Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 102, item 17

17 Referentieniveaus taal en rekenen

Aan de orde is het VAO Referentieniveaus taal en rekenen (AO d.d. 07/11) en (AO d.d.18/06). 

De voorzitter:

Een hartelijk woord van welkom aan de staatssecretaris van Onderwijs, die ook begroet wordt. 

De eerste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Jasper van Dijk, van de fractie van de Socialistische Partij. Het woord is aan hem. 

We hebben het druk vandaag, mijnheer Van Dijk. Ja, u bent inderdaad de eerste spreker. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Even om misverstanden te voorkomen: dit gaat toch over de referentieniveaus? Ik was de eerste spreker, maar daar is wat gesprek over geweest. Ik word graag laatste spreker. 

De voorzitter:

Dan beginnen we gewoon met de tweede spreker, en is het woord aan de heer Van Meenen van D66. 

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Een tweetal voorstellen van de zijde van D66 over de rekentoets en de referentieniveaus. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat voor vmbo-t, havo en vwo op dit moment de referentieniveaus 2F en 3F gehanteerd worden; 

overwegende dat de commissie-Meijerink voor deze opleidingen respectievelijk de referentieniveaus 2S en 3S geadviseerd heeft; 

voorts constaterende dat de referentieniveaus 2S en 3S aansluiten bij het tot op heden ervaren gebrek aan rekenvaardigheid in de vervolgopleidingen; 

verzoekt de regering, de referentieniveaus 2S en 3S te verwerken in het onderwijs van vmbo-t respectievelijk havo en vwo, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 29 (31332). 

De heer Van Meenen (D66):

Dan de tweede motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er op dit moment voor is gekozen, de referentieniveaus rekenen voor havo/vwo te toetsen middels een aparte rekentoets; 

overwegende dat de referentieniveaus ook op andere manieren te toetsen zijn, bijvoorbeeld door deze rekenvaardigheden te verwerken in het wiskundeonderwijs en de toepassing daarvan in vakken waarin rekenvaardigheden toegepast dienen te worden; 

overwegende dat rekenen beter in wiskundeonderwijs en andere vakken waarin rekenvaardigheden van belang zijn te verwerken is dan als eigenstandig vak met een toets; 

verzoekt de regering om: 

  • -de referentieniveaus rekenen voor havo/vwo te incorporeren in de kerndoelen van wiskunde en andere voor rekenen relevante vakken, 

  • -deze af te sluiten aan het einde van de onderbouw, 

  • -deze verder te onderhouden in de bovenbouw, 

  • -en af te zien van de invoering van een rekentoets als onderdeel van de (slaag-/zakregeling van) het eindexamen in het gehele voortgezet onderwijs, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 30 (31332). 

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Ik ga direct over tot indiening van een belangrijke motie over de rekentoets. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de kwaliteit van het rekenonderwijs en de kwaliteit van de rekentoets nog niet op orde zijn; 

overwegende dat de operationalisering van de referentieniveaus en de referentiecesuur nog nader uitgewerkt dienen te worden; 

van mening dat leerlingen niet de dupe mogen worden van een onvoldragen rekentoets die meetelt op het eindexamen in het voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs; 

verzoekt de regering om: 

1. alles in het werk te stellen om het rekenonderwijs in alle sectoren verder te verbeteren; 

2. de aanbevelingen van de commissie-Bosker onverkort en integraal uit te voeren; 

3. de rekentoets in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs niet mee te laten tellen in de slaag/zakregeling en het cijfer niet te vermelden op de cijferlijst; 

4. in overleg te treden met de onderwijssector om de vraag te beantwoorden of het wenselijk is dat er voor "rekenintensieve" opleidingen in het hoger onderwijs aanvullende eisen met betrekking tot rekenvaardigheid moeten worden gesteld, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rog, Jasper van Dijk en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 31 (31332). 

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Blijkbaar is er toch iets aan de hand met die rekentoets. Wij hopen dat wij de Kamer tot diep nadenken kunnen brengen. Er liggen inmiddels twee moties en ik voeg er nog een derde aan toe. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het voor de schoolloopbaan van leerlingen in het havo en vwo van wezenlijk belang is dat zij reeds aan het einde van de onderbouw over de vereiste fundamentele rekenvaardigheden beschikken; 

constaterende dat de rekentoets als onderdeel van de kernvakkenregel een zwaar gewicht krijgt, terwijl de rekentoets niet de status van een kernvak heeft; 

verzoekt de regering, te verkennen welke mogelijkheden er zijn om de rekentoets af te nemen aan het einde van de onderbouw en in het kader van het eindexamen enkel een facultatieve toets op te nemen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bisschop en Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 32 (31332). 

Mevrouw Jadnanansing (PvdA):

Voorzitter. Ik heb twee moties. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

opmerkende dat het rapport van de commissie-Bosker stelt dat de huidige rekentoetsen en centraal ontwikkelde examens (ceo's) nog geen goede uitwerking van de referentieniveaus zijn; 

voorts opmerkende dat de commissie-Bosker ook aanbeveelt om de cesuur voor de rekentoetsen nog niet vast te leggen, maar dat de cesuur in de loop van de tijd geleidelijk moet toegroeien naar het gewenste niveau; 

constaterende dat de regering het advies van de commissie-Bosker onverkort overneemt en ook onderschrijft dat nog niet in alle gevallen jongeren goed zijn voorbereid op de rekentoets en de examens, en zij dus ook niet de dupe mogen worden hiervan; 

van mening dat bovenstaande aanpassingen eerst dienen te geschieden om er zorg voor te kunnen dragen dat de jongeren niet de dupe worden van gebrekkig rekenonderwijs en een niet-valide rekentoets; 

verzoekt de regering om voor 1 januari 2015 de Kamer te hebben geïnformeerd over de vorderingen bij het onderzoek naar de aanpassing van de cesuur en om de Kamer voor 1 juni 2015 te informeren over de implementatie van de adviezen van de commissie Bosker met betrekking tot de vorm en inhoud van de toets, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jadnanansing en Straus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 33 (31332). 

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering naar aanleiding van de adviezen van de commissie-Bosker een commissie in zal stellen die haar zal adviseren over de manier waarop voorkomen kan worden dat leerlingen de dupe worden van de invoering van de rekentoets en het rekenexamen; 

constaterende dat de slagingspercentages uit de pilots met de rekentoets laten zien dat de resultaten voor de rekentoets op de verschillende onderwijsniveaus (zoals havo en vwo, maar ook vmbo) sterk uiteenlopen; 

van mening dat dit aanleiding zou moeten zijn om de externe deskundigen te vragen, bij hun advies rekening te houden met de verschillen tussen de prestaties in de onderwijsniveaus, met daarbij in ieder geval specifieke aandacht voor de onderkant van het vmbo en mbo; 

van mening dat er ook nadrukkelijk aandacht moet zijn voor de termijn waarbinnen, in samenhang met de voorgenomen verbetering van het rekenonderwijs, toegegroeid kan worden naar de beoogde eindsituatie; 

verzoekt de regering om aan de externe experts die zich zullen buigen over de uitwerking van aanbeveling 4 van de commissie-Bosker: 

  • -een open opdracht te geven, waarbij in ieder geval rekening gehouden dient te worden met de verschillen tussen prestaties in de onderwijsniveaus, met daarbij specifieke aandacht voor de onderkant van het vmbo en mbo; 

  • -en om ook inzichtelijk te maken hoe op een verantwoorde manier toegegroeid kan worden naar de beoogde eindsituatie, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: 

Deze motie is voorgesteld door de leden Jadnanansing en Straus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 34 (31332). 

Dank u wel. U kunt weer ademhalen. 

Dan gaan we nu alsnog luisteren naar de eerste spreker, de heer Jasper van Dijk van de fractie van de SP. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik ga u gelukkig maken. Mijn naam staat ook onder de motie van de heer Rog, dus ik zie af van mijn spreektijd. 

De voorzitter:

Dat zou u vaker moeten doen. 

We gaan luisteren naar de staatssecretaris voor zijn becommentariëring van de moties. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Ik deel de ambitie die wordt uitgesproken in de motie-Van Meenen op stuk nr. 29. Ik vind alleen wel dat als je constateert dat in het vmbo-t en in het havo op dit moment grote groepen leerlingen überhaupt nog moeite hebben met het fundamentele niveau, dit wel iets is van de langere termijn. Als het dus de bedoeling is van de heer Van Meenen dat het gevraagde op heel korte termijn wordt gerealiseerd, moet ik hem helaas teleurstellen. Wij zijn voor het vwo aan het kijken of we het S-niveau kunnen toevoegen, omdat we zien dat daar grote groepen leerlingen al slagen voor 3F, het fundamentele niveau, het minimumniveau. Ik vind het interessant om te kijken of we ook voor de toekomst voor vmbo-t en voor havo die streefniveaus kunnen meenemen. Op de korte termijn, echter, ben ik al heel gelukkig als we erin slagen om daar de grote groepen naar het fundamentele niveau toe te brengen. Daar zijn we nog niet. 

Met andere woorden … 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 29 is ontraden. 

Staatssecretaris Dekker:

… wil ik deze motie op dit moment ontraden. 

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 30. 

Staatssecretaris Dekker:

Over de motie-Van Meenen op stuk nr. 30 kan ik iets korter zijn. Deze motie wil ik namelijk sowieso ontraden, omdat voor het vervolgonderwijs niet het niveau halverwege of aan het einde van de onderbouw relevant is, maar het eindniveau. 

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 31. 

Staatssecretaris Dekker:

Ook de motie-Rog c.s. op stuk nr. 31 wil ik ontraden. De eerste twee punten gaan we al doen. Die zijn dus overbodig. Het derde punt raakt eigenlijk de kern. Zowel de commissie-Bosker als Steunpunt Taal & Rekenen VO geeft aan dat een toets die telt, nodig is om meters te maken. Het vierde punt gaat over de toegankelijkheid van ons vervolgonderwijs en het hoger onderwijs. Daar willen we nou juist zo graag aan vasthouden. Met andere woorden: ontraden. 

Dan de motie-Bisschop/Rog, op stuk nr. 32. Ook deze motie ontraad ik. Zij gaat uit van een toets halverwege het voortgezet onderwijs in plaats van aan het einde. 

Dan de motie op stuk nr. … 

De voorzitter:

Stuk nr. 34, de motie-Jadnanansing/Straus. 

Staatssecretaris Dekker:

Het gevraagde in deze motie lijkt mij een goed aanvullend punt. Ik wil het oordeel over deze motie aan de Kamer laten. Wij kunnen aan de commissie die we straks de opdracht gaan geven om te kijken naar een cesuur of een eventuele tijdelijke aanpassing van de zak/slaagregeling ook vragen om specifieke aandacht te besteden aan de onderkant van het vmbo en het mbo. Ik laat het oordeel daarom graag aan de Kamer. 

Ten slotte kom ik op de motie-Jadnanansing/Straus op stuk nr. 33. Ook het oordeel over deze motie kan ik aan de Kamer laten. Ik hoorde mevrouw Jadnanansing de datum 1 juni noemen. Dat moet haalbaar zijn om twee dingen te doen: aan te geven wat er gebeurd is met de aanbevelingen van de commissie-Bosker en een analyse te geven van de manier waarop de rekentoets in 2015 is gemaakt, dus de eerste analyse. 

De voorzitter:

Er is een korte, verduidelijkende vraag van de heer Rog. 

De heer Rog (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Het is duidelijk dat de PvdA zwakke knieën heeft en … 

De voorzitter:

Nee, nee, nee. Dat gaan we allemaal niet doen. We gaan niet het debat overdoen. U hebt gewoon een informerende vraag aan de staatssecretaris. 

De heer Rog (CDA):

Ik heb een informerende vraag aan de staatssecretaris. Het vierde punt in mijn motie wordt door de staatssecretaris weggezet als zou het de toegankelijkheid van het hoger onderwijs raken. Dat is niet waar. Dat vierde punt doet de oproep: ga in gesprek met de sector om te kijken of het nodig is om extra aandacht te geven aan bepaalde opleidingen, zoals pabo, heao of de lerarenopleiding wiskunde. Waarom geeft de staatssecretaris daar een negatief oordeel over? 

Staatssecretaris Dekker:

Dit punt gaat ervan uit dat wij niet alle leerlingen in het voortgezet onderwijs op een minimaal niveau brengen, maar slechts een deel daarvan. Dan zou je moeten gaan selecteren in het hoger onderwijs naar opleidingen waar rekenen zeer relevant voor is. Daar willen we op dit moment niet naartoe. We willen ernaartoe dat alle leerlingen een minimumniveau halen. Dat laat de heer Rog los in deze motie. Dat is de reden dat ik deze motie ontraad. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Dank u wel. Tot zover dit VAO. Vannacht gaan we stemmen over de ingediende moties. We blijven bij het onderwijs en gaan meteen over naar het volgende VAO.