Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834775-XII nr. 2

34 775 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2018

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

Pagina

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

1.

LEESWIJZER

6

     

2.

BELEIDSAGENDA

9

     

3.

DE BELEIDSARTIKELEN

27

 

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

27

 

Beleidsartikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

42

 

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

56

 

Beleidsartikel 15 OV-keten

65

 

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

66

 

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

77

 

Beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens

89

 

Beleidsartikel 19 Klimaat

98

 

Beleidsartikel 20 Lucht en geluid

107

 

Beleidsartikel 21 Duurzaamheid

113

 

Beleidsartikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

122

 

Beleidsartikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

134

 

Beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht

138

 

Beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering

144

 

Beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

145

     

4.

DE NIET–BELEIDSARTIKELEN

153

 

Niet-beleidsartikel 97 Algemeen Departement

153

 

Niet-beleidsartikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

156

 

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en Onvoorzien

160

     

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

161

 

Agentschap Rijkswaterstaat

161

 

Agentschap Inspectie Leefomgeving en Transport

173

 

Agentschap Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

178

 

Agentschap Nederlandse Emissieautoriteit

185

     

6.

BIJLAGEN

190

 

Bijlage 1 ZBO en RWT’s

190

 

Bijlage 2 Verdiepingsbijlage

193

 

Bijlage 3 Moties en toezeggingen

215

 

Bijlage 4 Subsidieoverzicht

262

 

Bijlage 5 Evaluatie- en overig onderzoek

272

 

Bijlage 6 Overzichtsconstructie Milieu

290

 

Bijlage 7 Afkortingenlijst

295

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft drie begrotingen:

  • 1. de voorliggende beleidsbegroting Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting,

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

De twee fondsbegrotingen van IenM, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenM, waaronder beleidsonderzoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Om de verbinding tussen de begrotingen van de fondsen en het MIRT overzicht te verhelderen worden vanaf Begroting 2016 in het Infrastructuurfonds en Deltafonds waar mogelijk digitale verwijzingen opgenomen naar het specifieke projectblad in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenM zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl, het MIRT Overzicht 2018 is te vinden op www.mirtoverzicht.nl en het Deltaprogramma op www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma.

1. LEESWIJZER

Structuur

De opzet en structuur van de begroting voor Hoofdstuk XII zijn gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. De begrotingstoelichting kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2018 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van prioriteiten voor 2018 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 3. In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 4. In de verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 5. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op de rijksbegrotingsvoorschriften de onderstaande punten verwerkt:

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen bijdrage aan het Infrastructuurfonds en bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2031.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de betreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomptabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid, inclusief beleidsindicatoren.

Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf worden de belangrijkste verbeteringen in de begroting beschreven ten opzichte van het voorgaande jaar.

Verbeteringen informatievoorziening via de begrotingscyclus

In aanloop naar de begroting 2017 is er door de rapporteurs mw. Visser en dhr. Hoogland namens de vaste Kamercommissie IenM voor de begrotingscyclus samengewerkt met vertegenwoordigers vanuit IenM om tot verbetervoorstellen voor de informatievoorziening via de begrotingscyclus te komen. In het Wetgevingsoverleg Jaarverslagen op 30 juni 2016 hebben zij over hun aanbevelingen gerapporteerd. Naar aanleiding van deze aanbevelingen zijn er reeds in de begroting 2017, het MIRT Overzicht 2017 en het jaarverslag 2016 verbeteringen aangebracht. Deze verbeteringen zijn toegelicht in de groeiparagraaf van de begroting 2017.

In de begroting 2018 en het MIRT Overzicht 2018 zijn de volgende verbeteringen aangebracht:

  • 1. In het MIRT Overzicht 2018 is bij alle projecten de koppeling tussen project- en beleidsdoelstellingen meer expliciet gelegd. Dit is gedaan door in alle projectbladen in het MIRT Overzicht een onderdeel toe te voegen waarin is aangegeven op welke wijze het desbetreffende project een bijdrage levert aan (een van) de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in de beleidsbegroting van IenM.

  • 2. Conform aankondiging in de begroting 2017 is onderzocht of in het MIRT Overzicht 2018 een financiële eindverantwoording kan worden geïntroduceerd voor opgeleverde projecten in lijn met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer op dat vlak. Uitkomst van dit onderzoek is dat de vanaf het MIRT Overzicht 2017 opgenomen tabel «ontwikkelingen planning en budget» bij alle projecten in de planuitwerking- en realisatiefase vanaf het MIRT Overzicht 2018 jaarlijks met een jaar zal worden uitgebreid. Op deze wijze wordt geleidelijk het overzicht uitgebreid en ontstaat op termijn voor alle projecten het door de Algemene Rekenkamer aanbevolen totaaloverzicht van de ontwikkelingen in de planning en het budget.

  • 3. In het MIRT Overzicht 2018 is voor alle projecten in de realisatiefase de voortgang van de realisatie inzichtelijk gemaakt door in de tabel «gerealiseerd budget» het gerealiseerde budget uit te drukken als percentage van het totale beschikbare budget.

  • 4. In het MIRT Overzicht 2018 is aanvullend inzicht verschaft in de rijksmiddelen die per departement beschikbaar zijn gesteld voor opgaven in het ruimtelijk domein.

  • 5. In bijlage 4 instandhouding van de begrotingen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds is inzicht geboden in de budgetbehoefte voor instandhouding.

Met de doorgevoerde verbeteringen zijn alle aanbevelingen van de rapporteurs mw. Visser en dhr. Hoogland verwerkt. Het komende jaar zal de nadruk liggen op het bevorderen van de kwaliteit van de doorgevoerde verbeteringen.

Nieuwe indicator «Waterhuishouding op orde» artikel 11

In het kader van de nieuwe meerjarige prestatieafspraken (2018–2021) tussen de directoraten-generaal en Rijkswaterstaat over het Beheer en Onderhoud, is gekozen voor een nieuwe indicator die beter aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor de waterhuishouding van het Hoofdwatersysteem. De oude indicatoren «Beschikbaarheid Streefpeilen voor Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet» en «Spuiende kunstwerken en stuwen kunnen te allen tijde worden geopend» zijn vervangen door een indicator «Waterhuishouding op orde». De indicator is uitgebreid omdat in de vorige indicator (beschikbaarheid streefpeilen) alleen het peilbeheer van de genoemde belangrijke watersystemen werd gemeten. In de vernieuwde indicator worden ook de overige peilgereguleerde rijkswateren meegenomen: de Midden Limburgse en Noord Brabantse kanalen, de Twentekanalen, de Noord-Nederlandse en Zeeuwse kanalen. Ook wordt nu in alle jaargetijden gemonitord. Naast het reguliere peilbeheer toont deze indicator ook in hoeverre wateroverlast en -tekorten met de infrastructuur voorkomen kunnen worden en de verzilting bestreden wordt.

Indicatoren Wegen en Verkeersveiligheid artikel 14

Met het toezenden van de Nationale Markt en Capaciteitsanalyse op 1 mei 2017 aan uw Kamer is de indicator voor acceptabele reistijd uit de Nota Mobiliteit en de SVIR vervallen en vervangen door de hoofdwegennet indicator. Hiermee wordt een file top 50 van files met de hoogste economische verlieskosten in beeld gebracht. Daarnaast is afronding van de beleidsdoorlichting voor het beleidsartikel 14 in 2017 voorzien. Hier wordt ook gekeken of de gehanteerde indicatoren, kengetallen en streefwaarden zinvol zijn en hoe de monitoring verbeterd kan worden ingezet om afwegingen bij beleids- en besluitvorming beter te ondersteunen.

Indicatoren Spoorveiligheid artikel 16

In het wetgevingsoverleg met uw Kamer over de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2017 (kamerstuk 34 550 XII, nr. 2) is door het lid Visser gevraagd om een nadere, Nederlandstalige toelichting te geven op de daarin gehanteerde spoorveiligheidsindicatoren. Met ingang van de begroting voor het jaar 2018 is de toelichting op de gehanteerde spoorveiligheidsindicatoren verduidelijkt en zijn deze in lijn gebracht met de Beleidsimpuls Railveiligheid en de nieuwe systematiek.

Verwerking moties

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie Schouw (Kamerstukken II, 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenM heeft de Raad voor 2018 geen specifieke aanbevelingen gedaan (COM 2016; 339).

Motie Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012 33 000 I, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenM begrotingen, is opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie Leegte (Kamerstukken II 2014–2015 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenM vallen opgenomen. Bij de betreffende beleidsartikelen 14 Wegen en verkeersveiligheid en 19 Klimaat worden de maatregelen genoemd.

2. BELEIDSAGENDA

Beleidsagenda 2018

Nederland is een mooi land. Welvarend, met één van de meest concurrerende economieën ter wereld. We hebben een prettige en gezonde leefomgeving. Onze infrastructuur staat wereldwijd in de top-31 en onze kennis over innovatieve oplossingen op het gebied van water, klimaat, fiets en duurzame mobiliteit is overal ter wereld veelgevraagd.

Tegelijkertijd zijn we ook kwetsbaar en staan we voor grote uitdagingen. Onze energie moet duurzamer. Onze mobiliteit slimmer en groener. We moeten ons aanpassen aan klimaatverandering. Leefbare en bereikbare steden zijn allerminst vanzelfsprekend. En we willen naar een economie waarin afval niet bestaat. Daarbij zijn innovatie, kennis en creativiteit belangrijker dan ooit. Aandacht voor het milieu in combinatie met snel en veilig van A naar B. Beschermen tegen overstromingen, door te investeren in veiligheid én te zorgen voor nieuwe natuur. Tegenstellingen omzetten in oplossingen.

We bereiden Nederland voor op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hittestress. We moeten hard werken om ons land bereikbaar te houden en ons vestigingsklimaat aantrekkelijk. We maken keuzes waar we onze woningen bouwen en hoe we verantwoord omgaan met onze natuurlijke omgeving.

Naar een beter Klimaat

Het klimaat- en energiebeleid staat hoog op de politieke agenda en is er brede overeenstemming over de urgentie van het vraagstuk. Het Nederlandse klimaat- en energiebeleid wordt mede bepaald door afspraken op mondiaal en Europees niveau. Zoals het klimaatakkoord van Parijs. Hieraan heeft de Europese Unie en ook Nederland zich gecommitteerd. Dit betekent een drastische beperking van de CO2-uitstoot. De klimaat- en energietransitie die hiervoor nodig is, vraagt een grote inspanning van zowel overheden als burgers en bedrijven. De opgave is complex en vraagt grote investeringen en innovatie. Bovenal is het een grote maatschappelijke opgave: de transitie grijpt direct in in ons dagelijks leven en leefomgeving. We kiezen hiervoor omdat we de stijging van de temperatuur op onze planeet binnen de perken willen houden. Er is een ambitieus en samenhangend pakket aan maatregelen nodig, gericht op een drastische reductie van de CO2-uitstoot. Alleen op die manier is een kostenefficiënte, economisch slimme en geleidelijke transitie mogelijk. Een groene agenda biedt hierbij ook economische kansen. De prijs van schone energie daalt snel. Klimaatbeleid schept nieuwe banen. De transitie is een innovatief proces dat de kracht van de Nederlandse economie en samenleving versterkt. Nauwe samenwerking met andere lidstaten blijft daarbij belangrijk. Niet alleen voor het klimaat, maar ook voor onze concurrentiekracht.

Momenteel wordt Rijksbreed gewerkt aan zogenaamde transitiepaden voor de volgende functionaliteiten: (i) kracht en licht (elektriciteit), (ii) lage temperatuurwarmte (gebouwde omgeving), (iii) hoge temperatuurwarmte (energie intensieve industrie), (iv) mobiliteit en (v) voedsel en natuur. Voor elk transitiepad wordt in kaart gebracht welke maatregelen nodig zijn en wat de innovatieopgave en kennisbehoefte is, om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te kunnen realiseren. Hierbij wordt ook gekeken naar de ruimtelijke inpassing op land, zee of in de ondergrond. De transitiepaden stellen een komend kabinet in staat om de benodigde klimaat- en energietransitie nader vorm te geven.

Hierbij moeten de leefomgevingsaspecten een belangrijk aspect worden in energieprojecten, om groter draagvlak te verkrijgen. Tegelijk moet de energietransitie een belangrijker onderdeel worden in ruimtelijke plannen en onderdeel uit gaan maken van andere opgaven in de fysieke leefomgeving (op land en zee, boven en onder de grond). Hiervoor wordt samengewerkt met verschillende regio’s en met de VNG, UvW en het IPO in diverse pilots voor regionale energiestrategieën.

Daarnaast wordt bekeken op welke manier de transitie het best geborgd en georganiseerd kan worden. De samenwerking en verantwoordelijkheidsverdeling met de andere overheden en uitvoeringsorganisaties maakt hier een belangrijk onderdeel van uit, alsmede de betrokkenheid van bedrijven, burgers en andere belanghebbenden.

Naar een betere bescherming tegen overstromingen.

Het Parijse akkoord voorziet ook in maatregelen om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, zoals een stijgende zeespiegel en toenemende wateroverlast. Nederland anticipeert hierop. Door de wijziging van de Waterwet op 1 januari 2017 gelden in Nederland nieuwe veiligheidsnormen. Daarvoor zullen onder meer primaire waterkeringen nieuwe normen opgelegd krijgen in 2050, en voor het rivierengebied zal verkend worden of dijkversterking en rivierruiming nodig is.

Met een kennisagenda voor de komende jaren zullen de onderwerpen worden aangegeven waarnaar onderzoek gewenst is om de waterveiligheid te realiseren en in stand te houden.

Wereldwijd kampen steden met opgaven rond waterveiligheid en waterzekerheid. Nederland heeft als stedelijke delta veel kennis en ervaring in huis en zet in op de bevordering van een proactieve en preventieve benadering van watergerelateerde risico’s. Een inzet die bijdraagt aan de koploperpositie van Nederland op het gebied van water en klimaat. Hiermee wordt de economische kracht van Nederland in het buitenland versterkt, met name rond adaptatie. Die inzet wordt verder versterkt met de oprichting van het Global Centre of Excellence on Climate Adaptation in Nederland.

Minder Wateroverlast/hittestress

Het klimaat verandert en een groot deel van Nederland ligt (nu al) onder de zeespiegel. Het is belangrijk ons land minder kwetsbaar te maken voor extreme weersomstandigheden en voor de gevolgen van wateroverlast, droogte en hittestress. Die kunnen namelijk zorgen voor frequentere uitval van energie-, telecom- en IT-voorzieningen en een toename van infecties en allergieën. Met het Deltaprogramma en het programma Ruimte voor de Rivier werken we al jaren aan klimaatadaptatie.

Nieuwe thema’s als droogte en hittestress verdienen echter nadrukkelijker aandacht. Gelukkig zien steeds meer partijen in dat adaptatie noodzakelijk is. Zo presenteerden de VNG, IPO en UvW begin 2017 gezamenlijk een investeringsagenda waarin klimaatadaptatie één van de drie prioriteiten is. Eind 2016 heeft het ministerie hiervoor ook de Nationale Klimaatadaptatiestrategie aan de Tweede Kamer aangeboden. Er is in kaart gebracht hoe Nederland zich kan aanpassen aan klimaatverandering. Uitvoering van acties en de resultaten daarvan vinden hun weg naar het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie.

Op het gebied van ruimtelijke adaptatie met betrekking tot water – de ruimtelijke inrichting aanpassen aan het veranderende klimaat – wordt er door IenM gewerkt binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), waarvoor verschillende middelen worden ingezet, zoals een stimuleringsprogramma, een citydeal en Living Labs. Maar we zijn er nog niet en er zijn nog veel uitdagingen. Daarom verschijnt op Prinsjesdag 2017 tevens het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (onderdeel van het Deltaprogramma), als onderdeel van het Deltaprogramma 2018.

Naar Schonere lucht

De afgelopen jaren is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Er resteren nog enkele hardnekkige knelpunten in bepaalde gebieden, zoals die waar zich intensieve veehouderij bevindt (fijnstof) en in enkele binnenstedelijke gebieden (NO2). Daarom wordt de NSL-aanpak voortgezet. Ook wanneer de knelpunten zijn opgelost, kunnen zich gezondheidsrisico’s voordoen vanwege luchtverontreiniging. Het streven is een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, zo wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden2. In overleg met andere overheden, belangenorganisaties en bedrijfsleven zal hiertoe in 2018 een nieuw luchtkwaliteitplan worden opgesteld.

Naar schoner water

De waterkwaliteit is in grote delen van het land de afgelopen jaren duidelijk verbeterd, maar onvoldoende om alle doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te halen. Daarom geven overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten met de op 16 november 2016 ondertekende Intentieverklaring Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater een extra impuls om de waterkwaliteitsdoelen te halen. De prioriteiten zijn nutriënten en mest, gewasbeschermingsmiddelen en het opkomende probleem van medicijnresten in water, daarnaast wordt ingezet op de inrichting van de grote wateren, de bronnen voor drinkwater, de relatie met microplastics en voldoende zoetwater. Dit varieert van maatregelen op het boerenerf tot extra inzet bij de rioolwaterzuivering.

Slimme en duurzame Mobiliteit

Nederland kent een sterke infrastructuur met grote Mainports, goede achterlandverbindingen per water, fijnmazig spoornetwerk en wegennetwerk van wereldkwaliteit. Deze maken de groei van mobiliteit van personen en goederenvervoer mogelijk en dragen daarmee bij aan de economische ontwikkeling van Nederland. Dit is mede dankzij de investeringen die de afgelopen jaren zijn gedaan. De toenemende vraag naar mobiliteit, veranderende economische structuren en een sterkere urbanisatie blijven ons uitdagen om de bereikbaarheid op orde te houden.

Figuur: mobiliteitsontwikkeling in miljard reizigerskilometers, cumulatief.

Figuur: mobiliteitsontwikkeling in miljard reizigerskilometers, cumulatief.

Inzet op innovatie, verduurzaming en verkeersveiligheid

Om Nederland in beweging te houden hebben we nieuwe formules nodig. Formules waarbij we niet alleen bestaande infrastructuur uitbreiden maar ook nieuwe, slimmere vormen van reizen introduceren. Mensen willen zo efficiënt en comfortabel mogelijk van A naar B en daarbij soepel overstappen tussen verschillende vervoermiddelen. Welk vervoermiddel dat is, wordt steeds minder van belang. Mobiliteit wordt een dienst. Ook in het goederenvervoer wordt meer en meer gedacht in multimodale corridors.

Deze transities gaan samen met de eerste stappen in de ontwikkeling van zelfrijdende auto’s, E-Bikes en speed pedelecs, smart shipping, drones maar ook verder in de toekomst liggende ontwikkelingen als de hyperloop. De aandacht voor energieneutrale en duurzame infrastructuur en vervoermiddelen zal daarbij verder toenemen. Als overheid, uitvoeringsorganisaties en inspectie moeten we zorgen dat we klaar zijn voor deze ontwikkelingen en onze infrastructuur en regelgeving hier tijdig op aanpassen. Daarbij draagt het actief inzetten op deze ontwikkelingen bij aan de bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid en biedt het kansen voor de nationale economie. Dit doen we bijvoorbeeld met het uitvoeren van de «Declaration of Amsterdam» en de acties in het kader van het Energieakkoord voor duurzame groei. Zo wordt ingezet op de doorontwikkeling van zelfrijdende voertuigen en een nieuwe brandstoffenmix met biobrandstoffen, waterstof en elektrisch.

In het goederenvervoer en de logistiek werkt IenM met veel partijen samen aan innovatie en verduurzaming. De organisatie van bedrijfsleven, kennisinstellingen, en overheden, in de topsector logistiek, zetten we steeds meer in voor een samenhangende aanpak van maatschappelijke uitdagingen zoals emissievrije stadslogistiek, betere bereikbaarheid en versterking van vestigingsklimaat en internationale concurrentiepositie. Verduurzaming van het goederenvervoer over water en door de lucht vergt tevens internationale afspraken. Nederland blijft zich daarom in internationaal verband inzetten voor het terugdringen van de uitstoot van zeeschepen, binnenvaartschepen en luchtvaart. Ook na het principebesluit van de internationale maritieme organisatie voor een strenge mondiale zwavelnorm in 2020, een nieuwe stikstofdioxidenorm in 2021 en voor de luchtvaart op afspraken voor een mondiaal systeem voor CO2 reductie zoals overeengekomen in Montreal eind 2016.

Naast duurzaamheid en technologische innovatie ziet IenM ook nieuwe vraagstukken op het gebied van veiligheid. Mensen nemen tot op steeds hogere leeftijd deel aan het verkeer en weggebruikers moeten wennen aan nieuwe innovaties. Afgelopen jaren hebben we helaas een stijging in het aantal verkeersdoden gezien. Daarom komt er in 2018 een nieuw Strategisch plan om de volgende stap in verkeersveiligheid te kunnen zetten. Wat betreft de spoorwegen is de inzet te komen tot een Programmabeslissing ERTMS waarmee de realisatiefase start: ERTMS zorgt voor een veiliger spoor, én biedt ook potentiële voordelen op het gebied van betrouwbaarheid, snelheid, capaciteit en grensoverschrijdend treinverkeer.

Op orde houden van de netwerken

Essentieel voor de bereikbaarheid van Nederland blijft het op orde houden van de capaciteit van onze infrastructuur. Vanwege intensief gebruik en veroudering van het netwerk zal in de komende jaren flink geïnvesteerd worden in renovatie en vervanging van kunstwerken om de infrastructuur beschikbaar te houden voor de gebruiker. Op de korte termijn leidt de toename van het aantal verplaatsingen tot een afname van de betrouwbaarheid van reistijden. Daarom wordt o.a. de werkwijze van Beter Benutten na 2017 voortgezet. Zo wordt met de regio’s gewerkt aan een gerichte aanpak voor de korte termijn (2018–2021) die een bijdrage moet leveren aan de oplossing van de stedelijke bereikbaarheidsvraagstukken, maar ook aan de ontwikkeling van nieuwe vervoersconcepten en de reductie van de CO2 uitstoot. Gegeven de opgave is de verwachting dat het vooral zal gaan om thema’s op het gebied van ITS, logistiek, de mobiliteitssector (Mobility as a Service), duurzame mobiliteit en maximaal gebruik van de fiets.

Figuur: ontwikkeling per vervoerwijze naar aantal verplaatsingen (links) en kilometers (rechts) 2014–2040

Figuur: ontwikkeling per vervoerwijze naar aantal verplaatsingen (links) en kilometers (rechts) 2014–2040

In 2017 is de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) opgeleverd, waarin een integraal beeld van de toekomstige ontwikkeling van vraag en aanbod op het gebied van verkeer en vervoer wordt gegeven. De nieuwe NMCA laat zien dat ook op de lange termijn op al onze netwerken de vraag blijft toenemen, zowel bij hoge als lage groei. De belangrijkste knelpunten gaan zich voordoen in en tussen de grote steden en op de goederencorridors. Om deze groei te kunnen faciliteren en vervoersknelpunten te voorkomen is het belangrijk om het MIRT onverkort uit te voeren. In toenemende mate worden hierbij opgaven integraal onderzocht en uitgewerkt, met als voorbeeld de programma-aanpak van de bereikbaarheid van de noord- en zuidvleugel van de Randstad en in Zuid Nederland (SmartwayZ.NL). Daarbij vindt de voorbereiding van hoogfrequent rijden («spoorboekloos rijden») op de eerste corridor uit het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) plaats, namelijk de corridor Amsterdam – Eindhoven. Dit is de eerste stap waarmee PHS operationeel wordt. Ook onderzoeken we, in vervolg op de actieagenda Schiphol, hoe we gezien de grote groei van de luchtvaart en de capaciteitsontwikkeling de concurrentiepositie van Schiphol kunnen behouden en versterken op een innovatieve, duurzame en veilige manier. Mede doordat de maximaal toegestane 500.000 vliegtuigbewegingen tot en met 2020 in zicht komen, wordt voorbereid op de gevolgen van de groei voor onder meer veiligheid, hinder voor de omgeving, de grensbewaking en de infrastructuur van de luchthaven. Zo wordt bijvoorbeeld hard gewerkt aan de openstelling van Lelystad Airport in april 2019.

Circulaire Economie: duurzaam omgaan met grondstoffen

Circulaire Economie: duurzaam omgaan met grondstoffen

Het Rijk heeft de ambitie om te komen tot een reductie van het nationale verbruik van primaire grondstoffen van 50% in 2030, als tussenstap naar een volledig circulaire economie in 2050. Strategische doelen daarbij zijn:

  • Niet-duurzame grondstoffen vervangen door duurzame grondstoffen;

  • Producten en grondstoffen langer in gebruik houden;

  • Ontwikkelen en toepassen van nieuwe circulaire producten en diensten.

  • In januari 2017 ondertekenden 180 partijen het Grondstoffenakkoord. Het was het startschot om samen met bedrijven, kennisinstellingen, andere overheden, milieu- en vakbeweging uit te werken hoe we de Nederlandse economie in de toekomst kunnen laten draaien op herbruikbare grondstoffen. Dit jaar stellen we voor de prioriteiten biomassa, voedsel, kunststoffen, maakindustrie bouw en consumptiegoederen concrete plannen vast. Dat wil zeggen: de stappen die we zetten om te komen tot een volledig circulaire economie in 2050. Vanaf 2018 gaan de plannen in uitvoering, worden de voortgang en de effecten nauwkeurig gevolgd en wordt waar nodig bijgestuurd. Het ministerie zet zich daarnaast in voor een ambitieus Europees beleid op dit vlak.

Uitbanning van Schadelijke stoffen

Sommige stoffen willen we juist zo snel mogelijk uitfaseren uit de economie. Asbest is bijvoorbeeld zo’n stof. Daarom is in december 2016 het actieprogramma Programmatische aanpak asbestdaken aangeboden aan de Tweede Kamer. Met dit plan wordt de sanering versneld op gang gebracht. Vanuit het Rijk wordt de subsidieregeling verwijdering asbestdaken gecontinueerd.

Nederland werkt daarnaast in de EU aan een gezamenlijke aanpak van gevaarlijke stoffen, gericht op versnelling en completering van het stoffenbeleid (hormoonverstorende stoffen, cumulatieproblematiek, nanovorm van stoffen). Ook werken overheid, bedrijfsleven en wetenschap samen in het programma Duurzame Veiligheid 2030. Doel van het programma is te komen tot een vitale chemische sector in een veilige omgeving in 2030.

Naar een eenvoudiger omgevingsrecht

De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. «Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit» is het motto. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Het nieuwe stelsel biedt de instrumenten en flexibiliteit om toekomstige maatschappelijke opgaven in de leefomgeving te verwezenlijken. De transitie naar duurzame energie, de verandering van het klimaat en de opgaven in krimpgebieden vragen om moderne, inzichtelijke regelgeving die snelheid en zorgvuldigheid combineert. Dit doet het Kabinet door deze uitgangspunten die in de Omgevingswet zijn vormgegeven verder uit te werken in de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet. En door de digitale ondersteuning van de Omgevingswet te realiseren.

Implementatie

De implementatie van de Omgevingswet is een grote opgave voor de overheden en uitvoeringsorganisaties en essentieel voor het behalen van de doelen van de stelselherziening. Daarom hebben het Rijk, de VNG, het IPO en de UvW in 2015 in een bestuursakkoord afgesproken hier samen een interbestuurlijk programma voor op te zetten.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is de digitale ondersteuning van de Omgevingswet. Het DSO is een geordend en verbonden geheel van afspraken, ICT-voorzieningen, registraties gegevensverzamelingen en bronnen. Met dit systeem kunnen initiatiefnemers, belanghebbenden en bevoegd gezag de informatie raadplegen die zij nodig hebben bij het gebruik van de Omgevingswet. Het DSO wordt gefaseerd gerealiseerd. Bij inwerkingtreding van de wet kunnen vergunningen digitaal worden aangevraagd, meldingen digitaal worden gedaan en is er een voorziening waarmee burgers en bedrijven omgevingsdocumenten kunnen raadplegen

Naar een Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De stijgende bevolking, de blijvende vraag naar mobiliteit en de benodigde klimaattransitie hebben allemaal een ruimtebeslag en vragen daarom om keuzes. De nieuwe Omgevingswet verplicht het rijk een omgevingsvisie op te stellen. Deze Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de integrale langetermijnvisie (2030–2050) van het Rijk over de noodzakelijke en de gewenste ontwikkeling naar een duurzame fysieke leefomgeving. De NOVI moet leiden tot afspraken over de noodzakelijke en gewenste vernieuwingen in de fysieke leefomgeving. Dit doen we, door voor de lange termijn doelen te stellen en deze door te vertalen naar de concrete plannen en projecten voor de kortere termijn. Dit doet de overheid niet alleen, maar samen met alle betrokken overheden en andere maatschappelijke organisaties.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de Eerste suppletoire begroting 2017. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage te vinden.

Bedragen x € 1.000

art.

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023–2030

2031

Stand ontwerpbegroting 2017

 

7.994.424

8.340.964

8.449.547

8.592.153

8.798.264

8.846.671

   

Nota's van wijziging

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2017

 

– 122.656

186.060

367.566

128.943

128.549

128.811

Stand 1e suppletoire begroting 2017

 

7.871.768

8.527.024

8.817.113

8.721.096

8.926.813

8.975.482

Belangrijkste mutaties Hoofdstuk XII

 

– 410.680

– 96.365

– 81.220

55.323

19.877

21.979

 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk XII

                 

1

Bijdrage eID

div.

0

– 2.000

– 2.000

– 2.000

– 2.000

– 2.000

– 13.372

– 1.899

2

MOC Kustwacht

26

– 1.504

– 6.059

– 6.809

– 7.362

– 6.852

– 6.096

– 38.559

– 3.165

3

Wind op zee

26

5.501

4.368

3.345

4.533

       

4

Zoetwatermaatregelen

26

– 9.458

– 9.690

– 12.397

         

5

Kasschuif aardobservatie

23

 

5.000

   

– 5.000

     

6

DBFM conversies

26

– 270.680

– 73.838

– 62.051

60.890

34.566

30.770

227.744

26.382

7

Overboekingen GF/PF/BCF

                 
 

– Grensoverschrijdend Spoorvervoer

26

– 9.458

             
 

– Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn

26

– 146.881

             
 

Diversen

div.

9.905

– 14.146

– 1.308

– 738

– 837

– 695

   
 

Overige mutaties Hoofdstuk XII

                 

8

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

                 
 

– waarvan Infrastructuurfonds

26

– 8.000

– 10.000

– 10.000

– 9.500

– 5.930

     
 

– waarvan Deltafonds

26

8.000

10.000

10.000

9.500

5.930

     

9

Eenvoudig Beter – externe inhuur

                 
 

– waarvan dekking uit apparaatsuitgaven

98

– 1.500

             
 

– waarvan dekking uit nominaal en onvoorzien

99

– 6.000

             
 

– overboeking van XII naar IF

26

7.500

             
 

– overboeking van IF naar XII

26

 

– 5.000

– 2.500

         
 

– apparaatsuitgaven kerndepartement

98

 

5.000

2.500

         

10

Caribisch Nederland – havenprojecten

18

 

8.705

           
   

26

 

– 8.705

           

11

Schadeclaims Schiphol

17

2.000

             

12

ABP pensioenpremie

99

– 8.384

– 8.384

– 8.384

– 8.384

– 8.384

– 8.384

   
 

– Infrastructuurfonds

26

3.912

3.912

3.912

3.912

3.912

3.912

31.296

3.912

 

– Deltafonds

26

1.195

1.195

1.195

1.195

1.195

1.195

9.560

1.195

 

– Hoofdstuk XII

div.

3.277

3.277

3.277

3.277

3.277

3.277

   

13

Loon- en prijsbijstelling

99

– 103.719

– 115.227

– 114.908

– 116.731

– 117.958

– 118.518

   
 

– waarvan Infrastructuurfonds

26

66.079

73.460

73.636

74.632

73.147

75.033

600.264

75.033

 

– waarvan Deltafonds

26

10.720

13.825

13.698

14.622

16.577

15.220

121.760

15.220

 

– waarvan Hoofdstuk XII

div.

26.920

27.942

27.574

27.477

28.234

28.265

   

14

Eindejaarsmarge

99

– 17.805

             

15

Thermphos

99

27.700

             

Stand ontwerpbegroting 2018

 

7.461.088

8.430.659

8.735.893

8.776.419

8.946.690

8.997.461

Ad 1. Door het Ministerie van BZK is in kaart gebracht dat voor de stelselkosten van het programma eID structureel € 16 miljoen is benodigd vanaf 2018. Dit betreft de totale bijdrage vanuit Hoofdstuk XII, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Ad 2. De ministeries van IenM, VenJ, EZ, Financiën en Defensie investeren in een Maritiem Operatiecentrum (MOC) voor de Kustwacht. Bij Begroting 2018 worden middelen overgeheveld naar het Ministerie van Defensie. Dekking vindt plaats uit artikelonderdeel 18.11 op het IF. Artikel 26 op Hoofdstuk XII is het voedingsartikel voor de fondsen, daarom loopt deze overboeking via artikel 26.

Ad 3. In het kader van het project Wind op Zee worden er middelen overgeheveld van het Ministerie van EZ naar het Deltafonds (middels het voedingsartikel 26 Hoofdstuk XII). Dit project is onderdeel van de energietransitie naar duurzame energie-bronen in Nederland waarbij windparken op zee worden gebouwd.

Ad 4. Ten behoeve van de uitvoering van Zoetwatermaatregelen door provincies worden voor de jaren 2017 tot en met 2019 middelen overgeheveld naar het Provinciefonds. De BTW componenten voor deze jaren, gekoppeld aan betreffende maatregelen, worden afgedragen aan het BTW-compensatiefonds

Ad 5. Dit betreft een kasschuif om de (tijdelijk) gestegen contributie EUMETSAT op te kunnen vangen. Op basis van een actuele raming van EUMETSAT is een kasschuif (à € 5 miljoen) van 2021 naar 2018 nodig om de budgettaire reeks in overeenstemming met de programmering te krijgen. Het KNMI kan dit niet via de balanspost opvangen, omdat deze in 2016 significant is afgenomen. Middels een generale kasschuif wordt dit gefaciliteerd.

Ad 6. Bij Begroting 2018 worden een aantal DBFM conversies verwerkt. Dit betreft de projecten A27/A1 Utrecht – Eemnes – Bunschoten, Capaciteitsuitbreiding Sluis Eefde, N18 Varsseveld – Enschede en SAA A6 Almere. De budgettaire reeksen worden omgezet om aan de beschikbaarheidsvergoedingen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt het niet DBFM gedeelte van Aanleg naar Geïntegreerde Contractvormen overgeheveld vanuit het oogpunt van integrale verantwoording van het project.

Ad 7. Dit betreft overboekingen naar het Provinciefonds, het Gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds in het kader van het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn (RSP) (€ 147 miljoen) en Grensoverschrijdend Spoorvervoer (€ 9 miljoen).

Ad 8. Bij de Begroting 2018 worden op het Infrastructuurfonds en Deltafonds middelen vrijgemaakt voor de Basisregistratie Ondergrond (BRO). De vrijgemaakte middelen worden gereserveerd op het Deltafonds en tranchegewijs naar Hoofdstuk XII overgeheveld waar de uitgaven voor BRO worden verantwoord. Dekking vindt plaats uit artikelonderdeel 18.11 op het IF. Dit betreft de overheveling van het aandeel op het Infrastructuurfonds naar het Deltafonds. Artikel 26 op Hoofdstuk XII is het voedingsartikel en daarom loopt de overboeking via dit artikel.

Ad 9. Ten behoeve van externe inhuur bij het Wetgevingstraject van de Omgevingswet wordt er bij Begroting 2018 in totaal € 7,5 miljoen overgeboekt van Hoofdstuk XII naar het IF in 2017. Deze middelen zijn benodigd in 2018 en 2019. Daarom wordt dit middels een kasschuif in de juiste jaren gezet.

Ad 10. Voor de havenprojecten Caribisch Nederland is een reservering van € 12 miljoen vanuit de investeringsruimte Vaarwegen getroffen. Bij Begroting 2018 wordt € 8,7 miljoen overgeheveld naar Hoofdstuk XII ten behoeve van de realisatie van de renovatie van haveninfrastructuur op Bonaire.

Ad 11. Om kosten te kunnen dekken voor onder andere (schade)claims en de isolatie van woningen, die ontstaan door overvliegende vliegtuigen, worden er bij (regionale) luchtvaartmaatschappijen middels heffingen gelden geïnd. Dit betreft de kosten ten behoeve van schadeclaims Schiphol.

Ad 12. Per 1 januari 2017 heeft het ABP de pensioenpremie verhoogd. De middelen die ter compensatie van de pensioenpremiestijging aan de begroting Hoofdstuk XII zijn toegevoegd, worden toegedeeld naar de diverse artikelen op Hoofdstuk XII en de fondsen.

Ad 13. Jaarlijks wordt besloten of de overheidsuitgaven van de Rijksbegroting gecorrigeerd worden voor loon- en prijsontwikkelingen. Dit betreft de loonbijstelling en prijsbijstelling tranche 2017 die nader wordt toegedeeld binnen de begrotingen Hoofdstuk XII en de fondsen.

Ad 14. Bij de Eerste suppletoire begroting was de eindejaarsmarge 2016 al toegekend en (voorlopig) technisch op artikel 99 geplaatst. Deze mutatie betreft de toedeling aan de diverse artikelen.

Ad 15. Het Rijk reserveert € 27,7 miljoen voor de complexe sanering van het Zeeuwse industrieterrein Thermphos in Zeeland, naar aanleiding van het advies van de Commissie onderzoek sanering Thermphos (TK 29 826, nr. 90). Een bijdrage is voorwaardelijk aan het bereiken van een totaalakkoord met de provincie Zeeland en het havenbedrijf, waarbij zij eenzelfde financiële bijdrage leveren. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu treedt op als beleidsverantwoordelijk departement namens het Rijk, waarbij de onafhankelijkheid van de toezichthouder wordt geborgd.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel. Hiermee wordt de budgetflexibiliteit in de begroting beter inzichtelijk gemaakt en valt af te leiden welk deel van de geraamde uitgaven budgettair-technisch gezien beschikbaar is voor alternatieve besteding. Het percentage en het bedrag niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel worden bepaald op basis van het percentage «juridisch verplicht» uit de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen. In de kolom «Bestemming van de niet juridische verplichte uitgaven» wordt het niet verplichte bedrag opgesplitst naar de bestemming van de uitgaven.

Overzicht niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art. nr.

Naam artikel

Juridisch verplicht

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

11

Integraal waterbeleid

(€ 44.986)

€ 39.964 (89%)

€ 5.022

(11%)

• € 973 voor opdrachten algemeen waterbeleid (watereducatie, watercoalitie, bijdrage OLO, doelmatig waterbeheer en Publiekscampagne Ons Water).

• € 606 voor opdrachten ter ondersteuning van water internationaal.

• € 425 voor opdrachten waterveiligheid.

• € 1.272 voor opdrachten waterkwaliteit.

• € 418 voor opdrachten op het gebied van grote oppervlakte wateren.

• € 1.328 voor overige uitgaven.

13

Ruimtelijke ontwikkeling

(€ 131.496)

€ 125.618

(96%)

€ 5.878

(4%)

• € 942 voor opdrachten ruimtelijk beleid (krimp, stedelijke herverkaveling, grondeigendom).

• € 979 voor opdrachten ruimtelijk ontwerp (werkprogramma college van Rijksadviseurs, Gouden Piramide, Atelier Making Projects).

• € 275 voor opdrachten Klimaat adaptatieGeo informatie.

• € 548 voor opdrachten Geo informatie.

• € 241 voor aardbevingsdossier Groningen/programma’s Utrecht en Brainport Eindhoven/ Metropool Amsterdam/ Wonen en Vliegen.

• € 679 voor opdrachten Drinkwater en waterketen.

• € 1.251 voor opdrachten Bodem en Energie.

• € 163 NEN normering en Milieu Effecten Rapportage.

• € 800 voor het nader uitwerken van de uitgangspunten van de Omgevingswet in uitvoeringsregelgeving en – wetgeving.

14

Wegen en verkeersveiligheid

(€ 36.725)

€ 29.734

(81%)

€ 6.991

(19%)

• € 1.054 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. wegmaatregelen, het verduurzamen van mobiliteit en ERRU.

• € 1.900 voor opdrachten Beter Benutten voor diverse onderzoeken, communicatie, gedrag en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen.

• € 4.037 voor diverse onderzoeken verkeersveiligheid en verkeersveiligheidcampagnes.

16

Openbaar Vervoer en Spoor

(€ 18.622)

€ 15.813

(85%)

€ 2.809

(15%)

• € 500 voor het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV).

• € 200 voor Taken werkagenda Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) OV-Chipkaart.

• € 300 voor het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van beheer- en vervoerconcessie.

• € 1.809 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA), toegankelijkheid en het creëren van een gelijk speelveld van het Openbaar Vervoer.

17

Luchtvaart

(€ 15.162)

€ 12.352

(81%)

€ 2.810

(19%)

• € 2.810 voor diverse opdrachten/onderzoeken m.b.t. luchtvaartveiligheid, luchthavenontwikkeling, luchtverkeer en economie en luchtvaartpolitiek.

18

Scheepvaart en Havens

(€ 25.396)

€ 24.211

(95%)

€ 1.185

(5%)

• € 1.185 voor opdrachten en onderzoeken Scheepvaart en Havens met betrekking tot bevorderen duurzame binnenvaart, vernieuwen internationale regelgeving, Caribisch Nederland activiteiten en onderzoek naar klimaat, luchtkwaliteit en duurzame zeevaart.

19

Klimaat

(€ 66.915)

€ 62.683

(94%)

€ 4.232

(6%)

• € 173 uitvoering klimaatagenda.

• € 46 uitvoering industrie.

• € 26 incidentele subsidies klimaat.

• € 588 vrijwillige bijdragen aan (inter)nationale organisaties.

• € 128 cofinanciering Interreg.

• € 300 diverse internationale missies.

• € 603 uitvoering HGIS.

• € 118 uitvoering niet-HGIS.

• € 2.250 DGMI-brede projecten.

20

Lucht en Geluid

(€ 34.729)

€ 33.729

(97%)

€ 1.000

(3%)

• € 1.000 Uitvoering Slimme Gezonde Stad.

21

Duurzaamheid

(€ 19.719)

€ 16.125

(82%)

€ 3.594

(18%)

• € 218 uitvoering Duurzaamheids-instrumentarium.

• € 3.204 uitvoering duurzame productketens.

• € 172 uitvoering Natuurlijk Kapitaal.

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

(€ 34.937)

€ 30.049

(86%)

€ 4.888

(14%)

• € 1.831 Uitvoering Veiligheid Chemische Stoffen.

• € 1.161 Uitvoering veiligheid inrichtingen en bedrijven.

• € 1.405 Uitvoering Veiligheid Bedrijven en Transport.

• € 491 diverse subsidies.

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

(€ 50.508)

€ 50.508

(100%)

€ 0

(0%)

24

Handhaving en toezicht

(€ 103.314)

€ 103.314

(100%)

€ 0

(0%)

25

Brede doeluitkering

(€ 881.588)

€ 881.588

(100%)

€ 0

(0%)

26

Bijdrage investeringsfondsen

(€ 6.595.335)

€ 6.595.335

(100%)

€ 0

(0%)

Totaal

€ 8.059.432

€ 8.021.023

€ 38.409

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

 

realisatie

 

planning

         

Artikel

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Geheel artikel?

Artikel 11 Waterkwantiteit

         

X

 

Ja

Waterkwaliteit

               

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

       

X

   

Ja

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

 

X

         

Ja

Artikel 16 Openbaar vervoer en Spoor

   

X

       

Ja

Artikel 17 Luchtvaart overig

 

X

         

Ja

Artikel 18 Scheepvaart en havens

X

         

X

Ja

Artikel 19 Klimaat

   

X

       

Ja

Artikel 20 Lucht

     

X

     

Nee

Artikel 20 Geluid

         

X

 

Nee

Artikel 21 Duurzaamheid

       

X

   

Ja

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

   

X

       

Ja

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

     

X

     

Ja

Artikel 24 Handhaving en toezicht

     

X

     

Ja

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van beleidsartikel 24 betreft de keuzes die in het handhavings- en toezichtbeleid door de ILT kunnen worden gemaakt.

Het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen staat op de website van de Rijksbegroting3. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 5 Evaluatie en overig onderzoek.

Overzicht risicoregelingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Bij het Ministerie van IenM is sprake van twee van dergelijke garantieregelingen: het borgstellingskrediet Bodemsanering MKB. Daarnaast is het kabinet bereid tot een garantstelling Winair.

Het borgstellingkrediet Bodemsanering MKB betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2018 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 397.000. De garanties Bodemsanering MKB lopen af naar nul over de looptijd tot en met 2027.

Het kabinet is – met inachtneming van het toetsingskader risicoregelingen – bereid om in 2018 een garantstelling te verlenen aan luchtvaartmaatschappij Winair. Het gaat om een garantstelling voor een lening van maximaal € 23 mln. Winair is bezig met het vervangen van een aantal vliegtuigen in haar vloot, waarvoor externe financiering moet worden aangetrokken. Winair zorgt voor duurzame, frequente, veilige en betaalbare verbindingen naar St. Eustatius en Saba. Momenteel wordt deze garantstelling nader uitgewerkt, op basis van genoemde toetsingskader. Wanneer hierover volledige overeenstemming is met betrokken partijen, wordt uw Kamer hierover per brief nader geïnformeerd, inclusief het toetsingskader risicoregelingen.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Garantie-plafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

Artikel 13

MKB Krediet

436

0

0

397

0

0

397

0

0

0

Artikel 17

Winair

0

0

0

0

23.000

0

23.000

0

0

01

 

Totaal

436

0

0

397

23.000

0

23.397

0

0

0

X Noot
1

De risicovoorziening van € 11,5 miljoen is getroffen op het Infrastructuurfonds

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven

2016

Ontvangsten 2016

Stand risicovoorziening 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Stand risicovoorziening 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risicovoorziening 2018

Saldo 2018

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 17

Winair

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

01

0

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

De risicovoorziening van € 11,5 miljoen is getroffen op het Infrastructuurfonds

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn, conform herziene basiskustlijn 2012 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–20214.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies.

  • Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Waterkwantiteit

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen.

In 2013 is de Verlengde Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen (LRT3+) gehouden. Deze toetsing kwam voort uit de derde toetsing uit 2011, met als bedoeling om zoveel mogelijk de categorie die bij de derde toetsing het oordeel «nader onderzoek nodig» had gekregen weg te werken. In 2014 is hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd met als belangrijkste conclusie dat voor circa 80% van de dijken en duinen het oordeel «nader onderzoek nodig» nu is omgezet in een definitief oordeel, wat eveneens geldt voor bijna 70% van de kunstwerken (Kamerstukken II 2013–2014, 31 710, nr. 32). De waterkeringen en kunstwerken die bij de laatst gehouden toetsing niet aan de toen vigerende norm voldeden, worden in de nabije toekomst versterkt. Ongeveer de helft hiervan heeft reeds een plek in lopende verbeterprogramma’s, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De overige afgekeurde keringen uit de derde en verlengde derde toetsing krijgen een plek in het hoogwaterbeschermingsprogramma(HWBP), mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria. In 2017 is de nieuwe ronde beoordelen op veiligheid gestart, gebaseerd op de nieuwe normering (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 436, nr. 2). Over de resultaten van deze beoordeling wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (km)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Indicatoren Watermanagement

In het kader van de nieuwe meerjarige prestatieafspraken (2018 – 2021) tussen de directoraten-generaal en Rijkswaterstaat over het Beheer en Onderhoud, is gekozen voor een nieuwe indicator die beter aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor de waterhuishouding van het Hoofdwatersysteem. De oude indicatoren «Beschikbaarheid Streefpeilen voor Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet» en «Spuiende kunstwerken en stuwen kunnen te allen tijde worden geopend» zijn vervangen door een indicator «Waterhuishouding op orde». Hierbij wordt gemonitord op alle peilgereguleerde rijkswateren en in alle jaargetijden. Naast het reguliere peilbeheer toont deze indicator ook in hoeverre wateroverlast en -tekorten met de infrastructuur voorkomen kunnen worden en de verzilting bestreden wordt.

De nieuwe indicator toont in hoeverre de «Waterhuishouding op orde» is, door de functievervulling van de vier onderliggende hoofdwatersysteemfuncties te meten:

  • Peilhandhaving Kanalen en Meren

  • Hoogwaterbeheersing Kanalen

  • Wateraanvoer bij droogte

  • Zoutindringing tegengaan

De streefwaarde voor deze nieuwe Indicator («Waterhuishouding op orde») is gesteld op 100%. De functievervulling van de vier onderliggende deelfuncties wordt op basis van de prestatieafspraken gewogen per watersysteem (netwerkschakel) meegenomen in de berekening van de totaalscore. De totaal-PIN scoort lager dan 100% zodra overlast ontstaat door het onvoldoende realiseren van afspraken die zijn vastgelegd in Waterakkoorden en Peilbesluiten.

Indicatoren Watermanagement

Indicator

Realisatie 2016

Streefwaarde 2017

Streefwaarde 2018

Tot en met 2017:

     

– Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

100%

90%

– 

– De spuiende kunstwerken en stuwen kunnen te allen tijde worden geopend

99,8%

100%

– 

Vanaf 2018:

     

– Waterhuishouding op orde in alle peilgereguleerde rijkswateren (2)

– 

– 

100%

Bron: Rijkswaterstaat, 2017

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via «De Staat van Ons Water»5. Omdat de Kaderrichtlijn Water werkt met planperiodes, is een volledige beschrijving van de toestand alleen om de zes jaar mogelijk. Het PBL rapporteert op verzoek van de Minister van IenM in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks op basis van de beschikbare gegevens over waterkwaliteit.

Integraal waterbeleid

Over de voortgang van het integraal waterbeleid wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd in «De Staat van Ons Water». Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel»6.

Beleidswijzigingen

Per 1 januari 2017 is de nieuwe normering primaire waterkeringen (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 436, nr. 6) in werking getreden. De bijhorende regeling voor de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen, een wijziging van het Waterbesluit en aanpassing van de subsidieregeling voor de versterking van de primaire keringen zijn ook in werking getreden. Het doel is dat in 2050 alle primaire keringen aan de nieuwe normen voldoen. De primaire waterkeringen in Nederland worden in een cyclus van 12 jaar beoordeeld op basis van de voorschriften die de Minister heeft gesteld in de Regeling veiligheid primaire waterkeringen. In 2017 zijn beheerders gestart met de beoordelingsronde op basis van nieuwe normen waterveiligheid. De keringbeheerders zullen de resultaten van de beoordeling rapporteren aan de Minister. Deze rapportage kan doorlopend plaatsvinden. Nadat de ILT heeft geconcludeerd dat de beheerder de beoordeling conform de voorschriften heeft uitgevoerd, kan de beheerder keringen die niet aan de norm voldoen aanmelden bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Programmering in het HWBP vindt plaats op basis van urgentie, waarbij de meest urgente dijkversterkingen het snelst in uitvoering gaan. In 2023 zal de Minister de Tweede Kamer informeren over de landelijke beoordelingsronde. Na deze ronde volgen nog twee beoordelingsrondes (in 2035 en 2047) waarin verfijning van het veiligheidsbeeld mogelijk is en actuele inzichten kunnen worden meegenomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 11 Integraal waterbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

54.638

93.891

32.273

31.678

31.810

31.972

41.875

Uitgaven:

48.869

56.431

44.986

44.310

44.312

43.974

41.875

Waarvan juridisch verplicht

   

89%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

36.167

42.901

33.499

32.560

32.422

32.781

30.707

11.01.01

Opdrachten

6.630

13.478

5.378

4.423

4.267

5.716

5.947

11.01.02

Subsidies

11.358

11.612

12.632

12.632

12.642

11.602

8.802

 

– Partners voor Water (HGIS)

11.308

11.541

11.602

11.602

11.602

11.602

8.802

 

– Overige subsidies

50

71

1.030

1.030

1.040

0

0

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

17.325

17.074

15.489

15.505

15.513

15.463

15.958

 

– waarvan bijdrage aan RWS

16.801

16.624

15.029

15.045

15.053

15.053

15.548

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

524

450

460

460

460

410

410

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

854

737

0

0

0

0

0

11.02

Waterveiligheid

3.001

3.168

3.011

3.010

3.011

3.011

3.011

11.02.01

Opdrachten

3.001

3.168

3.011

3.010

3.011

3.011

3.011

11.03

Grote oppervlaktewateren

2.575

3.351

2.429

2.479

2.529

2.579

2.554

11.03.01

Opdrachten

2.575

3.351

2.429

2.479

2.529

2.579

2.554

11.04

Waterkwaliteit

7.126

7.011

6.047

6.261

6.350

5.603

5.603

11.04.01

Opdrachten

4.002

4.126

4.227

3.946

3.960

4.013

4.013

11.04.02

Subsidies

478

644

400

400

400

400

0

11.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

972

350

325

500

500

0

0

11.04.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.674

1.891

1.095

1.415

1.490

1.190

1.590

 

Ontvangsten

248

3.043

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
   

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

328.869

220.496

234.708

470.793

506.367

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

197.844

162.258

189.557

155.170

151.456

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

526.713

382.754

424.265

625.963

657.823

waarvan

         

1.01

Grote projecten waterveiligheid

35.422

233.226

266.319

58.991

134.702

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

169.799

147.008

155.556

563.972

520.621

1.03

Studiekosten

4.492

2.520

2.390

3.000

2.500

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

18.822

33.913

49.672

41.586

458

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.041

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

21.863

33.913

49.672

41.586

458

waarvan

         

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

18.913

30.963

46.122

41.471

458

2.03

Studiekosten

2.950

2.950

3.550

115

0

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

188.765

178.148

111.575

122.821

190.533

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

188.765

178.148

111.575

122.821

190.533

waarvan

         

3.01

Watermanagement

7.111

7.083

7.083

7.083

7.083

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

181.654

171.065

104.492

115.738

183.450

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

47.730

217.358

233.980

216.936

44.729

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

47.730

217.358

233.980

216.936

44.729

waarvan

         

4.01

Experimenteerprojecten

0

0

0

0

0

4.02

Geintegreerde contractvormen/PPS

47.730

217.358

233.980

216.936

44.729

Extracomptabele verwijzingen naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

29.648

52.397

94.106

73.632

81.311

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

29.648

52.397

94.106

73.632

81.311

waarvan

         

7.01

Real.progr.Kaderrichtlijn water

25.676

46.975

67.391

63.682

72.861

7.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

777

777

21.170

0

0

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2017 zijn aangegaan, waaronder de versterking van de icoonwaarde van de Afsluitdijk, en op de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet. Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW). De uitgaven voor de subsidies en de agentschapbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2017 zijn aangegaan en de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet zoals onder andere de implementatie van de nieuwe normering en de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR).

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2017.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2017 zijn aangegaan. De uitgaven voor de subsidie, de bijdrage aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidie betreft de bijdrage aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC). De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het samenwerkingsprogramma Lumbricus ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de OSPAR-commissie, die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan VN-organisaties, die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van de uitvoering van een aantal activiteiten. Dat gaat om activiteiten in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).Ook heeft het niet-juridisch verplichte deel betrekking op de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

In 2018 wordt de jaarlijkse voortgangsrapportage «Staat van Ons Water» gepubliceerd. Hierin wordt gerapporteerd over de uitvoering van het Nationaal Waterplan 2016–2021, het Bestuursakkoord Water uit 2011, het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater en de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie.

De Topsector Water is gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (gouden driehoek). De ondersteuning van IenM en EZ aan het topteam draagt bij aan het organiseren van werkgroepen, evenementen en communicatiemiddelen zoals de website van Topsector Water7 . De Human Capital Agenda bevordert de instroom van goed gekwalificeerd personeel in de watersector. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door het uitreiken van beurzen aan waterambassadeurs, het organiseren van het Wereld Water College, het uitwerken van strategisch personeelsmanagement en het uitvoeren van de strategielijn «leven lang leren». Building with Nature is voor het Ministerie van IenM een belangrijke ontwikkeling voor waterveiligheidsopgaven. EcoShape onderzoekt hierbij in hoeverre natuurlijke waterveiligheidsoplossingen kunnen bijdragen aan waterveiligheidsopgaven. De kennis die wordt opgedaan wordt uitgewerkt en gedeeld met betrokken partijen, waaronder IenM.

Voor de uitvoering van het project Icoon Afsluitdijk door diverse opdrachtnemers wordt in 2018 het resterende bedrag van € 1,3 miljoen beschikbaar gesteld. Voor het vergroten van het waterbewustzijn vormt het meerjarig communicatieprogramma Ons Water het fundament. Voor deze publiekscampagne vindt jaarlijkse financiering plaats.

In 2018 worden uitgaven gedaan voor watereducatie om het waterbewustzijn bij jongeren te stimuleren. Dit gebeurt in samenwerking met de Unie van Waterschappen en met onderwijspartijen.

De watercoalitie ondersteunt diverse maatschappelijke initiatieven die direct of indirect een bijdrage leveren aan een duurzame en doelmatige waterketen.

Aan de Helpdesk Water, onderdeel van de dienst Water, Verkeer en Leefomgeving van RWS, wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd. De Helpdesk Water heeft een reguliere taak als kennistransferpunt tussen uitvoering en beleid voor overheden en andere waterprofessionals. Daarnaast wordt ook informatievoorziening over watergerelateerde informatie in het kader van de toekomstige Omgevingswet voorbereid.

Voor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen.

Het actualiseren van de uitvoeringsregelingen waterheffingen heeft betrekking op het moderniseren van de tabel afvalwatercoëfficiënt. Er lopen twee trajecten die samenhangen met de toekomstbestendige financiering van het Waterbeheer. De modernisering betreft enerzijds de hoogte van de afvalwatercoëfficiënten die verouderd zijn en anderzijds een vereenvoudiging door het aantal klasse-indelingen terug te brengen en over te stappen op de standaard bedrijfstak indelingen (SBI). Hiervoor wordt onderzocht op welke wijze de huidige indeling kan worden gewijzigd naar een vereenvoudigde indeling. Parallel wordt er onderzoek gedaan om de nieuwe afvalwatercoëfficiënten vast te stellen en wordt gekeken hoe dit in de nieuwe indeling past.

Er wordt gewerkt aan een nieuw Bestuursakkoord Water (BAW) op het gebied van waterkwaliteit, water en klimaat, waterketen, energie/circulaire economie in relatie tot water, financiering en samenwerking.

11.01.02 Subsidies

Vanaf 2018 wordt een subsidie van in totaal € 3,1 miljoen verstrekt aan Deltares voor de bouw van een nieuwe Geocentrifuge. Het totaalbedrag wordt gelijkmatig verdeeld over drie jaar. De GeoCentrifuge is van groot belang voor de instandhouding van de (inter)nationale kennisinfrastructuur op het terrein van water en bodem, waarvoor IenM medeverantwoordelijk is. De Geocentrifuge wordt onder meer gebruikt voor onderzoek aan dijken, kustbescherming, offshore, aardbevingen en natte en droge infrastructuur.

Aan het Instituut Fysieke Veiligheid/IFV is een subsidie verleend ten behoeve van het ontwikkelen van een structurele aanpak waarmee de veiligheidsregio’s kunnen zorgen voor een adequate rampenbeheersing bij overstromingen. Deze subsidie van in totaal € 150.000,- is verleend voor de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 mei 2017 en is gelijkelijk verdeeld over de jaren 2015, 2016 en 2017.

In 2016 is de nieuwe subsidieregeling gestart van het programma Partners voor Water (PvW) 2016–2021 als opvolger van de subsidieregeling van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Internationale Water Ambitie (IWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries BZ, EZ en IenM samenwerken. De uitgaven voor het programma worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd. Voor de uitvoering van het PvW 2016–2021 programma is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met zeven Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en samenwerking met kansrijke nieuwe landen en Holland promotie. Een belangrijke doelstelling in 2018 binnen de IWA is om het PvW instrument inclusief het subsidie-instrument beter te verbinden met het overige instrumentarium. Hiervoor wordt verdere uitvoering gegeven aan de pilot collectief programmeren om synergie en logische aansluiting met andere instrumenten te stimuleren.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Aan het KNMI zijn diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op Kennisontwikkeling Windklimaat, Nationale adaptatiestrategie, ontwikkeling Noordzee windklimaatatlas en transnationale samenwerking Rijn en Maas.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Er vinden op dit financieel instrument vanaf 2018 geen uitgaven plaats.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

Op basis van de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) moeten eind 2019 de kaarten voor drie verschillende overstromingsscenario’s en in 2021 de plannen geactualiseerd zijn. Voor de actualisatie van de kaarten en de plannen wordt in 2018 opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en beheer.

In 2018 wordt gewerkt aan het beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling worden diverse opdrachten verstrekt ter ondersteuning van de waterkeringbeheerders. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en ook vast te leggen.

Voor de kust worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling, onder andere over zeespiegelstijging en ten behoeve van de actualisatie van de basiskustlijn. Hierbij wordt samenwerking gezocht binnen het kader van Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Voor rivieren worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling met betrekking tot kostenreductie dijkversterking door rivierverruiming, effect van langsdammen en bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

De beschikbare budgetten worden in 2018 ingezet voor onder andere de uitvoering van de volgende beleidsonderwerpen:

Het Ministerie van IenM zal (mede namens het Ministerie van Economische Zaken) gezamenlijk met de regio een gebiedsagenda Wadden 2050 opstellen. De ontwikkeling van de Gebiedsagenda start in de herfst van 2017 en zal naar verwachting circa een jaar in beslag nemen. Bij het opstellen van de gebiedsagenda worden de bevindingen betrokken van onder meer de Evaluatie van de Structuurvisie Waddenzee, de Beleidsverkenning en de tussentijdse evaluatie van de Samenwerkingsagenda Verbetering Beheer Waddenzee. Tevens zullen de ambities uit de Natuurambitie Grote Wateren worden meegenomen bij het opstellen van de gebiedsagenda. De gebiedsagenda Wadden 2050 komt in de plaats van de eerder aangekondigde Rijksvisie op de toekomstige ontwikkeling van het Waddengebied en zal input leveren voor de Nationale Omgevingsvisie en het overige instrumentarium van de Omgevingswet.

Rijk en regio gaan structureel werken aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma. De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld, door stapsgewijs te werken en adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

De drie landen die grenzen aan de Waddenzee, Nederland, Duitsland en Denemarken, vormen samen de Trilaterale samenwerkingslanden. Ze overleggen iedere vier jaar met elkaar over het vormen of aanpassen van het beschermingsbeleid van het waddengebied. In 1997 ondertekenden de drie landen het eerste Trilaterale Waddenzee Plan (TWP). Als waterbeheerder heeft IenM een belangrijke functie waar het gaat om de bescherming van de Waddenzee. Als delegatielid heeft IenM een rol in het overleg in de Waddenseaboard.

De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 geldt als het maritieme ruimtelijke plan conform de eisen van de EU-Richtlijn Maritieme ruimtelijke planning. In 2018 worden de acties uit de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 verder in uitvoering gebracht (Kamerstukken II, 2014–2015, 31 710, nr. 35 bijlage blg-427951).

IenM coördineert, in samenwerking met EZ, een langetermijnstrategie voor de Noordzee gericht op de opgaven na 2021. De beleidsstappen (nationaal, Europees en mondiaal) die nog moeten worden gezet tot 2030 worden in beeld gebracht.

De Noordzeestrategie 2030 draagt bij aan de nieuwe Nationale Omgevingsvisie en is onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan de invulling van het Strategisch Ontwikkelingsdoel voor de zeeën en oceanen (SDG 14).

Specifiek voor energietransitie/windenergie op zee wordt naast de uitwerking van de huidige routekaart windenergie op zee (in 2023 3,5 GW bovenop de 1 GW die er al staat) gewerkt aan de vervolgroutekaart. In de vervolgroutekaart (2023–2030) wordt conform de Energieagenda ca. 1 GW/pj geïnstalleerd. Naast verdere kostprijsverlaging wordt ingezet op meervoudig- en multifunctioneel ruimtegebruik.

Toeleverend aan de Noordzee strategie is ook het lopende Northsea Interreg project. Dit draagt bij aan een gezamenlijke kennisbasis van de Noordzeelanden over lopende en mogelijke nieuwe ontwikkelingen met een grensoverschrijdend karakter. Dit project wordt eind 2018 afgerond. Voor windenergie vertaalt dit zich naar meer samenwerking tussen initiatieven van Duitsland, Denemarken, België en het Verenigd Koninkrijk. Afhankelijk van de toekenning van het project Strategic Environmental Assessment North Sea Energy zal in samenwerking met Duitsland en Denemarken een bijdrage worden geleverd aan een gezamenlijke kennisbasis van de Noordzeelanden aan de cumulatie van effecten op de Noordzee.

Nederland en Vlaanderen onderzoeken en monitoren op grond van de Scheldeverdragen gezamenlijk de toestand van het Schelde-estuarium aan de hand van de zogenoemde Agenda voor de Toekomst voor de duurzame ontwikkeling van het Schelde-estuarium. Een rode draad van deze agenda is hoe met slim(mer) sedimentbeheer de balans kan worden versterkt tussen de veiligheid, toegankelijkheid en natuurlijkheid van het Schelde-estuarium. In 2018 wordt samen met de stakeholders het eerste onderzoeksprogramma van de Agenda voor de Toekomst geëvalueerd en komt de rapportage beschikbaar, met daarin de evaluatie van de toestand van het Schelde-estuarium.

Het in 2017 opgeleverde MIRT-onderzoek Integrale Veiligheid Oosterschelde (IVO) is verbreed zodat naast de gevolgen van de klimaatverandering op de veiligheidsstrategie van de Oosterschelde ook de verbinding met de (aanpak van de) zandhonger van de Oosterschelde wordt gelegd en met (gebruiks)functies zoals visserij, landschap en ecologie. Dat levert in 2018 eerste bouwstenen op voor een langetermijnperspectief van een veilige, duurzaam beheerde Oosterschelde.

Conform afspraken tussen Rijk en regio wordt door middel van onder andere onderzoek de ontwikkeling van Grevelingen Volkerrak-Zoommeer gemonitord. Naast IenM levert ook de regio een bijdrage aan dit programma. Deze middelen worden ingezet voor nader onderzoek naar het ontwikkelperspectief voor de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer. Dit in het kader van: de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen Volkerak-Zoommeer en de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater. Naast IenM levert ook de regio een bijdrage via het programma Ontwikkeling Grevelingen Volkerak-Zoommeer.

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

Het doel is om in 2027 de doelstelling van chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden iedere 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn Water. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor Rijn, Maas, Schelde en Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en op dit moment in uitvoering. De uitvoering van de tweede tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2018 wordt de beoordeling van het mariene milieu en ecosysteem geactualiseerd, alsook de goede milieutoestand en daarbij behorende beleidsdoelen en indicatoren. Deze actualisatie wordt gebaseerd op de resultaten uit het KRM-monitoringprogramma en aanvullend onderzoek op gebied van vooral onderwatergeluid, zwerfvuil en microplastics. Ook wordt in 2018 een voortgangsrapportage gemaakt over de uitvoering van het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021. Het zwaartepunt bij de uitvoering van de maatregelen ligt bij het terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van ecologisch waardevolle gebieden op de Noordzee. Daarnaast geeft het kabinet meer invulling aan zijn faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met Economische Zaken. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als EFMZV en INTERREG.

11.04.02 Subsidies

Dit betreft subsidieverlening voor het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) en geeft invulling aan de ambitie die is vastgelegd in de overeenkomst tussen IHE en het Koninkrijk der Nederlanden. Medio 2016 hebben IHE en het Koninkrijk der Nederlanden een samenwerkingsovereenkomst opgesteld voor de jaren 2016–2022, die beantwoordt aan de toenemende grondwaterproblematiek in de wereld en met name het stedelijk gebied. Het United Nations-karakter van de taken van IGRAC bepaalt dat IGRAC (een UNESCO categorie 2 instelling) alleen kan werken op basis van overheidsfinanciering.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden heeft betrekking op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma Lumbricus door Waterschap Vechtstromen met regionale partijen. Het samenwerkingsprogramma is gericht op het geïntegreerd toepassen van innovatieve maatregelen op het gebied van bodem en water ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem van beekdalen. In dit programma komen doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, bodembeheer, klimaatadaptatie en waterveiligheid samen.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld. Voor coördinatie van de EU-richtlijnen Kaderrichtlijn water en Overstromingsrisico’s bestaat voor de Eems geen vaste riviercommissie, maar heeft Nederland apart een contract afgesloten met Flussgebietsgemeinschaft Ems in Nedersaksen, Duitsland.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook voor OSPAR is Nederland jaarlijks contributie verschuldigd.

Nederland ambieert een internationale profilering als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU), waarmee UNESCO wordt ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning capacity building door IHE.

Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). Er is reeds een specifiek SDG voor water afgesproken. In een van de subdoelen van de SDG die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Op dit moment is hiertoe de implementatiefase aangebroken. Hiervoor wordt met internationale organisaties en platforms samengewerkt en worden activiteiten ondersteund. Zo worden bijdragen geleverd aan het Sendai raamwerk van de UNISDR, HELP, Aqueduct, Wereldbank, Water Global Practice WGP, OESO, Habitat III en World Water Council. Nederland steunt verder actief de activiteiten van UNECE Water op het gebied van grensoverschrijdend waterbeheer.

Beleidsartikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

Algemene Doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp worden geprioriteerd en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Rollen en verantwoordelijkheden

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening en stimuleert anderzijds de ruimtelijke investeringen en de kwaliteit daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenM een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

IenM werkt aan meer eenvoudige regelgeving voor ruimtelijke ordening. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling en ordening is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstukken II, 2011–2012, 32 660, nr. 50). Dit ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op 13 nationale belangen. Bij deze 13 nationale belangen is het Rijk (mede) verantwoordelijk voor het behalen van deze doelen. Gebiedsontwikkeling wordt ingezet om bij te dragen aan een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Voor het onderdeel Ruimtegebruik Bodem is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten in de bodem en ondergrond. De aanpak is onder meer beschreven in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015. Het Rijk bevordert de ruimtelijke investeringen en de kwaliteit daarvan door middel van:

  • Het zorg dragen voor een gestructureerde afstemming met de regio in de vorm van het Bestuurlijk Overleg MIRT, waarin het Rijk en de regio afspraken kunnen maken over afgestemde acties en investeringsbeslissingen.

  • Het, via de gebiedsagenda’s, in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (onder andere woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid).

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem (gebiedsontwikkeling).

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energieopwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • De inhoudelijke inbreng vanuit het ruimtelijk beleid, een aspect van de fysieke leefomgeving, in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In een later stadium (als de NOVI er de facto is) volgt een uitvoerende en regisserende rol.

  • Inbreng van ontwerp in ruimtelijke projecten en programma’s bij IenM en het stimuleren van ontwerp bij projecten en programma’s interdepartementaal en bij andere overheden.

Regisseren

Daarnaast heeft de Minister van IenM – bij de onderwerpen Ruimtelijk Instrumentarium, Geo-informatie, Stelselherziening Omgevingsrecht en Ruimtegebruik Bodem – een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van ruimtelijke ordening. De Minister van IenM is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU-kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening.

  • Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Samenwerken met het bedrijfsleven en wetenschap in een topteam geo-informatie om de gezamenlijke opgestelde toekomstvisie GeoSamen te realiseren.

  • Zorg dragen voor de stelselherziening van het omgevingsrecht, waarin de wetgeving met betrekking tot het fysieke domein wordt gebundeld en gestroomlijnd. De Minister en de andere overheden zijn verantwoordelijk voor de implementatie (invoeringsbegeleiding, digitale ondersteuning en infopunt) daarvan.

  • De coördinatie van het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

  • Het vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • Zorg dragen voor de structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling van medeoverheden.

  • De verdere ontwikkeling van kennis van de fysieke leefomgeving ten behoeve van beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • Het in staat stellen van de decentrale overheden om in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

De monitor Infrastructuur en Ruimte onderzoekt de realisatie van de dertien nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities.Er is voor gekozen om vanaf de begroting 2017 te verwijzen naar het PBL. In 2016 is de tweede vervolgmeting verschenen. Het PBL werkt aan een advies over de monitoring van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Na totstandkoming van dit advies en de voltooiing van de NOVI, zullen de kengetallen en indicatoren worden herzien.

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Meting 2014/2016

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestiging-sklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2150-Economische-ontwikkeling-in-regio%27s-met-concentratie-topsectoren.html?i=40–189

Bereikbaar-heid

Nabijheid wonen-werken

Sinds 1996 nabijheid wonen en werken met 2,5% toegenomen (periode 1996–2015).

Sinds 2012 gegroeid met 1%

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2134-Nabijheid-wonen---werken.html?i=40–189

Vestigings-klimaat

Fysiek vestigings-klimaat

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2133-Regionale-Quality-of-living.html?i=40–189

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

2.800 km (2008), 2.890 km (2012), 2890 km (2015)

Toename aantal woningen in vijwaringszones tussen 2000–2015 is 9.500.

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2135-Hoogspanningsleidingen.html?i=40–190

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

4,2% (2011) 4,5% (2013), 5,5% (2014), 5,8% (2015)

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0385-Verbruik-van-hernieuwbare-energie.html?i=40–190

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

2237 MW (2010) 2433 MW(2012), 2865 MW (2014), 3034 MW (2015) op land

228 MW (2012), 228 MW (2014),357 MW (2015) op zee

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0386-Windvermogen-in-Nederland.html?i=40–190

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleidingstroken

Netlengte 18.406 km (2008). Daarnaast ligt er ongeveer 133.546 km (2014) aan gasleidingen voor lokale distributie en 5.000 km warmtenet (2014).

Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 283 (2012), 286 (2014), 286 (2015)1

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl2136-Hoofdnetwerk-buisleidingen.html?i=40–191

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is.

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Aandeel Ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013), 43% (2015).

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/ nl2173-Toepassing-Ladder-duurzame-verstedelijking.html?i=40–203

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, Planbureau voor de Leefomgeving (www.clo.nl). Gegevens zijn afkomstig uit de meting 2016. Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). In dit convenant is onder meer beschreven hoe de overheden de focus leggen bij de aanpak van de resterende verontreinigingen. Resterende verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij het risico voor mens, plant en dier het grootst is. De budgetten van het meerjarenprogramma Bodem worden over de bevoegde overheden ex-Wet Bodembescherming (ex Wbb) verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds.

X Noot
1

Noot 1: Cijfers op basis van nieuwe bron

Beleidswijzigingen

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2018.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 13 Ruimtelijke ontwikkeling (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

119.402

149.808

119.225

90.075

99.535

186.353

181.495

Uitgaven:

114.623

155.733

131.496

101.727

104.016

186.353

188.668

Waarvan juridisch verplicht

   

96%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

8.261

10.951

8.633

8.051

8.205

7.500

8.500

13.01.01

Opdrachten

7.473

9.546

7.418

6.836

6.990

7.500

8.500

 

– Wabo

0

0

0

0

0

0

0

 

– Architectonisch beleid

1.934

2.713

2.427

2.377

2.220

2.919

2.919

 

– OLO

2.749

2.959

2.847

2.963

2.963

2.963

2.963

 

– Overige opdrachten

2.790

3.874

2.144

1.496

1.807

1.618

2.618

13.01.02

Subsidies

788

1.215

1.215

1.215

1.215

0

0

 

– Programma Ruimtelijk Ontwerp

788

1.215

1.215

1.215

1.215

0

0

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

190

0

0

0

0

0

13.02

Geo-informatie

47.809

34.581

23.470

28.745

28.771

28.014

28.014

13.02.01

Opdrachten

3.087

7.184

2.267

2.298

2.598

2.512

2.512

13.02.02

Subsidies

10.571

1.990

680

680

380

380

380

 

– Basisregistraties

10.571

1.990

680

680

380

380

380

13.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

34.151

25.407

20.523

25.767

25.793

25.122

25.122

 

– Kadaster

34.151

25.407

20.523

25.767

25.793

25.122

25.122

13.03

Gebiedsontwikkeling

7.671

10.117

17.782

7.704

7.591

6.753

6.753

13.03.01

Opdrachten

1.161

2.164

3.016

1.668

1.670

1.803

1.803

13.03.02

Subsidies

72

60

60

60

60

60

60

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

0

2.402

2.356

2.356

2.340

2.340

2.340

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

6.438

5.491

12.350

3.620

3.521

2.550

2.550

 

– Projecten BIRK

3.888

2.941

4.950

691

0

0

0

 

– Projecten Nota Ruimte

0

0

4.850

379

971

0

0

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

2.550

13.04

Ruimtegebruik bodem

25.737

41.161

50.497

45.702

50.724

140.061

141.376

13.04.01

Opdrachten

5.531

6.569

5.005

5.191

5.182

5.232

5.232

13.04.02

Subsidies

13.380

17.204

13.707

14.823

12.211

13.211

12.211

 

– Bedrijvenregeling

6.977

9.681

8.684

10.000

10.000

11.000

10.000

 

– Programma Commissie MER

2.000

2.000

0

0

0

0

0

 

– Subsidies Caribisch gebied

4.372

5.523

5.023

4.823

2.211

2.211

2.211

 

– Overige subsidies

31

0

0

0

0

0

0

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

6.826

5.382

5.905

5.787

5.787

5.787

5.787

 

– waarvan bijdrage aan RWS

6.826

5.382

5.905

5.787

5.787

5.787

5.787

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

12.006

25.880

19.901

27.544

115.831

118.146

 

– Meerjarenprogramma Bodem

0

11.862

25.880

19.901

27.544

115.831

118.146

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

0

144

0

0

0

0

0

13.04.07

Bekostiging

0

0

0

0

0

0

0

 

Uitvoering klimaatadaptatie

0

0

0

0

0

0

0

13.05

Eenvoudig Beter

25.145

58.923

31.114

11.525

8.725

4.025

4.025

13.05.01

Opdrachten

10.582

33.089

4.889

2.700

1.500

0

41

 

– Eenvoudig Beter

3.094

2.339

1.489

0

0

0

41

 

– Omgevingswetgeving

7.488

30.750

0

400

100

0

0

 

– Overige opdrachten

0

0

3.400

2.300

1.400

0

0

13.05.02

Subsidies

0

9.000

6.000

3.000

0

0

0

 

– Stimuleringsregeling Impl Omgevingswet

0

9.000

6.000

3.000

0

0

0

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

14.563

16.834

20.225

5.825

7.225

4.025

3.984

 

– waarvan bijdrage aan RWS

14.563

16.834

20.225

5.825

7.225

4.025

3.984

 

Ontvangsten

23.057

9.092

8.824

3.824

3.824

3.824

3.824

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023 e.v.

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

1.950

1.299

255

0

0

28.350

Andere ontvangsten van artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

1.950

1.299

255

0

0

28.350

waarvan 18.16

Reservering Omgevingswet

1.950

1.299

255

0

0

28.350

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is het grootste deel juridisch verplicht door lopende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het betreft onder meer opdrachten ten behoeve van de ontwikkeling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het beheer en onderhoud van het ICT-systeem ter ondersteuning van het Omgevingsloket, het beleid voor architectuur en ruimtelijk ontwerp en het beleid met betrekking tot de klimaat- en ruimtelijke adaptatie. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied van het programma Ruimtelijke Adaptatie zijn eveneens juridisch verplicht. De subsidies in het kader van de Actie Agenda Ruimtelijk Ontwerp voor de periode 2017–2020 zijn eveneens volledig verplicht.

13.02 GEO-informatie

Het opdrachtenbudget en het subsidiebudget zijn merendeels juridisch verplicht. Het opdrachtenbudget betreft voornamelijk de meerjarige opdrachtverlening aan de Stichting Geonovum in het kader van de uitvoering van wettelijke taken, zoals het beheer van de standaarden ruimtelijke informatie en de invoeringsverplichtingen van INSPIRE. De uitgaven ten behoeve van het beheer van de Landelijke Voorziening Basisregistratie Ondergrond (BRO) zijn eveneens volledig verplicht.

Het budget voor bijdragen aan ZBO’s betreft de jaarlijks, reeds juridisch verplichte, opdracht aan het Kadaster ten behoeve van de uitvoering en het beheer en onderhoud ten behoeve van de basisregistraties.

Daarnaast is er sprake van een subsidieverplichting aan de Stichting Geonovum voor de uitvoering van het basisprogramma. Hiervoor wordt een subsidieregeling opgesteld.

13.03 Gebiedsontwikkeling

Het opdrachtenbudget is deels juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het gebiedsbeleid en MIRT-projecten. De uitgaven voor de subsidie aan het Regie College Waddengebied, de agentschapbijdrage aan RWS, voor maatregelen op het terrein van het gebiedenbeleid en de bijdrage aan andere overheden voor de uitvoering van Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Nota Ruimte en Nieuwe Sleutelprojecten (NSP) zijn alle juridisch verplicht.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS/WVL zijn juridisch verplicht.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op gelden conform de bestuurlijke afspraken voor knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming, grootschalige bodemsaneringsprojecten en de bijdragen aan drink- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland.

13.05 Eenvoudig Beter

Van het opdrachtenbudget 2018 is al een groot deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de stelselherziening omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Tevens is de agentschapbijdrage aan RWS en het RIVM juridisch verplicht.

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Toelichting op de financiële instrumenten

13.01.01 Opdrachten

Uitvoering Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze financiële middelen worden in 2018 met name ingezet om zicht te houden op de realisatie van de SVIR en om zorg te dragen voor kennisontwikkeling ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid en voor de voorbereiding van de NOVI. De ondersteuning van provincies en gemeenten in krimp- en anticipeerregio’s door middel van kennis en experimenten wordt in 2018 voortgezet.

Ruimtelijk Ontwerp

Ruimtelijk ontwerp is van belang voor een goede ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving. De Rijksinzet met de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp is geactualiseerd en vastgelegd voor de periode 2017–2020. Hierbij staat de inzet van ontwerpkracht op de maatschappelijke opgaven zoals geagendeerd in de Nationale Omgevingsagenda en bij het opstellen en toepassen van omgevingsplannen en -visies centraal.

De financiële middelen voor ruimtelijk ontwerp worden ook gebruikt voor de eigen rol en verantwoordelijkheid van het Rijk met het College van Rijksadviseurs en met ontwerpend onderzoek – interdepartementaal – op thema’s zoals energietransitie, klimaatopgave, herbestemming en mobiliteit. Anderzijds worden deze middelen ingezet voor programma’s zoals het Ontwerpteam, het onderzoeksprogramma van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam en stimuleringsprogramma’s voor de lokale praktijk bij uitvoeringspartners. De uitvoering van de Actieagenda gebeurt in een netwerk van het Rijk met lead partners.

Klimaatadaptatie en Ruimtelijke Adaptatie

Ten slotte worden middelen ingezet voor het programma Klimaatadaptatie, dat zich richt op het bevorderen van een transitie van personen en organisaties naar meer klimaatbestendig handelen. Daarbij bevindt het programma zich in een breed speelveld, waarbinnen het een schakelfunctie vervult. Klimaatadaptatie omvat drie onderdelen; allereerst de uitvoering van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van september 2014 (en het daarover gesloten bestuursakkoord). Hierin is een interbestuurlijke aanpak afgesproken teneinde Nederland op de lange termijn waterrobuust en klimaatbestendig in te richten, met als doel dat Nederland beter bestand is tegen dreigingen van overstromingen, neerslag, droogte en hitte. In 2017 is de voortgang geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie worden meegenomen in een nieuw op te stellen Deltaplan Ruimtelijke Adapatie dat op Prinsjesdag 2017 aan de kamer zal worden aangeboden. Het Deltaplan zal de komende jaren bepalend zijn voor de activiteiten op het gebied van Ruimtelijke Adaptatie.

Als uitvloeisel van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (december 2016 aan de Kamer aangeboden; Kamerstukken II, 2016–2017 31.793, nr. 162) zal eind 2017 een Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie worden uitgebracht. Dit Uitvoeringsprogramma zal bestaan uit een voortgangsrapportage over de acties die in 2017 reeds zijn uitgevoerd en een Actieprogramma voor de periode 2018–2020. IenM heeft hierbij een coördinerende rol.

13.01.02 Subsidies

Het budget van 2017–2021 voor de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp is als een meerjarig subsidie toegekend aan een aantal van de lead partners (waaronder het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal en de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam), om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk.

13.02 Geo-informatie

Deze middelen zijn bestemd voor de exploitatie, het beheer en het onderhoud van voorzieningen, die op basis van Europese verplichtingen, zoals de implementatie van de Europese richtlijn INSPIRE, gericht zijn op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens. Verder zijn de opdrachten aan onder meer Geonovum in het licht van de beleidsuitvoering portefeuille geo-informatie zoals beheer van informatiemodellen, hier opgenomen.

Een belangrijk deel van de middelen zijn bestemd voor de ontwikkeling van de basisregistratie ondergrond.

13.02.02 Subsidies

Met het oog op het uitvoeren van het basisprogramma op het terrein van geo-informatie en de geo-basisregistraties wordt een structurele subsidie verleend aan de Stichting Geonovum.

Voor de begeleiding van bronhouders in de tweede tranche van de transitie van de Basisregistratie Grootschalige Topgrafie (BGT) en het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van kwaliteitszorg wordt een subsidie toegekend aan het Samenwerkingsverband van Bronhouders (SVB-BGT) voor een periode van drie jaar (2017–2019).

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT

Dit betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties en in enkele gevallen ook het actueel houden van de inhoud. Tevens gaat het om beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart), het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn INSPIRE en de beheerkosten van het landelijke online portaal voor ruimtelijke plannen.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten

De opdrachten in relatie tot de gebiedsontwikkeling hebben veelal een relatie met het MIRT. Het MIRT is het meerjarenprogramma van de opgaven in het ruimtelijk fysieke domein. De nadruk ligt op opgaven waaraan het Rijk financieel bijdraagt. Ook opgaven waaraan het Rijk niet financieel bijdraagt, maar wel een rijksbelang heeft, worden in het MIRT besproken. Het streven is te komen tot een brede afweging tussen projecten van verschillende overheden, binnen diverse beleidssectoren, met het doel zo tot een doelmatige inzet van publiek geld te geraken. Daarbij worden maatregelen uitgevoerd die zijn aangekondigd in de Kabinetsreactie op het IBO Flexibiliteit in infrastructurele planning (Kamerstukken II, 2016–2017, 34 550-A nr. 5) van 20 september 2016.

Aan deze aandachtspunten wordt de komende jaren verder invulling gegeven. Zo kan ook de samenhang met regionale opgaven en initiatieven van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties worden besproken. Het Rijk doet dit voor onderwerpen in het ruimtelijk fysieke domein. Samen met de regio’s en andere partijen in de bestuurlijke MIRT overleggen wordt aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda’s gewerkt.

Daarnaast neemt IenM het initiatief vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid voor de Grote Wateren om samen met collega-departementen en gebiedspartners te werken aan gebiedsagenda's. Hierin worden zo veel mogelijk relaties tussen water, milieu, natuur, cultuur-historisch erfgoed en gebruiksfuncties in een ruimtelijk perspectief geplaatst en wordt op basis daarvan gewerkt aan een gezamenlijke adaptieve uitvoeringsagenda. Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke kennis- en innovatieagenda. In 2016 is dit gestart voor het IJsselmeergebied (dit proces loopt in ieder geval tot het einde van 2017); in 2017 wordt een dergelijk proces ook gestart voor het Waddengebied.

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur is een van de drie nationale doelen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de afgelopen periode zijn belangrijke stappen gezet wat betreft ruimtelijk economische structuurversterking in netwerkverband. IenM heeft samen met de regionale partners, het bedrijfsleven en de ministeries van EZ en BZK een werkwijze en een praktijk ontwikkelt hoe deze nieuwe samenwerking vorm te gegeven en op welke inhoud deze samenwerking betrekking moet hebben. In 2018 zal IenM samen met betrokken partners verdere uitvoering geven aan de agenda’s voor de versterking van het ruimtelijk economische netwerk die in 2017 worden opgesteld. Deze agenda’s zijn: de Uitvoeringsagenda Ruimtelijke Economische Ontwikkelstrategie voor de Noordelijke en Zuidelijke Randstad en de Brainport Eindhoven en de Impulsagenda Greenports 3.0 voor het netwerk van de greenports.

De Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV) heeft tot taak om beleidsambities en beleidagenda’s die consequenties kunnen hebben voor de taakuitvoering van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en tevens (ontwikkel)opdrachten aan het RVB interdepartementaal af te stemmen. De dgRW van het Ministerie van IenM zit de ICRV voor. De ICRV beschikt over een budget om, naast de bekostiging van het secretariaat, de kennis, expertise en het vastgoed van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) in te schakelen bij beleidsprocessen van de leden en bij uitvoeringsvraagstukken bij het RVB en andere vastgoedhoudende rijksdiensten. Het budget voor de werkzaamheden die het RVB uitvoert in opdracht van de ICRV, is per 1 januari 2017 uitgeboekt naar het Ministerie van IenM (in het kader van de omvorming van het RVB tot een baten-lastendienst). Daarom worden alle werkzaamheden vanaf 2017 formeel opgedragen aan het RVB. Het jaarplan van de ICRV beschrijft de werkzaamheden die worden opgedragen aan het RVB. Deze manier van werken komt onder meer tot uiting in gebiedsontwikkelingsprojecten en via de beleidsaanschrijvingen voor het RVB die de departementen vanaf 2016 opstellen.

De opdrachten in het kader van het Takenpakket Ruimte en Energie betreffen vooral de kosten voor projecten binnen het DGRW Programma Ruimte en Energie, dat in samenwerking met EZ en BZK in 2017 wordt vormgegeven en dat zich mogelijk uitbouwt tot andere betrokken partners. Doel van dit programma is om de benodigde energietransitie, zoals beschreven is in de Energieagenda van december 2016 (Kamerstukken II, 2016–2017, 31 510 nr. 64), ruimtelijk in goede banen te leiden. Een duurzame energietransitie vraagt enerzijds een «energie-inclusieve ruimtelijke ordening», op alle niveaus. Anderzijds vraagt de energietransitie bij ingrepen in de fysieke ruimte om energieprojecten met voldoende omgevingskwaliteit en oog voor omgevingsaspecten en mitigatie van negatieve effecten (natuur, landschap, veiligheid etc.). Projecten in 2017 en 2018 betreffen het leveren van bouwstenen voor het Klimaat- en energieplan en de NOVI. In 2018 en 2019 betreffen dat een handreiking «energie in omgevingsvisies en -plannen»; de ondersteuning van diverse regionale energiestrategieën; de verkenning van juridische knelpunten rond de energielevering van waterschappen; het activeren van sleutelnetwerken binnen de domeinen van energie en ruimte en tot slot betreffen dat diverse projecten rond kennis, onderwijs en onderzoek.

13.03.02 Subsidies

Het Regiecollege Waddengebied (RCW) is een strategisch overleg- en afstemmingsorgaan voor het Waddengebied. De belangrijkste belanghebbenden in dit gebied zijn vertegenwoordigd in het RCW. Zoals de ministeries van Economische Zaken (EZ) en van Infrastructuur en Milieu (IenM) en het Samenwerkingsverband De Waddeneilanden, maar ook economie, natuur en de wetenschap. Belangrijke ontwikkelingen voor het Waddengebied, zowel daarbinnen als ook daarbuiten, worden in het RCW aan de orde gesteld waaronder bijvoorbeeld de trilaterale samenwerking met Duitsland en Denemarken wat betreft het Waddengebied. Er wordt jaarlijks een subsidie verstrekt aan het RCW.

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn deels afgerond en deels nog volop in uitvoering. Met een viertal BIRK-projecten bestaat er de komende jaren nog een subsidierelatie. De slotbetalingen zijn thans voorzien in 2019.

Nieuwe Sleutel Projecten (NSP)

Dit budget wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van zes centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van Hogesnelheidslijn (HSL) stations en omgeving. Vanaf 2017 heeft dit alleen nog maar betrekking op het NSP-project Breda. De slotbetaling aan NSP Breda is thans voorzien in 2019.

Projecten Nota Ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Thans bestaat alleen nog met Rotterdam Stadshavens een subsidierelatie. De slotbetaling aan dit project is thans voorzien in 2018.

Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn een jaarlijkse bijdrage vanuit het Rijk als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam om de doelstellingen van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied te kunnen bereiken. BRG bestaat uit een aantal deelprogramma's en projecten dat tot doel heeft de ruimte in de haven beter te benutten en de leefbaarheid van de regio Rijnmond te vergroten.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: Bodem, Drinkwater en Waterketen, BES-eilanden, Drinkwater commissie van deskundigen, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), Bodemenergie, Uitvoering structuurvisie buisleidingen, Energie en Ruimte, Milieueffectrapportage en NEN-regelgeving (drinkwater, bodem, zwemwater).

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Caribisch Nederland

Dit betreft subsidiebijdragen ten behoeve van drinkwater- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

De Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond bij RWS/WVL: dit betreft een opdracht aan het agentschap RWS. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken op grond van de Wet bodembescherming en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Dit convenant vormt de basis voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van het convenant, inclusief de aanpak van verontreinigingen. Tevens vindt de betaling van eerdere toezeggingen voor de aanpak van enkele specifieke verontreinigingen plaats. Dit betreft o.a. de rijksbijdrage aan het Rotterdamse Havengebied en Utrecht Griftpark.

Het resterende budget voor 2018 is voorzien voor eventuele knelpunten (artikel 11.4 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020) en voor benodigde aanvullende financiële middelen voor individuele bevoegde overheden Wbb in verband met de uitvoering van het convenant (artikel 11.3 Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020).

13.04.08 Garanties

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van een evaluatie van deze garantieregeling beëindigd. In 2018 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 397.129. De openstaande garanties lopen af naar nul over de looptijd tot en met 2027.

13.05 Eenvoudig Beter

Algemeen

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter (EB) wordt gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). Daarnaast wordt vanuit de programmadirectie door een interbestuurlijke unit het opdrachtgeverschap voor de implementatie van de Omgevingswet, samen met de bestuurlijke koepels IPO, VNG en UvW georganiseerd. De stelselherziening is erop gericht om te komen tot minder regels en het vergroten van de inzichtelijkheid, een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving, meer ruimte voor decentrale afweging, en het versnellen en verbeteren van de besluitvorming over projecten. Goede implementatie van de Omgevingswet is essentieel. Het gaat hier om invoeringsbegeleiding, het vormen van één centraal infopunt en de ontwikkeling van een Digitaal Stelsel Omgevingswet.

Op 21 april 2016 is het Hoofdlijnenakkoord financiële stelselherziening omgevingsrecht door de Minister van IenM en de koepels VNG, IPO en UvW getekend. Over de eenmalige uitgaven is afgesproken dat de rijksoverheid de investeringskosten betaalt voor het digitale stelsel, de invoeringsondersteuning en het informatiepunt. In de vorige begroting is invulling gegeven aan deze afspraak door dekking voor de periode 2016–2024 van totaal circa € 218,1 miljoen op te nemen (zie begroting 2017 extracomptabele tabel artikel 13.05). De middelen zijn destijds verdeeld over IF artikel 18.16 onder het kopje «Reservering Omgevingswet» (totaal € 157,05 miljoen) en op Hoofdstuk XII geboekt (artikel 13.05 en op artikel 98 t.b.v. apparaatsuitgaven). Zoals reeds in de vorige begroting aangekondigd hebben in deze begroting overboekingen van IF naar HXII plaatsgevonden. Het overzicht uit begroting 2017 is derhalve geactualiseerd (zie hieronder). De hierboven genoemde middelen zijn bestemd voor de eerste fase (invoeringsbegeleiding, het oprichten van een centraal infopunt en het ontwikkelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet) met als uitgangspunt behoud van het huidige voorzieningenniveau. De benodigde middelen voor de vervolgfase van het Digitaal Stelsel Omgevingswet van circa € 93,1 miljoen zijn nog niet aan het projectbudget toegevoegd. Bij vervolg van dit programma zonder aanvullende externe financiering zal er additioneel bijgedragen worden vanuit alle modaliteiten op de investeringsfondsen. Voor de vervolgfase is het streefbeeld dat alle functionaliteiten beschikbaar zijn die helpen om de doelen van de Omgevingswet te realiseren, waarbij de informatiehuizen verder zijn uitgebouwd.

Om de Kamer een integraalbeeld te verschaffen van de totaal beschikbare middelen op de diverse artikelen is onderstaande extracomptabele tabel opgenomen. De middelen die nog op het Infrastructuurfonds staan gereserveerd worden tranchegewijs overgeboekt naar Hoofdstuk XII, waar de uitgaven worden verantwoord. Voor de volledigheid zijn de middelen die vanaf de start (2011–2015) ten laste van de begroting van IenM zijn gebracht ook opgenomen (totaal € 44,8 miljoen). De besteding van het bedrag t/m 2015 (OLO-3, opdrachten verkenning/planuitwerking, apparaat, inhuur van expertise, etc.) is jaarlijks in de jaarverslagen van IenM verwerkt. Naast de toegekende budgetten voor de eenmalige uitgaven is in de tabel ook de op artikel 13.05 budgettair getroffen voorziening voor de exploitatiekosten Digitaal Stelsel Omgevingswet zichtbaar.

Extracomptabele Tabel Toegekende Budgetten Stelselherziening Omgevingsrecht (bedragen x € 1.000)

Eenmalige uitgaven

t/m 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2029/ 2030

Totaal vanaf 2016

 

Hoofdstuk XII

                   
 

13.05 Eenvoudig Beter

31.598

25.145

58.923

29.214

10.825

4.684

66

66

 

128.857

 

98.01 Apparaat

13.196

9.784

12.241

10.350

3.100

600

600

   

36.675

 

Infrastructuurfonds

                   
 

18.16 Reservering Omgevingswet

 

0

27.244

1.950

1.299

255

0

 

28.350

59.098

 

12.06 Apparaatskosten RWS

 

900

             

900

 

Totaal – eenmalig

44.794

35.829

98.408

41.514

15.224

5.539

666

 

28.350

225.530

                       

Exploitatie-uitgaven

                   
 

Hoofdstuk XII

                   
 

13.05 Eenvoudig Beter

     

1.900

700

4.041

3.959

3.959

 

14.559

 

Totaal – exploitatie

     

1.900

700

4.041

3.959

3.959

 

14.559

                       

Totaal toegekend

 

35.829

98.408

43.414

15.924

9.580

4.625

4.025

28.350

240.089

De eenmalige uitgaven zijn 7,5 mln. hoger ten opzichte van de vorige begroting. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door het toevoegen van € 7,5 mln apparaatsgeld. Verder zijn er diverse op- en afboekingen in relatie tot RVO, RIVM en RWS daarnaast heeft er een slotwetmutatie plaatsgevonden.

13.05.01 Opdrachten

De financiële middelen worden ingezet voor het nader uitwerken van de uitgangspunten van de Omgevingswet in de uitvoeringsregelgeving (AMvB’s en ministeriële regelingen) en de invoeringswetgeving, toetsing en consultatie, voor het omgevingsmanagement en voor het versterken van kennis en kunde via het programma NU al EB.

Voor de inwerkingtreding van de wet is een tijdige en zorgvuldige implementatie essentieel. Het gaat hier om de invoeringsbegeleiding, het oprichten van een centraal infopunt en de digitale ondersteuning van de Omgevingswet. Er wordt onder andere gewerkt aan het beter uitwisselbaar maken van digitale gegevens. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de ambitie in het regeerakkoord om gegevens beter digitaal te ontsluiten en meer vergunningaanvragen digitaal te maken.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de inzet van RWS voor de implementatie van het wetsvoorstel Omgevingswet en de Crisis- en herstelwet. Daarnaast levert RWS capaciteit voor de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet. Tot slot zijn de exploitatiekosten van Eenvoudig Beter van IenM hier geraamd.

Beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Het Ministerie van IenM streeft er naar om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering en toezicht. IenM werkt toe naar een modern en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het rijkswegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatiespecifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Het vervolg van Beter Benutten, landelijk is de volgende programma-ambitie afgesproken: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. In 2018 worden nog bijdragen aan de regio’s verstrekt voor maatregelen die na 2017 gereed komen of waarvan de administratieve afwikkeling pas na 2017 zal plaats vinden. Het programma Decentraal Spoor en ITS loopt tot en met 2020.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vorm gegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De plannen richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersgewonden. Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en in samenwerking met de decentrale overheden onderzoeken hoe een risicogestuurde aanpak kan worden gebruikt als nieuwe basis voor de inzet van maatregelen.

  • Specifiek voor smart mobility wordt in (inter)nationale samenwerking met overheden en marktpartijen gewerkt aan het faciliteren en versnellen van de ontwikkeling van informatisering van het verkeersysteem en automatisering van het voertuig. Dit gebeurt bijvoorbeeld door testen en proeven met innovatieve systemen in Nederland ruim baan te geven. In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

In het notaoverleg MIRT, d.d. 23 november 2015, heeft de Tweede Kamer ingestemd om in de eerstvolgende Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse de indicator voor acceptabele reistijd te wijzigen. De indicator voor acceptabele reistijd uit de Nota Mobiliteit en de SVIR is hiermee vervallen en is vervangen door de hoofdwegennet indicator. Met deze indicator worden de economische verlieskosten van toekomstige knelpunten in beeld gebracht(m.b.v. verkeersmodellen). Met deze indicator worden de economische verlieskosten van toekomstige knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (T3 aan het eind van elk jaar) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage. In de begroting (het MIRT projectenboek) zal dezelfde kaart opgenomen worden, en per MIRT-project de bijdrage aan het oplossen van de file top 50.

Beter Benutten

Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma’s Beter Benutten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in het kader van het MIRT-proces (Kamerstukken II 2016–2017 34 550-A, nr. 19).

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en route-informatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

Waarde

2013

Waarde

2014

Waarde

2015

Waarde

2016

Waarde

2017

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

         

0 knelpunten

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.650

8.600

8.300

8.300

5.600

0 knelpunten in 2020

Bron: RWS/WVL, 2017

Toelichting:

In 2015 is nagenoeg (99,9%) op alle locaties langs rijkswegen voldaan aan de per 1 januari 2015 geldende grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) Komende jaren zal blijvend moet worden voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Dat betekent dat 0 knelpunten het streven blijft. Hierover zal in de jaarverslagen worden gerapporteerd op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar.

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2020 hangt samen met de hiervoor in de Wet milieubeheer opgenomen einddatum voor het opstellen van een saneringplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen, dit zal dus ook deels na 2020 zijn.

De sanering wordt uitgevoerd in het kader van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG). In dit programma worden onder bepaalde voorwaarden ook objecten met een geluidbelasting onder de 65dB gesaneerd. Vooruitlopend op het opstellen van regionale saneringsplannen vindt de geluidsanering plaats in samenhang met genomen tracébesluiten.

De gehanteerde geluidbelastingen zijn gebaseerd op een «worst-case» situatie (volledig benut geluidproductieplafond). Bij een deel van de gesaneerde objecten blijft de geluidbelasting op de gevel na het treffen van de doelmatige saneringsmaatregelen boven de 65dB en wordt toepassing van gevelmaatregelen onderzocht om te voldoen aan de geluidsnorm binnen de woning.

Zoals aangegeven in het Jaarverslag 2016 over Hoofdstuk XII is het totale aantal knelpunten herijkt op basis van nieuw beschikbaar landelijk onderzoek dat, als gevolg van het voortschrijdende onderzoek, steeds gedetailleerder is dan de eerder beschikbare informatie. Daarnaast zijn de gegevens geactualiseerd aan de hand van genomen saneringsbesluiten en het realiseren van geluidschermen voorafgaand aan het treffen van saneerplannen in het kader van de PreNoMo-sanering, waardoor de geluidbelasting op de betreffende woningen onder de saneerdrempel is gebracht.

In vervolg op de brieven aan de Tweede Kamer over de kostenbeheersing van het MJPG d.d. 20 november 2015 (Kamerstukken II 2015–2016 32 252, nr. 56) 1 september 2016 (Kamerstukken II 2015–2016 32 252, nr. 58) zal de komende jaren verder invulling hieraan worden gegeven door middel van prioritering van maatregelen.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

       

realisatie

doelstelling

 

2002

2012

2013

2014

2015

2016

2020

aantal verkeersdoden

1.066

650

570

570

621

629

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

18.800

20.700

21.300

dec-17

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2016 Bron verkeersdoden 2016:

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/18/omgekomen-autorijders-vaak-jong-of-oud

Marktcondities

Verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (Kamerstukken II vergaderjaar 2016–2017, 29 398, nr. 544).

Duurzaamheid

Voor de doelstellingen voor de sector verkeer en vervoer wordt verwezen naar artikel 19 Klimaat.

Beleidswijzigingen

Naar aanleiding van de kabinetsreactie Interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) «Flexibiliteit in infrastructurele planning» (Kamerstukken II 2016–2017 34 550-A, nr. 5) wordt een wijziging in gang gezet van de Wet Infrastructuurfonds die erop gericht is de reikwijdte van het IF zodanig te verbreden dat ook niet-investeringsuitgaven (zoals Beter Benutten) die direct bijdragen aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van investeringen in infrastructuur bekostigd kunnen worden uit het IF.

Zoals in de brieven van 14 oktober 2016 (Kamerstukken II 2016–2017 34 550-A, nr. 9) en 21 november 2016 (Kamerstukken II 2016–2017 34 550-A, nr. 19) aangegeven, wordt verkend hoe de succesvolle publiek-private samenwerking van Beter Benutten kan worden voortgezet in een gerichte korte termijn aanpak (2018–2021) voor slimme en duurzame mobiliteit. De uitkomst is mede afhankelijk van de (financiële) prioriteiten van een nieuw kabinet en vindt naar verwachting dit najaar plaats bij de Bestuurlijke Overleggen MIRT.

In 2016 is een beleidsdoorlichting voor het gehele beleidsartikel van start gegaan. De afronding daarvan is voorzien in 2017. Er wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid en of de gehanteerde indicatoren, kengetallen en streefwaarden zinvol zijn en hoe de monitoring verbeterd kan worden ingezet om afwegingen bij beleids- en besluitvorming beter te ondersteunen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en verkeersveiligheid (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

63.115

33.736

27.319

27.643

27.374

28.701

28.862

Uitgaven:

34.635

47.495

36.725

34.298

32.827

29.492

28.653

Waarvan juridisch verplicht

   

81%

       

14.01

Netwerk

15.367

30.645

20.575

17.791

16.097

12.004

11.154

14.01.01

Opdrachten

11.025

24.051

15.304

12.520

10.876

6.783

5.933

 

– Beter Benutten

7.245

18.472

10.141

6.902

4.616

173

173

 

– BOA wegverkeersbeleid

1.320

1.253

2.096

2.350

2.387

2.722

2.728

 

– Wegverkeersbeleid

1.434

2.644

1.146

1.296

1.567

1.679

1.690

 

– Overige opdrachten

1.026

1.682

1.921

1.972

2.306

2.209

1.342

14.01.02

Subsidies

1.126

1.135

650

650

600

600

600

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

3.216

5.459

4.621

4.621

4.621

4.621

4.621

 

– waarvan bijdrage aan RWS

3.216

5.459

4.621

4.621

4.621

4.621

4.621

14.02

Veiligheid

19.268

16.850

16.150

16.507

16.730

17.488

17.499

14.02.01

Opdrachten

7.598

6.441

6.218

6.606

6.829

7.618

7.629

 

– Opdrachten Verkeersveiligheid

7.598

6.441

6.218

6.606

6.829

7.618

7.629

14.02.02

Subsidies

8.063

8.351

8.401

8.370

8.370

8.369

8.369

 

– VVN

3.660

3.726

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

 

– SWOV

3.781

3.854

3.870

3.869

3.869

3.869

3.869

 

– Overige subsidies

622

771

795

765

765

764

764

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

585

584

584

584

584

584

584

 

– waarvan bijdrage aan RWS

585

584

584

584

584

584

584

14.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

30

30

30

30

30

0

0

 

– Euro NCAP

30

30

30

30

30

0

0

14.02.06

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

2.992

1.444

917

917

917

917

917

 

– CBR

2.992

1.444

917

917

917

917

917

 

Ontvangsten

3.149

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrasturctuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.485.580

2.499.238

2.616.884

2.657.132

2.840.329

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

90.402

55.343

90.501

148.914

133.540

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.575.982

2.554.581

2.707.385

2.806.046

2.973.869

waarvan

         

12.01

Verkeersmanagement

3.680

3.681

3.680

3.677

3.674

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

645.593

637.675

529.783

629.827

587.072

12.03

Aanleg

781.590

905.105

1.160.531

1.215.916

1.472.204

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

581.030

455.632

460.687

410.514

397.500

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

564.089

552.488

552.704

546.112

513.419

12.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier onder andere verplichtingen die tot en met 2018/2019 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een vastomlijnde tijdshorizon, de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is het merendeel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en Team Alert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

De opdrachten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van verkeer, wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU), Tol, Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto en Intelligente Transport Systemen (ITS), het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid).

De opdrachten voor Beter Benutten betreffen kosten op het gebied van diverse onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, fietsbeleid en Intelligente Transport Systemen.

In het kader van het Energieakkoord voor duurzame groei (Kamerstukken II 2012–2013 30 196, nr. 202) is IenM betrokken bij de uitvoering van overeengekomen acties, zoals de green deal Autodelen en de green deal Het Nieuwe Draaien met de bouwsector, over zuiniger gebruik van machines. Daarnaast vind onderzoek plaats naar mogelijke maatregelen op het gebied van duurzame mobiliteit, die een plaats kunnen krijgen in de Energieagenda.

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid onder andere aan de Fietsersbond en een incidentele subsidie verstrekt aan Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV) te Breda en aan de Stichting Wandelnet en Fietsplatform.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid en naar specifieke doelgroepen zoals ouderen. Opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT die per 1 januari 2017 is herzien. Vanaf 2017 vindt voor de vorderingenonderzoeken (medisch en rijvaardigheid) nog een gedeeltelijke vergoeding plaats, kamerbrief 29398–529 van 21 september 2016. Het resterende bedrag wordt doorberekend aan de burger waarbij het vorderingenonderzoek moet plaatsvinden.

Beleidsartikel 15 OV-keten

In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. De vorige begrotingsindeling sloot hier niet op aan, omdat sprake was van een apart artikel voor Openbaar Vervoer en een apart artikel voor Spoor. Daarom zijn bij Begroting 2017 de artikelen samengevoegd tot één nieuw artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Hiertoe is de naam en algemene doelstelling van artikel 16 aangepast van «Spoor» naar «Openbaar Vervoer en Spoor».

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 15 OV-keten opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 15 en 16 vanaf 2017 heeft deze alleen nog betrekking op het jaar 2016. Voor de jaren 2017 en verder wordt verwezen naar artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 15 OV-keten (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

5.566

0

0

0

0

0

0

Uitgaven:

4.745

0

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

             

15.01

OV-keten

4.745

0

0

0

0

0

0

15.01.01

Opdrachten

3.165

0

0

0

0

0

0

15.01.02

Subsidies

782

0

0

0

0

0

0

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

798

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

798

0

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

6.207

0

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Algemene Doelstelling

Om er voor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenM de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, beheren en benutten. Daarbij zorgt IenM tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenM zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenM samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenM (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel)

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd. Het is de verwachting dat het programma ERTMS in 2018 van de planuitwerkingfase over kan gaan naar de realisatiefase.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenM zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, OV-chipkaart, taxivervoer en OV-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de Openbaar Vervoer infrastructuur en de ordening van de Openbaar Vervoer markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele OV-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015–2016 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stoptonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder staan de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar Vervoer en Spoor.

In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

In de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) is in actie 43 aangegeven dat gezamenlijk een dashboard wordt ontwikkeld waarmee de verbetering van de reis van deur-tot-deur in beeld kan worden gebracht. Op basis van het dashboard wordt de deur-tot-deur ambitie gemonitord aan de landsdelige en landelijke OV&Spoortafels. Een samenvatting van de rapportage over het Dashboard Van Deur tot Deur, de conclusies en eventuele afspraken die naar aanleiding daarvan aan de OV- en Spoortafels worden gemaakt, maken onderdeel uit van de periodieke terugkoppeling over de OV- en Spoortafels aan de Tweede Kamer.

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Algemeen oordeel

7,2

7,4

7,4

7,5

7,5

7,6

Informatie en veiligheid

7,5

7,6

7,6

7,6

7,7

7,8

Rijcomfort

7,3

7,4

7,5

7,5

7,6

7,6

Tijd en doorstroming

6,6

6,8

6,8

6,9

7,0

7,0

Prijs

5,9

6,2

6,3

6,4

6,6

6,7

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2016

Toelichting

De OV Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionale stads- en streekvervoer waarvoor de provincies en de metropoolregio’s verantwoordelijk zijn.

Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de periode van eind oktober tot begin december.

Vanaf 2017 zal NS conform de motie van het lid Dik-Faber (Kamerstukken II 2013/14, 29 984, nr. 502) met het oog op eenduidigheid en vergelijkbaarheid aansluiting zoeken bij de OV-klantenbarometer. Op dit moment meet NS de klantoordelen via een andere methode en worden zij hier in de concessie ook door IenM op beoordeeld. Bij de Indicator «Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel» staan de realisatie in de afgelopen jaren en de gebruikte normen van het algemeen klantoordeel opgenomen.

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

           

– Reizigers (1)

7,9

7,9

7,9

8

8

8

– Personeel (2)

nb

6,9

nb

7

nb

6,8

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

           

– Reizigers (3)

nb

15

15

16

14

14

– Personeel (4)

nb

60

nb

60

nb

62

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2016 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2016

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident. Het percentage in 2012 en verder is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks gemeten.

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Klantoordeel sociale veiligheid

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

80,1%

87,1%

Bron: NS Jaarverantwoording 2016

Toelichting

In 2016 heeft 87,1% van de reizigers sociale veiligheid met het cijfer zeven of hoger beoordeeld. In het Vervoerplan van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ‘s avonds in de trein en overdag en ‘s avonds op stations.

Indicator: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Bodem

waarde

Progressie

waarde

Streef

waarde

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015–20191

20161

2019¹

Reizigerspunctualiteit²

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

91,0%

90,0%

91,0%

92,3%

Algemeen klantoordeel³

74%

74%

75%

75%

74%

74%

75%

80%

Bron: NS Jaarverantwoording 2016

Ad 1) Met ingang van de nieuwe vervoerconcessie is de systematiek van jaarlijks veranderende grenswaarden gewijzigd in een systematiek van bodem- en streefwaarden. De bodemwaarde is de waarde waaronder NS niet mag presteren op straffe van een boete. De streefwaarde voor 2019 werkt met een bonus/malus-regime, waardoor er zowel een positieve als een negatieve prikkel is om de gewenste verbetering van de prestaties te realiseren. Voor elke prestatie-indicator geeft NS in het vervoerplan een zogeheten progressiewaarde voor het betreffende jaar waar de ambitie in zit. Progressiewaarden en realisaties moeten tezamen over het geheel gezien progressie tonen richting de streefwaarden voor 2019.

Ad 2) De indicator Reizigerspunctualiteit laat het percentage reizigers zien voor wie de treinreis qua reistijd is geslaagd. Dat wil zeggen dat de trein daadwerkelijk gereden heeft, bij aankomst minder dan 5 minuten vertraging had en de voor de overstappers geplande aansluiting is gehaald.

Ad 3) Het Algemeen klantoordeel geeft het percentage reizigers dat het reizen per trein op het hoofdrailnet met een zeven of hoger waardeert.

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals die vanaf dit begrotingsjaar worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid8. Deze bevat de geactualiseerde beleidsagenda ten aanzien van railveiligheid op basis van het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid. Er lopen verschillende veiligheidsverbeterprogramma’s om de gestelde doelstellingen te realiseren (onder andere het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen en het STS (Stoptonend Sein)-verbeterplan).

De nationale indicatoren uit de Derde Kadernota railveiligheid zijn in het geactualiseerde sturingskader losgelaten als norm voor beleidssturing, omdat deze te beperkt inzicht geven in de ontwikkeling van onderliggende risicofactoren. Over de nieuwe indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid en het NSA Jaarverslag, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht. Hiermee wordt de informatiewaarde van de jaarverslagen vergroot en ontstaat er een directere relatie tussen de bevindingen van de ILT en de beleidsontwikkeling.

In onderstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2015 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2016 komt in september 2017 beschikbaar.

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

NRV

2016

2015

2014

1

Veiligheidsrisico treinreizigers

SGEL onder reizigers/jaar/mld. reizigerskm’s

   

0,011

0

2

(Mogelijke) ongevallen met treinen

         

2.1

 

Aantal significante ongevallen/ mln. treinkm’s

   

0,199

0,122

2.2

 

Aantal significante treinbotsingen/mln. treinkm’s

   

0,006

0,019

2.3

 

Aantal significante ontsporingen/ mln. treinkm’s

   

0,006

0,006

2.4

 

Aantal STS passages

   

100

112

3

Veiligheidsrisico spoorpersoneel

SGEL onder spoorpersoneel/jaar/mld. treinkm’s

   

1,283

0

4

Veiligheidsrisico overweggebruikers

SGEL onder overweggebruikers/jaar/mld. treinkm’s

   

84,704

47,580

5

Suïcides

Aantal spoorsuïcides

   

223

192

Bron: ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2015, Kamerstukken II, 2016/2017 29 893 nr. 207

Gebruikte afkorting in de tabel

SGEL = Slachtoffers en Gewogen Ernstige Letsels

Dit is een kwantificering van de gevolgen van ernstige ongevallen met doden en ernstige letsels, waarbij 1 ernstig letsel statistisch gelijk is aan 0,1 overledene.

Risicodragers = actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen.

Kengetal aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Betuweroute (Meteren-Valburg)1

420

430

410

480

440

390

Zevenaar grens

480

490

490

540

470

400

waarvan Betuweroute1

420

430

410

480

440

380

Oldenzaal grens

60

60

70

60

100

130

Venlo grens

230

220

240

190

270

310

Maastricht grens

20

20

30

30

30

40

Roosendaal grens

120

110

110

110

130

140

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

X Noot
1

Omdat eind 2015 de verbindingsboog bij Elst in gebruik is genomen, is er een verschil tussen het aantal goederentreinen op het drukste deel van de Betuweroute (Meteren-Valburg) en het aantal goederentreinen dat via de Betuweroute (Valburg-Zevenaar) en Zevenaar grens heeft gereden.

Toelichting

De treinbewegingen van goederentreinen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen. In 2016 is verschuiving van verkeer waarneembaar van de Betuweroute naar het gemengde net door omleidingen als gevolg van de bouw van het Derde spoor in Duitsland. In 2017 neemt naar verwachting het aantal treinbewegingen verder toe, maar ook dan zal sprake zijn van verschuiving.

Beleidswijzigingen

Eind 2016 is met het Toekomstbeeld OV 2040 een gemeenschappelijke visie op de toekomst van het openbaar vervoer gepresenteerd. Het Toekomstbeeld is door IenM en de OV-partners (overheden, vervoerders en infrabeheerder) samen ontwikkeld. De komende tijd wordt dit uitgewerkt in een ontwikkelagenda, die aangeeft hoe beleid en uitvoering stap voor stap gericht wordt op dat Toekomstbeeld.

In december 2016 heeft het kabinet gekozen om ProRail om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid (Kamerstukken II 2016–2017 25 268, nr. 139). In 2018 wordt deze omvorming verder voorbereid.

In maart 2017 is het rapport over scenario’s voor marktwerking op het spoor opgeleverd en vervolgens aan de Kamer aangeboden. Dit volgt uit de kabinetsreactie op de parlementaire enquête Fyra (Kamerstukken II 2015–2016 33 678, nr. 16).

In 2018 wordt gewerkt aan de implementatie van het Vierde Spoorwegpakket, zodat deze binnen de Europese termijn geïmplementeerd kan worden. De implementatie betreft een beleid neutrale omzetting. Mede naar aanleiding van een Raad van State advies (W14150443) is vorig jaar een inventarisatie naar de noodzaak tot aanpassing en modernisering van de Spoorwetgeving uitgevoerd en gestart met een nadere verkenning van een toekomstbestendige Spoorwet. Dit is een meerjarig herzieningstraject van wetgeving waarbij de stakeholders nauw worden betrokken. Over de voorstellen en de planning wordt de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

28.104

6.840

7.846

11.742

9.609

17.081

10.117

Uitgaven:

18.896

36.801

18.622

13.142

13.917

14.237

14.234

Waarvan juridisch verplicht

   

85%

       

16.01

OV en Spoor

18.896

36.801

18.622

13.142

13.917

14.237

14.234

16.01.01

Opdrachten

985

8.656

6.382

5.853

6.532

7.011

6.946

 

– ERTMS

0

47

0

0

0

0

0

 

– Overige opdrachten

985

8.609

6.382

5.853

6.532

7.011

6.946

16.01.02

Subsidies

15.544

24.864

8.934

3.983

4.079

4.017

4.079

 

– Bodemsanering NS

9.077

0

0

0

0

0

0

 

– GSM-R

2.014

15.607

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

4.453

9.257

8.934

3.983

4.079

4.017

4.079

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

44

894

919

919

919

822

822

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

44

44

44

44

44

44

44

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

850

875

875

875

778

778

16.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

2.252

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

 

– CLU Betuweroute en HSL

2.252

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

2.287

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

71

100

100

100

100

100

100

 

Ontvangsten

3

2.702

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

1.876.136

1.851.941

1.897.702

2.029.752

1.978.720

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

314.250

202.214

197.329

202.263

207.106

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.190.386

2.054.155

2.095.031

2.232.015

2.185.826

waarvan

         

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.245.258

1.238.568

1.293.225

1.305.578

1.274.758

13.03

Aanleg

766.273

635.907

593.477

719.958

684.418

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

162.258

147.583

156.570

160.882

161.053

13.07

Rente en aflossing

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

0

15.500

35.162

29.000

49.000

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

246.600

201.111

170.614

96.629

5.098

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

246.600

201.111

170.614

96.629

5.098

waarvan

         

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

194.764

109.215

102.607

84.529

1.605

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

9.233

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

51.836

91.896

58.774

12.100

3.493

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (bedragenx € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

187.116

317.511

389.614

419.130

406.520

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

40.441

22.119

28.553

60.681

67.487

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

227.557

339.630

418.167

479.811

474.007

waarvan

           

17.02

Betuweroute

4.942

4.807

0

0

0

17.03

HSL-Zuid

8.894

22.750

17.200

16.600

16.700

17.07

ERTMS

98.823

147.261

208.772

283.829

299.771

17.08

ZuidasDok

114.898

164.812

192.195

179.382

157.536

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2013–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1
 

2016

2017

2018

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer2

53

51

46

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer3

46

48

47

Reisaftrek OV

10

10

10

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

16.01 OV en Spoor

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan mede overheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapbijdrage, de bijdrage aan mede overheden en de bijdragen aan (inter)nationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM), uitgaven voor de Ov-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche, de uitbesteding van SWUNG1 taken en het onderzoek naar voor het rekenmodel trillingen spoorwegen. Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

16.01 OV en Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SCHWUNG1 taken, het onderzoeken naar verbetermogelijkheden voor het rekenmodel trillingen spoorwegen, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: Deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond € 13 miljoen inclusief de uitvoeringskosten.

NS Sociale Veiligheid: € 3,6 miljoen in 2018 van in totaal € 10 miljoen 2016 tot en met 2018

Het doel van de subsidie is een eenmalige extra bijdrage aan extra maatregelen voor sociale veiligheid. De bijdrage wordt besteed aan de inzet van flexteams veiligheid na 22.00 uur op zondag t/m woensdag, inhuur van beveiliging op stations en innovatieve toepassingen voor het hele OV. De extra maatregelen zullen bijdragen aan de veiligheid van NS-personeel en andere medewerkers in het OV en aan de veiligheid van de reizigers. Met deze subsidie is voldoende budget beschikbaar gesteld voor de maatregel dubbele bemensing (uit het maatregelenpakket 2015) en is uitvoering gegeven aan de motie Van Veldhoven (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 43).

NS Intercity Dordrecht Breda: € 2,0 miljoen in 2018 van in totaal € 3,38 miljoen in 2017 en 2018: Het doel van de subsidie is dat NS hiermee met ingang van dienstregeling 2017 voor een periode van twee jaar een uursverbinding met een Intercity zal realiseren tussen. Dordrecht en Breda. De Kamer is hierover op 30 maart 2016 geïnformeerd bij de beantwoording van Kamervragen van lid Bruins (CU) over de intercity Dordrecht-Breda.

Bijdrage exploitatiekosten RE13 Nederlands grondgebied VRR € 0,25 miljoen in 2018 van in totaal € 2,5 miljoen 2017 tot en met 2025.

Belemmeringen voor grensoverschrijdend treinverkeer worden waar mogelijk weggenomen door maatregelen en bijdragen ter stimulering van internationaal personenvervoer. Door deze bijdrage kunnen reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar reizen van Nederland naar Duitsland en vice versa.

Verder worden subsidie uitgaven gedaan voor het OV-loket, de beleidsondersteuning van ROVER, de ondersteuning van het consumentenplatform Friese Waddenveren, het landelijk klachtenmeldpunt taxi en de OV Klantenbarometer. Doel van deze subsidies is het ondersteunen van reizigers en een loket te organiseren waar zij terecht kunnen.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering.

16.01.04 Bijdrage medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek gezien belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, ea.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Gerealiseerd 2016

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

479.000

500.000

 

78%

77%

84%

84%

85%

88%

90%

96%

100%

Bron realisatie: Schiphol Amsterdam Airport, februari 2017

Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015 34 098, nr. 1–3).

Toelichting:

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 tot en met 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken van 500.000. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» tussen Schiphol en het Rijk bijgesteld en is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90% van de destijds gehanteerde 510.000 vliegtuigbewegingen extra regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 665, nr. 181).

Bij brief d.d. 29 april 2016 (Kamerstukken II, 2016–2017 29 665, nr. 224) heeft het kabinet de Kamer de Actieagenda Schiphol doen toekomen. Daarin heeft het als doel gesteld dat de mainport Schiphol ook de komende jaren een speler van formaat blijft in de luchtvaart. De verdere groei van Schiphol op een innovatieve, duurzame en veilige manier is daarbij uitgangspunt. Dit vraagt van alle partijen een slimme en toekomstbestendige aanpak, in balans met de omgeving.

Er is gewerkt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS). De wet waarin dit stelsel is opgenomen, is op 30 maart 2016 gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet formeel in werking getreden. Het bij de nieuwe wet behorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) is nog in voorbereiding. Totdat het in voorbereiding zijnde LVB in werking is getreden, is het nieuwe stelsel formeel nog niet van kracht.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2015

Gerealiseerd t/m 2016

Streefwaarde 2016

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000

25.000

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, 2013–2014, 31 936, nr. 187), Vergunning burgermedegebruik exploitant militaire luchthaven Eindhoven ten behoeve van Eindhoven Airport N.V. (gebruiksjaren 2016 tot en met 2019) (Stcrt, 47829, nr. 28).

Bron Lelystad: Luchthavenbesluit Lelystad (Staatsblad 2015 nr. 130).

Toelichting:

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo dat Schiphol meer ruimte overhoudt voor mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Op 17 december 2015 is aan de Eindhoven Airport NV voor de jaren 2016 tot en met 2019 een vergunning verleend voor burgermedegebruik van de militaire luchthaven Eindhoven voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen (Stcrt. 2015, 47829).

Ten behoeve van de uitbreiding van Lelystad Airport heeft het kabinet een Luchthavenbesluit vastgesteld dat op 1 april 2015 in werking is getreden met een voorziene uitbreiding van de luchthaven voor groot commercieel verkeer: eerst naar 10.000 vliegbewegingen in fase 1 en vervolgens gefaseerd naar maximaal 45.000 vliegbewegingen in fase 3. Alle betrokken overheden en marktpartijen werken met volle inzet aan een tijdige ingebruikname van de luchthaven in 2019. Op 29 november 2016 is de Tweede Kamer schriftelijk geïnformeerd over de mogelijk vertraagde ingebruikname van de luchthaven Lelystad voor groot commercieel verkeer. Bij brief d.d. 17 februari 2017 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat per 1 april 2019 de luchthaven opengesteld wordt voor groot commercieel verkeer. Deze nieuwe planning wordt door LVNL haalbaar en realistisch geacht.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Streefwaarde 2016 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

3

4

 

Frankfurt (FRA)

2

2

2

2

 

Gatwick

4

4

4

3

 

Schiphol

8

8

9

9

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

6

4

 

München

6

6

5

6

 

Brussel

9

9

8

8

 

Madrid

7

7

7

7

 

Bron: SEO Benchmark Luchthavengelen en Overheidsheffingen van verschillende jaren.(2013 t.m. 2016)

Toelichting:

Onder andere in de Actieagenda Schiphol (Kamerstukken II 2015–2016 29 665, nr. 224) staat dat het belangrijk is dat Schiphol een concurrerend kostenniveau behoudt. Om dit te kunnen vaststellen, vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de Air Traffic Control ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een vergelijkbaar pakket vluchten betaald zou moeten worden. De resultaten van de laatste benchmark laten zien dat Schiphol medio 2016 op dit vlak de goedkoopste is van de negen onderzochte West-Europese luchthavens in de benchmark. In de benchmark wordt Schiphol ook met de luchthavens Dubai en Istanbul vergeleken. Deze luchthavens waren in voorgaande jaren altijd fors goedkoper. Dat geldt voor Istanbul nog steeds, maar in 2016 is Schiphol voor het eerst even goedkoop als Dubai.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

2016

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

62,79

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,53

52,46

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (ILT, 2016)

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (2004)

Toelichting:

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. IenM stelt de grenswaarden vast maar heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2015 van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2015–2016, 29 665, nr. 223).

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2016.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

262

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

290

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

186

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

290

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

193

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat

Toelichting:

In deze tabel is het aantal bestemmingen per luchthaven opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Vliegbewegingen (x 1.000)

                   

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

479

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

453

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

473

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

473

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

207

Passagiers (in miljoenen)

                   

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

64

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

61

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

76

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

66

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

22

Vracht (x 1.000 ton)

                   

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483