Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231980 nr. 55

31 980 Parlementaire Enquête Financieel Stelsel

32 545 Wet- en regelgeving financiële markten

Nr. 55 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 2011

Voor u ligt een brief waarin aan uw Kamer een zo volledig mogelijk en samenhangend beeld wordt geschetst van al de beleids- en wetgevingsinitiatieven die op dit moment aan de orde zijn op het terrein van de financiële markten.

In deze brief zal ik eerst ingaan op de samenhang van de diverse belangrijkste lopende trajecten en in dat verband het totaalpakket schetsen aan de hand van de drie volgende pijlers die daarin besloten liggen:

  • een solide financiële sector;

  • versterking positie van de consument en gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector (inclusief beloningen);

  • versterking van het institutioneel kader.

Vervolgens zal ik stapsgewijs in bijlagen die een integraal onderdeel van deze brief vormen, ingaan op de diverse specifieke maatregelen.

In bijlage I bij deze brief wordt de voortgang ten aanzien van de 27 aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (de commissie De Wit) beschreven. Een groot deel van de maatregelen die in deze brief worden beschreven vloeit voort uit de aanbevelingen van de commissie De Wit.1 In dit verband merk ik op dat ik de wens die uw Kamer heeft geuit om de implementatie van de aanbevelingen van de commissie De Wit te kunnen monitoren in de veelheid voorstellen voor wet- en regelgeving zeer goed begrijp. In deze brief zal dan ook worden geëxpliciteerd op welke punten wet- en regelgeving een uitwerking is van specifieke aanbevelingen van de commissie De Wit. Deze voortgangsrapportage van de aanbevelingen van commissie De Wit vormt tevens de beantwoording van de Kamermotie,2 die hier expliciet om verzocht.

Bijlage II behandelt de voortgang van de aangenomen moties uit het debat naar aanleiding van het rapport van de commissie De Wit.

Daarnaast staat in bijlage III een follow-up van het «Actieplan financiële sector», dat ik uw Kamer op 15 maart jl. heb gepresenteerd, opgenomen.3

Bijlage IV bevat mijn reactie op de wetgevingsbrieven van DNB en de AFM van 2011. Zij rapporteren mij jaarlijks over geconstateerde knelpunten in de toezichtregelgeving. Vorig jaar bent u in een separate brief geïnformeerd over de beide wetgevingsbrieven van 2010. De acties naar aanleiding van de wetgevingsbrieven betreffen uiteraard een onderdeel van het totaalpakket voor de financiële sector. Daarom treft u mijn reactie op de wetgevingsbrieven van 2011 als bijlage bij deze brief aan. De wetgevingsbrieven van DNB en de AFM zijn met deze bijlage meegestuurd4.

In bijlage V en VI wordt zowel het nationaal als het Europees wetgevings- programma geschetst. Tot slot treft u in bijlage VII de rapporten van de Monitoring Commissie Code Banken en van DNB inzake het beloningsbeleid van financiële instellingen4, waarop in deze brief nader zal worden ingegaan.

Inzicht in de samenhang

De kruitdampen van de financiële crisis die zich vanaf 2008 in de gehele wereld heeft doen voelen, zijn nog maar nauwelijks opgetrokken of een nieuwe crisis dient zich aan. Waar deze zich eerst leek te beperken tot een aantal kleine perifere lidstaten, is de vrees bij beleggers nu dat de crisis zal overslaan naar meer centrale landen van de Economische en Monetaire Unie. De aandelen van Europese banken zijn de afgelopen weken sterk gedaald om recentelijk weer wat te stabiliseren. Europese banken komen ook moeilijker aan financiering, mede omdat niet-Europese partijen – zoals Amerikaanse money market funds – hun blootstelling op de Europese sector terugbrengen. Dit is zorgelijk, mede omdat de Europese banken in 2012 een grote herfinancieringsgolf wacht.

De Nederlandse financiële sector staat er momenteel in vergelijking met die in andere lidstaten redelijk goed voor. De Europese schuldencrisis kan echter grote implicaties voor de financiële sector in Europa en in Nederland hebben. Ik houd de gevolgen van ontwikkelingen voor de Nederlandse financiële sector daarom nauwlettend in de gaten. Zoals u weet, denkt het kabinet reeds na op welke wijze wij een schuldencrisis zoals deze zich nu voordoet kunnen mitigeren en in de toekomst kunnen voorkomen. De problematiek van de huidige schuldencrisis is breed en vereist maatregelen, zoals op het gebied van structurele en budgettaire hervormingen in zwakke lidstaten en maatregelen om de Economische en Monetaire Unie te versterken. Deze bredere hervormingsagenda wordt in deze brief echter buiten beschouwing gelaten. Ik verwijs u hiervoor naar de Kabinetsvisie op de toekomst van de Economische en Monetaire Unie van 7 september jl.

In deze brief gaat mijn aandacht uit naar «lessons learned» naar aanleiding van de financiële crisis die zich in 2008 en 2009 voordeed en dan met name naar de consequenties daarvan voor het toezicht op de financiële sector en de wet- en regelgeving op dit terrein. De implementatie van deze lessen is noodzakelijk om de kans op een vergelijkbare financiële crisis zoveel mogelijk te verkleinen. Deze crisis heeft indertijd duidelijk gemaakt dat de financiële sector in internationaal verband sterk is verweven. Zwakke plekken in de sector zelf, maar ook in het toezicht en de regulering daarvan werden genadeloos blootgelegd. Zowel in nationaal als internationaal verband dient de regulering en het toezicht daarom te worden versterkt en verbeterd. Een solide financiële sector is van essentieel belang om een crisis zoals die zich in 2008 en 2009 voordeed te voorkomen. Ook het institutioneel kader waarbinnen de toezichthouders opereren dient te worden versterkt. Om het vertrouwen in de financiële sector te herstellen is voorts binnen de financiële sector een gedrags- en cultuurverandering noodzakelijk en dient de positie van de consument te worden versterkt. De urgentie om hiertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen voel ik onverminderd. Ik doe er daarom alles aan om er voor te zorgen dat de financiële crisis van 2008 en 2009 zoveel mogelijk kan worden vermeden in de toekomst. Ik doe dit niet alleen. Ik doe dit samen met de toezichthouders. Zowel de toezichthouders als ik zijn in internationaal verband actief om waar nodig ons in te zetten voor internationale verbetering en afstemming van de toezichtregels. En ook van de sector verwacht ik vanzelfsprekend dat zij haar eigen verantwoordelijkheid neemt.

In het navolgende wil ik u inzicht geven in een groot aantal belangrijke acties en voornemens voor de financiële sector en de samenhang daartussen, aan de hand van de thema’s, i) een solide financiële sector, ii) versterking positie van de consument en gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector (inclusief beloningen), en iii) versterking institutioneel kader.

1. Een solide financiële sector

Tijdens de financiële crisis hebben Nederlandse instellingen grote klappen opgelopen. Om erger te voorkomen heeft de Nederlandse overheid, net als overheden in vele andere landen, op dat moment op ongekende schaal steun moeten verlenen aan de financiële sector. Vanaf 2010 is begonnen met een exit uit deze steun en zijn significante delen van deze steun met hoge rentes terugbetaald. Nog altijd zijn er echter instellingen die kapitaalsteun genieten en de laatste garanties op interbancaire leningen lopen pas in 2014 af. Ook het genationaliseerde ABN-AMRO is nog in overheidshanden. De financiële sector in Nederland draagt zo anno 2011 nog altijd de sporen van de financiële crisis. De hervormingsagenda voor de financiële sector, die vrijwel direct na het aanbreken van de financiële crisis is ingezet, blijft daarmee onverminderd actueel.

De hervormingsagenda heeft in dit kader vier centrale componenten: i) het versterken van het weerstandsvermogen van de sector om problemen te voorkomen, ii) het verbreden van het toezicht, iii) het versterken van de macroprudentiële component in het toezicht, en iv) het zorgen dat adequaat kan worden opgetreden als problemen zich voordoen. Onderstaand wordt nader op deze vier componenten ingegaan.

i) versterken van het weerstandsvermogen van de sector om problemen te voorkomen

Een sterke financiële sector begint bij sterke buffers en financiële weerbaarheid. Er zijn het afgelopen jaar grote stappen gezet op het gebied van de twee belangrijkste wetgevingstrajecten voor respectievelijk banken en verzekeraars.

De kapitaaleisenrichtlijn voor banken («Capital Requirements Directive»)

Sinds het begin van de crisis worden er door middel van verschillende tranches (CRD II, III en IV) wijzigingen ten aanzien van de Capital Requirements Directive aangebracht.

CRD II introduceert een speciaal kapitaalsregime voor grote posten (hogere risicogewichten, zodat hiervoor meer kapitaal moet worden aangehouden), betere afspraken tussen home en host toezichthouders (inclusief de introductie van colleges van toezichthouders) en strengere eisen voor complexe producten als securitisaties en hybride instrumenten. Het wetsvoorstel ter implementatie van CRD II heb ik eind mei 2011, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer ingediend.5 Op 24 oktober 2011 zal hierover een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

CRD III brengt strengere eisen voor het handelsboek (o.a. risicogewichten), hogere risicogewichten voor hersecuritisaties en een pakket maatregelen met betrekking tot het beloningsbeleid. De implementatie van CRD III vindt op drie niveaus plaats: i) een wettelijk deel, dat meeloopt via de implementatie van CRD II, ii) een gedeelte bij Algemene maatregel van Bestuur, die recentelijk geconsulteerd is, en iii) een gedeelte dat wordt geïmplementeerd via toezichthouderregels.

CRD IV is het meest omvattend en vormt een omzetting naar Europese regelgeving van de voorstellen van het Bazels Comité (BCBS). Dit pakket aan maatregelen staat ook wel bekend als het Bazel III akkoord en de G20 heeft zich eraan gecommitteerd. Instellingen worden verplicht om meer en beter kapitaal aan te houden, ze moeten aan striktere liquiditeitseisen voldoen en mogen in beperktere mate vreemd vermogen ten opzichte van eigen vermogen gebruiken als financiering (minder «leverage»). Dit is in lijn met aanbeveling 11 van de commissie De Wit.

Tevens omvat de CRD-IV: a) een harmonisatie van toezichtrechtelijke sanctieregimes in de EU, b) bepalingen ten aanzien van corporate governance van banken en beleggingsinstellingen en c) voorstellen om het overmatig gebruik van externe ratings te beperken. Tot slot beoogt het voorstel om de harmonisatie van het toezichtraamwerk in Europa te verbeteren door de introductie van een zogenaamd «Single Rule Book»; hierdoor moeten van lidstaat tot lidstaat verschillen in implementatie, interpretatie en toezichthouder- en beleidsregels zoveel mogelijk worden voorkomen. Het CRD IV-voorstel is op 20 juli 2011 door de Europese Commissie gepresenteerd. Het onderhandelingstraject aangaande deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal dit najaar plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

De solvabiliteitseisenrichtlijn voor verzekeraars («Solvency II»)

Met de implementatie van deze richtlijn wordt op Europees niveau harmonisatie bereikt van solvabiliteitseisen voor verzekeraars en de regels die betrekking hebben op de transparantie die verzekeraars moeten bieden naar toezichthouders en verzekeringsnemers. Ook wordt het groepstoezicht geïntensiveerd. Onlangs is het wetsvoorstel ter implementatie van deze richtlijn breed in de markt geconsulteerd. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel vanaf 2013 van kracht zijn.

Tegelijkertijd is ook reeds een wijziging in de maak van de Solvency II richtlijn om in deze richtlijn ook Europees toezicht te introduceren. Deze wijziging is opgenomen in de concept-richtlijn genaamd «Omnibus II».

ii) het verbreden van het toezicht

Veel van de onzekerheid in de financiële crisis kwam voort uit het feit dat delen van de financiële sector niet onder toezicht stonden. Ontwikkelingen in deze sectoren kunnen echter gevolgen hebben voor het hele financiële systeem. Ik vind het daarom van het grootste belang dat het toezicht verbreed wordt. Dit is ook in lijn met aanbeveling 22 van de commissie De Wit. Belangrijke initiatieven die op dit gebied genomen worden zijn het onder toezicht plaatsen van hedgefondsen en private equity bedrijven, kredietbeoordelaars en de clearing van derivaten.

Richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (Richtlijn Alternative Investment Fund Managers (AIFM)

Tot dusver vallen beheerders van beleggingsinstellingen, niet zijnde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), niet onder een Europees kader. Een deel van die beheerders valt in Nederland echter wel onder een nationaal regime voor beleggingsinstellingen. Met de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (AIFM) worden ook beheerders van andere beleggingsinstellingen dan icbe’s Europees gereguleerd. De AIFM-richtlijn beoogt bepaalde risico’s voor beleggers en markten in Europa die beheerders kunnen verspreiden, te adresseren. Om dat doel te bereiken, zullen die beheerders niet alleen moeten voldoen aan vereisten met betrekking tot kapitaal, liquiditeit en risicomanagement maar ook aan gedragseisen alsmede aan regels met betrekking tot een prudent beloningsbeleid, de bewaarder en het uitbesteden van werkzaamheden. De AIFM-richtlijn moet uiterlijk 22 juli 2013 zijn geïmplementeerd. Het desbetreffende wetsvoorstel is inmiddels openbaar geconsulteerd.

Kredietbeoordelaars (credit rating agencies)

De kredietbeoordelaars hebben een aanzienlijke invloed op de financiële markten met hun ratings van producten, instellingen en landen. Om de transparantie en kwaliteit van de ratings te verbeteren bestaat er sinds 2010 op basis van de Credit Rating Agencies Verordening (CRA I) toezicht op deze kredietbeoordelaars. Sinds juli 2011 is dit toezicht bij de Europese toezichthouder voor effecten en markten (ESMA) ondergebracht (CRA II). Naar verwachting zal de Europese Commissie in de tweede helft van 2011 een voorstel publiceren voor een tweede wijziging van de CRA verordening (CRA III). Hoofdthema’s hierin zijn onder andere de vermindering van de afhankelijkheid van ratings in regelgeving (waaronder kapitaalvereisten) en alternatieve betaalmethoden ter bevordering van kwalitatief betere ratings.

Centrale clearing van «over the counter» (OTC)-derivaten (European Market Infrastructure Regulation (EMIR) verordening)

Tijdens de financiële crisis is gebleken dat clearing tussen twee individuele partijen (bilaterale clearing) van deze producten grote systeemrisico’s met zich brengt. Ook is gebleken dat er behoefte bestaat aan geharmoniseerd toezicht op afwikkelsystemen en de ondernemingen die deze systemen beheren. Om deze zaken te adresseren heeft de Europese Commissie een verordening voorgesteld (de EMIR verordening). Kern van het EMIR voorstel is dat OTC-derivaten centraal moeten worden afgewikkeld via Central Counter Parties (CCP’s). Daarnaast wordt geharmoniseerd toezicht op CCP’s ingesteld. Dit zal worden belegd bij de nationale toezichthouders; ESMA zal daarbij het toezicht op Europees niveau coördineren en standaarden zetten. Er zullen strenge eisen worden gesteld aangaande het prudentieel en risicobeleid van CCP’s. Alle bestaande CCP’s zullen binnen 18 maanden aan de nieuwe eisen moeten voldoen. De EMIR verordening zal volgens de planning van de Europese Commissie begin 2013 in werking moeten treden. Omdat het hier gaat om een verordening zal in beginsel geen implementatie op nationaal niveau nodig zijn. Wel zal in nationale regelgeving een toezichthouder moeten worden aangewezen.

iii) het versterken van de macroprudentiële component in het toezicht

Het toezicht dat op de financiële sector wordt uitgeoefend, richt zich zowel op de stabiliteit van individuele ondernemingen als op de stabiliteit van het stelsel als geheel. Deze doelstellingen staan niet los van elkaar. Gezonde instellingen (en toezicht daarop) zijn een voorwaarde voor de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel. Evengoed dragen systeembrede maatregelen bij aan de stabiliteit van individuele instellingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het depositogarantiestelsel (DGS). Het DGS beoogt depositohouders te beschermen door deposito’s tot € 100 000 te garanderen en borgt zo het vertrouwen in het financiële stelsel. Hiermee zorgt het DGS ook voor stabiliteit van individuele instellingen omdat het bijdraagt aan het voorkomen van bank-runs. Het Nederlandse DGS wordt verder binnenkort, conform aanbeveling 15 van de Commissie De Wit, versterkt door middel van een ex ante gefinancieerd fonds met risicogedifferentieerde bijdragen.6 Hierdoor heeft een bank die failliet gaat meebetaald aan de kosten van het stelsel. Tevens worden de overige banken niet (of in mindere mate) in een keer geconfronteerd met hoge lasten bij het faillissement van een bank. Via een herziening van het DGS-stelsel wordt dus ook de stabiliteit van individuele instellingen beter geborgd.

In de afgelopen jaren is de verwevenheid van de financiële markten, instellingen, infrastructuur en de macro-economie sterk toegenomen. De kredietcrisis van 2008, die begon als een lokale crisis op de Amerikaanse huizenmarkt, kon zo uitgroeien tot een mondiale systeemcrisis, mede omdat er geen maatregelen werden getroffen om de opbouw van onevenwichtigheden tegen te gaan. De financiële crisis heeft daarmee het bewustzijn doen groeien dat macroprudentiële analyse moet worden versterkt en macroprudentiële instrumenten nodig zijn om systeemrisico’s te adresseren en daarmee de stabiliteit van het financiële systeem als geheel te borgen. In diverse internationale fora zoals de G20, de FSB, de BIS en het IMF wordt dit onderwerp dan ook opgepakt. Het is belangrijk dat dit op internationaal niveau gebeurt, juist vanwege de internationale verwevenheid.

Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan de versterking van de macroprudentiële component van het toezicht. Europa kent sinds kort een macroprudentiële toezichthouder (de European Systemic Risk Board of ESRB).

De belangrijkste taken van de ESRB zijn, ten eerste, het detecteren van risico’s in de financiële sector en de reële economie die het financiële stelsel als geheel kunnen raken en, ten tweede, om hierover in een vroegtijdig stadium aanbevelingen en waarschuwingen uit te brengen7 (zie ook punt 3 van deze brief).

Voorts wordt op Europees niveau gewerkt aan instrumenten die de schokbestendigheid van het systeem bevorderen en de opbouw van onevenwichtigheden tegengaan. Deze maatregelen komen in diverse wetgevingstrajecten terug, maar kennen een duidelijke samenhang vanuit macroprudentieel perspectief. Er kunnen hier drie concrete voorbeelden van worden gegeven: 1. hogere kapitaalbuffers waaronder 1a. zogenaamde contracyclische kapitaalbuffers en 1b. additionele kapitaalbuffers voor systeemrelevante financiële instellingen, 2. de mogelijkheid van leverage-eisen voor hedgefondsen en 3. de ontwikkeling van zogenaamde «recovery and resolution plans» (rrp’s). Contracyclische kapitaalbuffers en de mogelijkheid van leverage-eisen voor hedgefondsen zijn voorbeelden van contracyclische instrumenten, die beogen de pieken en dalen van de conjunctuurcycli te verzachten; buffers voor systeemrelevante instellingen (Systemically Important Financial Institutions ofwel SIFI’s) en rrp’s zijn instrumenten die aangrijpen bij de structuur van instellingen en het stelsel om de impact van eventuele problemen bij individuele instellingen op het stelsel als geheel te beperken.

  • 1. Hogere kapitaalbuffers: hogere kapitaalbuffers, zoals die mondiaal zijn overeengekomen in het Bazel III akkoord (zie de passage over de CRD hierboven) betekenen dat alle banken individueel meer kapitaal aan moeten houden, waardoor het systeem als geheel veiliger wordt. Hogere kapitaalseisen verkleinen allereerst de kans dat banken in solvabiliteitsproblemen komen. Mocht een bank toch omvallen dan kunnen andere banken die zijn blootgesteld aan deze bank de klap beter opvangen, zodat domino-effecten beter worden voorkomen. Op internationaal niveau worden echter nog een aantal extra kapitaalbuffers besproken waarin de macroprudentiële dimensie nog duidelijker naar voren komt.

    • a. Contracyclische buffers: het Bazel III akkoord omvat een voorstel voor specifiek contracylische kapitaalbuffers. Deze buffers zorgen ervoor dat alle instellingen in een land extra buffers opbouwen in tijden van overmatige kredietgroei. De opgebouwde buffers kunnen dan vrijvallen tijdens een neergang van de kredietcyclus. Ook de commissie De Wit wees reeds op het belang van zulke contracyclische buffers.8

    • b. Additionele buffers voor systeemrelevante instellingen: internationaal (binnen het zogenaamde Financial Stability Board) worden er afspraken gemaakt over extra buffers voor SIFI’s. De gedachte hierbij is dat dergelijke SIFI´s zo’n centrale rol vervullen in het internationale financiële verkeer dat van hen extra buffers kunnen worden geëist.

  • 2. Leverage-eisen voor hedgefondsen: zoals reeds aangegeven bij de bovenstaande bespreking van de AIFM-richtlijn worden managers van hedgefondsen en andere alternatieve beleggingsfondsen door deze richtlijn onder toezicht geplaatst. Daarbij krijgt DNB via de nationale implementatie van deze richtlijn de bevoegdheid om, met het oog op de stabiliteit van het financiële stelsel, limieten te stellen aan het gebruik van leverage door beleggingsinstellingen.

  • 3. Recovery and resolution plans: zowel internationaal als nationaal wordt er gesproken over zogenaamde «recovery and resolution plans». Het idee achter dergelijke plannen is onder meer dat, voordat zich een crisis voordoet bij een financiële onderneming, de onderneming en betrokken autoriteiten reeds een strategie hebben ontwikkeld hoe in een crisissituatie de continuïteit van maatschappelijk belangrijke functies van de onderneming kunnen worden geborgd. Het «recovery» deel van het plan is erop gericht dat de instelling er nog boven op kan komen wanneer het tegenzit. Het «resolution» deel van het plan (ook wel «living will» genoemd) is gericht op de afwikkeling van de onderneming wanneer deze niet meer kan overleven. Een dergelijk instrument draagt bij aan de schokbestendigheid van het systeem omdat als individuele instellingen zelf een crisis te boven kunnen komen of ordentelijk kunnen worden afgewikkeld, besmetting naar andere instellingen geringer is. Er wordt momenteel een pilot gehouden met rrp’s voor de internationaal actieve instellingen in Nederland.

De nieuwe instrumenten die voortkomen uit internationale afspraken, Europese regelgeving en nationale aanbevelingen door de commissie De Wit zullen op adequate wijze (wettelijk) worden verankerd. Met deze instrumenten kan DNB nader invulling geven aan haar taak gericht op de stabiliteit van het financiële stelsel. Daarbij heb ik aandacht voor de vraag of het huidige wettelijk kader voldoende helderheid biedt met betrekking tot de macroprudentiële taak van DNB en de (nieuwe) bijbehorende bevoegdheden.

In de internationale discussie speelt tot slot nog de vraag in hoeverre expliciete sturing van meer specifieke macroprudentiële ontwikkelingen door toezichthouders mogelijk en wenselijk is. Het betreft dan bijvoorbeeld expliciete, zeer specifieke en gerichte sturing van de huizenmarkt en andere vormen van kredietverlening door een dergelijke toezichthouder. Deze discussie staat echter nog in de kinderschoenen. Veel aspecten moeten hier nog worden ingevuld, zoals de vraag wat voor (additionele) instrumenten mogelijk zouden zijn en wat de effectiviteit daarvan is, nu de vaststelling van bubbelvorming in specifieke segmenten, sectoren of bepaalde type activa zeer moeilijk is. Academici proberen hier momenteel meer analytische instrumenten voor te ontwikkelen. Ik volg deze ontwikkelingen nauwgezet en voer ook met DNB overleg over dit onderwerp, mede gelet op haar wetgevingsbrief.

Ondanks het vroege stadium van de internationale discussie, meen ik dat er nu reeds een belangrijke stap kan worden gezet in Nederland. Het is van belang dat de nationale en internationale macro-economische ontwikkelingen en hun consequenties voor de Nederlandse financiële stabiliteit op de agenda blijven staan bij de toezichthouders en het ministerie van Financiën. Ook is van belang dat zij actief met uw Kamer worden besproken. Uw Kamer heeft mij in dit verband al opgeroepen om DNB en het CPB te vragen een rapportage aan de Kamer op dit punt te maken.9 Ik wil echter nog een stap verder gaan door een nationaal macro-

prudentieel ofwel stabiliteitscomité op te richten. Dit comité krijgt tot taak om belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de financiële stabiliteit te inventariseren en (technische) aanbevelingen op dit vlak te doen. Ook zouden de bevindingen van dit comité gebruikt kunnen worden om uw Kamer inzicht te verschaffen in de macroprudentiële problematiek.

De samenstelling, governance en vormgeving van dit comité en de mogelijkheden tot rapportage zal ik de komende tijd met betrokken partijen bespreken. Ik zal hier uiteraard spoedig bij uw Kamer op terugkomen.

iv) het adequaat kunnen ingrijpen indien problemen zich voordoen

Het is daarnaast van groot belang dat, indien er toch iets fout gaat, tijdig kan worden ingegrepen bij een instelling, ook om besmetting naar andere instellingen te voorkomen. Het uitgangspunt moet zijn dat instellingen die problemen hebben veroorzaakt deze zelf dragen en niet afwentelen op de belastingbetaler. Op 4 juli 2011 heb ik in het kader van de discussie over nuts- en zakenbankactiviteiten een uitgebreide nota over dit onderwerp naar de Tweede Kamer gestuurd.10 In het bovenstaande zijn verder al een aantal maatregelen op dit terrein toegelicht zoals de recovery and resolution plans en het ex ante gefinancierd depositogarantiestelsel. In deze paragraaf wordt nog nader stilgestaan bij de nationale Interventiewet en vergelijkbare Europese ontwikkelingen op het gebied van crisismanagement.

Interventiewet

De in voorbereiding zijnde Interventiewet voorziet, in lijn met aanbeveling 14 van de commissie De Wit, in een aanvulling van de interventiemogelijkheden bij financiële ondernemingen voor de bevoegde autoriteiten. Ten eerste krijgt DNB met het wetsvoorstel de bevoegdheid om een plan tot overdracht van deposito’s, activa of passiva, of aandelen aan een derde voor te bereiden. Daarnaast krijgt de minister van Financiën de bevoegdheid om in geval van gevaar voor de stabiliteit van het financiële stelsel onmiddellijke voorzieningen te treffen of, in het uiterste geval, tot onteigening over te gaan. Het streven is het wetsvoorstel in oktober 2011 bij de Tweede Kamer in te dienen.

Europese ontwikkelingen op het gebied van crisismanagement

Naast nationale initiatieven bereidt de Europese Commissie momenteel een richtlijnvoorstel op het gebied van crisismanagement voor, dat zij eind 2011 gereed wil hebben. De Europese Commissie heeft hierbij een kader bestaande uit drie pijlers voor ogen.

  • 1. Crisispreventie: de Europese Commissie denkt hierbij onder andere aan versterking van het toezicht (bijvoorbeeld meer inspecties ter plaatse) en het formaliseren van bovengenoemde rrp’s.

  • 2. Vroegtijdige interventie: de Europese Commissie wil hiertoe de bevoegdheden van toezichthouders uitbreiden en verduidelijken (bijv. het kunnen verbieden van dividendbetalingen).

  • 3. Ordentelijke afwikkeling: ordentelijke afwikkeling kan noodzakelijk zijn wanneer een reguliere faillissementsprocedure niet haalbaar is met het oog op de financiële stabiliteit. Betrokkenen mogen dan echter, aldus de Europese Commissie, geen groter verlies lijden dan onder een regulier faillissement. Met het oog hierop stelt de Commissie bevoegdheden voor nationale autoriteiten voor ten aanzien van verschillende instrumenten, zoals de overdracht van (onderdelen van) de onderneming aan een derde partij en het afschrijven van schulden (zogeheten bail-in debt). Hierdoor kan de continuïteit van essentiële bankactiviteiten, zoals het betalingsverkeer en de depositoactiviteiten, worden gewaarborgd.

Nederland heeft een uitgebreide consultatiereactie geschreven op het eerdere richtlijnvoorstel van de Commissie en zal een actieve rol blijven vervullen in de Europese discussie over dit belangrijke onderwerp.11

2. Versterking positie van de consument en een gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector

Gedrags- en cultuurverandering

De financiële crisis heeft laten zien dat een gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector noodzakelijk is. Klanten en de maatschappij in brede zin dienen in de praktijk te merken dat de financiële sector verandert en hierbij ondermeer de klant centraal stelt. Dit laatste is zowel uit oogpunt van klantbelang als uit oogpunt van stabiliteit essentieel. Het is primair aan de financiële sector zelf om te laten zien dat ze de gewenste gedrags- en cultuurverandering kracht bij zet. Zo hebben bijvoorbeeld banken en verzekeraars in lijn met aanbeveling 8 van de commissie De Wit een eigen code opgesteld en dienen ze in hun jaarverslagen verantwoording af te leggen over de naleving van deze Code Banken respectievelijk Governance Principes Verzekeraars. Ik verwacht hierbij dat ze duidelijke resultaten en veranderingen in hun cultuur laten zien.

Provisieverbod

Dit proces van gedrags- en cultuurverandering zal echter ook (verder) worden versterkt. Zo zal ik met het oog op het versterken van de cultuurverandering in de financiële dienstverlening, in het bijzonder bij adviseurs en bemiddelaars van complexe en impactvolle financiële producten, zorg dragen voor een provisieverbod. Dit zal bijdragen aan een ontvlechting van de activiteiten van banken en verzekeraars van de activiteiten van onafhankelijke adviseurs. De consument kan er daarmee op vertrouwen dat de adviseur daadwerkelijk aan zijn kant staat. Voorts zal ik inzetten op een bij voorkeur Europees verbod op provisies bij beleggingsondernemingen. Om te waarborgen dat beleggingsondernemingen (onder andere banken en vermogensbeheerders) volledig in het belang van de klant handelen bij het verlenen van beleggingsdiensten, dienen zij alleen direct door de klant te worden betaald voor hun diensten. Het is van belang dat beleggingsondernemingen naast de klant kunnen gaan staan en de kans krijgen om tegen een transparant tarief hun meerwaarde aan de klant tonen.

Aanscherping vakbekwaamheidseisen

Deze maatregelen die borgen dat financiële prikkels voor financiële ondernemingen de klant centraal stellen, zijn echter onvoldoende om het volledige belang van de klant te dienen als de medewerkers van de ondernemingen hier niet goed toe in staat zijn. Daarom zullen naast een verbod op provisies ook de eisen aan de vakbekwaamheid van financieel dienstverleners zoals bemiddelaars en adviseurs worden aangescherpt. Ik ben onder meer voornemens de bestaande uitzonderingen op de diplomaplicht voor adviseurs te schrappen, waardoor in de toekomst alle adviseurs aantoonbaar vakbekwaam moeten zijn door middel van een diploma. De consument dient namelijk niet alleen te kunnen vertrouwen op objectief advies, maar ook op deskundig advies.

Productontwikkeling

De financiële sector heeft zich voorgenomen om de klant meer centraal te stellen. Een goed en in mijn ogen noodzakelijk streven dat zal bijdragen aan het herstel van vertrouwen tussen sector en consument. Het belang van de klant zou in alle facetten van financiële dienstverlening moeten terugkomen; in het advies, de service, de klachtafhandeling, maar zeker ook in de stadia die daaraan vooraf gaan zoals productontwikkeling. Teneinde dit te versterken, zullen in lijn met aanbeveling 23 van de commissie De Wit aan de AFM bevoegdheden worden gegeven om toezicht te houden op het productontwikkelingsproces van financiële ondernemingen.

Het productgoedkeuringsproces kent ook de bijzondere belangstelling van de Monitoring Commissie Code Banken en de Monitoring Commissie Governance Principes Verzekeraars. Ik zal dan ook de bevindingen van de commissies op dit punt afwachten, alvorens de vormgeving van de regelgeving definitief te maken.

Financiële ondernemingen zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor hun productontwikkelingsproces. De toezichthouder kijkt echter mee en zal partijen die producten ontwikkelen zonder oog voor het belang van de klant hierop aanspreken.

Kifid

Ook zullen in navolging van aanbeveling 21 van de commissie De Wit maatregelen worden getroffen die de onafhankelijkheid van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) ten opzichte van de financiële sector beter waarborgen. Deze wijzigingen in onder meer de governance structuur van het Kifid worden deels middels wetgeving en deels door de aanpassing van de statuten door Kifid zelf bewerkstelligd. Dit past bij de gedrags- en cultuurverandering die de financiële sector doormaakt en zorgt voor een verdere versterking van de positie van de consument. Voor het zomerreces (30 juni 2011) heb ik een brief naar de TK gestuurd waarin ik deze wijzigingen heb aangekondigd. Op 9 november zal ik over deze governance aanpassing nader met u van gedachten wisselen tijdens een Algemeen overleg over deze brief. Hieraan voorafgaand krijgt u een brief, waarin ik verslag doe van de laatste ontwikkelingen met betrekking tot Kifid inzake het woekerpolisdossier.

Wijzer in Geldzaken

Via het platform Wijzer in geldzaken werk ik aan vergroting van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van consumenten. In het platform werken ruim 40 partijen onder erevoorzitterschap van H.K.H. Prinses Máxima samen om het financiële inzicht van de Nederlanders te vergroten, zodat zij beter in staat zijn financiële beslissingen te nemen. Door projecten als de Week van het geld en de Pensioen3daagse leren kinderen op jonge leeftijd omgaan met geld en wordt het pensioenbewustzijn van Nederlanders vergroot.

De website www.wijzeringeldzaken.nl – met meer dan 1 miljoen bezoekers per jaar – en het Geldloket – waarvan de eerste is gepland voor komend voorjaar – bieden mensen op een laagdrempelige manier toegang tot informatie en tools die hen helpen hun huishoudboekje op orde te brengen en houden.

Beloningsbeleid

Een belangrijk aandachtspunt voor mij blijft het beloningsbeleid bij financiële instellingen. De afgelopen jaren is veel regelgeving op dit gebied gerealiseerd. Zo zijn wereldwijd de beloningsprincipes van de Financial Stability Board van kracht,12 en Europees de beloningsregels uit CRD III.13 Nationaal zijn deze regels uitgewerkt door DNB in de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011.14 Deze zijn sinds begin dit jaar voor banken en verzekeraars van kracht. Hiernaast ligt momenteel het wetsvoorstel inzake de bevoegdheid van de raad van commissarissen om onterecht toegekende bonussen terug te vorderen ter behandeling in uw Kamer.15 Regelgeving alleen is echter niet voldoende. De gedragsverandering op beloningsbeleid moet, om daadwerkelijk succesvol te zijn, vanuit de sector zelf komen. Om deze reden hecht ik naast regelgeving veel waarde aan zelfregulering. De totstandkoming van codes zoals de Code Banken en de Governance Principes Verzekeraars is daarom van groot belang.

Recent heb ik u twee (tussen)rapportages toegestuurd die ingaan op de naleving door financiële instellingen van enerzijds zelfregulering (Code Banken) en anderzijds regelgeving (Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011). Uit beide rapportages komt naar voren dat het overgrote deel van de instellingen de principes en de regels betreffende beloningen naar behoren toe past; zij hebben serieus werk gemaakt van de implementatie en de naleving. Het is duidelijk zichtbaar dat de instellingen in een korte periode grote stappen hebben gezet. Voor deze inspanning heb ik veel waardering. Maar de rapportages maken ook duidelijk dat op een aantal punten nog een slag te slaan is.

DNB geeft in haar rapportage over de naleving van de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011 aan dat de onderzochte zeven grote banken en verzekeraars met drie elementen in het bijzonder moeite hebben. Het gaat daarbij om het wereldwijd toepassen van de Regeling, het bepalen van de personen die onder de Regeling vallen, en de invulling van de risicobeheersingselementen uit de Regeling. Ik ben met DNB van mening dat op deze terreinen naleving dient te worden verbeterd. Ik vertrouw er op dat DNB toe zal blijven zien op de naleving, en daar waar nodig handhavend zal blijven optreden. Ik kijk uit naar de resultaten van het vervolgonderzoek onder ruim 30 banken en verzekeraars begin 2012.

De Monitoring Commissie Code Banken komt in december 2011 met een eerste volledige rapportage over de naleving en toepassing van de Code Banken. In de op 2 december 2010 uitgebrachte Voorrapportage Implementatie Code Banken werd een eerste indruk gegeven van waar banken op dat moment stonden met het invoeren van de code. De commissie gaf hierin aan dat er op het beloningsbeleid van banken nog de nodige voortvarendheid werd verwacht. In haar onlangs uitgebrachte tussenrapportage constateert de commissie dat banken inmiddels behoorlijke vooruitgang hebben geboekt. De commissie licht er twee aandachtspunten nadrukkelijk uit. Ten eerste geeft de commissie aan dat dochters van kleinere buitenlandse banken achterblijven bij de naleving van de code ten opzichte van de Nederlandse banken. Dat vind ik teleurstellend. De commissie benadrukt in haar rapportage terecht dat een bank zich dient te houden aan de code wanneer deze heeft aangegeven de code na te willen leven wat het geval is voor deze groep. Ten tweede geeft de commissie aan dat bij de grotere Nederlandse banken een groep van ongeveer 600 niet-bestuurders meer dan 100% variabel van de vaste beloning ontvangt. Binnen Nederland gaat het om ongeveer 200 personen. Hoewel het principe uit de code dat de variabele beloning per jaar maximaal 100% van het vaste inkomen mag bedragen strikt genomen niet op deze groep van toepassing is, onderschrijf ik het belang dat de commissie hecht aan deze constatering en juich ik toe dat de commissie dit als een aandachtspunt voor toekomstige monitoring beschouwt. Ik dank de commissie voor haar heldere en grondige rapportage, en zie de volledige rapportage in december van dit jaar met veel interesse tegemoet.

Ik neem waar dat, ondanks bovenstaande aandachtspunten, het overgrote deel van de banken en verzekeraars behoorlijk op weg is. Ik heb veel vertrouwen in het handelen van de commissie en DNB, en ben van mening dat hun rapportages een substantiële bijdrage zullen blijven leveren aan het verder bevorderen van de naleving door de instellingen van zowel de code als de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011.

In internationaal verband wordt de nationale vooruitgang ook opgemerkt. In de meest recente beloningsrapportage concludeert de Financial Stability Board (FSB) dat Nederland behoort tot de 13 landen waar de FSB-beloningsprincipes volledig zijn geïmplementeerd.

Gezien het belang van een duurzaam beloningsbeleid voor de risicobeheersing binnen de instellingen én voor het herstellen van vertrouwen in de financiële sector blijf ik actief nadenken over de eventuele noodzaak van regelgeving. Momenteel ben ik bezig een verbod voor te bereiden op bonussen bij staatsgesteunde instellingen. Ik verwacht u nog dit jaar een wetsvoorstel toe te zenden, waarmee recht zal worden gedaan aan de strekking van de motie Van Vliet16 en aanbeveling 5 van de commissie De Wit.

3. Versterking van het institutioneel kader

Hiervoor is uitgebreid ingegaan op de acties voor een solide financiële sector en acties die de positie van de consument en een gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector moeten bewerkstelligen.

Financiële instellingen in Nederland opereren en ontplooien activiteiten onder het toeziend oog van DNB en de AFM. DNB en de AFM dragen door middel van hun toezicht bij aan de stabiliteit en het ordentelijk en transparant functioneren van de Nederlandse financiële markten, financiële instellingen en de financiële dienstverlening. Dit toezicht vraagt niet alleen om daadkrachtige toezichthouders op de financiële markten, ook dient het institutioneel kader waarbinnen de toezichthouders toezicht uitoefenen up to date te zijn vormgegeven. Met betrekking daartoe heb ik verschillende voorstellen gedaan die thans bij het parlement aanhangig zijn dan wel ten aanzien waarvan ik voornemens ben om die bij het parlement aanhangig te maken. Hierna zal ik ingaan op die verschillende beleidsinzetten, nationaal en vanuit Europa.

Versterking governance DNB en de AFM

In het voorjaar 2011 heb ik het wetsvoorstel versterking governance bij de Tweede Kamer ingediend.17 DNB en de AFM zijn zelfstandige bestuursorganen. Dit betekent dat zij niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de minister van Financiën en zelfstandig opereren. Gezien het feit dat de toezichthouders op afstand staan18 en de daarmee gepaard gaande beperkte mogelijkheden voor externe sturing door de minister van Financiën is het van belang dat de interne governance van de toezichthouders afdoende geborgd is. De interne «checks and balances» moeten er voor zorgen dat er voldoende waarborgen binnen de organisatie van de toezichthouder aanwezig zijn om zorgvuldige en daadkrachtige besluitvorming mogelijk te maken. In dat verband wordt in voornoemd wetsvoorstel voorgesteld om de wettelijke taak van de raad van commissarissen bij DNB en de raad van toezicht bij de AFM te verbreden. Bij deze verbreding wordt aangesloten bij de ontwikkelingen op governancegebied.19 Een belangrijk nieuw aspect binnen het takenpakket van de RvC/RvT is, het toezicht houden op (de waarborgen voor de) uitvoering van het toezicht in algemene zin en de borging van de kwaliteit en effectiviteit van dat beleid. Daarnaast wordt vanwege het belang van voldoende waarborgen van de betrouwbaarheid en geschiktheid van bestuurders en leden van het interne toezichthoudende orgaan van de toezichthouder, het passend geacht te regelen dat er ten behoeve van (her)benoemingen in de directie van DNB en het bestuur van de AFM betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsen worden uitgevoerd en profielschetsen en functieprofielen worden opgesteld. Tot slot noem ik dat het wetsvoorstel een grondslag bevat voor de invoering van een nieuwe functionaris binnen de directie van DNB, de voorzitter Toezicht en voor de invoering van de toezichtraad financiële instellingen waardoor de herkenbaarheid van de verschillende verantwoordelijkheden binnen DNB kan worden versterkt en een duidelijk primair aanspreekpunt wordt gecreëerd voor onderwerpen die betrekking hebben op toezichttaken in de persoon van de voorzitter Toezicht.

Beperking aansprakelijkheid DNB en de AFM

Bij de versterking van het institutioneel kader hoort ook dat de toezichthouders openlijk en zelfkritisch verantwoording kunnen afleggen over hun taakuitoefening. Om hieraan bij te dragen heb ik een wetsvoorstel voorbereid op grond waarvan de aansprakelijkheid van DNB en de AFM in het kader van de uitoefening van hun toezicht wettelijk wordt beperkt. Dit zorgt voor een betekenisvolle wettelijke beperking van de aansprakelijkheid die in lijn met aanbeveling 26 van de commissie De Wit beoogt een hogere drempel voor aansprakelijkheid op te werpen. DNB en de AFM moeten snel en doortastend kunnen reageren op (crisis)situaties op de financiële markten zonder dat daaraan afbreuk wordt gedaan door mogelijke risico’s voor aansprakelijkstelling. Een expliciete wettelijke beperking kan hieraan bijdragen.20 Voor de vormgeving van de beperking zal in lijn met aanbeveling 26 worden aangesloten bij wat er op Europees niveau gebruikelijk is.

Meer transparantie in de uitvoering van het toezicht

Daarnaast zet ik mij, in lijn met aanbevelingen 20 en 25 van de commissie De Wit en een daarmee samenhangende motie,21 actief in voor herziening van het strikte geheimhoudingsregime dat geldt op grond van Europese regelgeving. Openheid en transparantie over de uitvoering van het toezicht in de richting van bijvoorbeeld het parlement zijn van groot belang voor het vertrouwen in de toezichthouders. Conform de wens van uw Kamer zijn gesprekken aangegaan in Brussel en niet zonder resultaat. In het recent gepubliceerde voorstel van de Europese Commissie van CRD IV is een bepaling opgenomen, die een verruiming van het vertrouwelijkheidregime behelst. De Commissie stelt voor dat vertrouwelijk kennisgenomen zou mogen worden van prudentiële toezichtinformatie ten behoeve van controle op het financieel toezicht door bijvoorbeeld parlementaire enquêtecommissies en andere instituten belast met onderzoek, zoals rekenkamers. Het onderhandelingstraject over deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal dit najaar plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

Versterking Europees toezicht

De versterking van het institutioneel kader beperkt zich uiteraard niet tot de landsgrenzen. Ook op Europees niveau is sprake van een verdergaande integratie van het toezicht op de financiële markten. De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat de status quo met betrekking tot de samenwerking en coördinatie tussen nationale toezichthouders voor verbetering vatbaar is. De internationale verwevenheid van banken en verzekeraars en de daaraan verbonden externe effecten zijn zo groot geworden dat op internationaal niveau gezocht moet worden naar sterkere vormen van samenwerking in het toezicht om de belangen van alle landen zo goed mogelijk te kunnen waarborgen.

Per 1 januari 2011 zijn hiertoe door middel van een aantal verordeningen drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten opgericht: i) de Europese Bankenautoriteit (EBA), ii) de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en iii) de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Ook is er een Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) opgericht.22 Deze toezichthouders moeten bijdragen aan de stabiliteit, eenheid en doeltreffendheid van het financiële stelsel in Europa. EBA heeft de afgelopen tijd bijvoorbeeld een belangrijke rol gespeeld in het coördineren van de stresstesten bij banken in de EU en ESMA is sinds 1 juli 2011 de toezichthouder op het gebied van kredietbeoordelaars. Dit versterkt Europees toezicht is in lijn met aanbeveling 19 van de commissie De Wit.

Met de drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico’s is een nieuw Europees toezichtraamwerk ingevoerd. In de eerder genoemde oprichtingsverordeningen zijn onder andere de algemene bevoegdheden van de nieuwe EU-toezichthouders vastgelegd. Om een effectieve werking van dit raamwerk te garanderen is de richtlijn Omnibus I23 tot stand gebracht en vinden thans in Brussel onderhandelingen plaats over een nieuwe richtlijn.24 Met deze richtlijn worden wijzigingen in de wetgeving inzake financiële diensten aangebracht, met name om een passende reikwijdte te geven aan deze algemene bevoegdheden. Een algemene bevoegdheid is bijvoorbeeld de bevoegdheid voor de EU-toezichthouder om een bindende technische standaard op te stellen ter uitwerking van een richtlijntekst, zoals het opstellen van een formule om de kapitaaleisen exact te berekenen.

De versterking van het Europees toezicht vindt plaats via een geleidelijk proces. Belangrijke stappen zijn inmiddels gezet, echter we zijn er nog niet. Ik zal me inzetten om verdere integratie van het toezicht op de financiële markten te bewerkstelligen.

Slotopmerkingen

Hiervoor heb ik aan de hand van de drie pijlers aan uw Kamer inzicht willen bieden in de omvang van en samenhang tussen de diverse belangrijke beleidsinzetten.

Uit onder meer de aanbevelingen van de commissie De Wit en de rapportages van de toezichthouders vloeit een bijzonder ambitieus wetgevingsprogramma ten aanzien van de financiële sector voort. Daarnaast is ook vanuit Europa sprake van een groot aantal initiatieven en voornemens, zowel wat betreft onderhandelingen als implementatie van Europese wet- en regelgeving. Het grote aantal initiatieven en voornemens leidt uiteraard tot een risico op stapeling en overlap van beleidsinzetten die op zich zelf zijn te rechtvaardigen maar «opgeteld» een grote belasting vormen voor (onderdelen) van de financiële sector. Ik heb daar oog voor en zet me in om onnodige stapeling en overlap te voorkomen.

Dit wetgevingsprogramma toont voorts dat de komende jaren sprake zal zijn van een grote hoeveelheid wetgeving die bij het parlement aanhangig zal worden gemaakt. Om dit programma te realiseren, is het van belang dat het wetgevingsproces tijdig, efficiënt en ordentelijk verloopt. Ik hecht aan een sterke betrokkenheid van het parlement hierbij. Om te komen tot een verdere stroomlijning bereid ik jaarlijks (pakketten van) wetgeving op het terrein van de financiële markten voor die op vaste momenten bij de Tweede Kamer ingediend kunnen worden waardoor ook de behandeling van wetsvoorstellen efficiënt en op één moment kan plaatsvinden. Eind mei 2011 is daartoe een eerste pakket aan wetgeving op het terrein van de financiële markten bij uw Kamer aanhangig gemaakt. Op 24 oktober 2011 zal ten aanzien van dit pakket een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Omwille van adequate informatievoorziening richting de Kamer zal ik ook in de toekomst uw Kamer regelmatig op de hoogte blijven stellen van de voortgang die gemaakt wordt op het gehele spectrum van beleid en wetgeving rond de financiële markten. In dit kader zal de volgende halfjaarlijkse voortgangsrapportage van de aanbevelingen van de commissie De Wit in het voorjaar van 2012 aan uw Kamer worden gestuurd.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

Bijlage I Voortgang 27 aanbevelingen van de commissie De Wit

1. Informatie-voorziening macro-economische risico’s

De Tweede Kamer is per brief van 5 juli 2011 25 geïnformeerd dat ik het verzoek voor een gezamenlijke rapportage door het CPB en DNB (over internationale en nationale macro-economische ontwikkelingen in samenhang met ontwikkelingen in de financiële sector) aan het CPB en DNB heb voorgelegd. Het CPB en DNB werken momenteel beide aan de vormgeving en timing van hun rapportages, waarover zij binnenkort aan de minister van EL&I en mij verslag zullen uitbrengen; zo gauw als deze informatie is ontvangen, zal ik dit aan uw Kamer laten weten.

2. Zorgdragen voor naleving Code Banken

Onlangs heb ik u de tussenrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken gestuurd over de naleving van de beloningsparagraaf uit de Code Banken. De rapportage vormt een heldere en grondige weergave van de huidige stand van zaken wat betreft de naleving van de beloningsparagraaf. Ik constateer dat de banken in een korte tijd grote stappen hebben gezet, en dat zij voor het overgrote deel de beloningsprincipes toepassen. Als aandachtspunt merkt de commissie onder meer op dat er bij de grotere Nederlandse banken een groep van ongeveer 600 niet-bestuurders wereldwijd is die meer dan 100% aan variabele beloning van hun vaste beloning ontvangt. Voor Nederland gaat het om een groep van ongeveer 200 personen. Hoewel het principe uit de Code Banken dat de variabele beloning per jaar maximaal 100% van het vaste inkomen mag bedragen uitsluitend van toepassing is op bestuurders, heeft de commissie ook naar de toepassing door de grotere Nederlandse banken van dit principe op niet-bestuurders gekeken en daarmee blijk gegeven van het belang van de gewenste gedragsverandering. Dit waardeer ik zeer, ik zie dan ook uit naar de volledige rapportage in december 2011.

3. Aanvulling en aanscherping Code banken met betrekking tot risicomanagement

Deze aanbeveling heb ik nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). In een reactie heeft de NVB aangegeven dat zij van mening is dat de huidige regelgeving reeds voorziet in de aanbeveling.

De NVB heeft aangegeven dat het toetsen van het verdienmodel een belangrijk inzicht in de mogelijk risico’s geeft. In de Richtsnoeren van het Committee of European Banking Supervisors (CEBS) is aangegeven dat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen gebruik dienen te maken van hun Internal Capital Adequacy Assessment Process (ICAAP). De ICAAP is een controle- en beheersmechanisme dat een bank verplicht om op (een nader te bepalen) portefeuilleniveau van de organisatie de verdiensten te corrigeren voor alle, in de aanbeveling genoemde, risico’s. Dit houdt ook een toetsing van de gehanteerde verdienmodellen in, omdat ieder verdienmodel bepaalde risico’s met zich mee zal brengen. ICAAP is geïntroduceerd in Basel II. In Basel III zijn striktere eisen gesteld aan het kapitaal dat mag worden aangehouden. DNB houdt toezicht op het ICAAP proces. Wanneer DNB van mening is dat risico’s onjuist of in onvoldoende mate door de bank zijn meegenomen, dan kan zij een bank verplichten om bijvoorbeeld meer kapitaal aan te houden.

Hiernaast geeft de NVB aan dat DNB erop toe ziet dat banken voldoen aan de vereisten die zijn gesteld in de Europese Bankenrichtlijn en de aanvullende richtsnoeren van de European Banking Authority en maatregelen kan opleggen wanneer de kwaliteit van (of het aantal) medewerkers niet voldoende is.

Ten slotte stelt de NVB dat audit binnen de banken betrokken is bij de implementatie van nieuwe regelgeving zoals Basel III. Daarnaast worden in het tripartiete overleg nieuwe stijl (het overleg tussen DNB, financiële ondernemingen en de externe accountant), waarover de commissie De Wit schrijft in aanbeveling 27, risicoanalyses uitgewisseld. Audit speelt hierbij een grote rol. De Code Banken heeft ertoe geleid dat audit binnen een bank veel meer de aandacht heeft gericht op het risicomanagement.

4. Aanvulling en aanscherping Code Banken met betrekking tot beloningsbeleid

Ook deze aanbeveling heb ik onder de aandacht gebracht bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). In een reactie heeft de NVB aangegeven dat de huidige regelgeving reeds voorziet in de aanbeveling.

De NVB geeft aan dat de Regeling Beheerst Beloningsbeleid Wft 2011, die per 1 januari 2011 van kracht is, de Europese beloningsregelgeving implementeert.26

De regeling voorziet in een aanscherping van het beloningsbeleid en brengt deze meer in lijn met het risicoprofiel van een bank. DNB en AFM zien toe op de naleving van de regeling en hiermee op het beloningsbeleid van alle medewerkers van financiële ondernemingen, inclusief handelaren.

De NVB geeft tevens aan dat de bank medewerkers identificeert, in overleg met DNB, van wie de werkzaamheden het risicoprofiel van de financiële onderneming materieel beïnvloeden («identified staff»). Hierbij valt te denken aan medewerkers die een hogere leidinggevende, risiconemende of controlefunctie uitoefenen maar ook andere risk-takers die een vergelijkbare beloning ontvangen als senior management en bestuurders vallen onder de beloningsregels van DNB. De regeling voorkomt dat vormen van beloning worden toegekend die kunnen leiden tot het nemen van ongewenste en onverantwoorde risico’s.

Hiernaast stelt de NVB dat de Code Banken voorschrijft dat retentie-, exit en welkomstpakketten moeten worden getoetst en goedgekeurd door de raad van commissarissen. Gegarandeerde betalingen, waar retentie, exit- en welkomstpakketten vaak onder vallen, zijn in de Europese regelgeving niet toegestaan. Daarnaast heeft ook DNB te kennen gegeven extra aandacht te besteden aan «persoonlijke afspraken» en aanpassing van de variabele beloning aan lokale omstandigheden.

5. Beloningsbeperkingen bij staatsteun

Momenteel werk ik deze aanbeveling uit in regelgeving. Mijn doelstelling is de Tweede Kamer nog dit jaar een wetsvoorstel te doen toekomen. De maatregel zal zich richten op alle financiële instellingen die staatssteun ontvangen. De maatregel voorziet erin dat deze instellingen niet langer variabele beloningen kunnen toekennen of uitkeren wanneer zij steun ontvangen. Deze maatregel is gerechtvaardigd omdat het niet zo kan zijn dat een instelling, die vanwege de financiële stabiliteit staatssteun ontvangt, tijdens de steunperiode onbeperkt doorgaat met het toekennen en uitkeren van bonussen.

6. Versterking raad van commissarissen

De aanbeveling van de commissie De Wit dat bij de toetsing van de deskundigheid van commissarissen door de toezichthouders DNB en de AFM, de samenstelling en achtergrond van de gehele raad van commissarissen wordt meegenomen, waarbij onder andere gekeken wordt naar de kennis, expertise en de diversiteit van de verschillende commissarissen, heb ik ter harte genomen. In het thans voor behandeling bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel «geschiktheid»27 wordt voorgesteld om ook commissarissen te toetsen op geschiktheid. Onder geschiktheid wordt daarbij niet alleen verstaan de kennis en ervaring waarover de hiervoor bedoelde personen dienen te beschikken maar geschiktheid omvat tevens eisen aan de vaardigheden en het professionele gedrag van die personen. Ook geeft het begrip «geschikt» beter weer dat de samenstelling van het beleidbepalende of toezichthoudende orgaan waarvan de getoetste persoon onderdeel uitmaakt of beoogt onderdeel van uit te gaan maken een element is dat de toezichthouder in aanmerking neemt bij de toetsing van die persoon. De individuele kennis en vaardigheden van de getoetste persoon worden dan ook altijd bezien in samenhang met de kennis en vaardigheden van de andere «zittende» leden van het betrokken beleidbepalende of toezichthoudende orgaan. Dit komt tevens tot uitdrukking in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

7. Cultuur- en gedragsverandering in de financiële sector noodzakelijk

Ik acht deze aanbeveling van aanzienlijk belang om de soliditeit van de financiële sector te kunnen waarborgen. Voorop staat dat de financiële sector zelf deze wezenlijk veranderingen in cultuur en gedrag dient door te voeren. Een van de belangrijke pijlers hiervoor is de invoering van de Code Banken en Governance Principes Verzekeraars, en de verankering van deze code en governance principes in regelgeving.

Om de daadwerkelijke implementatie te verzekeren acht ik het monitoren van deze code en governance principes van groot belang. Recentelijk is een tussenrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken gepubliceerd, deze heb ik 23 september jl. naar uw Kamer verzonden. Uit deze rapportage blijkt dat de naleving van de code ten opzichte van de bevindingen in de op 2 december 2010 uitgebrachte Voorrapportage Implementatie Code Banken op het terrein van het beloningsbeleid aanzienlijk is verbeterd, maar dat er ook nog verbeteringen mogelijk zijn. Ik kijk dan ook uit naar de volledige rapportage die gepland staat voor het einde van dit jaar.

Om de cultuur- en gedragsverandering sectorbreed in te zetten zijn tevens twee recente ontwikkelingen van belang. Ten eerste is per 1 september 2011 de Monitoring Commissie Governance Principes Verzekeraars van start gegaan om de Governance Principes Verzekeraars te monitoren. De wettelijke verankering van deze Governance Principes Verzekeraars is tevens per 1 september 2011 vastgelegd. Deze commissie zal in december 2011 voor het eerst rapporteren. Ten slotte is recentelijk begonnen met het ontwikkelen van een code voor vermogensbeheerders (zie de reactie op aanbeveling 8 van de commissie De Wit).

8. Code(s) voor andere financiële instellingen wenselijk

Deze aanbeveling heb ik expliciet onder de aandacht gebracht bij de «Dutch Fund and Asset Management Association» (DUFAS) en de pensioenfederatie, laatstgenoemde in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. DUFAS werkt momenteel aan het opstellen van een code voor vermogensbeheerders. Daarnaast zijn de Governance Principes Verzekeraars per 1 september 2011 wettelijk verankerd. Verzekeraars dienen als gevolg daarvan in hun jaarverslag te rapporteren over de naleving van de governance principes. Tevens is door mij, in samenspraak met de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, een monitoring commissie ingesteld om de naleving te volgen en eventueel aanbevelingen te doen.

9. Verantwoord aandeelhouderschap

In de kabinetsreactie op het rapport van de commissie De Wit is een separate brief toegezegd over het onderwerp «belonen van langetermijnaandeelhouders». Dit mede in het licht van de motie van de leden Van Geel, Hamer en Slob.28

De minister van Veiligheid en Justitie heeft hier met zijn brief van 28 april 2011 uitvoering aan gegeven.29 In deze brief heeft de minister van Veiligheid en Justitie aangegeven verschillende deskundigen en Kamerleden uit te nodigen voor een rondetafelgesprek. Dit rondetafelgesprek zal naar verwachting in november 2011 plaatsvinden. De minister van Veiligheid en Justitie zal de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van het rondetafelgesprek.

10. Regelgeving bij voorkeur mondiaal of Europees, indien nodig en mogelijk nationaal

In lijn met de aanbeveling van de commissie De Wit heeft bij de regulering van de financiële sector een Europese en mondiale aanpak ook mijn voorkeur. Op deze manier is het waarborgen van de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelstel het beste gediend en dit komt ook het gelijk speelveld ten goede.

Nederland draagt, via inbreng in diverse Europese en internationale fora, hier ook significant aan bij. Daarnaast stuurt de regering de Tweede Kamer bij nieuwe commissievoorstellen BNC-fiches (Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen). In een BNC-fiche geeft de regering een eerste oordeel over het Commissievoorstel. De BNC-fiches vormen de inzet voor de Nederlandse onderhandelingen in Brussel.

Conform de aanbeveling van de commissie De Wit zal ik op nationaal niveau wet- en regelgeving ontwikkelen, wanneer een gewenste aanpassing in mondiaal of Europees verband niet of onvoldoende kan worden gerealiseerd. Een goed voorbeeld hiervan is de thans in voorbereiding zijnde Interventiewet. Hierbij lopen we als Nederland op bepaalde onderdelen vooruit op het in voorbereiding zijnde richtlijnvoorstel van de Europese Commissie voor een raamwerk voor crisismanagement. Dit, omdat het richtlijnvoorstel op zich laat wachten en wij het voor Nederland belangrijk vinden dat de materie zo spoedig mogelijk wordt geregeld.

Tot slot is met de komst van cross border stability groups op Europees niveau en crisis management groups als internationale tegenhanger hiervan, een eerste stap in de richting van meer burden sharing gezet. Met deze instituties die worden opgezet voor grote, vaak systeemrelevante banken die in meerdere landen actief zijn, is er een forum waarop toezichthouders en vertegenwoordigers van ministeries van Financiën elkaar met enige regelmaat spreken en waarin afspraken zullen worden gemaakt over hoe te handelen in crisissituaties.

11. Geleidelijke verhoging minimum-kapitaalseisen met cyclusreserve

De uitwerking van deze aanbeveling zal ik meenemen in het voorstel van Capital Requirements Directive IV («CRD IV»), dat 20 juli 2011 door de Europese Commissie gepresenteerd is. Het onderhandelingstraject aangaande deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal dit najaar plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

12. Afstand nutsbankactiviteit en zakenbankactiviteiten binnen een instelling

In vervolg op deze aanbeveling heb ik de Tweede Kamer (en tegelijk ook de Eerste Kamer, na een toezegging hierover op 10 mei jl. tijdens het debat over de Wijzigingswet financiële markten 2010) op 8 juli 2011 een nota gestuurd.30 In deze nota ga ik uitgebreid in op de vraag hoe om te gaan met nuts- en zakenbankactiviteiten binnen een financiële instelling. In deze nota wordt een actieplan geschetst om zorg te dragen dat banken scheidbaar zijn zodat zij in perioden van crises gescheiden kunnen worden (met de mogelijkheid DGS af te schermen bij faillissement/DGS «ringfence ready»).

13. Beoordeling financiële stabiliteit bij overnames en fusies

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn deelnemingen in de financiële sector in de Tweede Kamer, heb ik toegezegd dat ik aan de Europese Commissie de opvatting van de Kamer zal overbrengen dat het wenselijk is een expliciete toets van te verwerven deelnemingen en overnames op macroprudentiële aspecten op te nemen in de Europese regelgeving die daarop betrekking heeft.

Uit ambtelijk contact tussen het ministerie van Financiën en de Europese Commissie ter zake blijkt dat de Commissie de evaluatie van de toetsingsgronden in de richtlijn, die op grond van de richtlijn dient te worden verricht,31 binnenkort zal aanvangen. In deze evaluatie zal ik de opvatting van de Kamer bij de Commissie aan de orde stellen.

14. Uitbreiding interventie-instrumentarium («interventieladder»)

Uit de financiële crisis en de turbulente ontwikkelingen van de afgelopen jaren is de les getrokken dat het bestaande instrumentarium om problemen in de financiële sector het hoofd te bieden in bepaalde gevallen tekortschiet. Met betrekking tot de uitbreiding van dit interventie-instrumentarium en bij de versterking van het crisismanagement in het algemeen sta ik een gefaseerde benadering voor.

Het wetsvoorstel uit de eerste fase, de Interventiewet, zal ik naar verwachting in oktober 2011 bij de Tweede Kamer indienen. De Interventiewet voorziet in de volgende aanvulling van het instrumentarium:

Ordentelijke afwikkeling probleeminstellingen: DNB kan ten aanzien van een bank of verzekeraar in problemen een plan voorbereiden tot overdracht van deposito’s, activa of passiva, of aandelen aan een derde partij.

Stabiliteit financiële stelsel: de minister van Financiën kan met het oog op de stabiliteit van het financiële stelsel onmiddellijke voorzieningen treffen ten aanzien van een financiële onderneming of, als ultimum remedium, de financiële onderneming onteigenen.

Rechten van wederpartijen (zogeheten «trigger events»): rechten die wederpartijen na een overdrachtsplan van DNB of een besluit van de minister van Financiën kunnen uitoefenen worden beperkt.

Voor de tweede fase van de uitbreiding van het interventie-instrumentarium zijn voorzien: de vormgeving van de interventieladder en de versterking van de aanwijzingsbevoegdheid en (stille) curator.

15. Europees depositogarantiestelsel met risicogerelateerde, ex ante financiering

Op 16 juni 2011 hebben de lidstaten in COREPER een compromis bereikt over een zogenoemde algemene oriëntatie (general approach) over wijziging van de Richtlijn inzake Depositogarantiestelsels (DGS). Met deze wijziging van de Richtlijn moeten de verschillende stelsels meer worden geharmoniseerd en meer solide financiering krijgen. De triloog met de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad volgt nu.

De Nederlandse wijziging van de financiering van het Nederlandse DGS (van enkel ex post omslag naar een ex ante gefinancierd stelsel) zal naar verwachting begin 2012 bij de Tweede Kamer worden voorgehangen.

16. Bankenheffing

Op dit moment is een wetsvoorstel «Wet bankenbelasting» in voorbereiding. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting eind 2011 ingediend worden bij de Tweede Kamer. De voorwaarden zoals beschreven in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie De Wit worden daarbij in acht genomen. Zo wordt het gelijk speelveld gewaarborgd, doordat acht andere Europese landen een vergelijkbare heffing kennen. Ook bij de grondslag en tariefstelling wordt gekeken naar het speelveld waarin Nederlandse banken concurreren. De grondslag op basis van ongedekt vreemd vermogen zal conform de aanbeveling van de commissie De Wit een risicoweging bevatten. Tevens wordt er bij de vormgeving van de bankenbelasting, conform de aanbeveling van de commissie De Wit, gelet op onnodige stapelingseffecten.

17. Verzwaarde parlementaire controle op de hervorming van de financiële sector

De beleids- en wetgevingsbrief financiële markten, samen met de wetgevingsbrieven van de toezichthouders, zal ik in oktober naar het parlement zenden. Hierin ga ik ondermeer in op de samenhang tussen de verschillende maatregelen en expliciteer ik op welke punten wet- en regelgeving een uitwerking is van specifieke aanbevelingen van de commissie De Wit. Daarnaast informeer ik de Kamer uiteraard separaat regelmatig over specifieke beleidsterreinen en wetgevingstrajecten op het terrein van de financiële markten. Voorts bereid ik jaarlijks (pakketten van) wetgeving op het terrein van de financiële markten voor die op vaste momenten bij de Tweede Kamer kunnen worden waardoor ook de behandeling van wetsvoorstellen efficiënt en op één moment kan plaatsvinden. Eind mei jl. heb ik het eerste pakket aan wetgeving bij de Tweede Kamer ingediend. Een tweede pakket aan wetgeving op het terrein van de financiële markten zal ik naar verwachting in oktober bij de Tweede Kamer indienen.

18. Transparantie van buitenparlementaire beïnvloeding en lobbyactiviteiten

De aanbeveling richt zich tot de Kamer. Het kabinet onderschrijft het belang van transparante verantwoording. Transparantie is ook binnen de organisatie van het ministerie van Financiën een continue aandachtspunt. Op verzoek van het vorige kabinet heeft een rijksbreed tweejarig experiment met internetconsultatie plaatsgevonden. Uit dit experiment is gebleken dat internetconsultatie de transparantie van het wetgevingsproces vergroot, de mogelijkheden voor publieke participatie verbetert en een bijdrage levert aan de kwaliteit van regelgeving. Het kabinet heeft besloten dat consultatie door de overheid via internet vaker dient te worden ingezet bij de voorbereiding van voorstel voor regelgeving. Het is vooral een nuttig instrument bij regelgeving die veel veranderingen brengt in rechten en plichten voor burgers, bedrijven of instellingen of die grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Bij de voorbereiding van wetten algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen dient telkens te worden bepaald of internetconsultatie meerwaarde biedt en een effectieve methode is om doelgroepen van een regeling te bereiken. Dit sluit aan bij het kabinetsstandpunt over het Integraal Afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) waarin onder meer staat dat voorstellen een adequaat antwoord moeten bevatten op de vraag «wie zijn betrokken».

19. Toezicht op Europees niveau versterken

Per 1 januari 2011 zijn middels een aantal verordeningen drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten opgericht: i) de Europese Bankenautoriteit (EBA), ii) de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en iii) de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Ook is er een Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) opgericht.22 Deze toezichthouders moeten bijdragen aan de stabiliteit, eenheid en doeltreffendheid van het financiële stelsel in Europa.

Daarnaast heeft de Europese Commissie een richtlijn opgesteld: de Omnibusrichtlijn.32 Deze richtlijn dient om een passende reikwijdte te geven aan de nieuwe bevoegdheden van bovenstaande toezichthouders. Ook zijn in de richtlijn bepalingen opgenomen over de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen nationale toezichthouders onderling en de informatie-uitwisseling met de bovenstaande nieuwe EU-toezichthouders.

Het wetsvoorstel dat deze Omnibusrichtlijn implementeert in nationale regelgeving is, tezamen met een uitgebreide algemene toelichting op het nieuwe EU-toezichtraamwerk, in oktober 2011 bij uw Kamer ingediend33.

20. Meer transparantie in de uitvoering van het toezicht

De commissie De Wit geeft in haar rapport aan dat meer transparantie bij de uitoefening van het financieel toezicht in Nederland wenselijk is. Conform deze wens, zijn mijn ambtenaren gesprekken aangegaan in Brussel om te pleiten voor een verruiming van het wettelijk vertrouwelijkheidregime. Hierbij stond de vraag centraal hoe om te gaan met de plicht om enerzijds toezichtvertrouwelijke informatie vertrouwelijk te houden en anderzijds publieke organen de reële mogelijkheid te geven om (democratische) controle uit te kunnen oefenen. De ambtelijke diensten van de Europese Commissie hebben begrip voor dit vraagstuk getoond en inmiddels heeft de Europese Commissie in het onlangs gepubliceerde voorstel van Capital Requirements Directive IV («CRD IV») een bepaling opgenomen die een verruiming van het vertrouwelijkheidregime behelst. De Commissie stelt voor dat vertrouwelijk kennisgenomen zou mogen worden van prudentiële toezichtinformatie ten behoeve van controle op het financieel toezicht door bijvoorbeeld parlementaire enquêtecommissies en ander instituten belast met onderzoek, zoals Rekenkamers. Het onderhandelingstraject aangaande deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal dit najaar plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

21. Nauwere samenwerking toezichthouders en ombudsman financiële dienstverlening

In de eerste helft van 2011 heb ik een verkenning uitgevoerd naar een mogelijke publiekrechtelijke status van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Bij brief van 30 juni 201134 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.

Zoals in deze brief is aangegeven, ben ik voornemens om in te zetten op een private optie met publiekrechtelijke waarborgen, onder de voorwaarde dat Kifid voor 1 oktober 2011 overgaat tot aanpassing van de statuten. Deze keuze is gebaseerd op het feit dat dit scenario het snelst vruchten kan afwerpen, niet op gespannen voet staat met het streven van een compacte rijksoverheid en met significant minder administratieve lasten gepaard gaat, terwijl tegelijkertijd de onafhankelijkheid op even adequate wijze als bij de publiekrechtelijke variant wordt gewaarborgd, onder meer door nieuwe vergaande bevoegdheden ten aanzien van de benoeming van bestuursleden, de Ombudsman van Kifid en goedkeuring van de begroting.

Wel zal ik de uitwerking hiervan na twee jaar evalueren. Daarbij zal ik met name focussen op de doelstellingen van onafhankelijke geschillenbeslechting en het tegengaan van versnippering. Mochten de uitkomsten van deze evaluatie daartoe aanleiding geven, kan alsnog worden gekozen voor een publiekrechtelijke oplossing.

Ik zal in het vervolgtraject de verschillende belanghebbende partijen blijven betrekken, waaronder de AFM. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de transparantie van de geschillenbeslechting, waaronder de informatie-uitwisseling van Kifid met de toezichthouders.

22. Toezicht op buiten toezicht vallende instellingen en markten

In de kabinetsreactie op het rapport van de commissie De Wit is aangegeven dat het kabinet een groot voorstander is van een dekkend stelsel van toezicht. Hierbij is specifiek ingegaan op drie aandachtspunten, namelijk (a) kredietbeoordelaars, (b) hedgefondsen en (c) «over-the-counter» (OTC) handel van derivaten. De ontwikkelingen op deze drie terreinen zijn als volgt:

  • a) kredietbeoordelaars: er is inmiddels een groot aantal maatregelen getroffen ten aanzien van kredietbeoordelaars. Zo is in 2009 via een Europese Verordening toezicht op kredietbeoordelaars door nationale toezichthouders ingevoerd en zijn uitgebreide transparantieverplichtingen aan de kredietbeoordelaars opgelegd alsmede maatregelen getroffen om belangenconflicten tegen te gaan. Vanaf 1 juli 2011 houdt de Europese toezichthouder voor de effectenmarkt, de European Securities and Markets Authority (ESMA), ingevolge de tweede generatie van de CRA-verordening (CRA II) direct toezicht op kredietbeoordelaars (met een delegatiemogelijkheid naar nationale toezichthouders).

    Deze positieve maatregelen moeten de kans krijgen om daadwerkelijk effect te sorteren. Hier blijft het echter niet bij. De Europese Commissie werkt momenteel aan een voorstel tot verdere aanscherping van de regels voor kredietbeoordelaars en zal deze naar verwachting in de tweede helft van 2011 openbaar maken.

  • b) hedgefondsen: hedgefondsen en andere beleggingsinstellingen komen onder toezicht te staan door de implementatie van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Deze richtlijn ziet op alle beheerders van beleggingsinstellingen, voor zover het geen instellingen voor collectieve belegging in effecten betreft. Het betreft zowel gedragstoezicht (onder andere transparantie-eisen) als prudentieel toezicht (onder andere vermogenseisen). Deze richtlijn moet uiterlijk 22 juli 2013 zijn geïmplementeerd. Op 18 augustus 2011 is de consultatie van de implementatieversie van het wetsvoorstel gestart.

  • c) over-the-counter (OTC) handel: het Commissievoorstel voor regulering van (OTC)-derivaten transacties en toezicht op centrale tegenpartijen en transactieregisters bevindt zich momenteel in een vergevorderd stadium. Het voorstel is begin oktober 2011 in de Ecofin behandeld. Het voorstel zal naar verwachting begin 2013 worden ingevoerd. Hiermee zal aan de deadline van de G-20 worden voldaan.

    Na invoering van dit wetsvoorstel zullen alle OTC-derivaten, die daarvoor in aanmerking komen, verplicht centraal moeten worden afgewikkeld. Dit om tegenpartij risico voor individuele marktpartijen beter te beheersen en het systeemrisico te verlagen. Tevens zullen alle derivatenposities verplicht moeten worden gemeld aan centrale transactieregisters. Hiermee zullen toezichthouders een beter beeld van de markt krijgen en in de toekomst beter kunnen beoordelen waar zich risicovolle derivatenposities bevinden.

    Het toezicht op centrale tegenpartijen zal waarschijnlijk worden neergelegd bij de relevante nationale toezichthouders. ESMA zal een coördinerende rol spelen. Nederland pleit ervoor zoveel mogelijk coördinerende bevoegdheden aan ESMA te geven. Hierover wordt momenteel nog onderhandeld tussen de lidstaten. Het toezicht op de transactieregisters zal hoogstwaarschijnlijk geheel worden uitgevoerd door ESMA.

23. Toezicht en handhavingsinstrumenten verbeteren

De commissie De Wit heeft terecht gewezen op de noodzaak om zowel op Europees als nationaal het toezicht te verbeteren.

Het kabinet zet zich actief in om de reguliere microprudentiële eisen aan financiële instellingen en het aan de toezichthouder beschikbare instrumentarium indien er moet worden ingegrepen, te verbeteren (zie hierbij de reacties op aanbevelingen 11 en 14 van de commissie De Wit). Onderdeel van de verbetering van de micro-prudentiële eisen vormen twee nieuwe liquiditeitsratio’s die het Bazels comité heeft voorgesteld en die in de Europese kapitaalrichtlijn «Capital Requirements Directive IV» («CRD IV») wettelijk zullen worden verankerd. Het voorstel CRD IV is op 20 juli 2011 door de Europese Commissie gepresenteerd. Het onderhandelingstraject aangaande deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal najaar 2011 plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

Ook heeft de commissie De Wit aangegeven dat het wenselijk wordt geacht dat de toezichthouders DNB en de AFM vanuit hun eigen verantwoordelijkheid in hun toezicht ook een oordeel geven over de opzet en werking van het productgoedkeuringsproces van financiële instellingen.

In vervolg op deze aanbeveling heeft uw Kamer de motie van het lid Plasterk c.s.35 aangenomen waarin wordt verzocht om een wettelijke verankering van bevoegdheden van de AFM, zodat deze effectief kan toezien op de wijze waarop vorm wordt gegeven aan het beleid inzake de ontwikkeling van financiële producten.

Ik heb hierop aangegeven aan deze wens van de Kamer te zullen voldoen. Hiertoe is de afgelopen maanden intensief overleg gevoerd met DNB en de AFM. Dit overleg heeft geresulteerd in een aantal voorgenomen wetswijzigingen. Deze wijzigingen zullen worden opgenomen in conceptwetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2013. Dit wetsvoorstel zal in het voorjaar van 2012 aan de Tweede Kamer worden gestuurd. De voorgestelde wijziging zal primair toepassing krijgen in het gedragstoezicht van de AFM. In aanvulling daarop zal DNB de rol van het productontwikkelingsproces in haar prudentieel toezicht incorporeren via een beleidsregel.

De wijziging zal worden doorgevoerd in de reeds bestaande grondslagen voor toezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering. De focus van de voorgenomen wijziging ligt op de consumentenmarkt en is qua reikwijdte in beginsel gericht op alle financiële ondernemingen die op deze consumentenmarkt producten aanbieden. In aanvulling hierop is het van belang om te vermelden dat op Europees niveau momenteel wordt gesproken over vergelijkbare maatregelen.

In de komende maanden zal in samenwerking met de AFM nadere regelgeving met betrekking tot het productontwikkelingsproces op het niveau van een algemene maatregel van bestuur worden uitgewerkt. Deze regels zullen in het voorjaar van 2012 worden geconsulteerd in het voorgenomen Wijzigingsbesluit financiële markten 2013.

24. Vergroten reikwijdte toezicht: optrekken financiële grens vergunningsplicht

Inmiddels heb ik de in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie De Wit aangekondigde voornemens ter realisatie van het optrekken van de grens van de prospectusplicht geadresseerd. De verdubbeling van de 50 000 euro grens is opgenomen in de Wijzigingswet Financiële Markten 2010. Deze wijziging zal per 1 januari 2012 in werking treden.

Daarnaast is – conform de kabinetsreactie – de 2.5 miljoen euro grens gehandhaafd. Voorts is het wetsvoorstel met betrekking tot de implementatie van de herziene Prospectusrichtlijn, waaronder (het doortrekken van) de vrijstellingsgrens van 100 000 euro bij het aanbieden van deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen en beleggingsobjecten, onlangs bij de Tweede Kamer ingediend.

25. Interne verbetering van de toezichthouders

De commissie De Wit heeft aangeven dat ook bij de financiële toezichthouders zelf veranderingen en verbeteringen noodzakelijk zijn. Daarbij beveelt de Commissie aan dat de toezichthouders aan kritische introspectie doen en naar de cultuur binnen hun organisatie moeten kijken. Hieraan kan het periodiek inhuren van externe kennis bijdragen. In reactie op deze aanbeveling heeft zich inmiddels in dit kader een aantal ontwikkelingen voorgedaan.

In november en december 2010 heeft het IMF een onderzoek bij beide toezichthouders uitgevoerd. Aan de hand van het zogenaamde Financial Sector Assessment Program (FSAP) heeft het IMF beoordeeld hoe het toezicht in Nederland is ingericht en wordt uitgevoerd. Een reactie op deze FSAP-evaluatie heb ik 22 juni 2011 aan de Tweede Kamer gestuurd.36

Daarnaast heeft DNB, zoals voorzien in het plan van aanpak Cultuurverandering37, sinds 1 januari 2011 een «interventie en handhavingteam». In dit multidisciplinaire team is de kennis over toezichtinterventies gebundeld. Het team adviseert de toezichtteams bij de noodzakelijke interventies in probleemdossiers en bewaakt dat met de interventie het gewenste resultaat wordt geboekt. Bij onvoldoende resultaat worden gerichte handhavingsinstrumenten ingezet. Het interventieteam is in dat geval verantwoordelijk voor het zo nodig opleggen van formele maatregelen. In ernstige of urgente gevallen voert het team de regie over de interventie.

In januari 2011 is de Tweede Kamer gerapporteerd over de uitvoering van het Plan van Aanpak Cultuurverandering.38

Tot slot heeft de Algemene Rekenkamer de afgelopen tijd onderzoek gedaan naar de wijze waarop DNB toezicht houdt op de stabiliteit van banken. De publicatie van het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake het «Toezicht van DNB op de stabiliteit van banken» wordt begin november 2011 verwacht.

26. Aansprakelijkheid toezichthouders aanpassen

Bij de vormgeving van de wettelijke beperking wordt een beperking voorgesteld tot opzet dan wel grove schuld. Dit criterium zorgt voor een betekenisvolle wettelijke beperking van de aansprakelijkheid welke beoogt in lijn met de aanbeveling van de commissie De Wit een hogere drempel voor aansprakelijkheid van de toezichthouders op te werpen. De reikwijdte sluit bovendien aan bij het aansprakelijkheidsregime in de ons omringende landen. Het wetsvoorstel aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM zal ik naar verwachting in 2011 bij de Tweede Kamer indienen.

27. Verbetering taak van accountants

In de onlangs aan uw Kamer gezonden gecombineerde reactie op het evaluatie onderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk39 ben ik ingegaan op de aanbeveling van commissie De Wit tot verbetering van de taak van accountants en de wijze waarop hieraan opvolging wordt gegeven. Hierin heb ik onder meer aangegeven dat ik de door de accountantsberoepsgroep in het door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) op 22 november 2010 gepresenteerde plan van aanpak «Lessen uit de kredietcrisis» voorgestelde verbeteringen van de accountancy ondersteun. Aan deze gepresenteerde voorstellen wordt grotendeels door de beroepsorganisatie zelf en door haar achterban uitvoering gegeven. Daarnaast vereist een aantal voorstellen aanpassing van bestaande wetgeving. In de hiervoor genoemde gecombineerde reactie heb ik mijn beleidsvoornemens hieromtrent op een rij gezet.

Bijlage II Voortgang aangenomen moties

Motie n.a.v. De Wit (31 980 nr.)

Stand van zaken uitvoering

19.

Gesprekken met NVB aangaan om voorstellen te bezien om spaargeld uit DGS geen risico te laten lopen door zakenbankactiviteiten.

Ik heb de Eerste Kamer en de Tweede Kamer op 8 juli 2011 een uitgebreide nota hierover gestuurd (Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 51). In deze nota ga ik uitgebreid in op de vraag hoe om te gaan met nuts- en zakenbankactiviteiten binnen een financiële instelling.

20.

Actieve inzet herziening strikte geheimhoudingsplicht.

De Europese Commissie heeft in het op 20 juli 2011 gepubliceerde voorstel van Capital Requirements Directive IV («CRD IV») een bepaling opgenomen die een verruiming van het vertrouwelijkheidregime behelst. De Commissie stelt voor dat vertrouwelijk kennisgenomen zou mogen worden van prudentiële toezichtinformatie ten behoeve van controle op het financieel toezicht door bijvoorbeeld parlementaire enquêtecommissies en ander instituten belast met onderzoek, zoals Rekenkamers. Het onderhandelingstraject aangaande deze richtlijn in de Europese Raad en het Europees Parlement zal najaar 2011 plaatsvinden. De geplande inwerkingtreding van de richtlijn is 1 januari 2013.

22.

Als naleving van de beloningbepalingen uit de Code Banken onvoldoende is en de toezichthouders niet hebben ingegrepen dan maatregelen overwegen en TK informeren.

Uit de onlangs aan u toegestuurde tussenrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken blijkt dat de naleving van de beloningsparagraaf behoorlijk is, en dat het overgrote deel van de banken de principes naleeft. Op basis van de rapportage van de commissie, en gegeven de bestaande regelgeving, constateer ik dat vooralsnog geen aanleiding bestaat voor extra maatregelen, anders dan de reeds aangekondigde maatregelen die ik momenteel ontwikkel. Voor een verdere inhoudelijke reactie verwijs ik naar de bovenliggende brief.

24.

Passende maatregelen regering zodat banken de Code Banken kunnen aanvullen en de Kamer voor september 2011 informeren over de implementatie van deze maatregelen.

Deze motie, en aanbeveling 4 en 5 van de Commissie De Wit, heb ik nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). In een reactie heeft de NVB mij laten weten op dit moment geen reden tot aanpassing van de Code Banken te zien. Enerzijds omdat de regelgeving voorziet in de aanbevelingen, en anderzijds omdat de NVB de rapportage van eind dit jaar van de Monitoring Commissie Code Banken over het functioneren van de gehele code wil afwachten.

25.

Voor 1 mei 2011 met concrete voorstellen te komen waarbij voorstellen worden gedaan om aandeelhouders langere tijd aan een vennootschap te kunnen binden.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft in zijn brief van 28 april 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 48) aangegeven verschillende deskundigen en Kamerleden uit te nodigen voor een rondetafelgesprek. Dit rondetafelgesprek zal naar verwachting in november 2011 plaatsvinden. De minister van Veiligheid en Justitie zal de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van het rondetafelgesprek.

26.

Voorbereiding wetgeving om bepalingen uit de Code Banken indien mogelijk op zeer korte termijn wettelijk te kunnen verankeren wanneer onvoldoende is voldaan aan aanbeveling 2 van Cie De Wit.

Onlangs heb ik de Tweede Kamer de tussenrapportage van de Monitoring Commissie Code Banken gestuurd over de naleving van de beloningsparagraaf uit de Code Banken. Uit de rapportage blijkt dat de banken in de afgelopen tijd grote stappen hebben gezet, en dat het overgrote deel van de instellingen de principes over het algemeen naleeft. Ik vertrouw er op dat deze stijgende lijn zich zal voort zetten, en dat ook het kleine deel dat nu nog niet volledig compliant is, de principes in de komende maanden zal gaan toepassen. Indien de Monitoring Commissie in komende rapportages onvoldoende vorderingen constateert behoud ik mij de mogelijkheid voor om met nadere regelgeving te komen.

Ten slotte houdt DNB toezicht op de naleving van de Regeling beheerst beloningsbeleid. Bij niet naleving van deze regels kan DNB gebruiken maken van de instrumenten waarover zij op basis van de Wft beschikt.

27.

Jaarlijkse rapportage door CPB en DNB gezamenlijk.

Ik heb de Tweede Kamer per brief van 5 juli 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 50) geïnformeerd dat ik het verzoek voor een gezamenlijke rapportage door CPB en DNB (over internationale en nationale macro-economische ontwikkelingen in samenhang met ontwikkelingen in de financiële sector) aan CPB en DNB heb voorgelegd. CPB en DNB werken momenteel aan de vormgeving en timing van hun rapportages, waarover zij binnenkort aan de minister van EL&I en mij verslag zullen uitbrengen; zo gauw als deze informatie is ontvangen, zal ik dit aan uw Kamer laten weten.

28.

Zorgen dat nummerportabiliteit zo snel mogelijk wordt ingevoerd en de Kamer voor het zomerreces informeren over de stappen die hiertoe worden genomen.

In de Payments Committee van 31 maart 2011 heeft Nederland nummerportabiliteit onder de aandacht gebracht. Inmiddels heb ik de Kamer op 5 juli 2011, bij het toesturen van de jaarrapportage van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) over 2010, geïnformeerd over de laatste stand van zaken. In deze brief heb ik ook aangegeven dat de NVB en de Consumentenbond dit jaar de Overstapservice opnieuw evalueren, waarbij het MOB als klankbord zal fungeren voor het eindrapport. Uiteraard zal ik de Kamer informeren wanneer dit eindrapport beschikbaar is.

30.

Alle bonussen bij staatsgesteunde instellingen vanaf 2008 eenmalig tegen 100% belasten, of aftrek totale bonusbedrag in de vennootschapsbelasting weigeren.

Zoals eerder aangegeven zal ik maatregelen treffen om te voorkomen dat bonussen kunnen worden uitgekeerd of toegekend bij staatsgesteunde instellingen (zie ook de reactie op aanbeveling 5 van de commissie De Wit). Ik verwacht de Tweede Kamer nog dit jaar een wetsvoorstel toe te kunnen zenden.

33.

Oproep financiële instellingen om gedragscodes op te stellen.

Deze motie heb ik expliciet onder de aandacht gebracht bij de «Dutch Fund and Asset Management Association» (DUFAS) en de pensioenfederatie, laatstgenoemde in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

DUFAS werkt momenteel aan het opstellen van een code voor vermogensbeheerders.

Verder zijn de Governance Principes Verzekeraars per 1 september 2011 wettelijk verankerd en is door mij, in samenspraak met de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, een monitoring commissie ingesteld om de naleving hiervan te volgen en eventueel aanbevelingen te doen.

34.

Halfjaarlijkse voortgangsrapportage aan de Kamer over de implementatie van de aanbevelingen van de commissie De Wit.

De eerste voortgangsrapportage stuur ik in oktober 2011 aan de Kamer, als onderdeel van de beleids- en wetgevingsbrief op het terrein van de financiële markten. De tweede halfjaarlijkse voortgangsrapportage over de implementatie van de aanbevelingen van de commissie De Wit, de aangenomen moties in dat verband en het Actieplan financiële sector zal ik de Kamer in het voorjaar van 2012 doen toekomen.

35.

Creëren van wettelijke bevoegdheid voor de AFM voor toezicht op het beleid inzake de ontwikkeling van financiële producten.

De afgelopen maanden heb ik overleg gevoerd met DNB en de AFM over de verankering van toezicht op het beleid inzake de ontwikkeling van financiële producten. Uitkomst is dat deze wijziging zal worden doorgevoerd in de reeds bestaande grondslagen voor toezicht op beheerste en integere bedrijfsvoering (via de voorgenomen Wijzigingswet financiële markten 2013). In de komende maanden zal in samenwerking met de AFM deze wettelijke verankering nader worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Deze lagere regelgeving zal in het voorjaar van 2012, via het voorgenomen Wijzigingsbesluit financiële markten 2013, openbaar worden geconsulteerd.

37.

Wettelijke verankering van de koppeling van de bankierseed aan de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsing van DNB.

De moreel-ethische verklaring zal worden verankerd in regelgeving. Over de wijze waarop dit geregeld zal worden ben ik in overleg met de toezichthouders.

Bijlage III Voortgang Actieplan financiële sector

Maatregel/traject

Stand van zaken

1. Crisisinterventiewetsvoorstel: verbetering interventie-instrumentarium DNB/overheid bij banken in serieuze problemen

Een wetsvoorstel ter verbetering van het interventie-instrumentarium van DNB en de overheid bij banken in serieuze problemen (de Interventiewet) zal ik naar verwachting in oktober 2011, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer indienen.

2. Invoering bankenheffing voor depositogarantiefonds

Naar verwachting zal ik begin 2012 een wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft en van het Besluit prudentiële regels Wft in verband met de wijziging van de financiering van het depositogarantiestelsel bij de Tweede Kamer voorhangen.

3. Invoering bankenbelasting

Op dit moment heb ik een wetsvoorstel ter invoering van een bankenbelasting in voorbereiding (Wet bankenbelasting). Dit wetsvoorstel zal naar verwachting eind 2011 ingediend worden bij de Tweede Kamer. Het zal een belasting worden voor de bancaire sector op basis van ongedekt vreemd vermogen.

4. Verankering bankierseed

De moreel-ethische verklaring zal worden verankerd in regelgeving. Over de wijze waarop dit geregeld zal worden ben ik in overleg met de toezichthouders.

5. Beperking aansprakelijkheid DNB/AFM

Een wetsvoorstel ter beperking van de aansprakelijkheid van DNB en de AFM (Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en de AFM) zal ik naar verwachting in oktober 2011, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer indienen.

6. Herziening bekostigingssystematiek

Een wetsvoorstel ter herziening van de bekostigingssystematiek (Wet bekostiging financieel toezicht) zal ik naar verwachting in oktober 2011, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer indienen.

7. Verbetering geschiktheid-

/betrouwbaarheidstoets

Het wetsvoorstel ter verbetering van de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets heb ik eind mei, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer ingediend (kamerstukken II 2010/11, 32 786, nr. 2). Op 24 oktober 2011 zal er hierover een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

8. Aanscherping ken-uw-klant procedures

De aanscherping van de ken-uw-klant procedures is inmiddels verwerkt in een concept wetsvoorstel tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, dat onlangs openbaar is gemaakt ter consultatie. De consultatiereacties worden nu verwerkt.

Ik verwacht in het voorjaar van 2012 het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te kunnen zenden. In het concept wetsvoorstel is o.a. expliciet gesteld dat instellingen moeten letten op zogenoemde stroman constructies: Bekend is dat criminelen voor het witwassen van geld vaak derden inzetten als «stromannen». Verder is verduidelijkt dat het land van vestiging van een cliënt aanleiding kan zijn voor verscherpt cliëntenonderzoek. Daarbij gaat het met name om landen waar wetgeving of toezicht inzake witwassen en financieren van terrorisme ontbreekt.

9. Verbeteren vakbekwaamheid in de financiële dienstverlening

– Bij brief van 2 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 545, nr. 3) heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn voornemen om de eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van financieel dienstverleners aan te scherpen. Momenteel werk ik aan de uitwerking van de in deze brief opgenomen voorstellen.

– Op dit moment zijn grote financieel dienstverleners vrijgesteld van een diplomaplicht voor hun medewerkers en is het ook bij kleine financieel dienstverleners niet verplicht dat alle adviseurs een relevant diploma hebben. De belangrijkste voorziene aanscherping betreft het invoeren van een diplomaplicht voor alle adviseurs, ongeacht waar deze werkzaam zijn. Dit zijn de personen binnen de financieel dienstverlener die zich bezig houden met het adviseren van financiële producten aan onder andere consumenten. Het belang van deskundig advies en de wens om te komen tot een gelijk speelveld tussen grote en kleine ondernemingen staan hierbij voorop.

– Ik ben in gesprek met de AFM, het CDFD en relevante stakeholders om te komen tot een goede en werkbare invulling van deze diplomaplicht en de daaraan gekoppelde inhoudelijke diploma-eisen en wijze van examinering.

– Het voornemen tot invoering van de diplomaplicht zal deels worden vervat in een wijzigingsvoorstel van de algemene norm ten aanzien van vakbekwaamheid zoals opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (voorgenomen wetsvoorstel Wijzigingswet Financiële Markten 2013).

– De nadere uitwerking hiervan wordt in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft neergelegd. Voordat ik tot uitwerking op besluitniveau overga, zal ik uw Kamer over betreffende voorstellen informeren.

10. Provisieverbod beleggingsondernemingen

– Nederland zet in op een provisieverbod voor beleggingsondernemingen op Europees niveau. Om te waarborgen dat beleggingsondernemingen (o.a. banken en vermogensbeheerders) volledig in het belang van de klant handelen, dienen zij alleen door de klant te worden betaald voor hun beleggingsdiensten. Ik wil graag dat er op Europees niveau een verbod komt voor het verstrekken en ontvangen van alle soorten provisies van derden (dus naast distributievergoedingen ook bijvoorbeeld retourprovisies op transacties) en dat dit verbod geldt voor alle bedieningsconcepten (vermogensbeheer, advies en execution only dienstverlening).

– Om dit te bewerkstelligen richt ik me allereerst op de herziening van de «Markets in Financial Instruments Directive» (MIFID-richtlijn). De MIFID-richtlijn vormt de basis voor de Wft-regels over beleggingsondernemingen. In de aankomende onderhandelingen over de herziening van deze richtlijn zal Nederland pleiten voor het verbieden van alle provisies bij beleggingsdiensten. Dit heb ik samen met de AFM ook kenbaar gemaakt in een gezamenlijke reactie op de MIFID-consultatie van de Europese Commissie. De onderhandelingen zullen naar alle waarschijnlijkheid in oktober 2011 van start gaan. Mocht een verbod op Europees niveau niet (volledig) haalbaar blijken, dan zal ik nationaal stappen ondernemen om deze provisies te verbieden.

– In september 2011 hebben Financiën en de AFM met een brede vertegenwoordiging van de sector gesproken over het voorgenomen verbod en de door hen voorziene effecten hiervan.

Bijlage IV Reactie op wetgevingswensen DNB en AFM 2011

Wetgevingswensen DNB/AFM 2011

Maatregel/traject

Stand van zaken/Acties/Voornemens

DNB

1. Mandaat voor macroprudentieel beleid

In dit verband wordt verwezen naar de brief zelf, waarvan deze bijlage onderdeel is. Daarin wordt uiteengezet op welke wijze op dit moment versterking van de macroprudentiele component in het toezicht plaatsheeft. Er zal een macroprudentieel comité worden opgericht, waarin DNB deel zal nemen. Voorts worden instrumenten geïntroduceerd die tot doel hebben de macroprudentiële component in het toezicht te versterken. Ik zal met DNB kijken hoe die nieuwe instrumenten die voortkomen uit internationale afspraken en Europese regelgeving het best (wettelijk) verankerd kunnen worden.

2. Systeemrelevante instellingen

DNB verwijst in haar brief naar beleid rond systeemrelevante instellingen (SIFI’s). Met het oog op financiële stabiliteit is het volgens DNB extra van belang dat de kans dat een systeemrelevante instelling in financiële problemen komt, wordt beperkt. DNB geeft aan dat dit onder andere kan door verscherpt toezicht, het opstellen van herstel- en resolutieplannen en het aanhouden van extra kapitaal. DNB verzoekt tot overleg met het ministerie om in kaart te brengen hoe dergelijke maatregelen wettelijk kunnen worden verankerd.

Het aanhouden van extra kapitaal kan helpen om de kans van default van de instelling te verkleinen. De wettelijke verankering van extra kapitaaleisen van SIFI’s is nauw verbonden met de onderhandelingen aangaande kapitaalbuffers in de kapitaaleisenrichtlijn (het CRD IV traject) en met de vormgeving van macroprudentieel beleid. Er zijn eerste verkennende gesprekken tussen het ministerie van Financiën en DNB geweest over de wetgevingskader voor de verankering van een hogere kapitaalseis voor SIFI’s.

In de hersel- en resolutieplannen (recovery and resolution plans, RRP’s) zijn de herstelmaatregelen gericht op herstel van de instelling bij onverhoopte problemen. De resolutieplannen moeten ervoor zorgen dat bij een onverhoopt falen de instelling snel en ordentelijk kan worden afgewikkeld. Bij zowel herstelmaatregelen als resolutie is geen steun van de overheid voorzien. Ik zal graag het gesprek hierover aangaan, al moet dit onderwerp ook worden bezien in het licht van de Europese discussie en aangekondigde voorstellen met betrekking tot het crisismanagementraamwerk.

3. Dataverzameling

Er is steeds meer behoefte voor het opvragen van data bij instellingen om onder meer stresstesten te kunnen uitvoeren. Aan deze vraag om data van DNB wordt door de instellingen gehoor gegeven, zie bijvoorbeeld de laatste stresstest. Daar waar DNB toch problemen ondervindt doordat er door instellingen geen uitvoering wordt gegeven aan het opvragen van essentiële data door DNB zal het ministerie van Financiën met DNB onderzoeken hoe dit probleem opgelost kan worden.

4. Wettelijk instrumentarium voor toezicht op retailbetalingsverkeer

Tijdens het Periodiek Overleg Betalingsverkeer van 31 mei 2011 tussen DNB en het ministerie van Financiën, is afgesproken dat DNB nog een verkennende analyse zal maken over het toezicht op het retailbetalingsverkeer. Deze analyse zal worden besproken en hier zal nader worden bestudeerd wat DNB op het gebied van oversight kan doen en hoe ik hier eventueel aan kan bijdragen.

Hiernaast wordt er op dit moment op Europees niveau gewerkt aan wet- en regelgeving op verschillende deelgebieden in het betalingsverkeer, zoals het toezicht op clearing- en settlement-instellingen. Hoewel mogelijke vertraging van de Europese trajecten niet volledig is uit te sluiten, lijkt het voor de hand te liggen dat Europese regelgeving binnen afzienbare termijn tot stand komt. Ik zie momenteel dan ook niet de toegevoegde waarde van nationale wetgeving voor deze Europese trajecten. Zoals eerder vermeld zal op andere deelterreinen wat betreft het retailbetalingsverkeer met DNB nader worden bestudeerd of nationale maatregelen nodig zijn.

5. Bijkantoren van banken uit niet-lidstaten

Met betrekking tot de keuze die DNB aan mij voorlegt is nog geen beslissing genomen. Om tot een beslissing te komen is verder overleg met DNB nodig.

6. Natuurlijke personen als (statutaire) bestuuders

DNB bepleit dat in de Wft wordt bepaald dat steeds minimaal twee natuurlijke personen statutaire bestuurders van een financiële onderneming moeten zijn. Voordat wordt besloten om dit punt al dan niet te honoreren is een nadere analyse noodzakelijk. Mede aan de hand van de uitkomsten daarvan zal kunnen overwogen of wetswijziging op dit punt aangewezen is.

7. Aanpassing Besluit reikwijdtebepalingen Wft

Ik deel in deze fase de mening dat het wenselijk is om de door DNB aangedragen knelpunten nader te bestuderen. Beide punten zie ik als onderwerpen die zich lenen voor overleg met DNB, teneinde na te denken over eventuele aanpassingen in wet- en regelgeving.

8. Premiepensioen-instellingen

Zoals de toezichthouders aangeven is op ambtelijk niveau overleg opgestart over de risico’s die DNB en AFM tegenkomen en de redenen waarom deze met de huidige regelgeving onvoldoende kunnen worden geadresseerd. Als uit dat overleg, en (zoals gebruikelijk) uit consultatie van overige belanghebbenden, noodzaak tot wijziging van de regelgeving blijkt, zal ik daartoe overgaan.

9. Gebruik burgerservicenummer

Ik heb een wetsvoorstel in voorbereiding teneinde het gebruik van het burgerservicenummer in het kader van het depositogarantie-stelsel te regelen.

10. informatie-uitwisseling binnen het FEC

Ik onderzoek de mogelijkheid om, in nauwe samenwerking met DNB en AFM, spoedig concrete stappen te kunnen zetten om de mogelijkheden van de toezichthouders om informatie uit te wisselen in FEC-verband te verduidelijken en te vergroten.

11. Trigger events

Het komt mij op dit moment niet wenselijk voor om, zoals door DNB is bepleit, de regeling met betrekking tot de zogeheten «trigger events» ook van toepassing te verklaren op bestaande toezichtmaatregelen. Dit mede in het licht van het feit dat van diverse andere zijden juist voor een beperktere reikwijdte van die regeling is gepleit.

12. Wetgevingsbrief 2010

Ten aanzien van een aantal onderwerpen uit de wetgevingsbrief van DNB uit 2010 geldt dat op dit moment nader onderzoek dan wel overleg met DNB plaatsvindt. Het ligt dan ook niet voor de hand dat deze onderwerpen spoedig in concrete wetgevingstrajecten kunnen worden omgezet.

Ten aanzien van een directeur-grootaandeelhouder-structuur wordt het volgende opgemerkt. In het Wijzigingsbesluit Financiële Markten 2012 is – via een aanpassing van het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft – geëxpliciteerd dat een directeur-grootandeelhouder-structuur onevenwichtigheden met zich mee kan brengen en dat DNB en de AFM, wanneer eisen van financiële stabiliteit, soliditeit van de financiële onderneming of gedragstoezicht dat vereisen, in kunnen grijpen in de governance structuur van deze financiële onderneming.

AFM

1. Productontwikkelings-proces

De afgelopen maanden is overleg gevoerd met DNB en de AFM over de verankering van toezicht op het beleid inzake de ontwikkeling van financiële producten. Uitkomst is dat deze wijziging zal worden doorgevoerd in de reeds bestaande grondslagen voor toezicht op beheerste en integere bedrijfsvoering (via het reeds geconsulteerde wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2013). In de komende maanden zal in samenwerking met de AFM een nadere uitwerking van deze wettelijke verankering op besluitniveau worden ontwikkeld. Deze lagere regelgeving zal worden geconsulteerd in het voorgenomen Wijzigingsbesluit financiële markten 2013.

2. Generieke zorgplicht

Ik zal de voor- en nadelen van een dergelijke zorgplicht nader bestuderen en hierover in overleg met de AFM treden. Voorts zal ik de Tweede Kamer over de uitkomsten hiervan informeren.

3. Vakbekwaamheid adviseurs

Dit wordt reeds geadresseerd. In nauw overleg met de AFM heb ik in mei 2011 een aantal beleidsvoornemens geformuleerd (brief van 2 mei 2011, Kamerstukken II 2010/11, 32 545, nr. 3) ten aanzien van de aanscherping van de eisen aan de vakbekwaamheid van financieel dienstverleners, waaronder adviseurs. Deze beleidsvoornemens worden in overleg met de AFM nader uitgewerkt in het reeds geconsulteerde wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2013 (W3) en het Wijzigingsbesluit financiële markten 2013 (betreft een wijziging van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen).

4. Geschiktheid

Het wetsvoorstel ter verbetering van de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets heb ik eind mei 2011, als onderdeel van een pakket aan wetsvoorstellen op het terrein van de financiële markten, bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 2010/11, 32 786, nr. 2).

Op 24 oktober 2011 zal hierover een wetgevingsoverleg plaatsvinden. Met de adviezen van DNB en AFM is uiteraard rekening gehouden bij het opstellen van het wetsvoorstel. Dit staat ook zo verwoord in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Niet alle punten van de toezichthouders zijn overgenomen. Hierop zal ik aan de hand van de wetgevingswensen van de AFM kort ingaan.

De AFM geeft in haar wetgevingsbrief de voorkeur aan een «paraplu»-bepaling waarin zowel het element van deskundigheid als betrouwbaarheid is vervat. Omdat deskundigheid en betrouwbaarheid van een geheel andere aard zijn, en daardoor een andere uitwerking behoeven, heb ik daarvoor niet gekozen. Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat betrouwbaarheid een ondeelbaar begrip is waadoor niet relevant is waar een bestuurder of commissaris binnen de financiële sector werkzaam is. Deskundigheid, en de nieuwe term geschiktheid, zijn daarentegen afgestemd op het soort branche en onderneming waarbij ook de samenstelling van het gehele bestuurs- of toezichthoudend orgaan een belangrijke rol speelt. De situatie dat iemand zowel kan worden aangemerkt als geschikt (wat betreft kennis, ervaring, vaardigheden en professioneel gedrag) en tevens als onbetrouwbaar (vanwege een antecedent), zal niet lang voortbestaan. Een onbetrouwbare bestuurder of commissaris zal immers zijn functie niet mogen aanvaarden of, indien het om een nieuw antecedent gaat, zijn functie moeten neerleggen.

Tot slot wordt door de AFM gesproken van een dubbele toetsing, terwijl de strekking van het wetsvoorstel een toets door de vergunningverlenende toezichthouder inhoudt met daarnaast een marginale toetsing door de niet-vergunningverlenende toezichthouder. Omdat reeds in de huidige situatie bestaande praktijk is dat de toezichthouders met elkaar meekijken bij de toetsen, zullen de meerkosten mijns inziens beperkt blijven. Nieuw is dus niet de manier van toetsen maar vooral het feit dat de niet-vergunningverlenende toezichthouder in dit proces een doorslaggevende stem krijgt indien zij, in tegenstelling tot de vergunningverlenende toezichthouder, een persoon ongeschikt of onbetrouwbaar acht.

5. Bankierseed

De moreel-ethische verklaring zal worden verankerd in de regelgeving (zie ook de motie van het lid Huizing (Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 37). Over de wijze waarop dit geregeld zal worden ben ik in overleg met de toezichthouders.

6. Toetsing beleidsbepalers aangesloten ondernemingen

Met de AFM ben ik van mening dat beleidsbepalers van financiële ondernemingen altijd betrouwbaar en geschikt moeten zijn, ook indien de financiële onderneming is aangesloten bij een collectieve vergunning of het een financiële diensverlener betreft. Ik zal dan ook samen met de AFM bezien welke wijzigingen in de regelgeving nodig zijn om te borgen dat hierop adequaat toezicht kan worden gehouden.

7. Transparantie bij oversluiten hypotheek (nieuwe rentevaste periode)

Zoals aangekondigd in mijn brief van 30 juni 2011 naar aanleiding van de sectorstudie van de NMa naar de hypotheekmarkt (Kamerstukken II 2010/11, 24 036, nr. 390) ben ik van plan om een aantal maatregelen te treffen om overstapdrempels te verminderen. Zo ben ik voornemens om aanbieders, waar nodig via wet- en regelgeving, te verplichten om drie maanden voor het aflopen van de rentevaste periode de consument hierover te informeren en tevens een nieuw aanbod te doen. Ook bezie ik in hoeverre afsluitprovisies, niet zijnde advies- en distributiekosten, bij het afsluiten van een hypotheekproduct weg te nemen zijn. Momenteel ben ik bezig met de uitwerking van deze plannen, in samenspraak met de AFM. Ik zal uw Kamer hierover in het najaar van 2011 nader informeren.

8. Transparantie variabele rente

Ik ben voornemens om maatregelen te treffen, waar nodig via wet- en regelgeving, die ervoor zorgen dat kredietverstrekkers aan de consument transparant maken hoe een hypotheek met een variabele rente is opgebouwd en richting consument communiceren welke componenten variabel zijn. Ook zou de kredietverstrekker veranderingen in het rentetarief moeten beargumenteren. Ik zal uw Kamer najaar 2011 nader informeren over de voorgenomen maatregelen.

9. Definitie «pensioen»

Met de AFM ben ik van mening dat verschillen in regelgeving die niet te herleiden zijn tot verschillen in dienstverlening en daaraan verbonden risico’s zo veel mogelijk moeten worden vermeden. Dit hoeft echter niet altijd te betekenen dat exact dezelfde regels van toepassing moeten zijn op alle typen uitvoerders en producten. Waar een verschil in regelgeving wordt geïdentificeerd dat mogelijk niet voldoende gerechtvaardigd kan worden, is er wat mij betreft reden om te bezien of dat verschil kan worden opgeheven. Samen met mijn ambtgenoot van SZW zal ik hierover met de AFM in overleg treden.

10. Premiepensioen-instellingen (PPI)

Zoals de toezichthouders aangeven is op ambtelijk niveau overleg opgestart over de risico’s die DNB en AFM tegenkomen en de redenen waarom deze met de huidige regelgeving onvoldoende kunnen worden geadresseerd. Als uit dat overleg, en (zoals gebruikelijk) uit consultatie van overige belanghebbenden, noodzaak tot wijziging van de regelgeving blijkt, zal ik daartoe overgaan.

11. Client-ID voor effectiever toezicht op marktmisbruik

Met de AFM ben ik van mening dat een client-ID een instrument is voor de AFM om gerichter en efficiënter marktmisbruik te onderzoeken. Ik zal mij dan ook bij de herziening van de MiFID- richtlijn in Brussel inzetten voor een verplicht gebruik van de client-ID.

12. Handhaven Vrijstelling € 2,5 mln

Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie De Wit is aangegeven, zal het grensbedrag van 2,5 miljoen euro in het kader van de vrijstelling van de prospectusplicht worden gehandhaafd.

13. Misbruik conversie-uitzondering

Misbruik van de conversie uitzondering wordt geadresseerd in het reeds geconsulteerde wetsvoorstel Wijzigingswet Financiële Markten 2013. Het betreft de wijziging van artikel 5:4, onderdeel g, van de Wft.

14. Aanpassingen Besluit openbare biedingen

Evenals de AFM acht ik een zekere aanpassing van de biedingsregels van belang. Deze aanpassing, waaronder de introductie van de zogenoemde «put up or shut up»-regeling, zal worden doorgevoerd bij algemene maatregel van bestuur. Deze aanpassing zal overeenkomstig de daarvoor geldende procedure naar verwachting in de tweede helft van 2011 bij beide Kamers worden voorgehangen respectievelijk begin 2012 worden nagehangen.

Algemeen inzake aanhef: «Versterking toezicht financiële verslaggeving en toezicht accountantsorganisaties»

In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk geef ik de conclusies van het evaluatieonderzoek Wtfv weer, die ik onderschrijf. Dit evaluatieonderzoek heeft onder meer specifiek gekeken naar de bevoegdheden van de AFM in de onderzoeksfase en de vragen onderzocht of niet alleen bij twijfel in het kader van het inlichtingenonderzoek informatie mag worden opgevraagd door de AFM en of de AFM in het kader van het inlichtingenverzoek specifieke documenten van een effectenuitgevende instelling mag opvragen.

Het onderzoek wijst er onder meer op dat het in de eerste plaats aan de onderneming is om vermogen en resultaat te rapporteren aan de hand van de hiervoor gestelde voorschriften. Van de toezichthouder wordt verwacht dat deze controleert of de wet en verslaggevingsregels hierbij goed zijn toegepast. Dat de AFM in geval van twijfel naar de Ondernemingskamer kan stappen die dan als onafhankelijk rechter beslist of de regels geschonden zijn of niet, lijkt de onderzoekers nog steeds de optimale en meest evenwichtige regeling. Ik ben het hiermee eens.

15. Belemmering interne informatie-uitwisseling door Chinese Walls tussen Wta – Wtfv en Wft – Wtfv

In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden Gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk is een wetswijziging aangekondigd waarmee mogelijk wordt gemaakt dat in uitzonderlijke gevallen onder bepaalde voorwaarden informatie van de ene naar de andere toezichtafdeling kan worden verstrekt.

16. Mogelijkheid tot afdwingen van een aanbeveling bij de Ondernemingskamer

In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden Gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk is een wetswijziging aangekondigd waarmee mogelijk wordt gemaakt dat de AFM de naleving van een aanbeveling via de Ondernemingskamer afdwingbaar kan maken.

17. Termijn voor onderzoeksperiode TFV

Op 1 juli 2011 is de Wijzigingswet financiële markten 2010 in werking getreden. Hiermee is de termijn voor het starten van een herzieningstermijn bij de Ondernemingskamer aangepast van zes naar negen maanden. In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden Gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk, is op dit vlak nog een wetswijziging aangekondigd. Vanuit het oogpunt van consistentie wordt voorgesteld om voor het indienen van een verzoek bij de Ondernemingskamer, voor het doen verschaffen van een nadere toelichting aan de AFM en om voor het indienen van een verzoek bij de Ondernemingskamer tot naleving van een door de AFM gedane aanbeveling dezelfde termijn van negen maanden te hanteren.

18. Meer mogelijkheden om effectief informatie te kunnen delen met IOSCO

In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden Gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk is een aantal wetswijzigingen aangekondigd waarmee het toezicht financiële verslaggeving door de AFM effectiever kan worden gemaakt. De mogelijkheid tot het delen van informatie met de IOSCO moet in dit kader nog nader worden bezien.

19. Beperkte bevoegdheden AFM in de onderzoeksfase

Zoals hierboven ook weergegeven, acht ik de huidige procedure, waarbij de AFM in geval van twijfel naar de Ondernemingskamer kan stappen en waarbij de Ondernemingskamer dan als onafhankelijk rechter beslist of de regels geschonden zijn of niet, de optimale en meest evenwichtige regeling. Wanneer een onderneming onvoldoende gevolg geeft aan een verzoek om nadere toelichting van de AFM heeft de AFM de mogelijkheid om de Ondernemingskamer te verzoeken de onderneming te bevelen om gehoor te geven aan een dergelijk verzoek. De Ondernemingskamer toetst in voorkomend geval of het verzoek van de AFM gegrond is of niet. Verder is het aan de Ondernemingskamer om te bepalen op welke wijze het verschaffen van de nadere toelichting dient te gebeuren, waarbij hetgeen door partijen naar voren is gebracht een rol zal spelen. De AFM heeft kortom (reeds) de mogelijkheid om het verschaffen van de nodige nadere toelichting af te dwingen middels een verzoek bij de Ondernemingskamer. Hierbij geldt voor de AFM als enige beperking dat de Ondernemingskamer in voorkomend geval een eigen afweging maakt. Meer specifiek wordt wat betreft het niet alleen bij twijfel kunnen opvragen van informatie in het hierboven genoemde evaluatie onderzoek geoordeeld dat er altijd een reden moet zijn voor het opvragen van informatie bij een individuele onderneming en dat moet worden gewaakt voor het gevaar van fishing expeditions. Wat betreft het kunnen opvragen van specifieke documenten wordt gewezen op het risico van onnodige lastenverzwaring bij ondernemingen in verband met de voorbereiding, aanlevering en controle van informatie. Daarnaast wijzen de onderzoekers erop dat de AFM nog geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om, indien een onderneming onvoldoende gevolg geeft aan een verzoek om informatie die de twijfel van de AFM kan wegnemen, op grond van artikel 2:452 van het Burgerlijk Wetboek een verzoekschrift hiertoe in te dienen bij de Ondernemingskamer. De onderzoekers adviseren de AFM om, wanneer een onderneming niet of onvoldoende meewerkt, frequenter deze «stok achter de deur» toe te passen. Ik onderschrijf dit advies en de conclusies van het evaluatie onderzoek.

20. Aanpassing 2:403 en 2:408 BW

In de op 13 september 2011 aan de Tweede Kamer gezonden Gecombineerde reactie op het evaluatieonderzoek Wtfv, de visie op accountancy en de reactie op de initiatiefnota van de heer Plasterk is een aantal wetswijzigingen aangekondigd waarmee het toezicht financiële verslaggeving door de AFM effectiever kan worden gemaakt. De aanpassing van de artikelen 2:403 en 2:408 van het Burgerlijk Wetboek wordt in overleg met de minister van Veiligheid en Justitie in dit kader nader bezien.

21. Verhaalsmogelijkheiden bij gelieerde derden

De AFM signaleert dat door verschillende constructies verhaalsmogelijkheden bij financiële ondernemingen worden verminderd doordat winsten kunstmatig worden afgeroomd en rondgepompt. Ik zal samen met de AFM de mogelijkheden verkennen om de verhaalsmogelijkheden voor de AFM bij financiële ondernemingen en aan die ondernemingen gelieerde derden te verbeteren.

22. Publicatieregime boetes

De AFM stelt aanpassing van het publicatieregime voor boetes voor. Zoals de AFM in haar brief ook opmerkt is thans een beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven aanhangig. Ik wacht de uitkomsten van deze procedure af en zal daarna samen met de AFM bezien in hoeverre wijziging van het publicatieregime voor boetes wenselijk is.

23. Schikkingbevoegdheid

De schikkingbevoegdheid is thans voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. In doorgaans eenvoudige zaken kan van een verder strafproces worden afgezien indien de verdachte akkoord gaat met het schikkingsvoorstel van het Openbaar Ministerie. In het bestuursrecht bestaat een dergelijke bevoegdheid voor zover mij bekend niet. Ik zal een dergelijke bevoegdheid in overleg met de AFM bestuderen. Op voorhand zie ik echter geen aanleiding om op dit punt te tornen aan de Algemene wet bestuursrecht maar zie ik meer in alternatieven, zoals de pilot versnelde boeteprocedure.

24. Clementieregeling

Ik heb de totstandkoming van een clementieregeling altijd gesteund. In de praktijk blijkt het evenwel lastig de clementieregeling te gebruiken in gevallen van overtredingen die zowel beboetbaar zijn ingevolge de Wet op het financieel toezicht als strafrechtelijk kunnen worden afgedaan middels strafbaarstelling in de Wet op de Economische Delicten.

Ik zie een oplossing in nauwere samenwerking tussen de AFM en het Openbaar Ministerie op dit gebied. Ik ben bereid om verder mee te denken en steun te verlenen waar nodig om het succes van de clementieregeling te bewerkstelligen.

25. Mystery shopping

Ik deel de analyse van de AFM dat zij wellicht een grotere wettelijke ruimte heeft om het instrument van «mystery shoppen» in te zetten. Ik wacht dan ook met vertrouwen de eerste resultaten af.

26. Beperking aansprakelijkheid toezichthouders

De afgelopen maanden is gewerkt aan de voorbereiding van een wetsvoorstel dat strekt tot een expliciete hogere drempel voor aansprakelijkheid van DNB en de AFM. Het wetsvoorstel zal naar verwachting in oktober bij de Tweede Kamer worden ingediend. DNB en de AFM zijn intensief betrokken bij de totstandkoming van het ontwerp. De AFM pleit voor een beperking van de aansprakelijkheid voor alle financiële toezichtwetten. Deze wens van de AFM is ons bekend, echter er is gekozen om de aansprakelijkheid te beperken voor het toezicht uit hoofde van de Wft en de Wfm BES. Dit omdat bij die wetten sprake is van een combinatie van een internationale context waarin het toezicht wordt uitgeoefend en de aanwezigheid van een knellend toezichthouderdilemma waarbij de toezichthouder als het ware de keuze heeft uit twee kwaden. Deze combinatie onderscheidt hen van andere toezichthouders en gaat voorts niet op bij andere wetgeving in het kader waarvan DNB en de AFM zijn aangewezen als toezichthouder. Het toezicht dat zij op grond van die wetten uitoefenen is hoofdzakelijk nationaal van aard en daarnaast is bij die wetten geen sprake van een toezichthouderdilemma.

Bijlage V Nationaal wetgevingsprogramma financiële markten

Overzicht bij de TK aanhangige- en in departementale voorbereiding zijnde wetgevingstrajecten op het terrein van de financiële markten

Wetgevingstraject

Voortgang

NATIONALE WETSVOORSTELLEN

Wetsvoorstel ter introductie van de bevoegdheid tot aanpassing en terugvordering van bonussen en deskundigheidstoetsing van commissarissen o (32 512)

Het wetsvoorstel is gereed voor plenaire behandeling.

Wetsvoorstel n.a.v. het advies van de Commissie Frijns (32 014)

Het wetsvoorstel is gereed voor plenaire behandeling.

Wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2012 (32 781)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel Wet versterking governance van DNB en de AFM (32 782)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel introductie meldplicht cash settled instrumenten (32 783)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel Wet financiële markten BES

(32 784)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme BES (32 785)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel geschiktheidseis (32 786)*

Het wetsvoorstel is in mei 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 24 oktober 2011 zal er een wetgevingsoverleg plaatsvinden.

Wetsvoorstel ter aanvulling van de Wet op het financieel toezicht met regels met betrekking tot het verlenen van afwikkeldiensten en het toezicht daarop (32 025)

Het wetsvoorstel is ingediend. De Kamer heeft verslag uitgebracht.

N.B.: Er wordt gewacht met de nota n.a.v. het verslag omdat de Europese Commissie heeft aangekondigd een voorstel voor een Verordening te doen dat deels dezelfde materie regelt.

Wetsvoorstel Wet op het accountantsberoep

Het wetsvoorstel is in oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Wetsvoorstel bijzondere maatregelen financiële ondernemingen («Interventiewet»)

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Wetsvoorstel Wet bekostiging financieel toezicht

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Wetsvoorstel Wet beperking aansprakelijkheid AFM en DNB

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Wetsvoorstel gebruik BSN Financiële Sector

Het wetsvoorstel is in departementale voorbereiding.

o = co-productie met justitie

* = maakt onderdeel uit van pakket wetgeving op het terrein van de financiële markten

Bijlage VI Europees wetgevingsprogramma financiële markten

I. Reeds aangenomen Europese regelgeving

Type EU-besluit

Eerstverant- woordelijk departement

Titel

Vindplaats EU publicatieblad

Uiterste impl. datum

Impl. status

Opmerkingen

Richtlijnen

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (CRD II)

L 302/97 dd. 16-09-2009

31-okt-2010

Vertraagd

Wijzigingen van de Wft zijn ingediend bij de Tweede Kamer, wijzigingen van de Bpr Wft zijn in consultatie.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (E-money)

L 267/7 dd. 10-10-2009

30-apr-2011

Vertraagd

24 juni 2011 ingediend bij Tweede Kamer.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (OMNIBUS I)

L 331/120 dd. 15-12-2010

31-dec-2011

Op schema

Blanco advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. In oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid (CRD III)

L 329/3 dd. 14-12-2010

31-dec-2011

Op schema

Wordt samen met CRD II geïmplementeerd: wijzigingen van de Wft zijn ingediend bij de Tweede Kamer, wijzigingen van de Bpr Wft zijn in consultatie.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2010/73/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (Prospectus)

L 237/1 dd. 11-12-2010

1-jul-2012

Op schema

Blanco advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. In oktober 2011 bij de Tweede Kamer ingediend.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf

(Solvency II)

L 335/1 dd. 17-12-2009

01-jan-2013

Op schema

Wetsvoorstel momenteel in consultatie.

Richtlijn

Financiën

RICHTLIJN 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (AIFM)

L 174/1 dd. 01-07-2011

22-jul-2013

Op schema

Wetsvoorstel momenteel in consultatie.

Verordening

Verordening

Financiën

VERORDENING 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap. (Emissiehandel)

L 302/1 dd. 18-11-2010

n.v.t.

Op schema

 

Aanbeveling

Aanbeveling

Financiën

AANBEVELING (2011/442/EU) van de Commissie van 18 juli 2011 betreffende toegang tot een elementaire betaalrekening

L 190/87 dd. 21-07-2011

21-jan-2012

Op schema

 

II. Verwachte Europese regelgeving

Type EU-besluit

Eerstverantwoordelijk Departement/ Contactpersoon

Titel/Onderwerp

Verwachte datum vaststelling

Verwachte uiterste impl.datum

Opmerkingen

Richtlijnen

Richtlijn

Financiën

Financiële Conglomeraten Richtlijn (FICO I)

Najaar 2011

Q2/3 2013

Juristen linguïsten bezien de tekst in september 2011. De richtlijn zal nog dit jaar worden vastgesteld, met een implementatietermijn van 18 maanden.

Richtlijn

Financiën

Herziening Depositogarantiestelsel (DGS) Richtlijn

2012

1-jan-2013/

1-jan-2014

De onderhandelingen bevinden zich in de triloog fase.

Richtlijn

Financiën

MIFID Richtlijn

+ herziening huidige uitvoeringsrichtlijn

De MiFID reguleert beleggingsondernemingen (en handelsplatformen). De MiFID bestrijkt een groot aantal onderwerpen waaronder: infrastructuur handelsplatformen, pre- en post trade transparantie, data consolidatie, transactierapportages, regulering derivaten en een breed scala aan gedragsregels en consumentenbescherming.

2012

1-jan-2013

 

Richtlijn

Financiën

CRD IV Richtlijn

Q3 2012

1-jan-2013

 

Richtlijn

Financiën

Omnibus II

Q1 2012

1-apr-2013

 

Richtlijn

Financiën

Mortgage Credit Richtlijn

2012

2014

De Mortage Credit Richtlijn is momenteel nog in de onderhandelingsfase. De Europese commissie zet in op een zo hoog mogelijk niveau van harmonisatie in Europa.

Richtlijn

Financiën

Herziening Overnamerichtlijn

2012

Onbekend

Herziening van de Overnamerichtlijn was voorzien in 2011 maar heeft vertraging opgelopen. Resultaten van het onderzoek naar knelpunten/toepassing van de richtlijn (waaronder stakeholder perception) worden eind 2011 verwacht met rapport/reactie van de Europese Commissie begin 2012.

Richtlijn

Financiën

Herziening Transparantierichtlijn

2012

Onbekend

Naar verwachting wordt dit najaar begonnen met de herziening van de richtlijn transparantie.

Richtlijn

Financiën

Herziening Marktmisbruik Richtlijn

2012

Onbekend

 

Richtlijn

Financiën

Herziening Richtlijn Verzekeringstussenpersonen (IMD II)

2012

Onbekend

De onderhandelingen beginnen in het eerste kwartaal van 2012.

Richtlijn

Financiën

Packaged Retail Investment Products (PRIPS) Richtlijn

2012

Onbekend

 

Richtlijn

Financiën,

SZW

Herziening Activities and supervision of institutions for occupational retirement provision (IORPs) Richtlijn

2012/2013

Onbekend

Nog niet duidelijk of het een richtlijn of verordening gaat worden.

Richtlijn

Financiën

Bank Recovery Resolution Richtlijn

In het kader van crisismanagement.

2013

2014

 

Richtlijn

Financiën

Financiële Conglomeraten Richtlijn (FICO II)

2014

2016

Er zijn nog geen teksten. De verwachte datum van vaststelling en de verwachte implementatiedatum zijn grove schattingen.

Richtlijn

Financiën

Securities Law Richtlijn

Over cross border effectentransacties en uitoefening van stemrechten

Onbekend

Onbekend

Er wordt momenteel gewerkt aan een aangepast Commissievoorstel, de Raadswerkgroepen zijn nog niet van start.

Richtlijn

Financiën

Investor Compensation Schemes (ICS)

Onbekend

Onbekend

Momenteel in de onderhandelingsfase.

Richtlijn

Financiën

VerzekeringsgarantiestelselRichtlijn (Insurance Guarantee Scheme – IGS)

Onbekend

Onbekend

Er wordt gewacht op een Commissievoorstel.

Verordeningen

Verordening

Financiën

Herziening Credit Rating Agencies Verordening (CRA III)

2012

n.v.t.

Commissievoorstel wordt in november 2011 verwacht.

Verordening

Financiën

CRD IV

Q3 2012

n.v.t.

Gekoppeld aan CRD IV Richtlijn.

Verordening

Financiën

MIFID Verordening

+ herziening huidige uitvoeringsverordening

2012

n.v.t.

Gekoppeld aan MIFID Richtlijn.

Verordening

Financiën

Short Selling

2012

n.v.t.

De onderhandelingen bevinden zich in de triloog fase.

Verordening

Financiën

European Market Infrastructure Regulation (EMIR)

Medio 2012

n.v.t.

 

Verordening

Financiën

Single European Payments Area End Date (SEPA)

Begin 2012 (streefdatum 1-jan)

n.v.t.

 

Verordening

Financiën

Central Securities Depository

2012

n.v.t.

Commissievoorstel wordt in november 2011 verwacht.

Groenboeken

Groenboek

Veiligheid en Justitie

Corporate governance niet-financiële ondernemingen

2011

n.v.t.

De Europese Commissie heeft 6 april 2011 dit groenboek gepubliceerd. Het kabinet heeft juli 2011 de kabinetsreactie op het groenboek aan de Europese Commissie verzonden.

Groenboek

Financiën

Corporate governance financiële ondernemingen

2011

n.v.t.

De Europese Commissie heeft dit groenboek op 2 juni 2010 gepubliceerd en in 2011 aangegeven dat enkele maatregelen (opgeworpen in het groenboek) zullen worden meegenomen in CRD IV.


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 4.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 34.

X Noot
3

Kamerstukken 2010–11, 31 980, nr. 38.

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
5

Kamerstukken II 2010/11, 32 787, nr. 2.

X Noot
6

Banken betalen hierbij elk kwartaal een bijdrage aan het depositogarantiefonds. Wanneer er een beroep op het stelsel wordt gedaan, keert dit fonds uit. Is er niet genoeg geld in het fonds, dan wordt het tekort ex post over de banken omgeslagen.

X Noot
7

Deze aanbevelingen en waarschuwingen kunnen gericht zijn aan de EU als geheel, de Commissie, één of meer Lidstaten, één of meerdere Europese toezichtautoriteiten (ESA’s), of nationale toezichthouders. De aanbevelingen van de ESRB zijn weliswaar niet bindend, maar wel geldt het «pas toe of leg uit» principe.

X Noot
8

Zie het eerste rapport van de onderzoekscommissie De Wit (Kamerstukken II, 31 980, nr. 4), aanbeveling 11.

X Noot
9

Zie bijlage I van deze brief over de voortgang op het gebied van de 27 aanbevelingen van de Commissie De Wit (aanbeveling 1).

X Noot
10

Zie de nota «Financiële stabiliteit, bescherming van spaargeld in het depositogarantiestelsel en het combineren van verschillende bancaire activiteiten binnen een bank». Kamerstukken II 2010/2011 31 980, nr. 51.

X Noot
11

Zie http://circa.europa.eu/Public/irc/markt/markt_consultations/library?l=/banking/european_ management/public_authorities/ministry_netherlands/_EN_1.0_&a=d.

X Noot
12

FSB Principles for Sound Compensation Practices,

http://www.financialstabilityboard.org/

publications/r_090925c.pdf.

X Noot
13

2010/76/EU.

X Noot
15

Kamerstukken II 2009/10, 32 512, nr. 2.

X Noot
16

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 30.

X Noot
17

Kamerstukken II 2010/11, 32 782 nr. 2.

X Noot
18

Kamerstukken II 2010/11, 32 648 nr. 1.

X Noot
19

In dit verband zij verwezen naar principe III.1 van de Nederlandse Coporate Governance Code over taak en werkwijze van de raad van commissarissen, zoals laatstelijk vastgesteld op 1 januari 2009.

X Noot
20

Zie hiertoe bijvoorbeeld het FSAP rapport, p. 31.

X Noot
21

Zie Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 46 en Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 20.

X Noot
22

Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PbEU 2010, L 331); Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese bankenautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331); Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331); en tot slot Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331).

X Noot
23

Richtlijn 2010/78/EUtot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese Bankenautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft. Het wetsvoorstel dat strekt tot implementatie van deze richtlijn zal naar verwachting in oktober bij de Kamer aanhangig worden gemaakt.

X Noot
24

Richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG wat de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en van de Europese Autoriteit voor effecten en markten betreft (Omnibus II richtlijn).

X Noot
25

Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 50.

X Noot
26

Deze zijn opgenomen in de derde Kapitaaleisenrichtlijn (CRD III), 2010/76/EU.

X Noot
27

Kamerstukken II, 2010/11, 31 786.

X Noot
28

Kamerstukken II 2008/09, 31 371, nr. 197.

X Noot
29

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 48.

X Noot
30

Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 51.

X Noot
31

Zie ook kamerstukken II, 2010/11, 32 292, nr. 7, blz. 5.

X Noot
32

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331).

X Noot
33

Kamerstukken II 201/12, 33 021, nr. 2 en 3.

X Noot
34

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 52.

X Noot
35

Kamerstukken II 2010/11 31 980, nr. 35.

X Noot
36

Kamerstukken II 2010/11 32 013, nr. 16.

X Noot
37

Van analyse naar actie», Plan van aanpak cultuurverandering toezicht DNB, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 5 (bijlage).

X Noot
38

Van analyse naar actie», Uitvoering plan van aanpak cultuurverandering toezicht DNB, Kamerstukken II 2010/11, 32 648, nr. 1 (bijlage).

X Noot
39

Kamerstukken II 2010/11 32 681, nr. 2.