Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-07 nr. 776

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 776 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 februari 2011

Tijdens het algemeen overleg inzake de Ecofin van 12 januari 2011 bleken verschillende Kamerleden behoefte te hebben aan meer informatie over welke lidstaten al eenzijdig een bankenbelasting hebben geïntroduceerd. Verder waren er nog enige vragen over de financiële activiteitenbelasting. Naar aanleiding hiervan zend ik u, mede namens de staatssecretarie van Financiën, deze brief om u over deze onderwerpen te informeren. Bijgevoegd vindt u een tabel van de lidstaten die een heffing of een bankenbelasting hebben geïntroduceerd. Er zijn in grote lijnen drie varianten te onderscheiden: een heffing gebaseerd op het depositogarantiestelsel, een heffing die gekoppeld is aan een resolutiefonds of een bankenbelasting. Hieronder ligt ik deze de varianten nader toe.

Depositogarantiestelsel (DGS)

Het DGS beschermt depositohouders en keert de gedekte deposito’s uit wanneer een financiële instelling insolvabel is. Dit komt financiële stabiliteit ten goede, burgers zijn namelijk zeker dat hun spaargeld veilig is bij de banken. De Europese Commissie heeft in de zomer van 2010 een voorstel tot wijziging van de richtlijn inzake Depositogarantiestelsels gepubliceerd, waarover nu wordt onderhandeld. Over deze richtlijn bent u middels een BNC-fiche geïnformeerd1. De Europese Commissie heeft onder andere voorgesteld om de financieringswijze te harmoniseren, zodat in heel Europa depositogarantie ex ante met risicogedifferentieerde bijdragen wordt gefinancierd. Ook in het geval de Europese discussie ertoe leidt dat de financiering niet wordt geharmoniseerd, is de Nederlandse regering van plan de financiering van het DGS te hervormen tot een ex ante gefinancierd stelsel. Er zal dan een fonds worden opgebouwd door bijdragen van de banken op basis van de door de bank aangehouden hoeveelheid gedekte deposito’s en een risicoweging. Vooruitlopend op de verwachte Europese harmonisatie hebben twee lidstaten onlangs een depositogarantieheffing ingevoerd. Nederland zal in ieder geval ook tot een heffing in deze komen.

Resolutiefonds

Een resolutiefonds heeft als doel resolutie-instrumenten te financieren vanuit een door de financiële sector opgebouwd fonds. Dit fonds staat apart van de overheidsfinanciën. Wel zijn varianten denkbaar waarin de gelden naar de Rijksbegroting vloeien, maar waarbij een papieren scheiding tussen deze middelen en de overige overheidsinkomsten wordt aangehouden. Drie lidstaten hebben onlangs een resolutiefonds opgezet.

Een resolutiefonds is, net als het DGS, in beginsel bedoeld om alleen te worden aangesproken wanneer een instelling insolvabel is. Het verschil met het DGS is dat een resolutiefonds een bredere bescherming kan bieden. Zo kan een resolutiefonds de overdracht van (niet deposito gerelateerde) nutsfuncties zoals clearing en settlement systemen financieren. Het voordeel hiervan is meer flexibiliteit voor resolutieautoriteiten in het ordentelijk afwikkelen van een financiële instelling. Een nadeel is dat moral hazard kan ontstaan doordat er een goed gevuld fonds klaar staat voor financiële instellingen in de problemen. De Europese Commissie houdt op dit moment een openbare consultatie ten aanzien van haar voornemens op het terrein van crisismanagement. Hierin komt de financiering van crisismanagement ook aan bod middels een resolutiefonds. De Commissie stelt voor dat dit fonds door financiële instellingen wordt opgebouwd door middel van een heffing, die gebaseerd zou worden op de ongedekte schulden van de instellingen. Er wordt momenteel gewerkt aan een Nederlandse reactie op de consultatie. De Nederlandse regering zal reageren langs de lijn die is uitgezet in de BNC-fiche van 29 november 2010.2

Er bestaan ook mengvormen van depositogarantie- en resolutiefondsen. Diverse lidstaten waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje kennen de mogelijkheid om een afwikkeling onder bepaalde omstandigheden vanuit het DGS te financieren. Dit kan gepaard gaan met een waarborg dat resolutie-uitkeringen niet ten kosten van depositohouders mogen gaan en dat het uit te keren bedrag lager moet zijn dan wanneer het DGS verzekerde deposito’s zou uitkeren. De Europese Commissie stelt de mogelijkheid voor om resolutie deels te financieren vanuit het DGS. Voor Nederland is het van belang dat een eventuele resolutie-uitkering nooit ten koste mag gaan van de (garantie voor) depositohouders.

Bankenbelasting

Een bankenbelasting is een belasting die wordt opgelegd aan banken op basis van hun balans. Vijf lidstaten hebben inmiddels een bankenbelasting ingevoerd. Een bankenbelasting kan een vergelijkbare grondslag hebben als een heffing voor een resolutiefonds, maar heeft geen oormerk. In plaats van een fonds op te bouwen vloeien de opbrengsten naar de schatkist en dragen dus bij aan budgettaire consolidatie. Dit is voor een aantal landen de reden geweest om een bankenbelasting in te voeren. Een reden die door sommige landen voor invoering van een bankenbelasting wordt aangedragen is dat hiermee de kosten van de financiële crisis op de `vervuiler´ worden afgewenteld. Weer andere landen stellen dat een bankenbelasting kan bijdragen aan het ontmoedigen van het nemen van excessieve risico´s door financiële instellingen. Nederland is voorstander, onder de met de Kamer gedeelde randvoorwaarden, van de invoering van een bankenbelasting.

Financiële Activiteiten belasting en de BTW vrijstelling op financiële diensten

Verder zijn er vragen gesteld over de Financiële Activiteiten belasting en de BTW vrijstelling op financiële diensten. Het doel van de belasting is om overwinsten die banken maken op transacties te neutraliseren met een directe belasting op winst en beloningen. De redenering achter de Financiële Activiteiten belasting is dat de financiële sector op dit moment een voordeel kent ten opzichte van andere sectoren omdat de eerst genoemde sector vrijgesteld is van een BTW-heffing. De Commissie stelt daarom voor om een Financiële Activiteiten belasting als een alternatief voor de BTW-heffing in te voeren die de som van alle winsten en lonen van een financiële instelling belast.

Allereerst geef ik de voorkeur eraan om een BTW onderwerp te bespreken in de BTW Raadswerkgroep in Brussel. Op dit moment vindt er een brede heroverwegingsdiscussie over het BTW stelsel plaats in Brussel en, ook met het oog op cohesie van het algehele BTW systeem, levert het meenemen van deze vrijstelling in deze discussie een grotere meerwaarde op dan dat er een nieuwe belasting wordt opgezet. Overigens wil ik er op wijzen dat het in aanmerking komen voor een BTW vrijstelling ook een keerzijde heeft. Als gevolg van de vrijstelling komt de BTW die drukt op aangekochte goederen en diensten bij de financiële sector namelijk niet voor aftrek in aanmerking en vormt dus een kostenpost.

Verder staat de praktische vraag nog open hoe het voordeel voor de financiële sector nu wordt berekend. Er moet namelijk een vergelijking getrokken worden met een fictieve situatie waar wel een BTW-heffing op financiële diensten plaatsvindt met de gevolgen van dien op de hoogte van de winst en de beloning van de financiële sector. Deze fictieve benchmark lijkt mij niet eenvoudig op te stellen en moet gebruik maken van veel aannames. Het is aannemelijk dat de uiteindelijke belasting niet de uitwerking zal hebben die beoogd is met deze belasting. Ik heb dus een aantal zorgen over de werking van deze belasting die ik mee zal nemen op het moment dat de Commissie met een concreet voorstel over de Financiële Activiteiten belasting komt. Het is mogelijk dat de Commissie met oplossingen voor deze problemen zal komen. Het voorstel zal dan op zijn merites beoordeeld worden.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

Annex: Tabel over de lidstaten die eenzijdig een heffing/belasting voor banken hebben ingevoerd

Land

Grondslag

Tarief

Type

1.

België

Gedekte deposito’s

0,15% van de deposito grondslag

Deposito garantie heffing

     

2.

Cyprus

Passiva, exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s

0,05% van de passiva zoals vastgesteld (zie grondslag) aan het eind van het jaar

Resolutie fonds heffing

     

3.

Denemarken

Gedekte deposito's en effecten

Heffing achteraf, naargelang van de behoefte, met een maximum van 0,2% van de gedekte deposito's en effecten

Deposito garantie stelsel

     

4.

Duitsland

– Passiva exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s en

– Derivaten (nominale waarde)

Progressief tarief voor passiva

0,02 procent voor passiva onder de 10 miljard €

0,03 procent boven de 10 miljard € en

0,04 procent boven de 100 miljard €

Vast tarief voor derivaten van 0,00015%

Maximaal 15% van de jaarwinst van de kredietinstelling (na belastingen)

Resolutie fonds heffing

     

5.

Frankrijk

risicogewogen activa

0,25% van de kapitaalvereisten (op basis van de risicogewogen activa)

Belasting

     

6.

Hongarije

Passiva exclusief leningen tussen financiële instellingen

0,15% onder 50 miljard HUF

0,5% boven 50 miljard HUF

Belasting

     

7.

Oostenrijk

– Niet-geconsolideerd balanstotaal, exclusief geplaatst kapitaal en reserves, gewaarborgde deposito's en bepaalde schulden aan banken, mits noodzakelijk om aan liquiditeitsvereisten te voldoen +

– Supplement voor financiële derivaten in portefeuille

0% onder 1 miljard €

0,055% op grondslag boven 1 en beneden 20 miljard €

0,085% op grondslag boven 20 miljard €

+

0,015% op het volume van alle financiële derivaten

Belasting

     

8.

Portugal

Passiva, exclusief tier 1- en tier 2-kapitaal en verzekerde deposito's;

De heffing zal ook de nationale waarde van de derivaten buiten balans gelden

Progressief tarief volgens het bedrag van de grondslag

van 0,01% tot 0,05% op passiva

van 0,0001% tot 0,0002% op derivaten buiten de balans (de drempels worden in de secundaire wetgeving vastgelegd)

Belasting

     

9.

Het VK

– Passiva, exclusief tier 1-kapitaal, verzekerde deposito's, verplichtingen tegenover polishouders, en

– Activa die voor de Financial Services Authority in aanmerking komen als liquiditeitsbuffer

In 2011: 0,04%

Na 2011: 0,07%

Verlaagd tarief voor kapitaalfinanciering met langere looptijd (resterende looptijd > 1 jaar) nl. 0,02%, na 2011 te verhogen tot 0,035%

Belasting

     

10.

Zweden

Passiva exclusief aandelenkapitaal, obligaties die deel uitmaken van het eigen vermogen, interne schuldtransacties tussen entiteiten van de groep die de heffing betalen, en schuldpapier dat in het kader van het garantieprogramma is uitgegeven

0,018% voor 2010–2011

0,036% na 2011

Resolutie fonds heffing


XNoot
1

Kamerstukken II 2010/2011, 22 112, nr. 1055.

XNoot
2

Kamerstukken II 2010/2011, 22 112, nr. 1101.