Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031239 nr. 76

31 239
Stimulering duurzame energieproductie

nr. 76
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 november 2009

Met deze brief geef ik invulling aan mijn toezegging om u, voorafgaand aan de openstelling van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (hierna: SDE), te informeren over de door mij voorgenomen inhoud van deze regeling voor 2010.

In onderhavige brief zal ik ingaan op:

– een korte terugblik op de SDE in 2008 en 2009, inclusief de reeds gecommitteerde en nog te committeren vermogens en een toelichting op de verbeteringen die reeds zijn aangebracht en wat deze hebben opgeleverd;

– de belangrijkste elementen uit de SDE regeling 2010 en per categorie de voornemens voor 2010;

– de uitkomsten van de gesprekken, die ik in de zomermaanden heb gevoerd met betrokken partijen, over de mogelijkheden van een convenant voor de grootschalige bij- en meestook van biomassa in kolen- en gascentrales. Dit heb ik u bij het Algemeen Overleg van 19 mei jongstleden toegezegd en kom ik nu na;

– de voortgang van de kabinetsdoelstellingen ten aanzien van stimulering van duurzame energie via de SDE.

Ik heb u ook toegezegd de SDE 2010 open te stellen als vangnet voor nieuw te bouwen grote industriële warmtekrachtkoppelinginstallaties (WKK). Ik heb u hierover 16 oktober jl. geïnformeerd1. De toezegging om voor het einde van het jaar de Kamer te informeren over de, in het aanvullende coalitieakkoord afgesproken, nieuwe financieringswijze van de SDE zal ik in een separate brief zo spoedig mogelijk nakomen.

1. Stand van zaken SDE in 2008 en 2009

In mijn brief van 15 mei jl.2 heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van de SDE regeling 2009 op 6 mei. De regeling stond open van 6 april 2009 tot en met 30 oktober 2009. Het stimuleren van duurzame energie via de SDE-regeling boekt goede progressie. In totaal hebben in 2008 en 2009 al ruim 11 700 aanvragers een SDE-beschikking ontvangen. Nog voor het einde van 2009 zal het aangevraagde vermogen de 800 megawatt (MW) overschrijden, goed voor een productie van jaarlijks circa 2 900 gigawattuur aan duurzame elektriciteit. Dat is gelijk aan de levering van duurzame elektriciteit van ruim 900 000 huishoudens per jaar.

In de in bijlage 1 opgenomen tabel wordt onder andere een overzicht gegeven van de beschikte en aangevraagde vermogens per subcategorie tot en met 2009. Twee zaken verdienen bijzondere aandacht:

– Op verzoek van uw Kamer heb ik, conform de motie Samsom c.s.TK 2008–2009, 31 239, nr. 66., na sluiting van de SDE 2009 op 30 oktober 2009 het budget van de categorie wind op land overgeheveld naar de categorieën zon en biomassa. Dit leidt, conform de wens in de motie Samsom c.s., tot 11,8 MW meer zon, maximaal 15,2 MW extra biomassa en 139,4 MW minder wind op land. De schuif leidt er toe dat, zoals uw Kamer eerder is gemeld1, met gelijkblijvend budget in deze kabinetsperiode per saldo 112–116 MW minder duurzame energie via de SDE gecommitteerd kan worden. De regeling waarin deze budgetschuif wordt gerealiseerd, zal op 24 november 2009 in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarna zullen diegenen, die door deze budgetophoging alsnog in aanmerking komen voor een subsidiebeschikking, deze op korte termijn ontvangen.

– Tijdens het Algemeen Overleg van 3 september jongstleden heb ik u geïnformeerd over mijn voornemen om nog in 2009 het project Noordoostpolder tot een SDE-aanvraag te laten komen. Dit leidt tot committering van maximaal 429 MW wind op land. Ik heb u 17 november jl. geïnformeerd over de succesvolle afronding van de overleggen die in dat kader zijn gevoerd2. Een belangrijke mijlpaal, aangezien het project een belangrijke bijdrage levert aan het realiseren van de ambitie voor windenergie op land. De Rijkscoördinatieregeling zorgt ervoor dat de ruimtelijke inpassing en het vergunningstraject snel kunnen worden doorlopen.

Wind op land

Van de op grond van de SDE 2008 beschikte windmolenprojecten (91 MW) is inmiddels 26,4 MW draaiende. De hoeveelheid aanvragen voor wind op land in de 2009-ronde viel in eerste instantie tegen. Dit heeft onder andere te maken met voortgang in de vergunningverlening bij de ontwikkeling van grote parken. Ik heb, samen met andere betrokkenen, acties in gang gezet om de procedures te verkorten. Het project Noordoostpolder is hier het eerste concrete resultaat van. Met de Rijkscoördinatieregeling (projecten vanaf 100 MW) en de verplichte provinciale coördinatieregeling, opgenomen in het wetsvoorstel Crisis en Herstelwet (projecten tussen de 10 en 100 MW,) worden ruimtelijke inpassing en vergunningverlening van grote projecten aanzienlijk versneld.

Biomassa elektriciteit en gas

De verbeteringen in de SDE, die zijn doorgevoerd in de categorieën biomassa elektriciteit en gas, zijn positief door de sector opgepikt. De verhoging van de basisbedragen en de introductie van onder andere een warmtestaffel hebben veel partijen doen besluiten een aanvraag in te dienen. Binnen de categorieën biomassa elektriciteit en gas was de belangstelling dan ook groter dan het gepubliceerde budget.

Zon-pv

Net als in 2008 was er in 2009 veel belangstelling voor de categorie zon-pv klein. Doordat de toestroom groter was dan het beoogde groeipad van zon-pv, konden niet alle projecten worden gehonoreerd. Het mogelijk maken van elektronisch indienen, waar circa 40% van de aanvragers gebruik van heeft gemaakt, heeft de aanvraagprocedure duidelijk verbeterd. Waren er in 2008 nog gemiddeld 166 kalenderdagen nodig om een beschikking af te geven voor zon-pv klein, in 2009 waren dit nog maar 104 dagen. Er is echter nog voldoende ruimte voor verdere verbetering. Zo zal circa vier weken vóór openstelling in 2010 het digitale aanvraagformulier beschikbaar worden gesteld, zodat aanvragers vooraf al gegevens kunnen invullen. Ook wordt het gedachtegoed van verdere «high trust» gehanteerd, waarbij steekproefsgewijs controle achteraf van de aanvragen zal plaatsvinden. Met deze verbeterpunten kunnen subsidiebeschikkingen binnen de termijn van 13 weken (91 kalenderdagen) worden afgegeven.

In 2009 is een nieuwe categorie opengesteld om het «lerend implementeren» ook voor grotere installaties op gang te brengen. Gezien de overweldigende belangstelling ben ik positief dat dit doel zal worden bereikt.

RWZI, AWZI en stortgas

Op 1 juli 2008 traden de Waterschappen toe tot de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie, met als streven om de waterzuiveringsinstallaties energieneutraal te maken. Met het openstellen van de elektriciteits- en gascategorieën voor Riool Water Zuivering Installaties (RWZI), Afval Water Zuivering Installaties (AWZI) en stortgas wordt beoogd de ontwikkeling van nieuwe projecten uit te lokken. Uit de plannen die de Waterschappen in het kader van de Meerjarenafspraken in september 2009 hebben gepresenteerd, blijkt dat maar liefst twaalf Waterschappen de ambitie hebben uitgesproken om elk minimaal één opwerkingsinstallatie te bouwen, waarin afvalslib van waterzuiveringsinstallaties gebruikt wordt als bron van hernieuwbare energie. Daarom schuif ik de onderuitputting uit 2009 door naar 2010.

Waterkracht

In 2009 zijn ook kosteneffectieve waterkrachtprojecten in de SDE subsidiabel gesteld. Dit heeft geleid tot twee projecten die zijn beschikt met een verval kleiner dan 5 meter. De verwachting is dat de belangstelling voor deze categorie zal toenemen, vanwege de aanlooptijd die nieuwe projecten nodig hebben. Bij het ontwikkelen van projecten speelt de ecologie (visgeleiding) een belangrijke rol.

2. Belangrijkste elementen SDE 2010

In de afgelopen twee jaar is een goede basis gelegd, waar in 2010 op wordt voortgebouwd. Voor de SDE regeling 2010 worden dan ook geen grote wijzigingen doorgevoerd. Daarmee bouw ik verder aan een solide regeling, die voldoet aan de verwachtingen die in de markt zijn gecreëerd. Dit past bij het beeld van een betrouwbare overheid, welke essentieel is voor bedrijven om forse investeringen aan te durven gaan. De budgetten worden, geheel in lijn met wat eerder is gecommuniceerd naar de Kamer1, verdeeld over de verschillende categorieën, waarbij voor wind op land rekening wordt gehouden met de tweede openstelling in 2009. Waar subsidieplafonds in 2009 niet zijn uitgeput, wordt de onderuitputting toegevoegd aan de SDE 2010, bij dezelfde categorie.

Bij de keuze voor de basisbedragen heb ik mij gebaseerd op de adviezen die ECN2 en KEMA op mijn verzoek hebben uitgebracht. De ECN berekeningen van de SDE-tarieven laten geen grote wijzingen zien ten opzichte van 2009. De basisbedragen voor wind op land zijn licht gestegen, terwijl voor de overige categorieën de tarieven zijn gedaald of gelijk zijn gebleven.

De geraamde kasgevolgen van de bijgestelde realisatie en planning blijven binnen de beschikbare kasbudgetten.

Algemeen

In 2010 stel ik met de openstelling van de SDE-regeling 554–738 MW subsidiabel, exclusief de 950 MW voor windmolens op zee, waarvoor een aparte tender komt. Met de ruim 2 200 gigawattuur duurzame elektriciteit die daarmee wordt gesubsidieerd, kunnen 680 000 huishoudens van groene stroom worden voorzien. Daarmee levert de regeling een belangrijke bijdrage aan de verdere verduurzaming en structuurverbetering van onze energiehuishouding.

Subsidieplafond in:

Categorie:megawattGigawattuurMln. euro
Wind op land355–5001100937
Biomassa elektriciteit30–38240–304380
Biomassa gas16–22128–176180
Zon-pv klein201769
Zon-pv groot5424
Elektriciteitsopwekking op basis van RWZI, AWZI en stortgas97213
Hernieuwbaar gasproductie op basis van RWZI, AWZI en stortgas141310424
AVI’s86337238
Waterkracht20–4576–21690
Totaal (exclusief wind op zee)554–7382078–23301955

De openstelling van de SDE-regeling 2010 wordt voorzien op de vierde maandag na publicatie van de regeling in de Staatscourant. Aanvragers hebben dan minimaal vier weken de tijd om aanvragen voor te bereiden. Een uitzondering daarop is de categorie zon-pv groot, die 13 weken later wordt opengesteld. De gefaseerde openstelling voor de categorie zon leidt tot een meer geleidelijke afgifte van subsidiebeschikkingen, zodat de sector de vraag naar zonnepanelen beter kan verwerken. Wanneer het aanstaande Algemeen Overleg met Uw Kamer niet meer leidt tot substantiële aanpassingen, zal de regeling in de tweede helft van december in de Staatscourant worden gepubliceerd. De regeling zal 1 november 2010 sluiten. Daarmee geef ik invulling aan de toezegging om de regeling langer open te stellen.

De in bijlage 2 bij deze brief opgenomen tabel bevat de belangrijkste elementen van de SDE 2010, te weten:

– opsomming van de categorieën productie-installaties;

– de basisbedragen voor 2010;

– het maximaal aantal vollasturen waarover subsidie wordt verstrekt;

– de duur van de periode waarover de subsidie wordt verstrekt;

– de basisenergieprijzen;

– de subsidieplafonds.

Toelichting per categorie

Wind op land

In 2010 en 2011 wordt de aanpak met windteams, die op diverse plaatsen in het land worden ingezet, voortgezet. Extra inzet wordt gepleegd voor grote projecten als Zuidlob, Rotterdam, Wieringenmeer en het project van Prorail, zodat ook deze projecten op termijn tot een SDE-aanvraag kunnen komen.

Om net als bij de Noordoostpolder (NOP) ook andere A-locaties de gelegenheid te bieden de wind optimaal te benutten, stel ik in 2010 onder het plafond van wind op land een subcategorie open voor grote molens (minimaal 6 MW). Deze krijgen hetzelfde basisbedrag als de kleinere windmolens, maar met meer draaiuren. Grote molens maken meer vollasturen en zijn daardoor nagenoeg even kosteneffectief per geproduceerd kilowattuur als de kleinere windmolens. Het aantal megawatt dat gehonoreerd kan worden, zal dalen bij grotere molens, maar niet de totale productie van duurzame energie. Behoudens de differentiatie naar grote molens wordt nu niet gedifferentieerd tussen windrijke en windarme gebieden. Studie van ECN en KEMA wijst uit dat hier geen noodzaak voor is. Conclusie is dat door differentiatie tussen windrijke en windarme gebieden weinig tot geen extra projecten van de grond zullen komen. In overleg met NWEA zal de huidige systematiek van vollasturen aan de orde komen bij de evaluatie van de SDE in 2010. Voor een eventuele andere aanpak, waarbij per project meer maatwerk kan worden geleverd, is aanpassing van het instrument nodig.

Voor de twee subcategorieën voor wind op land stel ik in 2010 budget beschikbaar om 1 100 gigawattuur te subsidiëren. Dat komt overeen met 355 tot 500 MW aan nieuw windvermogen, afhankelijk van de grootte van de windmolen.

Biomassa elektrisch en gas

Bij de biomassacategorieën zullen geen grote wijzigingen worden doorgevoerd. Voor 2010 worden vier biomassacategorieën voor elektriciteitsopwekking gedefinieerd en twee biomassacategorieën voor gasopwekking. De ECN-berekeningen voor 2010 tonen een lichte daling ten opzichte van 2009, maar zijn voor mij geen aanleiding om van koers te veranderen. De basisbedragen, die ik voor deze categorieën vaststel voor 2010, volgen dan ook in grote lijnen de basisbedragen van 2009. Dat betekent dat het basisbedrag voor de categorie «co-vergisting en kleinschalige verbranding» wordt vastgesteld op het door ECN geadviseerde niveau van «overige vergisting», waarbij een warmtestaffel wordt opgebouwd rondom het bedrag van € 15,8 ct/kWh. Daarmee wil ik blijven stimuleren dat restwarmte, die vrijkomt bij de elektriciteitsopwekking uit biomassa, nuttig wordt aangewend. Ook voor gasproductie worden dezelfde basisbedragen gehanteerd. Doordat deze zijn omgerekend in termen van vermeden primaire energie, wijken ze, net als in voorgaande jaren, af van de door ECN geadviseerde bedragen.

De vier biomassacategorieën voor elektriciteitsopwekking worden samengebracht onder één plafond. Ook de twee biomassacategorieën voor gasopwekking worden samengebracht onder één plafond. Voor elektriciteit uit biomassa gaat het – afhankelijk van de ingediende projecten en bijbehorende basisbedragen – om een mogelijk te realiseren vermogen van 30–38 MW. Voor gasproductie uit biomassa gaat het om een range van 16–22 MW. Het budget, dat ik voor de biomassacategorieën openstel, is voldoende voor de geleidelijke ontwikkeling die ik voor ogen heb en komt overeen met wat ik begin dit jaar gedeeld heb met uw Kamer. Gezien de ervaringen van 2009 bestaat de mogelijkheid dat reeds op de eerste dag van openstelling de belangstelling groter is dan het budget. In dat geval zal wederom geloot moeten worden. Mijn beleid is er niet op gericht alle aanvragen te honoreren, maar om een realistisch groeipad te faciliteren.

Binnen de kaders van de stimulerende werking die vanuit een subsidieregeling uit dient te gaan, wil ik in 2010, conform mijn eerdere toezegging tijdens de plenaire behandeling van de EZ-begroting, om meer te gaan toetsen op realistische projecten. Deze toezegging wil ik voor de categorie biomassa gestand doen. Afgelopen maand heb ik hierover met de sector overleg gevoerd. De suggestie vanuit de sector is te toetsen op de financieringsmogelijkheid van projecten. Op het moment dat de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij kan beschikken over eigen vermogen is de kans groter dat financiers meewerken aan de realisatie van het project. Op het aanvraagformulier zal ik aanvragers verzoeken aan te geven dat ze kunnen beschikken over een minimum aan eigen vermogen of aannemelijk kunnen maken dat de eigen vermogenspositie de realisatie van het project niet in de weg staat.

In 2010 zal de inzet van biomassastromen verder worden verbreed. De toegestane stromen in de categorieën gft-vergisting (biomassa elektriciteit en gas) worden uitgebreid met vloeibare reststromen en reststromen uit de voedings- en genotmiddelen industrie (VGI). De reststromen mogen tot maximaal 50% worden bijgemengd. Het bijmengen van VGI-reststromen zorgt voor een betere werking van de installatie.

De Europese Commissie heeft regelgeving gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van vloeibare biomassa voor duurzame elektriciteitsproductie. Naar verwachting presenteert de Commissie nog voor het einde van dit jaar een communicatie met verdere toelichting op deze duurzaamheidscriteria. Voorts heeft de Commissie aangekondigd uiterlijk in het voorjaar van 2010 met een mededeling te komen, waarin ze aangeeft of gestart wordt met het ontwikkelen van duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa. Het uitgangspunt tot die tijd is dan ook, net als voorgaande jaren, zoveel mogelijk de duurzaamheidsrisico’s ten aanzien van de inzet van biomassa uit te sluiten.

Zon-pv

De categorie zon-pv is onverminderd populair. Voor het tweede jaar op rij heeft de openstelling geleid tot meer aanvragen dan er budget beschikbaar was. Ondanks de verwachting dat ook komend jaar de interesse groot zal zijn, zal er voor 2010 weer een gelimiteerd budget beschikbaar worden gesteld, conform het aangekondigde groeipad. In de ECN-bedragen, die voor 2010 zijn gedaald, zien we dat de ontwikkeling van zon-pv op de goede weg is. De komende jaren zullen moeten uitwijzen of deze daling zich structureel doorzet en zon-pv inderdaad goedkoper blijft. Rekening houdend met deze toekomstverwachtingen, is een gefaseerde, beperkte openstelling voor 2010 gepast. Daarmee blijft de mogelijkheid bestaan dat de interesse op de eerste dag van openstelling wederom dusdanig groot is, dat een loting plaats zal moeten vinden om de te beschikken projecten te selecteren.

In de kleinschalige zon-pv categorie van 1 tot en met 15 kWp, stel ik budget beschikbaar overeenkomend met minimaal 20 MW opgesteld vermogen. Ik ga deze categorie wel iets aanpassen door de subsidie voor de grotere installaties (7,5 tot 15 kWp) in deze categorie af te toppen. Hierdoor kan ik meer aanvragen honoreren en worden particulieren en bedrijven meer gelijk behandeld. Particulieren en bedrijven die investeren in de kleinere installaties, blijven subsidie krijgen voor de volledige productie. De grotere installaties van veelal bedrijfsmatige investeerders die doorgaans, in tegenstelling tot particulieren, van (fiscale) voordelen profiteren, krijgen een lagere subsidie.

Overig

De categorie waterkracht zet ik in 2010 voort. Ik stel onder één subsidieplafond budget beschikbaar overeenkomend met een vermogen van 26–45 MW. Onder het subsidieplafond vallen twee categorieën, te weten waterkracht met een verval gelijk aan of hoger dan 5 meter en waterkracht met een verval lager dan 5 meter.

Ook voor de categorie AWZI, RWZI en stortgas stel ik in 2010 weer budget beschikbaar. Daarmee beoog ik de Waterschappen te ondersteunen die in het kader van de Meerjarenafspraken de ambitie hebben uitgesproken om afvalslib van waterzuiveringsinstallaties te gebruiken voor de opwekking van hernieuwbare energie. Met het budget maak ik het committeren van 9 MW mogelijk voor de elektriciteitsroute en 13 MW voor de groen-gasroute. Via het programma Meerjarenafspraken worden ondersteunende instrumenten ingezet, zoals een energiescan en een gebruikersgroep Biogas waarin «good practices» worden uitgewisseld over de productie van biogas en het benutten in de vorm van biowarmtekrachtinstallaties en het opwerken naar groen gas.

Ten slotte maak ik binnen de AVI-categorie het committeren van 86 MW mogelijk. De categorie is één van de meest kosteneffectieve opties binnen de SDE. Daarom wil ik het aanwezige potentieel zoveel mogelijk benutten. Het vermogen dat ik in 2010 openstel, is gebaseerd op een potentieelinschatting van SenterNovem.

3. Bij- en meestook van biomassa

De gesprekken met de sector, die ik de afgelopen maanden heb gevoerd over grootschalige bij- en meestook van biomassa, hebben niet geresulteerd in afspraken voor een convenant. Daarmee komt, zoals ik heb toegezegd in het Algemeen Overleg op 19 mei, de verplichtingsroute als structureel regime voor het onderdeel bij- en meestook van biomassa weer in beeld. De komende maanden zal ik, onder meer in het kader van de evaluatie Schoon en Zuinig, de mogelijkheden om een verplichting in te voeren verder onderzoeken. Daarbij betrek ik ook een eventueel subsidieregime om de periode tot aan een verplichting te kunnen overbruggen. Een aantal partijen heeft te maken met aflopende MEP-beschikkingen, waardoor het voor hen economisch minder aantrekkelijk wordt om biomassa bij- of mee te stoken. Een tijdelijk regime, dat dan als intentie zou hebben de huidige bij- en meestookcapaciteit op peil te houden en desinvesteringen te voorkomen, kan bijdragen aan het tot stand komen van een structurele oplossing.

4. Voortgang kabinetsdoelstellingen

Bij de openstelling van de SDE in 2008 is aangegeven dat met het beschikbare budget 3021 MW gecommitteerd kon worden in deze kabinetsperiode. Het is belangrijk om niet alleen naar het aantal opgestelde megawatt te kijken, omdat dit niet een volledig beeld geeft. Uiteindelijk is het de productie van duurzame energie waar het om gaat, deze jaarlijkse productie wordt weergegeven in gigawattuur (GWh) en is de vermenigvuldiging van het opgestelde vermogen en het aantal vollasturen per jaar. Bij de start van de SDE heb ik ingezet op de committering van een jaarlijkse subsidiabele productie van 8880 GWh.

Na twee jaar SDE, halverwege deze kabinetsperiode, is het goed de tussenbalans op te maken. De jaarlijkse nieuwe berekeningen van ECN, budgetschuiven naar zon en biomassa (per saldo 112–116 minder megawatt voor wind op land), het aanvullend beleidsakkoord (extra budget op dat moment voldoende voor 500 MW extra voor wind op zee), hogere tarieven voor vergisters en de extra inzet voor wind op land (320 MW meerkosten) hebben allemaal effect gehad op het budgetbeslag, het te realiseren vermogen en de jaarlijkse subsidiabele productie.

Bij elkaar heeft dit ertoe geleid dat met de huidige voornemens in deze kabinetsperiode, inclusief het aanvullend beleidsakkoord, totaal tussen de 2783 MW en 3137 MW gecommitteerd kan worden (bijlage 1). De jaarlijkse subsidiabele productie die hierbij hoort, ligt tussen de 10 020 en 10 424 gigawattuur. De toename in duurzame elektriciteitsproductie komt met name door de budgettoename bij wind op zee die een hoog aantal vollasturen kent. Verder is ook de jaarlijkse productie per opgestelde megawatt toegenomen. Deze toename wordt onder andere veroorzaakt door het hogere aantal vollasturen bij de nieuwe categorie wind op land.

Van de voorgenomen committeringen is, inclusief de extra openstelling voor wind op land in 2009, inmiddels ruim een kwart van het aantal megawatt gerealiseerd. Dit kan, na uitvoering van de tender wind op zee, oplopen tot een kleine 60%. Met de SDE-openstelling 2010 en 2011 zal de resterende 40% van het totaal van deze kabinetsperiode gecommitteerd gaan worden.

We zijn dan ook op de goede weg, al ligt er nog een forse uitdaging voor ons de komende twee jaar. Immers, dan moet er een goed fundament liggen, waar volgende kabinetten in ieder geval tot 2020 op kunnen voortbouwen om tot 20 procent duurzame energie te komen.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

BIJLAGE 1

TOTAAL GEREALISEERD EN TE REALISEREN IN DEZE KABINETSPERIODE

Categorie Vermogen gecommuniceerd in 2008Verwachte realisatie tot en met 2009 Open te stellen vermogen 2010 2011 (indicatief) Totaal 2008–2011
Wind op land (incl. NOP)* MW 2070 542 355–500 367–5171 265–1559
 GWh 4 554 1 580 1 1001 137 3 818
Biomassa elektriciteit (incl. warmte)* MW190 69,5 30–38 30–38 129,5–145,5
 GWh 1 520 556 240–304 240–3041 036–1164
Biomassa gas* MW 18 31 16–2216–22 63–75
 GWh 144 250128–176 128–176 506–602
Zon-pv klein MW 9338 20 25 83,3
 GWh 79 3317 21 71
Zon-pv groot MW 11 5 521
 GWh 9 4 4 18
Elektriciteit RWZI, AWZI en stortgas MW 30 0 95 14
 GWh 240 0 72 40 112
Biogasproductie RWZI, AWZI en stortgas MW 10 0,3 135 18
 GWh 80 2 104 40 146
AVI’s MW 160 127 86 0 213
 GWh 621 492 337 0 829
Waterkracht* MW 0 20–45 6–13 26–58
 GWh 0,1 76–216 23–62 99–279
Wind op zee MW 450 0 950 0 950
 GWh 1 643 0 3 776 0 3 776
Totaal MW 3 021 819 1 504–1688 459–6302 783–3137
 GWh 8 880 2 922 5 855–61071 634–1785 1 0420–10424

* Een range wordt gehanteerd doordat twee subcategorieën met verschillend aantal vollasturen onder één subsidieplafond zijn gebracht.

BIJLAGE 2

BELANGRIJKSTE VARIABELEN SDE 2010

Categorie Basisbedrag 2009Basisbedrag 2010 Basis-energieprijs Subsidie-periodeVollast-uren Subsidie-plafond
 €/kWh €/kWh€/kWh Jaar Uren/jaar mln €
Wind op land      
tot en met 6 MW 0,09412 0,096* 0,049* 152 200 937
> 6 MW n.v.t. 0,096120,049* 15 3 095  
Biomassa elektriciteit      
Verbranding (10–50 MW)** 0,115–0,156 (0,123) 0,114–0,153 (0,121) 0,044 12 8 000 380
GFT-vergisting**0,129–0,149 (0,134) 0,129–0,149 (0,134) 0,044 128 000  
Co-vergisting en kleinschalige verbranding (afgetopt)** 0,152–0,177 (0,158) 0,152–0,177 (0,158)0,044 12 8 000  
Overige vergisting (m.n. VGI) 0,158 0,158 0,044 12 8 000 
Biomassa gas***      
GFT-vergisting*** 0,4650,465 0,147 12 8 000 180
Overige vergisting (co-vergisting + VGI vergisting)*** 0,583 0,5830,147 12 8 000  
Elektriciteit zon pv      
1–15 kWp 0,526 0,474 0,202 15 850 69
15–100 kWp 0,459 0,43 0,053 15 85024
Elektriciteitsopwekking op basis van RWZI, AWZI en stortgas0,059 0,059 0,044 12800013
Hernieuwbaar gasproductie op basis van RWZI, AWZI en stortgas*** 0,218 0,218 0,147 128 000 24
AVI’s*0,117–0,140 (0,131) 0,114–0,137 (0,131)**** 0,09015 15 392 015238
Elektriciteit waterkracht      
Waterkracht verval < 5 meter 0,125 0,123 0,044 15 3 800 90
Waterkracht verval >/= 5 meter 0,073 0,072 0,04415 4 800  

* Bij de windopties keert de SDE over 80% van de vollasturen uit. Het basisbedrag en de basis energie prijs wijken naar rato af van de bedragen opgenomen in de aanwijzingsregeling categorieën SDE 2010.

** De hier gehanteerde prijsrange geeft de grenzen aan van de gehanteerde warmtestaffel.

*** In €/m3.

**** Het forfetair percentage biomassa stijgt met 1 procent van 48 procent in 2009 naar 49 procent in 2010. Het basisbedrag, de basis energieprijs, en het aantal vollasturen zijn naar rato aangepast.


XNoot
1

TK 2009–2010, 31 239, nr. 74.

XNoot
2

TK 2008–2009, 31 239, nr. 55.

XNoot
1

TK 2008–2009. 31 239, nr. 68.

XNoot
2

TK 2009–2010, 31 239, nr. 75.

XNoot
1

TK 2008–2009, 31 239, nr. 43.

XNoot
2

www.ecn.nl