Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 102, item 16

16 Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen

Aan de orde is het VAO Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) (AO d.d. 3/4). 

Voorzitter: Bosma

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat individuele energiebedrijven in Nederland geen inzicht geven in de herkomst van door hen gebruikte steenkolen; 

overwegende dat door dit gebrek aan transparantie ook de Nederlandse overheid niet kan vaststellen of individuele energiebedrijven hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van de naleving van mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen; 

van mening dat de Nederlandse consument zelf moet kunnen kiezen voor energie uit verantwoorde en conflictvrije steenkolen; 

verzoekt de regering, de energiebedrijven in Nederland te verplichten om, per mijn, toetsbaar inzicht te geven in de herkomst van door hen gebruikte steenkolen wanneer hierin niet is voorzien in het mvo-convenant en uit de toetsing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) blijkt dat dit niet strijdig is met de Europese mededingingswet- en regelgeving, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Vos, Jasper van Dijk, Gesthuizen, Sjoerdsma, Van Ojik, Voordewind en Thieme. 

Zij krijgt nr. 180 (26485). 

Toe maar! Het lijkt wel een handtekeningenactie. Fijn dat u zo kort en puntig bent. Er is een verduidelijkende vraag van de heer Leegte en niet meer dan dat. 

De heer Leegte (VVD):

Volgens mij is de afspraak dat bedrijven de tijd hebben om na te denken over het "Better Coal"-initiatief. Met deze motie veroordeelt de Partij van de Arbeid de bedrijven al op voorhand. Als deze motie wordt aangenomen, wat is dan nog de noodzaak voor bedrijven om mee te gaan werken aan dat initiatief? 

De heer Jan Vos (PvdA):

De Partij van de Arbeid veroordeelt niemand. Nederlandse energiebedrijven zorgen ervoor dat 50% van de elektriciteit uit onze stopcontacten uit Colombiaanse bloedkolen komt … 

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker is de heer Voordewind van de fractie van de ChristenUnie. 

De heer Jan Vos (PvdA):

Dit is wel heel bot. Ik bedoel: ik heb de motie voorgelezen zonder verdere inleiding, zo snel mogelijk en dan krijg ik een vraag. 

De voorzitter:

Ik dacht dat u klaar was. U hebt de vraag beantwoord, toch? Of wilt u een langer antwoord geven? 

De heer Jan Vos (PvdA):

De motie zegt heel expliciet dat deze bedrijven zelf de gelegenheid hebben om in een convenant deze afspraak te regelen. Als zij dat niet doen, dan zal er, na toetsing door de ACM, regelgeving tot stand worden gebracht. 

De voorzitter:

Wilde u daar nog iets aan toevoegen? 

De heer Jan Vos (PvdA):

Nee, dank u wel. 

De voorzitter:

Oké. Dat is jammer, want ik had de hele avond daarvoor uitgetrokken. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb twee moties, die ik meteen zal voorlezen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Nederlandse kledingsector in zijn plan van aanpak stelt dat hij de structurele schending van arbeids- en mensenrechten in de sector gaat aanpakken, maar dat het actieplan mikt op 50% ondertekening van deelname aan het project; 

overwegende dat volgens onderzoek van FNV Mondiaal en de Landelijke India Werkgroep over uitbuiting en gebonden arbeid van circa 100.000 jonge kinderen en tienermeisjes in de Zuid-Indiase kledingindustrie blijkt dat de meeste Nederlands kledingbedrijven niet of nauwelijks inzicht geven in hun aanpak van dit structurele probleem; 

verzoekt de regering, bij de brancheorganisaties in de kledingsector aan te dringen op 100% actieve en zichtbare deelname aan verbeterprojecten en om ketentransparantie van kledingbedrijven als voorwaarde te stellen voor een succesvolle uitvoering van het Plan van Aanpak, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 181 (26485). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De tweede en laatste motie luidt als volgt. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten aangeeft dat het duurzaam inkoopbeleid van de Nederlandse overheid ten aanzien van sociale criteria en mensenrechtencriteria in de consultaties negatief wordt beoordeeld en dat volgens SOMO blijkt dat de Sociale Voorwaarden onvoldoende worden toegepast; 

overwegende dat een effectief sociaal verantwoord inkoopbeleid leidt tot verbetering van arbeids- en mensenrechten in productieketens van toeleverende bedrijven; 

overwegende dat een eenduidige set criteria voor de sociale voorwaarden bij het inkoopbeleid nodig is, waarbij de OESO-Richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights leidend moeten zijn; 

overwegende dat de Toolkit "Kinderarbeidvrij inkopen door overheidsinstanties" een goed hulpmiddel is voor de overheid; 

verzoekt de regering dan ook, met alle betrokken ministeries tot een verbeterde en effectieve toepassing van de sociale criteria en mensenrechtencriteria in het inkoopbeleid te komen en een eenduidige toepassing van de Sociale Voorwaarden te stimuleren bij de decentrale overheden en medeoverheden; 

verzoekt de regering tevens, de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hierbij het voortouw te laten nemen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 182 (26485). 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Mijn motie gaat over landroof. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Nederlandse banken en pensioenfondsen op grote schaal investeren in levensmiddelenbedrijven en voedselhandelaren; 

constaterende dat landrechten bij de grootschalige verbouw van gewassen zoals suikerriet, soja en palmolie regelmatig worden geschonden; 

constaterende dat de minister voor BuHaOS een dialoog voert met de financiële sector, maar waar nog geen concrete resultaten op dit onderwerp uit zijn voortgekomen; 

verzoekt de regering, parallel aan haar gesprekken met de financiële sector, een voorstel te doen voor niet-vrijblijvende afspraken met betrokken partijen om landroof tegen te gaan en hierbij de CFS-guidelines als richtlijn te nemen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 183 (26485). 

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Ik wil de volgende moties indienen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat in de mijnbouwgebieden in het Colombiaanse departement Cesar mensen zijn vermoord en ontheemd voor de winning van steenkolen en dat de slachtoffers van deze mensenrechtenschendingen nog altijd geen genoegdoening hebben gekregen; 

overwegende dat Nederlandse energiebedrijven nog altijd steenkool kopen van mijnbouwbedrijven die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij dit geweld en dat dialoog en vrijwilligheid de afgelopen jaren tot weinig concrete resultaten heeft geleid; 

overwegende dat de energiebedrijven onder de UN Guiding Principles eigenstandig een rol hebben om genoegdoening te bewerkstelligen, mede vanwege het fragiele karakter van Colombia en de grote mate van straffeloosheid in dit land; 

overwegende dat de regering, energiebedrijven en maatschappelijk organisaties in gesprek zullen gaan over een maatschappelijk verantwoord ondernemen-convenant; 

verzoekt de regering, zich ervoor in te zetten dat in het convenant met energiebedrijven genoegdoening van slachtoffers en verbetering van de veiligheid-, vakbonds- en mensenrechtensituatie rondom de steenkoolmijnen als nadrukkelijk doel geformuleerd wordt, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sjoerdsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 184 (26485). 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik heb nog een tweede motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de regering, energiebedrijven en maatschappelijke organisaties in gesprek zullen gaan over een maatschappelijk verantwoord ondernemen-convenant; 

verzoekt de regering, in te zetten op een maatschappelijk verantwoord ondernemen-convenant met energiebedrijven dat juridisch bindend is, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sjoerdsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 185 (26485). 

Minister Ploumen:

Voorzitter. Ik zal aan de motie op stuk nr. 180 van de heer Jan Vos wat meer woorden wijden en aan de andere waarschijnlijk wat minder. Mijn inzet voor het belang van mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen in de steenkoolketen is steeds heel duidelijk geweest. De arbeids- en milieuomstandigheden moeten verbeteren. In mijn ogen is de motie niet per se nodig omdat ik voorzie, gegeven de aard en de voortgang van de gesprekken met de energiebedrijven, dat de energiebedrijven in het te sluiten convenant hun verantwoordelijkheid gaan nemen. De ACM is ook al verzocht om een andere juridische analyse. In de brief die ik heb geschreven over de sectorrisicoanalyse en over de mogelijkheden van herkomsttransparantie, heb ik dat allemaal al aangegeven. Ik juich de inspanningen van de energiebedrijven om in het kader van Bettercoal tot afspraken te komen, zeer toe. Dat is namelijk een internationaal verband en dat creëert ook een gelijk speelveld, waar ook de partijen in de Kamer belang aan hechten. Dat gelijke speelveld is ook van belang gezien het specifieke belang dat Nederland heeft vanwege de havens van Amsterdam en Rotterdam. Dat weeg ik dus allemaal mee. Het kabinet is geen voorstander van wetgeving op dit punt. Dat hebben we eerder gewisseld, ook bij andere gelegenheden. Ik ga ervan uit dat de energiebedrijven met goede voorstellen voor afspraken komen voor het convenant. Ik wil ze ook een redelijke termijn geven om die verantwoordelijkheid in het convenant tot uitdrukking te laten komen. Dat brengt mij ertoe dat ik het oordeel over de motie aan de Kamer laat. 

De motie op stuk nr. 181 van de heer Voordewind vind ik sympathiek. Ik wil de heer Voordewind echter vragen of hij de motie wil aanhouden. Ik weet dat de kledingsector ook streeft naar 100%, maar dat het vooral gaat om de vraag op welke termijn dat realistisch is. De strekking van de motie deel ik dus, maar ik vind het goed om even met de sector in overleg te gaan over de timing. 

Ik kom bij de motie op stuk nr. 182 van de heer Voordewind. Er komt dit najaar een evaluatie van het duurzaam-inkoopbeleid. Dat is niet in de eerste plaats mijn verantwoordelijkheid, maar die van anderen. Ik vraag de heer Voordewind daarom om ook deze motie aan te houden en de evaluatie af te wachten, want hij zou zomaar op zijn wenken bediend kunnen worden. Goed dat hij die wenk nog even specifiek verwoord heeft. 

De motie op stuk nr. 183 van de heer Jasper van Dijk over landroof ontraad ik. Ik ga verwikkeld raken, om het zo maar even te zeggen, in een multistakeholderdialoog met de financiële sector maar dus ook met andere belanghebbenden. Die gesprekken starten nu. Ik zie geen enkele aanleiding om nu al een parallel traject te starten. Ik heb goede hoop dat wij tot prima afspraken kunnen komen, ook in de geest van de motie van de heer Van Dijk. 

Dan de motie op stuk nr. 184 van de heer Sjoerdsma van D66. Die gaat over genoegdoening voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen en over de vraag of die een plek kan krijgen in het convenant. Die motie ontraad ik. Niet omdat ik het niet eens zou zijn met de oproep om tot genoegdoening te komen, maar omdat ik daarvoor een andere route heb gekozen die ook adequaat en passend is. Ik ben namelijk in gesprek met de Colombiaanse overheid over genoegdoening voor slachtoffers. Het convenant is een afspraak tussen Nederlandse partijen. Daarin worden natuurlijk wel afspraken gemaakt over de toekomst en over geschillenbeslechting — dat gaat ook over de toekomst — maar het gesprek over genoegdoening voor aangedaan leed voer ik met de Colombiaanse overheid. 

Tot slot kom ik te spreken over de motie-Sjoerdsma op stuk nr. 185. Hierin wordt de regering verzocht, in te zetten op een juridisch bindend convenant met energiebedrijven betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik ontraad deze motie. Ik heb al eerder gezegd dat het kabinet geen voorstander is van wetgeving. Wij zetten in op bindende afspraken, dus geen vrijblijvende, in het kader van een convenant. Ik wil dat een geschilbeslechtingsmechanisme onderdeel gaat uitmaken van dat convenant. Ik verwacht dat daarmee juridisch bindende afspraken niet nodig zijn. 

De voorzitter:

Helder. Dank aan de minister voor haar puntige becommentariëring van de moties. Ik sta een enkele verduidelijkende vraag toe. 

De heer Leegte (VVD):

Kan de minister haar inconsequentie uitleggen? Waarom laat zij het oordeel over de motie van de PvdA, die zij "niet nodig" en "vroegtijdig" acht, aan de Kamer, terwijl er een zorgvuldig proces gaande is om te komen tot een codedialoog? Wat gebeurt er met het vertrouwen van de bedrijven als de regering dit doet? Dit terwijl zij over een vroegtijdige motie van de oppositie zegt dat zij deze afraadt. Dat lijkt mij inconsequent. Volgens mij moet het eerste oordeel toch zijn … 

De voorzitter:

Dank u wel. 

De heer Leegte (VVD):

… aanhouden dan wel ontraden. 

Minister Ploumen:

Het vertrouwen van de energiebedrijven in de totstandkoming van een convenant met de overheid is volgens mij onverminderd groot. Er moet wel nog echt werk gedaan worden. Als ik de brief van het kabinet over deze problematiek naast de verwoording van de motie leg, met de woorden die ik daarover heb gesproken, vind ik dat dat een consequente inzet is. Ik zeg nogmaals tegen de heer Leegte: vertrouw erop dat we op niet al te lange termijn — dat weten de energiebedrijven ook — tot heel goede afspraken kunnen komen. 

De voorzitter:

Dank u wel. 

Er liggen twee verzoeken aan de heer Voordewind om zijn moties aan te houden. Dit betreft de motie op stuk nr. 181 en de motie op stuk nr. 182. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik hoorde de minister zeggen dat er een tijdslimiet zou staan in de motie op stuk nr. 182. Dat herken ik niet. Er staat geen tijdslimiet in. Er staat een ambitie in en ik hoop dat de minister deze ambitie ondersteunt. Dat heb ik haar in eerdere debatten ook horen uitspreken. Het is dus een steuntje in de rug en ik zou het daarom jammer vinden als deze motie werd ontraden. 

Minister Ploumen:

Dan heb ik mij niet precies genoeg uitgedrukt. In de motie staat inderdaad geen tijd. Ik weet echter dat er wel een deadline zit in de afspraken die de textielsector maakt. Die deadline hebben zij gesteld op basis van een inschatting, namelijk wat zij reëel vinden om binnen nu en twaalf maanden te realiseren. De tijdslimiet is dus niet zozeer de strekking van de motie, maar ik wil graag met de textielbedrijven in gesprek gaan om te horen welke termijn zij realistisch vinden. Dat wil ik dan heel graag bij een volgende gelegenheid bespreken met de heer Voordewind. Dan kunnen we op dat moment even kijken hoe we verdergaan. Maar de intentie van de motie deel ik. Die wordt bovendien ook gedeeld door de textielbedrijven. 

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, houdt u uw motie aan? 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ja, omdat anders het advies "ontraden" wordt en dat zou ik jammer vinden. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (26485, nr. 182) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 181, mijnheer Voordewind. Heel kort. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Deze motie kan ik misschien zo framen dat de minister haar als steun in de rug zou kunnen zien bij de evaluatie. Ik neem namelijk aan dat het niet alleen om een evaluatie gaat, maar dat er ook tot verbeterpunten gekomen zal worden bij die evaluatie. Zou de minister deze motie zo kunnen zien? 

Minister Ploumen:

Het duurzaam inkoopbeleid is niet allereerst de verantwoordelijkheid van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, maar van de collega's van BZK en I en M. Ik weet dat zij deze intentie wel zullen delen, maar ik vind het ook wat lastig, met het oog op de evaluatie en hun verantwoordelijkheid, om nu heel kordaat een oordeel te geven, hoewel het mij sympathiek is. Vandaar dat ik de heer Voordewind vraag om deze motie even aan te houden. Het komt in het najaar en ik zal zorgen dat de motie bij mijn collega's terechtkomt, zodat zij een en ander in ieder geval in ogenschouw kunnen nemen bij de evaluatie en de aanbevelingen. Misschien dat dat dan een goed voorstel is. 

De voorzitter:

Dank u wel. Houdt de heer Voordewind zijn motie aan? 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ja. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (26485, nr. 181) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter:

Kort, mevrouw Mulder. 

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Ik heb een vraag over de eerste motie. De minister geeft aan dat het kabinet geen voorstander is van wetgeving. Toch laat zij het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik kan dat niet rijmen. Hoe rijmt de minister dat wel? 

Minister Ploumen:

Dat heb ik zojuist al twee keer op rij gezegd. Volgens mij heb ik daar niet echt iets aan toe te voegen. Het kabinet blijft geen voorstander van wetgeving. Het kabinet gaat er ook van uit dat de energiebedrijven zullen doen wat ze hebben beloofd. Ze moeten daar een redelijke tijd voor krijgen. Daar wil ik het bij laten, want ik verval in herhalingen. 

De voorzitter:

Alleen een verduidelijkende vraag, mijnheer Van Dijk. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb op deze prachtige dag, de laatste dag voor het reces, een voorstel om de minister tegemoet te komen. Als ik het dictum van de motie op stuk nr. 183 verander in: "verzoekt de regering, ná haar gesprekken met de financiële sector …", lopen de zaken niet meer door elkaar. 

Minister Ploumen:

Daar ben ik toe bereid. Ik zeg erbij dat we in gesprek gaan met de financiële sector over een convenant. Dat convenant is niet vrijblijvend, zoals ik ook al eerder heb aangegeven. Men doet wel vrijwillig mee, maar het is niet vrijblijvend. Ik zou dus ook tegen de heer Van Dijk kunnen zeggen dat we het gevraagde al doen. Ik zie er dus niet de urgentie van, want ik heb al eerder gezegd dat we de gesprekken aangaan. We hopen dat dat kan leiden tot een convenant. Daar gaan we van uit. Wat mij betreft blijft de motie dus een beetje ontijdig. Mocht de heer Van Dijk aanwijzingen krijgen dat het niet gaat lukken, kunnen we het natuurlijk altijd nog bespreken. 

De voorzitter:

Gaat de heer Van Dijk met een gewijzigde motie komen? 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zo is het, voorzitter, dan stel ik voor om de woorden "parallel aan" te vervangen door het woord "na". Ik zal die gewijzigde motie indienen. 

De voorzitter:

De motie-Van Dijk op stuk nr.183 wordt dus nog gewijzigd. Wat betekent dit voor het oordeel van de minister? 

Minister Ploumen:

Dan lijkt het mij oordeel Kamer. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Tot zover dit VAO. Dank aan iedereen die kort en puntig is geweest. Dank aan de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die nog even afscheid neemt van de heer Van Dijk. Wij gaan door naar het volgende VAO.