderzoekers en door capaciteitsversterking. Budget en uitvoeringsverantwoordelijkheid van dit programma liggen bij de Europese Commissie. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden zal Nederland van de € 50 mrd naar verwachting € 3 mrd «terugontvangen» via programma-subsidies.

Voornaamste acties in 2011: Naast voortzetting van de reguliere uitvoering zal in 2011 in het bijzonder aandacht uitgaan naar het verminderen van de administratieve lasten onder het KP (de Commissie heeft daartoe in 2010 voorstellen gedaan). Ook zullen de aanbevelingen die voortkomen uit de tussentijdse evaluatie van KP7 (afronding eind 2010) in 2011 geïmplementeerd worden.

Bijdrage aan TNO/GTI’s (institutioneel onderzoek)

Doel en beschrijving: Deze bijdrage staat in het teken van de vraagprogrammering van TNO en de andere grote technologische instituten (GTI’s). Het doel van de vraagprogrammering is dat de onderzoeksprogramma’s van TNO en de GTI’s beter aansluiten op de vraag naar onderzoek zoals gesteld door de overheid, het bedrijfsleven en andere betrokken partijen. De vraagprogrammering is ingedeeld in 12 thema’s. Economische Zaken is verantwoordelijk voor het thema «hoogwaardige systemen, processen en materialen en ICT» en voor het thema «energie». Een deel van de bijdrage aan TNO is gericht op collectieve kennisoverdracht aan het MKB en voor toepassing van het Small Business Innovation Research Programma (SBIR).

Voornaamste acties in 2011: In 2010 is vraagprogrammering ingevoerd en wordt geëvalueerd in hoeverre deze doelstelling is gerealiseerd. In de tussentijd zullen voor het thema «hoogwaardige systemen, processen en materialen en ICT» nog diverse acties ondernomen worden om de afstemming tussen vraag en aanbod verder te verbeteren, zoals verbetering van de betrokkenheid van het bedrijfsleven, structurering van het rapportageproces en het ontwikkelen en gebruiken van indicatoren die zicht geven in de relatie tussen vraag en aanbod.

Indicator: De indicator «klanttevredenheid co-financiers bij kennisontwikkeling TNO» meet de algemene tevredenheid van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan cofinancieringprojecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO. EZ streefde in 2009 een klanttevredenheid na van 7,6 (1 punt hoger dan in 2008) en heeft een aantal maatregelen getroffen om dit te bereiken. Zo is er nu een centrale coördinator per kerngebied voor projecten met Rijksbijdrage EZ en moet een projectleider over een hogere kwalificatie beschikken dan voorheen. De eerste resultaten van deze maatregelen zijn zichtbaar in de gerealiseerde score voor projecten afgesloten in 2009.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid co-financiers bij kennisontwikkeling TNO (schaal van 1–10)

7,3

6,6

7,6

7,6

Bron: Klanttevredenheidonderzoek TNO

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel Innovatie

5,7

6,8

6,3

6,2

6,2

6,2

6,2

– Bijdrage aan Agentschap NL

70,9

68,7

64,5

61,4

60,9

60,3

60,8

– Bijdrage aan diverse organisaties

7,9

4,6

1,5

1,2

1,2

1,2

1,2

– Onderzoek en Ontwikkeling

2,2

4,2

3,1

3,4

3,4

3,4

3,4

Toelichting

Naast de apparaatskosten van EZ worden onder andere de bijdragen aan het Agentschap NL verantwoord, die betrekking hebben op de uitvoering van de beleidsinstrumenten in dit artikel. Daarnaast voert het agentschap twee meer beleidsmatige taken uit, namelijk het onderhouden van het netwerk van Technisch Wetenschappelijk Attachés (TWA’s) en het Octrooibeleid.

Netwerk Technisch Wetenschappelijke Attachés (TWA’s)

Doel en beschrijving: Het TWA-netwerk werkt aan het verbeteren van het innovatievermogen in Nederland door het activeren en koppelen van de vraag naar en het aanbod van kennis over technisch wetenschappelijke ontwikkelingen en daaraan gerelateerde trends op het terrein van innovatief ondernemerschap in Nederland en het buitenland. Het netwerk richt zich op bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties in Nederland en buitenland. Daarbij concentreert het netwerk zich op de innovatieprogramma’s plus de maatschappelijke innovatieagenda’s en de wijze waarop deze innovaties genereren die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn. De TWA’s zijn gestationeerd in Noord-Amerika, Azië en de EU.

Indicator: De prestatie-indicator «klanttevredenheid TWA Netwerk» geeft aan in hoeverre de cliënten (bedrijven, kennisinstellingen, overheid) van het TWA-netwerk tevreden zijn met de geboden dienstverlening door de TWA’s. Het klanttevredenheidsonderzoek van het TWA-netwerk wordt in 2010 weer uitgevoerd als onderdeel van een NL EVD Internationaal breed klanttevredenheidsonderzoek. Voor de dienstverlening van het TWA-netwerk geldt een streefwaarde van minimaal 7,5.

Kennisbescherming

Doel en beschrijving: Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. Om dat te verwezenlijken staan Nederland verscheidene Nederlandse en Europese wetten, verdragen en instrumenten ter beschikking.

De Nederlandse uitvoeringsorganisatie, NL-Octrooicentrum (NL-OC) is belast met de verlening en registratie van octrooien. Voor het stimuleren van gebruik van het octrooisysteem geeft NL-OC voorlichting aan bedrijven en kennisinstellingen over het aanvragen van octrooien, alsmede over het gebruik van de kennisinformatie die in octrooidatabanken is opgeslagen. Vanaf 2010 vormt NL-OC onderdeel van het Agentschap NL.

Voornaamste acties in 2011: De verdere vervolmaking van het Europese octrooistelsel (met name EU-octrooi en Europese octrooirechtspraak) blijft ook in 2011 van primair belang. Daarnaast zal in 2011 worden gewerkt aan de acties op communautair niveau voortvloeiend uit de evaluatie van het Europese merkenrechtsysteem, die thans in opdracht van de Europese Commissie wordt uitgevoerd. In 2010 zal ook een evaluatie van het integrale beleid van het departement inzake Kennisbescherming worden uitgevoerd. De evaluatie zal begin 2011 afgerond zijn en zal mogelijk vervolgacties krijgen in 2011.

Indicator: NL-OC doet elke twee jaar een klanttevredenheidsonderzoek. Met een rapportcijfer geven de klanten (MKB-bedrijven, particulieren, kenniscentra en octrooigemachtigden) een totaaloordeel voor de totale dienstverlening van NL-OC. Deze totale dienstverlening bestaat ondermeer uit het innemen van een octrooiaanvraag, het beheer van octrooirechten, het aanbieden van workshops en/of trainingen en het telefonisch beantwoorden van vragen.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid TWA-Netwerk (schaal van 1–10)

7,5

  

7,5

Bron: Klanttevredenheid onderzoek TWA-Netwerk

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid NL-OC (schaal van 1–10)

7,7

 

7,8

7,8

Bron: Klanttevredenheidonderzoek NL-OC

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting 1

Kennisbescherming 2

2.2

2010

2011

 

Effectenonderzoek ex post

Innovatievouchers

2.1

2011

2011

 
 

Actieprogramma Technopartner

2.1

2011

2011

 
 

WBSO

2.1

2011

2011

 
 

Innovatiekrediet

2.1

2011

2012

 
 

SBIR

2.2

2009

2010

 
 

IPC’s

2.2

2010

2010

 
 

STW

2.2

2010

2010

 
 

Vraagsturing TNO/GTI’s

2.2

2010

2010

 
 

Innovatie Prestatie Contracten

2.2

2010

2010

 
 

Syntens

2.2

2011

2011

 
 

Innovatieprogramma’s

2.2

2011

2012

 
 

ICES/KIS III (BSIK)

2.2

2012

2012

 
 

Ruimtevaartbeleid

2.2

2012

2012

 
 

Regieorgaan ICT

2.3

2009

2010

Kamerstuk: 26 643, nr. 162

 

Luchtvaartbeleid

2.3

2010

2010

Kamerstuk: 31 936, nr. 31

 

IOP’s

2.3

2010

2010

Kamerstuk: 27 406, nr. 184

Overig evaluatieonderzoek

Launching customer

2.2

2010

2010

 
 

Innovatiegericht inkopen

2.2

2010

2011

 
XNoot
1

In de begroting 2010 stonden beleidsdoorlichtingen gepland voor «Meer bedrijven die kennis ontwikkelen en benutten» en «Top prestaties op innovatieprogramma’s». Deze twee beleidsdoorlichtingen worden ingevuld door de heroverweging en een AR-onderzoek op gebied van innovatie. Een aparte beleidsdoorlichting zal leiden tot dubbel werk.

XNoot
2

In begroting 2009 is reeds opgenomen dat de beleidsdoorlichting van Kennisbescherming (was voorheen een apart operationeel doel) wordt gecombineerd met evaluatie van de Rijksoctrooiwet.

Artikel 3 Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

Algemene doelstelling

Scheppen van een excellent ondernemings- en vestigingklimaat voor ondernemers en ondernemingen.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het bedrijfsleven is de motor van de Nederlandse economie. Ondernemers zorgen voor werkgelegenheid, innovatie en productiviteitsgroei en dragen daarmee in grote mate bij aan welvaart en welzijn. Het bedrijfsleven draagt, met name door innovatie, bovendien bij aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Het belang van ondernemerschap gaat dus verder dan alleen het belang van de ondernemer zelf.

Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat is een belangrijke randvoorwaarde om de betekenis die het bedrijfsleven voor economie en maatschappij heeft te ondersteunen en te versterken. De overheid streeft er daarom naar om belemmeringen die ondernemers hinderen weg te nemen en samen met het bedrijfsleven en andere stakeholders gericht sterktes uit te bouwen. In het bijzonder richt het beleid zich op clusters en sectoren waarin Nederland tot de wereldtop behoort en de samenwerking daarbinnen, omdat excellentie niet alleen ontstaat bij individuele bedrijven, maar vaak binnen concentraties van bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen. Hiervoor zet EZ instrumenten in die het level playing field in verstoorde markten herstellen (markt en spelregels), een eenvoudig en breed toegankelijk basisinstrumentarium waarmee bedrijven snel en op maat geholpen kunnen worden (basispakket) en het versterken van de ruimtelijk economische hoofdstructuur van mainports, economische kerngebieden en verbindingen daartussen, met gebiedsgerichte ondersteuning voor (inter)nationaal concurrerende clusters (programmatisch pakket, in samenhang met artikel 2, operationele doelstelling 2).

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het scheppen van goede omstandigheden voor bedrijven om te kunnen ondernemen en excelleren. Hiertoe kent EZ eigen instrumenten en wordt er samengewerkt met andere departementen en andere overheden op terreinen als infrastructuur, lucht- en zeehavens, milieuregelgeving en de fiscaliteit.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt onder andere af van de volgende externe factoren:

  • De mate van concurrentieverstoring door beleid in andere landen en de acties die in Europese Unie/World Trade Organisation-kader daarop worden ondernomen.

  • Ontwikkelingen in de marktsector ten aanzien van het aanbod van kredieten en durfkapitaal.

  • Bereidheid en vermogen van andere overheden om ruimte te scheppen voor een concurrerend ondernemings- en vestigingsklimaat.

  • Algemene conjuncturele ontwikkelingen.

Kengetallen

De volgende kengetallen geven een beeld van het ondernemingsklimaat in Nederland.

Global Competitiveness Index

2006

2007

2008

2009

Positie van Nederland

11e

10e

8e

10e

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2009)

Doing Business Index

2006

2007

2008

2009

Positie van Nederland

22e

21e

28e

30e

Bron: Wereld Bank (Doing Business report, 2009)

Ondernemersquote

2006

2007

2008

2009

Nederland

11,5%

11,9%

12,1%

12,3%

EU15-gemiddelde

11,8%

12,2%

12,1%

Nog niet bekend

Bron: EIM (o.b.v. CBS en KvK) Betreft aantal ondernemers excl. Landbouw (2007 en 2008 zijn voorlopige cijfers, 2009 betreft een inschatting)

TEA-index

2006

2007

2008

2009

Nederland

5,4%

5,2%

5,2%

7,2%

Bron: EIM (kengetallen ondernemerschap, 2010)

Investeringsquote van bedrijven

2006

2007

2008

2009

Nederland

14,5%

14,7%

15,2%

13,0%

Bron: CPB (CEP, 2010)

Aandeel snelle groeiers

2001/2004

2002/2005

2003/2006

2004/2007

Nederland

6,6%

7,5%

7,2%

11,0%

Bron: EIM (kengetallen ondernemerschap, 2010)

Toelichting

Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index (GCI) van het World Economic Forum (WEF). De ambitie is echter om een top-5 positie te bemachtigen. Dat is nog niet bereikt, in 2009 is Nederland zelfs twee plaatsen gezakt. Dit is voornamelijk veroorzaakt door een verminderde waardering van de financiële sector, waarop Nederland de vorige jaren juist heel goed scoorde. Ook op de Doing Business Index van de Wereldbank is Nederland 2 plaatsen gezakt, voornamelijk omdat het ondernemingsklimaat in andere landen sneller is verbeterd dan in Nederland.

De ondernemersquote (het aantal ondernemers in Nederland) is gestegen van 10,7% in 2004 naar 12,3% in 2009. Het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is, is sterker toegenomen dan in andere EU-landen en ligt nu rond het EU-gemiddelde. Onderzoek van Carree c.s. 10 heeft uitgewezen dat Nederland nu rond het optimale niveau zit qua aantal ondernemers. De komende jaren zal de nadruk dan ook meer komen te liggen op groei van ondernemingen. De Total Entrepreneurial Activity (TEA) index (het aandeel aankomende en jonge ondernemers) schommelde lang rond hetzelfde niveau, in 2009 zien we echter een sterke stijging naar 7,2%. Deze stijging is ook internationaal gezien fors, in veel landen is de TEA-index juist gedaald in 2009.

De ondernemersquote en de TEA-index meten vooral de kwantiteit van het ondernemerschap. Daarnaast is ook de kwaliteit van het ondernemerschap een aandachtspunt. Om hiervan een beeld te krijgen kijken we naar de investeringsquote en het aandeel snelle groeiers. Juist ondernemingen die investeren en groeien blijken een positief effect te hebben op economische groei en werkgelegenheid.

De investeringen door Nederlandse bedrijven zijn aanzienlijk gedaald in 2009. Investeringen zijn sterk conjunctuurafhankelijk en de daling is dan ook te wijten aan de crisis. Ondanks dat de economie weer voorzichtig aantrekt verwacht het CPB dat de investeringen voorlopig nog verder zullen dalen van 13% in 2009 naar 11¼% in zowel 2010 als 2011. Het aantal snelle groeiers is gestegen van 7,2% naar 11,0%. Internationaal gezien scoren we echter nog steeds relatief laag. Dit toont des te meer dat het ondernemings- en vestigingsklimaat verder verbeterd moet worden.

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 3
Artikel 3: Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

1 203,2

3 857,6

2 140,5

2 119,9

2 126,3

2 139,4

2 158,5

Waarvan garantieverplichtingen

862,4

3 443,6

1 935,0

1 935,0

1 935,0

1 935,0

1 935,0

Operationeel doel 1

15,8

1 041,7

1 009,5

1 009,5

1 009,5

1 000,0

1 000,0

Operationeel doel 2

935,0

2 540,4

999,4

995,9

983,4

988,5

995,5

Operationeel doel 3

222,1

255,7

115,1

97,8

116,8

134,2

146,3

Algemeen

30,2

19,8

16,5

16,6

16,6

16,6

16,6

        

Uitgaven (totaal)

432,4

536,2

428,4

394,0

379,5

336,3

328,2

Operationeel doel 1

24,1

46,3

38,0

27,5

21,1

18,5

18,0

Operationeel doel 2

159,8

285,9

172,4

173,3

157,6

116,1

116,3

Operationeel doel 3

217,8

171,7

198,4

176,6

184,3

185,1

177,4

Algemeen

30,7

32,2

19,7

16,6

16,4

16,6

16,6

        

Programma-uitgaven

409,4

511,0

412,0

379,0

364,7

321,5

313,4

Waarvan juridisch verplicht 1

  

319,8

266,7

203,4

139,3

100,6

        

Ontvangsten (totaal)

56,9

253,7

155,3

145,6

128,8

96,2

74,4

Ontvangsten ruimtelijk economisch beleid

3,2

15,3

     

Ontvangsten BBMKB

20,1

25,2

25,2

25,2

25,2

25,2

25,2

Ontvangsten Groeifinancieringsfaciliteit/GO

2,4

109,6

68,0

67,0

62,0

30,0

27,0

Ontvangsten garantieregeling scheepsbouw

 

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Ontvangsten uit het FES

19,8

90,8

49,5

39,9

27,2

21,0

0,6

Ontvangsten lucht- en ruimtevaart

 

1,3

1,2

2,3

3,2

9,1

10,7

Diverse ontvangsten

11,4

1,5

1,4

1,2

1,2

0,9

0,9

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per 						operationeel doel
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 

2009 (raming MN 2010)

2009 (realisatie/ aangepaste raming)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Zelfstandigenaftrek

1 322

1 475

1 366

1 380

1 413

1 444

1 475

1 508

Extra zelfstandigenaftrek starters

68

95

93

96

100

104

108

112

FOR, niet omgezet in lijfrente

226

224

221

224

228

232

237

241

Meewerkaftrek

11

9

8

8

7

7

6

6

Stakingsaftrek

15

14

14

14

14

14

14

14

Doorschuiving stakingswinst

148

185

193

199

207

215

224

232

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

150

150

185

189

193

196

200

204

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

291

267

332

336

345

354

363

372

Willekeurige afschrijving starters

9

8

8

8

8

8

8

8

Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement

8

8

7

7

7

7

7

7

Heffingskorting durfkapitaal

11

10

9

9

9

9

9

9

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

4

4

3

3

3

3

3

3

Logiesverstrekking (incl. kamperen)

225

221

254

263

273

283

293

304

Voedingsmiddelen horeca

1 138

1 139

1 241

1 271

1 302

1 334

1 366

1 399

Kleine ondernemersregeling

85

95

98

101

105

109

113

117

Verlaagd tarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

18

19

18

19

19

19

20

20

Markt en spelregels

Bevorderen level playing field

Operationele doelstelling 1

Motivering

Nederland heeft een open economie die in toenemende mate internationale concurrentie ondervindt. Het is daarom cruciaal voor ondernemers en ondernemingen in Nederland dat ze kunnen opereren in een eerlijk (internationaal) speelveld. EZ werkt, bij voorkeur via onder andere de EU en de WTO (zie artikel 1 en 5), aan een eerlijker speelveld (level playing field). Daar waar bedrijven en branches toch tegen marktverstoringen aanlopen, die veroorzaakt zijn door buitenlandse overheden, worden gerichte maatregelen ingezet om het level playing field te herstellen. Streven daarbij is om het level playing field niet verder te verstoren en protectionistisch gedrag van buitenlandse overheden te voorkomen.

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1: Bevorderen level playing field

Verplichtingen (in € mln)

       

– Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw (garantieverplichting)

0,0

1 000,0

1 000,0

1 000,0

1 000,0

1 000,0

1 000,0

– Innovatieregeling Scheepsbouw

11,3

17,5

     

– BSRI

4,5

24,2

9,5

9,5

9,5

0,0

0,0

Garantieregeling scheepsnieuwbouw

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer voor maximaal 80% wordt gegarandeerd door het rijk gedurende de periode van de bouw van het schip.

Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw

Doel en beschrijving: Door subsidiëring van ordergerelateerde kosten voor innovatie in zeescheepsbouwprojecten wordt beoogd het concurrentievermogen van de Nederlandse scheepsbouwsector (werven en toeleveranciers) te vergroten. De regeling is gebaseerd op het Europees steunkader voor de scheepsbouw dat in 2011 afloopt.

Compensatiebeleid

Doel en beschrijving: Het compensatiebeleid is erop gericht om de internationale positie van de Nederlandse defensiegerelateerde industrie te verbeteren bij een gebrek aan een gelijk speelveld in deze markt. Zolang deze markt nog onvoldoende gelijke kansen biedt, voert EZ compensatiebeleid. EZ eist dat de aanschaf van buitenlands defensiematerieel boven de € 5 mln, dat niet Europees wordt aanbesteed, voor 100 procent wordt gecompenseerd met orders in Nederland. Hierbij streeft EZ naar een zo hoog mogelijk percentage opdrachten voor de Nederlandse defensiegerelateerde industrie. Binnen het compensatiebeleid ligt de nadruk op projecten in één van de zes prioritaire technologiegebieden die in de Defensie Industrie Strategie (DIS) zijn geïdentificeerd 11.

Voornaamste acties in 2011: De nieuwe Europese richtlijn voor verwerving op het gebied van Defensie en Veiligheid zal in de vorm van de «Aanbestedingswet op het gebied van defensie en Veiligheid» in augustus 2011 van kracht worden. Samen met het Ministerie van Defensie wordt gewerkt aan de tijdige implementatie hiervan.

Indicator: De indicator gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven wordt besteed ter compensatie van bestedingen van het Ministerie van Defensie in buitenlands materieel. De streefwaarde voor het vijfjaars gemiddelde bedraagt € 450 mln per jaar en deze waarde is de afgelopen jaren ruimschoots gehaald.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen

€ 532 mln

€ 520 mln

€ 566 mln

Minimaal € 450 mln

Bron: Compensatie administratiesysteem Ministerie van EZ (5 jaars voortschrijdend gemiddelde)

Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (BSRI)

Doel en beschrijving: Op grond van de Europees vastgestelde steunkaart is het mogelijk om in een beperkt aantal regio’s investeringssteun te verlenen aan ondernemers die zich hier vestigen of strategisch uitbreiden. In Nederland is voor de periode 2007–2013 het Noorden en een deel van Limburg onderdeel van de steunkaart. Doel hierbij is om een gelijk speelveld te creëren met de buurlanden waar navenante ondersteuningsmogelijkheden bestaan en zo de keuze van betrokken ondernemers te beïnvloeden richting een vestigingslocatie in deze Nederlandse steungebieden.

Basispakket

Stimuleren meer en beter ondernemerschap

Operationele doelstelling 2

Motivering

Ondernemerschap is de motor achter economische dynamiek. Voor duurzame economische groei is het daarom essentieel om een groot en sterk ondernemersbestand te hebben. Hoewel het ondernemerschap in Nederland de laatste jaren behoorlijk in de lift zit, laten internationale vergelijkingen zien dat er ook nog ruimte is voor verbetering, met name op het terrein van de (snelle) groei van bedrijven.

Het EZ-beleid is er op gericht ondernemerschap in algemene zin te stimuleren en om gericht bepaalde knelpunten aan te pakken, die het starten en doorgroeien van ondernemingen in de weg staan. Het ondernemersklimaat in een land is van vele verschillende factoren afhankelijk. Allereerst vormen macro-economische condities, het functioneren van de overheid, de infrastructuur en de maatschappij samen de randvoorwaarden en maatschappelijke context waarbinnen een ondernemingen en ondernemers functioneren. Naast deze randvoorwaarden kan er een aantal specifieke factoren worden geïdentificeerd dat in het bijzonder van belang is voor het ondernemingsklimaat. Het gaat bijvoorbeeld om een goed werkende kapitaalmarkt, voldoende beschikbaarheid van hoogwaardig menselijk kapitaal en een stimulerende ondernemerschapscultuur. Een ondernemende cultuur wordt onder andere gestimuleerd door de Kamers van Koophandel waar startende en gevestigde ondernemers toegang hebben tot advies en kennis. Ook wordt maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), bevorderd door MVO Nederland en de transparantiebenchmark. Verder bevordert EZ samen met het Ministerie voor Wonen, Wijken en Integratie en de verantwoordelijke gemeentebesturen het lokaal ondernemerschap. EZ streeft er naar om de belangrijkste determinanten van het ondernemingsklimaat te verbeteren en zo ondernemerschap te stimuleren. Daarbij wordt gelet op het aantal ondernemers, de aanwas van nieuwe ondernemers en op de groei van bestaande ondernemingen.

Verplichtingen operationele doelstelling 2
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 2: Stimuleren meer en beter ondernemerschap

Verplichtingen (in € mln)

       

– BBMKB (garantieverplichting)

555,4

765,0

765,0

765,0

765,0

765,0

765,0

– Groeifinancieringsfaciliteit/GO (garantieverplichting)

307,0

1 678,6

170,0

170,0

170,0

170,0

170,0

– Microkredieten

2,9

1,7

1,0

4,0

5,0

5,0

5,0

– Actieplan Veilig Ondernemen

14,7

22,2

5,6

    

– Ondernemerschap en Onderwijs

16,9

11,8

0,5

0,4

0,4

0,4

0,4

– Valorisatie

 

25,7

25,1

25,0

   

– Seed

19,5

22,4

21,5

21,5

21,5

21,5

21,5

– Bevorderen Ondernemerschap

11,0

7,6

5,9

5,2

16,7

21,8

28,8

– Bijdragen aan instituten

7,7

5,4

4,8

4,8

4,8

4,8

4,8

BMKB

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De Borgstellingsregeling midden- en kleinbedrijf (BMKB) vergroot de toegang van het MKB tot bankkrediet indien de bank de financiële risico’s, gelet op een tekort aan zekerheden, zonder overheidsgarantie te groot acht.

Voornaamste acties in 2011: Om de kredietverlening aan bedrijven te stimuleren is dit instrument in verband met de kredietcrisis tijdelijk verruimd: verhoging van de maximale garantie naar € 1,5 mln, openstelling BMKB voor bedrijven tot 250 werknemers en verhoging van het (80%) garantieplafond voor borgstellingskredieten aan starters tot € 200 000. Verder is in maart 2010 de (80%) borgstelling voor kleine kredieten (tot een maximum van € 200 000) ook van toepassing geworden voor gevestigde ondernemers. Vanwege het belang van gezonde vermogensverschaffing zijn de verruimingen, met uitzondering van de (80%) borgstelling voor kleine kredieten ten behoeve van gevestigde ondernemers, verlengd tot en met eind 2011.

Indicator: Voor de BMKB wordt gestreefd naar een benutting van minimaal 80% van het jaarbudget. De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven, en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur. De afgelopen jaren laten een benutting zien van de BMKB boven de 80%, met uitzondering van 2009.

Prestatie-indicatoren

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

BMKB–Benutting (in procenten)

86%

81%

75%

Minimaal 80%

Bron: Agenstschap NL

Box: Voorbeeld BMKB project

Een goed pak voor weinig geld

Iets voor jezelf beginnen. Daar zinspeelde Chris van Luxemburg al wat langer op. Maar wat? Zijn ideeën werden concreet toen hij tijdens een vakantie in Thailand zag dat je op iedere hoek van de straat voor een paar honderd euro een maatpak kunt laten aanmeten.

Betaalbare maatpakken, maar wél van goede kwaliteit: dat moest het worden. Het idee voor Pakkend was geboren. Samen met compagnon Kasper Zweerman werkte hij de plannen uit. Pakkend heeft op dit moment twee vestigingen (Amsterdam en Eindhoven). Maar aan de feestelijke opening in 2007 ging een lange zwerftocht vooraf, die langs nagenoeg alle banken voerde. Van Luxemburg: «We hadden zo’n 150 000 euro nodig, bestemd voor de verbouwing, de stoffenvoorraad en de borg voor de huur. Met hulp van vrienden en familie konden we een deel zelf opbrengen, maar het meeste moest van de bank komen.» Dat ging bepaald niet eenvoudig. «Banken willen zekerheden. Ik snap het wel: wat moeten ze met een paar honderd rollen stof als de zaken fout gaan? Maar toch: we raakten gaandeweg behoorlijk geïrriteerd. Zelf heb je alle vertrouwen in je concept. Zijn wij dan zo naïef?, vraag je je af.» Uiteindelijk lukte het, de lening kwam rond dankzij de BMKB. «Dat was erg fijn. Als ondernemer wil je je met je bedrijf bezighouden en niet met de vraag hoe dat geld er komt, áls het er maar komt.» Pakkend loopt beter dan de prognoses aangaven. Vrienden en familieleden hebben hun uitgeleende geld al weer terug en het break even point is ruim gepasseerd.

Groeifaciliteit/Garantie Ondernemingsfinanciering

Doel en beschrijving: deze eind 2006 gepubliceerde garantiefaciliteit richt zich specifiek op risicodragend vermogen voor MKB-bedrijven. De Groeifaciliteit bevordert de investerings- en financieringsmogelijkheden van snelle groeiers, bedrijfsoverdrachten en het starten van een onderneming. De regeling wordt gebruikt door banken en participatiemaatschappijen. De overheid staat voor maximaal € 2,5 mln per bedrijf aan risicodragend vermogen garant. Bij risicodragend vermogen is het risico en het rendementsperspectief hoger dan bij bancair krediet. De gevraagde vergoeding voor de overheidsgarantie is dan ook navenant hoger en daarmee marktconform voor dit type financiering.

In verband met de crisis is de Groeifaciliteit tijdelijk verruimd, de overheid staat nu garant voor maximaal € 12,5 mln per bedrijf. Deze verruiming geldt tot en met eind 2011. Ook is de tijdelijke regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), in 2009 geïntroduceerd om met name de vermogensheffing aan het grotere bedrijfsleven te ondersteunen, verlengd tot en met eind 2011 (waaronder de GO cure). Met de GO kan een borgstelling van 50% worden verkregen op leningen tot € 150 mln (Go cure € 50 mln). De garantieruimte voor de GO die in 2010 niet tot benutting is gekomen, wordt in 2011 beschikbaar gesteld.

Indicator: Voor de Groeifaciliteit wordt het volume afgesloten financieringscontracten gehanteerd voor de benutting van het jaarbudget. De term financieringscontract heeft uitsluitend betrekking op het door de overheid gegarandeerde deel (dat wil zeggen 50% van het bedrag aan gecontracteerde groeifaciliteiten). De feitelijke benutting hangt af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is daarmee nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Groeifaciliteit – Jaarlijks bedrag aan afgesloten financieringscontracten

€ 10 mln

€ 23 mln

€ 10 mln

€ 80 mln

Bron: Agentschap NL

Microfinanciering

Doel en beschrijving: Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Microfinanciering bestaat uit een krediet tot € 35 000. Daarnaast krijgt de ondernemer begeleiding vóór de start en coaching ná de start van het bedrijf.

Voornaamste acties in 2011: In 2009–2010 zijn er twee pilots geweest die microkrediet landelijk beschikbaar maken. Deze pilots worden eind 2010 geëvalueerd en begin 2011 zal een besluit worden genomen over de wijze waarop microkredieten structureel uitgerold zullen worden. In 2011 zit de aanjaagfunctie van EZ er op. Partijen in het veld zorgen voor beschikbaarheid van microfinanciering. EZ blijft in 2011 betrokken via (1) een subsidie aan de Stichting Microfinanciering en Ondernemerschap Nederland, (2) de in 2009 verstrekte renteloze lening aan Qredits en/of borgstelling van microkredieten en (3) de verstrekte garantstelling aan BNG (Bank Nederlandse Gemeenten) en achterstelling van de lening van de drie grootbanken om € 30 mln aan financiering voor Qredits vanuit deze banken te realiseren. EZ zal de Tweede Kamer informeren over de monitoruitkomsten.

Indicator: Doelstelling is om in 2011 1200 kredieten te verstrekken.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde 2011

Jaarlijks aantal verleende microkredieten

610

1 200

Bron: Qredits

TechnoPartner, programma valorisatie, actieprogramma onderwijs en ondernemen

Doel en beschrijving: De gebundelde activiteiten en subsidieregelingen van het Actieprogramma Technopartner, Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen (O&O) en het nieuwe programma Valorisatie richten zich op een snellere overdracht van kennis en de versterking van het klimaat voor innovatief en kennisintensief ondernemerschap. Dit start bij het stimuleren van ondernemerschap en een ondernemende houding in het (primair tot en met hoger) onderwijs. Daarnaast worden startende bedrijven ondersteund en worden publiek-private samenwerkingsverbanden van bedrijven, kennis- en onderzoeksinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden (hier gemakshalve verder aangeduid als «consortia») gestimuleerd om de valorisatie-infrastructuur in en rondom kennisinstellingen in te richten, te versterken en te professionaliseren. Deze consortia kunnen via dit Valorisatieprogramma ondersteuning krijgen voor hun ambities op het gebied van kennisdeling, kennisbenutting, vraagsturing, competentiebuilding, awareness in het onderwijs voor het thema «onderwijs en ondernemerschap» en het gezamenlijk gebruik van faciliteiten. Het Valorisatieprogramma is gericht op de versterking en verankering van bestaande, goed lopende consortia uit het Subsidieprogramma KennisExploitatie (SKE) en de Centres for Entrepreneurship. Beide instrumenten zijn opgegaan in dit nieuwe programma. De Technopartner Seed-fondsen worden zelfstandig voorgezet.

Voornaamste acties in 2011: Via O&O worden in 2011 verschillende acties uitgevoerd, waaronder het ontwikkelen van een landelijk ondernemerscertificaat.

Vanuit het Valorisatieprogramma worden de ambities van consortia ondersteund middels zogeheten valorisatieplannen. Een consortium kan een subsidie verkrijgen van ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten van de in de regeling genoemde faciliteiten ter versterking van het valorisatieproces. Het maximale subsidiebedrag is € 5 mln per valorisatieplan.

Indicator: Hoewel de SKE-regeling is opgegaan in het programma Valorisatie zullen ook in 2011 nieuwe technostarters voortkomen uit de reeds gehonoreerde SKE-projecten met een meerjarige looptijd. De indicator voor de Seed geeft informatie over de mate waarin de ondersteuning van de Seed-participatiefondsen heeft geleid tot investeringen van private kapitaalverschaffers in technostarters. Ten opzichte van het EZ jaarverslag 2009 heeft een kleine correctie plaatsgevonden in het aantal participaties.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal nieuwe technostarters dat voortkomt uit de SKE-regeling

144

197

494

180

Aantal participaties dat vanuit Seed-fondsen wordt gedaan in technostarters

34

33

21

30

Bron: Technopartner

Groeiversneller

Doel en beschrijving: Zoals aangegeven kent Nederland internationaal vergeleken maar weinig snelle groeiers. Om dit te keren is in 2009 het programma groeiversneller van start gegaan. Het doel is om tachtig tot honderd bedrijven met een jaaromzet van enkele miljoenen in vijf jaar tijd uit te laten groeien naar een jaaromzet van € 20 mln. Dit gebeurt door in dit programma ambitieuze ondernemers intensief te begeleiden op gebieden als strategieontwikkeling, financiering, marktbenadering, innovatie en internationalisering.

Voornaamste acties in 2011: In 2011 zullen in het programma Groeiversneller, dat zijn derde jaar ingaat, meer dan honderd bedrijven meedoen. Medio 2011 zal er een mid-term review van het programma plaatsvinden.

Investeren in een veilige bedrijfsomgeving

Doel en beschrijving: EZ stimuleert een veilige bedrijfsomgeving met het Actieplan Veilig Ondernemen en met de experimentenwet Bedrijven Investerings Zones (BIZ). Ondernemers worden gestimuleerd om samen te werken en gezamenlijk te investeren in een aantrekkelijker en veiliger bedrijfsomgeving.

Voornaamste acties 2011: In 2011 lopen de pilotprojecten voor winkelstraatmanagement. Daarnaast kunnen 10 000 ondernemers met kleine bedrijven een onafhankelijke beveiligingsscan en subsidie op beveiligingsmaatregelen krijgen.

Verminderen regeldruk

Doel en beschrijving: In het plan van aanpak 2007–2011 «Merkbaar minder regeldruk voor ondernemers!» 12 zijn de ambities neergelegd voor het verminderen van regeldruk voor bedrijven, waarmee in één programma administratieve lasten, toezichtslasten, vergunningen, nalevingskosten en dienstverlening voor bedrijven geïntegreerd worden aangepakt. EZ coördineert samen met Financiën de vermindering van de regeldruk voor bedrijven. Het beschikbare meerjarige programmabudget wordt verantwoord op de begroting van Financiën.

Voornaamste acties in 2011: Een verdere vermindering van de Administratieve Lasten met 6,5% ten opzichte van 2010. Dit vloeit voort uit de verdere toepassing van de Eigen Verklaring en voorziene inwerkingtreding van de Aanbestedingswet.

Indicator: De prestatie indicator voor administratieve lasten is de reductie ten opzichte van de nieuwe nulmeting waarvan de peildatum 31-3-2007 is. Streefgetal voor 2011 is -31,5%.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Administratieve Lasten Vermindering door EZ als

Vakdepartement (cumulatief)

-0,9%

-6,2%

-18,0%

-31,5%

Bron: EZ

Programmatisch pakket

Benutten van gebiedsgerichte economische kansen in (inter)nationaal concurrerende clusters

Operationele doelstelling 3

Motivering

Clusters van bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen spelen een belangrijke rol in het groeivermogen van Nederland door de samenwerking op het gebied van onderzoek, innovatie en onderwijs die binnen deze clusters plaatsvindt. EZ biedt gebiedsgerichte ondersteuning om de economische kansen in clusters van (inter)nationaal belang optimaal te benutten en knelpunten weg te nemen. Leidraad hierbij is een gedeelde langetermijn agenda (Pieken in de Delta) van het Rijk en decentrale overheden voor deze clusters. Hierbij vindt ook aansluiting plaats met het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) in verband met de integrale en gebiedsgerichte afweging van nationale ruimtelijk-fysieke opgaven.

Verplichtingen operationele doelstelling 3
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 3: Benutten van gebiedsgerichte economische kansen in (inter)nationaal concurrerende clusters

Verplichtingen (in € mln)

       

– Pieken in de Delta 1

147,6

206,6

92,6

75,4

75,4

75,5

75,5

– Europese structuurfondsprogramma’s

2,5

3,0

2,2

2,2

6,2

10,9

11,2

– Bedrijventerreinen

11,2

1,0

0,3

0,3

0,3

13,3

25,2

– Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

31,9

7,2

7,3

7,3

7,3

7,3

7,3

– Andere gebiedsgerichte bijdragen

10,7

20,0

  

15,0

15,0

15,0

– Toerisme

18,2

17,9

17,7

17,7

17,7

17,2

17,2

– Subsidietaakstelling 2

  

– 5,0

– 5,0

– 5,0

– 5,0

– 5,0

XNoot
1

Inclusief budget Sterke Regio’s en Nota Ruimte-projecten.

XNoot
2

Zie toelichting bij artikel 3 in de verdiepingsbijlage.

Pieken in de Delta

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: Pieken in de Delta is een gebiedsgerichte integrale programmatische aanpak die internationaal concurrerende clusters in Nederland stimuleert en faciliteert. Deze programmatische aanpak focust de agenda’s van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen (de zogenoemde triple helix) op deze clusters. Het gebiedsgerichte beleid wordt in samenhang met de relevante innovatieprogramma’s (beleidsartikel 2) uitgevoerd. Samen vormen deze programma’s het zogenoemde programmatisch pakket. De ondersteuning vanuit Pieken in de Delta bestaat uit projecten die bijdragen aan het ondernemings- en vestigingsklimaat, het organiserend vermogen van de clusters en gebiedsgerichte innovatieprojecten.

Voornaamste acties in 2011: In de eerste helft van 2010 vond een evaluatie plaats van de Pieken in de Delta regeling. Daaruit komt een overwegend positief beeld over de effectiviteit en het uitvoeringsproces naar voren. Na 2010 zou de eerste programmaperiode voor Pieken in de Delta aflopen. Om in 2011 te kunnen bezien hoe Pieken in Delta in de volgende kabinetsperiode wordt voortgezet, als invulling van de samenwerkingsparagraaf uit het bestuursakkoord, is het de bedoeling om de huidige programmaperiode met een jaar te verlengen en de huidige aanpak met enkele wijzigingen een jaar voort te zetten. 2011 wordt daarmee een transitiejaar voor Pieken in de Delta. Voor de aanpassingen kan gedacht worden aan een scherpere focus op (inter)nationaal concurrerende clusters, stroomlijning van de uitvoering en het leggen van relaties tussen kristallisatiepunten binnen Nederland en over de grenzen om schaalvoordelen te creëren, spillovers te benutten en versnippering tegen te gaan.

Indicator: De prestatie-indicatoren geven respectievelijk een indruk van de vraag naar het programma vanuit de regio’s en de totale omvang van de met Pieken in de Delta middelen ondersteunde projecten.

Prestatie-indicatoren

2008

2009

Streefwaarde 2011

Gevraagde subsidie als percentage van het budget per regio

110%

194%

100%

Totale projectkosten als percentage van de totale beschikbare subsidie per regio

336%

371%

300%

Bron: Agentschap NL

Box: Pieken in de Delta projecten

Haven- en Industrie Complex

Een belangrijke piek voor Nederland is het Haven- en Industrie complex in Rotterdam. Uitgedaagd door de globalisering en verdergaande specialisatie moet de haven blijven werken aan zijn concurrentiekracht. Dit wordt mede mogelijk gemaakt door projecten die in de Zuidvleugel van de Randstad worden ondersteund vanuit Pieken in de Delta. Zo bevordert het project Ideale Haven Plus de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. De beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel is van belang voor de concurrentiepositie van deze piek. Daarnaast is ook innovatie belangrijk om voorop te blijven lopen. Het project Clean Tech Delta bevordert innovatie in het Haven- en Industrieel Complex op het gebied van energietransitie en deltatechnologie. Hierbij wordt onder andere samengewerkt met de Technische Universiteit Delft.

Zakelijke dienstverlening

Een groot deel van de kennisintensieve zakelijke dienstverlening bevindt zich in de Noordvleugel van de Randstad. Met het Pieken in de Delta programma zijn en worden veel belangrijke initiatieven op het gebied van diensteninnovatie en zakelijke diensten ondersteund zoals EXSER in Almere, wetenschappelijk onderzoek door AMSI (Amsterdam Centre for Service Innovation) en de Duisenberg School of Finance. Het Pieken in Delta project HFC Plaza stimuleert de interactie tussen ondernemers, kennisinstellingen, (potentiële) financiers en overheden. Door de kruisbestuiving van innovatie, talent en ondernemerschap wil het HFC Plaza structureel verandering brengen in de financiële dienstverlening van de Metropoolregio Amsterdam en daarmee heel Nederland. In maart 2010 is door de minister van EZ het startsein gegeven voor een aantal initiatieven van het Holland Financial Centre (HFC) in het Holland Financial Plaza: het financieel starterscentrum op het HFC Plaza en twee kenniscentra van HFC, het Centre for Climate & Sustainability en het Centre for Retirement Management.

Sterke regio’s (2008–2011)

Doel en beschrijving: In vier regio’s (de Randstad, het Energieknooppunt Groningen, de Brainport Zuid-Oost Nederland en Oost-Nederland) wordt aanvullend ingezet op ambitieuze investeringen die het internationale vestigingsklimaat versterken («Sterke regio’s»). Voor deze gebieden heeft het kabinet € 125 mln beschikbaar gesteld uit het FES.

Indicator: In totaal zijn er t/m 2009 zeven projecten goedgekeurd met een totale subsidiebijdrage uit de FES enveloppe van € 83 mln. Enkele voorbeelden zijn de High Tech Factory in Twente (faciliteit om producten voor de medische sector en de voedingsmiddelenindustrie te testen, maken en verpakken), projecten op drie campussen in Zuid-Oost Nederland (High Tech Automotive Campus Helmond, de High Tech Campus Eindhoven en de Chemelot Campus in Sittard-Geleen) en de Vaargeul Eemshaven (verdieping en verbreding Eemshaven in verband met bereikbaarheid voor grotere schepen). Een aantal andere projecten is op dit moment in voorbereiding.

Prestatie-indicatoren

2008

2009

Streefwaarde 2011

Uitgelokte investeringen (gericht op fysieke en kennisinfrastructuur)

€ 81 mln

€ 171 mln

€ 375 mln

Bron: EZ

Structuurfondsen/EFRO-cofinanciering (periode 2007–2013)

Doel en beschrijving: De Europese Structuurfondsen hebben als doel de economische concurrentiekracht te versterken en de cohesie binnen Europa te vergroten. Met het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden in Nederland vier landsdelige en vier grensoverschrijdende programma’s gefinancierd. De programma’s kennen een sterke samenhang met de Lissabon agenda, met beleid op nationaal (Pieken in de Delta) en decentraal niveau. Een belangrijke prioriteit van de landsdelige programma’s is het versterken van de concurrentiekracht door innovatie en samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen te stimuleren. De programma’s dragen bij aan het vergroten van de aantrekkingskracht van steden en regio’s als vestigingsplaats voor mensen en bedrijven. Daarnaast neemt Nederland onder meer deel aan vier programma’s voor grensoverschrijdende projecten.

Indicator: Door middel van cofinanciering wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de regionale concurrentiekracht in vier landsdelige programma’s. Daarnaast worden vier grensoverschrijdende programma’s, het programma «Duitsland–Nederland», «Euregio Maas–Rijn», «Vlaanderen–Nederland» en «Twee Zeeën» ondersteund. Ten opzichte van begroting 2010 is het peiljaar van de streefwaarde aangepast van 2013 naar 2015, omdat de uitvoering van de projecten loopt tot en met 2015.

Prestatie-indicatoren

2008

2009

Streefwaarde 2015

Structuurfondsen Uitgelokte investering

€ 35 mln

€ 133 mln

€ 324 mln

Grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden

70

157

770

Bron: EZ

Bedrijventerreinen

Doel en beschrijving: De ruimtelijke en economische doelen in het nieuwe bedrijventerreinenbeleid zijn nader uitgewerkt in het Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 dat op 27 november 2009 met provincies en gemeenten is vastgesteld. In totaal stellen VROM en EZ € 400 mln beschikbaar voor de herstructureringsopgave. Circa € 55 mln daarvan komt uit het FES en is bestemd voor een beperkt aantal FES-waardige, te herstructureren bedrijventerreinen van nationaal belang. Deze terreinen worden/zijn door het Rijk geselecteerd op voordracht van de provincies in samenwerking met de gemeenten.

Voornaamste acties in 2011: In 2011 wordt in overleg met Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een tussenbalans van de provinciale herstructureringsprogramma’s (PHP’s) opgesteld. Ook worden de pilotprojecten «verzakelijking», die in 2010 zijn opgestart, afgerond en geëvalueerd.

Toerisme

Doel en beschrijving: Door middel van de Holland Promotie van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) bevordert EZ het inkomend bezoek aan ons land. Het NBTC zet Nederland internationaal op de kaart als aantrekkelijke bestemming voor vakanties, zakelijke bijeenkomsten en congressen.

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel Ondernemen

13,1

12,4

11,1

11,0

10,9

10,9

10,9

– Bijdrage aan Agentschap NL

15,2

5,2

3,9

3,9

3,9

3,9

3,9

– Onderzoek en Ontwikkeling

1,9

2,2

1,4

1,7

1,8

1,8

1,8

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Bevorderen level playing field 1

3.1

2010

2011

 
 

Ondernemerschap

3.2

2013

2014

 
 

Benutten van gebiedsgerichte economische kansen

3.3

2010

2011

 

Effectenonderzoek ex post

Kamers van Koophandel

3.2

2009

2010

Kamerstuk: 32 004, nr. 2.

 

BMKB

3.2

2010

2010

 
 

Pilot microkredieten (financiering)

3.2

2010

2011

 
 

Groeifaciliteit

3.2

2011

2012

 
 

Handelsregisterwet 2007

3.1

2011

2011

 
 

BSRI

3.1

2009

2009

 
 

Gebiedsgericht beleid

3.3

2009

2010

 
 

ROM’s

3.3

2009

2010

 
 

Subsidieregeling innovatieve zeescheepsbouw

3.1

2010

2011

 
 

Subsidieregelingen Aanpak urgente bedrijfslocaties en Subsidieregeling bestrijding winkelcriminaliteit

3.2

2010

2011

 

Overig evaluatieonderzoek

Kenniscentrum MVO

3.2

2010

2010

 
 

Kansenzones Rotterdam

3.2

2011

2011

 
XNoot
1

De beleidsdoorlichting van operationeel doel 3.1 wordt gecombineerd met de evaluatie van de subsidieregeling innovatieve zeescheepsbouw.

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Algemene doelstelling

Een doelmatige en duurzame energiehuishouding.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

In de afgelopen jaren is er veel veranderd in de energiesector. Op initiatief van de overheid is de markt geopend voor leveranciers en producenten. Marktpartijen investeren in zowel infrastructuur als productiecapaciteit. Duurzaamheid staat hierbij hoog op de agenda. Afnemers zijn vrij om te kiezen voor de leverancier met het aanbod dat het best past bij hun voorkeuren.

In het Energierapport 2008 13 heeft de regering drie doelstellingen van het energiebeleid benoemd: energie moet betaalbaar zijn, de voorzieningszekerheid moet zijn gegarandeerd en de energieproductie moet verduurzamen. Met deze drie uitgangspunten is een energiebeleid neergezet dat randvoorwaarden schept voor de ontwikkeling van de energiesector tot een sterke economische sector. De Nederlandse energiemarkt ontwikkelt zich meer en meer tot een Noordwest-Europese energiemarkt. Nederland heeft door ligging, maar ook door investeringsklimaat en de aanwezige kennis een goede uitgangspositie. De Nederlandse energiesector springt daar op in. Daarbij staat het Nederlandse belang van betaalbaarheid, voorzieningszekerheid van energie en duurzaamheid voorop.

EZ creëert de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt en een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer, vergroot de voorzieningszekerheid wanneer de inzet van marktwerking alleen niet voldoende is en realiseert – in gezamenlijkheid – de transitie naar een duurzame energiehuishouding. De afgelopen jaren zijn door EZ in het oog springende resultaten geboekt, zo zijn belangrijke maatregelen voorgelegd aan de Kamer als de verbetering van de werking van de kleinverbruikermarkt, de werking van de gasmarkt, invoering van voorrang van duurzame elektriciteit en het faciliteren van investeringen in infrastructuur. Om blijvend te kunnen voldoen aan de eisen die de maatschappij aan energievoorziening stelt – betrouwbaar, betaalbaar en schoon – is een onverminderde inzet noodzakelijk.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor:

  • het zodanig ordenen van de energiemarkten dat maximaal wordt bijgedragen aan duurzame economische groei en een betrouwbare en efficiënte energievoorziening;

  • het creëren van de randvoorwaarden waardoor leverings- en voorzieningszekerheid van energie gewaarborgd kunnen worden;

  • de internationale dimensie van het energiebeleid. Het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Buitenlandse Zaken trekken bij het bevorderen van de buitenlandse energievoorzieningszekerheid samen op. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken en is daarnaast verantwoordelijk voor de algehele samenhang in het Nederlandse buitenland beleid;

  • het bevorderen van de ontwikkeling en het gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de Nederlandse energiehuishouding;

  • het stimuleren van schone energieproductie en warmtekrachtkoppeling (WKK);

  • het vergroten van de energie-efficiëntie in de sectoren industrie en energie;

  • het bevorderen van de totstandkoming van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame energievoorziening en voorzieningszekerheid.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt onder andere af van de volgende externe factoren:

  • draagvlak bij burgers, bedrijven en publieke instellingen voor duurzame energie en energiebesparingsmaatregelen;

  • de mate van concurrentie op de energiemarkt en de totstandkoming van de Europese interne markt;

  • de mate waarin op Europees en mondiaal niveau afspraken op het gebied van klimaat, besparing, duurzame energie, voorzieningszekerheid, investeringsklimaat en toegang tot energie kunnen worden gemaakt;

  • de ontwikkeling van technologie en kostenreductie op het gebied van duurzame energie;

  • klimaatafspraken die gemaakt worden in het kader van post-Kyotobeleid;

  • de ontwikkeling van de olie- en gasprijzen op de wereldmarkt.

Kengetallen

Kengetal

2003

2004

2005

2006

2007

Energie-intensiteit (toe/M € ’00)

     

Nederland

191

192

186

175

177

EU-27

188

185

182

176

169

Wereld

413

416

412

niet beschikbaar

niet beschikbaar

Bron: Eurostat

Toelichting

De energie-intensiteit geeft inzicht in het energieverbruik en energie-efficiëntie. Het wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands energiegebruik (in ton olie equivalenten) en het bruto binnenlandse product (BBP in miljoenen euro’s; constante prijzen 2000). De energie-intensiteit in Nederland kent sinds 2004 een dalende trend die onderbroken is door een lichte toename in 2007. In vergelijking met de rest van de EU is de intensiteit in Nederland hoger dan het EU 27 gemiddelde. Dit is te verklaren door de relatief grote omvang van de energie-intensieve industrieën zoals de petrochemie- en tuinbouwsector. De waarden voor 2008 en 2009 en latere jaren zijn nog niet beschikbaar aangezien de statistieken van Eurostat met enkele jaren vertraging worden gepubliceerd. Ook kunnen de waarden door tussentijdse aanpassingen van Eurostat afwijken ten opzichte van afgelopen jaren.

Kengetallen

2006

2007

2008

2009

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

36 mld m3

38 mld m3

36 mld m3

34 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

17

10

13

15

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

23

21

14

28

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

71 mld m3

68 mld m3

79 mld m3

74 mld m3

5. Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

Bron: EnergieNed

36 minuten

33 minuten

22 minuten

26,5 minuten

6. Euro/dollarkoers

Bron: CPB

1,26

1,37

1,47

1,39

7. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CPB

65,10

72,52

97,0

61,5

8. Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als percentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie

Bron: EG Liaison

6,8%

6,9%

8,3 %

7,5%

Toelichting

  • 1 t/m 4: In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden als het exploreren van nieuwe velden. EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5: Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

  • 6 en 7: De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs, die gerelateerd is aan de prijs van olie in dollars, de euro/dollar koers en het volume van de verkopen. De bron voor de euro/dollarkoers en de olieprijs is gewijzigd ten opzichte van begroting 2010. De nieuwe bron betreft de jaarlijks door het CPB gepubliceerde Kerngegevenstabel voor Nederland, die onderdeel uitmaakt van het Centraal Economisch Plan.

  • 8: Het percentage van het budget van het zevende EU/kaderprogramma thema energie dat naar energieonderzoek gaat van in Nederland gevestigde instituten en bedrijven. De EU ondersteunt alleen de meest innovatieve en ambitieuze projecten.

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 4
Artikel 4: Doelmatige en duurzame energiehuishouding (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

1 949,0

9 723,0

414,4

346,8

278,8

330,4

388,6

Waarvan garantieverplichtingen

 

324,0

     

Operationeel doel 1

33,1

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

Operationeel doel 2

96,9

409,9

97,0

97,0

97,0

97,0

97,0

Operationeel doel 3

1 733,6

9 251,8

288,6

168,8

133,5

185,1

243,3

Algemeen

97,0

41,7

29,4

61,6

28,8

28,8

28,8

        

Uitgaven (totaal)

1 097,7

1 246,9

1 357,0

1 352,9

1 270,7

1 328,9

1 426,6

Operationeel doel 1

33,1

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

Operationeel doel 2

97,3

85,9

97,0

97,0

97,0

97,0

97,0

Operationeel doel 3

892,1

1 090,2

1 202,4

1 194,6

1 116,8

1 175,2

1 273,2

Algemeen

75,2

51,3

38,1

41,9

37,4

37,2

36,9

        

Programma-uitgaven

1 045,8

1 214,5

1 329,1

1 325,3

1 243,3

1 301,6

1 399,3

Waarvan juridisch verplicht 1

  

1 253,4

1 254,8

1 175,4

1 236,4

1 323,0

        

Ontvangsten (totaal)

9 540,6

4 883,3

7 611,1

7 824,6

7 618,3

7 025,3

7 800,8

Ontvangsten COVA

93,5

82,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

Aardgasbaten

11 012,9

7 750,0

9 900,0

9 600,0

9 600,0

9 400,0

9 150,0

Bijdrage aan het FES

– 1 724,1

– 3 336,5

– 2 722,6

– 2 174,2

– 2 310,2

– 2 478,5

– 1 445,1

Ontvangsten zoutwinning

3,8

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

Ontvangsten uit het FES

128,2

275,9

283,8

249,0

233,5

8,9

1,0

Diverse ontvangsten

26,3

110,2

55,2

55,2

0,2

0,2

0,2

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per 						operationeel doel
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 

2009 (raming MN 2010)

2009 (realisatie/ aangepaste raming)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Energie-investeringsaftrek (EIA)

275

88

298

161

161

161

161

161

Markt en spelregels

Optimale ordening en werking van de energiemarkten

Operationele doelstelling 1

Motivering

Om ervoor te zorgen dat leveranciers efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af worden gestemd, creëert de overheid de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt. Daarnaast zorgt de rijksoverheid voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om zo te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren.

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1:Optimale ordening en werking van de energiemarkten

Verplichtingen (in € mln)

       

– Stadsverwarming

33,1

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

19,5

Elektriciteits- en Gaswet

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet dienen voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt. Toezicht op en het monitoren van de energiemarkten gebeurt door de NMa met als doel de ontwikkeling van een concurrerende energiemarkt te bewaken en eventuele tekortkomingen te signaleren.

Voornaamste acties in 2011:

  • Het afronden van de parlementaire behandeling en implementatie van het wetsvoorstel tot wijziging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998, tot versterking van de werking van de gasmarkt, verbetering van de voorzieningszekerheid en houdende regels met betrekking tot de voorrang voor duurzame elektriciteit, alsmede enkele andere wijzigingen van deze wetten. De verwachting is dat de benodigde wetgeving begin 2011 is gerealiseerd.

  • In het licht van de veranderende markteisen die aan de netten gesteld worden als gevolg van de toename van duurzame energie en internationalisering van de energiemarkt, wordt een visie op het toekomstige reguleringskader voor het netbeheer elektriciteit en gas afgerond. Op basis hiervan worden zo nodig maatregelen uitgewerkt.

  • De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van het derde pakket energierichtlijnen. Met de energierichtlijnen wordt een beter werkende interne markt voor gas en elektriciteit beoogd. Deze interne markt heeft tot doel keuzevrijheid te bieden aan consumenten, zowel particulieren als ondernemingen, nieuwe kansen voor economische groei te creëren en de grensoverschrijdende handel te bevorderen. Belangrijke onderwerpen in dit wetsvoorstel betreffen intensivering van grensoverschrijdende samenwerking tussen Transmission System Operators (TSO’s) en toezichthouders, versterking van de onafhankelijkheid van de toezichthouder, aanvullende regelgeving met betrekking tot gesloten distributienetten en aanscherping van consumentenbeleid.

  • Het afronden van de parlementaire behandeling middels een novelle over slimme meters van het wetsvoorstel Marktmodel; met als doel de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas te verbeteren. Na behandeling van het wetsvoorstel wordt lagere regelgeving opgesteld. In 2011 kan een start worden gemaakt met het monitoren en evalueren van de (vrijwillige) uitrol van de slimme meter.

Indicator: De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1 800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1 800 en 8 000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Met betrekking tot de C3 en HHI hanteert de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa) ieder jaar twee meetmomenten, te weten juni en december. De C3 en HHI zijn beide gestegen ten opzichte van de cijfers per 1 juli 2009 zoals opgenomen in het jaarverslag. Dit wordt veroorzaakt door de overname van Essent door RWE. Hierdoor zijn de marktaandelen op de kleinverbruikersmarkt van beide holdings samengevoegd

Prestatie-indicatoren

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit:

     

– HHI

2 295

2 319

2 279

2 285

1 800 – 2 500

– C3

82%

82%

81%

81%

Daling

2. Concentratiegraad in de retailsector gas:

     

– HHI

2 149

2 109

2 104

2 187

1 800 – 2 500

– C3

79%

78%

79%

79%

Daling

Bron: Energiekamer

Warmtewet

Doel en beschrijving: De Warmtewet draagt bij aan de leveringszekerheid en (prijs)bescherming voor zowel afnemers als leveranciers van warmte. De Warmtewet is een initiatiefwetsvoorstel dat in 2009 is aangenomen. Op basis hiervan zijn nadere regels uitgewerkt in de concept regelgeving, waaronder een tariefstelsel op basis van het wettelijke vastgestelde «niet meer dan anders» principe.

Voornaamste acties in 2011: Naar aanleiding van een consultatie en een effectonderzoek op basis van de conceptregelgeving heeft een overleg met de Tweede Kamer plaatsgevonden waarin is besloten om over te gaan tot wijziging van de Warmtewet op een aantal punten. EZ zal deze wetswijzigingen voorbereiden. Inwerkingtreding van de wet is niet eerder voorzien dan medio 2011.

Europese en Noordwest Europese fora

Doel en beschrijving: Participatie in Europese en Noordwest-Europese fora, waaronder het Pentalaterale Energieforum. Dit forum staat onder leiding van de overheden uit Duitsland, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg en heeft de totstandkoming van de Noordwest-Europese elektriciteits- en gasmarkt als doel.

Voornaamste acties in 2011:

  • In september 2010 zijn de elektriciteitsmarkten tussen Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland gekoppeld. In 2011 staat de koppeling van de pentalaterale regio met de Scandinavische regio centraal. Daarnaast worden er in 2011 voorbereidingen getroffen voor het realiseren van marktkoppeling met het Verenigd Koninkrijk. Dit wordt gerealiseerd met de BritNed-kabel die in 2011 beschikbaar zal zijn voor elektriciteitstransport.

  • Het verbeteren van de Noordwest-Europese leveringszekerheid door versterking van informatie-uitwisseling tussen TSO’s en het oprichten van gezamenlijke veiligheidscentra onder meer om in de toekomst adequater in te kunnen spelen op stroomstoringen.

Box: Marktkoppeling

Een van de belangrijkste ontwikkelingen ter bevordering van de handelsmogelijkheden op de Centraal-Westeuropese (CWE) energiemarkt is het koppelen van de nationale elektriciteitsmarkten van de lidstaten Nederland, Duitsland, België, Luxemburg en Frankrijk. De marktkoppeling is bedoeld om de handel in elektriciteit te stimuleren en ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende stroomkabels efficiënter worden benut. De handel in stroom tussen deze vijf landen zal deels gebeuren via impliciete veilingen, waarbij de capaciteit op de stroomkabel tegelijk met de elektriciteit wordt verkocht. Dit in tegenstelling tot de huidige gangbare expliciete toewijzing, waarbij de capaciteit en de elektriciteit apart worden verkocht. Met de marktkoppeling zullen verschillen in stroomprijzen tussen landen kleiner worden. Nederland, België en Frankrijk koppelden in 2006 reeds hun stroommarkten. Deze trilaterale marktkoppeling (TLC) zorgde er reeds voor dat de prijzen voor elektriciteit naar elkaar toe groeiden. Dit zal naar verwachting ook gebeuren met de pentalaterale CWE-marktkoppeling.

Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Operationele doelstelling 2

Motivering

De voorzieningszekerheid is de mate waarin eindafnemers erop kunnen vertrouwen dat energie (in de moderne maatschappij een basisbehoefte van mens en economie) aan hen geleverd zal worden. De voorzieningszekerheid betreft de lange termijn beschikbaarheid van energiebronnen. Daarbij spelen de omvang van de mondiale energiereserves in relatie tot de productiecapaciteit, het verbruik en de geografische spreiding een rol. Leveringszekerheid maakt deel uit van de voorzieningszekerheid en betreft de mate waarin afnemers onder voorzienbare omstandigheden feitelijk kunnen rekenen op de levering van energie.

Naast de energiebedrijven (actief in productie, handel en transport) heeft de overheid een rol in het vergroten van de voorzieningszekerheid. Energievoorzieningszekerheid is een publiek belang, dat niet automatisch door de markt wordt gewaarborgd. Voor het totstandbrengen van zakelijke transacties met de energieproducerende landen is de betrokkenheid en steun van de overheid onontbeerlijk. EZ en BZ ondersteunen daarom actief de internationale activiteiten van het Nederlandse bedrijfsleven. Bovendien neemt EZ actief deel aan discussies over een beter investeringsklimaat, liberalisering van markten en handel in Europese en multilaterale kaders.

Voorzieningszekerheid heeft betrekking op:

  • Diverse energiedragers: de primaire dragers olie, gas, kolen, uranium en de secundaire drager elektriciteit;

  • Alle schakels in de energieketen: productie (olie- en gaswinning, elektriciteitsopwekking), import van kolen, uranium, gas en olie, verwerking (raffinage, conversie), transport en distributie (zowel betrouwbaarheid als capaciteit);

  • Alle schakels van de veiligheidsketen: dus zowel proactie en preventie, als die van een daadwerkelijke crisis (preparatie, repressie en nazorg);

  • Diverse termijnen: korte termijn (bijvoorbeeld stroomuitval) en lange termijn (infrastructuur, relaties met producerende landen, energiemix).

Verplichtingen operationele doelstelling 2
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 2: Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Verplichtingen (in € mln)

       

– Doorsluis COVA-heffing

93,5

82,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

– Leningen COVA (garantieverplichting)

 

324,0

     

– Beheer Mijnschadestichtingen

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

– Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

3,3

2,7

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

– Bijdrage aan diverse instituten

0,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

Mijnbouwwet

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De Mijnbouwwet vormt het kader voor een verantwoorde en doelmatige mijnbouw. De wet is van toepassing op de winning en opsporing van delfstoffen en aardwarmte en het opslaan van stoffen beneden de oppervlakte van de aardbodem.

Voornaamste acties in 2011:

  • De conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie van de Mijnbouwwet worden omgezet in voorstellen tot aanpassing van beleid en wet- en regelgeving. Omdat in 2010 voorrang is gegeven aan de implementatie van de CCS-richtlijn, heeft dit proces vertraging opgelopen. Het gaat hier onder andere om stroomlijning van vergunningprocedures, voorschriften voor aardwarmte, criteria voor de toelating van nieuwe mijnbouwmaatschappijen en het beleid voor het verwijderen van offshore platforms.

  • De implementatie van de Europese CCS-richtlijn zal in 2011 worden gerealiseerd. CCS staat voor Carbon Capture and Storage, hetgeen CO2-afvang en -opslag betekent. Tevens zullen de randvoorwaarden voor het behoud van potentiële opslaglocaties worden bepaald en worden verwerkt in voorstellen voor aanpassing van de Mijnbouwwetgeving. De verwachting is dat de benodigde wetgeving begin 2011 is gerealiseerd.

  • Naar aanleiding van de ramp met het booreiland «Deepwater Horizon» in de Golf van Mexico (april 2010) zal de Amerikaanse overheid een onderzoek laten doen naar de oorzaken. De resultaten van dit onderzoek zouden consequenties kunnen hebben voor de regelgeving in Nederland en kunnen leiden tot aanpassing van de Mijnbouwwetgeving.

Rijkscoördinatieregeling

Doel en beschrijving: Inzetten van de Rijkscoördinatieregeling voor energieprojecten van nationaal belang met als doel tijdig voldoende energieinfrastructuur (inclusief interconnectoren) te realiseren in Nederland. Dit betekent dat EZ samen met VROM verantwoordelijk is voor (de regie heeft over) de ruimtelijke inpassing van de projecten en dat EZ verantwoordelijk is voor de coördinatie van alle andere benodigde besluiten. De Rijkscoördinatieregeling is van toepassing op infrastructuur als hoogspanningsverbindingen, elektriciteitscentrales, windparken, opslag van gas en CO2.

Voornaamste acties in 2011: Op grond van de Rijkscoördinatieregeling voert EZ in 2011 de regie over een groot aantal energie-infrastructuurprojecten van nationaal belang, waaronder:

  • afronding besluitvorming Noordring Randstad 380 kV, Zuid-West 380 kV, Noord-West 380 kV en de interconnector Doetinchem-Wesel;

  • besluitvorming gasleiding Gasunie van Beverwijk naar Wijngaarden;

  • COBRA-kabel (interconnector met Denemarken);

  • aantal windparken;

  • gaswinning onder de Waddenzee.

Veiligheid

Doel en beschrijving: Beleid gericht op de veiligheid (Engels: security en safety) van zowel Nederlandse als voor Nederland belangrijke Europese energie-infrastructuur teneinde de voorzieningszekerheid te bevorderen. Daarbij wordt toezicht gehouden door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa/Energiekamer) op kwaliteit en toegankelijkheid van netwerken met onder andere aandacht voor calamiteitenplannen en door Staatstoezicht op de Mijnen op delfstoffenwinning.

Voornaamste acties in 2011: Op basis van de security-onderzoeken in 2010 en 2011 bij de energiesectoren wordt een security risicovisie ontwikkeld teneinde aanvullende maatregelen te nemen voor het realiseren en borgen van een adequate bescherming van de vitale infrastructuur. Het gaat dan om maatregelen met betrekking tot de fysieke bescherming van locaties en installaties, bescherming van ICT en van personeel.

Bijzondere aandacht krijgt de versnelde vervanging van zogenaamde brosse gasleidingen. Mede naar aanleiding van enkele incidenten en ongevallen in het recente verleden hebben de gasnetbeheerders zich in overleg met Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) beraden op de risico’s van brosse buisleidingen voor de veiligheid van de netwerken. Resultaat hiervan is een planmatige risicogerichte vervanging. Dit is per netbeheerder vastgelegd in een plan voor de komende zes jaar en in een plan dat toeziet op de langere termijn. SodM ziet toe op de strikte naleving van deze plannen.

Crisisbeleid

Doel en beschrijving: Het crisisbeleid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. In dit kader worden door het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken strategische olievoorraden aangehouden. Daarnaast bestaat er een pakket vraagbeperkende maatregelen.

Voornaamste acties in 2011: Indiening en de parlementaire behandeling van de herziening van de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten (WVA) 2001. De wijzigingen betreffen de implementatie van de Europese Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 met de verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden. Daarnaast worden aanpassingen doorgevoerd op basis van de aanbevelingen uit de evaluatie van de WVA 2001.

Internationale Energie Voorzieningszekerheid

Doel en beschrijving: Bij voorzieningszekerheid gaat het niet alleen om de beschikbaarheid van voldoende olie en gas, maar steeds meer ook om duurzame energie. Deze beschikbaarheid is niet vanzelfsprekend, temeer omdat ons land geleidelijk afhankelijker wordt van importen. Voorzieningszekerheid vereist internationale samenwerking: binnen de EU, op regionaal niveau, maar ook in een bredere context. De internationale energiemarkt is ingrijpend veranderd door de toenemende afhankelijkheid van een beperkte groep van fossiele energie producerende landen, door de klimaatdiscussie, door de energievraag van opkomende markten en door de economische crisis. Tegelijkertijd dienen nieuwe kansen zich aan, bijvoorbeeld door de opkomst van onconventioneel gas, het toenemende belang van LNG en de groeiende belangstelling voor duurzame energievormen. De behoefte aan een stabiele energiemarkt en het belang van schonere energie zijn wereldwijde vraagstukken geworden. In de allereerste plaats draagt Nederland daaraan bij door een actieve opstelling in de Europese Unie zowel terzake de interne energiemarkt als het externe energiebeleid. Voorts is ons land partij bij talrijke internationale energie organisaties zoals het Energie Handvest, het Internationale Energie Forum (IEF), het Internationale Energie Agentschap (IEA) en het Internationale Hernieuwbare Energie Agentschap (IRENA). Nederland speelt in deze multilaterale organisaties een vooraanstaande rol. Daarnaast voert ons land een actief bilateraal beleid om de specifieke Nederlandse energiebelangen in het buitenland te behartigen, gericht op het vergroten van onze energievoorzieningszekerheid, diversificatie van landen van herkomst van energiedragers, versterking van de internationale positie van Nederlandse bedrijven en op de ontwikkeling van een Nederlandse gasrotonde voor Noordwest-Europa.

Voornaamste acties in 2011:

  • In het IEA geeft Nederland uitvoering aan het actieplan dat tijdens de IEA ministeriële bijeenkomst in 2009 is aangenomen. Dit plan richt zich op klimaat, energiebesparing, duurzame technologie, partnerschappen met niet-leden, voorzieningszekerheid en transparantie.

  • Nederland draagt bij aan een handvest voor het IEF, waarmee het lidmaatschap en de financiën van het IEF versterkt worden. Tevens bereidt Nederland de IEF ministeriële bijeenkomst in Koeweit 2012 voor.

  • Nederland neemt in het kader van het Energie Handvest deel aan de onderhandelingen over het Doorvoer Protocol en aan de discussie over een modernisering van het Energie Handvest.

  • IRENA zal eind 2010, begin 2011 met de ratificatie van het verdrag door het 25e land in werking treden. Nederland zal bijdragen aan het werkprogramma.

  • Bilaterale samenwerking op het gebied van energie met belangrijke energiepartnerlanden onder diverse Memorandums of Understanding (MoU’s), o.a. door het uitwisselen van kennis, het gezamenlijk uitvoeren van projecten en het ondersteunen van belangen van het Nederlandse bedrijfsleven.

Programma Gasrotonde

Doel en beschrijving: Het verder ontwikkelen en positioneren van Nederland als knooppunt voor de internationale gasstromen in Noordwest-Europa. Doelstelling is om de gasvoorziening veilig te stellen en een bijdrage te leveren aan de continuïteit van de Europese gasvoorziening. Het programma is onder andere gericht op het vergroten van de aantrekkelijkheid van Nederland als plaats om gas, dat is bestemd voor de Noordwest-Europese markt, naar toe te brengen en te verhandelen. Enkele acties die binnen het programma worden ondernomen zijn het bevorderen van investeringen in opslagcapaciteit in Nederland en het stimuleren van het internationaal ondernemen van de gassector en -industrie.

Voornaamste acties in 2011: In 2011 wordt verdere uitvoering gegeven aan het programma Gasrotonde dat gepresenteerd is in de Gasrotondebrief 14.

Basispakket

Verduurzaming van de energiehuishouding

Operationele doelstelling 3

Motivering

De uitstoot van stoffen door het gebruik van fossiele brandstoffen draagt bij aan klimaatverandering en andere milieu- en gezondheidsproblemen. Bovendien is Nederland afhankelijk van een klein aantal landen voor haar olie en gas. Die afhankelijkheid maakt ons kwetsbaar. Daarom richt EZ zich op een evenwichtige energiemix door de bevordering van duurzame energie. De transitie naar een duurzame energiehuishouding zal in samenwerking met bedrijven, burgers, kennisinstellingen, belangenorganisaties en medeoverheden moeten worden gerealiseerd. EZ stelt een helder, geloofwaardig toekomstperspectief, zorgt voor een set toekomstvaste randvoorwaarden en bewaakt het evenwicht tussen de publieke belangen: betrouwbaar, betaalbaar en schoon. Conform EU richtlijn nr 3736/2/08 is Nederland verplicht om in 2020 14% van het bruto energieverbruik te betrekken uit hernieuwbare bronnen. «Schoon en Zuinig» 15 heeft een doelstelling van 20%. Dit vergroten van het aandeel duurzame energie is tevens één van de doelen van de Europa 2020-strategie voor duurzame groei en banen. Door extra in te zetten op energiebesparing daalt het totale energieverbruik. Dan zou kunnen worden volstaan met een meer geleidelijke uitrol van duurzame energietechnologieën om de Europese doelstelling te realiseren.

Verplichtingen operationele doelstelling 3
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 3: Verduurzaming van de energiehuishouding

Verplichtingen (in € mln)

       

– Energie-innovatie

60,4

136,0

87,4

78,3

70,6

68,1

67,1

– TransitieManagement

18,3

9,5

6,8

5,4

   

– Duurzame energie (MEP, SDE, Tegemoetkomingsregeling)

1 522,0

8 797,2

111,1

63,0

40,9

95,0

145,2

– Duurzame warmte

17,0

96,3

23,9

10,6

10,6

10,6

10,6

– Overige uitgaven duurzame warmte

0,3

0,4

0,5

    

– CO2-reductieplan/Joint Implementation

36,1

12,6

27,5

    

– Carbon Capture and Storage

6,4

168,0

    

9,0

– Bijdrage aan ECN

73,1

31,9

31,5

31,5

31,5

31,5

31,5

– Subsidietaakstelling 1

  

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

– 20,0

XNoot
1

Zie toelichting bij artikel 4 in de verdiepingsbijlage.

SDE

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: De stimuleringsregeling duurzame energie (SDE) wordt ingezet om het aandeel duurzame energie in Nederland te vergroten. De SDE subsidieert daartoe het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie; de zogenaamde onrendabele top. De belangrijkste technieken die worden ondersteund zijn: biomassa, wind, zon en elektriciteitsopwekking door afvalverbrandingsinstallaties.

Voornaamste acties in 2011: De SDE wordt in 2011 opengesteld om 459–630 MW te subsidiëren. Met de ruim 1 700 gigawattuur die dat oplevert kunnen 500 000–550 000 huishoudens van groene stroom worden voorzien.

Indicator: De SDE draagt bij aan de doelstelling om op langere termijn (2020) het aandeel duurzame energie te vergroten:

  • De indicator «duurzame elektriciteitsproductie» geeft aan welk aandeel van het nationale elektriciteitsverbruik wordt opgewekt met behulp van hernieuwbare technieken.

  • De indicator «duurzame energieproductie» geeft aan voor welk aandeel van het nationale energieverbruik hernieuwbare technieken zijn omgezet in secundaire oftewel bruikbare energiedragers.

Prestatie-indicatoren

2007

2008

2009

Streefwaarde

2020

Duurzame elektriciteitsproductie

6,0%

7,5%

9%

Niet van toepassing

Duurzame energieproductie

2,9%

3,4%

4%

20% 1

Bron: CBS

XNoot
1

De Europese doelstelling bedraagt, conform de nationale definitie, 17%.

Windenergie op land

Doel en beschrijving: Wind op land moet, als relatief goedkope duurzame energieoptie, een van de grootste bijdragen (6000 MW in 2020) leveren aan het aandeel duurzame energie.

Voornaamste acties in 2011:

  • Het uitvoeren van Rijkscoördinatieregelingen en opstellen van rijksinpassingsplannen voor wind op landprojecten groter dan 100 MW.

  • Het opstellen/handhaven van een algemene maatregel van bestuur op grond van de crisis- en herstelwet waarin elke provincie een minimum prestatienorm krijgt voor wind op land.

  • Het uitvoeren van het innovatieprogramma wind op land gericht op innovatieve combinaties van windprojecten met infrastructuur en andere functies en het zoeken van innovatieve oplossingen voor herstructureringsproblemen bij wind op land.

Meerjarenafspraken 3 (MJA3), Meerjarenafspraken ETS-bedrijven (MJA-ETS) en energiecentrum MKB

Doel en omschrijving: Energiebesparing is de eerste stap voor een duurzame energiehuishouding. Energiebesparing leidt niet alleen tot minder CO2-uitstoot, maar ook tot een financiële besparing voor de gebruiker, waarmee de concurrentiepositie van Nederland kan worden verbeterd. Vanwege de voordelen voor zowel overheid als bedrijfsleven wordt energiebesparing gestimuleerd in samenwerking met het bedrijfsleven en met het accent op informatievoorziening en communicatie. Door middel van de convenanten MJA3 en MJA-ETS zijn hierover met het middelgrote bedrijfsleven en de ETS-bedrijven afspraken gemaakt. Naast het opstellen en uitvoeren van energie-efficiencyplannen zullen de branches ook strategische lange termijn studies maken. Het midden- en kleinbedrijf wordt via het Energiecentrum MKB geïnformeerd en gestimuleerd om energiebesparende maatregelen te nemen.

Europese emissiehandelssysteem (ETS) en Joint Implementation (JI)

Doel en omschrijving: In Europa is het ETS voor broeikasgasemissierechten opgesteld om de CO2-uitstoot van de sectoren industrie en energie terug te dringen. Hiermee wordt een deel van de Europese, en daarmee Nederlandse, Kyotoverplichting gehaald, die respectievelijk in 2020 en in 2012 gehaald dienen te worden. Een deel van de nationale reductie kan worden ingevuld met het aankopen van emissiereducties in andere landen; JI en gegroende Assigned Amount Units (AAUs). JI en gegroende AAU’s zijn mechanismen, vastgelegd in het Kyoto Protocol, waarmee geïndustrialiseerde landen kunnen voldoen aan hun doelstellingen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Voornaamste acties in 2011: In de internationale VN-klimaatonderhandelingen wordt gestreefd naar een wereldwijd akkoord over emissiereductie. Indien dit akkoord tot stand komt, kan het gevolgen hebben voor de Europese reductiedoelstelling. Ook voor onze nationale reductiedoelstelling (30% CO2 reductie in 2020 ten opzichte van 1990) is dit van belang.

Prestatie-indicator:

  • 1. Maximale hoeveelheid broeikasgasemissies in de totale industrie en energiesector in Mton. Een deel van de sector neemt deel in het emissiehandelssysteem (ETS). Het emissieplafond is het maximum aan broeikasgassen in absolute hoeveelheden dat deelnemende inrichtingen gedurende de periode 2008–2012 mogen uitstoten of moeten compenseren in het emissiehandelssysteem. Met de grote energiegebruikers die niet aan het ETS deelnemen worden convenanten afgesloten. Omdat de reikwijdte van de sector industrie/energie is vergroot, is ook de basiswaarde voor 1990 hoger geworden dan in eerdere jaarverslagen stond gegeven. De reikwijdte is vergroot doordat de definities zijn verruimd en er dus meer installaties onder het ETS vallen dan eerst. Het brondocument is gewijzigd ten opzichte van begroting 2009. Het nieuwe document is het plan als bedoeld in artikel 16.23 van de Wet milieubeheer.

  • 2. De doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Het eerste oogstjaar was dus 2008. Over dat jaar zijn 5,2 Mton gerealiseerd en geleverd in 2009. Zij zijn op de Nederlandse rekening voor JI, die beheerd wordt door de Nederlandse Emissieautoriteit, bijgeschreven. In 2010 wordt naar verwachting 4 Mton geleverd, die gerealiseerd zijn in 2009. De ambitie voor 2011 ligt eveneens op levering van 4 Mton (te realiseren in 2010).

Prestatie-indicatoren

2007

2008

2009

Streefwaarde

2011

1. CO2-uitstoot industrie/energie

112 Mton

109,2 Mton

109,2 Mton

109,2 Mton

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder de broeikasemissierechten 2008–2012

79,9 Mton

86,8 Mton

86,8 Mton

86,8 Mton

Bron: Agentschap NL, Nederlands nationaal toewijzingsplan broeikasgasemissierechten 2008–2012

    

2. Vermeden CO2-uitstoot voor 2012 via Joint-Imlementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

  

5,2 Mton

4 Mton

Bron: Agentschap NL/de contracten

Efficiënte en duurzame warmtevoorziening

Doel en beschrijving: Met 40% van de totale energie is warmtevoorziening de grootste verbruiker van energie in Nederland. Meer efficiëntie in het gebruik van warmte en de verduurzaming van de resterende vraag naar warmte kan een belangrijke bijdrage leveren aan een duurzame energiehuishouding. Het komt bovendien (te) veel voor dat niet alle warmte (waaronder hier ook verstaan wordt: koude) opgewekt bij industriële processen nuttig wordt ingezet. Deze zogenoemde restwarmte gaat daardoor verloren.

Het Programma Industriële warmtebenutting voorziet in een subsidie voor het doen van een haalbaarheidsonderzoek warmtereductie in het kader van het convenant Meerjarenafspraken energie-efficiëntie (MJA convenant). Ook voorziet het programma in een subsidiering van de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor het realiseren van projecten die een industriële onderneming in staat stellen energie te besparen door restwarmte van derden in te zetten in haar productieprocessen, of het in een warmtenet invloeden van hernieuwbare warmte (investeringsprojecten industriële warmtebenutting). De subsidieregeling Duurzame Warmte voor bestaande woningen is erop gericht de warmtevoorziening in de bestaande bouw te verduurzamen. Er is subsidie voor woningeigenaren voor de aanschaf van zonneboilers, warmtepompen en micro warmtekracht ketels.

Twee nieuwe instrumenten zijn het Nationale Expertisecentrum Warmte (NEW) bij Agentschap NL en de zogenoemde warmtekaarten waarmee duidelijk wordt waar er sprake is van warmtevraag en warmteaanbod. NEW geeft voorlichting over het verduurzamen van de warmte- en koudevoorziening.

Carbon Capture & Storage (CCS)

Doel en beschrijving: CO2 afvang en opslag in de bodem (CCS) vormt de derde pijler van het beleid gericht op een duurzame energiehuishouding 40. De kosten van CCS zijn echter nog te hoog om CCS commercieel rendabel toe te passen. Technologieontwikkeling en schaalvergroting moeten de kosten omlaag brengen.

Voornaamste acties in 2011:

  • Uitvoering van de kleinschalige demonstratieprojecten m.b.t. CO2-afvang in Buggenum (NUON) en IJmuiden (Corus/SEQ).

  • Uitvoering van het eerste Nederlandse grootschalige CCS-demonstratieproject op zee, het ROAD-project (zie kader).

Indicator: De hoeveelheid afgevangen en opgeslagen Mton CO2 zijn indicatoren voor het CCS-beleid. Echter, in 2011 zijn hiervoor nog geen streefwaarden beschikbaar, omdat de grootschalige projecten pas vanaf 2015 operationeel zijn.

Box: Het Road-project

Grootschalig Demonstratieproject CCS-keten op de Maasvlakte Rotterdam (ROAD-project).

In het kader van het Economisch Herstelplan van de EU hebben EON/Electrabel gezamenlijk een projectvoorstel ingediend voor de bouw van een 250 MW CO2-afvanginstallatie bij de kolengestookte centrale van E.ON op de Maasvlakte, het realiseren van de transport en opslagfaciliteiten op zee, het ROAD-project. Naast de Europese financiering ontvangt het project een rijksbijdrage. Een deel van de rijksbijdrage is gekoppeld aan de daadwerkelijke opslag waardoor na afloop van de investeringsfase (2015) vijf jaar daadwerkelijk CO2-afvang, -transport en -opslag op zee kan worden gedemonstreerd. Door dit demonstratieproject wordt praktijkervaring met grootschalige toepassing opgedaan. Die praktijkervaring is nodig om de kosten van CCS verder terug te brengen en een integrale benadering van de keten CO2-afvang, -transport en -opslag daadwerkelijk in de praktijk te kunnen realiseren. De verwachting is dat CCS zich op termijn tot een kosteneffectieve reductiemaatregel zal ontwikkelen. De technologie die bij de kolengestookte centrale gebruikt wordt om CO2 af te vangen is post-combustion. Het CCS project zal in 2015 operationeel zijn. Voor de eerste 5 jaar wordt uitgegaan van een afvang van in totaal 4,5 Mton CO2. De CO2 zal per pijpleiding getransporteerd worden naar gasvelden op zee, die 25 km uit de kust liggen en zich op een diepte van 3 500 m bevinden.

Energie-innovatie

Doel en beschrijving: De komende jaren zal er in de duurzame energiehuishouding veel gaan veranderen. Om te zorgen dat dit technisch mogelijk is en tegen aanvaardbare kosten, stimuleert EZ energie-innovatie. Het energie-innovatiebeleid is er op gericht dat energiebesparing en opwekken van duurzame energie goedkoper worden en er meer technieken en producten hiervoor op de markt komen. Dit wordt zo uitgevoerd dat hiermee ook het innovatieve bedrijfsleven wordt bevorderd.

Energie-innovatiebeleid bestaat uit drie onderdelen:

  • 1. Een goede kennisontwikkeling op een aantal speerpunten die per 2010 zijn geactualiseerd. Hiervoor kunnen bedrijven en kennisinstellingen via EOS subsidie krijgen voor projecten. Voor 2011 staat weer een aantal tenders gepland. Dit gebeurt in samenhang met de kennisontwikkeling bij ECN en het programma ADEM voor materialenontwikkeling. Dit geeft Nederland een goede kennisbasis.

  • 2. Vanuit de Maatschappelijke Innovatieagenda Energie zijn innovatieprogramma’s gestart op een aantal belangrijke thema’s zoals windturbines op zee, biomassa, warmte, zon-pv, smart grids en industriele energie-efficiënte. Bij deze innovatieprogramma’s ligt de nadruk op marktintroductie van nieuwe technologie en het wegnemen van niet-technische belemmeringen.

  • 3. De toepassing van nieuwe technologie wordt fiscaal gestimuleerd via de Energie Investeringsaftrek (EIA).

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel Energie

9,8

10,0

8,5

8,5

8,4

8,4

8,4

– Bijdrage aan Agentschap NL

70,0

16,3

13,8

13,6

13,4

13,4

13,4

– Bijdrage aan Algemene Energie Raad

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

– Diverse programmauitgaven energie 1

8,3

8,1

 

32,4

   

– SODM

5,0

6,0

5,6

5,5

5,5

5,5

5,5

– Onderzoek en ontwikkeling

3,9

1,2

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

XNoot
1

Op dit onderdeel wordt de Nederlandse bijdrage aan de exploitatiekosten van het aanvullend programma Hoge Flux Reactor van Euratom in Petten verantwoord.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Verduurzaming van de energiehuishouding

4.3

2009

2010

Kamerstuk: 31 209, nr. 117;

Rapport Brede Heroverweging Energie en Klimaat, april 2010

Overig evaluatieonderzoek

Tussenevaluatie SDE

4.3

2010

2010

 

Artikel 5 Internationale economische betrekkingen

Algemene doelstelling

Verbeteren van het klimaat voor internationale handel en investeringen en vergroten van de Nederlandse internationale participatie om de concurrentiekracht van de Nederlandse economie te vergroten.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Onze open economie is sterk afhankelijk van goede internationale economische betrekkingen. Handel en investeringen vormen de motor achter de Nederlandse economie: als vuistregel geldt dat 3% groei in wereldhandel voor 1% aan groei in het Nederlandse Bruto Binnenlands Product (BBP) zorgt 42. Internationalisering vergroot de concurrentie en brengt een dynamiek met zich mee die aanzet tot innovatie en hogere productiviteit.

Deze openheid is niet vanzelfsprekend. Ondernemers lopen bij hun internationale activiteiten geregeld tegen markt- en systeemimperfecties aan die hun ambities belemmeren en die leiden tot hogere transactiekosten. Daarbij kan het gaan om protectionisme en formele barrières maar ook om gebrekkige informatie, een andere cultuur van zakendoen of de noodzaak van overheidscontacten op hoog niveau in landen waar de economie sterk politiek wordt aangestuurd.

EZ bestrijdt, in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), deze markt- en systeemimperfecties ondermeer door de inzet van economische diplomatie. De combinatie van de financiële en economische crisis en de trend van verschuivende internationale machtsverhoudingen door de opkomende economieën heeft de afgelopen jaren laten zien dat economische diplomatie bij het bevorderen van internationale bedrijvigheid enkel aan belang heeft gewonnen. Door (politieke) invloed, kennis en relaties in te zetten worden bedrijven geholpen bij het verkrijgen van toegang tot buitenlandse markten. Dit gebeurt zowel bilateraal, om handelsbarrières met individuele landen weg te nemen, als multilateraal, via inbreng en onderhandelingen in de EU, de WTO, de OESO en de G20. Met deze multilaterale insteek wordt beoogd de internationale economische rechtsorde te versterken en hiaten in internationale regels aan te pakken. Een dusdanig internationaal rechtskader draagt daarmee bij aan een betere toegang van ontwikkelingslanden tot de internationale en Europese markten.

Daarnaast stimuleert EZ Nederlandse bedrijven met een breed en toegankelijk subsidieinstrumentarium (basispakket) om internationaal actief te zijn en hun internationale positie verder te versterken. In het bijzonder levert EZ met het programmatisch pakket meerjarige ondersteuning aan specifieke clusters van bedrijven en/of kennisinstellingen in voor Nederland kansrijke markten die sterk door overheden bepaald of beïnvloed worden. Deze ondersteuning bestaat uit een combinatie van subsidies, publieke kennisoverdracht en economische diplomatie.

Een effectieve internationale economische rechtsorde gaat verder dan alleen verdragen en regelgeving ten aanzien van het handelsverkeer en internationale investeringen. Omdat Nederlandse en Europese wettelijke normen op het vlak van milieu, arbeidsomstandigheden en mensenrechten elders soms moeilijk afdwingbaar zijn, is er behoefte aan een gezaghebbend, internationaal gedeeld normatief kader. Nederland blijft zich derhalve inzetten voor een geïntegreerd buitenland beleid, waarbij deze aspecten ook in vrijhandelsakkoorden worden geadresseerd. Daarnaast pleit EZ in multilaterale onderhandelingen voor duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) als integraal onderdeel van economisch handelen. In economische missies, buitenlandinstrumentarium en Holland Branding wordt MVO standaard meegenomen. Nederland is hiermee koploper in de internationale economische betrekkingen.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor:

  • versterking van de buitenlandse economische betrekkingen;

  • het internationale handels- en investeringsbeleid;

  • internationaal ondernemen en het aantrekken van buitenlandse bedrijven;

  • de Nederlandse inbreng in het handelsbeleid van de EU en het vertegenwoordigen van het Nederlandse economisch belang in WTO- en OESO-kader.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt af van de volgende externe factoren:

Politieke en economische ontwikkelingen bij onze handelspartners hebben gevolgen voor de Nederlandse economie, voor succesvolle afronding van de multilaterale en regionale handelsakkoorden en voor het Nederlandse bedrijfsleven. Succes van het internationale economische beleid van EZ wordt mede bepaald door het handels- en investeringsklimaat in binnen- en buitenland en veranderingen daarin. Uiteraard is ook het Europese beleid en strategie op het gebied van handel (EU2020-strategie) relevant voor de Nederlandse economie. EZ levert een actieve bijdrage aan de Europese besluit- en gedachtevorming op dit terrein.

De Nederlandse steun voor een Doha-akkoord is onverminderd. Wel is EZ van mening dat met een realistische blik naar afronding van de onderhandelingen moet worden gekeken die grotendeels afhankelijk is van politiek committment in verschillende hoofdsteden. Daarnaast vindt EZ het van belang dat de EU ook regionale en bilaterale handelsakkoorden afsluit die kunnen bijdragen aan multilaterale vooruitgang. Voor de verdere toekomst is nadere discussie en onderzoek nodig over het potentieel voor plurilaterale overeenkomsten op deelterreinen zoals bijvoorbeeld mededinging of milieugerelateerde onderwerpen.

Economische crisis

EZ heeft in 2010 bijgedragen aan het tegengaan van protectionistische tendensen. Door een actieve inbreng zowel in WTO-, OESO-, als G20-verband en ook door richting Europese Commissie en betrokken landen zijn ongenoegen te uiten over handelsverstorende maatregelen. Ook in 2011 blijft EZ consequent een helder standpunt innemen als tegenstander van ongeoorloofde marktbescherming. EZ continueert daarnaast de strategie voor het vergroten van de markttoegang in landen buiten de Europese Unie en blijft pal staan voor een open Europese markt.

De gestage groei en het toenemend belang van opkomende economieën valt met name op nu we ons van de crisis aan het herstellen zijn. De wereldeconomie steunt in belangrijke mate op groei uit landen als China en India. Hier is door EZ op ingespeeld met o.a. de markttoegangstrategie, deelname aan de wereldtentoonstelling in Shanghai en de regeling Package4Growth specifiek voor India en China. India, Turkije, Rusland en (sinds 2010) Brazilië vormen de focus van actieplannen met initiatieven voor overheid en bedrijfsleven van de Dutch Trade Board (DTB).

De economische crisis is in veel landen de aanleiding geweest om het bedrijfsleven extra te ondersteunen. Ook in Nederland is een aantal maatregelen genomen ter bevordering van het internationaal ondernemen. Op basis van evaluaties die in het najaar van 2010 zullen plaatsvinden, kunnen eventuele vervolgstappen worden bezien. Het gaat dan onder andere om de Tijdelijk Aanvullende Staats Kredietverzekering (TASK) die het mogelijk maakt aanvullende staatsgarantie op de kredietverzekeringspolissen voor korte termijn kredieten te krijgen. Voor deze regeling, waarvan de kosten (€ 40 mln) tussen Financiën en EZ zijn gedeeld, geldt dat de goedkeuring van de Europese Commissie per eind december 2010 verloopt.

Kengetallen

Kengetallen

2007

2008

2009

Ambitie

2011

De positie van Nederland op de wereldranglijst:

    

Export van goederen

6

5

5

Top 10

Import van goederen

8

7

7

Top 10

Export van diensten

11

10

10

Top 10

Import van diensten

10

11

9 (gedeelde plaats Spanje)

Top 10

Uitgaande stand directe buitenlandse investeringen

6

5

Nog niet bekend

Top 10

Inkomende stand directe buitenlandse investeringen

5

6

Nog niet bekend

Top 10

Bron: WTO Trade Statistics en UNCTAD (World Investment Report)

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 5
Artikel 5: Internationale economische betrekkingen (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

150,4

153,9

147,5

147,6

121,2

121,3

121,3

Operationeel doel 1

4,5

4,2

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

Operationeel doel 2

45,3

42,5

30,0

30,0

29,2

29,2

29,2

Operationeel doel 3

42,9

52,8

59,5

59,8

35,9

35,9

35,9

Algemeen

57,7

54,4

54,0

53,8

52,2

52,3

52,3

        

Uitgaven (totaal)

123,1

138,2

132,1

130,0

112,2

112,3

104,7

Operationeel doel 1

4,5

4,2

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

Operationeel doel 2

30,7

34,5

21,6

23,3

21,2

21,2

21,0

Operationeel doel 3

32,8

43,6

53,5

44,8

32,4

30,8

23,2

Algemeen

55,0

55,9

53,0

57,8

54,7

56,4

56,4

        

Programma-uitgaven

116,8

131,6

113,2

73,2

58,6

57,0

49,2

Waarvan juridisch verplicht 1

  

75,8

18,1

5,6

4,1

4,0

        

Ontvangsten (totaal)

5,4

8,1

11,8

11,8

9,3

9,3

1,8

Ontvangsten gemengde kredieten

2,0

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

Ontvangsten ten behoeve van de Transitiefaciliteit

 

5,0

10,0

10,0

7,5

7,5

 

Ontvangsten uit het FES

0,9

0,9

     

Diverse ontvangsten

2,5

1,6

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Markt en Spelregels

Operationele doelstelling 1

Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde

Motivering

Het wegnemen van onnodige handelsbelemmeringen zorgt ervoor dat ondernemers en consumenten zowel in Nederland als wereldwijd kunnen profiteren van de voordelen van vrije handel. Tegelijkertijd wordt bevorderd dat ondernemers dat doen op maatschappelijk verantwoorde wijze. EZ is primair verantwoordelijk voor het buitenlands economisch beleid en als zodanig voor de Nederlandse inbreng in het handelsbeleid van de EU en het vertegenwoordigen van het Nederlandse economisch belang in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1: Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde

Verplichtingen (in € mln)

       

– Bijdrage aan diverse organisaties

4,5

4,2

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

Handelsakkoorden en internationale economische rechtsorde

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: Heldere internationale en Europese afspraken die de internationale economische rechtsorde versterken en de toegang van Nederlandse ondernemers tot de wereldmarkt vergroten. Hiervoor invloed aanwenden in het kader van onderhandelingen in EU, OESO en WTO en contributies aan internationale organisaties (onder andere WTO).

Voornaamste acties in 2011:

  • Actieve behartiging van de Nederlandse belangen in het kader van de bilaterale onderhandelingen van de EU over vrijhandelsakkoorden alsmede voor de afronding van een ambitieus, evenwichtig en ontwikkelingsvriendelijk akkoord in het kader van de WTO Doha ronde.

  • Inspelen op de consequenties van het nieuwe EU verdrag op het gebied van handelspolitiek en investeringsbeleid, inclusief een grotere rol voor het Europees Parlement.

  • Opstellen en uitonderhandelen van nieuwe Investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s), dan wel het moderniseren van bestaande IBO’s met voor Nederland interessante markten. Met het Verdrag van Lissabon heeft de EU exclusieve bevoegdheid voor IBO’s verkregen. De inzet van EZ is om een hoog beschermingsniveau van Europese IBO’s na te streven en een transitieperiode bij het ontwikkelen van Europese IBO’s goed te begeleiden.

  • EZ zet zich in om draagvlak voor globalisering in de Nederlandse maatschappij te versterken.

  • Op het thema «global economic governance» draagt EZ eraan bij dat er een constructief debat wordt gevoerd over het signaleren en oplossen van «gaps» in deze governance.

Maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen

Doel en beschrijving: Versterken van de effectiviteit van het normatief kader waarbinnen Nederlandse ondernemingen in het buitenland zaken doen. EZ heeft duidelijke beleidslijnen uitgezet op de terreinen van MVO 44, ketenverantwoordelijkheid en Non-Trade Concerns (NTC’s). In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor MVO bij het bedrijfsleven. EZ blijft een actieve rol spelen door bij het beleid op internationaal ondernemen, handel en investeringen, en in zijn contacten met het bedrijfsleven maatschappelijk verantwoord ondernemen onder de aandacht te brengen, ook op internationaal niveau.

Voornaamste acties in 2011:

  • Voorlichting over en mediation op basis van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen via het Nationaal Contactpunt voor de OESO richtlijnen (NCP). Tevens zal EZ namens de Nederlandse overheid zich in het OESO Investeringscomité sterk maken voor een ambitieuze verbetering van deze richtlijnen, die het kader vormen voor internationale MVO.

  • Bijdragen aan en naar de Nederlandse situatie vertalen van het raamwerk van de speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Bedrijfsleven en Mensenrechten, prof. John Ruggie.

Controle op de uitvoer van strategische goederen

Doel en beschrijving: Handhaving van de voorwaarden waaronder militair materieel en goederen voor tweeërlei gebruik, ook wel «dual use goederen» genoemd, kunnen worden uitgevoerd. Deze uitvoer is mede vanwege veiligheidsredenen in de meeste gevallen verboden tenzij daarvoor tevoren een vergunning is verkregen.

Voornaamste acties in 2011:

  • Introductie van een Wet strategische diensten, waarmee zowel reeds bestaande als enkele nieuwe controles op diensten in relatie tot strategische goederen worden geregeld. Het gaat daarbij om diensten zoals overdracht van programmatuur of technologie door elektronische communicatiemiddelen, om technische bijstand die ten goede kan komen aan massavernietigingswapenprogramma’s of raketprogramma’s en om het verlenen van tussenhandeldiensten ten behoeve van wapentransacties en bepaalde transacties in dual use goederen in en tussen derde landen.

  • Invoering, gezamenlijk met het Ministerie van Financiën, van een volledig geautomatiseerd systeem voor de administratie en behandeling van vergunningaanvragen voor strategische goederen.

Basispakket

Bevorderen internationaal ondernemen (inkomend en uitgaand)

Operationele doelstelling 2

Motivering

Internationalisering van onze economie en ons bedrijfsleven is van groot belang voor de productiviteit en concurrentiekracht van Nederland. Bedrijven die internationaal actief zijn presteren beter en zijn productiever en innovatiever dan bedrijven die zich uitsluitend op de nationale markt richten 45. Ook de aanwezigheid van buitenlandse bedrijven in Nederland draagt bij aan de groei van de Nederlandse economie, via de werkgelegenheid, innovaties en kennisoverdracht die zij meebrengen. EZ zal ook in 2011 Nederlandse ondernemers helpen om internationaal actief te worden, dan wel om hun internationale positie verder te versterken. Daarbij is vooral een rol weggelegd in het slechten van markt- en systeemimperfecties die internationaal ondernemen in de weg staan en in het promoten van de Nederlandse economische sterktes en het imago van Nederland in het buitenland. De positieve bijdrage die Nederlandse bedrijven kunnen spelen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt daarvan integraal onderdeel uit. Daarnaast zal EZ zich in 2011 sterk maken om buitenlandse bedrijven en investeerders aan te trekken en te behouden, vooral in kennisintensieve sectoren.

Verplichtingen operationele doelstelling 2
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 2: Bevorderen internationaal ondernemen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Prepare2start

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

– 2 Explore

3,0

1,5

     

– Instrumentele uitgaven Agentschap

7,6

5,8

5,8

5,8

5,8

5,8

5,8

– Acquisitie van buitenlandse bedrijven

1,6

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

– Trustfunds

2,5

      

– Programma Uitzending Managers

2,8

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

– Overig (wereldexpo)

11,0

12,0

0,9

0,9

0,1

0,1

0,1

– Overig NHGIS (Programma Internationalisering Beroepsonderwijs)

1,8

      

Economische diplomatie

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: Economische diplomatie kent een multilaterale en een bilaterale component. Zie OD1 voor het multilaterale deel. Bilateraal biedt EZ, in afstemming met BZ, Nederlandse ondernemers onder de paraplu van economische diplomatie verschillende vormen van ondersteuning bij het wegnemen van barrières op buitenlandse markten en het binnenhalen van orders:

  • Economische missies en bilaterale bezoeken van en naar het buitenland bieden ondernemers een (politiek) platform om toegang tot markten te verkrijgen, vooral in economieën die sterk door de overheid gestuurd worden. De focus ligt daarbij op de 15 meest kansrijke markten 46.

  • Het Crashteam oneerlijke concurrentie helpt ondernemers die te maken krijgen met oneerlijke concurrentie of protectionisme als gevolg van optreden door een buitenlandse overheid. Onder invloed van de economische crisis is het werk van het crashteam toegenomen 47.

  • Via de Dutch Trade Board (DTB) wordt gewerkt aan het optimaliseren van publiek-private afstemming en coördinatie op het terrein van internationaal ondernemen, onder andere via de strategische reisagenda.

  • Door halfjaarlijkse gesprekken op hoogambtelijk niveau met grote, toonaangevende bedrijven over de kansen en belemmeringen die zij internationaal tegenkomen (strategisch accountmanagement) vindt waar wenselijk gerichte ondersteuning van deze bedrijven bij hun buitenlandse activiteiten plaats.

Voornaamste acties in 2011: Naast basisdienstverlening voor bedrijven in Nederland door NL EVD Internationaal, kunnen ondernemers in het buitenland voor informatie, advies en ondersteuning terecht bij het postennet. EZ wil de dienstverlening van dit netwerk verstevigen via de al ingezette clustering van verschillende economische disciplines op posten (handel, technisch-wetenschappelijke samenwerking, innovatie en investeringen). De Netherlands Business Support Offices (NBSO’s) maken ook deel uit van dit proces.

Indicator: De prestatie-indicator EVD Bereik Algemeen laat zien in hoeverre het Agentschap NL EVD Internationaal bekend is bij de doelgroep van internationaal actieve bedrijven. Dat wordt als volgt berekend: het aantal instellingen in het klantenbestand van de EVD gedeeld door het aantal internationaal actieve bedrijven.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal instellingen in het klantenbestand van de EVD gedeeld door het aantal internationaal actieve bedrijven

43%

42%

49%

45%

Bron: Agentschap NL

Regeling Internationaal Ondernemen: Prepare2Start

Doel en beschrijving: Startende MKB-ondernemingen worden met dit instrument bij de eerste stappen naar het buitenland door EZ ondersteund bij het schrijven van een internationaliseringsplan en kunnen in aanmerking komen voor financiering van een aantal activiteiten uit dit plan.

Indicator: aantal bedrijven dat op basis van Prepare2Start-internationaliseringsplan internationaal is gaan ondernemen.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal bedrijven dat op basis van Prepare2Start-internationaliseringsplan internationaal is gaan ondernemen

331

349

434

600

Bron: Agentschap NL

Programma Uitzending managers (PUM)

Doel en beschrijving: PUM is een gezamenlijk programma van EZ en het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), waarbij EZ de activiteiten in opkomende markten steunt en BZ in (andere) ontwikkelingslanden. EZ verstrekt subsidie aan PUM voor kennisoverdracht door Nederlandse senior (ex-)ondernemers op aanvraag van ondernemingen en instellingen in opkomende markten die behoefte hebben aan kennis en ervaring die ter plaatse onvoldoende voorhanden is.

Voornaamste acties in 2011: voortzetting uitvoering

Kengetal: percentage aanvragen dat heeft geleid tot bedrijfscontacten met Nederlandse onderneming danwel waarvan het contact voorbereid of onderhanden is. De ambitie is, met het oog op de economische crisis, voor 2011 gelijk gebleven aan die in de begroting 2010.

Kengetallen buitenlandinstrumentarium

2007

2008

2009

Ambitie 2011

PUM: Percentage aanvragen dat heeft geleid tot bedrijfscontacten met Nederlandse onderneming danwel waarvan het contact voorbereid of onderhanden is

43%

40%

40%

35%

Bron: PUM

Holland Branding

Doel en beschrijving: Holland branding wordt ingezet voor sterke economische positionering van Nederland in het buitenland. Daarbij wordt synergie gezocht met andere initiatieven die bijdragen aan het internationale imago van ons land, waaronder de inspanningen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het terrein van publieksdiplomatie en de activiteiten van het Nederland Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC).

Voornaamste acties in 2011: Sterkere positionering in de opkomende markten China en India om zo naamsbekendheid te vergroten, door ondersteuning van publieksactiviteiten. Daarnaast zal EZ bij het binnenhalen van het WK voetbal (Holland-Belgium bid, verkiezing eind 2010) promotieactiviteiten opstarten.

Acquisitie

Doel en beschrijving: Via de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) beoogt EZ buitenlandse investeringen aan te trekken. Vestigingen van buitenlandse bedrijven in Nederland dragen bij aan onze economische groei, zijn goed voor substantiële directe en indirecte werkgelegenheid, versterken de Nederlandse innovatiekracht en geven ons land aansluiting op internationale netwerken van bedrijvigheid.

Naast deze kerntaak wordt via het Investor Development (ID) programma van NFIA structureel aandacht besteed aan buitenlandse bedrijven in Nederland (relatiemanagement), ondermeer ter behoud en uitbreiding van bestaande investeringen.

Voorts loopt er separaat een pilot (2010–2013) voor oprichting van de Strategische Acquisitie Unit (SAU) binnen NFIA, gericht op het aantrekken van tenminste 15 significante investeringen naar Nederland. Hiervoor worden specialisten uit het bedrijfsleven geworven die strategische aanvalsplannen ontwikkelen en uitvoeren, gericht op het opbouwen van een projectenportefeuille met geïnteresseerde buitenlandse bedrijven, die waarde toevoegen aan de Nederlandse sleutelgebieden (vooralsnog Chemie en Food & Nutrition). De SAU zal innovatieve buitenlandse bedrijven identificeren, voor Nederland interesseren en hen daadwerkelijk helpen vestigen in Nederland. Dit gebeurt in nauwe samenspraak met het relevante Nederlandse veld.

Voornaamste acties in 2011: Blijvende aandacht voor meer hoogwaardige investeringen. Specifiek binnen het ID programma gaat in 2011 speciale aandacht uit naar goede informatievoorziening over Nederlandse wet- en regelgeving voor reeds in ons land gevestigde buitenlandse bedrijven, het actief benaderen van de kennisintensieve buitenlandse bedrijven in Nederland, versterking van het Nederlandse (fiscale) vestigingsklimaat en promotie van Nederland als innovatieland.

Indicator: de bijdrage van buitenlandse investeringen in Nederland aan de Nederlandse economie komt tot uiting in de vier indicatoren in aansluitende tabellen. Voor de SAU geldt als separate indicator het succesvol laten landen van tenminste 15 significante 48 buitenlandse bedrijven in de periode 2010–2013.

Prestatie-indicator

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Aantal aangetrokken Projecten door NFIA

155

182

155

150

Investeringsbedrag aangetrokken projecten NFIA (in € mln)

578

667

3 142

500

Aantal arbeidsplaatsen aangetrokken investeringen buitenlandse bedrijven

3 107

3 300

3 887 1

2 500

Bron: NFIA

XNoot
1

N.B. Bij dit aantal arbeidsplaatsen dient onderscheid gemaakt te worden tussen 2 870 «nieuwe» directe arbeidsplaatsen en 1 017 «behouden» directe arbeidsplaatsen.

Prestatie-indicator

Streefwaarde

2010–2013

SAU:Significante buitenlandse bedrijven die zich in Nederland gevestigd hebben

15

Bron: NFIA

Programmatisch Pakket

Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op buitenlandse markten

Operationele doelstelling 3

Motivering

Het programmatisch pakket richt zich op het versterken van de kansen van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in het buitenland in de sectoren waar Nederland goed in is en waar Nederland extra toegevoegde waarde kan inbrengen (bijvoorbeeld water). Het programmatisch pakket biedt groepen van bedrijven en kennisinstellingen ook in 2011 ondersteuning om te internationaliseren op markt/sectorcombinaties die sterk door overheden bepaald/beïnvloed worden. Deze ondersteuning (in de vorm van subsidies maar ook economische diplomatie en samenwerking in beleid) bestaat uit een meerjarig samenwerkingsverband waarbij overheid en bedrijfsleven gezamenlijk optrekken. Hierdoor wordt de wederzijdse inspanning versterkt en worden betere resultaten behaald. Focus en samenhang zijn de kernwoorden van deze samenwerking. Daar waar het bedrijfsleven zich committeert aan langdurige collectieve samenwerking op kansrijke terreinen en markten gaat EZ, indien opportuun samen met andere ministeries, langdurige relaties aan om economische barrières te slechten.

Verplichtingen operationele doelstelling 3
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 3: Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op buitenlandse markten

Verplichtingen (in € mln)

       

– Overig programmatische aanpak

28,1

11,6

18,1

18,1

19,9

19,9

19,9

– Package4Growth

7,5

20,7

25,4

25,7

   

– 2g@there

 

20,5

16,0

16,0

16,0

16,0

16,0

– Programma Samenwerking Opkomende Markten

7,3

      

2g@there

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: het 2g@there programma biedt clusters van bedrijven en kennisinstellingen in sterke sectoren van Nederland de mogelijkheid van meerjarige ondersteuning om hun marktaandeel te vergroten op kansrijke, maar complexe buitenlandse markten. Daarbij kan naast subsidies op activiteiten ook economische diplomatie, Holland Branding of technische samenwerking tussen overheden (Government-to-Government, G2G) worden ingezet. Een voorbeeld is het in 2010 afgeronde waterprogramma in de VS, dat € 286 mln aan opdrachten voor Nederlandse bedrijven heeft opgeleverd.

Voornaamste acties in 2011: samenwerking beleid en uitvoering, zodat beleidsprioriteiten vertaald worden naar de praktijk en onderscheidende clusters in sectoren in kansrijke markten ondersteund worden in hun internationalisering met subsidies en economische diplomatie.

Indicator: Aantal startende clusters op kansrijke markt-sector combinaties.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde

2011

2g@there: Aantal startende clusters op kansrijke markt-sector combinaties

Niet van toepassing

14

Bron: Agentschap NL

Package 4 Growth (P4G)

Doel en beschrijving: P4G beoogt Nederlandse (groepen) ondernemers met onderscheidende kennis, producten en diensten op snelgroeiende, zeer competitieve markten (India en China) sterk en snel te kunnen positioneren. Vergroting van de Nederlandse slagkracht op deze markten is nodig om ons internationale concurrentievermogen te behouden. P4G bestaat uit vier modules die gericht zijn op specifieke knelpunten waar Nederlandse MKB-ers op deze markten tegenaan lopen:

  • Module 1. Kennisverwerving (tegengaan van informatieachterstand);

  • Module 2. Investeringsprojecten (voorzien in financieringsbehoefte);

  • Module 3. Exportfinanciering (van commercieel niet haalbare export);

  • Module 4. Marktgerichte productontwikkeling (technologische samenwerking met kennisinstellingen).

Voornaamste acties in 2011: Na de ontwikkeling van P4G in 2009/10, zal de focus in 2011 liggen op uitvoering. Aanpassingen zullen alleen worden gemaakt daar waar de regeling niet volledig of niet doelmatig blijkt. Wel zal worden bekeken of de huidige landenkeuze nog toereikend is.

Indicator: Aantal bedrijven dat door ondersteuning van P4G de Chinese en/of Indiase markt (verder) betreedt.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde 2011

Aantal bedrijven dat door ondersteuning van P4G de Chinese en/of Indiase markt (verder) betreedt

Niet van toepassing

112

Bron: Agentschap NL

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel BEB

6,3

6,6

6,1

6,2

6,2

6,2

6,2

– Bijdrage aan Agentschap NL deelopdrachten

33,4

30,8

31,0

30,8

29,8

29,8

30,1

– Bijdrage aan Agentschap NL financiële instrumenten

8,8

8,9

9,0

9,0

8,3

8,3

8,0

– Bijdrage aan Agentschap NL NFIA

7,1

7,0

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

– Beleidsondersteuning

2,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Internationaal Ondernemen

5.2

5.3

2009

2010

Kamerstuk: 30 991, nr. 9.

Effectenonderzoek ex post

FOM

5.2

2010

2010

 
 

PESP

5.2

2009

2009

Niet van toepassing

 

Prepare2start

5.2

2012

2013

 
 

PUM

5.2

2012

2013

 
 

2g@there

5.3

2012

2012

 

Artikel 8 Economische analyses en prognoses

Algemene doelstelling

Een breed vertrouwde bron van beleidsrelevante economische analyse zijn.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het behalen van de doelstelling heeft als effect dat de wetenschappelijk verantwoorde en up-to-date onafhankelijke economische analyses en prognoses van het CPB gedragen worden door de regering, het parlement en overige maatschappelijke organisaties.

De economische analyses en prognoses slaan onder meer neer in jaarlijks terugkerende publicaties zoals het Centraal Economisch Plan (CEP), de Macro Economische Verkenning (MEV) en de CPB Nieuwsbrieven. Daarnaast in CPB Discussion Papers, CPB Documenten en Bijzondere Publicaties en CPB Notities op diverse terreinen.

Verantwoordelijkheid

Het CPB is een dienst van het Ministerie van Economische Zaken. Inhoudelijk gezien is het CPB onafhankelijk.

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 8
Artikel 8: Economische analyses en prognoses (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

14,6

13,5

13,0

12,9

12,8

12,8

12,8

Apparaatuitgaven CPB

14,6

13,5

13,0

12,9

12,8

12,8

12,8

        

Uitgaven (totaal) 1

14,6

13,5

13,0

12,9

12,8

12,8

12,8

        

Ontvangsten (totaal)

2,6

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

XNoot
1

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatuitgaven van het CPB. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel.

Artikel 8: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 

realisatie 2009

raming 2010

raming 2011

 

gemiddelde bezetting

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

CPB – personeel

140,9

84,2

136,9

82,0

130,5

82,9

CPB – materieel

140,9

19,3

136,9

17,0

130,5

16,7

Prestatie-indicatoren

In onderstaande tabel worden de indicatoren weergegeven waarmee het CPB jaarlijks in het werkplan en de jaarrapportage rapporteert over de realisatie van de doelstelling van het CPB.

Kritische succesfactor

Prestatie-indicator

Streefwaarde

1. Een goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB

1a. Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een visitatiecommissie

1a. Elke 5 à 6 jaar evaluatie (laatst uitgevoerd in 2010); Oordeel goed

 

1b. Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een toetsgroep van beleidsmakers

1b. Elke 5 à 6 jaar evaluatie (eerst volgende rond 2013); Oordeel goed

   

2. Een goede beoordeling van CPB-producten

2a. Projectevaluatie van elk project >3 maanden

2a. Oordeel goed, evenwicht tussen inzet en resultaat

 

2b. Aantallen publicaties die aan wetenschappelijke standaarden voldoen

2b. Jaarlijks 10 Discussion Papers en 9 artikelen in wetenschappelijke tijdschriften

   

3. Specifieke klanten en het brede publiek bedienen met relevante ramingen en analyses

3a. Mate van tevredenheid CPC en CEC-departementen 1 over het CPB-werkplan en de CPB-jaarrapportage

3a. Positieve waardering werkplan en jaarrapportage op hoofdlijnen

 

3b. Percentages persberichten bij CPB-publicaties

3b. Persberichten bij 90% van de CPB Documenten en Bijzondere Publicaties

 

3c. Aandacht in de landelijke pers n.a.v. CPB-persberichten

3c. Artikelen in ≥ 2 landelijke dagbladen bij ≥ 75% van de CPB-persberichten

 

3d. Expertrol in landelijke pers

3d. Ten minste 1x per maand expert-rol terugzien in publiciteit

 

3e. Leesbaarheid van publicaties en persberichten d.m.v. onderzoek onder journalisten

3e. Elke 3 jaar, Oordeel goed

   

4. In internationaal verband als toonaangevend worden beschouwd

4. Aantal verwijzingen naar CPB-publicaties in working papers van OECD, IMF en EU

4. Minimaal 15 keer per jaar

XNoot
1

Centrale Plancommissie en Centraal Economische Commissie.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Overig evaluatieonderzoek

Onderzoeksactiviteiten, ramingen en beleidsanalyses. Onderzoek is uitgevoerd door een internationaal, wetenschappelijke visitatiecommissie.

AD

2010

2010

www.cpb.nl/nl/pub/andere/rapport_visitatiecie_2010/rapport_visitatiecie_2010.pdf

Artikel 9 Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Algemene doelstelling

Het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie over maatschappelijke en economische ontwikkelingen die inspeelt op de behoefte van de samenleving waardoor:

  • maatschappelijke en economische ontwikkelingen in samenhang worden beschreven;

  • nationale en internationale Europese verplichtingen op statistisch gebied worden nagekomen;

  • de verdeling van fondsen (Gemeente- en Provinciefonds) en de vaststelling van afdrachten en indexeringen (loonkosten en prijsontwikkeling) op basis van objectieve gegevens, efficiënt kunnen worden vastgesteld;

  • beleidsanalyses, modelsimulaties, prognoses en geavanceerde microdata-analyses kunnen worden uitgevoerd.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het in stand houden van de voorwaarden voor de productie van statistieken en voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van publieke gelden die daarmee gemoeid zijn.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een relevant statistisch programma, voor efficiënte gegevensverzameling en -bewerking en voor de publicatie van de daaruit resulterende statistische informatie.

De Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) is verantwoordelijk voor het vaststellen van het programma van het CBS, de coördinatie van statische informatievoorziening van overheidswege en houdt toezicht op de bedrijfsvoering van het CBS.

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 9
Artikel 9: Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statitieken (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

195,4

192,0

187,4

185,4

182,6

181,1

180,8

Bijdrage aan het CBS

195,4

192,0

187,4

185,4

182,6

181,1

180,8

        

Uitgaven (totaal) 1

195,4

192,0

187,4

185,4

182,6

181,1

180,8

        

Ontvangsten (totaal)

       
XNoot
1

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatuitgaven van het CBS. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel.

Artikel 9: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 

realisatie 2009

raming 2010

raming 2011

 

gemiddelde bezetting

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

CBS – personeel

2 140

64,5

2 057

66,4

2018

68,4

CBS – materieel

2 140

32,9

2 057

31,5

2018

31,5

Doel en beschrijving: Het CBS wil een toonaangevend kennisinstituut zijn dat kan inspelen op de vraag naar statistische informatie van beleid en wetenschap. Dit door het samenstellen en publiceren van onbetwiste, samenhangende, actuele statistische informatie die relevant is voor praktijk, beleid en wetenschap. Om dit te realiseren is het vereist dat de kwaliteit van de statistische informatie gegarandeerd is. Hiermee wordt de (wetenschappelijke) kwaliteit van de statistieken geborgd en wordt het CBS door de gebruikers als gezaghebbende bron van betrouwbare en valide statistische informatie beschouwd. Tevens wordt het optimaliseren van het gebruik van de statistieken van het CBS voor de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid door onder meer de ministeries (en daarmee de maatschappelijke relevantie van het CBS) nagestreefd.

Voornaamste acties in 2011: het samenwerken met wetenschappelijke instellingen, planbureaus, et cetera met het oog op publicaties in de pers, tijdschriften en dergelijke. Deze en andere grote gebruikers worden geraadpleegd via adviesraden waarin zij zijn vertegenwoordigd. Ook wordt het klantenbereik en de omzet van het Centrum voor Beleidsstatistiek vergroot. Dit mede door het verder verbeteren van Statline en de website van het CBS, maar ook via het faciliteren van «remote-acces» en «remote-execution». Door middel van centralisatie en verbeteringen in de microdata-faciliteiten ontstaat er «one-stop-shopping».

Doelgroepen

Ministeries, planbureaus, universiteiten, onderzoekbureaus, bedrijfsleven, media en dergelijke zowel in Nederland als internationaal.

Prestatie-indicatoren

In onderstaande tabel staan de prestatie-indicatoren weergegeven, voorzien van bijbehorende streefwaarden voor 2011 en de realisatiewaarden over 2008 en 2009.

Prestatiegegevens

prestatie-indicator(en) en/of kengetallen

2008

2009

Streefwaarde

2011

1. Realisatie van de publicatiekalender

Definitie: Percentage op de geplande datum gepubliceerde persberichten en gerealiseerde leveringen aan Eurostat.

Persberichten: 93%

Eurostat: 88%

Persberichten: 95%

Eurostat: 93%

Persberichten: 90%

Eurostat: 90%

2. Aantal formele correcties op publicaties

Definitie: Aantal persberichten dat met een (nieuw) persbericht wordt gecorrigeerd.

0 persberichten met correctie

0 persberichten met correctie

Maximaal 3 persberichten per jaar met correctie

3. Afwijking van voorlopige en definitieve cijfers

   

3a. economische groei

Definitie: Het aantal keer dat de definitieve kwartaalcijfers voor de economische groei van een jaar meer dan 0,75 procentpunt afwijken van de flash-ramingen voor de kwartalen van dat jaar.

0 kwartalen < 0,75%

2 kwartalen < 0,75% voor het jaar 2006.

Voor minstens drie kwartalen van het jaar moet de afwijking minder zijn dan 0,75 procentpunt.

3b. internationale handel

Definitie: Het aantal afwijkingen van meer dan 4% tussen de voorlopige en definitieve cijfers van de onderdelen van de 6-wekenversie van de maandcijfers van de internationale handel.

100% afwijkingen < 4%

98% afwijkingen < 4%

80% van de afwijkingen moet minder zijn dan 4%.

3c bevolkingsgroei

Definitie: Deelindicator jaarcijfer: de absolute afwijking van de som van de voorlopige maandcijfers van de bevolkingsgroei met het definitieve jaarcijfer.

Deelindicator maandcijfers: het aantal keren dat de definitieve cijfers van de bevolkingsgroei voor de maanden van het voorafgaande kalenderjaar meer dan 4 000 afwijken van de voorlopige cijfers.

12 maanden met afwijking < 4 000 gecumuleerd jaartotaal: 1 117

12 maanden met afwijking < 4 000

Gecumuleerd jaar-totaal 2008: 800

Voor minstens 8 maanden moet de afwijking minder zijn dan 4 000 én

de afwijking van het gecumuleerd jaartotaal moet minder dan 16 000 zijn.

4. Administratieve lasten verlaging/reductie enquêtedruk

Definitie: Uitkomst van de jaarlijkse administratieve lasten zoals gemeten door de «enquêtedrukmeter» (EDM).

Basiswaarde: € 23,1 mln (2007)

Definitief cijfer 2007: € 21,7 mln

Definitief cijfer 2008: € 21,3 mln.

De administratieve last door enquêtedruk voor het bedrijfsleven mag in 2011 niet meer bedragen dan de lastendruk in 2010.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Overig evaluatieonderzoek

De doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het CBS (art.82)

 

2010

2011

 
 

De doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het CBS (art.82)

 

2014

2015

 

Artikel 10 Elektronische communicatie en post

Algemene doelstelling

Een hoogwaardig en adequaat aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie en post.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Elektronische communicatie is een belangrijke voorwaarde voor economische groei. De telecommunicatiesector draagt in Nederland voor ongeveer 2,2% bij aan het BBP 53. ICT is daarin een cruciale motor voor onderzoek en innovatie. Organisatievernieuwing als gevolg van de toepassing van ICT, tezamen met investeringen in ICT-kapitaal, zijn in de periode 1995–2004 in Nederland verantwoordelijk voor bijna 60% van de economische groei. Dit blijkt uit een recente lange termijn analyse van de economische groei van CBS e.a. 54. Ook voor burgers zijn (mobiele) telefonie en ICT inmiddels onmisbare factoren in hun leven.

De Digital Agenda van Commissaris Kroes is binnen de Europese Commissie één van de belangrijkste pijlers van de nieuwe EU 2020-strategie. ICT en telecommunicatie dragen bij aan alle drie de hoofddoelen daarvan: slimme en duurzame groei waarvan alle Europeanen profiteren.

Het beleid van het Ministerie van Economische Zaken is er op gericht de marktwerking binnen de elektronische infrastructuren en postmarkt te waarborgen, drempels die gebruik van ICT en telecommunicatie door burger, bedrijfsleven en overheid belemmeren weg te nemen en de ontwikkeling van nieuwe diensten te stimuleren. Daarnaast waarborgt de overheid de publieke belangen (veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie) om zo nog meer maatschappelijk rendement uit elektronische communicatie en post te halen.

Om een hoogwaardig en adequaat aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie en post te garanderen, is EZ verantwoordelijk voor de markt en spelregels. De belangrijkste instrumenten hiervoor zijn de Postwet, de Telecommunicatiewet (inclusief Frequentiebesluit) en het Nationaal Frequentieplan (NFP).

Het programmatisch pakket bestaat voornamelijk uit programma’s om het rijksbrede ICT-beleid te coördineren, de digitale overheidsdienstverlening voor bedrijven te vergroten, de digitale vaardigheden van verschillende groepen in Nederland te verbeteren en de innovatie van mobiele communicatie in Nederland te bevorderen.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor een efficiënt werkende communicatie- en postmarkt en het waarborgen van publieke belangen (veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie). Daarnaast stimuleert de minister waar nodig innovatie in de elektronische communicatiesector.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt onder andere af van de volgende externe factoren:

  • De mate van concurrentie op de markten voor elektronische communicatie en post;

  • De snelheid (bandbreedte) van mobiele en vaste verbindingen en de ontwikkeling van nieuwe (breedband)diensten;

  • De mate waarin consumenten overgaan van analoge naar digitale radio en televisie. Digitalisering vergroot de pluriformiteit en technische kwaliteit van het aanbod en de doelmatige benutting van de infrastructuur;

  • Het maatschappelijk draagvlak voor nieuwe technologie. Voorbeelden hiervan zijn de acceptatie van antennes ten behoeve van draadloze netwerken of privacyvraagstukken met betrekking tot de koppeling van digitale bestanden;

  • Internationale ontwikkelingen, waaronder besluiten binnen de Europese Unie, in VN-verband of mondiaal (zoals besluiten binnen de ICANN (Internet Corporation for Assigned Names and Numbers)). Ook ontwikkelingen in de internationale economie hebben effect op het behalen van onze doelstellingen.

Kengetallen

Kengetallen

2006

2007

2008

2009

Ambitie

1. Plaats van Nederland t.o.v. andere landen op de mondiale Information Society Index ranglijst

Zesde positie

Zesde positie

Zesde positie

Negende positie

Stijgend

Bron: IDC

     

2. Positie Nederland t.o.v. andere OESO-landen m.b.t. aantal breedbandaansluitingen per 100 inwoners

Tweede positie

Tweede positie

Tweede positie

Tweede positie

Minimaal tweede positie

Bron: CBS en TNO

     

3. Concentratie deelmarkten (HHI)

Bron: TNO

Mobiele telefonie: 3 435

Mobiele telefonie:

3 785

Mobiele telefonie:

3 763

Mobiele telefonie:

3 874 (stand Q3 2009)

Dalend

 

Breedband internettoegang:

3 556

Breedband internettoegang:

4 065

Breedband internettoegang:

4 014

Breedband internettoegang: nog niet beschikbaar

Dalend

4. Overkomstduur brieven binnen 24 uur

Bron: OPTA

96,6%

96,3%

96,2%

Nog niet bekend

Behoud 95% of meer binnen 24 uur

5. Positie Nederland t.o.v. andere EU-lidstaten m.b.t. gebruik van ICT door het bedrijfsleven

Vijfde positie

Tweede positie

Tweede positie

Nog niet bekend

Minimaal tweede positie

Bron: European e-business readiness index

     

6. Penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens

Bron: CBS (De Digitale Economie)

   

Verwaarloosbaar

In 2016 heeft 50% van de huishoudens ten minste 1 TDAB radio-ontvanger

Toelichting

  • 1. De Information Society Index is een breed samengestelde index die de basisvoorwaarden voor informatiemaatschappij meet. De score is gebaseerd op de categorieën PC’s, ICT-uitgaven, internetgebruik, e-commerce, breedband, mobiel, opleidingsniveaus en burgerlijke vrijheden.

  • 2. Nederland wil in de top blijven op het gebied van breedband, zowel op het gebied van netwerken als op het gebied van diensten. Al jaren staat Nederland op de tweede plaats voor wat betreft het aantal breedbandaansluitingen op xDSL, kabel en andere breedbandnetwerken per 100 inwoners, achter Denemarken.

  • 3. De Herfindahl Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe groter het marktaandeel van de marktleiders, des te hoger de HHI). Bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. Op de markt voor mobiele telefonie is over de afgelopen jaren echter een toename van de HHI te zien, als gevolg van overnames en fusies. De betreffende HHI kijkt echter naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Een HHI berekening van de markt voor mobiele telefoniediensten zou, bij beschikbaarheid van dergelijke gegevens, een genuanceerder beeld opleveren.

    Actuele gegevens over de markt voor breedband internettoegang zijn nog niet beschikbaar; de afgelopen jaren zijn de HHI waarden voor breedband in het algemeen stabiel.

  • 4. Een kwaliteitseis die aan de universele dienst wordt gesteld is dat 95% van de brieven binnen 24 uur wordt bezorgd. OPTA controleert jaarlijks of TNT (als verantwoordelijke marktpartij voor de universele dienst) zich aan deze wettelijke normen houdt.

  • 5. De ICT-prestaties van het Europese bedrijfsleven worden systematisch gemeten in de «European e-Business Readiness Index». Onderliggende indicatoren zijn onder meer het percentage ondernemingen dat online diensten en producten afneemt; het percentage ondernemingen dat online orders kan ontvangen en het percentage ondernemingen dat factureert zonder gebruikmaking van papier.

  • 6. Ten behoeve van de digitalisering van etherradio zullen vanaf 1 september 2011 ook commerciële radiostations digitale programma’s via de ether kunnen uitzenden. Dit wordt met name vormgegeven door de fm-vergunningen voor de nieuwe vergunningsperiode vanaf 1 september 2011 in samenhang met frequenties voor digitale etherradio uit te geven. De digitalisering van etherradio wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave De Digitale Economie (voor het eerst in de 2010-uitgave) van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Eén van de belangrijkere kengetallen betreft de penetratiegraad van TDAB (Terrestrial Digital Audio Broadcasting) radio-ontvangers in huishoudens.

Totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 10
Artikel 10: Elektronische communicatie en post (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

91,4

80,9

76,3

64,9

63,4

64,4

67,2

Operationeel doel 1

7,3

9,1

5,1

5,1

5,0

6,0

6,0

Operationeel doel 3

46,9

38,9

40,5

31,1

31,1

31,1

31,1

Algemeen

37,2

32,9

30,8

28,8

27,3

27,3

30,1

        

Uitgaven (totaal)

84,8

80,1

82,7

64,6

67,0

65,7

67,0

Operationeel doel 1

4,4

5,9

6,1

6,1

6,1

6,0

6,0

Operationeel doel 3

49,4

41,4

45,4

29,3

33,4

32,4

31,4

Algemeen

31,1

32,8

31,2

29,2

27,6

27,3

29,6

        

Programma-uitgaven

64,9

59,9

63,2

45,2

47,8

46,5

47,8

Waarvan juridisch verplicht 1

  

25,5

13,3

7,6

6,3

6,0

        

Ontvangsten (totaal)

0,2

26,4

26,4

24,1

0,2

0,2

0,2

Ontvangsten OPTA

0,2

      

Diverse ontvangsten

 

26,4

26,4

24,1

0,2

0,2

0,2

XNoot
1

Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2010 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel

Markt en spelregels

Een efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

Operationele doelstelling 1

Motivering

Om consumenten en bedrijven een breed aanbod van efficiënt geprijsde communicatieproducten en -diensten te bieden dat tegemoet komt aan hun wensen, schept de overheid de randvoorwaarden voor een concurrerende communicatie- en postmarkt. Belangrijke randvoorwaarden betreffen: geen of slechts beperkte toetredingsdrempels voor (potentiële) aanbieders, afwezigheid van concurrentiebeperkende gedragingen ten gevolge van machtsmisbruik door aanbieders, afnemers kunnen eenvoudig van aanbieder veranderen en hebben toegang tot alle relevante informatie. Voorts waarborgt de overheid publieke belangen zoals kwaliteit en toegankelijkheid.

Verplichtingen operationele doelstelling 1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 1: Een efficient werkende communicatie- en postmarkt

Verplichtingen (in € mln)

       

– Bijdrage aan internationale organisaties

1,3

5,5

1,5

1,5

1,5

2,5

2,5

– Bijdrage aan OPTA

6,1

3,6

3,6

3,6

3,5

3,5

3,5

Regelgeving en Europese coördinatie

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: EZ zorgt voor brede coördinatie van regelgeving op basis van de Telecommunicatiewet (19 oktober 1998), houdende regels inzake de telecommunicatie en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen en de Postwet (1 april 2009), houdende regels inzake de volledige liberalisering van de postmarkt en de garantie van de universele postdienstverlening. Met name door advisering en ondersteuning bij nieuwe (nationale en Europese) regelgeving moet de regelgeving actueel en consistent blijven.

Voornaamste acties in 2011:

  • In 2011 zal de implementatie van het nieuwe Europese regelgevingskader voor Telecommunicatie in Nederlandse wetgeving worden afgerond. Naar verwachting zal alle regelgeving in mei 2011 in werking zijn getreden. Voorafgaand aan de implementatie moet het wetsvoorstel door de Eerste en Tweede Kamer worden behandeld. Tegelijkertijd moet de lagere regelgeving worden afgerond.

  • Tevens loopt de huidige Europese roamingverordening medio 2012 af. Deze verordening voorziet in maximum tarieven voor mobiel bellen, sms- en dataverkeer binnen Europa bij gebruik van eigen apparatuur in een ander Europees land. Voorzien is in een evaluatie van de verordening medio 2011. De Europese Commissie heeft voorbereidingen getroffen voor een discussie met het oog op de toekomstige besluitvorming omtrent voortzetting van deze verordening. EZ is van opvatting dat concurrentie bepalend zou moeten zijn voor de prijsvorming. Indien het daaraan mocht schorten dan dient vereenvoudiging van de regulering als uitgangspunt te gelden. Deze moet voldoende bescherming bieden aan Europese consumenten tegen excessieve prijsvorming bij roaming.

Telecom- en Postmarkt

Doel en beschrijving: Beoogd wordt op de telecommarkt de concurrentie te bevorderen, innovatie te stimuleren en de consument te beschermen waar nodig. Voor een efficiënt werkende elektronische communicatiemarkt zijn tevens goed werkende breedbandige netwerken van belang, zowel voor aanbieders als afnemers. Voor de postmarkt wordt beoogd: concurrentie op basis van sociaal verantwoorde arbeidsvoorwaarden; geen of slechts beperkte toetredingsdrempels voor (potentiële) aanbieders, afwezigheid van concurrentiebeperkende gedragingen ten gevolge van machtsmisbruik door aanbieders. De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) speelt als toezichthouder op beide markten daarin een belangrijke rol. Agentschap Telecom (AT) is de toezichthouder en uitvoerder voor het elektronische communicatiedomein.

Voornaamste acties in 2011:

  • In het kader van de herziening van het EU-regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector worden aanbieders van toegang tot internet verplicht transparant te maken hoe zij hun netwerkverkeer behandelen en wat dit betekent voor consumenten. In aanvulling daarop zal worden bezien in hoeverre een verdergaand beleid ten aanzien van netneutraliteit noodzakelijk en effectief is.

  • Naar aanleiding van de aanbevelingen van de taskforce next generation networks is door EZ geconcludeerd dat het nuttig is gestructureerd zicht te krijgen en te houden op de uitrol van breedbandinfrastructuren. Daarbij is vooral aan de orde in welke mate de marktdynamiek zelf voldoende impuls blijft geven voor investeringen in next generation netwerken. EZ zal zoveel mogelijk gebruik maken van beschikbare informatie bij derden en eventueel in samenspraak met de belangrijkste netwerkaanbieders dit beeld completeren.

  • In 2011 zal tevens de Universele Dienst Post geëvalueerd worden.

Frequentie- en antennebeleid

Doel en beschrijving: In het frequentiebeleid staat flexibilisering van het gebruik centraal met als doel innovatie, concurrentie en keuzemogelijkheden voor de consument te bevorderen en zo bij te dragen aan duurzame economische groei. Verdere flexibilisering van het frequentiebeleid brengt met zich mee dat spectrum waar mogelijk technologie- en dienstenneutraal wordt uitgeven en gebruiksvoorwaarden tot het minimum noodzakelijke worden beperkt. Agentschap Telecom draagt zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan.

Mede gezien het toenemend gebruik van spectrum voor mobiele toepassingen is niet alleen beschikbaarheid van antenne-opstelpunten van belang, maar ook voorlichting over antennes en zorgvuldige plaatsing van antennes om maatschappelijke onrust zoveel mogelijk te voorkomen.

Voornaamste acties in 2011:

  • Het Nationaal Frequentieplan (NFP) wordt integraal aangepast en opnieuw uitgebracht. Dit als gevolg van het wetsvoorstel ter implementatie van de Nota Frequentiebeleid 2005 dat naar verwachting begin 2011 in werking zal treden. Verder vindt actualisatie van het NFP plaats vanwege nieuwe behoeften aan frequenties en harmonisatiebesluiten van de Europese Commissie en de CEPT (European Conference of Postal and Telecommunications Administrations).

  • Met de omschakeling van analoge naar digitale televisie komt frequentieruimte beschikbaar vanwege de efficiëntievoordelen. Dit beschikbaar komende frequentiespectrum wordt Digitaal Dividend genoemd en omvat onder andere het 800 MHz spectrum. De besluitvorming over de aanwending van het 800 MHz spectrum ten bate van elektronische communicatiediensten – en niet langer te gebruiken voor omroepzenders – wordt meegewogen in de bredere visie op de mobiele communicatie die in 2010 is voorzien.

  • Nederland zal in EU-verband bijdragen aan de uitwerking van de beleidsdoelen en prioriteiten van het door de Raad en het Europees Parlement vast te stellen Meerjarenspectrumbeleidsprogramma (2011–2015).

  • In het kader van het antennebeleid wordt het toezicht op de emissie van elektromagnetische velden van zendmasten verbeterd.

  • De Europese Commissie zal naar verwachting een voorstel doen voor de wijziging van de richtlijn voor radioapparatuur en de wederzijdse erkenning van conformiteit (R&TTE richtlijn). Deze richtlijn regelt het toelating- en verhandelingregiem voor vrijwel alle telecommunicatieapparatuur op de Europese markt en daarmee ook de Nederlandse markt. Bij de herziening zal de inzet van EZ gericht zijn op het behoud van een zo eenvoudig mogelijke toegang tot de markt van telecommunicatieapparatuur, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de richtlijn en daar waar mogelijk verlaging van de administratieve lasten.

Indicator: De doelstelling is om het aantal vergunningscategorieën met tien procent terug te brengen (van 47 naar 42) in een periode van 5 jaar. Dit heeft tot gevolg dat gebruiksmogelijkheden van frequenties worden verruimd en wordt aangesloten bij veranderende marktomstandigheden en technologische ontwikkelingen. Het aantal vergunningscategorieën terugbrengen kan plaatsvinden door één of meer categorieën vergunningvrij te maken, eventueel in combinatie met een registratieplicht, dan wel door het samenvoegen van categorieën vergunningen als gevolg van het verder kunnen terugdringen van voorschriften en beperkingen (in de vergunningen).

Prestatie-indicator

2008

2009

Streefwaarde 2013

Het aantal vergunningscategorieën ten behoeve van het gebruik van frequentiebanden

47

46

42

Bron: het Amadeus Informatiesysteem van Agentschap Telecom

Nummers en internetdomeinnamen

Doel en beschrijving: Het vaststellen van nummerplannen is een wettelijke taak, die is vastgelegd in de Telecommunicatiewet. Doel van het nummerbeleid is het waarborgen dat het aanbod van nummers die nodig zijn in de elektronische communicatiemarkt (onder meer telefoonnummers) adequaat, voldoende groot en verzekerd is voor de toekomst. Het houdt daarbij rekening met technische en marktontwikkelingen, de belangen van de consument en de internationale context. OPTA geeft nummers uit en houdt toezicht op het juiste gebruik ervan.

Het beleid rond internetdomeinnamen is gericht op het beheer van internet waarin publieke belangen, als continuïteit, interoperabiliteit, open toegang, goed beheer en uitgifte van domeinnamen en IP-adressen, veiligheid, en consumentenbescherming (privacy, identiteitsmanagement) voldoende zijn gewaarborgd.

Voornaamste acties in 2011:

  • Het IMSI (International Mobile Subscriber Identity)-nummerplan wordt gewijzigd naar aanleiding van de Machine-2-Machine (M2M) nummerplanwijziging die eind 2010/begin 2011 in werking treedt. Het doel is om het voor M2M-gebruikers eenvoudiger te maken over te stappen naar een andere aanbieder. Mogelijkheden voor nieuwe partijen en toepassingen worden hierdoor vergroot en concurrentieverhoudingen verbeteren.

  • Het is van groot belang dat de overheid tijdig gereed is voor het gebruik van de internetstandaard IPv6 (Internet Protocol versie 6) omdat de adressen in de standaard IPv4 uitgeput raken. Daarom worden in navolging van de acties die reeds in 2010 zijn genomen, in 2011 pilots uitgewerkt en gestart (bv. het verder toepassen van IPv6 bij overheidswebsites) in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties.

  • Nederland streeft samen met Noorwegen en Brazilië om het secretariaat van de Governmental Advisory Committee (GAC) vande Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) te gaan voeren. Een professioneel secretariaat vergroot de invloed van overheden en daarmee de aandacht voor publieke belangen in besluitvorming binnen ICANNover internetbeheer.

Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

Operationele doelstelling 2

Motivering

Elektronische communicatie ontwikkelt zich steeds meer tot een alomtegenwoordige en kritische infrastructuur. Zonder ICT infrastructuur lopen economische en maatschappelijke functies gevaar. Voor een goed functionerend elektronisch en postnetwerk – waar EZ voor staat – is het belangrijk dat burgers en bedrijven met vertrouwen deze markt betreden. Dat betekent dat het internet veilig en toegankelijk is, dat de post tijdig bezorgd wordt en dat de positie van de consument op deze markten sterk is.

Continuïteit, veiligheid en betrouwbaarheid van ICT vraagt meer de aandacht naarmate het maatschappelijk belang ervan groter wordt. Uitgangspunt is dat de ICT-gebruiker een «gerechtvaardigd vertrouwen» moet kunnen hebben in deze basisvoorziening en dat overheid en markt zich inspannen «de markt schoon te houden» zoals het vrijwaren van de markt van kinderporno, botnets 56, identiteitsfraude en beschadiging van netwerken en pc’s.

Netwerk- en informatiebeveiliging

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: EZ staat voor een hoog niveau van netwerk- en informatiebeveiliging. Dit geeft namelijk vertrouwen in het gebruik van netwerken en (nieuwe) toepassingen en draagt zo bij aan duurzame economische groei en weerbaarheid. Voor de betrouwbaarheid van het elektronisch communicatienetwerk gaat het om:

  • Informatie en essentiële diensten moeten beschikbaar zijn op cruciale momenten;

  • Het waarborgen van de correctheid (incl. authenticiteit) en volledigheid van informatie en systemen (integriteit);

  • Gevoelige informatie moet beschermd zijn tegen onbevoegde kennisname van buitenaf (exclusiviteit).

Om bovenstaande doelen te bereiken wordt vooral ingezet op publiek-private samenwerking.

Voornaamste acties in 2011:

  • Op het terrein van versterking van de weerbaarheid en respons van alle vitale sectoren tegen grootschalige verstoring van ICT wordt een ICT Respons Board (IRB) opgezet passend in de nationale crisismanagementstructuur. Voor de IRB wordt in 2011 ook in een oefening voorzien.

  • Om de samenleving weerbaarder te maken tegen een mogelijk langdurige uitval van energie en/of ICT, is in 2010 een publiek-privaat traject opgestart. Tussen elektriciteit en telecom/ICT enerzijds en sectoren als financiën en gas anderzijds zijn de onderlinge afhankelijkheden en kwetsbaarheden in kaart gebracht en worden de maatregelen besproken. Dit traject wordt in 2011 afgerond door de laatste betrokken sectoren (waaronder drinkwater, olie en openbaar bestuur) te benaderen.

  • De methodiek van identificeren van aanbieders van vitale telecomdiensten en/of infrastructuren zal worden aangepast. Tevens zal de reikwijdte van de aanwijzingen – die door de minister kunnen worden gegeven ten tijde van een noodtoestand – worden beoordeeld. In het kader van de implementatie van het New Regulatory Framework zal in de Telecomwet de meldplicht met betrekking tot continuïteit worden ingepast.

Internetveiligheid & Cybercrime

Doel en beschrijving: Cybercrime kan het vertrouwen in ICT schaden, inbreuken bij eindgebruikers veroorzaken en bedrijfsprocessen ontregelen (bijvoorbeeld door het platleggen van besturingssystemen). Dit leidt uiteindelijk tot een afnemend gebruik en potentie van ICT, economische schade en aantasting van privacy. EZ staat ervoor om de internetveiligheid zodanig te borgen dat de netwerken en diensten, binnen redelijke grenzen, worden gewaarborgd tegen beschadiging van de integriteit van gegevensbeheer of netwerken. EZ kiest ervoor om dit zoveel mogelijk via de weg van voorlichting, publiek-private samenwerking en zelfregulering te laten verlopen. Daarmee moet economische schade en overlast worden beperkt, bescherming van persoonlijke levenssfeer/privacy worden vergroot en daarmee ook het vertrouwen in ICT-gebruik.

Voornaamste acties in 2011:

  • Via het Platform Internetveiligheid en in samenwerking met marktpartijen zal het aantal botnets in Nederland worden teruggedrongen.

  • Het Informatieknooppunt Cybercrime (gericht op informatie-uitwisseling tussen opsporings- en inlichtingendiensten en bedrijven) zal structureel worden geborgd.

Privacy

Doel en beschrijving: Bij privacy gaat het om de bescherming van persoonsgegevens en bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Wet bescherming persoonsgegevens biedt in algemene zin de wettelijke kaders. In hoofdstuk 11 van de Telecomwet is dit verbijzonderd naar e-privacy en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het gaat dan om de vertrouwelijkheid van opgeslagen en gecommuniceerde persoonsgegevens, onzorgvuldig gebruik of misbruik (identiteitsfraude) van persoonsgegevens. De aanbieders van telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten dienen passende technische en organisatorische maatregelen te treffen ten behoeve van veiligheid en beveiliging van de door hen aangeboden netwerken en diensten in het belang van de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer. Tegelijkertijd moet gewaakt worden dat privacybeschermende maatregelen niet het innovatieve vermogen van ICT beperken. Er is veel te winnen door in het voortraject goed na te denken over het technische en het functioneel systeemontwerp van een ICT-toepassing via het uitvoeren van privacy-impactanalyse. Ook kan door «privacy by design» reeds in de ontwerpfase van de toepassing rekening worden gehouden met privacyvraagstukken. Het idee is dat de privacy beschermd wordt door het gebruik van gegevens waar mogelijk af te schermen, te verminderen, of te elimineren.

Voornaamste acties in 2011:

  • De mogelijke economische, maatschappelijke en juridische gevolgen als gevolg van herziene e-privacy kaders EU worden in kaart gebracht.

  • In EU verband zal gesproken worden over een gezamenlijke aanpak van de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer.

  • Er zal een meldplicht voor datalekken worden ingevoerd. Tevens zullen regels worden opgesteld hoe bedrijven moeten omgaan met cookies in het kader van de bescherming van de privacy van de internetgebruiker.

  • EZ zal zich in 2011 inzetten voor een goede discussie rondom privacyonderwerpen die relatie hebben met ICT, onder andere met hulp van het ontwikkelde «privacy communicatie model».

Programmatisch pakket

Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

Operationele doelstelling 3

Motivering

ICT levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie. Deze bijdrage kan nog verder worden vergroot door beter gebruik te maken van de verschillende (mogelijke) toepassingen die ICT biedt, door de overheid zelf maar ook door ondernemers en burgers. EZ stimuleert verbeteringen van de dienstverlening van de overheid aan bedrijven door ICT-toepassingen en stimuleert de digitale vaardigheden van bijvoorbeeld ondernemers, jongeren en werklozen. Daarbij is expliciet aandacht voor de duurzaamheid van het ICT-gebruik in Nederland, omdat er binnen en buiten de ICT-sector nog veel mogelijkheden zijn om het energieverbruik naar beneden te brengen, onder andere door slim gebruik te maken van ICT-toepassingen.

Verplichtingen operationele doelstelling 3
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

OD 3: Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

Verplichtingen (in € mln)

       

– Programma Implementatie ICT-agenda

20,2

10,1

20,1

20,1

20,1

20,1

20,1

– ICT-flankerend beleid en administratieve lasten

25,0

28,1

24,8

15,4

15,4

15,4

15,4

– ICT & MKB

1,7

0,7

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

– Subsidietaakstelling 1

  

– 5,0

– 5,0

– 5,0

– 5,0

– 5,0

XNoot
1

Zie toelichting bij artikel 10 in de verdiepingsbijlage.

Digitale economie & maatschappij

Instrumenten & activiteiten

Doel en beschrijving: ICT is de sleuteltechnologie van deze tijd en biedt de mogelijkheid voor betere en goedkopere diensten, andere – meer efficiënte – manieren van samenwerken en een innovatie-impuls. Als coördinerend ICT-ministerie zet EZ zich in om de meerwaarde van ICT in de economie en maatschappij te realiseren. Hierbij wordt ook gekeken naar duurzaamheid: van het totale Nederlandse energiegebruik is zo’n twee procent toe te schrijven aan de ICT-sector (infrastructuur, kantoren en huishoudens). Bovendien groeit het energiegebruik in deze sector sneller dan gemiddeld. Door ICT-toepassingen slim in te zetten in (bedrijfs)processen kan de ICT-sector echter ook een belangrijke bijdrage leveren aan het besparen van energie en het inpassen van duurzaam opgewekte energie in de energienetwerken. In 2008 zijn meerjarenafspraken gemaakt met de ICT-sector over efficiënter energiegebruik. De meerjarenafspraken ondersteunen samenwerking tussen energie-intensieve sectoren en de ICT-sector om sectorspecifieke besparingsmaatregelen te ontwikkelen en te implementeren. Ook de inzet van ICT voor energie-efficiëntie buiten de ICT-sector wordt gestimuleerd. Kennisinstituten, overheden en bedrijven worden bij elkaar gebracht om kennis uit te wisselen over energie & ICT. Dit gebeurt door middel van een website, bijeenkomsten en/of pilots.

Voornaamste acties in 2011:

  • De Nederlandse activiteiten worden aangesloten op de Digitale Agenda van de Europese Commissie. Ingezet wordt op maximale synergie en complementariteit tussen de nationale en Europese strategie. Nederland zal hiertoe actief bijdragen aan de concrete vormgeving en uitvoering van de acties om de Europese Digitale Agenda te implementeren. In dit kader is het ook van belang dat de initiatieven die voort zijn gekomen uit de «Verklaring van Amsterdam» worden gemonitord en in lijn zijn met Europese en mondiale afspraken en ambities. Afhankelijk van de keuzes van het Kabinet wordt hierbij gebruik gemaakt van de PRIMA (Programma Implementatie ICT-Agenda)-middelen.

  • Er zullen verkenningen worden gestart naar de haalbaarheid en wenselijkheid van het starten van een publiekprivaat programma voor het integraal combineren van innovaties op het terrein van energie, zorg, veiligheid, mobiliteit en onderwijs binnen en rond de woning door middel van inzet van ICT.

  • De besluitvorming rondom de toekenning van de maximaal € 50 mln in het programma COMMIT ICT-voorstel in het kader van de FES-ronde «selectieve continuering van aflopende FES-projecten» 57. De gehonoreerde projecten zullen starten.

Digitale dienstverlening voor bedrijven

Doel en beschrijving: ICT helpt om transacties tussen overheid en bedrijfsleven te vergemakkelijken en transactiekosten te verlagen. Daarmee kan de inzet van ICT tot besparingen (tijd, geld en mensen) leiden bij het bedrijfsleven en bij de overheid. Bovendien verhoogt de inzet van ICT de kwaliteit en de toegankelijkheid van overheidsdiensten. Daarom wordt er overheidsbreed al geruime tijd gewerkt aan het tot stand brengen van digitale overheidsdienstverlening voor het bedrijfsleven. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Wientjes (Regeldruk Bedrijven en ICT) 58, staat daarbij het realiseren van ketentoepassingen en ketenomkering centraal. Programma’s als eFactureren, Standard Business Reporting (SBR, uitwisselen van financiële informatie tussen overheden en bedrijven via de standaard XBRL) en Slim Geregeld, Goed Verbonden (SGGV) tonen aan dat zowel de dienstverlening verbeterd kan worden als de regeldruk verminderd, wanneer de overheid inzet op het herinrichten van ketens vanuit het perspectief van het bedrijfsleven. Om ketentoepassingen te kunnen realiseren, zijn basisvoorzieningen nodig, waaronder basisregistraties, standaarden, portals en samenwerkingsafspraken.

Voornaamste acties in 2011:

  • Om ervaring op te doen met ketenomkering en het realiseren van lastenvermindering in ketenprocessen worden in domeinen met heel veel regelgeving ketenprojecten gerealiseerd binnen het programma SGGV. In totaal zullen gedurende de looptijd (tot en met 2012) van het programma 15 tot 20 ketenprojecten gerealiseerd worden. Een voorbeeld is het eLogboek Visserij. Hiermee is voor beroepsvissers het eenmalig en digitaal aanleveren van gegevens aan verschillende overheidsorganisaties gerealiseerd.

  • In nauwe samenwerking met het bedrijfsleven zal uitvoering gegeven worden aan het plan van aanpak voor het Elektronisch Ondernemingsdossier (EOD). In een aantal branches zal in 2011 een EOD geïmplementeerd of voorbereid worden. EZ heeft een coördinerende rol voor wat betreft het bestuurlijk draagvlak, procesbegeleiding van de implementatie en de vastlegging van afspraken over standaardisatie. De daadwerkelijke invoering wordt door de bedrijven en branches zelf gedaan.

  • Het programma eHerkenning voor Bedrijven zal zich in 2011 vooral richten op het stimuleren en begeleiden van overheidsdienstverleners bij hun overgang naar eHerkenning, en op de uitbreiding van eHerkenning naar andere domeinen als business-to-business en government-to-government en op internationale aspecten.

  • Het project eFactureren wordt verlengd tot 2014. Het doel is dat in 2011 alsnog 10% van het totaal aantal facturen aan de overheid elektronisch wordt ontvangen en verwerkt. In 2014 moet dit percentage zijn gestegen tot 80. Door de inzet van de overheid als «launching customer» is in de markt een onomkeerbaar proces in gang gezet: steeds meer bedrijven versturen hun facturen voortaan elektronisch. Het gebruik van Digipoort als centraal aanleverpunt voor elektronische facturen aan de overheid speelt een doorslaggevende rol in het bereiken van de doelstellingen. EZ zal samen met BZK de aanloopverliezen hiervoor van Digipoort voor haar rekening nemen om het gebruik te stimuleren en het «early adopter» probleem te vermijden. Voor bedrijven zal Digipoort voor e-factureren gratis zijn en overheden betalen een marktconforme prijs voor het gebruik.

  • Er zal een verkenning naar de modaliteiten van verplicht gebruik van SBR worden uitgevoerd.

  • In 2011 zal Antwoord voor Bedrijven verder gaan met het verstevigen van de portaalfunctie. Dit zal zij doen door de informatie op de portaal verder te personaliseren, zodat de ondernemer direct die informatie ziet die relevant is voor hem. In de tweede plaats zal Antwoord voor Bedrijven zich ontwikkelen tot dé plek waar alle transacties die de ondernemer doet met de overheid makkelijk te vinden en te starten zijn.

Indicator: De prestatie-indicator geeft het streven weer naar een groeiend aantal ondernemers dat het digitale loket van de overheid voor ondernemers weet te vinden. In 2010 zal de website www.antwoordvoorbedrijven.nl technisch ingrijpend aangepast moeten worden (nieuw contentmanagementsysteem) waardoor de vindbaarheid van de website via zoekmachines een periode fors terug zal lopen. Daarom zal het bezoek in 2010 lager zijn dan in 2009 en wordt in 2011 weinig groei vergeleken met 2009 verwacht.

Prestatie-indicator

2008

2009

Streefwaarde 2011

Het aantal bezoeken aan de website www.antwoordvoorbedrijven.nl

800 000

1 600 000

1 700 000

Bron: Antwoord voor Bedrijven

Digitale vaardigheden

Doel en beschrijving: Vaardige informatiewerkers zorgen voor innovatie, voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor buitenlandse bedrijven, voor een hogere productiviteit en dus voor een economische groei op macroniveau. Het meerjarenprogramma Digivaardig & Digibewust (2009–2013) richt zich op het op een hoger niveau brengen van de digitale vaardigheden en het digitaal bewustzijn van verschillende doelgroepen (digibeten, ondernemers, senioren, jongeren & hun opvoeders en professionals & bestuurders binnen de overheid).

De activiteiten voor het Programma Digivaardig & Digibewust worden jaarlijks gezamenlijk door de partners van het programma vastgesteld. Hierbij worden ook de doelgroepgerichte activiteiten voor 2011 benoemd. Programma-activiteiten betreffen overkoepelende activiteiten die vanuit het programma worden geïnitieerd en uitgevoerd, zoals het aantrekken van (potentiële) partners, het voorbereiden van de bijeenkomsten van de programmaraad en het initiëren, organiseren en voorzitten van werkgroep- en themabijeenkomsten. EZ draagt daarbij zorg voor de afstemming tussen departementen.

Voornaamste acties in 2011:

  • In afstemming tussen EZ en de Programmaraad wordt bekeken of voor 2011 nieuwe activiteiten voor de verschillende doelgroepen nodig zijn.

  • Een voor 2011 geplande midterm review zal inzicht geven in de actualiteit en haalbaarheid van de gestelde doelen, en geeft de partners in het programma extra handvatten om zo nodig doelstellingen bij te stellen. De midterm review wordt ook gebruikt om aandacht te besteden aan de manier waarop het programma na 2013 wordt afgerond en geborgd of wordt voortgezet.

Indicator: De eerste prestatie-indicator geeft het aantal betalende en het aantal netwerkpartners weer binnen het programma Digivaardig & Digibewust. Hoe meer partners, des te meer draagvlak binnen het programma en hoe breder de activiteiten. In 2013 moet de teller rond de zeventig staan. Met de tweede indicator wordt gemeten met hoe vaak de websites van Digivaardig & Digibewust worden bezocht en daarmee de doelgroep en het netwerk worden bereikt.

Prestatie-indicator

2009

Streefwaarde 2011

Aantal betalende partners en netwerkpartners in het programma Digivaardig & Digibewust

50

60

Aantal bezoekers van de websites van het programma Digivaardig & Digibewust

300 000

400 000

Bron: ECP-EPN

Standaarden en Interoperabiliteit

Doel en beschrijving: Bij digitale transacties van overheden met bedrijven en burgers zijn vaak meerdere overheidsorganisaties betrokken. Dan is het belangrijk dat de uitwisseling, hergebruik en verwerking van digitale gegevens (interoperabiliteit) worden vereenvoudigd door het toepassen van open standaarden en het hergebruiken van software en ICT-voorzieningen. Zo kan ook de afhankelijkheid van specifieke ICT-leveranciers worden verkleind en kunnen kosten worden bespaard. In de overheidspraktijk krijgt het daadwerkelijke gebruik van open standaarden en open source software sinds 2008 een krachtige impuls met de uitvoering van 17 actielijnen uit het actieplan Nederland Open in Verbinding (NOiV). Het doel daarvan is te realiseren dat het gebruik van open standaarden de norm wordt binnen de (semi)-overheid en dat overheden open source software een eerlijke kans geven bij de aanschaf van ICT. De actielijnen worden uitgevoerd door de vakdepartementen, medeoverheden en sectoren. Zij worden daarbij ondersteund door een programmabureau dat is ondergebracht bij de ICTU (ICT Uitvoeringsorganisatie).

Voornaamste acties in 2011:

  • In 2011 ligt de nadruk van het actieprogramma op het borgen dat (kennis over) open standaarden en open source software worden toegepast bij het ontwerpen, aanbesteden, kiezen en gebruiken van ICT-oplossingen. Daarvoor worden lopende trajecten benut, zoals het NUP (Nationaal Uitvoeringsprogramma dienstverlening en eOverheid), de Digitale Werkomgeving Rijk en Elektronisch Factureren. De opgedane kennis wordt breed gedeeld via een NOiV-portal en een -Wiki.

  • Het College Standaardisatie beheert de overheidsbrede pas-toe-of-leg-uit lijst met open standaarden over techniek (systeemkoppelingen) en eenduidige begrippen in ketens (semantiek). Begin 2011 zullen naar verwachting rond de 20 standaarden op deze lijst staan die verplicht is voor (semi-)publieke organisaties. In 2011 zullen tenminste vijf nieuwe open standaarden op deze lijst geplaatst worden. Het accent zal liggen op adoptie van en bindende afspraken over de inzet van open standaarden op basis van een strategie van verleiden en verplichten.

  • In 2011 wordt ook bezien hoe de ervaring met het maken van overheidsbrede afspraken over het hergebruiken van (private) middelen voor elektronische herkenning ook toegepast kan worden op andere basisvoorzieningen.

Innovatieve mobiele- en omroeptoepassingen

Doel en beschrijving: Doel van het beleid is om realisatie van hoogwaardige breedbandige (draadloze) toepassingen mogelijk te maken door middel van de uitgifte van beschikbare frequentieruimte en als zodanig een bijdrage te kunnen leveren aan duurzame economische groei. Daarnaast moeten gebruikers kunnen beschikken over hoogwaardige (breedbandige, betrouwbare en veelzijdige) radio-omroeptoepassingen, op elk moment («anytime») en overal («anyplace»).

Voornaamste acties in 2011:

  • Afhankelijk van beleidsontwikkeling zal mogelijk extra frequentieruimte voor (digitale) omroep worden verdeeld. In band III is nog extra frequentieruimte die voor (digitale) omroep aangewend kan worden. Indien de beleidsafwikkeling in 2011 is afgrond kan ook in dat jaar de verdeling plaatsvinden.

  • De vergunningen GSM 900/1800 zullen in 2011 worden uitgegeven, conform de in 2010 geformuleerde visie mobiel. Uitvoering hiervan ligt bij Agentschap Telecom.

  • Op 1 september 2011 lopen de huidige frequentievergunningen voor commerciële etherradio (FM/AM) af. Voor de periode daarna zullen de vergunningen worden verstrekt in samenhang met frequenties voor digitale etherradio. De voorbereidingen daarvoor vinden in 2011 plaats inclusief overdracht van de uitvoering aan Agentschap Telecom.

  • Bestaande ontvangstklachten van de publieke omroepen zullen vanaf 1 september worden aangepakt door aanpassing van de commerciële vergunningen voor analoge radio.

Verplichtingen ten behoeve van apparaat gerelateerde uitgaven en algemeen onderzoek

Algemeen

Verplichtingen ten behoeve van apparaat en algemeen onderzoek
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Algemeen

Verplichtingen (in € mln)

       

– Personeel Telecom en Post

7,8

7,7

7,1

7,0

7,0

7,0

7,0

– Bijdrage aan Agentschap NL

0,2

      

– Bijdrage aan Agentschap Telecom (Inspectie)

11,5

6,5

6,5

6,4

6,4

6,4

6,4

– Toezicht Agentschap Telecom (secretaris generaal)

6,6

6,1

5,9

5,9

5,8

5,8

5,8

– Beleidsvoorbereiding en evaluaties

11,1

12,5

11,4

9,4

8,1

8,1

10,9

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

10.2

2010

2011

 
 

Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

10.3

2010

2011

 

Overig evaluatieonderzoek

Universele Dienst Post

10.1

2011

2011

 
 

Tussenevaluatie Digivaardig en Digibewust

10.3

2010

2011

 

4. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 21 Algemeen

Betreft apparaatsuitgaven die niet zijn toegedeeld aan een beleidsartikel.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het betreft apparaatsuitgaven die niet zijn toegekend aan beleidsartikelen, zoals de personele en materiële uitgaven van stafdiensten (inclusief de Algemene Leiding) en de centrale personele en materiële uitgaven van het ministerie.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven op dit artikel.

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 21
Artikel 21: Algemeen (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

112,8

110,0

98,6

102,1

102,1

93,7

93,6

Personeel stafdiensten

38,0

34,4

29,8

29,1

28,1

28,1

28,8

Personeel diversen

16,5

21,7

19,8

17,1

18,9

17,1

16,7

ICT

14,7

14,2

13,4

13,3

13,5

13,5

13,5

Materieel kernministerie

30,0

28,8

30,3

32,8

27,7

28,9

28,4

BES eilanden

  

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

Materieel diversen

13,7

10,9

3,0

7,6

11,7

4,0

4,0

        

Uitgaven (totaal)

113,4

103,4

103,9

104,3

100,8

94,5

94,4

Personeel

55,4

54,9

50,2

46,8

45,8

45,7

46,1

Materieel

58,1

48,5

53,7

57,5

55,0

48,8

48,3

        

Ontvangsten (totaal)

10,7

6,8

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Diverse ontvangsten personeel

2,5

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Diverse ontvangsten materieel

1,5

      

Ontvangsten (buiten)diensten

6,7

4,5

     

Op 10 oktober 2010 worden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) als drie afzonderlijke openbare lichamen geïntegreerd in het Nederlandse Staatsbestel. Het budget voor de BES-eilanden is door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gesteld voor de activiteiten van EZ die benodigd zijn om de economische structuur van deze eilanden na de ontvlechting van de Nederlandse Antillen op het afgesproken niveau te brengen. Deze operatie raakt het beleid van EZ in praktisch al zijn onderdelen. De belangrijkste voorgenomen activiteiten betreffen:

  • Vernieuwing Kamer van Koophandel- en Handelsregisterfunctie, waaronder de oprichting van een tweede Kamer van Koophandel op Sint Eustatius.

  • Toepassing met behulp van de beide Kamers van Koophandel van het financieel instrumentarium voor ondernemen en innovatie en van Prepare2start.

  • Het leveren van een bijdrage aan de verbetering van de energievoorziening met een optimale benutting van de mogelijkheden tot duurzame energie-opwekking.

  • Het garanderen van de olievoorzieningszekerheid.

  • Verbetering van de beschikbare voorzieningen met betrekking tot telecommunicatie en post.

  • Bestendiging van de metrologische infrastructuur.

  • Verbetering van de statistische informatievoorziening.

De beschikbare bedragen voor de BES-eilanden zullen vanaf 2011 vanaf dit artikel worden verdeeld over de betrokken (beleids)artikelen.

Artikel 21: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 

realisatie 2009

raming 2010

raming 2011

 

gemiddelde bezetting

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

formatie

gemiddelde prijs

Stafdiensten personeel 1

510,1

74,5

489,6

70,3

435,8

69,0

Materieel kernministerie 2

1 154,1

52,9

1 125,3

53,0

1 018,9

49,7

XNoot
1

Betreft bezetting / formatie en personeelsuitgaven van algemene leiding/BBR, AD, FEZ,DC, WJZ, DBV en detacheringspool.

XNoot
2

Betreft bezetting / formatie van stafdirecties en DG OI, BEB en ETM en de centrale uitgaven ICT, materieel diversen, communicatie, materieel kernministerie, centrale personeelsuitgaven.

Artikel 22 Nominaal en Onvoorzien

Verplichtingen, uitgaven en ontvangsten artikel 22
Artikel 22: Nominaal en onvoorzien (in € mln)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen (totaal)

 

– 5,5

2,8

– 7,1

– 8,7

– 10,8

– 10,8

Prijsbijstelling

  

3,4

3,6

3,7

3,6

3,6

Budget onvoorzien

 

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Nog te verdelen posten

 

– 5,8

– 0,9

– 10,9

– 12,6

– 14,6

– 14,6

        

Uitgaven (totaal)

 

– 0,0

2,8

– 7,1

– 8,7

– 10,8

– 10,8

Prijsbijstelling

  

3,4

3,6

3,7

3,6

3,6

Budget onvoorzien

 

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Nog te verdelen posten

 

– 0,3

– 0,9

– 10,9

– 12,6

– 14,6

– 14,6

        

Ontvangsten (totaal)

       

Op dit niet-beleidsartikel zijn de ramingen opgenomen voor de volgende (nog niet verdeelde) typen uitgaven:

  • prijsbijstelling;

  • onvoorzien;

  • nog te verdelen posten.

De prijsbijstelling betreft middelen die bij begrotingsvoorbereiding 2011 zijn toegedeeld aan de EZ-begroting voor de jaarlijkse ophoging van prijsgevoelige budgetten.

De post onvoorzien wordt aangehouden voor relatief bescheiden onvoorziene uitgaven die niet elders op de EZ-begroting kunnen worden ingepast.

De nog te verdelen posten betreffen de Versobering Rijksdienst en een gedeelte van de dekking (€ 5,5 mln in 2010) voor het E.ON/Electrabel (ROAD) project binnen het beleidsterrein «Carbon Capture and Storage».

Daarnaast is een alternatieve invulling gegeven aan de in het Aanvullend Beleidsakkoord veronderstelde besparing van € 3,2 mld uit hoofde van loonmatiging, omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden. Hiervoor is op dit artikel vanaf 2012 een taakstelling opgenomen van structureel € 9,2 mln op personele en materiële uitgaven van EZ (incl. baten-lastendiensten) en de uit de begroting gefinancierde ZBO’s. Deze zal bij de voorbereiding van begroting 2012 nader worden verdeeld.

5. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

88 584

83 493

79 223

80 805

80 805

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

489

448

988

849

849

 

Nieuwe mutaties

491

3 231

2 659

802

502

 

1. Tenderned

1 401

2 269

2 157

   

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

– 910

962

502

802

502

 

Stand ontwerpbegroting 2011

89 564

87 172

82 870

82 456

82 156

82 516

Waarvan nog te betalen

89 452

87 020

82 736

82 190

82 023

82 363

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

88 418

83 421

79 278

80 722

80 166

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

489

448

988

849

849

 

Nieuwe mutaties

308

3 165

2 633

781

– 509

 

Stand ontwerpbegroting 2011

89 215

87 034

82 899

82 352

80 506

80 241

w.v. Algemeen

13 966

13 093

11 910

11 612

11 599

11 685

w.v. Bevorderen van concurrentie (verstoringen)

45 749

43 064

41 819

40 704

40 376

40 376

w.v. Versterken concurrentie Ned. markten

22 628

24 103

22 622

23 514

23 594

23 243

w.v. Versterken van positie consument

6 872

6 774

6 548

6 522

4 937

4 937

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

45 804

38 604

36 389

35 804

35 804

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

4 800

4 600

    

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

50 604

43 204

36 389

35 804

35 804

35 804

  • 1. De nieuwbouw van het elektronisch aanbestedingssysteem TenderNed heeft vertraging opgelopen, doordat de ontwikkelaar, die in eerste instantie was aangezocht om de bouw van TenderNed te verzorgen, niet tijdig een voldoende robuust systeem kon opleveren. Derhalve is in het najaar van 2009, na een uitvraag binnen de raamcontracten van EZ, aan een marktpartij de opdracht gegund om het systeem af te bouwen. Door de opgelopen vertraging is het huidige budget ontoereikend. Voorgesteld wordt derhalve om in de jaren 2010 tot en met 2012 het budget te verhogen met in totaal € 5,8 mln. De dekking wordt gevonden binnen artikel 22.

Artikel 2 Een sterk innovatievermogen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

634 158

559 149

559 285

550 081

545 699

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

282 529

33 972

10 558

18 242

8 359

 

Nieuwe mutaties

35 367

– 75 681

– 49 194

– 46 446

– 39 181

 

1. Valorisatie

 

– 7 579

– 7 579

– 7 579

– 7 579

 

2. Seed

 

– 21 500

– 21 500

– 21 500

– 21 500

 

3. Eurostars

750

750

750

750

750

 

4. Innovatieprogramma’s

30 247

– 30 608

– 4 334

– 616

7 544

 

5. Subsidietaakstelling

 

– 20 000

– 20 000

– 20 000

– 20 000

– 20 000

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

4 370

3 256

3 469

2 499

1 604

 

Stand ontwerpbegroting 2011

952 054

517 440

520 649

521 877

514 877

502 503

Waarvan nog te betalen

880 086

499 583

518 837

497 821

492 848

482 892

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

776 310

625 701

648 947

595 324

595 736

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

102 735

56 282

51 100

59 798

51 306

 

Nieuwe mutaties

– 13 447

– 16 731

– 50 279

– 45 540

– 40 944

 

Stand ontwerpbegroting 2011

865 598

665 252

649 768

609 582

606 098

539 172

w.v. Algemeen

87 589

75 130

73 407

71 475

72 408

71 114

w.v. Ontwikkelen en benutten technologische kennis

176 084

125 500

113 420

112 858

97 625

108 712

w.v. Topprestaties op innovatiethema’s

601 925

464 622

462 941

425 249

436 065

359 346

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

193 205

126 927

117 041

89 751

88 053

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

35 185

40 246

46 833

47 149

43 438

 

Nieuwe mutaties

– 6 304

29 366

– 10 001

– 1 667

– 1 125

 

6. Eurostars

750

750

750

750

750

 

7. Ontvangsten uit het FES

– 10 554

28 616

– 10 751

– 2 417

– 1 875

 

8. Lucht- en ruimtevaart

3 500

     

Stand ontwerpbegroting 2011

222 086

196 539

153 873

135 233

130 366

59 750

  • 1. De gebundelde activiteiten van Actieprogramma Technopartner, Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen (O&O) en het nieuwe programma Valorisatie richten zich op een snellere overdracht van kennis en de versterking van het klimaat voor innovatief en kennisintensief ondernemerschap. De doelstelling ligt op het snijvlak van het innovatiebeleid en het ondernemerschapsbeleid. Om de samenhang tussen de programma’s verder te vergroten wordt voorgesteld om de middelen voor Valorisatie en de Seed (Technopartner) over te hevelen naar artikel 3.

  • 2. Zie toelichting bij mutatie 1.

  • 3. Bij eerste suppletore begroting 2010 is het budget voor Eurostars met € 3 mln opgehoogd. Hiermee zal ook de bijdrage van de Europese Commissie aan Eurostars toenemen. Hiervoor worden de ontvangsten-, verplichtingen- en uitgavenraming opgehoogd.

  • 4. Mutatie betreft het saldo van verschillende aanpassingen op het gebied van de innovatieprogramma’s. Voor het programma HighTech Systems & Materials en Top Instituut Food and Nutrition wordt voorgesteld om het verplichtingenbudget (FES) uit latere jaren in 2010 beschikbaar te stellen, zodat de committering in 2010 plaats kan vinden.

  • 5. Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het demissionair kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van deze maatregelen betreft een subsidietaakstelling op de EZ-begroting van structureel € 50 mln. De subsidietaakstelling is verdeeld over de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 10. Het aandeel in artikel 2 zal op een later moment aan specifieke instrumenten binnen het artikel worden toegewezen.

  • 6. Zie toelichting mutatie 3.

  • 7. De mutatie betreft een actualisatie van de ramingen van verschillende uit het FES gefinancierde projecten. Zo vindt een actualisatie van de raming plaats ten behoeve van Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK) en het Top Instituut Food and Nutrition.

  • 8. Als gevolg van de liquidatie van de stichting NIVR worden de resterende middelen op de rekeningcourant van de stichting overgeheveld naar de EZ-begroting.

Artikel 3 Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 635 637

2 134 999

2 136 787

2 139 901

2 134 866

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

1 117 726

– 4 947

– 14 947

74

74

 

Nieuwe mutaties

56 144

10 480

– 1 972

– 13 652

4 426

 

1. Microkredieten

1 000

 

– 1 000

   

2. Actieplan Veilig Ondernemen

7 700

5 556

    

3. Seed

 

21 500

21 500

21 500

21 500

 

4. Valorisatie

 

25 135

25 000

   

5. Bevorderen Ondernemerschap

– 739

– 10 262

– 17 447

– 5 197

– 197

 

6. Onderwijs en Ondernemerschap

– 3 000

     

7. Pieken in de Delta

64 277

     

8. Bedrijventerreinen

– 13 094

– 26 271

– 24 965

– 24 919

– 11 877

 

9. Subsidietaakstelling

 

– 5 000

– 5 000

– 5 000

– 5 000

– 5 000

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

 

– 178

– 60

– 36

  

Stand ontwerpbegroting 2011

3 809 507

2 140 532

2 119 868

2 126 323

2 139 366

2 158 470

Waarvan nog te betalen

617 757

257 954

239 926

251 620

265 517

284 869

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

401 306

333 635

340 761

344 379

305 852

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

95 423

30 551

33 959

25 905

24 594

 

Nieuwe mutaties

1 917

59 272

16 142

7 914

5 859

 

Stand ontwerpbegroting 2011

498 646

423 458

390 862

378 198

336 305

328 229

w.v. Algemeen

32 209

19 671

16 561

16 436

16 567

16 567

w.v. Benutten van gebiedsgerichte economische kansen

171 678

198 397

176 633

184 264

185 115

177 437

w.v. Stimuleren meer en beter ondernemerschap

248 410

167 421

170 133

156 337

116 086

116 249

w.v. Bevorderen Level Playing Field

46 349

37 969

27 535

21 161

18 537

17 976

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

136 887

110 838

112 708

110 838

73 998

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

95 817

32 220

35 320

25 520

24 520

 

Nieuwe mutaties

20 345

12 254

– 2 458

– 7 575

– 2 272

 

10. IPR decentraal

15 253

     

11. Ontvangsten uit het FES

10 780

19 780

7 880

4 880

4 480

 

12. Ontvangsten Volvo

 

445

307

196

  

13. Ontvangsten lucht- en ruimtevaart

– 5 688

– 7 971

– 10 645

– 12 651

– 6 752

 

Stand ontwerpbegroting 2011

253 049

155 312

145 570

128 783

96 246

74 405

  • 1. Voorgesteld wordt om budget uit 2012 voor Microkredieten naar voren te halen om zo in 2010 de committering aan te kunnen gaan aan de stichting Microfinanciering en Ondernemerschap.

  • 2. Met deze mutatie wordt het budget voor de regeling Veiligheid kleine bedrijven dat in 2009 niet meer gecommitteerd kon worden aan de begroting van 2010 toegevoegd. 61 Daarnaast wordt voorgesteld om in 2011 middelen beschikbaar te stellen om de regeling in 2011 te kunnen voortzetten. De dekking wordt gevonden binnen het budget van Bevorderen ondernemerschap.

  • 3. De gebundelde activiteiten van Actieprogramma Technopartner, Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen (O&O) en het nieuwe programma Valorisatie richten zich op een snellere overdracht van kennis en de versterking van het klimaat voor innovatief en kennisintensief ondernemerschap. De doelstelling ligt op het snijvlak van het innovatiebeleid en het ondernemerschapsbeleid. Om de samenhang tussen de programma’s verder te vergroten wordt voorgesteld om de middelen voor Valorisatie en de Seed (Technopartner) over te hevelen van artikel 2 naar artikel 3.

  • 4. Zie toelichting bij mutatie 3.

  • 5. Met deze ambitie wordt vastgesteld om middelen uit Bevorderen Ondernemerschap in te zetten voor de voortzetting van de regeling Veiligheid kleine bedrijven in 2011 en als dekking van een verlaging van de uitgaven van EZ in het kader van het tekort in de Business Case JSF.

  • 6. De gebundelde activiteiten van het Actieprogramma Onderwijs & Ondernemen (O&O) en het programma Valorisatie richten zich op een snellere overdracht van kennis en de versterking van het klimaat voor innovatief en kennisintensief ondernemerschap. Met deze mutatie wordt voorgesteld om het budget van O&O in te zetten voor het programma Valorisatie, waarbij de verplichtingenruimte in 2011 wordt toegevoegd.

  • 7. Deze mutatie betreft het opvragen van FES-middelen ten behoeve van het Nota Ruimte «project Alternatief Hoeksche Waard de Sterke Regio-projecten HST Cargo Amsterdam en CAT Agrofood. Conform bestuurlijke afspraken met de regio Noord-Nederland wordt met deze mutatie ook voorgesteld om de in 2009 niet benutte verplichtingenruimte beschikbaar te stellen in 2010.

  • 8. In december 2009 hebben Rijk, VNG en IPO het convenant bedrijventerreinen 2010–2020 ondertekend. Dit convenant legt de afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten vast over o.a. de uitvoering van de herstructureringsopgave 2009–2013 (bedrijventerreinenbeleid) inclusief de afspraken over rijksfinanciering. Met betrekking tot de rijksfinanciering is in het convenant afgesproken om de Toppermiddelen te decentraliseren naar de provincies via een decentralisatie-uitkering aan het Provinciefonds. Het gaat om een netto bedrag van € 101 mln. Deze mutatie betreft de overboeking.

  • 9. Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het demissionair kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van deze maatregelen betreft een subsidietaakstelling op de EZ-begroting van structureel € 50 mln. De subsidietaakstelling is verdeeld over de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 10. Het aandeel in artikel 3 zal op een later moment aan specifieke instrumenten binnen het artikel worden toegewezen.

  • 10. De afrekening van de IPR Noord Nederland leidt tot een ontvangst in 2010. Eerder was deze ontvangst voorzien in 2009.

  • 11. Deze mutatie betreft het opvragen van FES-middelen ten behoeve van het Nota Ruimte «project Alternatief Hoeksche Waard de Sterke Regio-projecten HST Cargo Amsterdam en CAT Agrofood.

  • 12. Voorgesteld wordt om niet-beleidsartikel 23 op te heffen en om deze voortaan te verantwoorden op artikel 3. Het betreft de afwikkeling van in het verleden aangegane verplichtingen voor de regeling bedrijfsbeëindigingshulp, de garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen en de verkoop van onderdelen voor de Volvo 400-serie. EZ ontvangt nog tot en met 2016 royalty’s uit hoofde van de verkoop van de onderdelen voor de Volvo 400-serie. Mutatie betreft het opnemen van de ontvangstenraming op artikel 3.

  • 13. In mei 2010 heeft een actualisatie plaatsgevonden van de Business Case JSF. Met deze mutatie worden de ramingen voor de afdrachten over de behaalde omzet vanuit de industrie bijgesteld, omdat deze later zullen binnenkomen dan eerder werd verwacht.

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

353 411

337 679

353 072

399 067

725 330

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

9 332 812

9 697

– 113 221

– 179 735

– 252 451

 

Nieuwe mutaties

36 791

67 072

106 931

59 488

– 142 455

 

1. Bijdrage Agentschap NL

2 200

     

2. Innovatieagenda Energie

31 400

6 000

5 000

   

3. Warmtepompen

4 299

     

4. SDE

 

50 418

95 834

49 834

– 151 166

 

5. Carbon Capture and Storage

 

19 500

17 000

17 000

17 000

 

6. COVA

 

11 002

11 002

11 002

11 002

 

7. Subsidietaakstelling

 

– 20 000

– 20 000

– 20 000

– 20 000

 

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

– 1 108

152

– 1 905

– 348

709

 

Stand ontwerpbegroting 2011

9 723 014

414 448

346 782

278 820

330 424

388 642

Waarvan nog te betalen

7 373 474

432 563

344 091

274 629

326 133

384 163

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

1 181 313

1 230 581

1 225 481

1 228 728

1 460 141

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

105 803

10 582

– 15 757

– 36 990

3 612

 

Nieuwe mutaties

– 40 208

115 817

143 223

78 930

– 134 846

 

Stand ontwerpbegroting 2011

1 246 908

1 356 980

1 352 947

1 270 668

1 328 907

1 426 592

w.v. Algemeen

45 279

32 540

36 335

31 835

31 733

31 360

w.v. Optimale ordening + werking energiemarkt

19 500

19 500

19 500

19 500

19 500

19 500

w.v. Verh.aand.duurz E

1 090 168

1 202 402

1 194 601

1 116 848

1 175 189

1 273 247

w.v. Handhaving niveau voorzieningszekerheid

91 961

102 538

102 511

102 485

102 485

102 485

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

5 379 172

5 869 431

6 023 762

5 886 101

4 891 611

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

– 1 068 800

258 791

1 360 033

1 988 204

2 381 987

 

Nieuwe mutaties

572 966

1 482 830

440 854

– 256 045

– 248 344

 

8. Aardgasbaten

100 000

1 350 000

200 000

50 000

  

9. Afdracht aan het FES

506 866

80 528

206 752

– 335 147

– 264 346

 

10. Ontvangsten uit het FES

– 33 900

41 300

23 100

18 100

5 000

 

11. COVA

 

11 002

11 002

11 002

11 002

 

Stand ontwerpbegroting 2011

4 883 338

7 611 052

7 824 649

7 618 260

7 025 254

7 800 762

  • 1. Betreft het beschikbaar stellen uit generale middelen van budget voor de uitvoeringskosten van de tijdelijke Energie investeringsaftrek (EIA). Een fiscaal-instrument waarvoor geen budget is geraamd op de EZ-begroting.

  • 2. Met deze mutatie worden de middelen uit het FES opgevraagd voor de innovatieprogramma’s Smart-grids (€ 2,5 mln), CATO2 (€ 15 mln) en ketenefficiency (€ 13,9 mln). Daarnaast vindt een aanpassing plaats van de raming voor Transitiemanagement en het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK).

  • 3. In 2009 is € 5 mln aan verplichtingenbudget gepubliceerd voor de subsidieregeling warmtepomphouders. Deze regeling loopt tot 15 december 2010. Voorgesteld wordt de in 2009 niet-verplichte middelen in 2010 opnieuw beschikbaar te maken.

  • 4. De aanpassingen zijn het nettoresultaat van twee afzonderlijke mutaties. Ten eerste zijn middelen beschikbaar gekomen van de aanvullende post van het Rijk ter ondersteuning van nieuwe WKK-installaties. Ten tweede wordt een temporisatie voorgesteld die de beschikbare middelen evenwichtiger over de periode 2011 t/m 2014 verdeelt.

  • 5. Met deze mutatie worden middelen van de aanvullende post van het Rijk toegevoegd aan de EZ-begroting ten behoeve van het E.ON/Electrabel (ROAD) CCS project. Daarnaast is in 2011 € 5,5 mln van de begroting van VROM overgeheveld naar de EZ-begroting ten behoeve van het E.ON/Electrabel (ROAD) CCS project.

  • 6. Ter dekking van de exploitatiekosten van de stichting COVA wordt door de belastingdienst een heffing geïnd op aardolieproducten. De inkomsten uit deze heffing worden via de EZ-begroting doorbetaald aan de stichting COVA en zijn op de lange termijn in evenwicht met de kosten van de stichting COVA. Vanwege de toenemende omvang van de binnenlandse consumptie van aardolieproducten nemen de verwachte inkomsten uit deze heffing toe.

  • 7. Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het demissionair kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van deze maatregelen betreft een subsidietaakstelling op de EZ-begroting van structureel € 50 mln. De subsidietaakstelling is verdeeld over de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 10. Het aandeel in artikel 4 en zal op een later moment aan specifieke instrumenten binnen het artikel worden toegewezen.

  • 8. De ramingen voor de periode 2011–2014 zijn bijgesteld als gevolg van de nieuwe middellange-termijnverkenning (MLT) van het CPB. De opwaartse bijstelling is het gevolg van een hogere verwachte olieprijs en een bijstelling van de eurokoers uitgedrukt in dollars.

  • 9. Met deze mutatie wordt de bijdrage aan het FES en daarmee de voeding van het FES afgestemd op de wijzigingen die door de verschillende departementen zijn voorgesteld.

  • 10. Betreft het opvragen van middelen uit het FES. Het betreft hier de toevoeging van middelen voor Smart-grids, CATO2, ketenefficiency en het E.ON/Electrabel (ROAD) project. Voorgesteld wordt om de FES-middelen die beschikbaar zijn voor Transitiemanagement en BSIK te temporiseren naar latere jaren.

  • 11. Zie toelichting bij mutatie 6.

Artikel 5 Internationale economische betrekkingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

135 553

144 135

144 029

121 633

121 662

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

13 336

3 133

3 398

– 647

– 567

 

Nieuwe mutaties

5 000

216

214

212

212

 

1. Wereldtentoonstelling Shanghai

5 000

     

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

 

216

214

212

212

 

Stand ontwerpbegroting 2011

153 889

147 484

147 641

121 198

121 307

121 305

Waarvan nog te betalen

134 130

127 422

125 565

109 882

109 518

109 426

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

124 577

128 106

126 644

105 272

105 272

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

13 342

3 099

3 377

– 655

– 570

 

Nieuwe mutaties

239

907

– 64

7 603

7 603

 

Stand ontwerpbegroting 2011

138 158

132 112

129 957

112 220

112 305

104 653

w.v. Algemeen

8 139

20 755

57 825

54 679

56 332

56 421

w.v. Vrijmak. intern. handels- en investering

4 156

4 007

4 007

4 007

4 007

4 007

w.v. Bevorderen van internationaal ondernemen

82 265

53 823

23 287

21 163

21 119

21 028

w.v. Programmatisch pakket

43 598

53 527

44 838

32 371

30 847

23 197

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

12 707

11 815

11 815

1 815

1 815

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

400

     

Nieuwe mutaties

– 5 000

  

7 500

7 500

 

2. Ontvangsten ten behoeve van de Transitiefaciliteit

– 5 000

  

7 500

7 500

 

Stand ontwerpbegroting 2011

8 107

11 815

11 815

9 315

9 315

1 815

  • 1. Mutatie betreft de overboeking van de bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ten behoeve van de Wereldtentoonstelling in Shanghai.

Artikel 8 Economische analyses en prognoses

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

13 506

12 956

12 861

12 768

12 768

 

Mutatie 1e suppl. Begroting 2010

41

41

41

41

41

 

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

13 547

12 997

12 902

12 809

12 809

12 809

Waarvan nog te betalen

13 547

12 997

12 902

12 809

12 809

12 809

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

13 506

12 956

12 861

12 768

12 768

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

41

41

41

41

41

 

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

13 547

12 997

12 902

12 809

12 809

12 809

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

1 643

1 643

1 643

1 643

1 643

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

1 643

1 643

1 643

1 643

1 643

1 643

Artikel 9 Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

189 129

184 371

183 012

180 227

179 210

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

1 316

     

Nieuwe mutaties

1 524

3 060

2 341

2 393

1 868

 

1. Europese statistieken

 

3 060

2 341

2 393

1 868

 

2. Sociaal flankerend beleid

1 524

     

Stand ontwerpbegroting 2011

191 969

187 431

185 353

182 620

181 078

180 835

Waarvan nog te betalen

191 969

187 431

185 353

182 620

181 078

180 835

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

189 129

184 371

183 012

180 227

179 210

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

1 316

     

Nieuwe mutaties

1 524

3 060

2 341

2 393

1 868

 

Stand ontwerpbegroting 2011

191 969

187 431

185 353

182 620

181 078

180 835

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

      

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

      
  • 1. Nieuwe EU-verordeningen die vanaf 2011 van kracht worden, leiden tot uitbreidingen van werkzaamheden bij het CBS. Aangezien het CBS uitdrukkelijk op nationaal niveau belast is met de productie van Europese statistieken, is het CBS verplicht deze werkzaamheden uit te voeren. Voorgesteld wordt om het budget hiervoor te verhogen. Dekking wordt gevonden binnen artikel 22.

  • 2. Aan het CBS is € 1,5 mln beschikbaar gesteld uit het fonds Sociaal Flankerend Beleid ter bevordering van mobiliteit en begeleiding van werk naar werk.

Artikel 10 Elektronische communicatie en post

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

69 372

76 203

70 533

69 097

69 097

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

11 605

5 116

– 684

– 684

316

 

Nieuwe mutaties

– 100

– 4 976

– 4 976

– 4 976

– 4 976

 

1. Subsidietaakstelling

 

– 5 000

– 5 000

– 5 000

– 5 000

 

Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties

– 100

24

24

24

24

 

Stand ontwerpbegroting 2011

80 877

76 343

64 873

63 437

64 437

67 202

Waarvan nog te betalen

79 644

76 283

64 501

63 066

63 776

66 741

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

71 551

77 523

66 234

69 684

69 382

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

8 670

6 151

316

316

316

 

Nieuwe mutaties

– 100

– 976

– 1 976

– 2 976

– 3 976

 

Stand ontwerpbegroting 2011

80 121

82 698

64 574

67 024

65 722

66 963

w.v. Apparaatsuitgaven DGTP

20 254

19 485

19 360

19 234

19 202

19 202

w.v. Optimale marktcondities

6 620

6 602

6 583

6 574

6 564

6 564

w.v. Ontwikkelen Elektronische communicatie

40 710

44 928

28 819

32 831

31 831

30 831

w.v. ICT & Frequentie beleid

12 537

11 683

9 812

8 385

8 125

10 366

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

26 400

26 400

24 100

200

200

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

26 400

26 400

24 100

200

200

200

  • 1. Het kabinet heeft in het Aanvullend Beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het demissionair kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van deze maatregelen betreft een subsidietaakstelling op de EZ-begroting van structureel € 50 mln. De subsidietaakstelling is verdeeld over de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 10. Het aandeel in artikel 10 zal op een later moment aan specifieke instrumenten binnen het artikel worden toegewezen.

Artikel 21 Algemeen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

102 923

96 877

97 306

97 176

97 460

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

2 840

184

– 1 305

– 1 272

– 1 352

 

Nieuwe mutaties

4 237

1 499

6 061

6 222

– 2 401

 

1. Loon- en prijsbijstelling

  

4 562

8 710

  

Overige mutaties

4 237

1 499

1 499

– 2 488

– 2 401

 

Stand ontwerpbegroting 2011

110 000

98 560

102 062

102 126

93 707

93 617

Waarvan nog te betalen

109 999

98 554

102 061

102 125

93 706

93 616

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

101 673

97 989

98 414

95 852

98 239

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

2 911

184

– 1 305

– 1 272

– 1 352

 

Nieuwe mutaties

– 1 163

5 749

7 211

6 222

– 2 401

 

Stand ontwerpbegroting 2011

103 421

103 922

104 320

100 802

94 486

94 396

w.v. Personeel

54 940

50 205

46 782

45 830

45 719

46 087

w.v. Materieel

48 481

53 717

57 538

54 972

48 767

48 309

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 300

2 300

2 300

2 300

2 300

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

4 498

     

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

6 798

2 300

2 300

2 300

2 300

2 300

  • 1. Voorgesteld wordt om een deel van de onverdeelde loon- en prijsbijstelling op artikel 22 over te hevelen naar dit artikel.

Artikel 22 Nominaal en onvoorzien

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

12 414

11 458

12 222

10 896

7 205

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

– 5 477

299

297

295

295

 

Nieuwe mutaties

– 12 480

– 8 982

– 19 599

– 19 927

– 18 275

 

1. Loon- en prijsbijstelling

– 12 258

– 8 752

– 10 128

– 10 456

– 8 804

 

2. Doelmatigheidskorting

  

– 9 241

– 9 241

– 9 241

 

Overige mutaties

– 222

– 230

– 230

– 230

– 230

 

Stand ontwerpbegroting 2011

– 5 543

2775

– 7 080

– 8 736

– 10 775

– 10 779

Waarvan nog te betalen

– 43

2775

– 7 080

– 8 736

– 10 775

– 10 779

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

11 113

– 6 646

7 618

3 192

– 10 499

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

761

299

297

295

295

 

Nieuwe mutaties

– 11 917

9 122

– 14 995

– 12 223

– 571

 

Stand ontwerpbegroting 2011

– 43

2 775

– 7 080

– 8 736

– 10 775

– 10 779

w.v. Prijsbijstelling

 

3 440

3 606

3 654

3 584

3 580

w.v. Budget onvoorzien

250

250

250

250

250

250

w.v. Nog te verdelen posten

– 293

– 915

– 10 936

– 12 640

– 14 609

– 14 609

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

      

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

      

Stand ontwerpbegroting 2011

      
  • 1. Op dit artikel zijn een aantal nog openstaande taakstellingen ingevuld (eveneens op dit artikel). Hiervoor is een deel van de nog onverdeelde loon- en prijsbijstelling ingezet. Daarnaast is een deel van de nog onverdeelde loon- en prijsbijstelling ingezet als dekking voor onvermijdelijke uitgaven, zoals de afronding van TenderNed en de uitbreiding van de werkzaamheden van het CBS. Het restant wordt toegevoegd aan artikel 21.

  • 2. Het kabinet heeft een alternatieve invulling gegeven aan de in het Aanvullend Beleidsakkoord veronderstelde besparing van € 3,2 mld uit hoofde van loonmatiging, omdat de loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden. Hiervoor is op dit artikel vanaf 2012 een taakstelling opgenomen van structureel € 9,2 mln op de personele en materiële uitgaven van EZ (incl. baten-lastendiensten) en de uit de begroting gefinancierde ZBO’s. Deze zal bij de voorbereiding van begroting 2012 nader worden verdeeld.

Artikel 23 Afwikkeling oude verplichtingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

985

985

500

250

250

 

Mutatie 1e suppl. Begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

 

– 985

– 500

– 250

– 250

 

Stand ontwerpbegroting 2011

985

     

Waarvan nog te betalen

985

     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

985

985

500

250

250

 

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

 

– 985

– 500

– 250

– 250

 

Stand ontwerpbegroting 2011

985

     

Afwikkeling oude verplichtingen

985

     
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (in € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

628

445

307

196

  

Mutatie 1e suppl. begroting 2010

      

Nieuwe mutaties

 

– 445

– 307

– 196

  

Stand ontwerpbegroting 2011

628

     

6. BATEN-LASTENDIENSTEN

Agentschap NL

Inleiding

Agentschap NL is op 1 januari 2010 van start gegaan en komt voor uit een samenvoeging van SenterNovem, EVD en Octrooicentrum Nederland. De vijf divisies van Agentschap NL richten zich in opdracht van verschillende departementen en andere opdrachtgevers op de uitvoering van Internationaal, Innovatie en Duurzaamheidsbeleid. In 2011 wordt verder gewerkt aan de versterking van de klantgerichte en efficiënte dienstverlening van Agentschap NL. In 2011 zal tevens verdere invulling worden gegeven aan de realisatie van de taakstelling en vindt tevens krimp in het opdrachtpakket plaats.

Deze begroting van Agentschap NL is opgesteld in lijn met de begrotingen uit voorgaande jaren. De in het verleden opgelegde efficiencytaakstellingen zijn in de begroting verwerkt. De tarieven die aan de opdrachtgevers in rekening worden gebracht zijn gebaseerd op de integrale kostprijs.

Begroting van baten en lasten

Tabel 1 Begroting van baten en lasten voor het jaar 2011 Agentschap NL

Bedragen in € 1 000

2009 1

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Realisatie

Geactualiseerd

     

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

165 614

170 234

176 343

166 653

166 243

166 313

166 293

Opbrengst overige departementen

90 910

94 213

84 354

76 824

76 604

76 634

76 634

Opbrengst derden

6 123

7 663

6 900

4 500

4 490

4 490

4 490

Rentebaten

110

      

Bijzondere baten

1

2 280

500

    

Totaal baten

262 758

274 390

268 097

247 977

247 337

247 437

247 417

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

* personele kosten

179 696

187 890

180 390

160 100

160 100

160 100

160 100

* materiële kosten

70 342

80 940

82 697

82 627

81 937

81 937

81 937

Rentelasten

  

160

150

130

120

100

Afschrijvingskosten

       

* materieel

2 898

4 880

4 800

5 040

5 110

5 230

5 230

* immaterieel

525

      

Overige kosten

       

* dotaties voorzieningen

3 265

420

     

* bijzondere lasten

5 266

      

Totaal lasten

261 992

274 130

268 047

247 917

247 277

247 387

247 367

Saldo van baten en lasten exclusief onttrekking bestemmingsreserve herhuisvesting

766

260

50

60

60

50

50

Onttrekking bestemmingsreserve herhuisvesting

5 000

      

Saldo van baten en lasten

5 766

260

50

60

60

50

50

XNoot
1

Resultaat vóór de verwerking van de uniformering van de waarderingsgrondslagen.

Algemeen

De geactualiseerde begroting 2010 is gebaseerd op de actuele inschatting van de baten en lasten in 2010. De geactualiseerde baten 2010 zijn € 16,5 mln hoger dan de oorspronkelijke begroting 2010. Dit wordt vooral veroorzaakt door een hogere opbrengst bij EZ en VROM. De hogere opbrengst bij het moederdepartement is verspreid over een groot aantal opdrachten. De opbrengsttoename bij VROM wordt veroorzaakt door de regelingen Isolatieglas, Klimaatneutrale Steden, Duurzame Gebiedsontwikkeling en WABO.

De totale baten in 2011 dalen met € 6,3 mln ten opzichte van de geactualiseerde baten 2010 tot € 268,1 mln. Dit is per saldo het resultaat van een afname van het opdrachtenpakket met € 4,5 mln en een daling van de bijzondere baten met € 1,8 mln. Hieronder wordt dit toegelicht.

Baten

Daling van het opdrachtenpakket en taakstelling

Per 1 januari 2011 voert Agentschap NL programma’s uit voor 10 departementen en 18 opdrachtgevers buiten de Rijksoverheid zoals provincies en de EU. De vier grootste opdrachtgevers zijn de ministeries van Economische Zaken (65,9%), Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (18,3%), Verkeer en Waterstaat (4,9%) en Buitenlandse Zaken (4,8%).

Het opdrachtenvolume van Agentschap NL neemt in 2011 per saldo af met € 4,5 mln ten opzichte van 2010 door daling van het opdrachtenpakket ten gevolge van de invulling van de Rijksbrede taakstellingen voor Agentschap NL.

In 2012 wordt een opdrachtenvolumedaling van 7,3% verwacht. Vanaf 2013 worden ongeveer gelijkblijvende opbrengsten verwacht. De opbrengst wordt naast de volumeontwikkeling tevens bepaald door de tariefontwikkeling.

Opbrengst moederdepartement

Voor het Ministerie van Economische Zaken wordt voor 2011 uitgegaan van een opbrengststijging van per saldo 3,6% ten opzichte van 2010. De stijging wordt onder andere veroorzaakt door het onderbrengen per 1 januari 2011 van Antwoord voor Bedrijven bij Agentschap NL vanuit de beleidskern van het Ministerie van Economische Zaken. De afname van het opdrachtenpakket wordt onder andere veroorzaakt door Innovatievouchers, TGO+Cure en Veiligheid Kleine Bedrijven. Het aandeel van het Ministerie van Economische Zaken in de totale opbrengsten bedraagt 65,9%.

Opbrengst overige departementen

Tabel 1a Opbrengst overige departementen Agentschap NL
Bedragen in € 1 000
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Geactualiseerd

     

VROM

56 711

48 960

45 640

45 490

45 510

45 510

BZ

14 097

12 818

12 214

12 180

12 186

12 185

V&W

12 752

13 070

12 659

12 641

12 643

12 643

LNV

5 286

5 265

2 990

2 982

2 983

2 983

VWS

2 628

1 718

1 083

1 080

1 080

1 081

OCW

1 875

1 849

1 794

1 788

1 789

1 789

BZK

534

449

205

204

204

204

SZW

218

120

121

121

121

121

Financiën

113

105

118

118

118

118

totaal

94 213

84 354

76 824

76 604

76 634

76 634

Bij de opbrengst overige departementen is uitgegaan van een daling van 11,5% ten opzichte van 2010. Voor het Ministerie van VROM wordt voor 2011 uitgegaan van een daling van de opbrengst van 13,7% ten opzichte van 2010 door de verlaging van de omvang van programma’s, in het kader van de realisatie van de taakstelling. De opbrengst overige departementen bedraagt in 2011 circa 31,5% van de totale opbrengst.

Opbrengst derden

Tabel 1b Opbrengst derden Agentschap NL
Bedragen in € 1 000
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Geactualiseerd

     

EU

2 203

1 635

2 421

2 414

2 415

2 415

Provincie

283

337

246

245

245

245

Overig

5 177

4 927

1 833

1 831

1 830

1 830

totaal

7 663

6 900

4 500

4 490

4 490

4 490

Opbrengst derden betreft de opbrengst die buiten de Rijksoverheid wordt gerealiseerd. Deze heeft vooral betrekking op opdrachten voor de Europese Unie en provincies. Bij de opbrengst derden is uitgegaan van een daling van 10,0% ten opzichte van 2010. De afname van het opdrachtenpakket bij Europese Unie als gevolg van afloop van 3-jarige contracten wordt naar verwachting gecompenseerd door de toename van werkzaamheden voor Regionale Uitvoeringsdiensten. Het aandeel in de totale opbrengst bedraagt circa 2,6%. Een sterke daling van de opbrengst derden wordt voorzien na 2011, nadat de taakstelling geëffectueerd is en opdrachten afgestoten dan wel beëindigd moeten worden.

Rentebaten

De rentebaten hebben betrekking op de afgesloten deposito’s gedurende het jaar en de rentevergoeding over het positieve saldo bij de Rijkshoofdboekhouding. Voor 2011 zijn geen rentebaten voorzien.

Bijzondere baten

Voor de uitvoering van het meerjarenprogramma eDienstverlening heeft Agentschap NL een claim bij Programma Vernieuwing Rijksdienst gehonoreerd gekregen voor het project eDienstverlening. De bijzondere baten hebben betrekking op medefinanciering van het project eDienstverlening.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten dalen in 2011 ten opzichte van 2010 met € 7,5 mln. Voor 2011 wordt het gemiddelde aantal fte’s geraamd op 2 235 (1 492 ambtenaren en 743 inhuur). Dit betekent een daling van 133 fte (56 ambtenaren en 77 inhuur) ten opzichte van 2010. Bij de personele kostenontwikkeling voor 2011 is uitgegaan van de CPB-index voor de «prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers» van 1,75%.

Agentschap NL voert veel taken uit die eind 2011 worden beëindigd. Dit betekent dat ook een aanzienlijk aantal inhuurcontracten eind 2011 beëindigd zal worden.

Materiële kosten

Bij de materiële kostenontwikkeling voor 2011 is uitgegaan van de CPB-index voor de «prijs overheidsconsumptie, netto materieel» van 1,75%.

De materiële kosten zijn voor 2011 geraamd op € 82,7 mln, inclusief de kosten die betrekking hebben op het uitvoeren van declarabele opdrachten. Een grote post binnen de materiële kosten betreft huisvestingskosten. De huur- en exploitatiekosten in 2011 bedragen circa € 20 mln.

Rentelasten

In 2011 wordt bij het Ministerie van Financiën een lening afgesloten ten behoeve van financiering van herhuisvesting divisie NL EVD Internationaal in het Centre Court. De rentelasten in 2011 bedragen € 0,16 mln (rentepercentage 3,46%).

Afschrijvingskosten

In 2011 bedragen de afschrijvingskosten € 4,99 mln. Het niveau van de afschrijvingen neemt in 2011 licht af. Door ingebruikname van de nieuwe vestigingen is een verlaging van de reguliere investeringen in 2011 voorzien. De afschrijvingstermijnen bedragen vijftien jaar voor bouwkundige zaken en installaties, vijf jaar voor inventaris/overig en drie jaar voor hardware/software. Deze afschrijvingstermijnen van de materiële en immateriële vaste activa zijn gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa.

Dotatie voorzieningen

De dotatie betreft de toevoeging aan de voorzieningen voor personele kosten zoals arbeidsongeschiktheid en aan de voorziening dubieuze debiteuren. Voor 2011 en verder wordt geen dotatie voorzieningen verwacht als gevolg van de afname van de ambtelijke fte’s.

Bijzondere lasten

Voor 2011 worden geen bijzondere lasten verwacht.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten laat vanaf 2011 een beperkt positief resultaat zien. Dit is in overeenstemming met de beleidslijn om kostendekkende tarieven in rekening te brengen bij de opdrachtgevers.

Kasstroomoverzicht

Tabel 2 Kasstroomoverzicht 2011 Agentschap NL
Bedragen in € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Realisatie

Geactualiseerd

     

1. Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito)

37 537

47 588

36 595

40 656

42 138

42 276

42 232

        

2. Totaal operationele kasstroom

21 947

2 945

4 910

5 412

5 218

5 313

5 324

        

3a. –/– totaal investeringen

– 10 831

– 10 411

– 9 400

– 4 600

– 4 600

– 4 600

– 4 600

3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen

       

3. Totaal investeringskasstroom

– 10 831

– 10 411

– 9 400

– 4 600

– 4 600

– 4 600

– 4 600

        

4a. –/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 1 065

– 3 527

     

4b. + eenmalige storting door moederdepartement

  

4 250

1 150

   

4c. –/– aflossing op leningen

  

– 240

– 480

– 480

– 480

– 480

4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit

  

4 800

    

4. Totaal financieringskasstroom

– 1 065

– 3 527

8 550

670

– 480

– 756

– 866

        

5. Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)

(=1+2+3+4) (maximale roodstand € 0,5 mln)

47 588

36 595

40 656

42 138

42 276

42 232

42 090

Toelichting

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal. In 2011 ontwikkelt de operationele kasstroom zich positief. Dit wordt vooral verklaard doordat in 2011 in tegenstelling tot 2010 minder onttrekkingen aan voorzieningen worden verwacht.

Investeringskasstroom

De voor 2011 geraamde investeringen (€ 9,4 mln) hebben betrekking op de investeringen voor de herhuisvesting van de divisie NL EVD Internationaal en de reguliere investeringen. Binnen de reguliere investeringen vallen de aanschaf van hard- en software, toegangstechniek, gebouwinrichting, inventaris en kantoormachines.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom is geraamd op € 8,6 mln. De financieringskasstroom heeft betrekking op eenmalige storting door het moederdepartement in verband met de herhuisvesting van divisie NL EVD Internationaal en het beroep op de leenfaciliteit en de aflossing daarvan voor investeringen in herhuisvesting van de divisie NL EVD Internationaal.

Doelmatigheid

Agentschap NL heeft haar bedrijfsvoering efficiënt vormgegeven. Doordat de uitvoeringsactiviteiten vanaf 2010 bijeengebracht zijn in één agentschap treedt in de eerste plaats kwaliteitswinst voor de doelgroepen (bedrijven, andere overheden en kennisinstellingen) op. Door verdere stroomlijning van de ondersteunende functies binnen Agentschap NL is ook in 2011 kwaliteitswinst te boeken en effectiviteit te winnen.

Doelmatigheid
 

2009

2010

2011

Inputindicatoren

SN

EVD

OCNL

Agentschap NL

Agentschap NL

Kernindicatoren

     

Verhouding direct/indirect personeel in fte’s

1 504 fte

261 fte

362 fte

93 fte

86 fte

33 fte

1 997 fte

372 fte

1 863 fte

372 fte

Verklarende/achterliggende variabelen

     

Personeelskosten per fte

€ 75 514

€ 72 552

€ 74 000

€  76 478

€ 77 709

Totaal aantal fte’s

1 765 fte

479 fte

119 fte

2 368 fte

2 235 fte

Kosten inhuur externen (x 1 000)

€ 54 857

€ 13 930

€ 1 435

€ 66 656

€ 61 423

Outputindicatoren

SN

EVD

OCNL

Agentschap NL

Agentschap NL

Kernindicatoren

     

Uurtarief

2,4% reële tariefstijging

3,43% reële tariefstijging

– 3,6% reële tariefdaling

1,0% reële tariefstijging

1,9% reële tariefstijging

Aantal declarabele uren per fte en totaal

1 454 uren/fte,

2,19 mln uren totaal

1 434 uren/fte,

552 090 uren totaal

1 146 uren/fte, 136 329 uren totaal

1 448 uren/fte,

2,89 mln uren totaal

1 448 uren/fte,

2,84 mln uren totaal

Aantal werkbare en bruto/netto beschikbare uren

2 032 werkbaar

1 656 bruto

1 568 netto

2 032 werkbaar

1 659 bruto

1 568 netto

2 032 werkbaar

1 663 bruto

1 592 netto

2 040 werkbaar

1 671 bruto

1 579 netto

2 048 werkbaar

1 679 bruto

1 587 netto

Verklarende/achterliggende variabelen

     

Bedrijfsresultaat / omzet (x 1 000)

€ 4 921/

€ 168 692

€ 0/

€ 42 000

€ 389/

€ 16 749

€ 260/

€ 274 390

€ 50/

€ 268 097

Kwaliteitsindicatoren

SN

EVD

OCNL

Agentschap NL

Agentschap NL

Kernindicatoren

     

Klanttevredenheid

7,5

Niet beschikbaar

7,8

Doelgroep:

≥ 7,5

Opdrachtgevers:

≥ 7,5

Doelgroep:

≥ 7,5

Opdrachtgevers:

≥ 7,5

Doorlooptijd primaire processen

Verleningen: 86%

Declaraties: 95,5%

Declaraties

< 50%;

23 dagen.

Declaraties

> 50%;

32 dagen

Vastgelegd in Wettelijke bepalingen

Verleningen:

≥ 95%

Declaraties:

≥ 95%

Octrooien 100%

Verleningen:

≥ 95%

Declaraties:

≥ 95%

Octrooien 100%

Gehonoreerde bezwaarschriften

605 (32,3% van totaal)

10 (20% van totaal)

83 (<0,1%)

≤ 25%

NL-OC ≤ 0,1%

Overig ≤ 25%

Aantal klachten

23

3

N.v.t.

< 25

< 25

Medewerkertevredenheid

7,5

7,6

7,4

≥ 7,5

≥ 7,5

Verklarende/achterliggende variabelen

     

Ziekteverzuim %

4,3 %

4 %

4,3 %

4,5 %

4,5 %

EZ hanteert een aantal doelmatigheidsindicatoren ten aanzien van de baten-lastendiensten. Op basis hiervan rapporteren de baten-lastendiensten van EZ.

In 2009 hanteerden SenterNovem, OCNL en EVD verschillende definities voor de indicatoren, hierdoor is onderlinge vergelijking niet goed mogelijk. Voor 2010 is gebruik gemaakt van geüniformeerde definities.

Inputindicatoren

De ontwikkelingen in de streefwaarden van de inputindicatoren bevorderen de doelmatigheid; de verhouding direct/indirect personeel stijgt en het aantal inhuur fte’s (inclusief structurele inhuur) daalt samen met de inhuurkosten. Dit laatste is met name het gevolg van het afnemend opdrachtenpakket door enerzijds het aflopen van opdrachten in het kader van het crisispakketmaatregelen en anderzijds de kabinetsintensiveringen.

De personeelskosten per fte stijgen met de CPB-index, te weten 1,75%.

Outputindicatoren

De outputindicatoren betreffen de streefwaarden. De verhoging van het aantal werkbare en bruto/netto beschikbare uren hangt samen met het geringer aantal doordeweekse nationale feestdagen in 2011 ten opzichte van 2010.

Kwaliteitsindicatoren

De normen behorende bij kwaliteitsindicatoren zijn gelijk gesteld aan het normenkader 2010 met uitzondering van de indicator gehonoreerde bezwaarschriften, deze is voor 2011 voor de divisie NL-OC bijgesteld naar een reële waarde van – 0,1%.

Ook in 2011 zijn de streefwaarden van de kwaliteitsindicatoren onverminderd hoog, ten bate van de best mogelijke inzet voor klanten en opdrachtgevers.

Agentschap Telecom

Begroting van baten en lasten

Tabel 1 Begroting van baten en lasten voor het jaar 2011 Agentschap Telecom

Bedragen in € 1 000

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

realisatie

geactualiseerd

     

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

11 884

11 565

11 783

11 783

11 783

11 783

11 783

Opbrengst overige departementen

626

74

     

Opbrengst derden

19 133

18 919

20 154

20 176

20 176

20 176

20 264

Rentebaten

39

61

7

7

7

7

7

Vrijval voorzieningen

275

      

Diverse baten

138

300

305

305

305

305

305

Totaal baten

32 094

30 919

32 249

32 271

32 271

32 271

32 359

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

* personele kosten

19 502

19 809

20 434

20 434

20 434

20 434

20 434

* materiële kosten

9 132

9 636

9 112

9 178

9 112

9 107

9 112

Rentelasten

53

150

108

82

79

83

101

Afschrijvingskosten

       

* materieel

2 086

2 393

2 295

2 295

2 295

2 295

2 295

* immaterieel

14

      

Overige kosten

       

* dotaties voorzieningen

531

50

300

50

50

50

50

* diverse lasten

       

Totaal lasten

31 318

32 038

32 249

32 039

31 970

31 969

31 992

        

Saldo van baten en lasten

776

– 1 119

0

232

301

302

367

Algemeen

De geactualiseerde begroting 2010 is gebaseerd op de actuele inschatting van de baten en lasten 2010. De effecten van de taakstelling zijn verwerkt in de begroting.

Baten

Opbrengst moederdepartement

Tabel 1a Opbrengst per productgroep Agentschap Telecom
Bedragen in € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

realisatie

geactualiseerd

     

Structurele bijdrage moederdepartement

       

Juridische procedures

771

787

826

826

826

826

826

Antennebeleid

729

818

765

765

765

765

765

Beleidsvoorbereiding en -evaluatie

1 239

1 209

1 269

1 269

1 269

1 269

1 269

Repressieve handhaving

1 203

1 237

1 299

1 299

1 299

1 299

1 299

Bevoegd aftappen

500

524

550

550

550

550

550

Dataretentie

404

816

857

857

857

857

857

Wet informatie-uitwisseling Ondergrondse netten

892

1 144

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

Ruimtevaart

36

76

79

79

79

79

79

Compensatie ICT-projecten

611

      

Compensatie vergunningvrij

3 773

3 954

4 150

4 150

4 150

4 150

4 150

Subtotaal structurele bijdrage

10 156

10 565

10 995

10 995

10 995

10 995

10 995

        

Incidentele bijdragen

       

Projecten DGETM

1 727

1 000

787

787

787

787

787

Subtotaal projecten DGETM

1 727

1 000

787

787

787

787

787

        

Totaal

11 884

11 565

11 783

11 783

11 783

11 783

11 783

Structurele bijdragen

De opbrengst van het moederdepartement bestaat voor een groot deel uit een bijdrage in de kosten die volgens het vigerende tarievenbeleid niet aan derden mogen worden doorberekend, namelijk de kosten van juridische procedures en van repressieve handhaving. Verder bestaat de structurele bijdrage uit een bijdrage voor de kosten voor de uitvoering van het antennebeleid en beleidsvoorbereiding en -evaluatie, bevoegd aftappen, toezicht op de ruimtevaartwetgeving, de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten en de bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens (dataretentie). Tenslotte is er een bijdrage ter compensatie van opbrengstenderving als gevolg van vergunningvrije toepassingen.

Agentschap Telecom ontvangt incidentele bijdragen voor kosten die worden gemaakt voor verdelingsprojecten in opdracht van het Directoraat-Generaal Energie, Telecom en Markten (DGETM). Vanaf 2011 worden minder omvangrijke verdelingsprojecten verwacht.

Opbrengst overige departementen

Voor 2011 worden geen opbrengsten vanuit overige departementen verwacht. De deelname van Agentschap Telecom aan de fora wetenschap en communicatie van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden & Gezondheid (EMV&G) loopt conform het instellingsbesluit af per eind 2010. Daarnaast blijft de ondersteuning van de gemeenten en provincies in het dossier hoogspanningslijnen vooralsnog beperkt tot de jaren 2009 en 2010.

Opbrengst derden

Tabel 1b Opbrengst derden Agentschap Telecom
Bedragen in € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

realisatie

geactualiseerd

     

Productcategorie

       

Vaste verbindingen

3 523

2 987

3 145

3 145

3 145

3 145

3 145

Mobiele communicatie

4 704

4 421

4 728

4 728

4 728

4 728

4 728

Mobiele openbare telecommunicatienetwerken

1 190

1 596

1 941

1 941

1 941

1 941

1 941

Radiodeterminatie

28

20

28

28

28

28

28

Radiozendamateurs

6

4

4

4

4

4

4

Omroep

5 650

5 945

6 166

6 188

6 188

6 188

6 277

Overige/Verlengingen

 

73

77

77

77

77

77

Examens

149

186

156

156

156

156

156

Afgifte verklaringen, keuringen en erkenningen

4

6

6

6

6

6

6

Randapparatuur

2 000

2 000

2 099

2 099

2 099

2 099

2 099

Afnemerscategorie

       

Defensie

1 210

1 272

1 335

1 335

1 335

1 335

1 335

Korps Landelijke Politiediensten

131

138

145

145

145

145

145

BZK (C 2000)

43

45

47

47

47

47

47

Satellite Operators

462

226

276

276

276

276

276

E2R / E3 (Europese Commissie)

33

      

Totaal

19 133

18 919

20 154

20 176

20 176

20 176

20 264

Toelichting

De afwijking tussen 2011 en 2010 is grotendeels het gevolg van indexering en tariefstijging. Daarnaast worden vergunningopbrengsten voor 2,6GHz voor heel 2011 begroot. Voor 2010 was de helft van de opbrengsten voor 2,6GHz begroot in verband met de veiling halverwege 2010.

Rentebaten

Over het saldo op de rekening courant en deposito’s bij het Ministerie van Financiën ontvangt Agentschap Telecom rente. Deze begroting gaat uit van een rentepercentage op deposito’s van 0,5% op € 1,5 mln gedurende het jaar. Voor het saldo op de rekening courant is de rente 0%.

Bijzondere baten

Voor 2011 is rekening gehouden met een bedrag van € 0,3 mln voor de baten die volgen uit het uitlenen van personeel, door te belasten huisvestingskosten en het afstoten van materieel zoals dienstauto’s.

Lasten

Personele kosten

Bij de berekening van de personele kosten voor 2011 is rekening gehouden met een loonstijging van 1,75% in 2011 ten opzichte van de geactualiseerde begroting 2010. De verwachte gemiddelde bezetting voor 2011 is 275,0 fte (2010: 277,5 fte), waarvan 250 fte ambtelijk personeel (2010: 253 fte). De gemiddelde totale personeelskosten zijn € 74 305 per fte in 2011 (geactualiseerd 2010: € 69 990). De loonkosten per ambtelijke fte in 2011 worden geraamd op € 68 066 (geactualiseerd 2010: € 66 895). De gemiddelde kosten voor niet-ambtelijk personeel zijn begroot op € 102 292 per fte (geactualiseerd 2010: € 100 533).

Materiële kosten

Bij de berekening van de materiële kosten voor 2011 is uitgegaan van de CPB-index «prijs overheidsconsumptie, netto materieel» van 1,75%. De huisvestingskosten bedragen in 2011 circa € 2,5 mln.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zullen vanaf 2011 lager uitvallen door de lagere investeringen in afgelopen jaren.

Rentelasten

De rente betreft de vergoeding die Agentschap Telecom betaalt voor leningen bij het Ministerie van Financiën om investeringen in vaste activa te financieren. Uitgangspunt is een rentepercentage van gemiddeld 2,6% voor de toekomstige langlopende leningen.

Dotaties voorzieningen

De stelselwijziging betreffende de financiële verslaggeving met ingang van 2007 heeft tot gevolg dat het aantal voorzieningen en daarmee de dotaties is afgenomen. In 2011 wordt met een bedrag van € 250 000 rekening gehouden als toevoeging aan voorzieningen (wachtgelders, ambtsjubileum en dubieuze debiteuren). Vanaf 2012 is dit € 50 000.

Saldo van baten lasten

Het negatieve resultaat over 2010 is bedoeld om de post te verrekenen met vergunninghouders af te bouwen tot een niveau waarmee korte termijn dekkingsresultaten op tarieven genivelleerd kunnen worden. Voor 2011 wordt uitgegaan van een kostendekkende begroting.

Kasstroomoverzicht

Tabel 2 Kasstroomoverzicht 2011 Agentschap Telecom
Bedragen in € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

realisatie

geactualiseerd

     

1. Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito)

32

5 843

3 132

2 112

1 771

1 533

1 849

        

2. Totaal operationele kasstroom

4 784

1 137

2 453

2 446

2 531

2 571

2 636

        

3a -/- totaal investeringen

– 2 658

– 2 714

– 3 053

– 3 053

– 3 053

– 3 053

– 3 053

3b + totaal boekwaarde desinvesteringen

       

3. Totaal investeringskasstroom

– 2 658

– 2 714

– 3 053

– 3 053

– 3 053

– 3 053

– 3 053

        

4a -/- eenmalige uitkeringen aan moederdepartement

1 000

– 290

  

– 86

– 111

– 111

4b + eenmalige stortingen door moederdepartement

  

425

    

4c -/- aflossingen op leningen

– 315

– 845

– 845

– 734

– 631

– 591

– 698

4d + mogelijk beroep op leenfaciliteit

3 000

  

1 000

1 000

1 500

1 000

4. totaal financieringskasstroom

3 685

– 1 134

– 420

266

284

798

191

        

5. Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)

(=1+2+3+4) (maximale roodstand € 0,5 mln)

5 843

3 132

2 112

1 771

1 533

1 849

1 623

Toelichting

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

In 2011 verwacht Agentschap Telecom circa € 3,1 mln te investeren in materiële vaste activa. De investeringen betreffen voornamelijk elektronische apparatuur.

Financieringskasstroom

De aflossing van de leningen, variërend van 4 tot 10 jaar, zal circa € 0,8 mln bedragen in 2011. Voor 2011 voorziet Agentschap geen lening om de investeringen te financieren.

Doelmatigheid

Inputindicatoren

2009

realisatie

2010

geactualiseerd

2011

begroting

Kernindicatoren

   

Verhouding direct/indirect personeel in fte’s en €

175,7 fte / 90,4 fte

184,7 fte / 92,8 fte

190 fte / 85 fte

€ 12,8 mln / 6,4 mln

€ 13,8 mln / 6,0 mln

€ 14,1 mln / 6,3 mln

Verklarende/achterliggende variabelen

   

Personeelskosten per fte

€ 73 316

€ 69 990

€ 74 305

Totaal aantal fte’s

266,0

277,5

275,0

Inhuur externen o.b.v. PAO-definitie

€ 2,5 mln/ 20,5 fte

€ 2,2 mln/ 24,5 fte

€ 2,6 mln / 25,3 fte

Outputindicatoren

   

Kernindicatoren

   

Uurtarief (met stijging/daling in reële termen)

– 0,01%

2,86%

≤ 3,21%

Declarabiliteit (aantal declarabele uren per fte en totaal)

1420/1660

1429/1667

1429/1667

86%

≥ 86 %

≥ 86 %

Aantal werkbare en bruto/netto beschikbare uren

werkbaar: 1 829

werkbaar: 1 836

werkbaar: 1 836

bruto: 1 660

bruto: 1 667

bruto: 1 667

netto: 1 578

netto: 1 429

netto: 1 429

Verklarende/achterliggende variabelen

   

Bedrijfsresultaat / omzet

€ 0,8 mln / € 32,1 mln

€ -/-1,1 mln/ € 31,0 mln

€ 0,0 mln / € 32,2 mln

Kwaliteitsindicatoren

   

Kernindicatoren

   

Klanttevredenheid:

   

– opdrachtgevers

Niet in 2009

≥ 7

niet in 2011

– bedrijven

Niet in 2009

≥ 7

niet in 2011

    

Doorlooptijd primaire processen:

   

Vergunningaanvragen:

   

binnen 8 weken

98%

95%

95%

binnen 6 weken

97%

85%

85%

binnen 4 weken

95%

60%

60%

binnen 2 weken

89%

35%

35%

Elektronische aanvraag:

   

binnen 10 dagen

99%

95%

95%

Reactietijd storingsklachten:

   

Klachten van levensbelang binnen 4 uur

100%

100%

100%

Klachten van maatschappelijk belang binnen 12 uur

98%

98%

98%

Klachten van individueel belang binnen 3 werkdagen

92%

90%

90%

Gehonoreerde bezwaarschriften (aantal en in %)

18 (11%)

≤ 5%

≤ 5%

Aantal klachten

7

≤ 7

≤ 7

Medewerkertevredenheid

7

≥ 7

≥ 7

Verklarende/achterliggende variabelen

   

Ziekteverzuim%

4,7%

4,3%

4,3%

Doelmatigheidbevorderende maatregelen

Vanaf 2010 wordt extra gestuurd op lagere tarieven voor interim personeel.

7. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Operatie Vernieuwing Rijksdienst

Het Ministerie van Economische Zaken is naar aanleiding van de Operatie Vernieuwing Rijksdienst uit het Coalitieakkoord onder de titel Eén EZ aan de slag gegaan met het verminderen van de interne bureaucratie en het vergroten van de flexibiliteit tussen de onderdelen. Om tot een kleiner en slagvaardiger EZ te komen moet EZ in 2011 een apparaattaakstelling gerealiseerd hebben van € 37,9 mln en 721 fte. Zoals vastgesteld in de Zesde Voortgangsrapportage van het Programma Vernieuwing Rijksdienst (mei 2010), ligt EZ op schema met de implementatie van de taakstelling. Gezien de rijksbreed geldende fasering betekent dit evenwel dat de uitdaging voor 2011 relatief groot is, te weten 50% van de totale taakstelling.

Bedrijfsvoering

In 2011 zal EZ (verder) bouwen aan diverse bedrijfsvoeringaspecten, zoals:

  • de aansluiting op P-Direkt: P-Direkt is een rijksbrede shared service organisatie voor personeels- en salarisadministratie, waarop diverse departementen al geheel of gedeeltelijk zijn aangesloten. In 2009 en 2010 heeft EZ stappen gezet om de aansluiting op P-Direkt succesvol te laten verlopen. Door dit voorwerk kan EZ in één keer («big bang») worden aangesloten op P-Direkt. De aansluiting van EZ zal begin 2011 plaatsvinden. Ook een aantal betrokken medewerkers gaan in 2011 over naar P-Direkt;

  • het opzetten van een EZ breed dienstencentrum voor ICT met ingang van 1 januari 2011 voor het leveren van generieke ICT voorzieningen (infrastructurele voorzieningen, rekencentra en kantoorautomatisering) aan het kerndepartement, Agentschap NL en Agentschap Telecom. Het ICT dienstencentrum ontzorgt de afzonderlijke organisaties en is bevorderlijk voor de efficiency en de dienstverlening. Verder is EZ met het ICT dienstencentrum als geheel beter voorbereid op de invoering van de Digitale Werkomgeving Rijk. Tenslotte wordt op deze manier ook invulling gegeven aan de Eén-EZ gedachte.

Coördinerend opdrachtgeverschap

Met ingang van vorig jaar is een traject gestart om de opdrachtverlening vanuit EZ aan het nieuwe Agentschap NL voortaan uniform, geïntegreerd en gecoördineerd te laten plaatsvinden. Hiervoor zijn voor heel EZ geldende Raamafspraken vastgesteld en wordt jaarlijks een Opdrachtkader opgesteld. Daarbij is in het proces van de opdrachtverlening een aantal kernwaarden van toepassing zoals: de klant/doelgroep centraal, gelijkwaardigheid en vertrouwen in de samenwerking en eenvoud in procedures. Op basis van de ervaringen uit 2010 zal in 2011 aan de verdere ontwikkeling van het coördinerend opdrachtgeverschap gewerkt worden.

Duurzaam inkopen

In 2011 zullen de actuele milieucriteria worden toegepast bij alle aanbestedingen waarvoor milieucriteria zijn vastgesteld. Zowel voor de eigen aanbestedingen als voor de interdepartementale aanbestedingen die in het kader van Categoriemanagement worden uitgevoerd wordt op deze manier uitvoering gegeven aan de doelstelling om 100% duurzaam in te kopen. Wanneer dat bij een specifieke aanbesteding niet mogelijk is, zal dat worden toegelicht.

8. BIJLAGEN

8.1 Kerngegevens 2011 Ministerie van Economische Zaken (bedragen in € mln)

Algemene doelstelling Ministerie van Economische Zaken:
Het versterken van het duurzaam economisch groeivermogen in Nederland, door bevordering van het functioneren van de economie en markten.

Beleidsartikel

Algemene Beleidsdoelstelling

Operationele doelstellingen

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

Het versterken van het duurzaam economisch groeivermogen in Nederland, door bevordering van het functioneren van de economie en markten

1. Optimale marktordening en mededinging bevorderen

3. Vergroten vertrouwen van consumenten

87,2

87,0

43,2

      

Artikel 2 Een sterk innovatievermogen

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie

1. Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

2. Topprestaties op innovatiethema’s

517,4

665,3

196,5

      

Artikel 3 Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

Scheppen van een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat voor ondernemers en ondernemingen

1. Bevorderen level playing field

2. Stimuleren meer en beter ondernemerschap

3. Benutten van gebiedsgerichte economische kansen in (intern)nationaal concurrerende clusters

2 140,5

423,5

155,3

      

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

1. Optimale ordening en werking van de energiemarkten

2. Bevorderen van de voorzieningszekerheid

3. Verduurzaming van de energiehuishouding

414,4

1 357,0

7 611,1

      

Artikel 5 Internationale economische betrekkingen

Verbeteren van klimaat voor internationale handel en investeringen en vergroten van de Nederlandse internationale participatie om de concurrentiekracht van de Nederlandse economie te vergroten

Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame internationale economische rechtsorde

2. Bevorderen internationaal ondernemen (inkomend en uitgaand)

3. Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op buitenlandse markten

147,5

132,1

11,8

      

Artikel 8 Economische analyses en prognoses

Een breed vertrouwde bron van beleidsrelevante economische analyse zijn

 

13,0

13,0

1,6

      

Artikel 9 Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken

 

187,4

187,4

 
      

Artikel 10 Elektronische communicatie en post

Een hoogwaardig en adequaat aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie en post

1. Een efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

2. Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

3. Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

76,3

82,7

26,4

      

Artikel 21 Algemeen

Apparaatsuitgaven die niet zijn toegedeeld aan een beleidsartikel

 

98,6

103,9

2,3

      

Artikel 22 Nominaal en onvoorzien

Raming van de volgende type uitgaven: loonbijstelling, prijsbijstelling, onvoorzien en nog te verdelen posten

 

2,8

2,8

 

Totaal

  

3 685,2

3 054,7

8 048,3

8.2 Lijst van (overige) subsidies die niet op grond van een AMvB of ministeriële regeling worden verstrekt

Ingevolge artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies is het in bepaalde gevallen toegestaan om subsidies anders dan op grond van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te verstrekken. Dat is onder meer het geval indien het gaat om subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van de daarin genoemde gevallen is hier vooral het geval, genoemd onder c van belang: indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld vermeldt.

Artikel 1

Maximaal subsidiebedrag 2011 (in € 1 000)

Nederlands Normalisatie-instituut

 

Subsidie aan het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) voor het ontwikkelen van normen en waarden ten behoeve van door het Nederlandse bedrijfsleven geproduceerde goederen.

1 113

Artikel 2

Maximaal subsidiebedrag 2011 (in € 1 000)

Institutioneel onderzoek

 

Bijdrage aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) voor toegepast onderzoek op het gebied van ruimtevaart- en vliegtuigontwikkeling in brede zin. EZ levert een jaarlijkse vaste bijdrage.

2 224

  

Institutioneel onderzoek

 

Bijdrage aan MARIN voor maritiem onderzoek en het vervullen van een centrale rol in de maritieme kennisinfrastructuur.

2 419

  

Institutioneel onderzoek

 

Bijdrage aan Deltares voor onderzoek op het gebied van aan water gerelateerde vraagstukken.

2 021

  

Institutioneel onderzoek

 

Bijdrage aan TNO: bevorderen technologisch hoogwaardig onderzoek.

28 606

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het Dutch Polymer Instituut (DPI) voor in innovatieprogramma Polymeren: bevorderen innovatievermogen en concurrentiekracht door het stimuleren van fundamenteel-strategisch onderzoek.

14 084

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan Materials to innovate (M2i) voor het innovatieprogramma Materialen: bevorderen innovatievermogen en concurrentiekracht door het stimuleren van fundamenteel-strategisch onderzoek.

6 700

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het Technologisch Topinstituut Water voor het innovatieprogramma Water: bevorderen innovatievermogen en concurrentiekracht door het stimuleren van fundamenteel-strategisch onderzoek.

7 410

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het Center for Translational Molecular Medicine voor het innovatieprogramma Life sciences en Gezondheid: bevorderen innovatievermogen en concurrentiekracht door het stimuleren van fundamenteel-strategisch onderzoek.

29 935

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het instituut BioMedical Materials voor het innovatieprogramma Life sciences en Gezondheid: bevordering van kennisontwikkeling en -uitwisseling op het gebied van biomedische materialen tussen publieke en private partners.

11 640

  

Overig

 

Nederland Maritiem Land (NML). Bijdrage aan de algemene kosten en voor activiteiten op het gebied van innovatie.

346

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het Technologisch Topinstituut Logistiek voor het innovatieprogramma Logistiek: bevorderen innovatievermogen en concurrentiekracht door het stimuleren van fundamenteel-strategisch onderzoek.

5 215

  

Overig

 

Bijdrage aan de Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT) voor onderzoek naar de toekomst van «techniek en maatschappij».

195

  

Institutioneel onderzoek

 

Bijdrage aan de Stichting Technische Wetenschappen (STW): bevordering van hoogstaand technisch-wetenschappelijk onderzoek dat uitzicht biedt op maatschappelijke toepassing.

21 050

  

Innovatieprogramma’s

 

Bijdrage aan het Dutch Separation Technology Institute (DSTI) voor het innovatieprogramma Scheidingstechnologie: bevordering van kennisontwikkeling en -uitwisseling op het gebied van scheidingstechnologie.

7 896

Artikel 3

Maximaal subsidiebedrag 2011 (in € 1 000)

Bijdrage aan instituten

 

Subsidie aan EIM voor programma-onderzoek MKB en ondernemerschap. De subsidie is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie.

2 778

  

Bijdrage aan instituten

 

Subsidie aan het Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen voor financiering van activiteiten door het Centrum om de doelstellingen te bereiken die zijn opgenomen in de Statuten van de Vereniging en de EZ-notitie van december 2001.

1 000

  

Bijdrage aan instituten

 

Subsidie aan het Ondernemersklankbord dat binnen het MKB startende ondernemers helpt problemen op te lossen en faillissementen tegen te gaan. De adviseurs zijn oud-ondernemers en -managers die belangeloos adviseren.

386

  

Bevorderen Ondernemerschap

 

Nederlands Centrum voor Sociale Innovatie. Het Centrum richt zich op de vernieuwing van de arbeidsorganisatie.

300

  

Toerisme

 

Bijdrage aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen: bevordering van volumeontwikkeling inkomend toerisme, het stedelijk toerisme en internationale congressen.

16 622

  

Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

 

Bijdrage aan de 4 regionale ontwikkelingsmaatschappijen: doelstelling is het versterken van de economische structuur en tot stand brengen van vernieuwende economische activiteiten.

 

– Noordelijke ontwikkelingsmaatschappij (NOM)

2 385

– Ontwikkelingsmaatschappij Oost Nederland (OOST)

2 402

– Limburgse ontwikkelingsmaatschappij (LIOF)

1 354

– Brabantse ontwikkelingsmaatschappij (BOM)

1 137

Artikel 5

Maximaal subsidiebedrag 2011 (in € 1 000)

Acquisitie van buitenlandse bedrijven

 

Subsidie aan 4 Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen voor het uitvoeren van een ID-programma bij in Nederland gevestigde buitenlandse bedrijven.

1 050

Subsidie aan Vereniging Nederland Distributieland (NDL). EZ subsidieert samen met LNV en V&W een jaarlijks programma om knelpunten in de distributiesector binnen Nederland op te lossen.

416

Artikel 10

Maximaal subsidiebedrag 2011 (in € 1 000)

Broos van Erp Prijs

 

Subsidie aan de Stichting Media Plaza ten behoeve van financiële ondersteuning van het Nationaal ICT-event 2011 met daarin onder andere de uitreiking van de Broos van Erp Prijs.

125

8.3 ZBO’s en RWT’s

In deze bijlage is een overzicht opgenomen met de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) die onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken vallen. In geval een ZBO of RWT gefinancierd wordt vanuit de EZ-begroting, wordt het betreffende beleidsartikel aangegeven en het bijbehorende geraamde budgettaire bedrag voor 2011.

Naam ZBO en/of RWT

ZBO

RWT

Functie

Bijdrage uit departementale begroting (artikel)

Bedrag 2011 (in € 1 000)

Centraal Bureau voor de Statistiek

www.cbs.nl

X

X

Het verzamelen, bewerken en publiceren van statistieken ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap. Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. De wettelijke grondslag voor het CBS is de «Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek«.

Artikel 9

187 431

      

Centrale Commissie voor de Statistiek

X

 

Het, als onafhankelijke commissie, bewaken van de onafhankelijkheid, onpartijdigheid, relevantie, kwaliteit en continuïteit van het statistische programma van het CBS. De CCS houdt toezicht m.b.t. het CBS op de aanname van werk-voor-derden in verband met concurrentievervalsing, op de hoeveelheid administratieve lasten voor ondernemingen en instellingen bij de verwerving van gegevens en op het beschikbaar stellen van verzamelingen van gegevens (microbestanden) ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek door het CBS.

Geen bijdrage

 
      

Kamers van Koophandel en fabrieken

www.kvk.nl

X

 

Het bevorderen van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening. Taken volgens de Wet op de Kamers van Koophandel en de Handelsregisterwet: voeren van het Handelsregister, het loket voor ondernemers, voorlichting en het stimuleren van de regionale ontwikkeling.

Geen bijdrage

 
      

Stichting COVA

www.cova.nl

 

X

Er voor zorgen dat Nederland te allen tijde een minimum voorraad aardolieproducten heeft, om in tijden van crises te kunnen voldoen aan de aardolievraag.

Artikel 4

93 000

      

VSL

www.vsl.nl

www.hollandmetrology.nl

 

X

Het onderhouden en verwezenlijken van nationale meetstandaarden zoals vastgelegd in de Metrologiewet. Op grond van artikel 3 van deze wet is VSL b.v. door de minister van EZ hiervoor aangewezen.

Artikel 1

Totale bijdrage 1 14 607

      

Verispect

Zie onder VSL voor website

X

X

Het uitoefenen van het toezicht op de naleving van de Metrologiewet. Op grond van artikel 27 van deze wet is Verispect door de Minister van EZ hiervoor aangewezen. Daarnaast de uitvoering van het toezicht op de Waarborgwet zoals vastgelegd in de Waarborgwet.

Artikel 1

Zie VSL

      

Aangewezen instanties als bedoeld in art. 12 Metrologiewet

Zie onder VSL voor website

X

 

Het optreden als onafhankelijke toetsende instantie bij overeenstemmingsbeoordelingen van meetinstrumenten. De werkzaamheden die zij verrichten kunnen per overeenstemmingsbeoordeling verschillen maar omvat o.a. het beoordelen van kwaliteitssystemen, het afgeven van certificaten van typeonderzoek of ontwerponderzoek en het keuren van meetinstrumenten.

Geen bijdrage

 
      

WaarborgHolland

www.waarborgholland.nl

X

X

Het keuren van alle gouden, zilveren en platina voorwerpen boven een bepaalde gewichtsdrempel en alvorens zij op de Nederlandse markt worden gebracht, te voorzien van één of meerdere stempelmerken (het waarborgen). Deze taak is vastgelegd in de Waarborgwet 1986. De stempelmerken worden alleen aangebracht nadat het juiste gehalte aan edelmetaal door onderzoek is vastgesteld.

Geen bijdrage

 
      

Edelmetaal Waarborg Nederland

www.ewnederland.nl

X

X

Zie functiebeschrijving Waarborg Holland.

Geen bijdrage

 
      

Raad voor de Accreditatie

www.rva.nl

X

X

Verifiëren dat instellingen die actief zijn op het gebied van laboratoriumtesten, inspecteren, kalibreren en certificeren aan accreditatienormen voldoen. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie.

Artikel 1

212

      

Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)

www.opta.nl

X

X

Het zorgen voor concurrentie en vertrouwen in de communicatiesector in het belang van de consument.

De taken van OPTA volgens de Telecommunicatiewet en de Postwet: 1) concurrentiebevordering door het uitvoeren van marktanalyses, het stimuleren van investeringen en innovaties en het garanderen van de bereikbaarheid van diensten en de communicatiemogelijkheden van eindgebruikers onderling; 2) consumentenbescherming door bijv. bewaking van privacy en het vergroten van internetveiligheid; 3) waarborgen van de benodigde randvoorwaarden op de communicatiemarkten, zoals het beheer van nummerplannen en de registratie van marktpartijen.

Artikel 10

3 563

      

Raad van Bestuur Nederlandse Mededingingsautoriteit (met ingang van 1 juni 2005) 2

www.nmanet.nl

X

 

De uitvoering van de Mededingingswet: toezien op een eerlijke concurrentie in alle sectoren van de Nederlandse economie, handhaving van het verbod op kartels of misbruik van een economische machtspositie en toetsing van fusies en overnames. Daarnaast de uitvoering van het toezicht op de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en sectorspecifiek (mededingings)toezicht op de spoorsector en overig openbaar vervoer als tram-, metro- en busvervoer.

Artikel 1

982

      

Keuringsinstanties als bedoeld

in artikel 10.3 Telecommunicatiewet 3

X

 

Het afgeven van rapporten, certificaten of EG-typeverklaringen voor radiozendapparaten en randapparaten.

Geen bijdrage

 
      

Examinerende instanties als bedoeld in artikel 19 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008 4

 

X

Het afnemen van examens ter verkrijging van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte.

Geen bijdrage

 
XNoot
1

Dit bedrag is niet alleen bedoeld voor dit instituut maar omvat ook de bijdrage aan Verispect en de verplichte bijdrage aan de internationale organisaties BIPM, OIML en Welmec.

XNoot
2

Het toezicht op het ZBO-deel van de NMa vindt plaats aan de hand van wettelijke kaders (ZBO wet NMA). De uitvoeringsorganisatie van de NMa is onderdeel van EZ en het toezicht hierop vindt plaats via de reguliere management control-systematiek van EZ.

XNoot
3

Het gaat hierbij om het volgende cluster aan ZBO’s: Dare!! Consultancy, Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, Philips Consumer Electronics BV, Thales Nederland BV, TNO Electronic Products and Services BV en TNO Fysisch en Elektronisch Laboratorium.

XNoot
4

Inwerkingtreding per 1 augustus 2008, Ministeriële Regeling; Staatsblad 28 juli 2008, nr. 143. De examinerende instanties vervangen de Examencommissie voor amateurradiozendexamens en voor maritieme communicatie.

8.4 Moties en toezeggingen

1. Moties sinds september 2009 (lopende parlementaire jaar)

Directie

Indiener

Omschrijving

Vindplaats

Stand van Zaken

TM/ MC

Aasted-Madsen-van Stiphout/ Vos

over de realistisch te bereiken snelheden van vaste en mobiele internetabonnementen

27 879, nr. 30

De Tweede Kamer zal in de tweede helft van 2010 geïnformeerd worden

     

MC

Aasted-Madsen-van Stiphout c.s.

over contracten afgesloten via de cold-callingmethode

27 879, nr. 29

Onderhanden

     

MC

Azough/ Gerkens

over onderzoek of het huidige consumentenrecht voldoende bescherming biedt

32 123 VI, nr. 55

Het voortouw ligt bij het Ministerie van Justitie

     

MC

Azough c.s.

over collectieve schadevergoedingsacties van consumenten

32 123 VI, nr. 56

De Tweede Kamer is 21-12-2009 geïnformeerd, 32 123 VI, nr. 78

     

O/ I

Blanksma-Van den Heuvel/ Elias

Over een overzicht van alle ondernemerschap en innovatiesubsidies

31 311, nr. 33

De Tweede Kamer is 29-01-2010 geïnformeerd, 31 311, nr. 38 en 16-04-2010 geïnformeerd, 31 311, nr. 52

     

O/ AEP

Blok/ Koser Kaya

Over organisaties van ZZP’ers in de SER

32123-XV, nr. 23

VNO-NCW en MKB-Nederland hebben een zetel ter beschikking gesteld op 09-03-2010

     

HPG

Cramer c.s.

over duurzaamheids- en dierenwelzijneisen aan producten van buiten de EU

32123-XIV, nr. 105

De Tweede Kamer is 15-04-2010 geïnformeerd, 32 123 XIV, nr. 193

     

HPG

Van Dam c.s.

Over verplichten van bedrijven om aan te tonen hoe hun producten tot stand zijn gekomen

32 123 V, nr. 34

Een kabinetsbrief over uitvoering van deze motie wordt voorbereid

     

O

Eijsink c.s.

over het terugdraaien van investeringen in het eerste JSF-testtoestel

26 488, nr. 236

De Tweede Kamer is 28-05-2010 en 18-06-2010 geïnformeerd, 26 488, nr. 240 en 26 488, nr. 42

     

RR

Elias

Over een inspectievakantie voor bedrijven

29 515, nr. 312

De Tweede Kamer is 22-04-2010, 29 515, nr. 318

     

BE

Van Gent c.s.

over de correspondentie tussen het kabinet en de Europese Commissie

32 123 XIV, nr. 147

De Tweede Kamer is 17-03-2010 geïnformeerd, 21501-02, nr. 955

     

TM/ WJZ

Gerkens c.s.

over bescherming van de consument tegen malafide SMS-diensten

31 412, nr. 17

De Tweede Kamer is 22-02-2010 geïnformeerd, 31 412, nrs. 18 en 19

     

I

Van Gerven c.s.

over uitwerken van optie 2 en 3 van het rapport «Veredelde Zaken»

27 428, nr. 165

Onderhanden

     

HPG/ O

Gesthuizen

Over informatie voor NGO’s over de maatschappelijke aspecten van een onderneming

26 485, nr. 77

De Tweede Kamer is 02-02-2010 geïnformeerd, 26 485, nr. 86

     

TM

Gesthuizen

over de rol van de motie Gesthuizen/ Vos (29502, nr. 25) bij toekomstige postaanbestedingen

29 502, nr. 30

Deze motie zal door het Ministerie van Financiën behandeld worden

     

TM

Gesthuizen/ Vos

Over niet tegenstrijdig zijn van een offerte met de doelen omtrent goede arbeidsvoorwaarden

29 502, nr. 25

De Tweede Kamer is 23-03-2010 door de Minister van Financiën geïnformeerd, 29 502, nr. 29

     

HPG

Gesthuizen/ Voordewind

over inzichtelijk maken dat buitenlandse leveranciers de fundamentele arbeidsrechten niet schenden

26 485, nr. 96

Een kabinetsbrief over uitvoering van deze motie wordt voorbereid

     

TM

Gesthuizen c.s.

over een onderzoek door de Arbeidsinspectie naar de werkdruk en psychosociale arbeidsbelasting bij TNT

30 536, nr. 121

Het voortouw ligt bij het Ministerie van SZW

TM

Gerkens c.s.

Over de mogelijkheid om IPv6 verplichtend op te leggen

26 463, nr. 151

De Tweede Kamer is 11-05-2010 geïnformeerd, 26 643, nr. 155

     

RR

Graus

Over een maximale inspanning ter vermindering van regeldruk

32 123 XIII, nr. 25

De Tweede Kamer is 22-04-2010 geïnformeerd, 29 515, nr. 318

     

I/ ED/ EM

Van der Ham/ Samsom

Over de onderhandelingsinzet voor het achtste kaderprogramma

32 123 XI, nr. 47

De Tweede Kamer is 25-05-2010 geïnformeerd, 21501-30, nr. 231

     

MC

Van der Ham/ Vos

over de effecten voor tijdschriften en dagbladen van initiatiefwetsvoorstel Van Dam

30 520, nr. 15

De evaluatie wordt twee jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel gevraagd

     

CCS

Van der Ham

Over de vergunningverlening voor CO2-opslag onder locatie Barendrecht Ziedewij

28 982, nr. 94, gewijzigd, is 100 geworden

De Tweede Kamer is 12-02-2010, 28 982, nr. 102 en 12-04-2010 geïnformeerd, 28 982, nr. 104

     

I/ AEP

Hamer c.s.

over de ambitie om onderwijs en wetenschap tot de mondiale top vijf te laten behoren

32 123, nr. 10

De Tweede Kamer is 01-04-2010 geïnformeerd, 32 359, nr. 1

     

REB

Heijnen/ de Pater-Van der Meer

Over het bijdragen van reorganisaties van de Rijksoverheid aan de economische structuur van krimpgebieden

32 123 VII, nr. 35

Behandeld tijdens de begrotingsbehandeling

     

AEP/ O

Ten Hoopen c.s.

Over verdubbeling van de periode waarin met behoud WW-uitkering een bedrijf kan starten

32 123, XIII, nr. 16

Het verzoek is aan het Ministerie van SZW overgebracht

     

O/ AEP

Ten Hoopen c.s.

Over een financieringsfonds

32 123 XIII, nr. 17, gewijzigd, is 36 geworden

De Tweede Kamer is 18-12-2009 geïnformeerd, 31 371, nr. 299

     

O

Ten Hoopen c.s.

Over overleg met de Kamers van Koophandel

32 123 XIII, nr. 18, gewijzigd, is 37 geworden

Onderhanden, in het najaar volgt de kabinetsreactie op de evaluatie van de Kamers van Koophandel

     

I

Jacobi

over een dialoog met stakeholders in de sector en de maatschappelijke organisaties

27 428, nr. 166

Onderhanden

     

IPE/ O

Kalma

Over de rol van financiële sector bij het realiseren van een duurzame energievoorziening en MVO in brede zin

26 485, nr. 79

Op verzoek van EZ wordt vanuit het RegieOrgaan EnergieTransitie informeel overleg gevoerd met vertegenwoordigers van banken omtrent «de financiering» van duurzame energietransitie. Doel is de oplossingsmogelijkheden bij banken en overheid te verkennen

     

HPG

Kalma c.s.

over de gevolgen van een uitspraak van het NCP voor overheidssteun

26 485, nr. 93

Deze motie wordt betrokken bij de evaluatie van het NCP

     

O

Leerdam c.s.

Over overschakeling van de bioscoopsector op digitale technologie

27 406, nr. 157

De Tweede Kamer is 18-12-2009 geïnformeerd, 27 406, nr. 168

     

O

Leerdam

Over de gevolgen van de bezuiniging op de innovatieregeling

27 406, nr. 158

De Tweede Kamer is 18-12-2009 geïnformeerd, 27 406, nr. 168

     

REB

Linhard

Over een economisch programma om de schaalsprong Amsterdam–Almere–Markermeer te dragen

31 089, nr. 64

Het concept van het economisch plan is gereed, wordt naar verwachting in de zomer vastgesteld