Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2017, 19198Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 15 maart 2017, nr. IenM/BSK-2017/67200, houdende verstrekking van subsidie aan de vereniging Fietsersbond (Subsidieregeling Fietsersbond 2017)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder f, 4, eerste en tweede lid, en 5, van de Kaderwet subsidies I en M, 2, eerste lid en 4 van het Kaderbesluit I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

forfaitair uurtarief:

kostendekkend tarief per uur voor een boekjaar dat wordt gehanteerd voor de uitvoering van subsidiabele projecten en producten, en dat wordt berekend op basis van gemiddelde salariskosten en een opslag voor de overheadkosten, waarbij wordt aangesloten bij de systematiek van de Handleiding Overheidstarieven 2016;

kosten derden:

op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele projecten en producten worden gemaakt;

minister:

Minister van Infrastructuur en Milieu;

product:

(deel)resultaat dat voortkomt uit een project;

project:

geheel van activiteiten dat deel uitmaakt van een thema;

subsidieontvanger:

Vereniging Fietsersbond, statutair gevestigd te Utrecht;

xls file:

een door de minister vast te stellen bestand met een format voor ramingen en realisaties van de gesubsidieerde projecten en producten ten behoeve van de subsidieverlening en subsidievaststelling.

Artikel 2 Doel subsidie

  • 1. De minister kan op aanvraag per boekjaar een subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het uitvoeren van projecten en producten, gericht op de behartiging van belangen van fietsers in de besluitvorming van overheden, openbaar vervoersbedrijven en marktpartijen, onder meer door het verzamelen van feiten en gegevens over de lokale, regionale of landelijke staat van de fietsvoorzieningen of over het beleid van overheden en vervoerbedrijven ten gunste van de belangenbehartiging.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt:

    • a. voor zover voor een project of product als bedoeld in het eerste lid, een subsidie is of wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan dan wel hiervoor andere inkomsten van derden zonder tegenprestatie zijn of worden verkregen, of

    • b. voor zover de projecten en producten zijn te kwalificeren als economische activiteiten.

Artikel 3 Toepassing Afdeling 4.2.8 Awb

Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 4 Subsidieplafond en subsidiabele kosten

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 581.767,11 per boekjaar. Indien op grond van artikel 8 van de Subsidieregeling Fietsersbond 2013 een compensatie wordt gegeven voor de arbeidskostenontwikkeling 2017, wordt het bedrag van het plafond per boekjaar vermeerderd met het bedrag van deze compensatie.

  • 2. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen het totaal aantal uren dat werkelijk aan de uitvoering van de subsidiabele projecten en producten is besteed onder toepassing van het geldende forfaitair uurtarief, alsmede de kosten derden.

  • 3. Het forfaitair uurtarief wordt goedgekeurd door de minister en geldt voor de subsidies die op basis van deze regeling worden verstrekt.

Artikel 5 Concept-activiteitenplan

Uiterlijk op 1 september van het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zendt de subsidieontvanger een concept van het activiteitenplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, aan de minister.

Artikel 6 Aanvraag tot subsidieverlening en tot goedkeuring forfaitair uurtarief

  • 1. De subsidieontvanger dient de aanvraag tot subsidieverlening in bij de minister, uiterlijk op 1 november van het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De aanvraag bevat het bedrag van de gevraagde subsidie.

  • 2. Onverminderd artikel 4:65 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de aanvraag vergezeld van:

    • a. het activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin tevens een uiteenzetting wordt gegeven van de projecten en producten en waarbij de keuze van de projecten en producten bijdraagt aan de doelen en activiteiten van de Agenda Fiets 2017-2020 of eventuele opvolgende Agenda Fiets, en waarin tevens rekening is gehouden met de opmerkingen die de minister heeft gemaakt bij het concept-activiteitenplan;

    • b. de opgave van het kwartaal waarin de projecten en producten zijn afgerond;

    • c. de begroting als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, welke tevens bevat de onderbouwing van het geraamde aantal uren per project, het forfaitair uurtarief alsmede de geraamde kosten derden per project, en

    • d. de ingevulde ramingen in de xls file.

  • 3. Uiterlijk op 1 november 2017 wordt aan de minister goedkeuring gevraagd van het forfaitair uurtarief. Daartoe wordt overlegd een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant ten aanzien van de berekening van het forfaitair uurtarief waarbij minimaal het volgende wordt aangegeven dat:

    • 1°. bij de berekening de begroting is gehanteerd;

    • 2°. de berekening gebaseerd is op de systematiek van de Handleiding Overheidstarieven 2016, en

    • 3°. het gehanteerde tarief gebaseerd is op de in de cao voor de welzijnssector vastgelegde salarisschalen.

Artikel 7 Beschikking tot subsidieverlening

  • 1. De minister neemt de beschikking tot subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. In de beschikking worden vermeld:

    • a. de te subsidiëren projecten en producten;

    • b. het kwartaal waarin de subsidieontvanger gehouden is de projecten en producten te hebben afgerond;

    • c. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld;

    • d. het geraamde aantal uren per project, het forfaitair uurtarief alsmede de geraamde kosten derden per project, en

    • e. de inhoud van het controleprotocol.

Artikel 8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel:

  • a. in het activiteitenplan onvoldoende rekening is gehouden met de opmerkingen die hij heeft gemaakt bij het concept-activiteitenplan;

  • b. de aanvraag niet voldoet aan artikel 6, of

  • c. er in voorgaande boekjaren ten aanzien van de subsidieverlening dan wel subsidievaststelling toepassing is gegeven aan de artikelen 4:48, 4:49 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 9 Voorwaarde begrotingsvoorbehoud

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Milieu, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld dat de subsidieverlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Milieu.

Artikel 10 Voorschotverlening

  • 1. De minister kan een voorschot verlenen. Deze beschikking wordt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening gegeven.

  • 2. Het voorschot wordt uitgekeerd op basis van een bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekt overzicht van de liquiditeitenprognose waarin de liquiditeitsbehoefte per kalenderkwartaal wordt aangegeven.

  • 3. Het voorschot wordt uitgekeerd in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot bevoorschotting worden bepaald met dien verstande dat de voorschotverlening ten hoogste 95 procent van de verleende subsidie per boekjaar bedraagt.

Artikel 11 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op de verplichtingen op grond van de Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger verplicht tot:

    • a. het afronden van de uitvoering van projecten en producten waarvoor subsidie is verleend, uiterlijk op het kwartaal dat daarvoor is aangegeven in de beschikking tot subsidieverlening;

    • b. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie en op de rechtmatige en de doelmatige aanwending daarvan zoals financiering van projecten en producten vanuit andere bronnen en over- en onderschrijdingen van het geraamde subsidiebedrag van een project van meer dan 25% onder vermelding van de oorzaak van de verschillen;

    • c. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister zodra aannemelijk is dat een gesubsidieerd project niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • d. het doen van een schriftelijke melding aan de minister, vergezeld van een herziene liquiditeitenprognose, indien de gemaakte subsidiabele kosten op de laatste dag van elk kalenderkwartaal 75% of minder bedragen van de voor dat desbetreffende kwartaal begrote subsidiabele kosten; de melding geschiedt binnen twee maanden na afloop van het desbetreffend kalenderkwartaal;

    • e. het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de rechtmatige en doelmatige aanwending van de ontvangen subsidiegelden, dat wordt verricht namens of in opdracht van de minister of door de Algemene Rekenkamer en het verstrekken van desverlangd alle informatie aan degene die met dit onderzoek is belast;

    • f. het de minister vooraf op de hoogte stellen indien naar de media wordt getreden ten aanzien van een gesubsidieerd project of product met een landelijk politiek gevoelig of belangrijk landelijk beleidsmatig karakter;

    • g. het verlenen van medewerking binnen een door de minister te stellen termijn aan een door hem ingesteld evaluatieonderzoek teneinde te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger bij het uitvoeren van een gesubsidieerd project, een toegevoegde waarde heeft geleverd aan het in artikel 2, eerste lid, omschreven doel van deze regeling in het algemeen en aan de doelen en activiteiten van de Agenda Fiets 2017-2020 of eventuele opvolgende Agenda Fiets in het bijzonder;

    • h. het in acht nemen van het controleprotocol, en

    • i. het onverwijld informeren van de minister nadat:

      • 1°. een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend,

      • 2°. een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend, of

      • 3°. de statuten zijn gewijzigd.

  • 2. Voorts kan de minister bij de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

    • a. het verkrijgen van andere financiële middelen, of

    • b. andere verplichtingen die de minister wenselijk acht ter verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3. Tevens draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat:

    • a. een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht dat een gescheiden administratie van kosten en baten wordt gevoerd voor de gesubsidieerde projecten en producten enerzijds en de overige activiteiten anderzijds;

    • b. een onderzoek als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt uitgevoerd en dat dit onderzoek geschiedt met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het controleprotocol, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder e, en

    • c. geen staatssteun wordt verleend aan ondernemingen door middel van de subsidie.

Artikel 12 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. De subsidieontvanger dient de aanvraag tot subsidievaststelling in bij de minister binnen vier maanden volgend op het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. het activiteitenverslag dat tevens voldoet aan artikel 4:80, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

    • b. het financieel verslag;

    • c. de stand van zaken van de projecten en producten en de kwartalen waarin deze zijn afgerond, het gerealiseerde aantal uren per project met onderbouwing en de gerealiseerde kosten derden per project met onderbouwing;

    • d. een toelichting indien de gemaakte kosten voor een project 25% of meer afwijken van het geraamde bedrag ervoor;

    • e. de ingevulde realisaties in de xls file;

    • f. een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 4:78, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en

    • g. een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 4:79, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 13 Beschikking tot subsidievaststelling

  • 1. De minister neemt de beschikking tot subsidievaststelling binnen tweeëntwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De minister is bevoegd tot ambtshalve vaststelling van de subsidie indien de subsidieontvanger niet tijdig de aanvraag tot vaststelling heeft ingediend.

Artikel 14 Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Fietsersbond 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding voor en doel van de subsidie

De vereniging Fietsersbond is een organisatie voor de belangenvereniging voor fietsers. De activiteiten van de Fietsersbond zijn gericht op de behartiging van de belangen van fietsers in de besluitvorming van overheden, openbaar vervoersbedrijven en marktpartijen waaronder tevens het verwerven van de voor de belangenbehartiging noodzakelijke kennis. Een voorbeeld van kennisverwerving is het uitvoeren van een benchmark van gemeentelijk of provinciaal fietsbeleid.

De Fietsersbond krijgt jaarlijks subsidie van het ministerie. De huidige subsidieregeling is vervallen op 1 januari 2017. De onderhavige regeling strekt ertoe de subsidieverstrekking te continueren voor wederom een periode van vijf jaar.

Overwogen is of er aanleiding is om de subsidiëring van de Fietsersbond niet voort te zetten. Uit de interne evaluatie blijkt dat de subsidie aan de Fietsersbond doeltreffend gebruikt wordt om bij te dragen aan een beter en efficiënter fietsbeleid van alle overheidslagen. Een effectieve belangenbeharting in de besluitvorming van overheden, OV-bedrijven en marktpartijen draagt bij aan het behalen van nationale doelen op het gebied van bereikbaarheid, luchtkwaliteit, gezondheid en verkeersveiligheid van fietsers. Het fietsbeleid is in de kern een decentrale verantwoordelijkheid. Het Rijk heeft echter een faciliterende en stimulerende rol die er op gericht is om het beleid van de decentrale overheden te versterken. Hierbij ligt voor het ministerie van IenM de focus op de utilitaire fietser en het stimuleren van de overstap van auto naar fiets of de combinatie fiets en openbaar vervoer.

De subsidie aan de Fietsersbond past binnen de invulling van deze rol. Hoewel er verschillende belangenorganisaties zijn die op deelonderwerpen belangen van fietsers behartigen en waarmee het Rijk op de een of andere manier samenwerkt, is de Fietsersbond de enige belangenorganisatie die over het hele veld opkomt voor de belangen van de utilitaire fietser en die bovendien als doelstelling heeft om het utilitaire fietsgebruik te bevorderen. Voor de structurele samenwerking met de Fietsersbond ligt een meerjarige subsidierelatie voor de hand. Voor belangenorganisaties waarmee incidenteel wordt samengewerkt wordt niet gekozen voor een structurele subsidieverlening. Wel zullen op incidentele basis projecten en producten in co-financiering worden uitgevoerd.

Ik heb dan ook besloten de subsidieverstrekking aan de Fietsersbond voort te zetten.

De Fietsersbond verricht voor wat betreft de gesubsidieerde projecten en producten geen economische activiteiten in concurrentie met derden (dat wil zeggen het aanbieden van goederen en diensten op de markt) en is voorts goed geëquipeerd om de projecten en producten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, uit te voeren, activiteiten die zonder een onafhankelijke organisatie als de Fietsersbond ook niet door de markt uitgevoerd zouden worden. Het gaat hierbij dus niet om een relatie tussen het Rijk als opdrachtgever en de Fietsersbond als opdrachtnemer.

Het inschakelen van derden door de Fietsersbond dient tegen een marktconforme prijs te gebeuren. Daarom dienen de aanbestedingsregels door de Fietsersbond te worden gerespecteerd voor zover het de aanwending van de subsidiegelden betreft.

Door het vervallen van de huidige subsidieregeling per 1 januari 2017 is het noodzakelijk voor de nieuwe subsidieperiode een nieuwe regeling op te stellen ter continuering van de te subsidiëren projecten en producten.

De Kaderwet subsidies I en M (artikel 3, eerste lid, onder f) geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen in het verkeer- en vervoerbeleid. Deze wet vormt de wettelijke basis voor de onderhavige regeling. Verder is de grondslag voor deze regeling gelegen in het Kaderbesluit subsidies I en M. Ingevolge dit besluit (artikel 2, tweede lid, onder a) zijn de hoofdstukken 3 tot en met 11 van dit besluit niet van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies zoals de onderhavige regeling.

De afdelingen 4.2.1 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn van rechtswege van toepassing op de subsidieverstrekking. De wet geeft de mogelijkheid ook afdeling 4.2.8 van toepassing te verklaren op per boekjaar verstrekte subsidies. Dit is in artikel 3 gebeurd.

De Kaderwet subsidies I en M bepaalt in artikel 7 dat met het toezicht op de naleving van de subsidieverplichtingen zijn belast de bij besluit van de minister aangewezen personen. Deze toezichthouders zullen nog worden aangewezen.

De Fietsersbond is verplicht aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijze kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 7, derde lid, Kaderwet subsidies I en M).

De regeling is ingevolge artikel 24a, derde lid, van de Comptabilitetswet 2001 voorgehangen bij de Tweede Kamer.

2. Verslag over de doeltreffendheid van de subsidie

2.1. Inleiding

Aangezien de jaarlijkse subsidie aan de Fietsersbond op een wettelijk voorschrift berust, verplicht artikel 4:24 van de Awb om ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag te publiceren over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Het Ministerie van IenM heeft ditmaal zelf een evaluatie uitgevoerd. De tekst van dit hoofdstuk is bedoeld als bovengenoemd verslag.

2.2. Vorige evaluatie en keuze zwaarte en tijdstip huidige evaluatie

De vorige externe evaluatie van de Fietsersbond is uitgevoerd door het bureau XTNT en gepubliceerd in juli 2011. Deze evaluatie was zeer uitgebreid en heeft geleid tot de Subsidieregeling Fietsersbond 2013, die op 31 augustus 2012 is gepubliceerd.

De evaluatie uit 2011 liet zien dat de Fietsersbond een effectieve belangenbehartiger is. De subsidie aan de Fietsersbond draagt er aan bij dat de fiets goed op de agenda staat van de decentrale overheden en dat maatregelen beter aansluiten bij de behoefte van de reiziger. De subsidie aan de Fietsersbond past daarmee goed bij de faciliterende rol van het Rijk op het fietsdossier. De evaluatie uit 2011 liet zien dat het onderscheid tussen subsidie voor instandhouding en subsidie voor projecten dat tot dan toe werd gehanteerd kunstmatig was. In de subsidieregeling Fietsersbond 2013 is daarom het behartigen van belangen van fietsers in de besluitvorming van overheden, openbaar vervoerbedrijven en marktpartijen centraal gesteld.

De huidige evaluatie is in het eerste kwartaal van 2016 uitgevoerd om als basis te kunnen dienen voor het opstellen van de onderhavige subsidieregeling.

Gezien de uitgebreide evaluatie uit 2011 is er ditmaal voor gekozen om de evaluatie in een lichtere vorm uit te voeren, zijnde deze toelichting bij de onderhavige subsidieregeling. Deze mogelijkheid wordt expliciet genoemd in de memorie van toelichting van het wetsartikel (Kamerst. II, 23 700, nr. 3). In diezelfde toelichting op artikel 4:24 geeft de wetgever aan: ‘Het is vaak zeer wel mogelijk, en verdient dan ook de voorkeur, om op basis van periodiek door uitvoeringsorganen aangeleverde gegevens, jaarverslagen van inspecties e.d. voldoende zicht te krijgen op de werkelijkheid achter de wet.’ Dit is de vorm die IenM nu verkiest om de evaluatie uit te voeren. Hier zijn ook minder kosten mee gemoeid.

2.3. Gebruikte documenten

Voor deze evaluatie zijn gebruikt: De Subsidieregeling Fietsersbond 2012, de jaarverslagen 2012, 2013, 2014 en 2015 van de Fietsersbond, de resultaten van de evaluatie van de vorige subsidieregeling uit 2011 en die van de kleine steekproef onder de leden van het Fietsberaad (voornamelijk vertegenwoordigers van gemeenten en regio’s). Ook zijn informele gesprekken gevoerd met de Fietsersbond en neemt de Fietsersbond deel aan diverse werkgroepen en stuurgroepen waarin ook het ministerie van IenM vertegenwoordigd is.

2.4. Constateringen met betrekking tot doeltreffendheid en effecten van de subsidie

De subsidie wordt elk jaar verleend na een subsidieaanvraag door de Fietsersbond. Die aanvraag bevat (onder andere) een activiteitenplan, waarin tot op projectniveau en fte’s beschreven wordt welke activiteiten verricht worden. Conform de subsidieregeling 2012 wordt een concept van het activiteitenplan met het ministerie van IenM besproken alvorens de aanvraag met het definitieve activiteitenplan wordt ingediend. IenM weet dus welke werkzaamheden de Fietsersbond zal verrichten voor de aangevraagde subsidie en is in staat om hier zo nodig op bij te sturen. De rechtmatigheid van de subsidie wordt jaarlijks vastgesteld door een accountant. In algemene zin kan worden geconstateerd dat de subsidie doeltreffend is in de zin dat de minister van IenM zelf invloed heeft op welke activiteiten de Fietsersbond verricht voor de subsidie.

Er zijn over de afgelopen jaren verschillende concrete projecten door Fietsersbond uitgevoerd en opgestart op het terrein van fietsbeleid dankzij de subsidie van de minister van IenM. Met name kunnen worden genoemd:

  • De ontwikkeling van het Meldpunt Fietsersbond. Via dit meldpunt kunnen fietsers problemen die zij op straat tegenkomen registreren. Ook wensen kunnen via het Meldpunt kenbaar gemaakt worden. Het Meldpunt is ook een belangrijk hulpmiddel voor de lokale afdelingen van de Fietsersbond. Nu in toenemende mate de gemeenten zelf meldpunten ontwikkelen beraadt de Fietsersbond zich op de invulling van haar eigen Meldpunt.

  • Belangrijke ontwikkeling in de periode van de huidige subsidieregeling is het werken met (vaak innovatieve) jaarthema’s zoals ‘fietsen zonder hindernissen’, 8-80 leefbare steden voor iedereen’, ‘verkeersgezondheid’ en ‘bikeonomics’ (economische waarde van het fietsen). De jaarthema’s bieden zowel lokaal als landelijk een focus voor agendasetting en de activiteiten en vormen ook het thema voor de tweejaarlijkse Fietsstad verkiezing. De ervaring leert dat voor een goede lokale en regionale doorvertaling van de thema’s een periode van 1 jaar te kort is.

  • Een initiatief dat de Fietsersbond samen met verschillende partners in 2015 heeft opgezet is de Nationale Fietstelweek. In deze telweek is het fietsgedrag van een groot aantal fietsers in kaart gebracht. Dit geeft heel veel waardevolle informatie over het fietsgedrag en over knelpunten in de fietsnetwerken van deelnemende steden.

  • Cruciaal is de deelname en deskundige inbreng van de Fietsersbond in een groot aantal werkgroepen en stuurgroepen rond diverse actuele fietsthema’s. Een voorbeeld hiervan is de bijdrage die de Fietsersbond levert aan de Tour de Force, een initiatief waarin het Rijk en de decentrale overheden samen de fietsagenda voor de komende jaren vaststellen. Ook is de Fietsersbond actief betrokken bij de discussie rond de aanpak van de fietsenstallingen bij stations en de discussie over snelheidsverschillen op het fietspad.

Naast de bovengenoemde activiteiten zet de Fietsersbond ook structureel in op onderzoek en communicatie. Op het vlak van onderzoek is de rol van de Fietsersbond aan het veranderen. De Fietsersbond voert minder zelf onderzoek uit maar treedt vooral op als initiator voor onderzoek dat vervolgens door andere partijen opgepakt wordt. Ook op het vlak van innovatie pakt de Fietsersbond in toenemende mate de rol van aanjager.

Met de activiteiten uit de activiteitenplannen, die in goed overleg met het ministerie van IenM worden opgesteld, draagt de Fietsersbond bij aan de doelstelling van de subsidieregeling: het behartigen van belangen van fietsers in de besluitvorming van overheden, openbaar vervoerbedrijven en marktpartijen. Een effectieve belangenbehartiging, waarmee ook bijgedragen wordt aan het bereiken van nationale doelen als een betere bereikbaarheid, een lagere uitstoot en een grotere verkeersveiligheid voor fietsers, wordt niet alleen gerealiseerd door het uitvoeren van bovenstaande activiteiten. De Fietsersbond doet dit ook door het agenderen van knelpunten bij overheden en werkgevers en door het geven van adviezen aan overheden en werkgevers. Zij kan dit doen door de inzet van haar vrijwilligers. Met 150 lokale afdelingen en zo’n 1500 vrijwilligers reikt de Fietsersbond tot in de haarvaten van de samenleving. Dit zorgt voor een brede inzet en zichtbaarheid in heel Nederland. Uit de eigen impactmetingen die de Fietsersbond uitvoert blijkt dat jaarlijks tussen de 1000 en 2000 adviezen worden gegeven aan overheden en werkgevers. De inzet van de lokale afdelingen en vrijwilligers is een belangrijk onderdeel van de kracht van de Fietsersbond naast de activiteiten die het landelijke bureau van de Fietsersbond uitvoert. Belangrijk onderdeel van de subsidie is daarom ook de ondersteuning van de afdelingen en de vrijwilligers door het landelijk bureau van de Fietsersbond. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om scholing, het geven van advies op maat, communicatie en ondersteuning bij het werven van vrijwilligers. Die ondersteuning van afdelingen en vrijwilligers is cruciaal om de effectiviteit van de lokale en regionale beleidsbeïnvloeding op peil te houden.

Een aandachtspunt voor de komende periode is het vasthouden van het aantal actieve vrijwilligers. De Fietsersbond is zich hiervan bewust en zet bijvoorbeeld in op andere vormen van vrijwilligerswerk die aansluiten bij de maatschappelijke veranderingen die plaatsvinden wat betreft het soort inzet dat mensen als vrijwilliger willen plegen.

2.6. Resultaten steekproef

Als onderdeel van de evaluatie is een kleine steekproef van vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden bevraagd over de samenwerking met en inbreng van de Fietsersbond. Het beeld dat hier uit komt over de samenwerking met de Fietsersbond is grotendeels in lijn met het beeld dat uit de evaluatie van 2011 kwam.

Regionale en lokale overheden hebben regelmatig contact met de Fietsersbond. De samenwerking met de Fietsersbond wordt over het algemeen als goed ervaren. Wel wordt verschil ervaren tussen het landelijk bureau en de lokale afdelingen. Het landelijk bureau wordt gezien als deskundig en constructief. Afdelingen zijn lokaal betrokken en meer activistisch. Het kennisniveau van de lokale vrijwilligers is wisselend. In een enkel geval schiet het lokale activisme door en is er sprake van een negatieve houding en een slechte samenwerking. Aandachtspunt voor het landelijk bureau is om te zorgen dat de inzet van de afdelingen constructief blijft.

Algemeen beeld is dat de Fietsersbond belangrijke onderwerpen agendeert. De inbreng van de Fietsersbond leidt regelmatig tot verandering van plannen. Ook kan de betrokkenheid van de Fietsersbond leiden tot meer draagvlak voor plannen, bijvoorbeeld voor regionale fietsroutes.

2.7. Eindconclusie

Op basis van de gebruikte documenten en de constateringen heeft de minister van IenM het beeld dat de subsidie aan de Fietsersbond doeltreffend wordt gebruikt om met haar inzet bij te dragen aan een beter en effectiever fietsbeleid van alle overheidslagen. De effecten van de subsidie in de praktijk zijn concreet zichtbaar. Het beeld is dan ook dat de evaluatie niet tot substantiële inhoudelijke wijzigingen hoeft te leiden in de nieuwe subsidieregeling.

3. Europeesrechtelijke aspecten

De onderhavige regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. Geconcludeerd is dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Fietsersbond onder meer omdat de Fietsersbond enkel voor niet-economische activiteiten subsidie kan krijgen. Het gaat om activiteiten die zonder een onafhankelijke organisatie als de Fietsersbond niet door de markt uitgevoerd worden. Het jaarlijks subsidiëren van niet-economische projecten en producten houdt in dat de Fietsersbond bij de subsidieaanvraag ook zelf expliciet toetst of sprake is van een dergelijke activiteit.

Artikel 11, derde lid, onderdeel a, van de regeling, schrijft in verband hiermee een gescheiden boekhouding voor.

Om te vermijden dat de Fietsersbond met de subsidie staatssteun verleent aan derden, is in artikel 11, derde lid, onder c, een bepaling daartoe opgenomen. Het gaat hier om de verhouding Fietsersbond en de in te schakelen partij (een derde), en dus niet om de verhouding tussen het Ministerie van IenM en de Fietsersbond. Deze bepaling impliceert onder meer dat het inschakelen van derden door de Fietsersbond tegen een marktconforme prijs dient te gebeuren, bijvoorbeeld door het vragen van meerdere offertes. Dit voor zover het de aanwending van de subsidiegelden betreft.

4. Risicoanalyse

De subsidieregeling is getoetst aan de uitkomsten van de risicoanalyse die ingevolge aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking verplicht is. De risico’s zijn volgens de risicoanalyse overwegend laag.

5. Tussentijds overleg over het concept van een activiteitenplan

De minister voert jaarlijks overleg met de Fietsersbond over het concept van een activiteitenplan. Beoogd wordt dat de Fietsersbond op deze wijze ten aanzien van de keuze van de te subsidiëren projecten en producten tijdig rekening kan houden met wensen van de minister als belangrijkste subsidiegever. Dit consultatieproces is erop gericht de minister sturingsmogelijkheden te geven zodat beleidsdoelstellingen van het ministerie ook daadwerkelijk worden meegenomen in het activiteitenplan. Bijkomend voordeel is dat de uiteindelijke aanvraag tot subsidieverlening aldus geen inhoudelijke verrassingen oplevert en de subsidie snel kan worden verleend, ruimschoots binnen de termijn van dertien weken.

6. Kostentoerekeningsysteem

Om een goede transparantie te verkrijgen tussen de hoogte van de subsidie en de werkelijke kosten, wordt in deze subsidieregeling gewerkt met een kostendekkend forfaitair uurtarief voor de projecten en producten, op basis van de systematiek van de Handleiding Overheidstarieven 2016. Deze uurtarieven omvatten een salariscomponent en een overheadcomponent. De overheadcomponent is samengesteld uit huisvestingskosten, automatiseringskosten en indirecte kosten (uitgaven voor materieel waaronder exploitatiekosten, bureaukosten, reiskosten, opleidingskosten en inhuur van derden zoals schoonmaakpersoneel). De indirecte kosten betreffen zowel de indirecte kosten van de personen die uitvoering geven aan de subsidiabele projecten en producten (de uitgaven voor materieel), als de kosten van niet direct betrokkenen die werkzaamheden verrichten samenhangend met de werkzaamheden en diensten van de wel betrokkenen, zoals stafdiensten (financiële dienst, personeelszaken, voorlichtingsdienst e.d.) en accountants.

De Aanwijzingen voor subsidieverstrekking noemen drie standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven. Het forfaitair uurtarief is er één van (aanwijzing 19). De keuze voor dit instrument is ingegeven door de wens om een zo laag mogelijke administratieve lastendruk op de Fietsersbond te leggen. Voor de toepassing van de berekeningsmethode van het forfaitair uurtarief is aangesloten bij de praktijk van de Fietsersbond. Het is gebaseerd op het gemiddelde van de salariskosten en op een opslag voor de overheadkosten. Het door de Fietsersbond te hanteren forfaitair uurtarief geldt voor subsidies die op grond van deze subsidieregeling worden verstrekt, en behoeft eenmalig de goedkeuring van het ministerie.

Naast de kosten van salarissen en overhead zijn er ook directe kosten voor inhuur van derden, bijvoorbeeld bij uitbesteding van een deel van de subsidiabele projecten en producten alsmede de kosten van voor de subsidiabele projecten en producten geleverde goederen en diensten zoals drukwerk, onderzoeksrapporten e.d. Ook dergelijke kosten - in de begripsbepaling van artikel 1 geduid als kosten derden - zijn subsidiabel.

7. Tijdstippen van het subsidieproces

Het subsidieproces kent een jaarlijkse cyclus. In de subsidieregeling zijn uiterlijke tijdstippen gesteld waaraan de Fietsersbond en de minister zijn gebonden. Het betreft per boekjaar voor:

  • Concept van een activiteitenplan (Fietsersbond): 1 september;

  • Aanvraag tot subsidieverlening (Fietsersbond): 1 november;

  • Beschikking tot subsidieverlening (minister): dertien weken na de aanvraag of sluiting aanvraagtermijn;

  • Aanvraag tot subsidievaststelling (Fietsersbond): 30 april;

  • Beschikking tot subsidievaststelling (minister): 22 weken na de aanvraag of sluiting aanvraagtermijn.

De subsidieontvanger dient de aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling in bij de minister, feitelijk geadresseerd aan IBI-F&I, Team Subsidies, Postbus 20906, 2500 EX Den Haag.

8. Administratieve lasten

De subsidieregeling is in hoofdzaak een voortzetting van de Subsidieregeling Fietsersbond 2013. De totale administratieve lasten komen op circa € 14.688 per jaar. Dit is circa 2,6% van het jaarlijkse subsidiebedrag in de periode 2018–2022.

9. Voorhang

De regeling is op 18 november 2016 voorgehangen bij de Tweede Kamer op grond van artikel 24a, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001. Dit heeft op 20 december 2016 geleid tot vragen en opmerkingen van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu en op 22 februari 2017 tot een motie Visser in het kader van een tweeminutendebat (Kamerstukken II, 2016/17, 34 550 XII, nr. 72). Op 30 januari 2017 heb ik de vragen beantwoord; de motie is niet in stemming gebracht omdat zij door mij is overgenomen.

In de motie is gevraagd om de doelstellingen van de subsidie duidelijker te koppelen aan de doelen uit de Agenda Fiets 2017-2020, deze hierop tussentijds te evalueren en de subsidieregeling eventueel de komende jaren hier inhoudelijk op te herijken en de Kamer hierover te informeren.

Artikel 6, tweede lid, sub a, van de subsidieregeling is hiertoe aangevuld zodat de gesubsidieerde activiteiten ook moeten bijdragen aan de doelen en activiteiten van de Agenda Fiets 2017-2020 of eventuele opvolgende Agenda Fiets voor de jaren daarna. Indien hieraan niet wordt voldaan, is dit een weigeringsgrond (artikel 8, aanhef en onder b). Ook bij de evaluatie van de subsidieregeling zal de toegevoegde waarde van de subsidie in relatie tot de doelen en activiteiten van de Agenda Fiets 2017-2020 of eventuele opvolgende Agenda Fiets worden getoetst; artikel 11, eerste lid, sub g, is op dit punt aangevuld.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

De Fietsersbond kan jaarlijks op basis van deze subsidieregeling een aanvraag voor subsidie indienen bij de minister op basis waarvan, na een positieve beoordeling, de subsidieverstrekking zal plaatsvinden. Niet elk project van de Fietsersbond komt op grond van dit artikel voor subsidie in aanmerking. Het betreft slechts projecten en producten zoals omschreven in artikel 2. Het gaat om activiteiten die de Fietsersbond onderneemt ten dienste van haar belangenbehartiging. Om een goede belangenbehartiging mogelijk te maken is het nodig dat de Fietsersbond af en toe zelf feiten en gegevens verzamelt door bijvoorbeeld het uitvoeren van enquêtes of analyses van cijfers. De Fietsersbond kan ook kijken naar de tevredenheid van fietsers, de kwaliteit van fietsvoorzieningen, of bijvoorbeeld de voortgang van een aanpak. Op basis van de betreffende gegevens kan de Fietsersbond zaken agenderen bij de betreffende overheden. Er is hier dan ook geen sprake van opdrachtverlening.

Voor subsidiëring komen louter niet-economische activiteiten in aanmerking (artikel 2, tweede lid, onderdeel b). Het betreft activiteiten die niet worden verricht in concurrentie met derden (dat wil zeggen het aanbieden van goederen en diensten op de markt).

Het tweede lid bevat in onderdeel a een anti-cumulatiebepaling. Mocht blijken dat de te subsidiëren projecten en producten door een ander bestuursorgaan zijn of worden gesubsidieerd, dan zal subsidieverstrekking door het ministerie voor dat deel achterwege blijven. Hetzelfde geldt voor inkomsten van derden die zonder tegenprestatie zijn of worden verkregen. Het is namelijk mogelijk dat bepaalde projecten en producten op grond van meer dan één regeling voor subsidie in aanmerking kunnen komen, maar het is ongewenst dat ten behoeve van dezelfde projecten en producten een beroep gedaan kan worden op meerdere subsidie-instrumenten van de overheid, voor zover dit leidt tot meer dan 100%-financiering.

Artikel 3

Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing verklaard wegens de sterke betrokkenheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zowel inhoudelijk als financieel, bij deze, per boekjaar te verstrekken subsidies.

Artikel 4

Dit artikel geeft aan welk bedrag aan subsidie maximaal wordt verstrekt per boekjaar. Een boekjaar is gelijk aan een kalenderjaar (artikel 4:68 Awb). Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eventuele compensatie voor de arbeidskostenontwikkeling 2017. Zo’n compensatie kan in het najaar 2017 nog worden verleend op grond van de Subsidieregeling Fietsersbond 2013 die nog van toepassing blijft op reeds verleende subsidies zoals die voor het boekjaar 2017. Omdat thans niet bekend is of er wordt gecompenseerd en met hoeveel, is in het eerste lid bepaald dat een eventuele compensatie nog bij het maximumbedrag wordt opgeteld.

Het tweede lid geeft aan dat de subsidieverstrekking geschiedt op basis van werkelijke kosten. De anti-cumulatiebepaling van artikel 2, tweede lid, wordt hierbij betrokken. Dit betekent dat andere verkregen subsidies in mindering worden gebracht op het uiteindelijke bedrag van de subsidieverstrekking evenals andere eigen inkomsten.

Het forfaitair uurtarief wordt goedgekeurd door de minister. De hoogte ervan is hetzelfde voor elk boekjaar van de nieuwe subsidieperiode (derde lid).

Artikel 5

Dit artikel bevat een bepaling die het de minister van IenM mogelijk maakt om vooraf wensen kenbaar te maken omtrent de projecten en producten die voor subsidiëring in aanmerking komen. De Fietsersbond kan hiermee alvast rekening houden zodat de subsidieverlening vlotter kan verlopen. De minister van IenM zal vooral toetsen op basis van de inhoudelijke prioriteiten van het beleid van het ministerie gericht op het verbeteren van de stedelijke bereikbaarheid en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Daarnaast zullen de voorgenomen activiteiten worden getoetst op basis van een inschatting van de doeltreffendheid of doelmatigheid van de voorgenomen activiteiten.

Artikel 6

De subsidieverlening geschiedt op aanvraag. Artikel 6 bepaalt welke bescheiden dienen te worden bijgevoegd alsmede de inhoud ervan.

Nieuw is het invullen van de ramingen in de xls file waarin onder meer moet ingevuld:

  • a. de projecten en producten en het kwartaal van afronding van de projecten en de producten;

  • b. het bedrag per project;

  • c. het aantal uren per project, en

  • d. de kosten derden per project.

Deze gegevens moesten ook in de vorige subsidieregeling al worden aangeleverd, doch de ervaring leert dat het de transparantie en verantwoording van subsidiegelden ten goede komt als alles overzichtelijk in een file is ingevuld.

Artikel 4:65 van de Awb bevat een verplichting om bij de aanvraag mededeling te doen van eventuele andere aangevraagde subsidies voor dezelfde projecten en producten. Ook andere inkomsten van derden zonder tegenprestatie worden afgetrokken van de uiteindelijke subsidieverlening (artikel 2, tweede lid).

Het activiteitenplan is het geheel van alle projecten en producten van de Fietsersbond waar subsidie van de minister van IenM voor verstrekt wordt. De producten zijn de resultaten die voortkomen uit de projecten. De subsidie wordt, zoals ook eerder aangegeven, louter voor niet-economische activiteiten verstrekt.

Artikel 7

In de beschikking tot subsidieverlening wordt onder meer vermeld de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald. Uitgangspunt zal zijn dat de hoogte van de subsidieverlening uiteindelijk wordt bepaald door berekening van het aantal uren dat daadwerkelijk aan de uitgevoerde projecten en producten is besteed, vermenigvuldigd met het goedgekeurde forfaitair uurtarief, alsmede de werkelijke kosten derden. Aangesloten wordt bij de systematiek van de Handleiding Overheidstarieven 2016. Het aldus verkregen subsidiebedrag kan evenwel het bedrag van het subsidieplafond niet overstijgen. Het vastgestelde subsidiebedrag wordt verrekend met de voorschotten.

De beschikking tot subsidieverlening vermeldt voorts het tijdstip waarop de Fietsersbond de projecten en producten moet hebben afgerond. Uiteraard zal ingeval van doorlopende projecten dit als zodanig worden aangegeven.

Artikel 8

In artikel 4:35 van de Awb wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van de algemeen geldende gronden om een subsidieaanvraag te weigeren. Met name de weigeringsgrond van het eerste lid, onder a en b, van dat artikel is van belang: er is gegronde twijfel dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In zo’n geval kan de subsidie geheel of gedeeltelijk worden geweigerd.

Naast deze wettelijke weigeringsgronden zijn in artikel 8 van de subsidieregeling een aantal aanvullende gronden opgenomen om de aanvraag tot subsidieverlening geheel of ten dele te weigeren. Zo kan weigering plaatsvinden indien in het verleden toepassing is gegeven aan de artikelen 4:48, 4:49 en 4:50 van de Awb, bijvoorbeeld als in voorgaande jaren de beschikking tot subsidieverlening respectievelijk tot subsidievaststelling is gewijzigd of ingetrokken als gevolg van aan de subsidieontvanger toe te rekenen specifieke omstandigheden. Het bewust verstrekken van onjuiste gegevens is een van deze omstandigheden. Voor een uitvoerige beschrijving van deze omstandigheden wordt verwezen naar voornoemde artikelen uit de Awb.

Naast deze discretionaire weigeringsgronden bevat de Awb ook een imperatieve weigeringsgrond (artikel 4:25 tweede lid). Indien de aanvraag tot subsidieverlening het subsidieplafond overschrijdt, moet de aanvraag gedeeltelijk worden geweigerd. Welk deel van de aanvraag (met andere woorden: welke activiteit) wordt geweigerd, is ter beoordeling van de minister. De aanvraag zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2.

Voorts zal subsidieverstrekking geheel of gedeeltelijk achterwege blijven in de in artikel 2, tweede lid, genoemde gevallen.

Artikel 9

De wet maakt het mogelijk in de beschikking een begrotingsvoorbehoud op te nemen (artikel 4:34 van de Awb). Op grond van dit voorbehoud kan de minister de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de Fietsersbond verlagen (art. 4:50 Awb) indien in de door de Staten-Generaal vastgestelde rijksbegroting (onderdeel Infrastructuur en Milieu) onvoldoende gelden zijn opgenomen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een financiële taakstelling van het Rijk. Het eventueel beroep op een begrotingsvoorbehoud moet door de minister binnen vier weken na het aannemen van de begrotingswet worden gedaan.

Artikel 10

In dit artikel is gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om voorschotten te verlenen. Voorschotten zijn op grond van het derde lid mogelijk tot ten hoogste 95% van het maximumbedrag van de subsidie. Dit is weliswaar een uitzonderlijk hoog percentage doch wenselijk, omdat de Fietsersbond voor een groot deel afhankelijk is van de geldstroom van de minister en zonder dit bedrag aan voorschotten in ernstige financiële problemen zou geraken.

De Fietsersbond heeft de plicht bij de aanvraag tot subsidieverlening een helder inzicht in het verloop van de liquiditeit per kalenderkwartaal te geven.

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt. Een aparte aanvraag tot bevoorschotting is dus niet nodig. De Fietsersbond is verplicht te melden, indien er omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag. De minister kan vervolgens, indien nodig door een wijziging van de verleningsbeschikking en het bevoorschottingsregime, de hoogte van de voorschotten aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten), uitgekeerd aan de Fietsersbond.

Artikel 11

Het eerste lid van dit artikel bevat verplichtingen die in elk geval gelden voor de Fietsersbond zoals het tijdig afronden van projecten en producten en het onverwijld melden van (tussentijdse) financiering van projecten of producten door derden. Ook dient onverwijld melding te worden gemaakt van over- en onderschrijdingen van het geraamde subsidiebedrag van een activiteit van meer dan 25%. Deze verplichting is een concretisering van de artikel 4:70 van de Awb. De in onderdeel c. genoemde meldingsplicht is nodig omdat op grond van de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking niet mag worden gevraagd om tussentijdse voortgangsverslagen bij projecten waarvan de uitvoering korter dan twaalf maanden in beslag neemt, en voorts omdat de bevoorschottingssystematiek is vereenvoudigd (artikel 10). De nieuwe verplichting in onderdeel d. houdt verband met de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies, welke wet vanaf 1 juli 2013 geldt. Op grond van deze meldplicht kan de minister de hoogte van de bevoorschotting bijstellen indien in een kalenderkwartaal flink minder is uitgegeven aan subsidieprojecten dan de geraamde subsidiebedragen.

De in onderdeel g opgenomen evaluatiebepaling vloeit voort uit een wettelijke verplichting (artikel 4:24 van de Awb). De resultaten van de evaluatie kunnen bouwstenen zijn voor een eventuele nieuwe regeling. De medewerking van de Fietsersbond bij de totstandkoming van het evaluatieverslag is onontbeerlijk en derhalve wordt een verplichting daartoe in de subsidieregeling neergelegd. In de evaluatie zal onder meer worden gekeken naar eventueel oneigenlijk gebruik van de subsidieregeling. Op grond van de Awb dient het evaluatieverslag in elk geval eenmaal in de vijf jaren te worden gepubliceerd. De resultaten van dit onderzoek kunnen ook gevolgen hebben voor een eventuele opvolgende subsidieperiode en de wijze waarop deze wordt ingevuld.

Het tweede lid maakt het mogelijk bij de beschikking tot subsidieverlening bepaalde aanvullende verplichtingen te stellen.

Vanuit het oogpunt van het afleggen van rekening en verantwoording van de subsidiegelden is in het derde lid, onderdeel a, de bepaling opgenomen dat de Fietsersbond zorg draagt voor een gescheiden administratie, dat wil zeggen: de door IenM gesubsidieerde projecten en producten moeten worden onderscheiden van de overige activiteiten van de Fietsersbond.

Ook de Awb kent een aantal verplichtingen met betrekking tot de administratie. Zo is de subsidieontvanger op grond van artikel 4:69 van de Awb verplicht een (financiële) administratie te voeren, zodanig dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en plichten alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan. Deze administratie en de bijbehorende bescheiden dienen gedurende zeven jaren te worden bewaard.

De verplichting in het derde lid, onderdeel c, strekt ertoe dat de Fietsersbond zelf met subsidiegeld geen staatssteun verleent aan derden. Zo zal inschakeling van derden tegen een marktconforme prijs moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het vragen van meerdere offertes Dit voor zover het de aanwending van de subsidiegelden betreft.

Het niet voldoen aan de subsidieverplichtingen kan leiden tot het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de subsidieverlening alsmede tot een lagere subsidievaststelling (artikel 4:48 en 4:46 van de wet).

Artikel 12

Ter afronding van het subsidieproces dient de Fietsersbond een aanvraag in tot subsidievaststelling. Het tweede lid noemt de bescheiden die moeten worden bijgevoegd, zoals het activiteitenverslag, het financieel verslag en de ingevulde xls file.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag zijn wettelijk verplicht (artikel 4:75, eerste lid, van de Awb). De xls file strekt ertoe de verantwoording van de subsidiegelden inzichtelijker te maken en de controle daarop te vergemakkelijken.

Onderdeel g, van het tweede lid, betreft de zogeheten uitgebreide accountantscontrole. Artikel 4:79 van de Awb maakt het mogelijk dat de accountantscontrole zich eveneens uitstrekt tot de vraag of de Fietsersbond zich heeft gehouden aan verplichtingen die in het kader van de subsidieverstrekking zijn gesteld. Van deze mogelijkheid wordt in onderdeel d. gebruik gemaakt. Daarbij gaat het om verplichtingen die voortvloeien uit de Awb maar ook uit de onderhavige subsidieregeling.

Artikel 13

In de beschikking tot subsidievaststelling wordt het bedrag aan vastgestelde subsidie vermeld. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld. De subsidie kan echter op een lager bedrag worden bepaald in specifieke gevallen, opgesomd in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Bijvoorbeeld indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (bijvoorbeeld het niet onverwijld melden van inkomsten van derden op gesubsidieerde projecten en producten alsmede het niet onverwijld melden van vertragingen van projecten of producten).

Het maximale subsidiebedrag geldt voor 100% van de projecten en producten. Worden deze voor een deel niet uitgevoerd, dan wordt de subsidie lager vastgesteld.

Artikel 14

In verband met de vaste verandermomenten treedt de regeling in werking met ingang van 1 juli 2017.

Dit artikel bevat een overgangsbepaling in het tweede lid. De regeling vervalt per 1 januari 2022, maar blijft in verband met de afwikkeling van reeds verleende subsidies van toepassing op die subsidies. Zo kan de afwikkeling van de subsidie voor 2022 blijven vallen onder de onderhavige regeling mits zij in 2021 is verleend.