nr. 370
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 december 2009
Tijdens het algemeen overleg met uw Kamer op 18 november 2009 (24 036,
nr. 369) heb ik toegezegd te bezien in hoeverre er aanleiding is tot aanpassing
van randnummer 40d van de beleidsregels. Ook heb ik toegezegd contact te zullen
opnemen met MKB Nederland om na te gaan waar er nog problemen zijn met de
vermeende onhelderheid van de Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2009.
Randnummer 40d
Op 15 december 2009 is tijdens een bijeenkomst bij VNO NCW en MKB
Nederland door mijn ministerie een toelichting gegeven bij de beleidsregels.
Tijdens de bijeenkomst is ook de betekenis van randnummer 40d van de beleidsregels
toegelicht, waarin staat dat een combinatie niet onder het kartelverbod valt
indien zij wordt afgedwongen door de opdrachtgever. In dat geval is de concurrentie
niet beperkt op instigatie van de deelnemers aan een combinatie en is daarom
een zodanige combinatie zonder meer toegestaan. Dit sluit zeker niet uit dat
een combinatie ook is toegestaan, indien zij is gevormd op verzoek van de
opdrachtgever. Ondernemingen hebben in een dergelijke situatie echter de keuze
wel of niet een combinatie te vormen en moeten zich daarom de vraag stellen
wat daarvan de gevolgen zijn voor de concurrentie. Combinatievorming op verzoek
van de opdrachtgever is dus toegestaan, op voorwaarde dat zij geen negatieve
gevolgen heeft voor de concurrentie. Dit is in lijn met de uitleg van het
kartelverbod. Het is derhalve niet nodig randnummer 40d te wijzigen, aangezien
uit de beleidsregels reeds volgt dat combinatievorming op verzoek is toegestaan,
mits die geen negatieve gevolgen voor de concurrentie heeft.
Praktische handleiding voor het MKB
Tijdens de bijeenkomst bij VNO NCW en MKB Nederland is tevens ingegaan
op de functie van de beleidsregels, is een schematisch overzicht gegeven van
de inhoud daarvan en is aangegeven via welke stapsgewijze benadering
ondernemingen kunnen nagaan of een combinatieovereenkomst is toegestaan.
Evenals tijdens het algemeen overleg met uw Kamer is ook tijdens de bijeenkomst
bij VNO NCW en MKB Nederland de vraag gesteld of ik bereid ben samen met de
NMa en het bedrijfsleven een praktische handleiding te maken die de toetsing
vooral voor kleinere bedrijven eenvoudiger maakt.
Laat ik voorop stellen dat het belangrijk is dat het voor ondernemingen
duidelijk is aan welke regels zij zich moeten houden. Ook heb ik er begrip
voor dat het vooral voor kleine ondernemingen niet eenvoudig is via een «self
assessment» na te gaan of een combinatie verenigbaar is met de Mededingingswet.
Bij het uitvoeren van een «self assessment» wordt aan ondernemingen
houvast geboden door de Europese jurisprudentie en de verordeningen, richtsnoeren,
mededelingen en bekendmakingen die afkomstig zijn van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen. Deze geven aan ondernemingen inzicht in de toepassing
van de nationale Mededingingswet, omdat die georiënteerd is op het Europese
mededingingsrecht en naar analogie daarvan wordt toegepast. De beleidsregels
bevatten verwijzingen naar Europese jurisprudentie en verordeningen, richtsnoeren,
mededelingen en bekendmakingen die voor de beoordeling van combinatieovereenkomsten
relevant kunnen zijn.
Bovendien heb ik gebruik gemaakt van de mogelijkheid op grond van artikel
5d, eerste lid, van de Mededingingswet voor combinatieovereenkomsten beleidsregels
vast te stellen. Deze beleidsregels zijn bedoeld om de NMa richting te geven
hoe zij combinatieovereenkomsten onder de Mededingingswet moet beoordelen.
Ook bieden de beleidsregels ondernemingen houvast bij de beoordeling of een
combinatieovereenkomst die zij willen sluiten is toegestaan.
De beleidsregels zijn mede opgezet als een hulpmiddel voor ondernemers
om hun «self assessment» uit te voeren door stapsgewijze na te
lopen, of een combinatie wel de concurrentie kan beperken, of de bagatelvrijstelling
van toepassing is, of de combinatie concurrentiebeperking tot gevolg heeft,
en of de combinatie de strekking heeft de concurrentie te beperken.
Bij het opstellen van de beleidsregels heb ik het betrokken bedrijfsleven
tweemaal geconsulteerd en is de versie die ik definitief heb vastgesteld substantieel
gewijzigd ten opzichte van eerdere versies, omdat ik terdege rekening heb
gehouden met de reacties op beide consultaties. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk
duidelijkheid te bieden, onder andere door in te gaan op het verzoek voorbeelden
in de beleidsregels op te nemen van situaties waarin combinaties wel of niet
toegestaan zijn. Tijdens de bijeenkomst bij VNO NCW en MKB Nederland gaven
de aanwezige ondernemingen aan dat de voorbeelden inderdaad tot een verdere
verduidelijking hebben geleid, maar dat zij desondanks nog behoefte hebben
aan een praktische handleiding.
Het is echter eigen aan de systematiek van een direct werkende verbodsbepaling
en direct werkende vrijstellingen dat ondernemingen zelf verantwoordelijk
zijn voor het uitvoeren van een «self assessment». Formeel is
het aan de NMa te bewijzen of het kartelverbod in een bepaald geval is overtreden.
Doen de betrokken ondernemingen in een dergelijk geval een beroep op de bagatelvrijstelling
of op de algemene vrijstellingsmogelijkheid, dan is het aan hen te bewijzen
dat zij aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoen. De kwestie van de bewijslast
komt echter pas aan de orde, indien het tot een inbreukprocedure komt. Ondernemingen
hebben er zelf belang bij dit niet zo ver te laten komen en daarom
voordat zij tot afspraken komen eerst na te gaan of die niet onder het kartelverbod
vallen of, als dat mogelijk wel het geval is, te voldoen aan de voorwaarden
van een vrijstelling. Dit geldt ook voor ondernemingen die overwegen een combinatieovereenkomst
sluiten.
De beleidsregels vormen geen handleiding of checklist met een aantal vaste
criteria of snel en eenvoudig toepasbare vuistregels, aan de hand waarvan
ondernemingen in ieder concreet geval precies kunnen nagaan of een combinatie
wel of niet is toegestaan. Een poging om dergelijke criteria of vuistregels
te formuleren zou tekort schieten bij een economische benadering van de mededingingsproblematiek.
Daarvoor is de beoordeling of een combinatieovereenkomst wel of niet nadelig
is voor de concurrentie, te zeer afhankelijk van specifieke omstandigheden
op een markt die per geval verschillen. Het risico van enkele criteria of
eenvoudige vuistregels is dat de indruk kan worden gewekt dat combinatieovereenkomsten
zijn toegestaan die negatieve gevolgen voor de concurrentie hebben, of dat
combinatieovereenkomsten verboden zijn die niet mededingingsbeperkend zijn
of zelfs positieve effecten hebben.
Ik ga ervan uit dat de relevante Europese jurisprudentie, verordeningen,
richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen samen met de beleidsregels ondernemingen
voldoende houvast bieden om na te gaan of combinatieovereenkomsten onder de
Mededingingswet zijn toegestaan.
De minister van Economische Zaken,
M. J. A. van der Hoeven