Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33400-IX nr. 2

Gepubliceerd op 25 september 2012



33 400 IX Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IX) voor het jaar 2013

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoud

   

pag.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

2

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

5

1.

LEESWIJZER

5

2.1

DE BELEIDSAGENDA

8

     

2.2

DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

19

 

Artikel 1: Belastingen

19

 

Artikel 2: Financiële Markten

30

 

Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

35

 

Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

41

 

Artikel 5: Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

44

 

Artikel 6: Btw- compensatiefonds

48

 

Artikel 7: Beheer Materiële Activa

51

 

Niet-Beleidsartikelen

 
 

Artikel 8: Centraal Apparaat Kerndepartement

55

 

Artikel 9: Algemeen

58

 

Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

59

     

2.2

DE BELEIDSARTIKELEN (Nationale Schuld)

60

 

Artikel 11: Financiering staatsschuld

60

 

Artikel 12: Kasbeheer

64

     

3.

PARAGRAAF INZAKE DE BATEN-LASTENDIENSTEN

66

     

4.

BIJLAGEN

76

4.1

RWT’s en ZBO’s

76

4.2

Overzicht staatsdeelnemingen

79

4.3

Budgettair overzicht interventies t.b.v. de financiële sector

80

4.4

Lijst met afkortingen

82

4.5

Begrippenlijst

84

     

5.

EVALUATIE- EN ONDERZOEKSOVERZICHT

87

     

6.

BIJLAGEN

89

6.1

Bijlage inzake moties en toezeggingen

103

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

De afwijkingen van de Comptabiliteitswet 2001 die in de wetsartikelen 5 tot en met 9 van deze begrotingswet worden doorgevoerd, zijn tijdelijke voorzieningen. De Tweede kamer is hiervan eerder op de hoogte gesteld (zie voor de desbetreffende kamerstukken de onderstaande artikelsgewijze toelichtingen). Deze tijdelijke voorzieningen zullen, zodra een nieuw kabinet is aangetreden, naar verwachting worden verwerkt in een structurele wijziging van de Comptabiliteitswet (de Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001).

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën voor het jaar 2013 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2013. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2013.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten van de begroting van de Nationale Schuld en van de departementale begroting van Financiën voor het jaar 2013 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf en Domeinen Roerende Zaken voor het jaar 2013 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

Wetsartikel 5

Met dit wetsartikel wordt vooruitgelopen op een structurele wijziging van de Comptabiliteitswet 2001, waarbij de begroting van Nationale Schuld niet meer door middel van een separaat begrotingswetsvoorstel wordt vastgesteld, maar als onderdeel van het wetsvoorstel waarin ook de departementale begroting van het Ministerie van Financiën ter autorisatie wordt aangeboden. Hiermee wordt een administratievelastenverlichting gerealiseerd zonder dat er materieel sprake is van informatieverlies. Het voornemen hiertoe is al eerder met de Tweede Kamer besproken (Kamerstukken II,Kamerstuk 31 700 IXB, nr.3).

Deze gewijzigde begrotingspresentatie en -vaststelling werkt door in de presentatie van de beide jaarverslagen, in die zin dat de jaarverslagen van nationale schuld en het Ministerie van Financiën in één boekwerk zullen worden opgenomen. Omdat de jaarverslagen niet in de vorm van wetsvoorstellen aan de Staten-Generaal worden voorgelegd, hoeft de Comptabiliteitswet 2001 daarvoor niet te worden gewijzigd.

Een van de voorwaarden die de Tweede Kamer aan de integratie stelde was dat de Algemene Rekenkamer op de zelfde manier kan blijven rapporteren over de onrechtmatigheden en onzekerheden en hieraan op dezelfde wijze conclusies kan verbinden. De voorgestelde integratie voldoet aan deze voorwaarde en leidt ook niet tot wijziging van de tolerantiegrenzen die bij de controle worden gehanteerd. Door het opnemen van twee separate begrotingsstaten worden de tolerantiegrenzen namelijk niet verruimd, omdat de bedragen bij de begrotingsartikelen in die twee staten niet bij elkaar worden opgeteld.

De integratie leidt tot een administratieve lastenverlichting voor alle bij het begrotings- en verantwoordingsproces betrokken partijen (ministerie van Financiën, ministerraad, kabinet van de Koningin, Raad van State, Algemene Rekenkamer, Tweede Kamer, Eerste Kamer en de drukker van de kamerstukken), omdat er minder afzonderlijke wetsvoorstellen en jaarverslagen opgesteld hoeven te worden.

Wetsartikel 6

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt vooruitgelopen op een structurele wetswijziging van het Btw-compensatiefonds per 1 januari 2013 of 2014, die zal regelen dat het Btw-compensatiefonds geen begrotingsfonds meer is als bedoeld in de Comptabiliteitswet 2001 en dat er derhalve geen separate begroting meer hoeft te verschijnen. Hiermee wordt een administratieve lastenverlichting gerealiseerd zonder dat er materieel sprake is van informatieverlies.

Onderdeel c van dit wetsartikel – dat regelt dat voor de uitgaven van het Btw-compensatiefonds geen verplichtingen worden geraamd – heeft als doel te bewerkstelligen dat begrotingsartikel 6 van deze begroting comptabel op dezelfde wijze kan worden behandeld als de overige begrotingsartikelen in deze begroting. Dat houdt in dat er wel verplichtingen worden geraamd, maar voor de verplichtingenraming kan de regel verplichtingen=kas worden gehanteerd.

Wetsartikel 7

In het streven naar een vermindering van regeldruk en administratieve lasten binnen de overheid is de Tweede Kamer in 2006 op de hoogte gesteld van het voornemen tot het integreren van de Voorlopige Rekening in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (Kamerstukken II, 2005/06, 29 949, nr. 55). In de praktijk is de Voorlopige Rekening de afgelopen jaren wel steeds naar de Kamer verzonden. In lijn met het eerdere voornemen tot het integreren van de Voorlopige Rekening in het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal met ingang van het begrotingsjaar 2012 de Voorlopige Rekening niet langer afzonderlijk naar de Kamer verzonden worden. De wijzigingen van de begrotingen na de Najaarsnota, die tot nog toe in de Voorlopige Rekening werden gemeld, worden voortaan opgenomen in het Financieel Jaarverslag van het Rijk en via de slotwetten aan de Kamer voorgelegd: de afwijking van artikel 50 van de Comptabiliteitswet 2001 voor het jaar 2012 is geregeld in de eerste suppletoire begroting 2012 van het ministerie van Financiën. In de onderhavige begroting wordt dit geregeld voor het jaar 2013.

Wetsartikel 8

De aanvullingen en de afwijking van de Comptabiliteitswet 2001 die voor het jaar 2013 in dit artikel met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen worden doorgevoerd, vloeien voort uit de besluiten die het kabinet heeft genomen naar aanleiding van de evaluatie van het baten-lastendienstmodel. De Tweede Kamer is van die besluiten op de hoogte gebracht bij de brief van de Minister van Financiën van 25 augustus 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 28 737 nr. 21).

Een verplichtingen-kasagentschap is een nieuw type agentschap, dat nevengeschikt is aan een baten-lastenagentschap (in de huidige Comptabiliteitswet nog aangeduid als baten-lastendienst). Het is op termijn de bedoeling – in de nieuwe Comptabiliteitswet 201X, waarvoor een voorstel van wet thans wordt voorbereid, maar waarvan de indiening bij de Tweede Kamer pas op zijn vroegst eind 2013 te verwachten is – het begrip baten-lastendienst te vervangen door het begrip baten-lastenagentschap.

De thans voor het jaar 2013 door middel van het onderhavige artikel geregelde aanvullingen en afwijking van de Comptabiliteitswet zullen vooruitlopend op die nieuwe Comptabiliteitswet wel al via de tussentijdse zesde wijziging van die wet structureel worden geregeld.

Voor het instellen van een verplichtingen-kasagentschap dient hetzelfde instellingstraject te worden doorlopen als voor het instellen van een baten-lastenagentschap. Dit wordt geregeld in het eerste lid, onderdeel c. Dit instellingstraject, alsmede de nadere regels met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen, bedoeld in onderdeel d, en de voorwaarden die aan een kasreserve van een verplichtingen-kasagentschap kunnen worden gesteld (onderdeel e) zullen worden opgenomen in de Regeling agentschappen.

In de onderdelen f, g en h wordt geregeld dat voor verplichtingen-kasagentschappen in de begroting en in het jaarverslag in plaats van baten, lasten, kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten zullen worden opgenomen de financiële verplichtingen, de (kas)uitgaven en de (kas)ontvangsten, zoals dat op grond van het verplichtingen-kasstelsel ook voor gewone departementale diensten het geval is.

Een kasreserve (onderdeel e) is een niet-geoormerkte, meerjarige budgettaire voorziening die een verplichtingen-kasagentschap op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aanhoudt, bedoeld om jaarlijkse fluctuaties in de exploitatie op te vangen. De toevoegingen en onttrekkingen aan een kasreserve zullen, evenals dat het geval is bij een begrotingsreserve, als uitgaven en ontvangsten worden beschouwd. Dat wordt in het tweede lid geregeld.

De Minister van Financiën, J. C. de Jager

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Welke budgettaire gevolgen heeft de kredietcrisis voor de Staat? Welke beleidsdoelstellingen worden nagestreefd op het gebied van de fiscaliteit, de financiële markten of op het gebied van de nieuwe financiële Staatsdeelnemingen? Hoe gaat de Staat om met roerende en onroerende zaken? In deze begroting wordt antwoord gegeven op deze en vele andere vragen. De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen met uiteenlopende beleidsterreinen en drie niet- beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 1. Belastingen

  • 2. Financiële markten

  • 3. Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4. Internationale financiële betrekkingen

  • 5. Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

  • 6. Btw- compensatiefonds

  • 7. Beheer materiële activa

De niet- beleidsartikelen zijn:

  • 8. Centraal apparaat kerndepartement

  • 9. Algemeen

  • 10. Nominaal en onvoorzien

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn

  • 11. Financiering staatsschuld (transactiebasis)

  • 12. Kasbeheer (transactiebasis)

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsagenda, de beleidsprioriteiten en de begroting op hoofdlijnen. Ook wordt in hoofdstuk 2 op de beleidsartikelen en de niet- beleidsartikelen ingegaan, waarvan de budgettaire mutaties toegelicht worden in het verdiepingshoofdstuk (internetbijlage). In hoofdstuk 3 is de paragraaf inzake de baten- lastendiensten Domeinen Roerende Zaken en Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf opgenomen. Als bijlagen het budgettair overzicht interventies ten behoeve van de Financiële Sector, een lijst met staatsdeelnemingen en de bijlage ZBO’s en RWT’s opgenomen. Als laatste volgt de afkortingen- en begrippenlijst. Het begrotings- en algemeen financieel-economisch beleid wordt toegelicht in de Miljoenennota en komt beknopt aan de orde in de beleidsagenda.

Samenvoegen IXA en IXB

Per Ontwerpbegroting 2013 is gekozen om de begrotingen van de Nationale Schuld en Financiën samen te voegen. Bij het samenvoegen van de begrotingen komt het gehele beleidsterrein in één begroting terecht. Hierdoor kan ook in de beleidsagenda een completer beeld gegeven van alle speerpunten van de minister van Financiën. Dit sluit aan bij de inrichting van de Rijksbegroting naar de taken en verantwoordelijkheden van de ministers.

Financiering Staatsschuld en Kasbeheer

Vanaf 2013 behandelt deze begroting tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het ministerie van Financiën. De schuld die extern wordt gefinancierd wordt in het artikel financiering staatsschuld behandeld (artikel 11). Het geïntegreerd middelen beheer wordt behandeld in het artikel kasbeheer (artikel 12). Beide artikelen worden middels een aparte begrotingstaat vastgesteld.

De begroting van de nationale schuld heeft twee specifieke eigenschappen die zijn vastgelegd in de CW. De eerste eigenschap is dat voor beide artikelen kas is verplichting geldt. Ten tweede wordt in afwijking van artikel 3, eerste lid van de CW, van rente-uitgaven en renteontvangsten van een jaar in de begroting van nationale schuld (artikel 11 en 12) niet verstaan de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, maar de rentekosten onderscheidenlijk de renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het ESR 1995 (Europees Stelsel van Rekeningen). Het ESR 1995 is de Europese methode om onder meer het EMU-saldo en het geharmoniseerde BNP (Bruto Nationaal Product) als grondslag voor de afdracht van de eigen middelen aan de Europese Unie te berekenen.

Kredietcrisis

Als gevolg van de kredietcrisis is door de minister van Financiën een aantal maatregelen getroffen om het vertrouwen in de financiële sector en de reële economie te herstellen. Dit heeft grote invloed gehad op deze begroting. In de bijlage financiële interventies in het kader van de kredietcrisis is daarom een overzicht van de getroffen maatregelen te vinden en de gevolgen voor het beleid toegelicht. In paragraaf 2.2.2 wordt dieper ingegaan op het beleidsterrein financiële markten. Het beleid over het fonds financiële structuurversterking, de deelneming in de ABN-Amro Group N.V. en de Illiquid Assets Back-up facility (IABF) is toegelicht in 2.2.3. In 2.2.4. zijn de verstrekte garanties voor het stabiliteitsmechanisme verwerkt en de lening aan Griekenland. De effecten van de kredietcrisis maatregelen op de staatsschuld zijn verwerkt in artikel 11.

Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (Kamerstuk 31 865, nr.26). De nieuwe presentatie moet leiden tot meer inzicht in financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en moet een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma laten zien.

De belangrijkste veranderingen zijn:

  • in deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid. Dit betekent dat voor 2013 budgettaire flexibiliteit is aangescherpt;

  • per artikel is aangegeven welke rol de minister heeft, deze kan bestaan uit regisseren, uitvoeren , financieren en stimuleren;

  • in de beleidsagenda is aan het eind een totaaloverzicht opgenomen van de beleidsdoorlichtingen,

  • aan deze begroting is tevens een lijst met staatsdeelnemingen toegevoegd.

2.1 DE BELEIDSAGENDA

2.1.1 Het werkterrein van het Ministerie van Financiën op hoofdlijnen

De minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a) het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid

  • b) het begrotingsbeleid en doelmatig beheer van ’s- Rijks financiën

  • c) het financieringsbeleid

  • d) het fiscale beleid

  • e) het heffen, controleren en innen van de belastingen

  • f) het beheer van materiële eigendommen van het Rijk

Het begrotings- en algemeen financieel-economische beleid wordt toegelicht in de Miljoenennota en komt beknopt aan de orde in de beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden toegelicht in de Miljoenennota.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

2.1.2 Beleidsagenda 2013

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een sobere invulling van de beleidsagenda 2013, waarbij wordt ingegaan op de relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

Huishoudboekje op orde

De belangrijkste bijdrage aan het huishoudboekje op orde brengen is voor het ministerie van Financiën drieledig. Als eerste ziet het toe op de uitvoering van de afspraken uit het regeerakkoord en aanvullend begrotingsakkoord waaronder de naleving van de begrotingsregels. Ten tweede wordt door het ministerie van Financiën zelf een bijdrage geleverd aan de bezuinigingen. De bezuinigingen worden vooral op het apparaat ingevuld. Een aanzienlijk deel van deze bezuinigingen slaat neer bij de Belastingdienst. Ten derde zal Nederland zich conform het regeerakkoord inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten aan de EU.

2.1.3 Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Gezonde overheidsfinanciën zijn van essentieel belang. Sinds de tweede helft van 2011 zijn we geconfronteerd met nieuwe onzekerheden en tegenvallende economische ontwikkelingen. Nederland is opnieuw in een recessie terechtgekomen en voor de komende jaren wordt een lage economische groei verwacht. Als gevolg hiervan dreigden de overheidsfinanciën voor 2013 verder te verslechteren. In de ontstane politieke situatie hebben de fracties van VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie de handen ineen geslagen en een begrotingsakkoord voor 2013 gesloten dat het EMU-tekort terugdringt tot 3% bbp. Hiermee wordt koers gezet richting gezonde overheidsfinanciën en een versterking van de economie.

Voor het kabinet is het op orde brengen van de overheidsfinanciën één van de belangrijkste prioriteiten. Zonder ingrijpen dreigt de overheidsschuld verder op te lopen en wordt de rekening doorgeschoven naar volgende generaties. Structurele maatregelen voor de lange termijn zijn noodzakelijk om de overheidsfinanciën houdbaar te maken.

Op advies van de dertiende Studiegroep Begrotingsruimte heeft het kabinet Rutte-Verhagen afgesproken om in totaal € 18 miljard te besparen per 2015. Als gevolg van de verslechterde economische situatie zijn nog eens voor € 12 miljard aanvullende maatregelen genomen in het begrotingsakkoord 2013. Hiermee zijn we er echter nog lang niet.

De veertiende Studiegroep Begrotingsruimte adviseert, voor overheidsfinanciën die bijdragen aan stabiliteit en vertrouwen, een pakket aan maatregelen te nemen van € 20 miljard in de periode tot en met 2017.

Daarnaast heeft de Studiegroep geadviseerd de omvang en vormgeving van het lokaal belastinggebied nader te onderzoeken. Daarnaast is in overweging gegeven om het btw-compensatiefonds (BCF) af te schaffen.

Rechtmatigheid

Het is de verwachting dat het percentage rechtmatigheidsfouten op begrotingshoofdstukniveau binnen de gestelde tolerantiegrens van 1 procent blijft. De afgelopen jaren is dit ook ruimschoots gerealiseerd.

2.1.4 Sobere en effectieve EU-begroting

In 2013 zal Nederland zich inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten aan de EU. Nederland streeft naar een sobere en effectieve begroting waarin duidelijke prioriteiten worden gesteld en waarbij de afdrachten evenwichtiger en transparanter worden verdeeld. De minister van Financiën zet zich in de Begrotingsraad in om dit standpunt in de jaarbegroting van de EU terug te zien, terwijl hij, tezamen met de minister president en de minister van Buitenlandse Zaken, zich ook inzet voor een voor Nederland gunstige ontwikkeling van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader van de EU voor de periode 2014–2020.

2.1.5 Robuuste financiële sector

De overheid wil dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven. Met acceptabele en transparante risico’s, waarbij de kosten van overmatig risicovol gedrag niet worden afgewenteld op de belastingbetaler. De overheid, toezichthouders en financiële sector voeren hiertoe onder meer de volgende hervormingen uit:

  • versterking en verbreding toezicht;

  • beter bestuur van financiële instellingen;

  • aanscherping kapitaal- en liquiditeitseisen;

  • consument meer centraal in financiële dienstverlening.

Daartoe zullen er in 2013 een groot aantal Europese richtlijnen en verordeningen geïmplementeerd dan wel uitonderhandeld worden, waaronder de regels rond kapitaal- en liquiditeitseisen (CRD IV, Solvency II en Omnibus II), regels omtrent markten voor financiële instrumenten (MiFID II), accountancy, hypotheken en witwassen.

In 2013 zal er ook aandacht uitgaan naar de versterking van het Europees toezicht, het macroprudentieel comité, de Commissie die onderzoek zal doen naar de structuur van de bancaire sector en het Europese crisismanagementraamwerk. Ook zullen de eerste ervaringen worden opgedaan met het provisieverbod, het toezicht op de productontwikkeling, de verbeterde vakbekwaamheidseisen en de eed/belofte financiële sector («bankierseed»).

2.1.6 Financieel beheer interventies financiële sector

Financiële Instellingen

Het beleid is gericht op een voortvarende, maar zakelijk verantwoorde exit uit de verschillende belangen en, in het bijzonder bij ASR Nederland en ABN AMRO, op de ondernemingsstrategie die de exit mogelijk moet maken. De minister heeft op 24 januari 2011 de hoofdlijnen van het exitbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. Samengevat is dit beleid gericht op een substantiële reductie van de belangen in de financiële sector, waarbij gestreefd wordt naar het recupereren van de nog uitstaande publieke middelen die zijn geïnvesteerd in ABN AMRO, ASR Nederland, ING en SNS REAAL.

De aandelen in ABN AMRO, ABN AMRO Preferred Investments en ASR zijn overgedragen tegen uitgifte van certificaten aan de Stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI). De verwachting is dat in 2012 de aandelen RFS worden overgedragen. Tot die tijd voert NLFI al wel het beheer. NLFI zal de minister op basis van wet en statuten adviseren over de te volgen exitstrategie en vervolgens worden gemachtigd deze namens de minister uit te voeren. Naar verwachting zal NLFI in 2013 met een advies over de te volgen exitstrategie komen, waarin in ieder geval aan de orde komt of en wat de mogelijkheden zijn voor een exit in 2014. Het ministerie van Financiën zal dit advies bestuderen, waarna de minister vervolgens een volmacht kan verlenen aan NLFI om de exitstrategie uit te voeren. In 2013 wordt nog geen exit voorzien.

IABF en garantieregeling Interbancaire leningen

Tijdens de kredietcrisis zijn verschillende kredietcrisismaatregelen ingesteld, waaronder de garantieregeling voor banken van € 200 miljard en de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF), waarmee de Staat 80% van het risico op de Alt-A portefeuille heeft overgenomen van ING. Voor wat betreft de garantieregeling is reeds aangevangen met de exitstrategie. De regeling is niet verlengd en het is inmiddels mogelijk voor banken om gegarandeerde leningen terug te kopen uit de kapitaalmarkt. Van deze mogelijkheid is al door verschillende banken gebruik gemaakt. Ook voor de IABF zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van een exitstrategie.

2.1.7 Herstellen en bewaken stabiliteit eurozone

In 2013 zal het herstellen en bewaken van de financiële stabiliteit van de eurozone een belangrijk onderwerp blijven. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. door middel van een nieuw begrotingsverdrag tussen lidstaten van de EU). Daarnaast zal er aandacht zijn voor de vooruitgang in de lopende steunprogramma’s voor Spanje, Griekenland, Ierland en Portugal. Bij het herstel van financiële stabiliteit in de eurozone zullen de Europese noodfondsen, EFSF, EFSM en ESM, en het IMF een belangrijke rol spelen.

2.1.8 Fiscale Voornemens

Op 25 mei 2012 heeft het kabinet met de VVD, het CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie overeenstemming bereikt over het Begrotingsakkoord 2013. Dat programma strekt tot het structureel verbeteren van de overheidsfinanciën, het verstevigen van het vertrouwen van de financiële markten en het verder toekomstbestendig maken van de Nederlandse economie. Dit programma bevat ook een groot aantal fiscale maatregelen die deels in 2012, deels in 2013 in werking treden. Het merendeel van de fiscale maatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 is uitgewerkt in het wetsvoorstel Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 dat op 4 juni 2012 aan de Tweede Kamer is gezonden. In dat wetsvoorstel zijn de volgende maatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 opgenomen:

  • 1. Btw-schuif

    • verhoging algemeen btw-tarief met 2% met ingang van 1 oktober 2012;

    • terugsluis btw-verhoging in 2013 (€ 1,5 miljard van de opbrengst) via maatregelen in de inkomsten- en loonbelasting, het kindgebonden budget en de zorgtoeslag.

  • 2. Structurele verlaging tarief overdrachtsbelasting naar 2%

  • 3. Vergroening

    • aanpassing (verhoging) tarief energiebelasting aardgas;

    • afschaffen vrijstelling kolenbelasting bij elektriciteitsopwekking;

    • afschaffen rode diesel;

    • niet afschaffen eurovignet;

    • pakket heffingskorting groen beleggen (de regeling groenprojecten niet verder versoberen maar groen beleggen en groen financieren blijvend fiscaal te stimuleren met een heffingskorting van 0,7%, naast de bestaande vrijstelling ter waarde van 1,2% in box 3).

  • 4. Diverse andere maatregelen

    • geen inflatiecorrectie inkomstenbelasting en loonbelasting in 2013;

    • werkgeversheffingen hoge lonen en excessieve vertrekvergoedingen;

    • niet invoeren werkbonus;

    • aanpassing aftrek deelnemingsrente (Bosal-arrest);

    • verlaagd btw-tarief podiumkunsten en kunstvoorwerpen per 1/7/2012;

    • aanpassing btw-vrijstelling medische diensten;

    • niet afschaffen belasting op alcoholvrije dranken;

    • verhoging accijns op bier, wijn en gedistilleerde dranken;

    • verhoging accijns op sigaretten en rooktabak (shag).

Het wetsvoorstel Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 is op 21 juni 2012 door de Tweede Kamer aangenomen en op 10 juli 2012 door de Eerste Kamer. Het is op 17 juli 2012 gepubliceerd in het Staatsblad.

Een deel van de maatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 wordt opgenomen in het pakket Belastingplan 2013, voornamelijk in de vorm van afzonderlijke wetsvoorstellen die tegelijkertijd met het Belastingplan 2013 op Prinsjesdag aan het Parlement zullen worden aangeboden. In een afzonderlijk wetsvoorstel worden opgenomen:

  • de maatregelen die betrekking hebben op de herziening van de woningmarkt, zijnde de introductie van de eis dat de rente van nieuwe leningen die na 1 januari 2013 worden aangegaan alleen aftrekbaar is als de lening in maximaal 30 jaar en ten minste annuïtair wordt afgelost alsmede de afschaffing van de vrijstelling in Box 1 van de kapitaalverzekering eigen woning die na 1 januari 2013 wordt afgesloten;

  • ter dekking van het structureel maken van de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting naar 2%; de herziening van het fiscale regime voor de kosten van vervoer, houdende afschaffing van de onbelaste reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer en – ten behoeve van de zogenoemde bijtelling voor het privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto – het aanmerken van de kilometers die met deze auto worden gemaakt in het woon-werkverkeer als privékilometers;

  • de introductie van een verhuurderheffing, zijnde een heffing bij de verhuurder over de gezamenlijke WOZ-waarde van de verhuurde woningen.

2.1.9 Toezicht Belastingdienst

De Belastingdienst beoogt met zijn toezicht de mate waarin burgers en bedrijven vrijwillig hun verplichtingen nakomen (compliance) maximaal te vergroten. Onder compliant gedrag wordt verstaan dat de belastingplichtige zich registreert voor belastingplicht, tijdig, juist en volledig aangifte doet en tijdig op aangifte of aanslag betaalt.

Het doel is het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat met de inzet van de beschikbare mensen en middelen een optimaal effect op de compliance wordt bereikt. De Belastingdienst kiest gericht welke handhavingsinstrumenten worden ingezet om het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven te verbeteren en goed gedrag te ondersteunen. Dit proces heet handhavingsregie.

Bij de uitwerking van de handhavingsregie wordt gebruik gemaakt van het uitgebrachte advies van de Commissie Stevens. Deze onafhankelijke commissie werd ingesteld om het horizontaal toezicht te evalueren, daarbij mogelijke knelpunten en kwetsbaarheden te signaleren, alsmede voorstellen te doen voor de verdere ontwikkeling van horizontaal toezicht en voor de wijze van effectmeting. De Commissie komt tot de conclusie dat de Belastingdienst met horizontaal toezicht de juiste weg is ingeslagen. Wel stelt de Commissie vast dat horizontaal toezicht moet worden ingebed in een breder handhavingspalet aan instrumenten waarvan ook nadrukkelijk verticaal toezicht deel uitmaakt. Het rapport is op 27 juni 2012 in een algemeen overleg met de vaste Commissie voor Financiën besproken. De aanbevelingen van de Commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst (Commissie Stevens) zullen in het najaar van 2012 worden uitgewerkt. In het gebruik van effectindicatoren voor horizontaal toezicht wil de Belastingdienst in 2013 een volgende stap zetten.

De inzetbaarheid van de Belastingdienst kan niet los worden gezien van de taakstellingen. De Belastingdienst zal zijn doelen met minder middelen moeten realiseren. De taakstellingen worden deels ingevuld via efficiencymaatregelen en deels in de vorm van vereenvoudigde wetgeving waarmee een besparing op uitvoeringskosten wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt door de Belastingdienst onderzocht met welke extra inspanningen de belastingopbrengst kan worden vergroot, zowel op het gebied van handhaving, als invordering.

2.1.10 Financiering Staatsschuld

De doelstelling, schuldfinanciering tegen zo laag mogelijk rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting, is sinds 2008 vormgegeven met een 7-jaars gecentreerde portefeuille als benchmark. Op basis van de evaluatie uit 2011 is besloten hiermee door te gaan1. Wel zijn er vanaf 2012 afwijkingen van het risicoprofiel van de benchmark mogelijk. Hiervoor gelden twee randvoorwaarden. De afwijkingen mogen niet leiden tot meer risico en de afwijking moet inpasbaar zijn in de begroting. De benchmark borgt de transparantie over de afwijkingen. Immers, in de verantwoording worden afwijkingen ten opzichte van de benchmark in termen van risicoprofiel en kosten gerapporteerd.

2.1.11 Schatkistbankieren

In 2013 wordt verplicht schatkistbankieren zonder leenfaciliteit ingevoerd voor gemeenten, provincies, gemeenschappelijke regelingen en waterschappen. De tarieven die de partijen over hun liquide middelen en beleggingen ontvangen worden geharmoniseerd aan de inleentarieven van de Staat. Schatkistbankieren houdt in dat decentrale overheden de middelen die zij (tijdelijk) niet nodig hebben voor uitoefening van hun taken aanhouden in de Nederlandse schatkist. Schatkistbankieren zal daarom een verlagend effect hebben op de EMU-schuld. De verwachting is dat de effecten voor de EMU-schuld op termijn ca. 15–29 miljard (4 % bbp) kunnen zijn.

2.1.12 De begroting op hoofdlijnen

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven op begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld). In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven van de (niet)beleidsartikelen 1 tot 10 en de beleidsartikelen 11 en 12 welke op transactiebasis zijn.

Beleidsartikelen Departement Financiën

De totale uitgaven voor de artikelen 1 tot en met 10 bedragen ongeveer € 10,9 mld. Hiervan is € 3,0 mld. apparaat (incl. ZBO’s en baten-lastendienst; zie figuur 1) en de rest bestaat uit € 7,9 mld. aan programma-uitgaven (excl ZBO’s en baten- lastendienst; zie figuur 2). De apparaatsuitgaven voor de Belastingdienst wordt in artikel 1 toegelicht en voor het kerndepartement in artikel 8.

Grafiek 1: Verdeling Apparaat binnen Financiën (* € 1 000)

Grafiek 1: Verdeling Apparaat binnen Financiën (* € 1 000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX Financiën 2013 (* € 1 000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX Financiën  2013 (* € 1 000)

De programma-uitgaven in totaal zijn € 7,6 mld. De grootste uitgaven zijn:

  • Heffings- en Invorderingsrente € 0,5 mld. (artikel 1);

  • Uitgaven voor de IABF van ongeveer € 2,0 mld. (artikel 3);

  • Kapitaalstorting aan het ESM van € 1,8 mld. (artikel 4);

  • Btw-compensatiefonds van € 2,9 mld. (artikel 6).

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten in € 1 000

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten in € 1 000

Voor 2013 is € 6,7 mld begroot aan niet-belastingontvangsten. De belangrijkste ontvangsten zijn (zie figuur 3):

  • Heffings- en invorderingsrente € 0,5 mld. (artikel 1);

  • Boetes en schikkingen en doorbelasten kosten

    vervolging € 0,3 mld (artikel 1);

  • Premies interbancaire leningen € 0,2 mld (artikel 2);

  • Ontvangsten IABF € 1,9 mld (artikel 3);

  • Winstafdracht DNB en Dividenden staatsdeelnemingen

    € 1,7 mld. (artikel 3).

Grafiek 4: Verleende garanties Financiën (* € 1 mld.)

Grafiek 4: Verleende garanties Financiën (* € 1 mld.)

Om bepaald beleid te bewerkstellen heeft de minister van Financiën een aantal garanties verstrekt. De belangrijkste verleende garanties in 2013 zijn (het uitstaande risico, zie figuur 4):

  • Garantiefaciliteit bancaire Leningen € 18,2 mld. (artikel 2);

  • Garantie EFSF van ongeveer € 97,8 mld. (artikel 4);

  • Garanties aan de IFI’s van ongeveer € 63,7 mld. (artikel 4);

  • WAKO garantie van € 14,0 mld. (artikel 2);

  • De Exportkredietverzekering voor ongeveer € 14,7 mld. (artikel 5);

  • Garantie aan het ESM van ongeveer € 35,4 mld. (artikel 4).

Hieronder is een totaaloverzicht van de ontvangsten en uitgaven van de begroting IX Financiën te vinden. De belastingontvangsten worden weergegeven als lijngrafiek.

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX Financiën

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX Financiën

Toelichting

De hoge uitgaven in 2011 en 2012 worden veroorzaakt door de interventies op de financiële markten. De hogere niet-belastingontvangsten in 2011 t/m 2012 komen door de terugbetalingen in het kader van de financiële interventies (o.a. ING securities). De belastingontvangsten laten een stijgende lijn zien, meer informatie hierover is te vinden in de Miljoenennota.

Begroting op hoofdlijnen Nationale Schuld

In deze paragraaf wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Het betreft de staatsschuld. De schuldtoerekening vanwege de IABF (Illiquid Asset Backup Facility met ING) en de EFSF (European Financial Stability Facility) zijn niet meegenomen. Deze worden verantwoord in artikel 3.

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11

De omvang van de staatsschuld (artikel 11) ultimo 2013 bedraagt naar verwachting circa € 371 mld. De raming voor de rentekosten in 2013 bedraagt € 10,1 mld. De onderstaande tabel geeft ook de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen weer, zoals Rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), Sociale Fondsen en ZBO’s.

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (in mld. euro's)

 

2011

2012

2013

EMU-schuld

394

434

447

Staatsschuld1 (artikel 11)

330

355

371

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 3,8

– 3,8

– 3,8

Interne schuldverhouding (artikel 12)

– 16,1

– 21,5

– 28,9

Rentekosten staatsschuld

10,0

9,9

10,2

       

Rentekosten schuldverhouding ABNAMRO

– 0,2

– 0,2

– 0,1

Rente kosten totaal (artikel 11)

9,8

9,7

10,1

Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 12)

– 0,5

– 0,4

– 0,4

Rentekosten Totaal (artikelen 11 en 12)

9,3

9,3

9,7

X Noot
1

Exclusief de schuldtoerekening vanwege de IABF (Illiquid Asset Backup Facility met ING), en EFSF (European Financial Stability Facility). Deze worden verantwoord in artikel 3.

2.1.13 Beleidsdoorlichtingen

Beleidsdoorlichtingen:
 

(realisatie)1

(planning) 

Artikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Financiën

               

1 Belastingen2

               

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen ervoor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

       

   

2 Financiële Markten

               

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

 

         

3 Financieringen

               

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de staat.

   

3

     

 

4 Internationale Financiële Betrekkingen

               

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

       

   

5 Exportkredietverzekering

               

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

       

     

6 Btw-compensatiefonds

               

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

         

 

7 Beheer Materiële Activa

               

Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

     

Overig

               

Financieel en Economisch beleid van de overheid

         

 

Vastgoedbeleid

               
                 

Nationale schuld

               

11 Financiering Staatsschuld

               

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting

         

   

12 Kasbeheer

               

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

       

     
X Noot
1

Zie voor toelichting bij de realisatie het Jaarverslag 2011.

X Noot
2

Belastingdienst en Fiscale Zaken

X Noot
3

In 2012 wordt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uitgevoerd. Dit IBO vervangt de geplande beleidsdoorlichting.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

2.2.1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen ervoor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk en heeft een regisserende en uitvoerende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • de heffing en inning van de rijksbelastingen en douanerechten;

  • de controle op VGEM-aspecten (veiligheid, gezondheid, economie en milieu) bij invoer, doorvoer en uitvoer van goederen;

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit;

  • de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen.

Het beleid is gericht op een eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel. Een belastingstelsel dat begrijpelijk is en dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst waar mogelijk reduceert. Een belastingstelsel dat een solide belastingopbrengst oplevert, zonder willekeurige schommelingen. Een eerlijk belastingstelsel waarbij uitholling van de belastinggrondslag effectief kan worden bestreden zodat ieder zijn deel bijdraagt.

De minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen. De Belastingdienst stelt in zijn handelen burgers en bedrijven centraal en gaat uit van vertrouwen waar dat gerechtvaardigd is. De Belastingdienst stemt zijn handhaving af op houding en beweegredenen van burgers en bedrijven inzake naleving. Uit de instrumenten waarover de Belastingdienst beschikt, zal hij die kiezen die het meest bijdragen aan de compliance. Dit wordt handhavingsregie genoemd.

In het najaar van 2012 ontvangt de Kamer het plan tot versterking van toezicht en invordering (en de daarvoor benodigde investeringen) om per saldo meer belastingbaten in de schatkist te laten vloeien. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan de juistheid en volledigheid van belastingontvangsten (waaronder actuele informatie over het nalevingstekort).

De Belastingdienst meet van oudsher de houding van burgers en bedrijven ten aanzien van het voldoen aan fiscale verplichtingen en de klanttevredenheid door middel van een set enquêtevragen in de Fiscale Monitor*. Aan de geënquêteerden wordt onder meer gevraagd of zij belastingontduiking onaanvaardbaar achten, of zij de stelling onderschrijven dat zelf belasting ontduiken uitgesloten is, en of zij van mening zijn dat belasting betalen betekent iets moeten bijdragen.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor 2013 geen beleidswijzigingen. Voor voorgestelde wijzigingen op fiscaal terrein wordt verwezen naar het Belastingplan 2013 en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid (x € 1000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

3 528 988

3 348 205

3 244 427

3 114 399

3 039 745

3 010 581

2 968 287

               

Uitgaven (1) + (2)

3 394 668

3 348 205

3 244 427

3 114 399

3 039 745

3 010 581

2 968 287

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

(1) Programma-uitgaven

592 294

506 444

491 714

454 614

437 664

439 304

405 304

Waarvan:

             
               

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

587 867

500 530

485 800

443 700

426 750

428 390

394 390

Rentevergoeding depotstelsel

0

0

0

5 000

5 000

5 000

5 000

               

Bekostiging

             

Proceskosten

3 365

3 536

3 536

3 536

3 536

3 536

3 536

Overige programma-uitgaven

1 062

2 378

2 378

2 378

2 378

2 378

2 378

               

(2) Apparaatsuitgaven

2 802 374

2 841 761

2 752 713

2 659 785

2 602 081

2 571 277

2 562 983

               

Personele uitgaven

 

2 064 865

2 005 831

1 932 189

1 897 773

1 876 739

1 875 740

waarvan: Eigen personeel

 

1 943 260

1 889 439

1 819 286

1 786 786

1 766 948

1 765 949

waarvan: Inhuur externen

 

121 605

116 392

112 903

110 987

109 791

109 791

               

Materiële uitgaven

 

776 896

746 882

727 596

704 308

694 538

687 243

waarvan: ICT

 

166 653

170 572

158 006

151 919

148 253

148 253

waarvan: Bijdrage SSO's

 

202 954

195 427

189 186

185 760

183 778

178 778

               

Ontvangsten (3) + (4)

109 815 639

110 462 946

118 200 909

120 135 526

126 602 017

131 371 951

138 093 820

               

(3) Programma-ontvangsten

             

Waarvan:

             

Belastingontvangsten

108 883 363

109 633 221

117 348 784

119 288 601

125 755 092

130 525 026

137 246 895

               

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

511 029

490 000

497 000

497 000

497 000

497 000

497 000

               

Boetes en schikkingen

             

Ontvangsten boetes en schikkingen

203 208

132 477

147 877

142 677

142 677

142 677

142 677

               

Bekostiging

             

Kosten vervolging

191 188

187 276

187 276

187 276

187 276

187 276

187 276

               

(4) Apparaatsontvangsten

26 851

19 972

19 972

19 972

19 972

19 972

19 972

D2: Budgetflexibiliteit

De programma-uitgaven vloeien voort uit onder andere de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet waardering onroerende zaken. De uitgaven zijn in beginsel niet alternatief aanwendbaar.

E: Toelichting op de instrumenten

Rente

Heffings- en invorderingsrente beogen compensatie te bieden voor het renteverlies dat ontstaat door een tijdsverschil tussen het ontstaan van de belastingschuld en het daadwerkelijk heffen en innen van de belastingschuld. De daling van de uitgavenraming wordt veroorzaakt door de invoering van het nieuwe stelsel van belastingrente.

Bekostiging

Uitgaven: Belastingplichtigen komen in aanmerking voor een proceskostenvergoeding, indien zij in het gelijk worden gesteld bij een bezwaar- of beroepsprocedure. De overige programma-uitgaven bestaan onder andere uit een bijdrage aan de Waarderingskamer en de Douaneraad.

Ontvangsten: Aan belastingschuldigen worden de kosten doorberekend van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van schikkingen.

De in de tabel budgettaire gevolgen van beleid opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds op grond van de Financiële verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het btw-Compensatiefonds en het BES- fonds. In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2012 met de begroting IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Belastinguitgaven en -ontvangsten

Tabel aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2013 met IX (x € 1 000)

 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Totale belastingontvangsten

131 541 185

131 939 695

139 377 568

141 371 388

147 262 425

152 106 978

158 836 034

Afdracht Gemeentefonds

– 18 576 293

– 18 427 043

– 17 963 120

– 17 839 731

– 17 432 815

– 17 526 291

– 17 524 669

Afdracht Provinciefonds

– 1 268 084

– 1 230 648

– 1 138 214

– 1 131 694

– 962 912

– 944 233

– 953 161

BTW-Compensatiefonds

– 2 788 317

– 2 613 190

– 2 895 357

– 3 079 269

– 3 079 513

– 3 079 335

– 3 079 216

Afdracht BES- fonds

– 25 128

– 35 593

– 32 093

– 32 093

– 32 093

– 32 093

– 32 093

               

Belastingontvangsten

108 883 363

109 633 221

117 348 784

119 288 601

125 755 092

130 525 026

137 246 895

Conform de conclusie van het kabinet naar aanleiding van de «beleidsdoorlichting evaluatie belastinguitgaven» (Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 6), worden de belastinguitgaven, die onder verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Financiën, in deze begroting weergegeven. Het zijn vooral fiscale faciliteiten die geen directe relatie hebben met een specifiek beleidsterrein van andere departementen.

Belastinguitgaven

Budgettair belang (mln. euro) in 2013

Doorschuiving inkomen aanmerkelijk belang bij aandelenfusie

94

Kindertoeslag forfaitair rendement

– 

Ouderentoeslag forfaitair rendement

97

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden forfaitair rendement

20

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen

919

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

384

Giftenaftrek

378

Faciliteiten successiewet algemeen nut beogende instellingen

196

Omzetbelasting vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken

127

Omzetbelasting vrijstelling fondswerving

159

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting motorrijtuigen ouder dan 25 jaar

222

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting reinigingsdiensten

1

Apparaatsbudgetten

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst betreffen personeel (ca. € 2,0 mld.) en materieel (ca. € 0,8 mld.). Het apparaatsbudget betreft de uitvoeringskosten voor het primaire proces en de ondersteuning daarvan. Het primaire proces omvat de dienstonderdelen: Belastingregio’s, Douane, Toeslagen, FIOD, BelastingTelefoon, Centrale Administratie en het Directoraat-generaal Belastingdienst. De ondersteuning betreft: huisvesting en facilitaire dienstverlening, ICT, kennis en communicatie.

Onderstaand cirkeldiagram geeft een verdeling op hoofdlijnen (in %) van de inzet van personele capaciteit naar de instrumenten dienstverlening, toezicht en opsporing, en massale processen. De verdeling is op basis van de formatie van de Belastingdienst in 2012 (ca. 29 682 fte).

Inzet personeel op instrumenten (in %)

Inzet personeel op instrumenten (in %)

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten ad € 20 mln. bestaan o.a. uit ontvangsten in verband met werkzaamheden die de Belastingdienst voor andere overheidsorganisaties uitvoert en uit ontvangsten voor uitleen van personeel.

Fiscaal beleid en wetgeving

E.1 Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

De fiscale wet- en regelgeving die in het jaar 2012 wordt en is voorbereid zal vooral in het teken staan van het structureel verbeteren van de overheidsfinanciën, het verstevigen van het vertrouwen van de financiële markten en het verder toekomstbestendig maken van de Nederlandse economie. Hierbij gaat het met name om de wettelijke fiscale uitwerking van het zogenoemde Begrotingsakkoord 2013 dat zijn eerste beslag heeft gekregen in de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) dat in de maanden juni en juli 2012 door het parlement is aanvaard. Een deel van de uitwerking van het Begrotingsakkoord 2013 zal plaatsvinden in het pakket Belastingplan 2013 waaronder begrepen de Wet verhuurderbelasting, Wet herziening fiscale behandeling eigen woning en de Wet herziening fiscale behandeling kosten van vervoer. Belastingheffing dient zodanig plaats te vinden dat de geraamde opbrengsten worden gerealiseerd, met een minimum aan administratieve lasten en uitvoeringkosten. In dat kader zijn de voorstellen Wet elektronische registratie notariële akten en de Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst van belang. Deze voorstellen zullen tegelijkertijd met of kort na het Belastingplan 2013 bij de Tweede Kamer worden ingediend. De ramingen van de belastingopbrengsten worden getoetst aan de hand van de realisatie van de belastingontvangsten. De ontwikkeling en realisatie van de belastingontvangsten komen onder andere aan de orde in de Voorjaarsnota, de Najaarsnota en het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Wat betreft de internationale context worden bilaterale belastingverdragen afgesloten en uitgevoerd, bijvoorbeeld met het oog op het voorkomen van dubbele belastingen. Nederland heeft al een vrij uitgebreid netwerk van verdragen dat ook regelmatig terugkerend onderhoud vergt. In dat kader bestaat het voornemen om onderhandelingen te voeren of voort te zetten met landen als Brazilië, China en India met als doel de bestaande belastingverdragen te herzien. Daarnaast worden de besprekingen met Aruba, Curaçao en Sint Maarten voortgezet om – gegeven de nieuwe staatkundige verhoudingen per 10 oktober 2010 – de Belastingregeling voor het Koninkrijk aan die nieuwe verhoudingen aan te passen.

Belastingdienst

E.2 Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Passende dienstverlening ondersteunt belastingplichtigen en toeslaggerechtigden om verplichtingen na te komen en rechten te effectueren. Daarvoor is het nodig dat de dienstverlening van de Belastingdienst aansluit op de behoeften van burgers en bedrijven door te laten merken dat we hun fiscale situatie kennen, een communicatievorm aan te bieden die hen past, op het juiste moment beschikbaar te zijn en voor hen begrijpelijke taal te gebruiken. De dienstverlening is daarom in beginsel gericht op snelheid, gemak en kwaliteit.

De dienstverlening omvat onder andere:

  • op de doelgroepen afgestemd producten- en dienstenaanbod;

  • kanaalsturing;

  • vooringevulde aangifte;

  • voorlichting via diverse media (krant, radio en tv, website).

De communicatie met en dienstverlening aan burgers en bedrijven kennen een grote omvang en diversiteit. De effectiviteit en efficiency van communicatie en dienstverlening kunnen worden vergroot als de afstemming van de producten, diensten en kanalen verbetert. De komende jaren ontwikkelt de Belastingdienst gefaseerd een persoonlijk domein voor burgers. Via dit domein kunnen burgers algemene informatie verkrijgen, persoonlijke gegevens opvragen en controleren en wijzigingen doorgeven.

Meetbare gegevens6

Prestatie-indicator in %

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Bereikbaarheid BelastingTelefoon

83

82

80–85

80–85

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen Belasting Telefoon (extern gemeten)

87

87

80–85

80–85

Afgehandelde bezwaren binnen AWB-termijn

87

94

95–100

95–100

Afgehandelde klachten binnen AWB-termijn

98

96

98–100

98–100

Klanttevredenheid

• Internet

• Balie

• Telefonie

– Algemeen

– Intermediairs

89

91

78

87

90

76

82

82

80–90

80–90

70–80

80–90

80–90

80–90

70–80

80–90

Toelichting

  • Bereikbaarheid.

    De bereikbaarheidsnorm geeft het percentage weer van het aantal bellers dat daadwerkelijk verbinding heeft gekregen met de BelastingTelefoon. De doelstelling van 80–85% geldt als gemiddelde jaardoelstelling.

  • Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BelastingTelefoon.

    De BelastingTelefoon streeft kwalitatief goede beantwoording na. Dit wordt bereikt door goed opgeleide telefoniemedewerkers en voorzieningen op de werkplek voor dialoogondersteuning. Door externe bureaus wordt gemeten of de fiscaal juiste antwoorden worden gegeven.

  • Bezwaren en klachten.

    Bezwaren en klachten worden AWB-conform behandeld. Er is gekozen voor een marge, omdat, gelet op de omvang van het aantal bezwaarschriften, volledige afdoening binnen de wettelijke termijnen in de praktijk niet altijd haalbaar is.

  • Klanttevredenheid.

    De klanttevredenheid wordt jaarlijks met behulp van de Fiscale Monitor voor alle dienstverleningskanalen gemeten.

E.3 Toezicht en opsporing

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af, zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Bij de uitvoering van zijn taken laat de Belastingdienst zich leiden door rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Kwaliteit in termen van professionaliteit, duidelijkheid en snelheid is daarbij van belang. De nadruk ligt op preventieve instrumenten en toezicht in de actualiteit. De bedoeling is goed gedrag te stimuleren, fouten te voorkomen en, indien nodig, in de actualiteit bij te sturen.

De Belastingdienst kiest gericht welke handhavingsinstrumenten worden ingezet om het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven te verbeteren en goed gedrag te ondersteunen. Dit proces heet handhavingsregie.

De Belastingdienst maakt onderscheid in individuele en groepsgewijze klantbehandeling. In het segment Middelgrote/Zeer Grote Organisaties vindt individuele klantbehandeling plaats. Voor de segmenten Particulieren en Midden- en Kleinbedrijf, is gegeven de omvang van deze segmenten, sprake van groepsgewijze klantbehandeling, uiteindelijk resulterend in correcties op individuele aangiften.

Binnen het segment MKB onderscheidt de Belastingdienst starters, Zelfstandigen Zonder Personeel en MKB-ondernemingen met personeel. Hierbij wordt om redenen van effectiviteit en efficiency, waar mogelijk, gekozen voor een thematische aanpak.

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het correct, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van het juiste bedrag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen.

Door toezicht op goederen die via Nederland de Europese Unie (EU) binnenkomen of verlaten, draagt de Douane bij aan een veilig en gezond Europa. Gelijktijdig worden ook Europese (en Nederlandse) fiscale en economische belangen bewaakt. Daarbij wordt zoveel mogelijk samengewerkt met het bedrijfsleven en andere handhavingspartners, al dan niet in internationaal verband. Bij het toezicht hanteert de Douane een risicogerichte aanpak en wordt op basis daarvan de meest passende toezichtsvorm gekozen. De toezichtsvormen verschillen naar aard en intensiteit. Zo kent de Douane:

  • toezicht op vervoersstromen (daarvan is sprake bij het elektronisch volgen van vaar- en vliegbewegingen en bij cameratoezicht);

  • toezicht op specifieke objecten (zoals het controleren van containers en pakketten) en

  • systeemtoezicht bij vergunninghouders en convenantpartners (daarbij gaat het om controles, gericht op het functioneren van de controlemechanismen en kwaliteits- en veiligheidssystemen van het bedrijf).

Het beleid van de Douane is erop gericht het overgrote deel van de goederenstroom met systeemtoezicht af te dekken.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

6 500

33 000

50 000–75 000

75 000–100 000

M/ZGO organisaties waarbij de mogelijkheden tot horizontalisering zijn beoordeeld (als percentage van het aantal organisaties in dit segment)

40%

47%

44–54%

45–55%

M/ZGO organisaties die adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing (als percentage van het aantal organisaties onder horizontaal toezicht in dit segment).

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

65–75%

Toelichting

  • Horizontaal toezicht MKB.

    De Belastingdienst geeft horizontaal toezicht een belangrijke plaats in zijn handhavingsaanpak in het MKB-segment. De Belastingdienst sluit hiervoor convenanten met fiscale dienstverleners waarin afspraken worden gemaakt over de kwaliteitsborging door de fiscale dienstverlener van de aangiften van hun klanten.

De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling in het segment M/ZGO7 op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten. De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert organisaties om de kwaliteit van de aangifte te versterken. De Belastingdienst bespreekt met de organisatie hoe hij zijn verantwoordelijkheid invult met betrekking tot zijn aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe de organisatie om gaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De organisatie beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor de 25–35% van de organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichtstraject kan worden gecontinueerd.

Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Percentage contacten met starters: startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters)

n.v.t.

20%

15–25%

15–25%

Tijdigheid aangiften:

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

n.v.t.

64%

50–60%

50–60%

Tijdigheid aangiften:

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

n.v.t.

93%

90–95%

90–95%

Tijdigheid aangiften:

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

n.v.t.

87%

90–95%

90–95%

         

Achterstand invordering

2,5%

2,4%

2,5%-3,0%

2,5%-3,0%

Toelichting

  • Tijdigheid aangifte.

    Een gedeelte van de burgers en bedrijven doet niet of niet altijd tijdig hun aangifte. In 2012 continueert de Belastingdienst het beleid gericht op het tijdig ontvangen van deze aangiften door zo snel mogelijk contact op te nemen met de belastingplichtigen die in gebreke blijven.

    De streefwaarde voor het bereiken van belastingplichtigen na verzuim OB zijn hierbij lager dan voor de LH en de IH niet winst omdat het bereik via belacties verloopt. Voor de IH worden vooral brieven verstuurd waarmee sneller grotere groepen belastingplichtigen worden bereikt. Voor de LH zijn de volumes laag; deze kunnen ook met belacties vrijwel volledig worden bereikt.

  • Tijdigheid betaling.

    De Belastingdienst stelt een grens aan de betalingsachterstand bij invordering. Het bedrag van de betalingsachterstand bij invordering wordt weergegeven als een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten.

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Toeslagen

Deels behaald

Grotendeels behaald

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd.

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd.

Toelichting

De zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag berusten op grondslagen die voor het overgrote deel geverifieerd kunnen worden met gegevens uit onafhankelijke registraties op basis van contra-informatie. Omdat voorafgaand toezicht praktisch niet mogelijk is, vindt dat in ieder geval plaats bij het definitief toekennen. Door toezicht uit te voeren, wordt gerealiseerd dat de grondslaggegevens in afdoende mate zijn geverifieerd vóór het moment van definitief toekennen. Door zowel gebruik te maken van bij andere organisaties aanwezige contra-informatie als convenanten af te sluiten met brancheorganisaties (horizontaal toezicht), worden de toezichtlasten zoveel mogelijk beperkt.

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Controles op de goederenstroom

330 000

341 600

295 000- 365 000

295 000- 365 000

Gecertificeerde goederenstromen

n.v.t

51%

> 70%

> 70%

Controles op passagiersvluchten

 

12 600

12 000 – 15 000

12 000 – 15 000

Toelichting

  • Controles op de goederenstromen8.

    De Douane voert controles uit op de reguliere goederenstroom (vracht en post). Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles.

  • Gecertificeerde goederenstromen.

    De prestatie-indicator geeft aan welk deel van de reguliere goederenstroom (in- en uitvoer) gecertificeerd is als authorised economic operator (AEO) en daarmee onder systeemtoezicht valt.

  • Controles op passagiersvluchten.

    De Douane gaat bij de controle van passagiersvluchten uit van een gradatie in risico’s op vluchtniveau, met bijbehorende controledichtheid en inzet van handhavingsmiddelen. Die controledichtheid varieert van 100% (de hoog-risicovluchten) tot 5% (de laag-risicovluchten).

    Bij de hierbij ingezette handhavingsmiddelen moet gedacht worden aan profiling, fysieke controles op passagiers, inzet van speurhonden en security-scans.

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie (%)

76

84

82–85

82–85

Toelichting

De Belastingdienst geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken die zowel financieel, als anderszins maatschappelijk van voldoende gewicht zijn. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

De FIOD werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegen gaan van fiscale, financiële en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en douane), het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en de bestrijding van de financiële georganiseerde criminaliteit.

E.4 Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

De Belastingdienst maakt bij zijn werkzaamheden veel gebruik van ICT toepassingen, waarmee de verschillende bedrijfsprocessen op een snelle en efficiënte wijze worden uitgevoerd. Voor burgers en bedrijven betekent dit dat zij sneller zekerheid krijgen over hun fiscale positie.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2010

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Aantal postzendingen zonder fouten

100%

100%

≥ 99%

≥ 99%

Toelichting

De Belastingdienst zorgt dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden de juiste berichten ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. Het gaat om tienduizenden verzendpartijen die goed zijn voor meer dan 100 miljoen poststukken op jaarbasis.

2.2.2 Financiële Markten

A. Algemene doelstelling:

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid minister

Financiële markten en -instellingen vormen een onmisbare bouwsteen in het maatschappelijk verkeer. Een stabiel en adequaat financieel stelsel is nodig om de Nederlandse economie te laten functioneren, en daarmee onze welvaart en de economische vooruitgang te bevorderen. De kredietcrisis heeft laten zien hoe groot de systeemrisico’s op de financiële markten kunnen zijn en welke impact dit kan hebben op de Nederlandse economie.

De minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten, de institutionele structuur van het toezicht, en de besluitvorming over de besteding van publieke middelen bij een crisis. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De randvoorwaarden die de minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Hierin is de regelgeving en het toezicht geregeld die financiële instellingen stimuleert en verplicht om acceptabele en transparante risico’s te nemen. Deze regelgeving en dit toezicht dragen er aan bij dat consumenten met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

Een van de lessen uit de crisis van de afgelopen jaren is dat sterk toezicht zowel op instellings- als ook op systeemniveau noodzakelijk is. Daarbij is het streven om de risico’s voor de belastingbetaler zoveel mogelijk te beperken. Ingeval problemen niet meer op andere wijze kunnen worden opgelost, dient de toezichthouder en uiteindelijk de minister tijdig en effectief in te grijpen bij financiële instellingen. Hiervoor is een passend instrumentarium beschikbaar.

De minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

Kengetallen

Prestatie-indicator

Basiswaarde (2012)1

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Implementatie Europese richtlijnen1

100%

100%

100%

       
X Noot
1

Gebaseerd op het halfjaarlijkse scorebord van de interne markt van de Europese Commissie. Het percentage geeft aan welk deel van de Europese richtlijnen uit het Actieplan Financiële Diensten (FSAP), die op dat moment van kracht zijn, zijn omgezet in nationale wetgeving. Bij bepaling van het percentage is, waar relevant, alleen rekening gehouden met dat deel van de richtlijn dat door Financiën moet worden geïmplementeerd.

C. Beleidswijzigingen

Breed gedragen is het besef dat de financiële crisis heeft kunnen ontstaan door een veelvoud aan factoren die elkaar beïnvloedden en versterkten. De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat een hervorming van de wet- en regelgeving in de financiële sector noodzakelijk is. In de G20, het Bazels Comité voor bankentoezicht en in Europa zijn hiertoe een grote hoeveelheid voorstellen gedaan, die grotendeels door middel van richtlijnen in nationale regelgeving zijn en worden geïmplementeerd.

De hervormingen van de financiële sector moeten leiden tot een robuuste financiële sector die solide, verantwoordelijk en transparant is. De minister stuurt jaarlijks een brief aan de Tweede Kamer waarin hij ingaat op de wensen van de toezichthouders (wetgevingsbrieven). Deze brief van de minister aan de Tweede Kamer geeft aan hoe ver de hervormingen zijn. In deze brief wordt daarnaast aangegeven welke wet- en regelgeving op het programma staat, wat het meest urgent is en wordt een reactie gegeven op de wensen van de toezichthouders. De minister is voornemens om de voortgangsrapportage rond de opvolging van de aanbevelingen van de Commissie De Wit te integreren in deze jaarlijkse brief aan de Tweede Kamer. Er is tevens een indicator die de tijdige omzetting van richtlijnen meet.

Macroprudentieel comité

In 2013 zal er een macroprudentieel comité zijn opgericht. Met de komst van het comité zullen partijen die in Nederland betrokken zijn bij financiële stabiliteit gezamenlijk de belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de financiële stabiliteit inventariseren en aanbevelingen op dit vlak doen.

Nieuwe FATF standaarden

In navolging van de aanbevelingen die Nederland van de Financial Action Task Force (FATF) heeft gekregen, zal in 2013 onder andere de aangepaste Wwft in werking treden, de financiering van terrorisme separaat strafbaar gesteld worden en de werkwijze van Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) worden aangepast. Nederland rapporteert in februari 2013 aan de FATF terug over de geboekte vooruitgang.

Daarnaast heeft de FATF in februari 2012 de internationale standaard aangepast en dit zal moeten leiden tot aanpassingen in de Europese richtlijn. De onderhandelingen over de 4e witwasrichtlijn worden naar verwachting in de eerste helft van 2013 afgerond en vervolgens in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

– 5 707 805

– 14 846 767

59 938

58 712

58 067

57 957

55 098

               

waarvan garantieverpichtingen

– 5 841 147

– 14 925 379

0

0

0

0

0

Garantie kredietfaciliteit AFM

– 18 000

           

Garantieregeling bancaire leningen

– 5 823 147

– 14 925 379

         

Garantie en waarborg NWB

0

           
               

Uitgaven

128 238

78 612

59 938

58 712

58 067

57 957

55 098

               

waarvan juridisch verplicht

 

 

100%

 

 

 

 

               

Subsidies 

1 783

1 519

1 353

964

965

966

966

Geldmuseum

1 013

685

530

530

530

530

530

CDFD

770

834

823

434

435

436

436

               

Bekostiging

61 665

15 728

14 800

14 625

14 625

14 625

14 625

Rechtspraak Financiële Markten

1 245

1 100

1 100

1 100

1 100

1 100

1 100

Muntcirculatie

8 380

13 985

13 385

13 385

13 385

13 385

13 385

Afname munten in circulatie

52 040

0

0

0

0

0

0

Overig

 

643

315

140

140

140

140

               

Garanties

4 481

0

0

0

0

0

0

Terugbet.fee gar.banc.leningen

4 481

0

0

0

0

0

0

               

Leningen

0

0

0

0

0

0

0

Voorfinanciering DNB (DGS)

0

0

0

0

0

0

0

               

Opdrachten

3 602

1 611

255

270

270

270

270

Wijzer in geldzaken

3 602

1 611

255

270

270

270

270

               

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

56 305

59 342

43 130

42 453

41 807

41 696

38 837

Bijdrage toezicht AFM

30 505

31 216

25 749

25 471

25 208

25 165

24 023

Bijdrage toezicht DNB

25 800

28 126

17 381

16 982

16 599

16 531

14 814

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

402

412

400

400

400

400

400

Caribbean Financial Action Taskforce

22

32

20

20

20

20

20

IASB

380

380

380

380

380

380

380

               

Ontvangsten

906 597

461 475

176 748

176 086

7 377

7 377

7 108

               

Garanties

365 893

229 631

169 371

168 709

0

0

0

feeopbrengsten gar. banc. leningen

365 893

229 631

169 371

168 709

     
               

Leningen

534 007

199 467

0

0

0

0

0

terugontv. voorfinanciering DNB (DGS)

91 059

2 160

         

ontvangsten ijsland

442 948

197 307

         
               

Bekostiging

2 840

5 184

5 184

5 184

5 184

5 184

5 184

ontvangsten muntwezen

2 840

5 184

5 184

5 184

5 184

5 184

5 184

               

Overig

3 857

27 193

2 193

2 193

2 193

2 193

1 924

D2: Budgetflexibiliteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is beperkt. Het overgrote deel van de gebudgetteerde uitgaven is juridisch verplicht en hebben een wettelijke basis. Zo is de bijdrage van het ministerie van Financiën aan de toezichthouders AFM en DNB voor de kosten van toezicht tot en met 2012 onder meer geregeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Vanaf 2013 zal dit de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) zijn.

De muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de productie van munten en een vergoeding van de kosten gemaakt door het Nationaal Analysecentrum voor Munten. Deze uitgaven zijn juridisch verplicht. De overige uitgaven zijn beleidsmatig gereserveerd en zijn nodig voor de aankoop van metaal voor reguliere circulatiemunten en bijzondere munten, alsmede het ontwerp.

E: Toelichting op de instrumenten

Subsidies Geldmuseum en CDFD

Subsidies aan Stichting Geld- en Bankmuseum en aan Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen COAP Overheidspersoneel ten behoeve van het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD).

Rechtspraak Financiële Markten (accountantskamer)

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat dan om gedragingen van de accountant in strijd met de wet of de gedrags- en beroepsregels en om gedragingen van de accountant in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Een tuchtprocedure beoogt bij te dragen aan het (herstel van) vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening van accountants.

Muntcirculatie

Muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de muntproductie en de vergoeding van de kosten van het Nationaal Analysecentrum voor Munten. De muntproductie in de jaren 2013 en verder is afhankelijk van de ontwikkelingen in de muntvraag.

Afname munten in circulatie

Het in omloop brengen van reguliere euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Wanneer er meer munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, neemt het aantal munten in circulatie toe. Deze toename leidt tot een netto ontvangst omdat de nominale waarde van de munten wordt ontvangen door de Staat. Wanneer er minder munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, leidt dit tot een afname van munten in circulatie en tot een netto uitgave, omdat de nominale waarde wordt terugbetaald. Met de invoering van de euro deed ook de migratie van deze munten haar intrede. De realisaties van voorgaande jaren laten een wisselend beeld zien met zowel positieve als negatieve resultaten. Om deze reden wordt een stelpost van nul opgenomen voor zowel de ontvangst als de uitgave aan munten in circulatie.

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken heeft het vergroten van financiële kennis en vaardigheden in Nederland de afgelopen jaren met succes op de kaart gezet. Uitgangspunt voor de begroting van Wijzer in geldzaken is dat het ministerie van Financiën samen met een aantal partijen uit de sector het platform financiert. Het ministerie van Financiën heeft als initiatiefnemer de eerste jaren relatief gezien meer bijgedragen, maar de komende jaren neemt de bijdrage af.

Bijdrage toezicht AFM en DNB

De hoogte van de overheidsbijdrage aan de toezichthouders AFM en DNB is met ingang van 1 januari 2013 geregeld in artikel 10 van de Wet bekostiging financieel toezicht.

Bijdrage internationale organisaties

Hieronder vallen de jaarlijkse contributie aan de International Accounting Standards Board, alsmede de bijdrage in de kosten van de Caribean Financial Action Taskforce (CFAT). De CFAT is een regionale organisatie in het Caribische gebied die witwassen en het financieren van terrorisme bestrijd

Overig

Deze post is een verzameling van kleine instrumenten: de monitoring commissies Code Banken, Verzekeraars en Corporate Governance. De uitgave aan de drie monitoring commissies is gericht op naleving van respectievelijk de Code Banken, Verzekeraars en de Corporate Governance.

Ontvangsten

Feeopbrengsten

Als onderdeel van de exit-strategie wordt sinds 1 januari 2011 aan banken die onder de garantieregeling leningen hadden uitgegeven de mogelijkheid geboden gegarandeerde leningen terug te kopen. ABN AMRO, Achmea en NIBC hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Aflossing voorfinanciering DGS door DNB

In 2010 heeft Financiën de DGS-uitkering aan voormalig DSB-rekeninghouders voorgefinancierd. Bij de verstrekking van deze lening is overeengekomen dat deze uiterlijk in 2012 volledig zal zijn afgelost. De lening is in 2012 conform afspraken volledig afgelost

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de uitgifte van bijzondere euromunten, de afdracht van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Staat van de totale nominale waarde van uitgegeven muntsets, de bijzondere euromunten en van royalty's. Royalty's zijn vergoedingen die de Staat ontvangt voor dukaten die KNM produceert en verkoopt. De ontvangsten muntwezen hebben tevens betrekking op verkocht metaalschroot: dit betreft metaal van vernietigde euromunten die als gevolg van beschadiging niet meer bruikbaar zijn voor de circulatie.

2.2.3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A: Algemene beleidsdoelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van het aandeelhouderschap van staatsdeelnemingen. De publieke doelstellingen worden met inzet van zo min mogelijk (financiële) middelen gerealiseerd of gegeven de hoeveelheid middelen wordt een zo hoog mogelijke kwaliteit nagestreefd. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, complexe investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek- private investeringen (PPI) in Nederland.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van publieke investeringsprojecten die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen in staat worden gesteld hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit te realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn Design-Build-Finance-Maintain – (Operate) [DBFM(O)] projecten, andere complexe projecten, verdelen van exclusieve rechten en beheer, ontwikkeling en aan- en verkoop van overtollige gronden.

  • het overkoepelende DBFM(O) beleid en de regie van het «systeem» dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • het beheren van de Illiquid Asset Back-up Facility binnen de contractvoorwaarden;

  • zwaarwegende en/of principiële beslissingen (o.a. exitstrategie en beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI).

De minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van projectfinanciering en risicomanagement;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, i.h.b. artikel 6: huur- , huurkoop- en lease- overeenkomsten

  • PPS-code: de beheercode binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek- private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten;

  • Wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om de invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

De minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te kunnen meten. Hiervoor zijn de volgende meetbare indicatoren en streefwaarden opgenomen:

Indicator1

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Percentage deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply-or-explain» toepast

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI)

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage deelnemingen waarvan het beloningsbeleid conform de methodiek2 is vastgesteld

100%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Percentage van deelnemingen met dividend pay-out ratio3van ten minste 40%

80%

90%

90%

90%

90%

90%

Percentage van deelnemingen met een met een minimum return on equity (RoE) van 8%

65%

70%

80%

80%

80%

80%

X Noot
1

Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Voor beloningsbeleid zijn Thales en KLM buiten beschouwing gelaten vanwege de beperkte toepasbaarheid van de methodiek.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 28 479, nr. 39.

X Noot
3

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

Vanwege de publieke verantwoordelijkheid van de Staat bestaan de doelstellingen van de staatsdeelnemingen niet uitsluitend uit het behalen van bedrijfseconomische voordelen. Het beheer ziet vooral toe op een zakelijke aansturing van de deelnemingen en een effectief gebruik van de aan haar toevertrouwde middelen. De publieke belangen die de deelnemingen dienen te bevorderen zijn veelal geborgd via wet- en regelgeving. Deze publieke belangen zijn lastig meetbaar te maken, waardoor het lastig is hiervoor een algemeen geldende indicator op te stellen. Financiële belangen zijn wel meetbaar te maken. Doordat bovenstaande indicatoren binnen de directe invloedssfeer van de Staat als aandeelhouder liggen, kan en wordt hierop door de Staat gestuurd.

Voor het nemen van doelmatige aanbestedingsbeslissingen bij publiek- private investeringen is het aantal goed uitgevoerde Public Private Comparators (PPC) een indicator. Een PPC bevat een kostenvergelijking, waarbij de realisatie van een project in een DBFM(O)-variant wordt vergeleken met de realisatie van hetzelfde project in een traditionele variant. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het toezicht op het gebruik van de PPC. Over het toepassen van de PPC zijn afspraken gemaakt binnen het Rijk:

Indicator

2013

2014

2015

2016

2017

Percentage van projecten binnen het Rijk (infrastructuur, Rijkshuisvesting, Defensie) waar een PPC voor is uitgevoerd zoals afspraken voorschrijven

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor ‘comply-or-explain’ is toegepast

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor gekozen is voor DBFM(O)

90%

90%

90%

90%

90%

Bron: Vakdepartementen; vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie komt de tabel tot stand. De voortgang en prestaties op het gebied van DBFM(O) worden uitvoeriger beschreven in de tweejaarlijkse DBFM(O) voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer.

C: Beleidswijzigingen

Bij DBFM(O) projecten worden reeds besluiten over (publiek- private) uitvoeringsvarianten genomen op basis van het instrument PPC. Het beleid is om het gebruik van dit instrument steeds verder uit te breiden naar andere complexe projecten. Voorbeeld hiervan zijn de sourcingprojecten van Defensie. De minister van Financiën zal de handleiding PPC aanpassen zodat deze voor een nog breder toepassingsgebied ingezet kan worden, bijvoorbeeld voor de afweging tussen uitvoeringsvarianten voor ICT- projecten van het Rijk.

In het Energierapport 2011 is het voornemen geuit om minderheidsprivatisering mogelijk te maken van de landelijke netbeheerders voor elektriciteit en gas. Hiertoe bereiden de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Financiën een wetswijziging voor, die nog ter goedkeuring aan beide Kamers zal worden voorgelegd. Indien deze wetswijziging wordt aangenomen, zal de minister van Financiën voorbereidingen treffen om tot een daadwerkelijke kapitaalmarkttransactie te komen bij Gasunie en/of Tennet. Het type transactie en de timing daarvan zijn mede afhankelijk van de situatie bij de betreffende deelneming en van de marktomstandigheden op dat moment.

In navolging van de in 2011 aan de Tweede Kamer verzonden Beleidsvisie kansspelen is toegezegd te onderzoeken of het pseudo- aandeelhouderschap van de Staat bij Holland Casino en Staatsloterij passend is. Alhoewel er nog geen concrete voorstellen tot privatisering van Holland Casino en de Staatsloterij aan de Tweede Kamer zijn voorgelegd, werken het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Financiën momenteel aan voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en -ordening van de kansspelmarkten. Afhankelijk van het nieuwe kabinet en de uitkomsten van het debat met de Tweede Kamer, zullen op zijn vroegst pas in 2013 de eerste stappen worden gezet om Holland Casino en de Staatsloterij te privatiseren.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen ( x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

1 023 449

272 101

336 637

303 636

267 636

219 637

176 637

waarvan betalingsverplichting:

             

Kapitaalstorting TenneT

600 000

           

Meerjarenverplichting aan ING

461 193

           
               

waarvan garantieverplichting:

             

Garanties en vrijwaringen (FCI, NS, WST en TenneT)

– 49 092

– 13 000

         

Regeling BF

– 8 322

           
               

Uitgaven

3 599 367

2 813 701

1 994 237

1 653 236

1 507 236

1 286 237

1 107 237

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Vermogensverschaffing

             

Kapitaaluitbreiding TenneT

300 000

300 000

         

Uitkering superdividend NS

             

Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

             

Kapitaalstorting couponbetaling MCN

             
               

Bekostiging/bijdrage

             

PPS

             
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

1 428

5 296

5 019

5 019

5 019

5 019

5 019

               

Lening

             

Management fee IABF

38 756

33 000

31 000

24 000

20 000

17 000

14 000

Funding fee IABF

3 242 213

2 459 000

1 948 000

1 614 000

1 472 000

1 254 000

1 078 000

               

Garantie

             

Regeling BF

0

600

600

600

600

600

600

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

               

Opdrachten

             

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

12 170

11 005

4 818

4 817

4 817

4 818

4 818

               

Ontvangsten

9 925 613

4 909 308

5 201 977

3 645 152

3 472 438

2 013 397

1 721 397

               

Vermogensonttrekking

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

9 000

11 000

         

Dividend staatsdeelnemingen

423 226

273 973

259 322

397 497

444 897

425 297

425 297

Winstafdracht DNB

544 278

750 000

1 314 000

354 000

295 000

208 000

96 000

waarvan SMP-Griekenland

   

278 000

122 000

85 000

62 000

42 000

waarvan investeringsportefeuille DNB

   

73 000

44 000

44 000

44 000

44 000

Afdrachten Holland Casino

       

10 000

10 000

10 000

Afdrachten Staatsloterij

102 423

100 000

96 000

96 000

90 000

90 000

90 000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

150

           

Dividend financiële instellingen

216 244

121 000

394 000

       
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

0

3 980

4 300

4 300

4 300

4 300

4 300

               

Leningen

             

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

3 012 250

2 245 000

1 749 000

1 459 000

1 344 000

1 147 000

989 000

Garantie fee IABF

85 262

73 000

67 000

52 000

43 000

36 000

31 000

Additionele fee IABF

55 409

49 000

43 000

34 000

27 000

23 000

17 000

Additionele garantie fee IABF

128 048

110 000

101 000

78 000

66 000

55 000

47 000

Verhandelbaarheidsfee IABF

 

16 000

19 000

15 000

12 000

10 000

7 000

Rente en aflossing div. leningen

62 999

           

Aflossing kapitaalversterkingen ING, Aegon en SNS Reaal

3 500 000

750 000

750 000

750 000

750 000

   

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

1 750 472

375 000

375 000

375 000

375 000

   

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

             
               

Garantie

             

Regeling BF

658

           

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

4 800

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

             

Premie-inkomsten counter indemnity

25 555

25 555

25 555

25 555

6 441

   
               

Opdrachten

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

4 839

1 000

         

D2: Budgetflexibiliteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is beperkt. Alle gebudgetteerde uitgaven zijn juridisch verplicht, omdat er contracten aan ten grondslag liggen. Een voorbeeld hiervan zijn de contracten die tussen de Staat en ING zijn afgesloten in het kader van de Illiquid Back-up faciliteit.

E: Toelichting op de instrumenten

Vermogensonttrekking

De vermogensonttrekkingen zien op het onttrekken van vermogen – in de vorm van dividend – aan de bij de minister van Financiën onder beheer staande staatsdeelnemingen. De geraamde bedragen zien op de reguliere staatsdeelnemingen zoals Holland Casino, de NS, Schiphol en op de tijdelijke deelnemingen ABN AMRO en ASR.

Bij de tijdelijke deelneming ABN AMRO is er sprake van schikking tussen ABN AMRO, Ageas (het voormalige Fortis België) en de Staat over de Mandatory Convertible Securities is er ook een einde gekomen aan alle nog uitstaande geschillen tussen de Nederlandse Staat en Ageas over de overname van de Nederlandse activiteiten van de voormalige Fortis-groep door de Nederlandse Staat op 3 oktober 2008.

In lijn met publieke uitlatingen van ING is de inschatting van de Staat dat ING dit jaar een gedeelte van de nog uitstaande steun zal terugbetalen, maar niet de begrote € 4,5 miljard. ING heeft aangegeven het terugbetalen van de staatssteun als topprioriteit te zien en dit zo snel mogelijk te willen doen. Op basis hiervan heeft de Staat een voorzichtige inschatting gemaakt van mogelijke tranches waarin terugbetaald zou kunnen worden. ING behoudt haar contractuele rechten. Een eventuele terugbetaling dit jaar en komende jaren dient te worden goedgekeurd door DNB. De Staat en ING voeren gesprekken met de Europese Commissie over de terugbetaling en de aanpassing van het herstructureringsplan. Dit overleg wordt voortgezet.

Bekostiging

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen – een rechtspersoon met een wettelijke taak – is in juli 2011 opgericht. De geraamde uitgaven om uitvoering te geven aan deze wettelijke taak betreffen netto € 0,7 miljoen.

Lening

De back-up faciliteit is een constructie gedefinieerd rond kasstromen. In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille van ING overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille.

Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. Voor 20% van de portefeuille is het risico op de balans van ING gebleven. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING. In oktober 2009 is een additionele betaling overeengekomen tussen de Staat en ING, waardoor twee extra kasstromen zijn toegevoegd. De extra betalingen komen overeen met een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt en een verlaging van de rentecomponent van de funding fee met 0,5 procentpunt. De management fee en de (extra) garantie fee worden jaarlijks berekend over de resterende omvang van de portefeuille. De overige kasstromen zijn maandelijkse betalingen. De verhandelbaarheidsfee is een zevende kasstroom. Het betreft een vergoeding die de Staat van ING ontvangt voor het omzetten van een deel van de kasstromen naar een verhandelbare lening die in de repo kan worden gebruikt (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 371, nr. 362). Iedere dollar die in 2013 wordt ontvangen wordt naar verwachting gebruikt om de verplichting aan ING versneld af te bouwen.

Garantie

Onder het instrument garanties staan de regeling Bijzondere Financiering, de garantie aan de Stichting Beheer Doelgelden en de contragarantie die is verstrekt aan ABN AMRO in het kader van de verkoop van HBU aan Deutsche Bank.

Onder de regeling Bijzondere Financiering (BF) – die wordt afbeheerd – staan nog een paar kredieten uit, die mogelijk tot schade kunnen leiden. Hiervoor is € 0,6 mln. geraamd.

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden tegen een marktconforme vergoeding14. Op basis hiervan verkreeg TenneT Holding de financiering voor de overname van Transpower. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt, wordt afgestort in een begrotingsreserve.

Er zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de Staat afgegeven. Voor deze garantie ontvangt de Staat een premie van € 25,6 mln. op jaarbasis.

2.2.4 Internationale Financiële Betrekkingen

A. Doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen zoals de schuldencrisis. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een directe weerslag op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is. De minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit in de toekomst neemt de minister actief deel aan internationaal toezicht ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de EMU. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een nieuw verdrag voor begrotingsdiscipline tussen lidstaten van de EU en een procedure voor economische onevenwichtigheden. Verder neemt de minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering, en draagt de minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU begroting en het Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de EU uit.

De minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Dit doet de minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden internationale financieel-economische ontwikkelingen, bijvoorbeeld door financieel-economische beleidstoezicht, en door de rol als financieel vangnet in geval van een crisis. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de minister bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, Working Party 3 (van de OESO) en discussies bij de G20, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons.

C. Beleidswijzigingen

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel economische crisissen en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. Hierbij zal het versterken van de rol van de Internationale Financiële Instellingen bij crisispreventie en het vormen van een vangnet voor landen die in ernstige problemen dreigen te raken voortgezet worden. De minister van Financiën heeft hier voor Nederland als bewaker van de financiële belangen van de Nederlandse overheid en burger een centrale rol in. Ook wordt in 2013 gesproken over de onderhandelingen over de IMF quotaformule. Een adequate Nederlandse representatie wordt hierbij van groot belang geacht.

Op Europees vlak zal er in 2013 substantiële aandacht zijn voor een verder herstel van de financiële stabiliteit van de eurozone. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Gekoppeld hieraan zal er aandacht zijn voor de lopende steunprogramma’s voor Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal. De minister van Financiën neemt namens Nederland deel aan discussies en besluitvorming op ministerieel niveau in Eurogroep en Ecofin verband over deze onderwerpen.

Volgens de huidige planning dienen de onderhandelingen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020 van de EU eind 2012 te zijn afgerond. Wanneer dit niet het geval is, zal ook in 2013 hierover nog onderhandeld moeten worden. Nederland zal zich inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten aan de EU. Dat impliceert dat Nederland concreet inzet op een substantiële verlaging van de totale uitgaven onder het MFK dan wat de Commissie heeft voorgesteld en behoud van de huidige korting die Nederland thans op de afdrachten ontvangt.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

91 240 415

40 837 835

308 005

1 089 294

315 229

315 229

1 043 540

               

waarvan garantieverplichtingen:

             

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

1 031 375

239 581

181 519

962 808

181 519

181 519

918 515

Garantie aan DNB inzake IMF deelname

18 518 207

           

Garantie DNB inzake BIS

 

113 445

113 445

113 445

113 445

113 445

113 445

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

– 102 500

           

EFSF

71 910 181

           

EFSM

– 120 000

           

ESM

 

35 445 400

         
               
               

Uitgaven

2 284 106

2 005 400

2 323 757

1 187 732

369 865

373 688

258 907

               

Waarvan juridisch verplicht

   

80%

       
               

Deelname aan internationale instellingen

337 847

1 987 813

2 310 716

1 174 691

349 600

353 423

247 327

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

337 276

158 373

33 054

259 971

349 600

353 423

247 327

EFSF

571

           

ESM

 

1 829 440

1 829 440

914 720

     

EIB

   

448 222

       
               

Lening

1 946 259

17 587

13 041

13 041

20 265

20 265

11 580

Griekenland

1 946 259

4 546

         

Uitkering rente Aan Griekenland

 

13 041

13 041

13 041

20 265

20 265

11 580

               

Ontvangsten

127 715

25 241

64 091

75 938

80 116

80 123

80 106

               

Deelname aan internationale instellingen

13 081

9 036

8 480

4 418

665

672

655

Ontvangsten IFI's

13 081

9 036

8 480

4 418

665

672

655

               

Lening

114 634

16 205

55 611

71 520

79 451

79 451

79 451

Aflossing lening Griekenland

             

Rente ontvangsten lening Griekenland

104 903

16 205

55 611

71 520

79 451

79 451

79 451

Service fee ontvangsten lening Griekenland

9 731

           

1 De totale omvang van de EFSF-garantie is € 97,8 mld

D2. Budgetflexibiteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is beperkt aangezien deze veelal afkomstig zijn uit meerjarige internationale en Europese verplichtingen.

E. Toelichting op de instrumenten

Deelname aan internationale banken en -fondsen

Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone en Nederland zijn verschillende maatregelen genomen, waaronder de steunprogramma’s voor Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal en de stabilisatiemechanismen EFSF, EFSM en ESM. Een totaal overzicht van alle verstrekte garanties in het kader van de stabiliteit is te vinden in het financieel overzicht interventies ten behoeve de financiële crisis.

Het overige deel van de raming voor garantieverplichtingen heeft betrekking op het zogenaamde garantiekapitaal van de internationale financiële instellingen (het deel van de verplichting dat waarschijnlijk niet tot betaling komt, het «callable capital»), op garantie-overeenkomsten tussen de Staat en DNB (onder meer de Nederlandse deelneming in IMF) en deelneming in de door de BIS te verstrekken kredietfaciliteiten.

Daarnaast draagt Nederland in het kader van de ontwikkelingssamenwerking via algemene bijdragen bij aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen. Deze bijdragen zijn direct na ondertekening meerjarig en onvoorwaardelijk verschuldigd. Voor een deel van de verplichtingen- en uitgavenramingen geldt dat door wisselkoersinvloeden de realisaties kunnen afwijken van de ramingen; dit deel van de realisaties is daarmee niet beleidsmatig te beïnvloeden.

De Europese Raad van 28 en 29 juni 2012 heeft unaniem opgeroepen tot een verhoging van het kapitaal van de Europese Investeringsbrank (EIB) met € 10 mrd. Deze kapitaalverhoging zal volledig inbetaald zijn. Dit besluit maakt onderdeel uit van een breder initiatief ter ondersteuning van de groei, werkgelegenheid en concurrentiekracht in de Europese Unie. Voor Nederland, met een kapitaalaandeel van 4,482%, betekent de uitbreiding een betaling van € 448,2 mln. Het totale bedrag zal waarschijnlijk in 2013 worden betaald.

2.2.5 Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

A. Doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Op basis van de Kaderwet Financiële Verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten beschikbaar in de exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de «EKV-faciliteit») kunnen Nederlandse bedrijven meer grote en op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de werkgelegenheid.

De Minister van Financiën heeft de rol van eindverantwoordelijke voor de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit. Sinds de stelselwijziging die op 1 januari in 2010 in werking is getreden, treedt de Staat op als verzekeraar en voert Atradius Dutch State Business N.V. de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen.

Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen worden door het ministerie van Financiën nauwlettend gevolgd door middel van een Risk Management Framework, zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden.

Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen om zodoende een gelijk speelveld te bevorderen. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden als instrument voor exportbevordering, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord leenbeleid. De OESO voert een actieve dialoog met de opkomende economieën die geen deel uitmaken van de OESO om mogelijke verstoringen van het gelijke speelveld zoveel mogelijk te beperken.

Dit jaar is gekozen voor een aanpassing in de prestatie-indicatoren om een beter inzicht te geven in de effectbereiking van het beleid in het kader van de doelstelling. Hierbij wordt de doorlooptijd als indicator vervangen door een positief bedrijfsresultaat (BERB) en een best of class notering (A rating) op basis van de jaarlijkse benchmark op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden. Deze informatie werd al jaarlijks gemeld in zowel het jaarverslag als de begroting, maar niet vanuit het perspectief van prestatie-indicator.

De doorlooptijden van verzekeringsaanvragen zijn wel een blijvend aandachtspunt in verband met een efficiënte bedrijfsvoering. In dit kader zal de doorlooptijd nog steeds voor monitoringsdoeleinden worden gebruikt. De uitdaging voor 2013 is om de doorlooptijd verder te verkorten en daarbij de kwaliteit van de beoordeling hoog te houden.

Prestatie indicator

Begroting 2013

Begroting 2014

Begroting 2015

Begroting 2016

Begroting 2017

BERB

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

benchmark

A

A

A

A

A

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteit over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen te dekken. De kostendekkendheid van de Nederlandse faciliteit wordt gemeten middels het model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB). Daaruit blijkt dat de Nederlandse EKV- faciliteit over de periode 1999 t/m 2011 een positief resultaat van € 142 mln. heeft geboekt. Ten opzichte van de omvang van de portefeuille en de schades die hieruit kunnen voortvloeien betreft dit een relatief bescheiden positief resultaat. Gegeven de voorwaarde dat het resultaat minimaal nul zal moeten zijn, is er hoewel er in een individueel jaar een negatieve uitschieter kan zijn op de lange termijn een grotere kans op een licht positief resultaat.

Om inzicht te krijgen in de concurrentiepositie van de Nederlandse EKV-faciliteit, wordt door het ministerie van Financiën jaarlijks een vergelijkend onderzoek uitgevoerd tussen de Nederlandse faciliteit en de EKV-faciliteiten in een aantal voor de concurrentie relevante landen (de «benchmark»). Een best of class binnen de benchmark meting betekent dat wij er naar streven om voor de EKV aan te sluiten bij de landen die het beste scoren op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden. In dit kader wordt de reikwijdte van de EKV dan ook regelmatig herzien om beter aan te sluiten bij de behoeften van exporteurs en aan te sluiten bij het internationale speelveld, mits kostendekkendheid gewaarborgd blijft. Dit is conform regulier beleid.

C. Beleidswijzigingen

Als gevolg van het huidige economische klimaat is het voor exporteurs lastig om lange termijn exportfinanciering te krijgen. Om die reden heeft de Staat de bestaande exportkredietgarantieregeling («EKG») geëvalueerd en aangepast (kamerstuk 2011–2012, 31 371, nr. 371). Doel is het voor investeerders aantrekkelijker maken kapitaal vrij te maken voor exportleningen. De gewijzigde exportkredietgarantieregeling loopt in ieder geval tot en met 2014. In 2014 zal vervolgens worden bezien of deze regeling voldoende soelaas biedt voor de problemen waar Nederlandse exporteurs tegenaan lopen. In dit kader wordt ook met het bedrijfsleven en banken gesproken. Voorts wordt bekeken hoe het MKB een betere toegang kan krijgen tot de EKV.

In 2012 is, in overleg met de Rijkscommissie voor export- import- en investeringsgaranties, gekeken hoe de EKV-faciliteit mede met het oog op de verdergaande internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven beter aan kan sluiten bij de behoeftes van de exporteurs door middel van flexibeler landenbeleid en een verruiming van de beperkingen ten aanzien van het Nationaal bestanddeel. Aanpassingen zullen ten dele in 2013 neerslaan.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

1 098 445

10 616 386

10 616 386

10 616 386

10 616 386

10 616 386

10 616 386

waarvan garantieverplichtingen:

1 087 888

10 603 780

10 603 780

10 603 780

10 603 780

10 603 780

10 603 780

Reguliere EKV

1 118 144

10 000 000

10 000 000

10 000 000

10 000 000

10 000 000

10 000 000

Investeringsverzekeringen

– 19 752

453 780

453 780

453 780

453 780

453 780

453 780

MIGA

0

150 000

150 000

150 000

150 000

150 000

150 000

Omzetpolissen

– 10 504

           
               

Uitgaven

28 657

133 106

113 106

133 106

133 106

133 106

133 106

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Exportkredietverzekering

             

Schade-uitkering EKV

17 909

120 000

100 000

120 000

120 000

120 000

120 000

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

0

500

500

500

500

500

500

Schade-uitkering MIGA

0

0

0

0

0

0

0

Schade-uitkering Omzetpolissen

90

           

Uitgaven Seno-Gom

101

           
               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

10 557

12 606

12 606

12 606

12 606

12 606

12 606

               

Ontvangsten

141 642

312 205

128 550

99 500

83 750

82 250

82 250

Premies EKV

55 106

40 000

40 000

40 000

40 000

40 000

40 000

Premies investeringsverzekeringen

563

1 250

1 250

1 250

1 250

1 250

1 250

Premies omzetpolissen

88

           

Schaderestituties EKV

84 834

62 800

52 300

28 000

28 000

28 000

28 000

Ontvangsten Seno-Gom

551

207 655

34 500

29 750

14 000

12 500

12 500

Overige ontvangsten

500

500

500

500

500

500

500

D2. Budgetflexibiteit

De budgetflexibiliteit van de uitgaven is zeer beperkt. De geraamde schade-uitgaven hebben het karakter van een verzekering: het ontstaan en het moment van uitgave staan niet vast, maar in geval van schade is de Staat juridisch verplicht om uit te keren mits aan de polisvoorwaarden is voldaan.

E. Toelichting op de instrumenten

Exportkredietverzekering

In de begroting is een plafond van € 10 mld. opgenomen voor hoeveel de Staat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan aangaan voor de exportkredietverzekering.

Via deze verzekeringen worden Nederlandse exporteurs en hun financiers gedekt voor het politieke en commerciële risico dat zij lopen bij middellange en langlopende exportcontracten naar landen met een (ver)hoog(d) risico en/of buitenlandse afnemers met een relatief hoog risicoprofiel. Dit instrument vergroot dus de mogelijkheden voor Nederlandse export.

Voor zowel de inkomsten als de schade-uitkeringen, behorende bij dit instrument, geldt dat deze worden beïnvloed door externe factoren, zoals de vraag naar exportkredietverzekeringen door exporteurs en het betaalgedrag van debiteuren in derde landen.

Tevens kan de Staat jaarlijks voor maximaal € 453 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren in derde landen gedekt voor het politieke risico dat zij lopen in het land. Onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van het totaal door de Staat verzekerde bedrag in de afgelopen jaren: het totale uitstaande obligo. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen).

Cumulatief uitstaand obligo

Cumulatief uitstaand obligo

Opdracht

Atradius Dutch State Business (ADSB) is de uitvoerder van de EKV-faciliteit. ADSB geeft in naam en voor rekening van de Staat der Nederlanden exportkrediet- en investeringsverzekeringen af. Voor de uitvoering en het beheer van de portefeuille ontvangt ADSB jaarlijks een vergoeding.

2.2.6 Btw-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling:

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid minister

Het btw-compensatiefonds is opgericht om een eind te maken aan de factor btw bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. De factor btw wordt weggenomen door het btw-compensatiefonds waaruit gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s de betaalde btw kunnen terugvragen. De betaalde btw moet daarvoor wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het onderhoud aan gebouwen, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • beheer van het btw-compensatiefonds.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn in 2013 geen beleidswijzigingen ten aanzien van het btw-compensatiefonds gepland.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel Budgettaire Gevolgen Van Beleid (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

 

2 613 190

2 895 357

3 079 269

3 079 513

3 079 335

3 079 216

               

Uitgaven

 

2 613 190

2 895 357

3 079 269

3 079 513

3 079 335

3 079 216

               

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Instrument: Btw-compensatieregeling

             

w.v. bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

 

2 311 525

2 561 662

2 724 326

2 724 486

2 724 414

2 724 326

w.v. bijdragen aan provincies

 

301 665

333 695

354 943

355 027

354 921

354 890

               

Ontvangsten

 

2 613 190

2 895 357

3 079 269

3 079 513

3 079 335

3 079 216

D2. Budgetflexibiliteit

De bijdrage ter compensatie van de door gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s betaalde btw is opgenomen in de Wet op het btw-compensatiefonds. De Wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het btw-compensatiefonds, maar stelt geen grens aan de totale omvang van claims uit het fonds. Het btw-compensatiefonds is daarmee wettelijk inflexibel in zijn totaliteit. De inkomsten van het btw-compensatiefonds komen ofwel uit de algemene middelen (als decentrale overheden taken uit hun bestaande pakket gaan uitbesteden), ofwel van departementale begrotingen (als decentrale overheden nieuwe geldstromen ontvangen waarvan taken worden uitgevoerd waarvoor btw mag worden geclaimd).

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het btw-compensatiefonds dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies; het Gemeentefonds is namelijk groter dan het Provinciefonds.

In relatieve zin declareren de provincies meer bij het btw-compensatiefonds. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, hetgeen een uitgavencategorie is die veelal voor compensatie van btw-bedragen in aanmerking komt.

De raming van het fonds is aangepast. Deze aanpassing is het gevolg van enerzijds de btw-verhoging uit het begrotingsakkoord 2013 die het fonds doet groeien en anderzijds de krimp van het fonds die verwacht wordt op basis van de reeds beschikbare gegevens over 2012. De kolom 2011 is leeg omdat het btw-compensatiefonds toen nog op een aparte begroting stond.

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controlebeleid

De controle op de toepassing van de Wet op het btw-compensatiefonds is belegd bij de Belastingdienst. De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van naleving van de regels door belastingplichtigen. Om dat te bereiken zet de Belastingdienst meerdere toezichtinstrumenten in. Een van die instrumenten is het horizontaal toezicht, waarbij de relatie is gebaseerd op het begrip vertrouwen en transparantie. De vorm en intensiteit van het toezicht van de Belastingdienst wordt daarbij aangepast aan de kwaliteit van de interne organisatie van de gemeenten en provincies.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator1

Waarde 2011

Streefwaarde 2012

Streefwaarde 2013

Gemeenten en provincies, waarbij de mogelijkheden tot horizontalisering zijn beoordeeld (als percentage van het totaal aantal gemeenten en provincies).

n.v.t.

n.v.t.

45–55%

Gemeenten en provincies die adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing (als percentage van het aantal organisaties onder horizontaal toezicht in dit segment).

n.v.t.

n.v.t.

65–75%

X Noot
1

De prestatie-indicatoren zijn ten opzichte van 2012 gewijzigd om beter aan te sluiten bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij artikel 1 Belastingen.

De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling van provincies en gemeenten op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten.

De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert provincies en gemeenten om de kwaliteit van de aangifte te versterken. De Belastingdienst bespreekt met de provincie respectievelijk gemeente hoe hij zijn verantwoordelijkheid invult met betrekking tot zijn aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe deze omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De provincie/gemeente beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor de 25–35% van de organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichtstraject kan worden gecontinueerd.

Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

2.2.7 Beheer Materiële Activa

A. Doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Rijk bezit materiële activa (zowel roerende als onroerende zaken) die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. Volgens de Comptabiliteitswet is de minister van Financiën belast met de verantwoordelijkheid voor het (privaatrechtelijk) beheer van de roerende en onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de Wet bij een of meer andere ministers is gelegd. In de praktijk betreft het met name beheer en verkoop van overtollige activa, dit is een uitvoerende rol. Het uitgangspunt is marktconformiteit.

Bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn vertegenwoordigt de minister van Financiën het Rijk. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het vervoeren, bewaren, vernietigen en verkopen van overtollige en in beslaggenomen roerende zaken voor het Rijk.

De minister is tevens verantwoordelijk voor de coördinatie van de samenwerking en afstemming tussen de diensten die onderdeel vormen van het rijksvastgoedstelsel, zowel in de regio als landelijk. Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de diensten fungeert de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de departementen ten aanzien van rijksvastgoed fungeert vanaf april 2012 de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV). De minister van Financiën draagt zorg voor de ondersteuning van de RVR en de ICRV.

C. Beleidswijzigingen

Het kabinet heeft in november 2011 besloten om met rijksvastgoed beleidsmatige doelen beter te bereiken, om meer (financieel) rendement op rijksvastgoed te realiseren en om een doelmatiger organisatie van de uitvoering tot stand te brengen. De belangrijkste besluiten zijn:

  • met het oog op het beter bereiken van beleidsmatige doelen met rijksvastgoed:

    • Versterking beleidsmatige afstemming m.b.t. inzet vastgoed tussen departementen;

    • Oprichting van een stafdirectie ter ondersteuning van de afstemming tussen zowel uitvoerende diensten als departementen.

  • met het oog op meer (financieel) rendement op rijksvastgoed:

    • Departementen met vastgoed gaan vanaf 2013 werken met een (eigen) jaarlijkse vastgoedportefeuillestrategie;

    • Vaststelling door de ministerraad van een jaarlijkse rijksbrede vastgoedportefeuillestrategie, gebaseerd op de raakvlakken tussen departementale vastgoedportefeuillestrategieën;

    • Verplichting om, met uitzondering van de afspraken die voor Dienst Landelijk Gebied en Staatsbosbeheer zijn gemaakt in het kader van het decentralisatieakkoord en de verkooptaakstelling uit het regeerakkoord, alle verkopen van overtollig rijksvastgoed via het toekomstige Rijksvastgoedbedrijf (RVB, zie hieronder) te laten lopen, gekoppeld aan een overnameverplichting voor het RVB van overtollig rijksvastgoed;

  • met het oog op een doelmatiger organisatie van de uitvoering:

    • Samenvoeging van het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) en de Rijksgebouwendienst (Rgd) tot een RVB uiterlijk per 1-1-2014, met optie voor latere aanhaking van andere diensten.

De Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed zal zich buigen over de in 2013 door de Ministerraad vast te stellen rijksbrede vastgoedportefeuillestrategie voor 2014. Tevens wordt het Financieel Kader RVOB geëvalueerd en aangepast.

Het instrument anticiperende aankopen en gebiedsontwikkeling zal per 2013 worden beëindigd: er wordt in de praktijk door de departementen geen gebruik van gemaakt.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

– 114 310

96 051

84 580

83 194

82 549

82 500

82 449

               

Uitgaven

93 107

96 051

84 580

83 194

82 549

82 500

82 449

               

waarvan juridisch verplicht

 

 

65%

 

 

 

 

               

Bekostiging

             

Zakelijke lasten

59 104

55 916

55 013

55 013

55 013

55 013

55 013

               

Opdrachten

             

Onderhoud- en beheerskosten RVOB

10 329

9 026

7 379

6 779

6 779

6 779

6 779

Beheerskosten DRZ

383

300

300

300

300

300

300

               

Leningen

             

Anticiperende aankopen en gebiedsontwikkeling

0

4 600

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan baten-lastendienst

             

RVOB

23 291

26 209

21 888

21 102

20 457

20 408

20 357

               

Ontvangsten

213 724

179 386

176 986

176 084

175 584

175 584

175 584

               

Bekostiging

             

Zakelijke lasten

26 512

26 602

26 602

26 602

26 602

26 602

26 602

               

Opdrachten

             

Onderhoud en beheerskosten

4 440

           
               

Leningen

             

Anticiperende aankopen en gebiedsontwikkeling

             
               

Programma-ontvangsten Baten-lastendiensten

             

Ingebruikgevingen RVOB

99 045

97 286

94 886

93 984

93 484

93 484

93 484

Vervreemding RVOB

81 822

53 698

53 698

53 698

53 698

53 698

53 698

Vervreemding DRZ

1 905

1 800

1 800

1 800

1 800

1 800

1 800

D2. Budgetflexibiliteit

De onder de post «Zakelijke lasten» (€ 55,0 mln.) genoemde uitgaven zijn juridisch verplicht op grond van lokale belastingwetgeving. Deze middelen zijn niet alternatief aanwendbaar.

E. Toelichting op de instrumenten

Zakelijke lasten

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen die samenhangen met het bezit van onroerende zaken. Gedacht moet worden aan de onroerendezaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen. De uitgaven (€ 55,0 mln.) zijn voornamelijk opgebouwd uit gemeentelasten (€ 43,6 mln.) en waterschapslasten (€ 11,3 mln.). De ontvangsten betreffen een vergoeding van de Rijksgebouwendienst aan het RVOB voor het door het RVOB betaalde eigenarendeel van de onroerendezaakbelasting met betrekking tot panden van de Rijksgebouwendienst (€ 23,2 mln.) en terugbetalingen door bepaalde gebruikers van door het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) betaalde gebruikerslasten (€ 3,4 mln.).

Beheer- en plankosten

Het gaat hierbij om:

  • (externe) kosten in verband met onderhoud van grond en gebouwen (€ 3,4 mln.);

  • afkoop (erf)pachtersinvesteringen bij beëindiging van (erf)pachtcontracten (€ 0,8 mln.)

  • (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding van de onroerende zaken van de minister van Financiën, bijvoorbeeld taxatiekosten, (€ 2,5 mln.), en

  • plankosten ten behoeve van enkele gebiedsontwikkelingsprojecten (€ 0,6 mln.).

De ontvangsten betreffen terugbetalingen van plankosten die voorgeschoten zijn voor door het RVOB uitgevoerde gebiedsontwikkelingsprojecten.

Bijdrage aan RVOB

De post bijdrage aan RVOB (€ 22,0 mln.) bestaat uit de bijdrage van de minister van Financiën aan de baten-lastendienst Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB). De baten-lastendienst RVOB is door de minister belast met de uitvoering van zijn taken met betrekking tot onroerende zaken van het Rijk.

Ingebruikgevingen RVOB

Het gaat hierbij om de opbrengsten uit ingebruikgeving (verhuring) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

De ontvangsten (€ 94,9 mln.) bestaan uit inkomsten uit verpachting (€ 44,3 mln.), huur (€ 32,4 mln.), bodemmaterialen zoals zand (€ 16,0 mln.) en verhuur jachtgenot (€ 2,1 mln.).

Vervreemding RVOB

Het gaat hierbij om de opbrengsten uit vervreemding van de onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat.

De ontvangsten (€ 53,7 mln.) bestaan uit inkomsten uit vervreemding van agrarische onroerende zaken (€ 25,0 mln.), vervreemding van overige onroerende zaken (€ 16,5 mln.), opbrengsten uit veiling van huurrechten benzinestations langs rijkswegen (€ 10,0 mln.) en overige (€ 2,0 mln.).

Vervreemding DRZ

De verkoop van roerende zaken brengt jaarlijks € 1,8 mln. op. Het gaat in de praktijk om de verkoopopbrengsten van in beslaggenomen goederen. De kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen jaarlijks circa € 0,3 mln. De baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) is door de minister belast met de uitvoering van zijn taken met betrekking tot roerende zaken van het Rijk.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) onroerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze minister verantwoord op zijn eigen begroting.

Onroerende zaken van de baten- lastendienst RVOB

Met inachtneming van het Financieel Kader RVOB/DO (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 275, A en nr. 1) kan de baten-lastendienst RVOB onroerende zaken verwerven. Alle kosten en opbrengsten van verworven onroerende zaken worden verantwoord in de Baten- lastenparagraaf van het RVOB.

2.2.8 Centraal Apparaat

A. Apparaat kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en de baten-lastendiensten DRZ en RVOB (zie de baten-lasten paragrafen). Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel (inclusief personele exploitatie), inhuur externen en materieel (inclusief ICT) voor het kerndepartement.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

A. Apparaatsuitgaven Kerndepartement

             

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1000)

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

201 721

211 527

204 189

199 048

196 319

196 348

195 712

               

Uitgaven

195 161

211 527

204 189

199 048

196 319

196 348

195 712

Personeel Kerndepartement

 

139 480

136 495

131 336

128 456

128 155

127 642

Waarvan eigen personeel

 

132 461

131 447

127 144

124 691

124 391

123 888

Waarvan inhuur externen

 

6 389

4 517

3 666

3 239

3 238

3 235

Waarvan overig personeel

 

630

531

526

526

526

519

               

Materieel Kerndepartement

 

72 047

67 694

67 712

67 863

68 193

68 070

waarvan ICT

 

13 248

13 122

11 135

11 112

11 100

11 074

waarvan bijdrage aan SSO's

 

39 409

35 517

35 352

35 403

34 881

34 754

waarvan overig materieel

 

19 390

19 055

21 225

21 348

22 212

22 242

               

Ontvangsten

29 592

34 132

27 525

29 693

30 654

30 404

30 508

Personeel Kerndepartement

Dit betreft alle personeelsuitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. De inhuur is beperkt. Inhuur externen in verband met de kredietcrisis is op artikel 3 uitvoeringskosten staatsdeelnemingen ondergebracht.

Materieel Kerndepartement

Dit betreft materieeluitgaven van het Kerndepartement. Dit omvat onder andere zaken aangaande huisvesting en communicatie. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties. De bijdrage aan de Shared Service Organisaties betreft onder andere P-Direkt (salarisbedrijf van het Rijk) en de Rijksgebouwendienst.

B. Totaal overzicht Apparaat Financiën

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor twee baten-lastendiensten: het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en Domeinen Roerende Zaken. De apparaatsuitgaven en ontvangsten worden verder uitgesplitst en toegelicht in de baten-lastenparagraaf. Voor de AFM, waarderingskamer en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat.

De onderstaande tabel geeft de totale apparaatsuitgaven/kosten voor het ministerie van Financiën weer inclusief de baten-lastendiensten en ZBO’s/RWT’s.

B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief BLD's en ZBO's/RWT's

Budgettaire gevolgen (* € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Totaal apparaatsuitgaven Financiën

3 053 288

2 956 902

2 858 833

2 798 400

2 767 625

2 758 695

– Kerndepartement

211 527

204 189

199 048

196 319

196 348

195 712

– Belastingdienst

2 841 761

2 752 713

2 659 785

2 602 081

2 571 277

2 562 983

Budgettaire gevolgen (* € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Totaal apparaatskosten BLD's en ZBO's/RWT's

108 759

93 145

91 101

89 663

89 340

86 441

             

Baten-Lastendiensten

43 454

44 329

42 962

42 170

41 958

41 918

– RVOB

23 682

23 282

22 484

21 802

21 715

21 675

– Domeinen Roerende Zaken

19 772

21 047

20 478

20 368

20 243

20 243

             

ZBO's en RWT's

65 305

48 816

48 139

47 493

47 382

44 523

– AFM

31 216

25 749

25 471

25 208

25 165

24 023

– DNB

28 126

17 381

16 982

16 599

16 531

14 814

– Waarderingskamer

667

667

667

667

667

667

– NLFI

5 296

5 019

5 019

5 019

5 019

5 019

C. Tabel apparaatsuitgaven kerndepartement per Directoraat-Generaal

Budgettaire gevolgen (* € 1 000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Kerndepartement

211 527

204 189

199 048

196 319

196 348

195 712

GT

23 277

21 641

21 318

20 997

20 216

20 131

DGRB

20 911

20 579

20 226

19 873

19 910

19 935

SG-cluster

153 225

148 015

143 699

141 806

142 622

142 090

DGFZ

14 115

13 955

13 806

13 644

13 601

13 557

2.2.9 Algemeen

Niet in gebruik.

2.2.10 Nominaal en Onvoorzien

Artikelonderdelen en budgettaire gevolgen

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1 000)

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

-7 300

4 092

7 008

7 057

7 008

6 935

6 898

               

Uitgaven

 

4 092

7 008

7 057

7 008

6 935

6 898

Onvoorzien

 

4 092

3 152

3 217

3 190

3 104

3 091

Loonbijstelling

             

Prijsbijstelling

   

3 856

3 840

3 818

3 831

3 807

     

 

 

 

 

 

Ontvangsten

     

400 000

400 000

400 000

400 000

Toelichting

Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IX plaats. In de jaren 2014 en 2017 is een technische stelpost opgenomen voor de opbrengsten van de kredietcrisisinterventies. Deze wordt nog verdeeld binnen de begroting IX.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN (Nationale Schuld)

2.2.11 Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid minister

De minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico voor de begroting.

C. Beleidswijzigingen

De doelstelling schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting is sinds 2008 vormgegeven met een 7-jaars gecentreerde portefeuille als benchmark. Op basis van de evaluatie uit 2011 is besloten hiermee door te gaan16. Wel zijn vanaf 2012 afwijkingen van het risicoprofiel van de benchmark mogelijk. Hiervoor gelden twee randvoorwaarden. De afwijkingen mogen niet leiden tot meer risico en de afwijking moet inpasbaar zijn in de begroting. De benchmark borgt de transparantie over de afwijkingen. Immers in de verantwoording worden afwijkingen ten opzichte van de benchmark in termen van risicoprofiel en kosten gerapporteerd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 Financiering staatsschuld (x € 1 mln.)1
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

49 609

44 542

42 055

41 085

54 577

26 251

47 172

Juridisch verplicht

 

100%

         
               

Programma-uitgaven

49 588

44 524

42 038

41 067

54 559

26 233

47 155

Leningen

             

Totaal Rentelasten

10 040

9 942

10 234

10 335

11 191

12 762

13 890

Rentelasten vaste schuld

9 332

9 740

9 992

9 717

10 387

11 408

12 179

Rentelasten vlottende schuld

705

202

242

618

804

1 354

1 711

Uitgaven voortijdige beëindiging

4

           
               

Aflossing vaste schuld

28 229

30 167

31 804

30 732

43 368

13 471

33 265

Mutatie vlottende schuld

11 319

4 415

               

Overige kosten

21

17

17

17

17

17

17

               

Ontvangsten

53 243

60 214

47 127

48 272

60 246

34 246

54 822

               

Programma- ontvangsten

53 243

60 214

47 127

48 272

60 246

34 246

54 822

Leningen

             

Totaal Rentebaten schuld

262

214

113

134

910

1 337

1 241

Rentebaten vaste schuld

     

14

787

1 229

1 137

Rentebaten vlottende schuld

262

214

113

120

123

108

104 

Ontvangsten voortijdige beëindiging

             
               

Uitgifte vaste schuld

52 980

60 000

47 014

48 137

59 336

32 909

53 581

Mutatie vlottende schuld

0

X Noot
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting op budgettaire gevolgen van beleid

De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld in de tabel opgenomen. Als derde onderdeel is de mutatie vlottende schuld opgenomen. De vierde post betreft de overige kosten.

Rentelasten en rentebaten

Binnen de rentelasten wordt een onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging. De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld. Hieronder vallen ook rentekosten vanwege de euriborswaps. Dit zijn de renteswaps die afgesloten worden om het profiel van het renterisico in overeenstemming te brengen met de benchmark.

De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier (DTC’s), Commercial Paper (CP’s) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. Ook eventuele rentelasten vanwege de eoniaswaps maken onderdeel uit van de rentelasten vlottende schuld. De eoniaswaps worden afgesloten om het renterisico van de korte financiering (geldmarkt) op «overnight» te brengen. Het streven is om de geldmarktbehoefte te financieren tegen daggeldtarief (overnight). De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Via het afsluiten van een eoniaswap wordt het rentetarief (en renterisico) teruggebracht op 1 dag.

De rentebaten vaste schuld bestaan volledig uit baten samenhangend met renteswaps. De Staat maakt gebruik van deze swaps sinds 2001.

De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo en uit eventuele rentebaten vanwege eoniaswaps. Ook de rentebaten over de overgenomen schulden van ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) vallen onder deze rubriek.

In de onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2012 weergegeven.

Tabel 2: Belangrijkste mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting 2012 (x € 1 mln.)

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

artnr.

Stand ontwerpbegroting 2012 1

10 496

11 783

12 465

12 796

13 508

   

Mutaties:

           

11

Renteswaps

– 2

– 67

– 61

– 126

– 81

 

11

Bijstelling kassaldo

61

320

467

645

946

 

11

Bijstelling rekenrente

– 995

– 1 622

– 2 531

– 3 503

– 4 001

 

11

Effect van schulduitgifte

– 180

– 671

– 730

– 475

– 200

 

11

Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

– 78

– 52

119

335

152

 

12

Stand ontwerpbegroting 20131

9 303

9 691

9 730

9 673

10 324

11 548

 
X Noot
1

Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente-uitgaven en -ontvangsten vermeerderd met de overige kosten. Uitsplitsing vindt plaats in de beleidsartikelen.

D2: Budgetflexibiliteit

Voor dit artikel is de budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in deze begroting zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de operationele doelstelling bestaan uit renteontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en kapitaalmarkt.

E: Toelichting op de Instrumenten

De rentekosten over de staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Mutaties in de raming worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps afgesloten in de periode na verschijnen van de vorige begroting. In de tweede plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming dan stijgen de rentekosten, als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de derde plaats leiden bijstellingen in de rekenrente (bron CPB) tot mutaties in de rentekosten. Ten vierde ontstaan er mutaties als gevolg van nieuwe uitgiftes. Als de rente op de uitgiftes afwijkt van de rekenrente wordt de raming aangepast.

Aflossingen en uitgifte vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt.

De raming van de uitgifte vaste schuld is een voorlopige raming, die gebaseerd is op de raming voor de aflossingen en de raming voor het tekort op kasbasis. Er wordt verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt om het kastekort te financieren. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld afwijken van de som van de aflossingen en het tekort, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Dit leidt tot een mutatie in de vlottende schuld.

Op het moment dat het financieringsplan staatsschuld 2013 wordt gepubliceerd (december 2012) wordt de raming van de uitgifte vaste schuld voor 2013 definitief vastgesteld.

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten voor Primary Dealers (in verband met deelname aan de veilingen van nieuwe leningen). Daarnaast zijn er nog overige kosten zoals kosten betalingsverkeer en noteringskosten.

2.2.12 Kasbeheer

A. Algemene Beleidsdoelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en Verantwoordelijkheid Minister

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en geldstromen. De doelstelling hierbij is publieke middelen doelmatig te beheren en daarbij financiële risico’s te voorkomen. Deze uitvoerende rol wordt nader toegelicht in de Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (Kamerstukken II 2001/02, 28 035, nr. A).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid. Schatkistbankieren draagt bij aan een efficiënt en risico-arm beheer van publieke middelen.

Instellingen die een wettelijke taak uitvoeren (RWT’s) en hiervoor gelden van het Rijk ontvangen, kunnen schatkistbankieren. Dit houdt in dat zij de publieke gelden aanhouden bij het ministerie van Financiën. Publiek geld verlaat de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Onder voorwaarden kunnen RWT’s lenen bij het ministerie van Financiën.

Betalingsverkeer van het Rijk

Wezenlijk onderdeel van het kasbeheer vormt het betalingsverkeer. Door middel van aanbestedingen van de verschillende percelen worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs/kwaliteitsverhouding aan te bieden. Het ministerie van Financiën treedt in aanbestedingsprocedures voor het betalingsverkeer van de Rijksoverheid op als opdrachtgever. Binnen het ministerie van Financiën is deze centrale inkoopfunctie bij het Agentschap van het ministerie van Financiën belegd.

C. Beleidswijzigingen

In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat in 2013 alle provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen hun tegoeden aanhouden in de Nederlandse schatkist. Schatkistbankieren zal op termijn een verlagend effect hebben op de Nederlandse EMU-schuld van naar verwachting enkele procentpunten bbp. Aangezien op dit moment de exacte omvang en met name de timing (wanneer vallen welke middelen vrij) onduidelijk is, zijn de effecten nog niet in de meerjarige raming van dit artikel opgenomen. Wel is in de raming van de EMU-schuld in de Miljoenennota 2013 op basis van beschikbare cijfers en technische veronderstellingen een schatting gemaakt van het effect op de EMU-schuld, dit is in 2013 – 1% bbp.Overigens zij opgemerkt dat de totale rentekosten voor de Rijksoverheid door het schatkistbankieren van mede-overheden niet of nauwelijks zullen worden beïnvloed omdat mede-overheden over hun tegoeden rentes vergoed krijgen die de Staat ook betaalt op extern schuldpapier ven dezelfde looptijd. Het betreft derhalve voornamelijk een herverdeling van de rentekosten Staatschuld IXA (artikel 1) naar rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 2).

Mede in het licht van bovenstaande zal verder in 2013 de nadruk komen te liggen op het efficiënter inrichten van de administratieve processen rondom het schatkistbankieren. De ambitie is om de doorlooptijd van administratieve taken te verminderen, met name ten aanzien van de inregeling. Hierbij zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van ICT-faciliteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Kasbeheer (x € 1 mln.)1
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

8 598

7 020

8 868

9 701

12 472

13 408

15 393

Juridisch verplicht

   

100%

       
               

Programma-uitgaven

8 597

7 019

8 868

9 701

12 472

13 407

15 393

Leningen en deposito’s

             

Rentelasten

110

92

88

95

102

102

102

Verstrekte leningen

1 755

1 535

1 305

1260

1 225

1 215

1 215

Afname saldi in rekening-courant en deposito’s2

6 668

5 392

7 475

8 346

11 145

12 090

14 075

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

           
   

Apparaatuitgaven

1

           
               

Ontvangsten

2 224

2 123

1 929

3 199

1 860

2 320

2 885

               

Programmaontvangsten

2 224

2 123

1 929

3 199

1 861

2 320

2 885

Leningen en deposito’s

             

Rentebaten

584

535

535

583

755

1 220

1 776

Ontvangen aflossingen

1 525

1 588

1 394

2 616

1 106

1 100

1 109

Toename saldi in rekening-courant en deposito’s²

111

           

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging

4

           
X Noot
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

De posten afname en toename in saldi rekening courant en deposito’s zijn gesaldeerd weergegeven.

D2: Budgetflexibiliteit

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven bestaan uit rente-ontvangsten over aan baten-lastendiensten en RWT’s verstrekte leningen respectievelijk uit rentebetalingen over door baten-lastendiensten, RWT’s en sociale fondsen aangehouden rekening-couranttegoeden en deposito’s.

E: Toelichting op de instrumenten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) verstrekte leningen en ontvangen aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s, (4) uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en sociale fondsen over de bij het Rijk aangehouden middelen. De rentebaten bestaan uit renteontvangsten over verstrekte leningen en roodstanden op de rekening-courant. Leningen, aflossingen, rekening-courant saldi en deposito’s bepalen de schuldverhouding van het Rijk met de deelnemers van het geïntegreerd middelenbeheer.

3. PARAGRAAF INZAKE DE BATEN-LASTENDIENSTEN

3.1 Domeinen Roerende Zaken

3.1.1 Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2013 (x € 1 000)

 

Realisatie 2011

Ontwerp 2012

Ontwerp 2013

Ontwerp 2014

Ontwerp 2015

Ontwerp 2016

Ontwerp 2017

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

251

150

50

50

50

50

50

Opbrengst overige departementen

11 469

16 758

18 022

17 523

17 523

17 523

17 523

Opbrengsten derden

3 955

2 735

2 650

2 650

2 650

2 650

2 650

Rentebaten

66

30

30

30

30

30

30

Vrijval voorzieningen

1 113

100

300

235

125

0

0

Buitengewone baten

439

           

Exploitatie bijdrage

             

Totaal baten

17 292

19 773

21 052

20 488

20 378

20 253

20 253

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

Personele kosten

4 847

5 958

6 103

6 103

6 103

6 103

6 103

– waarvan eigen personeel

4 617

5 858

5 998

5 998

5 998

5 998

5 998

– waarvan externe inhuur

230

100

105

105

105

105

105

Materiele kosten

9 236

13 127

14 339

13 770

13 660

13 535

13 535

– waarvan ICT

805

750

950

950

950

950

950

– waarvan bijdrage aan SSO's

4 056

3 152

3 250

2 818

2 875

2 875

2 875

Rentelasten

5

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

             

Materieel

509

605

410

410

410

410

410

Immaterieel

99

82

195

195

195

195

195

Dotaties voorzieningen

             

Buitengewone lasten

             

Totaal lasten

14 695

19 772

21 047

20 478

20 368

20 243

20 243

               

Saldo van baten en lasten

2 597

1

5

10

10

10

10

Toelichting op de baten

Opbrengsten moederdepartement

De opbrengsten betreffen opslag voor de Douane.

Opbrengsten overige departementen

  • Met het Openbaar Ministerie is in 2012 een 5 jaar dienstverleningsmodel afgesloten met betrekking tot vervoer, opslag, verwerking en vernietiging van in beslaggenomen goederen. De totale inkomsten zijn geraamd op € 9.9 mln.

  • Domeinen Roerende Zaken voert vanaf 2012 in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van het Programma Aanpak Georganiseerde Hennepteelt de landelijke logistieke coördinatie van de ontmantelingen van hennepkwekerijen. De geraamde baten bedragen € 6,8 mln.

  • Diverse opbrengsten voor opslag, taxaties, advies en verkoopfaciliteiten met betrekking tot het CJIB (€ 0,3 mln.), Agentschap Telecom, Defensie (€ 0,1 mln.) en Rijkswaterstaat (€ 0,1 mln.).

  • Opbrengsten uit hoofde van vernietiging van datadragers die door departementen worden afgestoten (€ 0,5 mln.).

  • Rijksmarktplaats voor kantoormeubilair en benodigdheden (€ 0,3 mln.).

Opbrengsten derden

De opbrengsten bestaan vooral uit opgelden (€ 2,5 mln.). Daarnaast zijn er opbrengsten van boetes bij ontbonden verkopen en opbrengsten van kentekenbewijzen (€ 0,2 mln.) bij verkoop van voertuigen.

Vrijval voorzieningen

DRZ heeft in 2011 een reorganisatievoorziening opgebouwd voor toekomstige personele kosten. Deze voorziening valt jaarlijks (in 2013 : € 0,3 mln.) gedeeltelijk vrij.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De categorie personele kosten omvat de salariskosten en opleidingskosten (0,2 mln.) van ambtelijk personeel. DRZ heeft formatief (101.8 fte) waarvan 97,9 fte ingezet. De gemiddelde loonkosten van de operaties per fte bedragen € 60 642 (incl. bovengenoemde uitbreiding).

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit de volgende kostencategorieën:

  • Huren Rijksgebouwendienst (RGD) € 3,3 mln.

  • Overige huisvestingkosten € 0,8 mln.

  • Vernietigingskosten hennepkwekerijen € 5,7 mln.

  • Vernietigingskosten vuurwerk en overige in beslaggenomen goederen € 0,6 mln.

  • Automatisering € 1,0 mln.

  • Transportkosten m.b.t. vuurwerk en voertuigen € 0,9 mln.

  • Bedrijfsmiddelen € 0,3 mln.

  • Courtage bemiddeling verkoop € 0,4 mln.

  • Schadeuitkeringe € 0,2 mln.

  • Reis- en verblijfkosten, bureaukosten, communicatie en overige kosten € 1,1 mln.

Totaal € 14,3 mln.

Afschrijvingen

Afschrijvingen van immateriële activa houden verband met de technische realisatie van het Beslagportaal, aanpassing barcodering, Rijksmarktplaats, «Track and trace» en upgrade van het automatiseringssysteem. Afschrijvingen van materiële activa houden voornamelijk verband met voertuigen, heftrucks, kantoormachines, gereedschappen en verbouwingen.

Kasstroomoverzicht (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Rekening courant RHB 1/1

4 499

6 226

3 850

4 360

4 675

4 991

5 306

               

2. Totaal operationele kasstroom

2 290

688

610

615

615

615

615

               

3a. -/- Totaal investeringen

– 480

– 500

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

3b +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen

303

           

3 Totaal investeringskasstroom

– 177

– 500

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

               

4a. -/- Eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 66

– 2 564

         

4b. +/+ Eenmalige storting door moederdepartement

             

4c. -/- Aflossingen op leningen

– 320

           

4d. +/+ Beroep op de leenfaciliteit

             

4 Totaal financieringskasstroom

– 386

– 2 564

0

0

0

0

0

               

5. Rekening courant RHB 31/12

6 226

3 850

4 360

4 675

4 991

5 306

5 621

Toelichting

De geraamde investeringen ( € 0,1 mln.) worden aangewend t.b.v. het Beslagportaal, poolauto’s en reguliere vervanginginvesteringen. De financiering vindt plaats uit eigen middelen.

3.1.3 Doelmatigheidsindicatoren
Doelmatigheidsindicatoren
 

realisatie

OB

OB

OB

OB

OB

OB

Indicatoren

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

               

Kostendekking

119%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Bewaartaak

120%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Verkooptaak

163%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging datadragers

69%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging vuurwerk

84%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

               

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

90

85,8

101,8

101,8

101,8

101,8

101,8

               

Omzet per productgroep *€ 1 000

             

Bewaren

9 806

8 458

9 239

8 729

8 729

8 729

8 729

Verkopen

3 955

2 735

2 650

2 650

2 650

2 650

2 650

Vernietiging datadragers

413

450

525

525

525

525

525

Verwerking vuurwerk

1 500

1 500

1 500

1 200

1 200

1 200

1 200

Vernietiging hennep

– 

6 500

6 808

7 119

7 119

7 119

7 119

Totale omzet

15 674

19 643

20 722

20 223

20 223

20 223

20 223

               

Saldo van baten en lasten (%)

15%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Betalingstermijn facturen – binnen 30 dagen

92%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

               

Gegrond aantal klachten DRZ < 20%

– 

< 20%

zie toelichting

zie toelichting

zie toelichting

zie toelichting

zie toelichting

               

Uitvoering kwaliteitsprogramma

 

100%

90%

90%

90%

90%

90%

               

Klanttevredenheid

7.0

– 

– 

7.0

– 

7.0

– 

Toelichting

Kostendekkendheid DRZ

De kostendekkendheid van de kerntaken wordt berekend door de geplande kosten af te zetten tegen de verwachte opbrengsten. Voor 2013 zijn geen bijzonderheden te verwachten en zal DRZ haar taken kostendekkend uitvoeren.

Omzet naar productgroep

Bewaren: In deze categorie is o.a. de omzet die verbonden is met de uitvoering van Rijksmarktplaats opgenomen.

Verkopen: de omzet voor de verkopen lopen terug als gevolg van minder inbeslaggenomen goederen die verkocht worden en een verminderd aanbod van overcomplete goederen die DRZ verkoopt voor overige departementen.

FTE-totaal

Het vermelde aantal fte’s betreft de begrotingssterkte. Er zijn per 1 januari 2012 16 fte aan de formatie toegevoegd voor de uitvoering van de ontmanteling hennepkwekerijen door DRZ.

Saldo van baten en lasten (%)

Het percentage is als volgt berekend: het saldo van baten en lasten gedeeld door de totale baten.

Betalingstermijn facturen (%)

De gemiddelde termijn (aantal dagen) waarbinnen leveranciersfacturen betaald worden bedraagt 30 dagen. De norm is dat 90% binnen deze termijn betaald wordt.

Gegrond aantal klachten (%)

Eind 2011 geconstateerd dat de indicator van 20% gegrond niet aansluit bij de verschillende klachtenstromen. Besloten is de indicator te herzien en op te splitsen naar: verkoop / opslag / artikel 117 Sv gerelateerde klachten en deze af te zetten tegen criteria die voor deze categorieën relevant zijn. Dat levert onderstaande normering op:

Klachten categorie

Norm

Verkoop

< 0,8%

Opslag

< 0,5%

Art. 117 Sv schadeloosstelling

< 7%

Uitvoering kwaliteitsprogramma (%)

Het kwaliteitsprogramma (interne controle en inventarisatie) zal ten minste voor 90% uitgevoerd worden.

Klanttevredenheid

Het klanttevredenheidsonderzoek heeft betrekking op zowel de aanleverende klant als de afnemende klant. Dit onderzoek vindt elke 2 jaar plaats.

3.2 Baten-lastenparagraaf RVOB

De hoofddoelstelling van RVOB/Directie Vastgoed is het doelmatig in gebruik geven van rijksvastgoed en het doelmatig verkopen van overtollig rijksvastgoed. RVOB/Directie Ontwikkeling is de ontwikkelpoot van de dienst en opereert namens het Rijk bij de planvorming van complexe ruimtelijke projecten.

Meerjarige apparaatbegroting van baten en lasten

 (Bedragen * € 1 000)  

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Baten

             

Omzet moederdepartement

21 791

22 319

21 888

21 102

20 457

20 402

20 356

Omzet overige departementen

85

500

500

500

500

500

500

Omzet derden

2 400

950

950

950

950

950

950

Rentebaten

94

10

20

20

20

20

20

Vrijval voorzieningen

458

           

Bijzondere baten

12

           

Totale baten

24 840

23 779

23 358

22 572

21 927

21 877

21 826

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

Personele kosten

15 253

16 358

15 948

15 513

15 218

15 348

15 297

– waarvan eigen personeel

15 054

16 158

15 748

15 313

15 018

15 148

15 097

– waarvan externe inhuur

199

200

200

200

200

200

200

Materiële kosten

4 970

6 812

6 902

6 559

6 209

6 029

6 029

– waarvan apparaat ICT

946

1 600

1 400

1 400

1 400

1 400

1 400

– waarvan bijdrage aan SSO’s

750

750

750

750

750

750

750

Rentelasten

1

15

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

             

– materieel

375

472

407

387

350

313

324

– waarvan apparaat ICT

209

392

329

311

279

253

273

– immaterieel

25

25

25

25

25

25

25

Overige kosten

             

– dotaties voorzieningen

598

           

– bijzondere lasten

             

Totaal lasten

21 222

23 682

23 282

22 484

21 802

21 715

21 675

               

Saldo van baten en lasten

3 618

97

76

88

125

162

181

In de meerjarige apparaatbegroting is de taakstelling van het kabinet Rutte verwerkt, die ingaat in 2012. Dit komt tot uiting in het neerwaarts verloop van Omzet moederdepartement. Ter invulling van de taakstelling worden zowel de personele kosten als materiële kosten verminderd.

Toelichting op de baten

Omzet moederdepartement ( € 21,9 mln.)

De omzet in 2013 is als volgt te verdelen naar de diverse producten:

Producten

Omzetbedrag

 

(* € 1 000)

Erfpacht

940

Huur

3 458

Pacht

1 912

Medegebruik

1 435

Behandelen zakelijke lasten

1 369

Onbeheerde nalatenschappen

1 000

Bodemmaterialen

256

Beheerstaken in eigen beheer

786

Verkopen

6 610

Aankopen

48

Taxatie & Advies

1 289

Projectopdrachten gebiedsontwikkeling

690

Business cases gebiedsontwikkeling

1 748

Adviezen over ontwikkelmogelijkheden

347

Totaal

21 888

Omzet overige departementen (€ 0,5 mln.)

De omzet betreft vergoedingen in verband met te verrichten taxaties ten behoeve van RWS, RGD en Defensie.

Omzet derden (€ 1,0 mln.)

De betreffende omzet heeft betrekking op:

  • Opbrengsten Domeinen Roerende Zaken (DRZ) i.v.m. ICT-dienstverlening (€ 750 000).

  • Opbrengst activiteiten in verband met Onbeheerde nalatenschappen (€ 200 000).

Rentebaten (€ 0,02 mln.)

De rentebaten zijn berekend op basis van een rentevoet van 1 %.

Toelichting op de lasten

Personeel (€ 15,9 mln.)

De personele kosten 2012 zijn opgebouwd uit 2 componenten:

  • Eigen personeel (€ 15,7 mln.), betrekking hebbende op 226 fte’s (de te verwachten bezetting 2013). De gehanteerde gemiddelde prijs per fte bedraagt circa € 70 000-

  • Externe inhuur (€ 0,2 mln.).

Materieel (€ 6,9 mln.)

De materiële kosten 2013 zijn onder te verdelen in onderstaande categorieën.

Materiële kosten – categorieën

Bedrag

 

(* € 1 000)

ICT

1 400

Huren

2 293

Huisvesting

575

Opleiding en wervingskosten

420

Reis- en verblijfkosten

644

Communicatie

315

Landsadvocaat

500

Overig

755

Totaal

6 902

Huren (€ 2,3 mln.)

De huurkosten voor de inhuizing bij het ministerie van Financiën bedragen € 1,3 mln. Het overig deel ad € 1 mln. betreft de huurkosten van de regionale eenheden.

Afschrijvingskosten (€ 0,4 mln.)

De afschrijvingskosten zijn bepaald op basis van de huidige investeringsvoorraad en de te verwachten (vervangings)investeringen. In onderstaande tabel zijn de betreffende afschrijvingskosten uitgesplitst naar activagroep. Tevens is hierbij de gehanteerde (totale) afschrijvingstermijn vermeld.

Activagroepen

afschrijvings

Bedrag

 

termijnen

(* € 1 000)

     

Meubilair

10 jaar

13

Kantoormachines

5 jaar

4

ICT

3 jaar

354

Telecommunicatie apparatuur

7 jaar

34

Voertuigen

4 jaar

27

     

Totaal

 

432

Saldo van baten en lasten (€ 0,1 mln.)

Uitgaande van het maximaal eigen vermogen op 31 december 2012 (5% regeling) zal het saldo van baten en lasten worden afgedragen aan het moederdepartement.

Kasstroomoverzicht (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Rekening courant RHB 1/1

5 119

8 814

8 673

8 613

8 674

8 837

8 793

               

2. Totaal operationele kasstroom

– 2 295

394

418

446

460

485

500

               

3a. -/- Totaal investeringen

– 570

– 19 474

– 90 381

– 309

– 209

– 404

– 425

3b +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen

 12

           

3. Totaal investeringskasstroom

– 558

– 19 474

– 90 381

– 309

– 209

– 404

– 425

               

4a. -/- Eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 1 000

– 3 643

– 97

– 76

– 88

– 125

– 162

4b. +/+ Eenmalige storting door moederdepartement

1 000

 3 643

         

4c. -/- Aflossingen op leningen

– 79

– 61

         

4d. +/+ Beroep op de leenfaciliteit

6 627

19 000

90 000

       

4. Totaal financieringskasstroom

6 548

18 939

89 903

– 76

– 88

– 125

– 162

               

5. Rekening courant RHB 31/12

8 814

8 673

8 613

8 674

8 837

8 793

8 706

Toelichting

  • 1. Het jaar 2011 betreft de daadwerkelijke realisatiegegevens. Het jaar 2012 betreft de mutaties zoals opgenomen in de ontwerpbegroting 2012.

  • 2. De totale operationele kasstroom komt tot stand door het resultaat van baten en lasten te vermeerderen met de geplande afschrijvingen en te verminderen met de onttrekking aan voorzieningen (betalingen).

  • 3.

    • a. De investeringen hebben grotendeels betrekking op RVOB/Directie Ontwikkeling. Het betreft aankoop van gronden en activering van plankosten.

  • 4.

    • a. De eenmalige uitkering aan het moederdepartement heeft betrekking op de bestemming van de vastgestelde winst van het voorgaande dienstjaar. (5%-regeling eigen vermogen).

    • d. Het beroep op de leenfaciliteit betreft de investeringen, zoals gemeld onder 3.

Doelmatigheidsindicatoren

Indicatoren

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

 Kostprijzen per product

             

– Pacht

€ 574

€ 735

€ 728

€ 722

€ 715