nr. 157
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN STAATSSECRETARIS
VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juni 2008
Hierbij willen wij nader ingaan op de onderhandelingen inzake de Economic
Partnership Agreements (EPA’s). In het bijzonder zal aandacht besteed
worden aan de ruimte voor herziening en aanpassing van de akkoorden, zoals
toegezegd door de staatssecretaris van Economische Zaken in het VAO van 22 mei
jl. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2007–2008, nr. 87, blz.
6150–6154) naar aanleiding van de nog niet in stemming gebrachte motie
25 074, nr. 153 van de heer Irrgang (SP) en de heer Vendrik (GroenLinks).
Het waarborgen van de EPA als instrument voor economische
ontwikkeling
EPA’s dienen de economische ontwikkeling van de ACP-landen te ondersteunen
en niet te ondergraven. Dit is een uitgangspunt dat door alle betrokkenen,
de Europese Commissie, de lidstaten en de ACP-landen wordt gedeeld. Uit het
pleidooi voor het opnemen van herzieningsclausules spreekt de zorg dat de
huidige afspraken wellicht onvoldoende waarborg zouden bieden voor een effectieve
aanpak van mogelijke negatieve gevolgen van de (interim-) EPA’s. De
regering deelt die zorg en heeft deze ook geuit in Brussel tijdens de RAZEB
van 26/27 mei jl. Naast een pleidooi voor een flexibele en pragmatische
aanpak van de Europese Commissie bij zowel de vervolgonderhandelingen als
de implementatie van de akkoorden, dringt Nederland aan op een goed monitoringsysteem.
Onderstaand treft u een overzicht van de verschillende technische mogelijkheden
(én het Nederlandse standpunt hierop) die de EPA’s bieden om
dan wel in de onderhandelingsfase dan wel in de implementatiefase zaken aan
te passen wanneer dit in het belang is van de ontwikkeling van de ACS-landen.
Flexibele opstelling van de EU noodzakelijk in vervolgonderhandelingen
Na moeizame onderhandelingen zijn het afgelopen jaar een aantal akkoorden
tot stand gekomen met de ACS-landen. Deze (interim)akkoorden hebben ervoor
gezorgd dat een goede markttoegang tot de EU voor de ACS-landen is gewaarborgd.
Om deze akkoorden juridische status te geven, en daarmee WTO-panels te voorkomen,
is het belangrijk dat deze ondertekend worden. Het bevorderen van regionale
integratie in de verschillende regio’s is echter eveneens zeer belangrijk
voor de economische ontwikkeling van de ACS-landen. Het opschalen van individuele
naar regionale akkoorden biedt hiervoor de beste kans, op voorwaarde dat hier
draagvlak voor aanwezig is aan ACS-zijde. Het is daarom van belang dat de
EU zich flexibel opstelt in de vervolgonderhandelingen, en daar hebben de
lidstaten zich dan ook voor uitgesproken tijdens de RAZEB. Dit betekent dat
de interimakkoorden wel als uitgangspunt voor de vervolgonderhandelingen dienen,
maar niet als blauwdruk voor de regionale akkoorden moeten gelden. Ook moeten
markttoegangsschema’s aangepast worden wanneer dit in het belang is
van regionale integratie en ACS-landen moeten gunstige bepalingen in akkoorden
in andere regio’s, waar van toepassing, kunnen overnemen. Dit is expliciet
verwoord in de raadsconclusies (zie bijlage)1.
Dit doet overigens niets af aan de Nederlandse positie dat ACS-landen
uiteindelijk zelf moeten kiezen voor een EPA. Wanneer hiervoor geen draagvlak
bestaat dan blijft het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS standaard, APS+
of EBA, afhankelijk van de kwalificaties van een ontwikkelingsland) wat Nederland
betreft een alternatief. Alle ACS-landen hebben zich tot op heden uitgesproken
voor voortzetting van de onderhandelingen.
Monitoring en aanpassing
Het is gebruikelijk dat onder een handelsakkoord een monitoringsysteem
wordt opgezet. In de regel bestaat dit uit de opzet van een gemeenschappelijke
raad die de implementatie in de praktijk nauwlettend blijft volgen (al dan
niet bijgestaan door een technisch comité). Indien noodzakelijk kunnen
Verdragspartijen in deze raad besluiten om afspraken te herzien, bijvoorbeeld
in de markttoegangsschema’s. De volledige EPA met Cariforum heeft dan
ook een uitgebreid institutioneel hoofdstuk (Deel V) dat bepaalt waar de Verdragspartijen
eventuele kwesties kunnen neerleggen. De institutionele hoofdstukken in de
interim-EPA’s zijn nog niet allemaal even ver uitgewerkt, maar er is
geen twijfel dat uiteindelijk eenzelfde institutionele structuur zal worden
gekoppeld aan de volledige akkoorden. Nederland is voorstander van een goede
institutionele inrichting van de EPA’s, waarbij op actuele kwesties
die zich in de handelspraktijk kunnen voordoen adequaat kan worden ingesprongen.
De recente raadsconclusies hebben het belang van goede monitoring benadrukt.
Beschermings- en herzieningsclausules
Tenslotte is van belang dat de akkoorden zelf al op verschillende manieren
ruimte bieden om de ACS-landen te beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen
als gevolg van de liberaliseringsafspraken. De verschillende vrijwaringsclausules
in interim-akkoorden kunnen worden ingeroepen op het moment dat de markt wordt
of dreigt te worden geraakt ten gevolge van het openen van de markt. Deze
clausules kunnen ook worden ingeroepen om een «infant industry»
te beschermen of maatregelen te nemen in het kader van voedselzekerheid, milieu
of betalingsbalansproblemen. Daarnaast maakt de EPA met Cariforum melding
van een specifieke herzieningsclausule (artikel 246) waarin ruimte wordt geboden
om het akkoord wanneer gewenst op onderdelen aan te passen. Ook in de interim-EPA met SADC staat eenzelfde soort formule (artikel 108). De
Europese Commissie heeft bevestigd dat het voor de hand ligt een dergelijke
clausule ook in andere toekomstige regionale akkoorden op te nemen.
De Nederlandse regering meent dat op bovenstaande wijze tegemoet wordt
gekomen aan de betreffende zorgen van de Kamer, c.q. de indieners van de betreffende
motie. De regering zal zich sterk blijven maken voor een effectieve toepassing
van alle mogelijke flexibiliteit die de huidige en toekomstige akkoorden bieden.
De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A. G. Koenders
De staatssecretaris van Economische Zaken
F. Heemskerk