Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 33400-XV nr. 2

Gepubliceerd op 20 september 2012



33 400 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2013

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van dwe Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2013 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2013. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2013.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2013 vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten «Agentschap SZW» en «Inspectie Werk en Inkomen» voor het jaar 2013 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (de begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp

B. BEGROTINGSTOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

1

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

2

     

1.

Leeswijzer

3

     

2.

Het beleid

7

     

2.1

Beleidsagenda

7

     

2.2

Beleidsartikelen

32

 

Artikel 1 Arbeidsmarkt

32

 

Artikel 2 Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

38

 

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

50

 

Artikel 4 Jonggehandicapten

56

 

Artikel 5 Werkloosheid

59

 

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

64

 

Artikel 7 Kinderopvang

70

 

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

74

 

Artikel 9 Nabestaanden

80

 

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

84

 

Artikel 11 Uitvoeringskosten

88

 

Artikel 12 Rijksbijdragen

91

     

2.3

Niet-beleidsartikelen

94

 

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

94

 

Artikel 97 Aflopende regelingen

96

 

Artikel 98 Algemeen

97

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

101

     

3.

Baten-lastendiensten

102

     

4.

Bijlagen

114

4.1

ZBO’s en RWT’s

114

4.2

Aansluiting SZA en begroting SZW

115

4.3

Sociale fondsen SZW

116

4.4

Koopkracht en specifieke inkomenseffecten

121

4.5

Moties en toezeggingen

143

4.6

Verdiepingshoofdstuk

168

4.7

Subsidieoverzicht

174

4.8

Evaluatie- en overig onderzoek

177

4.9

Lijst met afkortingen

179

HOOFDSTUK 1: LEESWIJZER

Inleiding

Deze begroting 2013 is ten opzichte van de begroting 2012 op twee punten gewijzigd. In de eerste plaats is de begroting geheel volgens de regels van de nieuwe begrotingspresentatie («Verantwoord Begroten») ingericht, nadat daartoe in de begroting 2012 een eerste bescheiden stap is gezet. In de tweede plaats is, zoals al aangekondigd in de begroting 2012, de artikelindeling in de begroting 2013 geheel vernieuwd. De wijzigingen worden in de groeiparagraaf van deze leeswijzer nader toegelicht.

In de begroting wordt verwezen naar beleids- of Kamerstukken. Net als in voorgaande jaren zijn deze beleidsstukken via de internetsite www.rijksbegroting.nl te raadplegen.

Opbouw begroting

De begroting van SZW is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

2.1 Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt aandacht besteed aan de hoofdlijnen van het beleid van SZW in de huidige kabinetsperiode.

2.2 Beleidsartikelen

De belangrijkste beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 12 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2013 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zes van de twaalf artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie ervoor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen.

Ten aanzien van de begrotingsuitgaven is in de Miljoenennota 2013 een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden jaarlijks naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen opgenomen.

2.3. Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat vier niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de middelen op de begroting van SZW die niet rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden gekoppeld.

3. Baten-lastendiensten

Onder het ministerie vallen twee baten-lastendiensten: het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen. Van deze twee baten-lastendiensten is een technische paragraaf opgenomen die bestaat uit een meerjarige begroting en een kasstroomoverzicht met daarbij een toelichting.

4. Bijlagen

De begroting van SZW bevat negen bijlagen. Op verzoek van de Tweede Kamer bevatten deze bijlagen ook de onderdelen welke vorig jaar in de internetbijlagen van de begroting waren opgenomen. Deze afzonderlijke internetbijlagen zijn vervallen.

Groeiparagraaf

Voor de wijzigingen in de begroting 2013 die het gevolg zijn van Verantwoord Begroten wordt verwezen naar de Kamerstukken over dit onderwerp, waaronder de brief «Verbetering verantwoording en begroting»1. De nieuwe presentatie moet leiden tot een duidelijker beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de minister, een beter inzicht in de financiële instrumenten, en een duidelijke splitsing tussen programma- en apparaatsuitgaven. Bovendien moet Verantwoord Begroten tot minder omvangrijke begrotingen en jaarverslagen leiden.

SZW heeft Verantwoord Begroten aangegrepen voor een meer fundamentele herziening van de begrotingsindeling van SZW, met als doel de begroting (financieel) evenwichtiger te maken en de beleidsmatige samenhang binnen en tussen de artikelen te vergroten. Daarmee neemt ook de leesbaarheid van de begroting toe. In onderstaande tabel wordt aangegeven in welk artikel van de begroting 2013 de artikelen van de begroting 2012 terugkomen (indien relevant uitgesplitst naar operationele doelstelling).

Was-wordt-tabel begrotings- en premiegefinancierde uitgaven

Begroting 2012

Begroting 2013

41.

Inkomensbeleid

1.

Arbeidsmarkt

42.

Arbeidsparticipatie

x

 

OD 1 t/m 4 (excl. WAZO)

1.

Arbeidsmarkt

OD 4 (WAZO)

6.

Ziekte en zwangerschap

43.

Arbeidsverhoudingen

1.

Arbeidsmarkt

44.

Gezond en veilig werken

1.

Arbeidsmarkt

45.

Pensioenbeleid

1.

Arbeidsmarkt

46.

Inkomensbescherming met activering

x

 

OD 1 (IOW, WW)

5.

Werkloosheid

OD 2 (IVA, WGA, WAO, WAZ)

3.

Arbeidsongeschiktheid

OD 3 (Wajong)

4.

Jonggehandicapten

OD 5 (BUIG, bijstand buitenland, bijstand zelfstandigen, bijstand overig)

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

OD 5 (Handhaving, overig)

98.

Algemeen

OD 6 (Caribisch Nederland)

Artikel 2. t/m 5.

47.

Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

x

 

OD 1 (Basisdienstverlening UWV, BKWI)

11.

Uitvoeringskosten

OD 2 (Participatiebudget)

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

OD 2 (Re-integratie Wajong)

4.

Jonggehandicapten

OD 2 (Re-integratie WAZ/WAO/WIA)

3.

Arbeidsongeschiktheid

OD 2 (Re-integratie uitvoeringskosten)

11.

Uitvoeringskosten

OD 2 (Re-integratie Caribisch Nederland)

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

OD 2 (Herstructureringsfaciliteit en Indicatiestelling WSW)

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

OD 2 (vergoeding uitvoering ESF)

98.

Algemeen

OD 2 (beleidsondersteunend)

Artikel 2. en 98.

48.

Sociale Werkvoorziening

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

49.

Overige Inkomensbescherming

x

 

OD 1 (Anw)

9.

Nabestaanden

OD 2 (AOW)

8.

Oudedagsvoorziening

OD 2 (AIO) en OD 3 (TW)

2.

Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

OD 4 (Caribisch Nederland)

Artikel 9. en 8.

50.

Tegemoetkoming specifieke kosten

x

 

OD 1 (TOG, AKW, WKB)

10.

Tegemoetkoming ouders

OD 2 (TAS)

6.

Ziekte en zwangerschap

OD 3 (MKOB)

8.

Oudedagsvoorziening

51.

Rijksbijdragen sociale fondsen

12.

Rijksbijdragen

52.

Kinderopvang

7.

Kinderopvang

x

Uitvoeringskosten alle artikelen

11.

Uitvoeringskosten

96.

Apparaatsuitgaven kerndepartement

96.

Apparaatsuitgaven kerndepartement

97.

Aflopende regelingen

97.

Aflopende regelingen

98.

Algemeen

98.

Algemeen

99.

Nominaal en onvoorzien

99.

Nominaal en onvoorzien

Kerncijfers handhaving

In de begroting 2013 worden minder cijfers t.a.v. fraude en handhaving gepresenteerd dan in de vorige begroting. Met ingang van voorliggende begroting is er op het terrein van handhaving gekozen voor een thematische verantwoording, waarbij zowel de preventie, de opsporing als de terugvordering worden bezien. Daartoe wordt zo mogelijk bij iedere regeling over dezelfde set van uiteindelijk vier kengetallen gerapporteerd. Twee kengetallen over de opsporing (het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het totale benadelingbedrag) zijn reeds in deze begroting opgenomen. Komend jaar worden nog geschikte kengetallen op de terreinen van preventie en terugvordering ontwikkeld, zodat de set met handhavingskerncijfers vanaf de begroting 2014 compleet zal zijn.

In tegenstelling tot eerdere begrotingen wordt een overtreding alleen geteld als deze tot financiële benadeling heeft geleid. Hierdoor is dit cijfer lager dan de eerder gepresenteerde overtredingen of fraudesignalen. Voor het totale benadelingbedrag maakt dat geen verschil. Het in de beleidsartikelen 8, 9 en 10 gepresenteerde benadelingbedrag van AOW, Anw en AKW is echter wel hoger dan het in het jaarverslag 2011 gepresenteerde schadebedrag. Het verschil wordt veroorzaakt doordat nu ook zaken waarvan geen aangifte is gedaan maar die wel hebben geleid tot een financiële benadeling worden meegeteld. Dit was al eerder het geval voor de werknemersverzekeringen.

Budgetflexibiliteit

Zoals voorgeschreven wordt in de budgettaire tabellen vermeld welk percentage van de voor het jaar 2013 geraamde uitgaven juridisch verplicht is. In de meeste beleidsartikelen is dit percentage (nagenoeg) 100, aangezien de uitgaven vrijwel volledig voortvloeien uit wetgeving. Het deel van de uitgaven dat niet juridisch is verplicht is veelal op andere wijze verplicht (bijvoorbeeld bestuurlijk gebonden op basis van een convenant). Dit wordt in de beleidsartikelen niet nader aangeduid.

Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

Met instemming van het ministerie van Financiën wordt de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal aflopende regelingen op het niet-beleidsartikel 97 opgenomen. Het gaat hier om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

HOOFDSTUK 2: HET BELEID

2.1 BELEIDSAGENDA

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een sobere invulling van de beleidsagenda 2013 die ingaat op relevante ontwikkelingen voor de begroting. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie vermeld die samenhangt met de voorgenomen uitgaven.

2.1.1 EEN GOED WERKENDE ARBEIDSMARKT EN HOUDBARE SOCIALE VOORZIENINGEN

De betaalbaarheid van onze sociale voorzieningen is in 2012 verder onder druk komen te staan. Als gevolg van een verslechtering van de economische situatie begin 2012 dreigden de overheidsfinanciën voor 2013 verder te verslechteren. De ernst van de situatie vroeg om snelle en ingrijpende beslissingen. Na het vallen van het kabinet hebben de Tweede Kamer fracties hun verantwoordelijkheid genomen met het Begrotingsakkoord 2013. Het kabinet heeft deze maatregelen overgenomen. Dit akkoord bevat naast maatregelen om de overheidsfinanciën te verbeteren ook hervormingen op het terrein van SZW die de economische structuur op termijn versterken.

Doordat het Begrotingsakkoord € 12 miljard aan besparingen bevat, nemen de bestedingen van huishoudens en de overheid op de korte termijn af. Het is onvermijdelijk dat het Begrotingsakkoord gevolgen heeft voor de koopkracht. De inzet is echter om koopkrachteffecten zo evenwichtig mogelijk te verdelen, met bijzondere aandacht voor mensen met lage inkomens. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de Nederlandse economie in 2013 licht zal groeien met ¾%, waarna een voorzichtig herstel van 1½% per jaar zal volgen. De werkloosheid zal, volgens het CPB, eerst nog verder oplopen (naar 7% in 2013 en 7½% in 2014) voordat een daling inzet. De economische verwachtingen zijn met grote onzekerheid omgeven. Nederland is als open economie sterk afhankelijk van mondiale economische ontwikkelingen en van het verdere verloop van de Europese schuldencrisis. Het is daarom belangrijk dat alle Europese landen hun overheidsfinanciën op orde brengen. Dit zal naar verwachting de financiële markten stabiliseren en het risico op langdurig lage economische groei inperken.

De verwachte stijging van de werkloosheid betekent niet dat de arbeidsmarkt stilvalt. Ook nu is er volop dynamiek op de arbeidsmarkt. In 2011 waren er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 951 000 mensen die een baan hebben gevonden. Dat levert kansen op, ook voor mensen die moeite hebben om aan de slag te komen. Het is noodzakelijk dat deze mensen aan de slag gaan. Hoewel de komende jaren de werkloosheid naar verwachting zal oplopen, zal de beroepsbevolking in de nabije toekomst gaan krimpen als gevolg van de vergrijzing. Hierdoor kunnen er tekorten ontstaan op de arbeidsmarkt. Iedereen is dus hard nodig. En als iedereen die kan werken ook echt werkt, blijft er draagvlak voor onze sociale zekerheid en blijft de betaalbaarheid ervan op lange termijn verzekerd. Alleen als mensen er niet in slagen om aan het werk te gaan, zorgt de overheid voor een sociaal vangnet. Een vangnet dat hen prikkelt en stimuleert om snel weer op eigen benen te staan. Dat is in het belang van mensen zelf en ook in het belang van de samenleving als geheel.

In de eerste algemene paragraaf worden achtereenvolgens de beleidswijzigingen 2013, de verdere agenda en de inkomensontwikkelingen 2013 behandeld. De tweede paragraaf gaat in op de budgettaire ontwikkelingen. De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzicht van de aansluitingstabellen en de meerjarenprogrammering beleidsdoorlichtingen.

2.1.1.1 Beleidswijzigingen 2013

Langer doorwerken essentieel voor de houdbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel

Er gaan meer mensen met pensioen dan er jongeren bij komen op de arbeidsmarkt. Daardoor neemt de beroepsbevolking af. Tegenover steeds meer gepensioneerden staan steeds minder werkenden die de kosten van onze voorzieningen moeten betalen. De houdbaarheid van onze sociale voorzieningen komt hierdoor in toenemende mate onder druk te staan. De gemiddelde leeftijd waarop werknemers in Nederland stoppen met werken is nu 63 jaar. Dat is te vroeg om het bestaande niveau van oudedagsvoorzieningen en andere sociale voorzieningen in de toekomst veilig te stellen. Langer blijven werken is daarom onvermijdelijk.

Daar komt bij dat de beroepsbevolking veroudert. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse werknemer is in 20 jaar gestegen van ruim 36 jaar naar ruim 41 jaar. Dit heeft gevolgen voor het functioneren van de arbeidsmarkt. Het aanpassingsvermogen van de Nederlandse arbeidsmarkt moet worden vergroot zodat bedrijven ook in de toekomst snel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Werknemers zullen daarvoor tijdens hun loopbaan moeten blijven investeren in hun duurzame inzetbaarheid. Zo kunnen zij tot aan hun pensioenleeftijd blijven werken.

In 2011 heeft het kabinet met sociale partners het pensioenakkoord gesloten over verhoging van de AOW-leeftijd in 20202. Ook is toen het vitaliteitspakket geïntroduceerd met maatregelen om langer doorwerken te bevorderen. Als gevolg van een verslechtering van de economische situatie begin 2012 bleken de overheidsfinanciën er veel slechter voor te staan dan eerder was voorzien. De problemen waren omvangrijk en acuut. Dit betekende onder meer dat niet kon worden gewacht tot 2020 met het verhogen van de AOW-leeftijd.

Daarom is in het Begrotingsakkoord afgesproken dat de AOW-leeftijd sneller wordt verhoogd; vanaf 2013 met een maand per jaar, vanaf 2016 met twee maanden per jaar en vanaf 2019 met drie maanden per jaar (zie figuur 1). Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De snelle invoering van de verhoging kan problemen opleveren voor werknemers die kort voor hun pensioen staan. Wellicht moeten zij onverwacht een periode overbruggen tussen het vertrek bij hun werkgever en het moment waarop zij AOW krijgen. De verhoging van de AOW-leeftijd wordt daarom geleidelijk ingevoerd. Bovendien komt er een voorschotregeling en blijft de AOW-partnertoeslag beschikbaar voor mensen die er op hebben gerekend. In het uiterste geval kunnen mensen een beroep doen op de (bijzondere) bijstand om de periode tot de AOW ingaat te overbruggen.

Figuur 1. Verhoging van de AOW-leeftijd

Figuur 1. Verhoging van de AOW-leeftijd

Bron: SZW

Ook het vitaliteitspakket, met maatregelen om langer doorwerken te stimuleren, is tegen het licht gehouden om een bijdrage te leveren aan de oplossing van de financiële problemen. Dit heeft ertoe geleid dat mobiliteitsbonussen gerichter worden ingezet, namelijk alleen om oudere uitkeringsontvangers en arbeidsgehandicapten weer aan de slag te helpen.

Het vitaliteitspakket bevat ook maatregelen om de duurzame inzetbaarheid van werknemers te bevorderen. Investeren in duurzame inzetbaarheid is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het vitaliteitspakket van het kabinet ondersteunt de sociale partners hierbij met loopbaanfaciliteiten zoals het vitaliteitssparen. Daarnaast is in april 2012 het project «Duurzame Inzetbaarheid» van start gegaan. Met dit project wil de overheid werkgevers stimuleren om duurzame inzetbaarheid te verankeren in hun personeelsbeleid. Dit gebeurt onder meer door werkgevers die nu al aantoonbaar werk maken van duurzame inzetbaarheid een voorbeeld te laten zijn voor anderen. Goede voorbeelden van maatregelen om werknemers duurzaam inzetbaar te houden worden – onder meer via werkgeversbijeenkomsten – verspreid onder bedrijven en organisaties. Met het actieplan «Gezond Bedrijf» worden MKB-werkgevers aangezet tot het bevorderen van een gezonde leefstijl van hun werknemers en het verlichten van geestelijk en lichamelijk zware beroepen. Hierbij gaat het vooral om het fit houden van laagopgeleide en chronisch zieke werknemers. In de visie van het kabinet op gezond en veilig werken moeten werkgevers en werknemers zelf meer werk maken van goede arbeidsomstandigheden. Daarvoor moet de rol van preventiemedewerkers op de werkvloer worden versterkt. Ook moeten de bedrijfsgezondheidszorg en reguliere gezondheidszorg beter samenwerken. Deze visie is in het voorjaar 2012 met een beleidsagenda aan de Tweede Kamer aangeboden3. Met deze initiatieven onderstreept het kabinet het belang van het investeren in duurzame inzetbaarheid, voor alle werknemers, jong en oud.

Het is nu al mogelijk om door te werken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Uit onderzoek blijkt echter dat dit nog niet op grote schaal gebeurt. Werkgevers geven aan dat het huidige arbeidsrecht het aannemen en in dienst houden van AOW’ers bemoeilijkt. Het kabinet past het arbeidsrecht daarom in 2013 op een aantal punten aan als het gaat om werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd al hebben bereikt. Zo wordt de re-integratieverplichting van de werkgever beperkt voor een zieke AOW’er. Ook mag hij een werknemer die de pensioenleeftijd al heeft bereikt opeenvolgende contracten aanbieden zonder dat dit tot een vaste arbeidsovereenkomst leidt. Verder wordt de opzegtermijn voor een AOW’er verkort.

Pensioenfondsen kunnen pensioenen gaan aanbieden die beter bestand zijn tegen de economische schokken zoals we de afgelopen jaren meemaken. Ook zullen pensioencontracten transparanter worden, zodat pensioendeelnemers weten waar zij aan toe zijn en welke risico’s zij lopen. Hiervoor wordt een nieuw financieel toetsingskader ontwikkeld, waarvan de inwerkingtreding is voorzien voor 1 januari 2014. Hiernaast kunnen sociale partners (verantwoordelijk voor de inhoud van het pensioencontract) op decentraal niveau blijven kiezen voor een verbeterd nominaal pensioencontract. Het nieuwe toetsingskader moet er, in samenhang met goede communicatie, toe leiden dat deelnemers realistische verwachtingen hebben over de te bereiken hoogte van het pensioen.

Naar een activerend stelsel van sociale zekerheid

Ook in tijden van economische neergang is er nog volop dynamiek op de arbeidsmarkt. Er verdwijnen niet alleen banen, er worden ook nieuwe banen gecreëerd. Er ontstaan voortdurend vacatures, doordat werknemers met pensioen gaan, promoveren en van baan wisselen. Dit betekent dat er ook kansen zijn om vanuit een uitkering aan het werk te komen. Maar dan moet de sociale zekerheid mensen hiertoe wel aanzetten.

De afgelopen jaren zijn er maatregelen genomen om de activerende werking van de sociale zekerheid te bevorderen. Dit heeft ertoe geleid dat meer uitkeringsgerechtigden aan het werk gegaan zijn. Ook is de instroom in onder meer de arbeidsongeschiktheidsregelingen vanuit vaste contracten verminderd. Maar de maatregelen hebben nog onvoldoende invloed gehad op het ziekteverzuim van werknemers met een tijdelijk dienstverband, uitzendkrachten en zieke werklozen. Bij ziekte betaalt de werkgever of uitkeringsinstantie deze flexwerkers niet door, maar komen zij in de Ziektewet (ZW). Het gevolg is dat zij veel vaker (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn – en dus de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) instromen – dan vaste werknemers. De instroom van deze groep in de WGA bedraagt 55%, terwijl zij slechts 20% van het verzekerdenbestand vormen (zie figuur 2).

Figuur 2. Instroom in de WGA

Figuur 2. Instroom in de WGA

Bron: SZW bewerking op basis van informatie van UWV en CBS

In de begroting 2012 is aangekondigd dat de ZW zo wordt aangepast dat flexwerkers worden gestimuleerd om weer aan de slag te gaan in plaats van een beroep te doen op de arbeidsongeschiktheidsregelingen als de ZW-uitkering na twee jaar stopt. Het wetsvoorstel hiervoor is inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat kan het wetsvoorstel op 1 januari 2013 ingaan. Net als bij mensen met een vast contract moeten de werkgever en werknemer er dan alles aan doen om werkhervatting mogelijk te maken. Niet de ziekte, maar wat iemand nog kan komt centraal te staan. Werkgevers worden extra geprikkeld om flexwerkers weer aan de slag te helpen. Vanaf 2014 krijgen zij namelijk te maken met individuele ZW- en WGA-premies voor flexwerkers. Hoe hoger het beroep op die regelingen, hoe hoger de premie voor de werkgever. Daar staat tegenover dat werkgevers vanaf 2016 ook voor flexwerkers zelf het WGA-risico kunnen gaan dragen. Nu kan dit alleen voor vaste krachten. Het UWV kan vanaf 1 januari 2013 afspraken met werkgevers en sectoren maken over het weer aan de slag helpen van mensen met een ZW-uitkering. In dit kader is door het UWV met de uitzendbranche een convenant afgesloten om de werkhervatting van zieke uitzendkrachten te bevorderen. Om dit beter mogelijk te maken wordt de maximale periode van proefplaatsing verruimd van drie naar zes maanden.

Het kabinet heeft direct na zijn aantreden, samen met gemeenten, een groot aantal maatregelen in gang gezet om arbeidsmigratie vanuit de EU in goede banen te leiden. Het kabinet onderkent het recht van het vrij verkeer van werknemers uit EU-landen en de positieve bijdrage die arbeidsmigranten kunnen leveren aan onze economie. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook oog voor de nadelen die hieraan zijn verbonden. De te verwachten toename van het aantal arbeidsmigranten uit EU-landen dat naar Nederland komt, maakt continuering van de aanpak ook in 2013 noodzakelijk. Wat betreft de arbeidsmigratie van buiten de EU staat het kabinet een restrictief toelatingsbeleid voor. Er ontvangen nog te veel mensen die kunnen werken een uitkering. Het kabinet vindt het daarom onacceptabel om aanbod van buiten de EU aan te boren, als niet eerst de mogelijkheden maximaal zijn benut om het aanbod in Nederland en in de Europese Unie (nu nog met uitzondering van Bulgarije en Roemenië) in te zetten.

De regels voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen worden daarom aangescherpt. Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel waarin staat dat het UWV voortaan alleen in algemene zin hoeft te onderzoeken of er in Nederland voldoende werkzoekenden zijn voor vacatures waarvoor tewerkstellingsvergunningen worden aangevraagd. Als die er zijn dan wijst het UWV de aanvraag voor de tewerkstellingsvergunning af. Het is dan aan de werkgever om onder het hier beschikbare aanbod te werven. Ook wordt het mogelijk om in sectoren een maximum in te stellen voor het aantal te verlenen tewerkstellingsvergunningen.

Hardere aanpak fraude waarborgt solidariteit en betaalbaarheid van onze sociale voorzieningen

Misbruik en oneigenlijk gebruik van sociale zekerheid moeten worden bestreden als we het draagvlak voor het stelsel willen behouden. Fraude is diefstal van gemeenschapsgeld en ondermijnt daarmee de solidariteit tussen burgers en de betaalbaarheid van de sociale zekerheid. Zeker in deze tijden van bezuinigingen is een scherpe aanpak van fraude van belang. Strengere sancties werken preventief en maken dat werkenden erop kunnen vertrouwen dat alleen mensen die het echt nodig hebben, overheidssteun krijgen.

Fraude wordt vanaf 2013 harder aangepakt. Zo worden in het wetsvoorstel «Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW» de straffen verhoogd voor mensen die frauderen met uitkeringen en de kinderopvangtoeslag (zie figuur 3). Het wetsvoorstel is behandeld in de Tweede Kamer en de inzet is dat de wet 1 januari 2013 in werking treedt. Fraudeurs moeten dan het teveel ontvangen geld altijd terugbetalen. Daarnaast krijgen zij een boete die net zo hoog is als het fraudebedrag. Bij de volgende fraude gaat de boete verder omhoog. Die boete wordt dan ook verrekend met de uitkering, waardoor de fraudeur gedurende maximaal vijf jaar niets meer ontvangt. In de bijstand geldt een periode van ten hoogste drie maanden. De bijstand heeft immers het karakter van een vangnet voor mensen die op geen enkele andere manier in hun onderhoud kunnen voorzien.

Figuur 3. Terugbetaling en boete bij fraude sociale verzekeringen

Figuur 3. Terugbetaling en boete bij fraude sociale verzekeringen witregel

Bron: SZW

Ook bedrijven die zich niet aan wet- en regelgeving houden krijgen hoge boetes. Als een bedrijf in herhaling valt worden de boetes verdubbeld en bij een derde overtreding gaat de boete nog een keer omhoog. Bovendien kan een bedrijf of een onderdeel ervan dan maximaal drie maanden worden stilgelegd.

Verder streeft het kabinet ernaar dat het voorgenomen wetsvoorstel «Fraudeaanpak door gegevensuitwisseling en efficiënter gebruik van gegevens» eveneens in 2013 in werking treedt. Met dit wetsvoorstel krijgen uitvoerders van de sociale zekerheid nieuwe mogelijkheden om fraude aan te pakken. Ook kunnen zij efficiënter gebruik gaan maken van gegevens die bij de overheid beschikbaar zijn. Een betere gegevensuitwisseling is ook een van de doelen van de EU-handhavingsrichtlijn waarover in Brussel wordt onderhandeld. De richtlijn moet het beter mogelijk maken om gegevens uit te wisselen tussen inspectiediensten van EU-lidstaten. Zo kan worden voorkomen dat bedrijven de regels omzeilen en grensoverschrijdende gedetacheerde werknemers minder goede arbeidsvoorwaarden bieden dan waarop zij recht hebben.

De Inspectie SZW, gemeenten en UWV bestrijden samen de fraude op het gebied van werk en inkomen. De Inspectie SZW is in 2012 ontstaan na een fusie van de Arbeidsinspectie, SIOD en de Inspectie Werk en Inkomen. Door deze diensten samen te voegen is de slagkracht toegenomen en wordt van elkaars expertise gebruik gemaakt om fraude en misstanden steviger aan te pakken. Het opsporen van fraude is een van de speerpunten in 2013. De verhoging van de boetes zoals hiervoor beschreven zal de aanpak van de Inspectie SZW versterken.

Europa, sociale zekerheid en werkgelegenheid

Europa is belangrijk voor de Nederlandse economie en daarmee ook voor de werkgelegenheid. Het is goed dat de werking van de Europese interne markt wordt verbeterd door gezamenlijke afspraken over het vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen. Daarbij moeten de voordelen van het vrij verkeer optimaal worden benut en de nadelen zoveel mogelijk worden beperkt. In dat kader zet Nederland in op het tegengaan van een mogelijk aanzuigende werking van ons socialezekerheidsstelsel op EU-migranten, mede door de vormgeving van Europese regelgeving.

Ook als het om pensioenen gaat is Nederland alert. Het is positief dat er een interne markt voor financiële producten tot stand komt, maar lidstaten moeten zelf verantwoordelijk blijven voor hun pensioenstelsels. Europese regels die alle pensioenstelsels over een kam scheren en tot onnodig hoge lasten voor Nederlandse werknemers, werkgevers en pensioenfondsen leiden, moeten worden voorkomen. Dergelijke regels staan op gespannen voet met de bijzondere kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel. Het voornemen van de Europese Commissie om de Pensioenfondsenrichtlijn (IORP) aan te passen, mag er voor Nederland niet toe leiden dat de hoge zekerheidseisen die daarin worden voorgesteld tot grote kostenstijgingen voor pensioenfondsen leiden. Wanneer bijvoorbeeld de zekerheidseis wordt verhoogd van 97,5% naar 99,5%, conform de Europese Solvency II Richtlijn voor verzekeraars, kan dit leiden tot een toename in de buffervereisten voor pensioenfondsen met circa 11%-punt. Dit verhogen van de buffers kan in stappen gedurende tien jaar. Indien dit gedekt zou worden door premieverhoging komt dit de eerste tien jaar neer op circa € 10 miljard aan extra premie; het alternatief is dat de pensioenuitkeringen voor een soortgelijk bedrag worden gekort. Structureel vergen de hogere buffers circa € 3 miljard aan extra premie. Bij de voorbereiding van de IORP richtlijn heeft de Commissie aangegeven rekening te houden met landen die goed functionerende kapitaalgedekte pensioenstelsels hebben, zoals Nederland. Het kabinet zal er scherp op toe blijven zien dat dit ook inderdaad gebeurt.

Lidstaten zijn in Europa zelf verantwoordelijk voor hun beleid op het gebied van werkgelegenheid en sociale zekerheid. Ongewenste beleidsconcurrentie – door verschillen in nationale regelgeving – wordt door de EU tegengegaan. Nederland is van mening dat dit proces is afgerond en ziet dus weinig reden voor aanvullend Europees beleid op het terrein van sociale zekerheid en werkgelegenheid. Wel kunnen verbeteringen worden geformuleerd langs de weg van open coördinatie processen: Europees gezamenlijke doelen formuleren zoals op het terrein van arbeidsparticipatie, met voor lidstaten een behoorlijke vrijheid in de manier waarop zij die doelen nationaal realiseren. Belangrijk is dat vervolgens goed op prestaties getoetst wordt en lidstaten bij de les gehouden worden.

2.1.1.2 Verdere agenda

Verschillende uitdagingen op het gebied van werk en inkomen zullen ook na 2013 op de agenda blijven staan, zoals een beter functionerende arbeidsmarkt, meer mensen met een beperking aan de slag en een kleinere overheid, ook op het terrein van SZW.

Verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt

Een economie die voortdurend verandert door de conjunctuur, globalisering en technologische vooruitgang vraagt om een dynamische arbeidsmarkt met mobiele werknemers. In Nederland is de arbeidsmobiliteit echter laag, met name onder ouderen. Dit komt mede door de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo neemt de ontslagbescherming voor werknemers met een vast contract toe naarmate zij langer in dienst zijn. Ook zijn de ontslagvergoedingen hoog voor ouderen die via de kantonrechter worden ontslagen. Hierdoor zijn werkgevers minder snel geneigd om nieuwe vaste contracten aan te bieden. Tegelijkertijd zorgt de hoge ontslagbescherming voor ouderen met een vast contract ervoor dat zij niet snel zullen overstappen naar een andere, productievere baan. Zij raken hun bescherming dan immers kwijt. De keerzijde is dat ouderen moeilijk nieuw werk vinden als zij eenmaal aan de kant komen te staan.

De arbeidsmobiliteit in Nederland is niet alleen laag, maar bovendien ongelijk verdeeld. Conjuncturele schommelingen worden met name door de zogeheten flexibele schil opgevangen, en in veel mindere mate door mensen met een vast contract. Als het beter gaat doen werkgevers eerst een beroep op flexwerkers. Die verdwijnen ook weer als eersten als het slechter gaat. Dit zorgt ervoor dat bedrijven zich kunnen aanpassen aan de economische situatie, maar dit heeft ook nadelen. Werkenden in de flexibele schil verdienen gemiddeld minder, volgen minder vaak scholing en doen relatief vaak een beroep op sociale zekerheid.

In de hoofdlijnennotitie «Aanpassing ontslagrecht en WW4» zijn maatregelen aangekondigd om de arbeidsmarkt te moderniseren. Het huidige ingewikkelde duale stelsel wordt vervangen door een transparant en eenvoudig ontslagstelsel, waarin de preventieve toetsing van het ontslag plaatsmaakt voor toetsing achteraf door de rechter. De soms hoge en ongelijk verdeelde ontslagvergoedingen maken plaats voor een zogeheten transitiebudget voor iedereen met een vast of tijdelijk contract bij wie de arbeidsrelatie onvrijwillig wordt beëindigd. Dit transitiebudget kan worden gebruikt voor scholing of andere hulp bij het vinden van werk. Daarnaast wordt de WW-uitkering voor ten hoogste de eerste zes maanden voor rekening gebracht van de werkgever, voor werknemers met vaste én tijdelijke contracten. Als het parlement hiermee instemt gaan deze hervormingen in 2014 in. In aanloop op de invoering wordt in 2013 de WW-premie voor werkgevers tijdelijk verhoogd.

Figuur 4. Hoofdlijnen aanpassing ontslagrecht en WW

Figuur 4. Hoofdlijnen aanpassing ontslagrecht en WW witregel

Deze maatregelen zullen de mobiliteit op de arbeidsmarkt bevorderen, terwijl ze tegelijkertijd de ongelijkheid tussen werknemers met vaste en flexibele contracten verkleinen. Dit leidt tot een evenwichtigere verdeling van flexibiliteit en zekerheid en maakt het voor mensen makkelijker om van baan te wisselen, met name voor ouderen. Dit betekent echter niet dat werkgevers straks zo maar ouderen kunnen ontslaan. Er moet nog steeds een goede reden zijn voor ontslag. Ook het beginsel dat bij collectief ontslag de groep ontslagen werknemers wat betreft leeftijd een afspiegeling moet zijn van het totale personeelsbestand blijft gehandhaafd. Verder blijft leeftijdsdiscriminatie uiteraard verboden en wordt ontslag – ook van ouderen – niet gratis.

Meer mensen met een beperking aan het werk

Het is van belang dat ook mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt profiteren van de dynamiek op de arbeidsmarkt. Een goede dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers brengt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar. Dit vraagt, met name op regionaal niveau, om een effectieve en efficiënte bemiddeling, re-integratie-ondersteuning en controle op de naleving van de regels.

In ons land staan nog teveel mensen die kunnen werken om uiteenlopende redenen aan de kant. Voorkomen moet worden dat mensen te snel worden afgeschreven en permanent worden uitgesloten van een baan. Want werk biedt mensen perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid. Werk is de basis voor zelfstandigheid, het benutten en ontwikkelen van talenten en vaardigheden en het is de beste manier om uit armoede te komen. Van de 317 000 bijstanduitkeringen duurt 37% langer dan vijf jaar. De bijstand als tijdelijk vangnet schiet daarmee zijn doel voorbij. Een groot deel van de mensen in de bijstand kan aan het werk. In de sociale werkvoorziening is de situatie vergelijkbaar. Hier werken ongeveer honderdduizend mensen in een beschutte omgeving, terwijl een groot deel ook in staat is bij een gewone werkgever aan de slag te gaan. Er zitten nu tweeënhalf maal zoveel mensen in de sociale werkvoorziening (WSW) als bij de invoering in 1969 was voorzien. De doorstroom van mensen met een WSW-indicatie naar een gewone baan is laag, terwijl minstens de helft van de mensen met een WSW-indicatie met enige begeleiding bij een reguliere werkgever aan de slag kan. De groep Wajongers is de laatste jaren sterk gegroeid. Als er niets gebeurt dan verdubbelt het aantal Wajongers de komende dertig jaar naar 400 000. Het is sociaal onaanvaardbaar en economisch en financieel onhoudbaar dat mensen in een uitkering of op een beschutte werkplek blijven zitten terwijl zij kunnen werken op een reguliere arbeidsplaats. De uitdaging voor alle betrokkenen – gemeenten, UWV, werkgevers en werknemers – is dan ook om meer van deze mensen aan het werk te helpen. De overheid heeft hierbij een belangrijke voorbeeldrol.

Hiervoor is het onder meer noodzakelijk dat mensen op een goede en professionele manier worden gere-integreerd. Het ministerie van SZW investeert daarom tot 2014 in het programma «Impuls Vakmanschap». Hiermee worden sociale diensten gestimuleerd om de effectiviteit van re-integratieprojecten te vergroten en zich verder te professionaliseren. Divosa en de VNG voeren dit programma uit.

Door de nadruk te leggen op digitale dienstverlening kan het UWV werkgevers en werkzoekenden in de toekomst voldoende blijven ondersteunen (Redesign UWV Werkbedrijf). WW-gerechtigden hebben in het algemeen recente werkervaring. Zij hebben daardoor vaak geen belemmeringen om weer snel aan de slag te gaan. Vanaf 2015 krijgt daarom nog maximaal tien procent van de WW’ers die tussen drie en twaalf maanden werkloos zijn persoonlijke hulp bij het zoeken naar werk. Vanaf 2013 zal door UWV en gemeenten in alle arbeidsmarktregio’s een gezamenlijk aanspreekpunt voor werkgevers zijn gerealiseerd. UWV en gemeenten zullen hierbij nauw samenwerken. Het aantal vestigingen van waaruit UWV opereert wordt de komende jaren teruggebracht van 98 naar 30.

Op deze wijze is invulling gegeven aan de taakstelling van € 500 miljoen van het vorige kabinet op het UWV. Om de ontwikkeling Redesign volgens plan per 2015 te voltooien, is aan het UWV een bedrag van € 30 miljoen beschikbaar gesteld. Hierdoor kan de persoonlijke dienstverlening geleidelijker worden afgebouwd, zodat werkzoekenden meer tijd hebben om te wennen aan digitale dienstverlening. Verdere taakstellingen vergen keuzes in wat de overheid nog kan en wil. Een nieuwe taakstelling bij het UWV zal gevolgen hebben voor de dienstverlening en de klanttevredenheid.

Een kleinere overheid, ook op het gebied van werk en inkomen

Het kabinet streeft naar een efficiënte werking van de arbeidsmarkt waarbij de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven voorop staat. Het verkrijgen en behouden van betaald werk is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van mensen zelf. Juist nu de overheidsmiddelen schaars zijn, is het van belang dat de overheid alleen mensen ondersteunt die dat écht nodig hebben. Door eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven meer voorop te stellen, kan de dienstverlening van de overheid zich tot het noodzakelijke beperken.

De taakstelling voor een kleinere overheid op het gebied van werk en inkomen is voor de periode 2012–2015 verdeeld over UWV, SVB en het kerndepartement van SZW. Deze taakstelling is ingevuld. Voor wat betreft het UWV is onder meer besloten de efficiency te vergroten, keuzes te maken in taken en dienstverlening en wet- en regelgeving te vereenvoudigen. Deze taakstelling kwam bovenop de beleidsmatige taakstellingen op bemiddeling en re-integratie van het UWV. Een ander voorbeeld is het terrein van arbeidsomstandigheden waar gekozen is voor een kleinere rol van de overheid5. De regeldruk wordt verminderd en werkgevers worden aangespoord om zelf meer verantwoordelijkheid te nemen. Met scherpe risicoanalyses en zwaardere straffen worden werkgevers die hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen aangepakt.

Hoewel de invulling van de taakstelling op het gebied van werk en inkomen reeds bekend is, blijft de uitvoering ervan de komende jaren een flinke opgave. De vinger wordt aan de pols gehouden om snel te kunnen ingrijpen als zich knelpunten voordoen. Er moeten immers tegelijkertijd nog twee andere taakstellingen worden uitgevoerd: die uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen voor 2016–2018 (€ 51 miljoen) en een taakstelling van € 3 miljoen uit het Begrotingsakkoord 2013. Er moeten keuzes worden gemaakt bij de invulling van deze taakstellingen.

De ambitie om met minder middelen toch een goede dienstverlening te bieden wordt door de opeenstapeling van taakstellingen steeds groter. Verdere taakstellingen vergen keuzes in wat de overheid nog kan en wil. Dergelijke keuzen zullen gevolgen hebben voor de dienstverlening door de overheid.

2.1.1.3 Inkomensontwikkeling

In 2013 daalt de mediane koopkracht met ¾%. Hiermee neemt de koopkracht voor het vierde jaar op rij af. Deze daling hangt samen met de slechte economische situatie. Hierdoor stijgen de lonen in de markt nauwelijks meer dan de inflatie en worden pensioenen gekort. Bovendien bevat het Begrotingsakkoord maatregelen die de koopkracht van bijna alle Nederlanders raakt. De BTW wordt verhoogd naar 21%, hetgeen de inflatie verhoogt, de lonen bij de overheid worden bevroren, het eigen risico in de zorg wordt verhoogd en de onbelaste reiskostenvergoeding wordt afgeschaft. Bovenop de maatregelen uit het Begrotingsakkoord raken ook de bezuinigingen uit het regeerakkoord de koopkracht. Het betreft in 2013 de verlaging van de zorgtoeslag, de maatregelen in de kinderopvangtoeslag en de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.

Inzet bij het vormgeven van de maatregelen in het Begrotingsakkoord was om de koopkrachteffecten evenwichtig te verdelen, met bijzondere aandacht voor mensen met lage inkomens. Daar is invulling aan gegeven door lage inkomens via de zorgtoeslag te compenseren voor het hogere eigen risico in de zorg. Daarnaast wordt de lastenruimte van €1,5 miljard die is ontstaan door de verhoging van de BTW vooral ingezet om werkenden met lage inkomens tegemoet te komen, door de arbeidskorting gericht te verhogen. Ook worden het kindgebonden budget, de alleenstaande ouderenkorting en de ouderenkorting verhoogd. Door dit pakket aan maatregelen zijn de koopkrachteffecten, ondanks de forse bezuinigingen, voor de laagste inkomens relatief beperkt en zijn deze redelijk evenwichtig over het inkomensgebouw verdeeld.

Figuur 5. Mediane koopkrachtmutatie 2013 naar inkomenshoogte

Figuur 5. Mediane koopkrachtmutatie 2013 naar inkomenshoogte witregel
2.1.1.4 Tot slot

Het kabinet heeft met het Begrotingsakkoord 2013 verantwoordelijkheid genomen voor een goed werkende arbeidsmarkt en houdbare sociale voorzieningen. Dit betekent enerzijds dat 2013 geen gemakkelijk jaar wordt voor burgers en bedrijven. De koopkracht neemt af en de werkloosheid zal oplopen. Anderzijds worden uitdagingen voor de lange termijn, zoals het verbeteren van de overheidsfinanciën, een beter functionerende arbeidsmarkt en een langer doorwerkende beroepsbevolking, met dit akkoord aangepakt. Dit biedt voor iedereen perspectief voor de toekomst.

2.1.2 BUDGETTAIRE ONTWIKKELINGEN SZA-KADER
2.1.2.1 Inleiding

De uitgaven van de overheid zijn verdeeld over drie uitgavenkaders; Rijkbegroting-in-enge-zin (Rbg-eng), Budgettair Kader Zorg (BKZ) en het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). De minister van SZW is in beginsel verantwoordelijk voor de beheersing van de uitgaven in het SZA-kader. Indien de geraamde uitgaven hoger zijn dan het afgesproken kader (ook wel het uitgavenplafond of de ijklijn genoemd), dient de minister maatregelen te nemen om (meerjarig) binnen het kader te blijven.

Het merendeel van de uitgaven van de SZW-begroting valt binnen het uitgavenkader SZA. Zo zijn bijvoorbeeld de apparaatsuitgaven van SZW ondergebracht in het kader Rijksbegroting-in-enge-zin. Een exacte aansluiting tussen de uitgaven in de SZW-begroting en het SZA-kader is te vinden in bijlage 4.2.

Deze paragraaf geeft een overzicht van de budgettaire ontwikkelingen in het SZA-kader. Er wordt inzicht gegeven in de mutaties die zijn opgetreden sinds de ontwerpbegroting 2012. Vervolgens wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de uitgaven en de volumes. Ten slotte wordt ingegaan op de mutaties van de ijklijn en worden de SZA-uitgaven getoetst aan het uitgavenplafond.

2.1.2.2 Uitgaven SZA-kader 2012–2017

SZA-uitgaven

In tabel 2.1.2.1 zijn de uitgaven die behoren tot het SZA-kader voor 2012 tot en met 2017 weergegeven. Te zien is dat de totale SZA-uitgaven (uitgedrukt in het prijsniveau van het jaar 2012, zogenoemde constante prijzen) vanaf 2012 met € 2,0 miljard toenemen. Dit verloop van de SZA-uitgaven wordt met name door twee onderliggende ontwikkelingen beïnvloed. De AOW-uitgaven nemen tussen 2012 en 2017 met € 2,5 miljard toe als gevolg van de vergrijzing, de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 beperkt de stijging enigszins. De werkloosheidsuitgaven nemen eerst toe van 2012 naar 2013 om vervolgens weer af te nemen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de conjunctuur en door de maatregel waarmee werkgevers vanaf 2014 verantwoordelijk worden voor de eerste zes maanden WW.

Het restant van de SZA-uitgaven vertoont per saldo een relatief stabiel verloop. De overige uitgaven bestaan met name uit arbeidsongeschiktheidsuitgaven (€ 12 miljard), uitgaven aan kindregelingen en kinderopvang (€ 7 miljard) en de WSW (€ 2 miljard). Een verdere uitsplitsing van de SZA-uitgaven is te vinden in tabel 2.1.2.3.

De uitgavenkaders van de overheid worden uitgedrukt in lopende prijzen, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen. In lopende prijzen nemen de SZA-uitgaven toe van € 70,5 miljard in 2012 naar € 80,5 miljard in 2017. Uitgedrukt in een percentage van het BBP dalen de SZA-uitgaven in latere jaren.

Tabel 2.1.2.1 SZA-uitgaven in constante en lopende prijzen (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Totale SZA-uitgaven constante prijzen

70,5

71,9

72,6

72,8

72,7

72,5

w.v. AOW-uitgaven

31,5

32,4

33,2

33,8

33,8

34,0

w.v. Werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand)

10,2

11,0

10,9

10,6

10,3

9,7

w.v. Overige SZA-uitgaven

28,8

28,5

28,5

28,4

28,6

28,7

Loon- en prijsontwikkeling SZA-uitgaven

0,0

1,2

2,4

3,9

5,9

8,1

Totale SZA-uitgaven lopende prijzen

70,5

73,1

75,1

76,7

78,6

80,5

             

SZA-uitgaven in % van het BBP

11,6%

11,7%

11,7%

11,6%

11,4%

11,3%

Bron: SZW, financiële administratie

Budgettaire mutaties

Tabel 2.1.2.2 geeft een overzicht van de budgettaire mutaties die sinds de vorige ontwerpbegroting zijn opgetreden, een zogenoemde verticale toelichting.

Tabel 2.1.2.2 Budgettaire mutaties sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

SZA-uitgaven Ontwerpbegroting 2012

69,7

71,8

74,1

76,4

79,0

81,2

             

A. Macro-economische mutaties

1,3

1,7

1,4

0,7

0,3

0,1

w.v. WW/WWB

1,4

2,4

2,7

2,3

1,7

1,0

w.v. loon- en prijsontwikkeling

– 0,1

– 0,6

– 1,2

– 1,6

– 1,4

– 0,9

             

B. Mee- en tegenvallers

– 0,6

– 0,2

– 0,1

0,1

0,1

0,3

w.v. Kinderopvangtoeslag

– 0,2

– 0,1

– 0,1

0,0

– 0,1

0,0

w.v. Wajong

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

w.v. Arbeidsongeschiktheid

– 0,1

0,0

0,0

0,1

0,1

0,2

w.v. AOW

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Overig

– 0,2

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

             

C. Ombuigingen

– 0,1

– 0,6

– 1,4

– 1,7

– 2,0

– 2,2

w.v. AOW Leeftijdverhoging

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,2

– 0,5

– 0,7

w.v. WW Loondoorbetaling

0,0

0,0

– 0,8

– 1,0

– 1,0

– 1,0

w.v. Verlaging MKOB

0,0

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

w.v. Nullijn

– 0,1

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

w.v. Overig

0,0

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

             

D. Besparingsverliezen en Intensiveringen

0,1

0,3

0,6

0,9

0,9

1,0

w.v. WWNV

0,0

0,0

0,4

0,6

0,7

0,7

w.v. Belasten Reiskostenvergoeding

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Huishoudinkomenstoets

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Overig

0,1

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

             

E. Technische mutaties

0,1

0,0

0,3

0,3

0,2

0,2

             

SZA-uitgaven Ontwerpbegroting 2013

70,5

73,1

75,1

76,7

78,6

80,5

Bron: SZW, financiële administratie

A. Macro-economische mutaties

Aanpassingen van de uitgaven als gevolg van wijzigingen in verwachte economische ontwikkelingen worden macro-economische mutaties genoemd. De macro-economische mutaties laten per saldo een tegenvaller zien. In de eerste jaren betreft het een forse tegenvaller tot € 1,7 miljard, in latere jaren is de bijstelling relatief beperkt; € 0,1 miljard in 2017.

Het CPB heeft sinds de begroting 2012 de raming van de werkloze beroepsbevolking als gevolg van verslechterde economische omstandigheden naar boven bijgesteld. Dit leidt tot hogere uitgaven aan de WW en bijstand, met name in de jaren 2013 tot en met 2015. Tegenover de hogere werkloosheidsuitgaven staat een meevallende loon- en prijsontwikkeling. De uitgaven onder het kader SZA zijn met name afhankelijk van de contractloonontwikkeling. Dit komt doordat de uitkeringen van SZW worden aangepast aan de ontwikkeling van de lonen in de markt. De procentuele ontwikkeling van de lonen is kleiner dan waar eerder van werd uitgegaan, waardoor de uitgaven van SZW lager uitkomen.

B. Mee- en tegenvallers

De informatie van de uitvoeringsorganisaties over de ontwikkelingen van de verschillende uitgavenregelingen laat met name mee- en tegenvallers zien bij de kinderopvangtoeslag, de Wajong, de arbeidsongeschiktheid en de AOW:

  • Bij de kinderopvangtoeslag zijn in 2011 en 2012, en worden in 2013, verschillende versoberingen doorgevoerd. De gedragseffecten van deze maatregelen, die zich volgens de ramingen over drie jaar uitstrekken, zijn waarschijnlijk sneller opgetreden dan geraamd, waardoor de uitgaven naar beneden worden bijgesteld. Daarnaast zijn de verwachte terugontvangsten voor 2012 hoger dan waar eerder rekening mee gehouden werd.

  • De meevaller in de Wajong wordt voornamelijk veroorzaakt door een lagere gemiddelde uitkering dan eerder verwacht.

  • De tegenvaller op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is het saldo van tegenvallers bij de WAO en de gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA (WGA) en een meevaller bij de volledig arbeidsongeschikten in de WIA (IVA). De hogere uitgaven aan de WAO worden voornamelijk verklaard door een daling van de doorstroomkans van volledige naar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In de WIA is minder doorstroom van WGA naar IVA. Dit zorgt voor hogere uitgaven aan de WGA en minder uitgaven aan de IVA. Daarnaast is de instroom in de WGA hoger dan eerder verwacht, wat tot een tegenvaller leidt.

  • Naar boven bijgestelde prognoses van de levensverwachting hebben geleid tot een ophoging van de AOW-uitgaven.

Kleinere meevallers deden zich voor bij de WKB en de AIO (voorheen bijstand 65+). Hogere terugontvangsten voor het kindgebonden budget zorgen met name in 2012 voor een meevaller op die regeling. De realisaties van de bijstandsuitgaven voor ouderen vielen in 2011 lager uit dan verwacht. De raming voor latere jaren is hierom ook neerwaarts bijgesteld.

C. Ombuigingen

In het Begrotingsakkoord is een aantal ombuigingsmaatregelen op SZW terrein opgenomen. Daarnaast is een aantal maatregelen genomen ter dekking van SZA-problematiek.

  • De AOW-leeftijd wordt vanaf 2013 stapsgewijs verhoogd. Dit levert in 2013 € 0,1 miljard op, oplopend naar € 0,7 miljard in 2017. Deze besparing is het saldo van lagere AOW-uitgaven en hogere uitgaven aan andere regelingen. Als gevolg van de hogere AOW-leeftijd blijven mensen namelijk langer een arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsuitkering ontvangen.

  • Werkgevers worden verantwoordelijk voor de eerste zes maanden WW. Deze maatregel levert € 750 miljoen op in 2014, voor latere jaren loopt dit op tot € 1,0 miljard. Vooruitlopend hierop is voor 2013 de Awf-premie met € 500 miljoen verhoogd, zie hiervoor ook bijlage 4.3.

  • Conform het wetsvoorstel Uniformering Loonbegrip (ULB) wordt de MKOB per 1 januari 2013 met € 75 per jaar verlaagd. Dit levert € 0,2 miljard per jaar op vanaf 2013. In het wetsvoorstel ULB wordt de ouderenkorting verhoogd, ter compensatie wordt de tegemoetkoming voor ouderen verlaagd.

  • In de Voorjaarsnota is voor 2012 en 2013 een nullijn afgesproken, de loonbijstelling wordt niet aan de departementen uitgekeerd. Dit leidt binnen het SZA-kader tot een besparing van € 0,1 miljard in 2012 en € 0,2 miljard in latere jaren. De besparing slaat vooral neer bij de Wsw, bij het re-integratiebudget, de kinderopvang en bij UWV en SVB.

Naast deze grote maatregelen is een aantal (budgettair) kleinere maatregelen getroffen. Zo wordt de inkomensgrens in de kinderopvang niet geïndexeerd (€ 16 miljoen). Daarnaast wordt de invoering van een eigen bijdrage verruild voor een proportionele verhoging van de ouderbijdrage voor het eerste kind (budgettair neutraal). Met uitzondering van de laagste inkomensklasse, daarvoor blijft de ouderbijdrage gelijk. Ook de modernisering van de ZW kent een gewijzigde invulling en levert structureel iets meer op (€ 10 miljoen).

D. Besparingsverliezen en Intensiveringen

Uit het Begrotingsakkoord volgt een aantal wijzigingen op beleid dat daarvoor reeds was ingezet. Daarnaast is nieuw beleid ingevoerd op andere terreinen dan SZW met gevolgen voor SZW regelingen. De grootste budgettaire gevolgen hebben het controversieel verklaren van de Wet Werken naar Vermogen, het belasten van de reiskostenvergoeding en het vervallen van de huishoudinkomenstoets in de bijstand.

  • De Wet Werken naar Vermogen is controversieel verklaard. Daardoor blijven de Wajong en Wsw onveranderd. De besparingsverliezen worden beperkt door de vrijval van de gereserveerde middelen, de herstructureringsfaciliteit en een deel van de mobiliteitsbonussen. Per saldo resteert een besparingsverlies van € 34 miljoen in 2013, oplopend tot € 0,7 miljard in 2017.

  • Door het belasten van de reiskostenvergoeding telt deze ook mee in het premieplichtig inkomen. Een hoger premieplichtig inkomen betekent hogere uitkeringen voor werknemersverzekeringen. De uitgaven aan WW/ZW en WAO/WIA nemen hierdoor toe. Voor de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget leidt het belasten van de reiskostenvergoeding juist tot lagere uitgaven aangezien hier een hoger inkomen een lagere toeslag betekent. Per saldo leidt deze maatregel tot € 20 miljoen hogere uitgaven in 2013, oplopend tot € 124 miljoen in 2017.

  • De huishoudinkomenstoets in de bijstand vervalt. Dit leidt tot € 27 miljoen hogere uitgaven in 2012 en € 54 miljoen in latere jaren.

Daarnaast heeft zich een aantal kleinere besparingsverliezen voorgedaan met name door het later dan gepland ingaan van maatregelen. De maatregel waarmee fraude met uitkeringen wordt aangepakt is vertraagd ingegaan. Voor het afschaffen van de WWIK is een overgangsregeling ingesteld. De maatregel AOW-verjaardag is verlaat in werking getreden. Daarnaast levert de beperking van export van uitkeringen minder op dan in het regeerakkoord Rutte/Verhagen was opgenomen. De WKB-bedragen zijn in het Begrotingsakkoord per 2013 met € 75 verhoogd, dit leidt tot ongeveer € 40 miljoen hogere uitgaven per jaar.

E. Technische mutaties

Dit betreft met name het uitboeken van de taakstelling die in de begroting 2012 was opgenomen voor circa € 230 miljoen per jaar vanaf 2013 om de kaders te laten sluiten op basis van de MEV-stand. Deze taakstelling is in het begrotingsakkoord ingevuld en wordt uitgeboekt. Daarnaast bevat deze post de loon- en prijsontwikkeling die hoort bij de mutaties onder A t/m D en technische overboekingen van het SZA-kader naar het kader Rbg-eng.

2.1.2.3 Uitgaven- en volumeontwikkelingen SZA-kader 2012–2017

Dit onderdeel geeft een toelichting op het verloop van de uitgaven in het SZA-kader over de jaren heen, een zogenoemde horizontale toelichting. Ook worden de volumeontwikkelingen van de uitkeringsregelingen toegelicht. De ontwikkeling van de uitgaven wordt namelijk in sterke mate bepaald door de ontwikkeling van de onderliggende volumecijfers. Tabel 2.1.2.3 toont een onderverdeling van de uitgaven in het SZA-kader naar de verschillende regelingen. Het betreft hier netto uitgaven, na aftrek van relevante ontvangsten. Tabel 2.1.2.4 geeft een overzicht van de volumecijfers. De volumeontwikkelingen in tabel 2.1.2.4 wijken op onderdelen af van de cijfers genoemd in de beleidsartikelen. Dat komt doordat in de tabel volumecijfers zijn opgenomen die relevant zijn voor de uitgavenontwikkeling. Ter illustratie: beleidsartikel 8 bevat het volume AOW in personen, dit is hoger dan het volume dat in tabel 2.1.2.4 is opgenomen. Voor de budgettaire ontwikkelingen is het van belang hoeveel volledige AOW-uitkeringen er in enig jaar zijn en niet het aantal mensen dat een AOW-uitkering heeft. Zo worden in tabel 2.1.2.4 bijvoorbeeld twee mensen met beide een halve AOW-opbouw opgeteld tot één volledige uitkering.

Tabel 2.1.2.3 Uitgaven SZA-kader 2012–2017 (x € 1 mln)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WW-uitgaven (werkloosheid)

5 262

5 768

5 418

5 024

4 900

4 494

WWB-uitgaven (bijstand)

4 894

5 282

5 484

5 526

5 390

5 246

             

WAO/WIA/WAZ/Wajong-uitgaven (arbeidsongeschiktheid)

11 363

11 389

11 666

11 795

11 951

12 144

ZW/WAZO-uitgaven (vangnet ziekte+zwangerschap)

2 800

2 767

2 677

2 638

2 639

2 640

             

Anw-uitgaven (nabestaanden en (half)wezen)

853

725

619

537

501

480

AOW-uitgaven (ouderdom)

31 493

32 407

33 214

33 790

33 833

34 042

MKOB (tegemoetkoming oudere belastingplichtigen)

1 125

942

968

991

1 004

1 018

             

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

280

258

262

269

275

280

Wsw-budget

2 375

2 376

2 374

2 373

2 373

2 373

Participatiebudget gemeenten

697

734

683

683

683

683

             

Kinderopvangtoeslag

2 390

2 339

2 429

2 534

2 584

2 631

Kindregelingen (AKW/WKB/TOG)

4 164

4 139

4 088

4 060

4 026

3 988

             

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc)

2 037

1 993

1 952

1 778

1 750

1 698

Overige uitgaven (met name loon- en prijsbijstelling)

726

1 952

3 229

4 693

6 666

8 820

             

Totaal SZA-uitgaven

70 458

73 068

75 061

76 691

78 575

80 538

Bron: SZW, financiële administratie

Tabel 2.1.2.4 Volumeontwikkelingen Sociale Zekerheid 2012–2017 (herleide uitkeringsjaren)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Werkloosheidsuitkeringen (WW)

268

290

311

322

316

299

Bijstandsuitkeringen (WWB/IOAW/IOAZ)

344

370

386

389

380

369

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA/WAZ/Wajong)

726

732

741

750

761

773

Ziektewetuitkeringen (ZW/WAZO)

146

146

140

136

136

136

Nabestaandenuitkeringen (Anw)

66

59

52

47

45

43

Ouderdomsuitkeringen (AOW)

2 968

3 066

3 141

3 188

3 199

3 205

Kinderopvangtoeslag kinderen

720

696

727

763

779

795

Kinderbijslag telkinderen (AKW)

3 453

3 440

3 427

3 413

3 395

3 376

Kindgebonden budget gezinnen (WKB)

918

924

877

823

802

781

Aantal kinderen TOG

28

27

26

26

26

26

Bron: SZW, financiële administratie

De uitgaven aan de WW stijgen van 2012 naar 2013 om vervolgens in de jaren daarna te dalen. Dit verloop van de raming van de WW-uitgaven is deels het gevolg van fluctuaties in de door het CPB geraamde werkloosheid. Een hogere werkloosheid betekent een groter aantal mensen met recht op een WW-uitkering. Daarnaast zorgt de maatregel waarbij werkgevers verantwoordelijk worden voor de eerste zes maanden WW voor een daling van de uitgaven vanaf 2014. Deze maatregel is momenteel nog technisch in de uitgavenraming verwerkt omdat nog nadere invulling aan de maatregel dient te worden gegeven. In de volumeontwikkeling is de maatregel nog niet meegenomen. De geraamde uitgaven aan de bijstand stijgen de komende jaren om in 2016 weer af te nemen, dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de door het CPB verwachte ontwikkeling van de werkloosheid.

De arbeidsongeschiktheidsuitgaven (WAO, WIA, WAZ en Wajong) nemen net als het aantal arbeidsongeschikten van jaar op jaar toe. Dit wordt met name veroorzaakt door een stijging van het aantal Wajongers. Daarnaast neemt vanaf 2014 het aantal mensen in de WIA sneller toe dan de daling van het aantal mensen met een WAO-uitkering. Dit wordt veroorzaakt door de verhoging van de AOW-leeftijd. Daardoor stromen mensen minder snel uit naar de AOW en blijven langer een WAO-uitkering ontvangen. Het beeld voor 2012 en 2013 is licht vertekend door een technische maatregel in de bevoorschotting van de Wajong (zie beleidsartikel 4). De ZW-uitgaven (o.a. zieke uitzendkrachten) en het aantal mensen met een ZW-uitkering lopen langzaam af. De WAZO-uitgaven (zwangerschaps- en bevallingsverlof) lopen juist licht op, voornamelijk veroorzaakt door een groter aantal werkende vrouwen dat met zwangerschapsverlof gaat.

De uitgaven aan Anw-uitkeringen lopen al enkele jaren terug, als gevolg van de herziening van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) waardoor minder mensen recht hebben op een nabestaandenuitkering. Als gevolg van het destijds ingevoerde overgangsrecht zal vanaf 2021 sprake zijn van een stabiele situatie. De ouderdomsuitgaven (AOW) lopen als gevolg van de vergrijzing jaarlijks op. De maatregel ter verhoging van de AOW-leeftijd remt de groei enigszins. De uitgaven aan de MKOB dalen van 2012 naar 2013 door van de verlaging van het bedrag met € 75 euro (zie ook ombuigingen onder 2.1.2.2C), vervolgens nemen de uitgaven jaarlijks toe als gevolg van de vergrijzing.

De re-integratie-uitgaven voor arbeidsongeschiktheid en het Wsw-budget tonen een relatief stabiel verloop. Het participatiebudget voor gemeenten laat een daling zien als gevolg van taakstellingen.

Het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven kent vanaf 2013 weer een stijgend verloop. De maatregelen die genomen zijn om de uitgaven aan kinderopvang te beheersen, remmen de groei van het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven, maar stoppen deze niet volledig. De uitgaven aan de kinderopvangtoeslag nemen eerst af als gevolg van genomen maatregelen en groeien vervolgens in latere jaren. De daling van het aantal kinderen bij de kinderbijslag is het gevolg van demografische ontwikkelingen, de uitgaven dalen navenant mee. Het aantal gezinnen dat in aanmerking komt voor een kindgebonden budget neemt jaarlijks af. De inkomensgrens (waaronder recht is op kindgebonden budget) wordt tot en met 2015 niet geïndexeerd waardoor ieder jaar minder gezinnen recht hebben op kindgebonden budget. In 2013 neemt het aantal gezinnen licht toe als gevolg van de verhoging van de bedragen met € 75 euro. Het aantal kinderen met recht op TOG neemt af. Dit komt met doordat minder kinderen een indicatiestelling krijgen in de zorg, die nodig is om voor TOG in aanmerking te komen.

De ontwikkeling van de uitgaven voor de uitvoering van de regelingen van SZW door UWV en SVB wordt deels veroorzaakt door de volumeontwikkelingen in de verschillende regelingen. Daarnaast leidt de maatregel gerichte bemiddeling tot lagere uitvoeringskosten bij het UWV. Ook zorgt de taakstelling op de uitvoeringsorganen voor een daling van de uitvoeringskosten.

De overige uitgaven betreffen verschillende «kleinere» regelingen (zoals de Toeslagenwet). De oploop na 2012 betreft de loon- en prijsbijstelling. Deze is voor de jaren na 2012 nog niet toebedeeld aan de uitgavencategorieën. De uitgavencategorieën zijn daarmee in constante prijzen, terwijl het totaal aan SZA-uitgaven is weergegeven in «lopende prijzen».

2.1.2.4 Uitgavenplafond SZA-kader 2012–2015 en toetsing aan uitgavenplafond

Bij de start van de kabinetsperiode is de ijklijn vastgesteld op basis van de toenmalige uitgavenraming. Dit is gebeurd in de startnota6. Gedurende de kabinetsperiode wordt de ijklijn bijgesteld voor prijsontwikkelingen, overboekingen tussen kaders en statistische correcties. Tabel 2.1.2.5 toont de bijstelling van de ijklijn-SZA sinds de begroting 2012.

Voor de bijstelling voor prijsontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de prijs van de Nationale Bestedingen (pNB). Een hogere pNB dan waarmee rekening is gehouden bij de kadervaststelling in de startnota leidt tot een verhoging van de ijklijn. Blijft de prijsontwikkeling achter bij de verwachting in de startnota, dan vindt een neerwaartse aanpassing plaats. Statistische correcties zijn voornamelijk zogenoemde bruteringseffecten. Aanpassingen in de fiscaliteit hebben vaak gevolgen voor de hoogte van de uitkeringen, hiervoor wordt het SZA-kader gecompenseerd (naar boven of naar beneden).

Tabel 2.1.2.5 Mutaties ijklijn sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

IJklijn SZA-kader Ontwerpbegroting 2012

69,7

71,9

74,4

76,7

Bijstelling pNB-raming

0,1

– 0,1

– 0,2

– 0,2

Overboekingen

– 0,1

– 0,1

– 0,1

0,0

Statistische correcties

0,1

0,2

0,2

0,3

IJklijn SZA-kader Ontwerpbegroting 2013

69,8

72,0

74,4

76,7

Bron: SZW, financiële administratie

In tabel 2.1.2.6 zijn de uitgaven in het SZA-kader (zie tabel 2.1.2.1) afgezet tegen de ijklijn. Uit deze vergelijking blijkt dat voor 2012 sprake is van een overschrijding van de ijklijn met € 0,7 miljard. Deze overschrijding stijgt naar € 1,1 miljard in 2013 en neemt vervolgens af tot nul in 2015. De voornaamste oorzaak voor de overschrijding is te vinden in de hogere werkloosheidsuitgaven.

Compensatie tussen de afzonderlijke budgetdisciplinesectoren kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden indien het kabinet daartoe besluit.

Tabel 2.1.2.6 Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

Totale SZA-uitgaven

70,5

73,1

75,1

76,7

IJklijn SZA-uitgaven

69,8

72,0

74,4

76,7

Over / onderschrijding ijklijn SZA

0,7

1,1

0,7

0,0

Bron: SZW, financiële administratie

2.1.3 AANSLUITINGSTABELLEN
Aansluitingstabel uitgaven begroting 2012 naar begroting 2013
 

artnr.

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ontwerpbegroting 2012

 

31 066

31 398

31 679

32 167

32 634

 
               

Mutaties Voorjaarsnota (artikelnummering 2012)

             
               

Beleidsmatige mutaties

             

Herijking verdeelmodel UWV

Div.

42

35

11

30

40

 

Uitstel wetsvoorstel fraude

Div.

16

16

       

Masterplan kantoorhuisvesting

96

– 1

 

39

– 1

– 1

 

Compenserende kasschuif WW uitvoeringskosten

99

– 28

 

28

     

Eindejaarsmarge

99

26

         

Diversen

Div.

18

3

– 2

– 1

– 3

 
               

Uitvoeringsmutaties

             

BUIG

46

443

881

1 011

846

746

 

Wajong

46

– 26

– 27

– 26

– 26

– 26

 

Basisdienstverlening UWV

47

3

7

13

16

16

 

AIO

49

– 15

– 15

– 15

– 16

– 16

 

Toeslagenwet

49

18

24

24

16

9

 

Rijksbijdrage ouderdomsfonds

51

418

         

Kinderopvang

52

– 8

– 31

– 58

– 88

– 145

 

Loonbijstelling tranche 2012

99

40

38

37

36

36

 

Diverse overige mutaties

Div.

24

18

13

14

12

 
               

Totaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletoire

 

32 036

32 347

32 754

32 993

33 302

 
               

Mutaties Miljoenennota (artikelnummering 2013)

 

– 37

– 2 122

– 1 302

– 823

– 1 136

 
               

Beleidsmatige mutaties

             

BUIG terugdraaien werken naar vermogen

2

 

– 36

– 153

– 220

– 289

 

BUIG doorwerking AOW leeftijdverhoging

2

 

11

20

30

49

 

BUIG terugdraaien huishoudinkomenstoets

2

27

54

54

54

54

 

BUIG niet invoeren verlenging IOW

2

 

1

3

4

5

 

BUIG deregulering UWV en SVB

2

 

1

–5

6

6

 

AIO doorwerking AOW leeftijdverhoging

2

 

– 2

– 3

– 3

– 5

 

Participatiebudg. terugdraaien werken naar vermogen

2

 

120

319

425

434

 

WSW terugdraaien werken naar vermogen

2

   

18

18

18

 

Herstructureringsfac. terugdraaien werken naar vermogen

2

 

– 60

– 120

– 60

– 50

 

TW terugdraaien werken naar vermogen

2

   

– 24

– 20

– 17

 

Wajong terugdraaien werken naar vermogen

4

 

38

281

372

460

 

Wajong doorwerking AOW leeftijdverhoging

4

 

7

15

25

40

 

Re-int. Wajong terugdraaien werken naar vermogen

4

 

15

46

61

76

 

Niet invoeren verlenging IOW

5

 

– 2

4

5

6

 

MKOB uniformering loonbegrip

8

 

– 197

– 203

– 209

– 214

 

MKOB doorwerking AOW leeftijdverhoging

8

 

– 8

– 12

– 17

– 30

 

AKW en WKB besparingsverlies export uitkeringen

10

   

7

4

4

 

WKB koopkrachtpakket lenteakkoord

10

6

47

47

44

43

 

WKB doorwerking belasten reiskostenvergoeding

10

– 2

– 13

– 13

– 12

– 12

 

Uitvoeringskosten terugdraaien werken naar vermogen

11

 

– 39

38

57

54

 

Aanpak fraude

98

2

5

3

3

3

 

Terugdraaien werken naar vermogen

99

 

– 5

– 19

– 29

– 27

 

Diverse overige beleidsmatige mutaties

Div.

3

3

3

2

1

 
               

Uitvoeringsmutaties

             

BUIG ontwikkeling werkloosheid

2

– 51

– 81

22

131

85

 

BUIG nominale ontwikkeling

2

21

23

21

20

18

 

BUIG uitvoeringsmutaties

2

– 3

– 2

29

42

22

 

Bijstand zelfstandigen uitvoeringsmutaties

2

– 13

– 31

– 33

– 33

– 33

 

IAU/MAU beëindiging rijksbijdrage regeling

2

   

– 9

– 9

– 9

 

IAU/MAU uitvoeringsmutaties

2

9

         

Werkgeverslasten 2012 WSW

2

17

16

14

13

13

 

TW nominale ontwikkeling

2

6

6

6

6

6

 

TW uitvoeringsmutaties

2

6

6

6

6

6

 

TW ontwikkeling werkloosheid

2

 

– 2

– 3

– 3

– 2

 

Kasschuif bevordering arbeidsparticipatie

2

 

– 7

 

7

   

Wajong nominale ontwikkeling

4

32

41

44

52

56

 

Wajong uitvoeringsmutaties

4

– 3

34

25

14

   

Wajong kasschuif

4

200

– 200

       

Re-integratie Wajong uitvoeringsmutaties

4

– 25

– 32

– 31

– 31

– 31

 

Van GF deel KOT tbv belastingdienst

7

 

40

40

40

40

 

KOT Uitvoeringsmutaties

7

– 140

– 95

– 40

     

Loon-prijsbijstelling MKOB

8

19

         

Nominale ontwikkeling AKW

10

24

68

67

67

67

 

WKB uitvoeringsmutaties

10

3

34

25

14

   

TOG en kopje TOG uitvoeringsmutaties

10

– 11

– 14

– 17

– 17

– 18

 

Werkgeverslasten 2012 WSW

11

2

2

2

2

2

 

Prijsbijstelling UWV

11

– 3

         

Herschikking uitvoeringskosten UWV

11

– 4

         

Rijksbijdragen uitvoeringsmutaties

12

1

– 368

– 232

– 112

– 356

 

BIKK AOW/ANW uirvoeringsmutaties

12

– 3

– 1 691

– 1 757

– 1 790

– 1 843

 

Kasschuiven apparaatsuitgaven

96

– 8

3

3

2

   

Diverse uitvoeringsmutaties overig beleid

98

– 3

         

Prijsbijstelling

99

18

17

16

16

16

 

Nominale ontwikkeling

99

21

22

21

21

21

 

Uitboeken taakstelling MEV-problematiek

99

 

234

234

234

234

 

Compensatie uitdeling werkgeverslasten 2012

99

– 27

– 25

– 23

– 22

– 21

 

Uitdelen prijsbijstelling ZBO’s

99

– 13

         

Uitdelen Eindejaarsmarge

99

– 8

         

Diverse uitvoeringsmutaties

99

– 72

         

Diverse overboekingen met andere ministeries

Div.

– 4

         

Diverse overige mutaties en afrondingen

Div.

– 5

 

– 2

– 2

– 3

 
               

Ontwerpbegroting 2013

 

31 999

30 225

31 452

32 170

32 166

32 258

Aansluitingstabel ontvangsten begroting 2012 naar begroting 2013
 

artnr.

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ontwerpbegroting 2012

 

1 848

1 708

1 635

1 656

1 676

 
               

Mutaties Voorjaarsnota (artikelnummering 2012)

             

Ramingsbijstelling KOT

52

47

5

– 13

– 45

– 60

 

Desaldering apparaatuitgaven

96

8

         

Desaldering positief saldo IWI

98

3

         

Diverse overige mutaties

Div.

– 2

– 2

– 1

     
               

Totaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletoire

 

1 904

1 711

1 621

1 611

1 616

 
               

Mutaties Miljoenennota (artikelnummering 2013)

 

188

47

19

13

13

 
               

Diverse restituties

2

115

         

Participatiebudget OCW

2

1

         

Restituties op afrekeningen

7

3

         

Bijstelling Wet Kindgebonden Budget

10

67

39

19

13

13

 

Ontvangsten facilitaire dienstverlening

96

1

         

Ontvangst positief resultaat IWI

96

 

8

       

Diverse overige mutaties

Div.

1

   

1

   
               

Ontwerpbegroting 2013

 

2 092

1 758

1 640

1 625

1 629

1 629

2.1.4 MEERJARENPLANNING BELEIDSDOORLICHTINGEN

Artikel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Arbeidsmarkt1)

X

 

X

       
               

2. Bijstand, TW en WSW

           

X

               

3. Arbeidsongeschiktheid

X

       

X

 
               

4. Jonggehandicapten

           

X

               

5. Werkloosheid

     

X

     
               

6. Ziekte en zwangerschap

         

X

 
               

7. Kinderopvang

     

X

     
               

8. Oudedagsvoorziening 2)

 

X

       

X

               

9. Nabestaanden

 

X

         
               

10. Tegemoetkoming ouders

   

X

       
               

11. Uitvoeringskosten

       

X

   
               

12. Rijksbijdragen 3)

             
               

Overig 4)

X

           

1) De beleidsdoorlichting in 2011 betreft een deel van het artikel (Gezond en Veilig werken), omdat de doorlichting nog op de artikelindeling van de begroting 2012 is gebaseerd. Deze beleidsdoorlichting zal bij de doorlichting in 2013 worden betrokken.

2) De beleidsdoorlichting in 2012 betreft een deel van het artikel (Pensioenbeleid), omdat de doorlichting nog op de artikelindeling van de begroting 2012 is gebaseerd.

3) Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel, hierop wordt geen beleid gevoerd. Dit artikel wordt daarom niet via een beleidsdoorlichting geëvalueerd.

4) In 2011 hebben tevens twee beleidsdoorlichtingen plaatsgevonden naar respectievelijk artikel 41 (Inkomensbeleid) en artikel 42 (Arbeidsmarktbeleid) van de oude begrotingsindeling. Bij de huidige begrotingsindeling vallen deze beleidsterreinen onder de beleidsagenda.

2.2: BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid bevordert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden.

De overheid bevordert een adequaat wettelijk kader voor het functioneren van de arbeidsmarkt, door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden, met in achtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit, en het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken (waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW));

  • Arbeidsverhoudingen (waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR));

  • Arbeidsrechtelijke bescherming (waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi));

  • Toelating van arbeidsmigranten (waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav)).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving en het onderhoud van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van het bruto WML en het maximum dagloon;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het creëren en in stand houden van fiscale prikkels om (meer en langer) te gaan werken;

  • Zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt.

De minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • Minimumloon:

    Het kabinet heeft aangekondigd de reikwijdte van de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag uit te breiden om schijnconstructies via opdrachtovereenkomsten uit te bannen. Het minimumloon wordt van toepassing op iedereen die feitelijk arbeid verricht voor een ander. Het wetsvoorstel terzake wordt in het najaar aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • Stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming:

    Voor het goed functioneren van het stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming is een breed draagvlak essentieel met voldoende ruimte voor maatwerk en flexibiliteit. Na ontvangst van het te verwachten SER-advies over het draagvlak voor cao’s zal het kabinet haar standpunt daarover bepalen.

  • Herziening Wet arbeid vreemdelingen:

    Herzien en aanscherpen van deze wet per 1 januari 2013. De wetswijziging maakt aanscherping van de uitvoering en handhaving mogelijk. Daarnaast is de aanpassing noodzakelijk in verband met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in bedrijven.

  • Aanpassing ontslagstelsel, vitaliteitspakket en Arbo 2020:

    Mede op basis van uitkomsten van de beleidsdoorlichting artikel 443, afgerond in 2012, is een visie op het stelsel van gezond en veilig werken ontwikkeld (Arbo 2020) en aan de Tweede Kamer gestuurd. Voor de aanpassing van het ontslagstelsel, het vitaliteitspakket en Arbo 2020 wordt verwezen naar de beleidsagenda.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

19 982

24 182

23 477

21 837

22 824

22 824

Uitgaven

19 035

19 920

24 272

23 477

21 837

22 824

22 824

waarvan juridisch verplicht (%)

   

21%

       
               

Subsidies

5 955

5 236

5 831

5 736

4 490

5 039

5 039

Subsidies

5 955

5 236

5 831

5 736

4 490

5 039

5 039

               

Opdrachten

7 078

8 624

13 235

12 585

12 191

12 679

12 679

Opdrachten

7 078

8 624

13 235

12 585

12 191

12 679

12 679

               

Bekostiging

208

203

203

203

203

203

203

Bekostiging

208

203

203

203

203

203

203

               

Bijdrage aan andere begrotingen

5 794

5 857

5 003

4 953

4 953

4 903

4 903

Bijdrage aan andere begrotingen

5 794

5 857

5 003

4 953

4 953

4 903

4 903

               

Ontvangsten

28 896

29 927

37 755

39 039

38 830

42 799

43 191

A. Subsidies en opdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Door middel van het verstrekken van diverse subsidies ondersteunt de minister initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, duurzame inzetbaarheid en goede arbeidsverhoudingen.

Voor het project Arbeidsveiligheid/Arbo 2020 is € 2 miljoen gereserveerd. Het aantal initiatieven voor zelfregulering in branches en sectoren wordt versterkt en uitgebreid.

Voor het project duurzame inzetbaarheid is € 2 miljoen gereserveerd. Bedrijven en organisaties die nu al aantoonbaar werk maken van duurzame inzetbaarheid vervullen een belangrijke voorbeeldfunctie. MKB- en andere bedrijven en organisaties, die willen werken aan scholing, gezondheid en mobiliteit worden vanuit het project in verbinding gebracht met relevante kennis en ervaring, zodat ze vervolgens zelf aan de slag kunnen. De bewustwording van MKB-ondernemers ten aanzien van hun belang en rol bij duurzame inzetbaarheid wordt vergroot met het project «Elke dag beter». Deze aanpak wordt ondersteund met een communicatiecampagne gericht op werkgevers en werknemers.

In het actieplan Gezond Bedrijf worden activiteiten uitgevoerd om de gezondheid van werkenden te bevorderen. Het actieplan richt zich op alle werkenden, met een accent op laagopgeleiden en chronisch zieken en op de onderwerpen psychische en fysieke (over)belasting, zelfredzaamheid en het stimuleren van bewegen (leefstijl).

De subsidieregeling Kwaliteit Arbeidsverhoudingen betreft een structurele regeling (€ 0,3 miljoen) die tot doel heeft projecten te ondersteunen die de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen in Nederland verbeteren. Met de regeling worden, in de regel op basis van medefinanciering van minimaal 50%, eenmalige innovatieve projecten gesubsidieerd.

De meerjarige reeks van de subsidiebudgetten neemt af. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat subsidies om gezonde en veilige werkomstandigheden te bevorderen in 2013 en verder teruglopen. Het budget voor opdrachten is bestemd voor onderzoek en voorlichting. Een belangrijke onderdeel hiervan (circa € 3,5 miljoen) is de jaarlijkse opdrachtverlening aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor het programma gezond en veilig werken.

B. Bekostiging

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Gelijke Behandeling.

C. Bijdrage aan andere begrotingen

De bijdragen aan andere begrotingen bestaan uit een bijdrage aan het ministerie van EL&I (€ 3,7 miljoen) ten behoeve van het Maatschappelijk Programma Arbeidsomstandigheden dat door TNO wordt uitgevoerd. Daarnaast wordt een bedrag van € 0,95 miljoen aan het ministerie van VWS verstrekt als bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad en een bedrag van € 0,25 miljoen aan het ministerie van EL&I voor de financiering van het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

D. Ontvangsten

De Inspectie SZW houdt onder andere toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Warenwet. De Inspectie SZW kan aan een natuurlijk- en/of een rechtspersoon een bestuurlijke boete opleggen als deze een of meer van voornoemde wetten overtreedt. Voor de Inspectie SZW is er een inspanningsverplichting om de geraamde boeteopbrengsten te realiseren.

Met het aanscherpen van het fraudebeleid in de vorm van een verhoging van de boetebedragen zijn ook de geraamde boeteopbrengsten verhoogd.

Gezond en veilig werken

Kerncijfers

Het percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg is met 10% gedaald van 3,2% in 2010 naar 2,9% in 2011. Het percentage ziekteverzuim is, evenals het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen, al enkele jaren stabiel.

De naleving zorgplicht Arbowet geeft een beeld van de naleving van de Arbowet op de werkvloer en is gebaseerd op de zorgplicht van de werkgever zoals vermeld in artikel 3 van de wet.

Tabel 1.2 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Percentage arbeidsongevallen onder werknemers dat verzuim tot gevolg heeft 1)

3,1

3,2

2,9

Percentage ziekteverzuim 2)

4,1

4,2

4,2

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen 3)

3

1

2

Naleving zorgplicht Arbowet (%) 4)

72

73

Bronnen:

1) TNO/CBS, Nationale enquête arbeidsomstandigheden

2) CBS, Kwartaal enquête ziekteverzuim

3) Inspectie SZW administratie

4) SZW berekening op basis van informatie van Inspectie SZW. Gegevens over 2009 zijn niet beschikbaar.

Arbeidsverhoudingen en voorwaarden

Het bruto WML voor personen van 23 jaar en ouder bedraagt per 1 juli 2012 € 1 456,20 per maand. De bruto minimum vakantiebijslag bedraagt 8% van het bruto WML. Het WML wordt in 2013 conform de geldende systematiek twee maal per jaar geïndexeerd.

Het (bruto) maximum dagloon bedraagt per 1 juli 2012 € 193,09 (inclusief vakantiebijslag) en volgt dezelfde indexering.

Het gebruik van de instrumenten van cao en avv varieert door de jaren heen. Mede door de onzekere economische verwachtingen is de laatste jaren een lager aantal cao’s afgesloten. Het aantal tewerkstellingsvergunningen is onder andere afhankelijk van de krapte op de arbeidsmarkt.

Tabel 1.3 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en voorwaarden
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal werknemers onder cao 1)

6 149 500

6 372 100

6 128 500

– waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s 2)

5 294 000

5 528 300

5 400 000

– waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring2)

855 500

843 800

728 500

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv)2)

13 678

13 759

11 972

Bronnen:

1) SZW, voorjaarsrapportage cao-afspraken

2) UWV, Jaarverslag

Handhaving

De inzet van de Inspectie SZW op arbeidsomstandigheden is gericht op gezond en veilig werken. Het toezicht vindt risicogericht plaats in (delen van) bedrijfstakken waar de arbeidsuitval hoger en naleving van wet- en regelgeving slechter is.

De Inspectie SZW pakt in het domein arbeidsmarkt illegale arbeid, onderbetaling, pseudo-zzp’ers en misbruik van de notificatieregeling aan om zo verdringing op de arbeidsmarkt en oneerlijke concurrentie te bestrijden. Insteek is het verbeteren van de naleving in bedrijfstakken waar werkgevers de Wav, de WML en de Waadi meer dan gemiddeld overtreden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen bedrijfstakgerichte aandachtsgebieden, interventieteams en overstijgende thema’s.

In de doelstelling 2013 van de Inspectie SZW zijn de gevolgen van de voorgenomen aanscherping van het fraudebeleid per 1 januari 2013 nog niet meegenomen. Dit kan nog leiden tot wijziging van de productiedoelstelling zoals opgenomen in tabel 1.4.

Tabel 1.4 Kerncijfers handhaving
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Aantal inspecties en onderzoeken arbeidsomstandigheden door Inspectie SZW

14 638

15 600

15 600

Aantal inspecties en onderzoeken binnen bedrijven die vallen onder het besluit risico’s en zware ongevallen 1999

477

476

476

Aantal inspecties Wav/WML door Inspectie SZW

9 225

8 340

8 340

Percentage inspecties waarbij overtreding Wav en/of WML is vastgesteld

17%

17%

17%

Bron: Inspectie SZW administratie

Vitaliteitspakket

Budgettair belang buiten de begroting

Om duurzame inzetbaarheid te vergroten en te zorgen dat minder mensen langs de kant blijven staan bevat het vitaliteitspakket middelen ten behoeve van mobiliteit en loopbaanfaciliteiten (zie de beleidsagenda).

  • Mobiliteit:

    Het onderdeel mobiliteit bestaat vanaf 2013 uit mobiliteitsbonussen voor het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten en uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar.

    Tot en met 2012 is in de reeks «mobiliteit» de huidige premiekorting oudere uitkeringsgerechtigden en de huidige premiekorting arbeidsgehandicapten opgenomen. De stijging van de uitgaven na 2012 wordt voor een deel veroorzaakt doordat de mobiliteitsbonussen hoger zijn dan de premiekortingen. Daarnaast is sprake van een conjunctuureffect, in economisch goede tijden worden meer uitkeringsgerechtigden aangenomen.

  • Loopbaanfaciliteiten:

    Om investeringen in duurzame inzetbaarheid over de loopbaan te stimuleren bevat het vitaliteitspakket loopbaanfaciliteiten. Vitaliteitssparen maakt het voor werkenden aantrekkelijk om te sparen voor perioden van inkomensachteruitgang. Daarnaast bevat het vitaliteitspakket een overgangsregeling voor de levensloopregeling. Ook wordt de drempel voor de fiscale aftrek van scholingsuitgaven verlaagd. Tot slot worden sociale partners gecompenseerd voor een extra inzet op het introduceren van een «Van-Werk-Naar-Werk»-budget en intersectorale scholing.

Premievrijstellling oudere werknemers en premiekorting 62+

De premievrijstelling oudere werknemers wordt vanaf 2009 langzaam afgebouwd en is vervangen door een premiekortingsregeling. De premiekortingsregeling voor oudere uitkeringsgerechtigden is onderdeel van het vitaliteitspakket. De premiekorting 62+ wordt in 2013 afgeschaft.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Om de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten te bevorderen mag de stap naar ondernemerschap niet fiscaal belemmerd worden. Door handicap of ziekte kunnen gedeeltelijk arbeidsongeschikten veelal niet voldoen aan het gebruikelijke urencriterium dat geldt voor de startersaftrek. Daarom kunnen zij in de eerste drie jaren van hun onderneming een beroep doen op de regeling «startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid», waarbij een verlaagd urencriterium geldt.

Tabel 1.5 Fiscale uitgaven (lopende prijzen x € 1 mln)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Vitaliteit: Mobiliteit

197

196

333

415

497

577

655

Vitaliteit: Loopbaanfaciliteiten

160

490

490

490

490

490

490

Premievrijstelling oudere werknemers

652

439

277

154

50

0

0

Premiekorting 62+

275

301

0

0

0

0

0

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

Afdrachtsvermindering onderwijs

389

395

396

409

414

423

436

Ouderschapsverlofkorting

86

87

88

90

91

92

94

Bron: Ministerie van Fianciën, Belastingdienst

Artikel

2. Bijstand, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat echt nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is, en dat hen anderzijds prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door re-integratie-ondersteuning te bieden. Ook faciliteert de overheid via de sociale werkvoorziening de arbeidsparticipatie van mensen die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er in de vormgeving naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland – waar nodig – re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van het sociale minimum en de algemene bijstandniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening vanuit de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz;

  • Het houden van systeemtoezicht;

  • Het verdelen van een taakstellend aantal Wsw-arbeidsplaatsen en bijbehorende middelen onder gemeenten voor de uitvoering van de Wsw en het bevorderen van uitstroom naar werk;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de Wet participatiebudget;

  • Het terugvorderen van onrechtmatig bestede middelen van het participatiebudget en het terugvorderen van middelen van niet gerealiseerde plekken in de Wsw;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, Bijstand Buitenland) en het UWV (Toeslagenwet);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet participatiebudget, de Wsw en aan genoemde wetten verwante wetten en voorzieningen. Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen de uitvoering plaatsvindt.

Voor alle gemeenten samen wordt een toereikend macrobudget vastgesteld om de WWB-uitkeringen te betalen. Dit budget wordt, evenals het participatiebudget en het WSW-budget, zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren over de gemeenten verdeeld.

Het Rijk houdt systeemtoezicht. Bij ernstige tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering van de WWB kan het Rijk aanwijzingen geven aan gemeenten over de uitvoering van de WWB of ingrijpen in de uitvoeringsorganisatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving door personen die een beroep doen op deze wetten.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • Aanscherping fraudebeleid:

    Hiervoor wordt verwezen naar de beleidsagenda.

  • Wijziging verdeelsystematiek inkomensdeel WWB:

    Er wordt naar gestreefd met ingang van 2014 de verdeelsystematiek van het inkomensdeel van de WWB aan te passen. Het jaar 2013 staat in het teken van de uitwerking van varianten voor deze verdeling. In het onderzoek wordt gekeken naar verbetering van het huidige model en naar alternatieve verdeelmogelijkheden. Dit gebeurt door externe partijen onder leiding van een breed samengestelde begeleidingscommissie. Volgens planning wordt in september 2013 de voorlopige budgetverdeling voor 2014 bekendgemaakt op basis van de aangepaste verdeelsystematiek.

  • Normering ontvangsten Bbz:

    Om de selectiviteit bij het verstrekken van kredieten aan starters en gevestigden en het beheer van de door gemeenten verleende kredieten te verbeteren, heeft het kabinet besloten de gemeenten te stimuleren om kredieten vooral toe te kennen aan kansrijke starters en aan gevestigden met levensvatbaar perspectief en om het kredietbeheer stringenter toe te passen. Daartoe worden de door gemeenten uit de kredietverlening voortvloeiende ontvangsten genormeerd. Deze normering is in opzet voor het Rijk budgetneutraal. De gemeenten tezamen hebben voordeel van deze stimulans.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 2.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

8 990 606

9 229 406

9 311 565

9 348 871

9 209 596

9 058 229

Uitgaven

8 980 959

9 075 068

9 230 038

9 311 517

9 348 871

9 209 596

9 058 229

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97%

       
               

Inkomensoverdrachten

8 975 372

9 049 500

9 207 309

9 285 434

9 329 320

9 187 784

9 036 417

Bundeling Uitkeringen

4 135 456

4 964 792

5 281 817

5 483 560

5 525 799

5 389 696

5 245 430

Inkomensvoorzieningen

             

Gemeenten (BUIG)

             

Bijstand Zelfstandigen

145 835

95 696

67 528

64 431

64 441

64 451

64 451

Participatiebudget

1 698 565

994 185

861 143

736 443

736 443

736 443

736 443

WSW

2 344 000

2 374 053

2 375 610

2 373 847

2 372 983

2 372 800

2 372 672

TW

425 875

405 096

396 786

392 417

384 379

371 282

357 962

AIO

222 916

212 987

221 633

231 894

242 380

250 154

256 437

Bijstand buitenland

1 657

1 704

1 600

1 600

1 600

1 600

1 600

Uitkeringslasten onderstand

819

801

932

982

1 035

1 098

1 162

(Caribisch Nederland)

             

Re-integratie (Caribisch Nederland)

249

160

260

260

260

260

260

               

Opdrachten

5 283

25 264

22 425

25 779

19 247

21 508

21 508

Opdrachten

5 283

25 264

22 425

25 779

19 247

21 508

21 508

               

Bekostiging

304

304

304

304

304

304

304

Bekostiging

304

304

304

304

304

304

304

               

Ontvangsten

1 051 200

333 065

127 483

53 783

53 783

53 783

53 783

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten (BUIG)

Met de Wet BUIG zijn vanaf 2010 de bijdragen aan gemeenten voor de uitvoering van de WWB (inkomensdeel), IOAW, IOAZ, Bbz (alleen het onderdeel tijdelijke uitkeringen levensonderhoud voor startende ondernemers; de overige Bbz-onderdelen worden onder A2 toegelicht) en de WWIK (per 2012 ingetrokken) samengevoegd. Hierdoor ontvangen gemeenten één budget voor de bekostiging van uitkeringen op grond van de genoemde wetten. Voor 2013 wordt het macrobudget geraamd op € 5 273 miljoen. Hiervan wordt een bedrag van € 288  miljoen gereserveerd voor de in 2013 uit te keren incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU/MAU) over het jaar 2011. Voor de uit te keren incidentele aanvullende uitkeringen is daarnaast buiten het macrobudget om in 2013 een aanvullend bedrag van € 9 miljoen beschikbaar. Dit laatste bedrag is in tabel 2.2 opgenomen in de reeks WWB-inkomensdeel. De IAU en de MAU betreffen incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen onder voorwaarden voor gemeenten die tekort komen op hun inkomensdeel WWB. De wetten worden hierna afzonderlijk toegelicht.

Tabel 2.2 Extracomptabel overzicht BUIG (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

BUIG

4 135 456

4 964 792

5 281 817

5 483 560

5 525 799

5 389 696

5 245 430

WWB-inkomensdeel

3 902 844

4 770 135

5 082 719

5 268 884

5 300 947

5 160 720

5 012 074

IOAW

145 648

143 199

147 140

162 317

171 993

175 317

178 696

IOAZ

23 469

22 932

23 433

23 833

24 333

25 133

26 134

Bbz-levensonderhoud (startende ondernemers)

29 373

28 526

28 526

28 526

28 526

28 526

28 526

WWIK

34 122

0

0

0

0

0

0

Bron: SZW administratie

Wet werk en bijstand (WWB)

De WWB voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. De WWB bestaat uit een inkomensdeel en een werkdeel. Het inkomensdeel maakt onderdeel uit van het gebundelde budget BUIG (zie tabel 2.2). Hieruit worden de bijstanduitkeringen betaald. Het werkdeel maakt onderdeel uit van het Participatiebudget (zie tabel 2.10). Hieruit wordt de re-integratieondersteuning betaald.

Wie komen ervoor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

In tabel 2.3 worden de (netto) bijstandsnormen exclusief vakantietoeslag per 1 juli 2012 vermeld.

Tabel 2.3 Bijstandsnormen per 1 juli 2012

Gehuwd / samenwonend

€ 1 270,03

Alleenstaande ouder

€ 889,02

Alleenstaande

€ 635,02

Bron: SZW

Budgettaire ontwikkelingen

De stijging van het budget van het inkomensdeel van de WWB van 2012 op 2013 hangt enerzijds samen met de verwachte verdere oploop van de werkloosheid en anderzijds met de gevolgen van kabinetsbeleid. In de jaren na 2013 wordt de budgettaire ontwikkeling gedomineerd door de verwachte conjuncturele ontwikkeling.

Door de vermindering van de re-integratiemiddelen vanaf het begrotingsjaar 2012 met € 400 miljoen wordt in 2013 minder uitstroom uit de WWB en daardoor € 100 miljoen meer uitkeringslasten WWB verwacht. De voorgenomen aanscherping van het fraudebeleid leidt tot een besparing op het WWB-inkomensdeel van € 40 miljoen in 2013. In 2014 wordt het structurele niveau van € 52 miljoen bereikt. De verhoging van de AOW-leeftijd in 2013 met 1 maand leidt tot € 8 miljoen extra uitkeringslasten WWB. In de jaren daarna nemen de extra kosten toe vanwege de verdere verhoging van de AOW-leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.4 Kerncijfers WWB
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume WWB (x 1 000 huishoudens)

315

333

358

– waarvan verblijfsduur < 1 jaar

76

   

– waarvan verblijfsduur 1–5 jaar

123

   

– waarvan verblijfsduur > 5 jaar

117

   

Instroom WWB (x1 000)

122

nvt

nvt

Uitstroom WWB (x1 000)

110

nvt

nvt

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

Handhaving

Zowel het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling als het benadelingbedrag zijn in 2011 toegenomen. De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door het vaker constateren van verzwegen inkomsten uit werk en vermogen en een onjuiste opgave van de woonsituatie.

Tabel 2.5 Kerncijfers WWB (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1 000)

10,1

11,1

12,6

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

55

53

67

Bron: SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Vermogen, zoals een eigen huis of spaargeld, blijft buiten beschouwing. Werkloze ouderen, die vaak spaargeld en/of vermogen in een eigen huis hebben, hoeven hierdoor geen beroep te doen op de WWB en dus ook hun eigen vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige omdat de inkomsten daaruit onvoldoende zijn. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt ervoor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden 50 jaar zijn, die recht hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden ten aanzien van het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

Tabel 2.6 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand per 1 juli 2012, exclusief vakantiegeld

Gehuwd / samenwonend

€ 1 430,50

Alleenstaande ouder

€ 1 383,87

Alleenstaande

€ 1 098,41

Bron: SZW

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven nemen de komende jaren toe als gevolg van de verwachte oploop van de werkloosheid. Bovendien zorgt de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd voor een oploop van de uitgaven aan zowel IOAW als IOAZ.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.7 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume IOAW (x 1 000 huishoudens)

10

10

10

Volume IOAZ (x 1 000 huishoudens)

1

1

1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

A2. Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen – onder voorwaarden – voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskapitaal (starters en gevestigden).

Wie komt ervoor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen, die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 2.3) als aanvulling voor levensonderhoud. De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskapitaal wordt in tabel 2.8 vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast aan de mutatie van het prijsindexcijfer.

Tabel 2.8 Bbz-normen kredietverlening 1 januari 2012

Startende zelfstandige

€ 34 134

Gevestigde zelfstandige

€ 185 402

Bron: SZW

Budgettaire ontwikkelingen

De kosten van tijdelijke uitkeringen voor levensonderhoud van startende ondernemers (ca. € 29 miljoen structureel) maken onderdeel uit van het gebundelde budget BUIG (zie tabel 2.2).

Voor de verstrekking van bedrijfskapitaal en de kosten van levensonderhoud voor gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een aparte specifieke uitkering Bbz (zie tabel 2.1). Deze uitgaven maken geen onderdeel uit van het gebundelde budget BUIG. De uitgavenraming voor de niet-gebundelde uitgaven bedragen in 2013 ca. € 68 miljoen. Dit is een daling ten opzichte van eerdere jaren, die wordt veroorzaakt door gemiddeld lagere kredietverlening dan in eerdere jaren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.9 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume Bbz (x 1 000 huishoudens)

4

4

4

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

A3. Participatiebudget

In het Participatiebudget zijn het re-integratiebudget (SZW), het budget voor inburgering (BZK) en het budget voor volwasseneneducatie (OCW) samengevoegd. Het Participatiebudget wordt jaarlijks volgens een objectieve verdeelsystematiek over de gemeenten verdeeld.

Tabel 2.10 Extracomptabel overzicht Participatiebudget (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Participatiebudget

1 698 565

994 185

861 143

736 443

736 443

736 443

736 443

Re-integratie

1 335 901

722 576

734 160

683 160

683 160

683 160

683 160

BZK

246 813

160 005

73 700

0

0

0

0

OCW

115 851

111 604

53 283

53 283

53 283

53 283

53 283

Bron: SZW admiistratie

Wie komt ervoor in aanmerking?

De gemeenten hebben van de wetgever een grote beleidsvrijheid gekregen ten aanzien van de keuze hoe en aan wie de middelen uit het Participatiebudget worden besteed. Gemeenten leggen dit in een gemeentelijke verordening vast.

Budgettaire ontwikkelingen

De afname van de uitgaven van 2012 op 2013 is het gevolg van eerdere kortingen op zowel de middelen voor re-integratie als die voor inburgering en volwasseneneducatie.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.11 Kerncijfers re-integratie
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Trajecten beëindigd in verslagperiode ((x 1 000)1)

78

96

108

Trajecten lopend aan einde verslagperiode (x1 000)1)

236

248

228

Aantal door bijstandsontvangers/niet-uitkeringsgerechtigden gestarte banen na re-integratie 2)

54

69

73

Bronnen:

1) CBS, Statistiek re-integratie gemeenten

2) «Aan het werk met re-integratieondersteuning, viermeting uitstroom naar werk»

A4. Wet sociale werkvoorziening (Wsw)

De Wsw heeft tot doel het scheppen van aangepaste werkgelegenheid voor personen die wel graag willen werken, maar dit niet onder normale arbeidsomstandigheden kunnen doen. De Wsw biedt zowel de mogelijkheid tot werken in een beschutte omgeving als tot begeleid werken bij reguliere werkgevers.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn en hiervoor een Wsw indicatie hebben gekregen. Verder moeten zij jonger zijn dan de leeftijd waarop zij recht hebben op AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven bestaan uit een budget van € 2 355 miljoen voor het realiseren van aangepaste arbeid voor personen uit de doelgroep welke past bij hun capaciteiten en mogelijkheden. Dit is de zogenaamde landelijke taakstelling, die wordt uitgedrukt in arbeidsjaren (voltijd Wsw-werkplekken). De landelijke taakstelling voor het jaar 2013 bedraagt afgerond 90 804 arbeidsjaren en is ongewijzigd. Daarnaast wordt conform afspraak met de sociale partners € 2,8 miljoen van de bijdrage aan de SW-sector bestemd voor de Stichting Beheer Collectieve Middelen en is er een bedrag beschikbaar voor de Stimuleringsuitkering Begeleid Werken (€ 18 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.12 Kerncijfers Wsw
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Werknemersbestand (aantal personen x 1 000 per ultimo)

102,2

102,8

102,0

Wachtlijst (aantal personen x 1 000 per ultimo)

18,7

21,7

21,2

Gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst ultimo kalenderjaar (maanden)

14,7

15,3

18,4

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

25

25

25

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

5

6

6,1

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

A5. Toeslagenwet

De Toeslagenwet (TW) vult uitkeringen aan tot het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (excl. TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (WAMIL), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar niet meer loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag.

Het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde mag hoger zijn dan het voor hem geldende sociaal minimum. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • een alleenstaande ouder met een inkomen dat lager is dan 90% van het bruto minimumloon;

  • een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het bruto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering aan tot het (netto) normbedrag. De hoogte van de toeslag is het verschil tussen het normbedrag en het inkomen zonder toeslag.

Tabel 2.13 Normbedragen TW per 1 juli 2012 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag

Gehuwd / samenwonend

€ 1 456,20

Alleenstaande ouder

€ 1 368,29

Alleenstaande van 23 jaar en ouder

€ 1 098,59

Bron: SZW

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven worden vooral bepaald door volumeontwikkelingen in de moederwetten. De TW-uitgaven dalen in 2013 ten opzichte van 2012 en blijven ook in de jaren daarna dalen. Dit is voornamelijk het gevolg van de geleidelijke afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon. Hierdoor stijgt het sociale minimum minder snel en is minder aanvulling vanuit de TW nodig.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.14 Kerncijfers TW
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1 000 uitkeringsjaren)

185

178

175

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

2 298

2 275

2 265

Bron: UWV, jaarverslag

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het benadelingbedrag is in 2011 gedaald doordat in 2010 extra aandacht is besteed aan communicatie over regels rondom een TW-uitkering.

Tabel 2.15 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1 000)

2,4

3,1

2,3

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

8,4

9,3

5,2

Bron: UWV, jaarverslag

A6. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op bijstand. Deze bijstand heet Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) en kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot het sociaal minimum voor AOW-gerechtigden. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en het vermogen.

Tabel 2.16 AIO netto maandbedragen (maximaal) per 1 juli 2012, exclusief vakantiegeld

Gehuwden / samenwonend

€ 1 342,47

Alleenstaande

€ 975,33

Bron: SZW

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van deze regeling laten een stijgende lijn zien. Dit hangt samen met de toename van het aantal AOW-gerechtigden (zie ook de toelichting bij de AOW, beleidsartikel 8). De stijging van de uitkeringslasten wordt afgevlakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.17 Kerncijfers AIO
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Jaarvolume AIO (ultimo, x 1 000 huishoudens)

41

43

46

Bron: SVB, jaarverslag

A7. Bijstand Buitenland

Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gevallen meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De budgettaire ontwikkelingen zijn weergegeven in tabel 2.1. Er zijn geen noemenswaardige ontwikkelingen ten aanzien van volume en daarmee van de uitgaven te verwachten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 2.18 Kerncijfers Bijstand Buitenland
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume bijstand buitenland (x 1 000 huishoudens)

< 0,5

< 0,5

< 0,5

Bron: SVB, jaarverslag

A8. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning op grond van de Onderstand en waar nodig re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De budgettaire ontwikkeling is weergegeven in tabel 2.1. De uitgavenstijging vanaf het jaar 2013 wordt verklaard door de onderliggende volumeontwikkeling. De uitkeringshoogte is aanpast aan de inflatie. De inflatie in 2011, bepalend voor de indexering van de bedragen in 2012, bedroeg 5,9% op Bonaire, 11,2% op Sint Eustatius en 6,6% op Saba. De uitkeringslasten dalen desondanks in 2012 als gevolg van nabetalingen die in 2011 hebben plaatsgevonden.

De re-integratiemiddelen voor Caribisch Nederland bedragen € 0,26 miljoen. Voor 2013 en latere jaren wordt bekeken of de beschikbare middelen met meerdere departementen gebundeld ter beschikking kunnen worden gesteld.

Tabel 2.19 Kerncijfers Caribisch Nederland
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1 000 huishoudens)

0,3

0,3

0,3

Bron: SZW-unit RCN

B. Opdrachten

Deze middelen zijn met name bestemd voor de uitfinanciering van de pilots WSW, bevorderen ondernemerschap en borgstellingsregeling vanuit de bbz, werkgeversaanpak Wajong en regionale werkgeversdienstverlening

C. Bekostiging

Een bedrag van ongeveer € 0,3 miljoen is gereserveerd als instellingssubsidie voor het Nibud ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van consumenten op het gebied van de huishoudfinanciën en financiële opvoeding.

D. Ontvangsten

De bijdragen van het ministerie van BZK en van het ministerie van OCW aan het Participatiebudget staan als ontvangsten op de begroting van SZW. 2013 is het laatste jaar dat BZK inburgeringmiddelen beschikbaar stelt. In tabel 2.10 zijn de bijdragen van OCW en BZK meerjarig zichtbaar gemaakt.

Artikel

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid verzekert werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen aan het werk te blijven of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Deze wet heeft de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vervangen en geldt voor mensen die op of na 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden.

Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WAO, WIA of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot dat sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel werknemers als werkgevers dat gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers aan het werk blijven of weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de gedeeltelijk arbeidsgeschikte.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters:

Het kabinet heeft een wetsvoorstel ingediend dat tot doel heeft om vangnetters, de (ex-) werkgevers en de uitvoerders te stimuleren om langdurig verzuim en instroom in de WIA terug te dringen7. Het wetsvoorstel is op 5 juli 2012 door de Tweede Kamer aangenomen. De beoogde invoeringsdatum van dit moderniseringspakket Ziektewet (ZW) is 1 januari 2013 (zie ook de beleidsagenda en beleidsartikel 6).

  • Tevens is het kabinet van plan om per 1 januari 2014 de werkgeverspremie voor vangnetters in de ZW en de WGA verdergaand te differentiëren.

  • Aanscherping fraudebeleid:

Hiervoor wordt verwezen naar de beleidsagenda.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

457

472

497

523

554

585

Uitgaven

402

457

472

497

523

554

585

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

402

457

472

497

523

554

585

Uitkeringslasten Ongevallenverzekering

402

457

472

497

523

554

585

(Caribisch Nederland)

             
               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

9 404 032

9 163 567

9 202 239

9 318 546

9 501 238

9 771 980

10 125 974

               

Inkomensoverdrachten

9 305 011

9 051 792

8 938 551

8 887 555

8 884 898

8 914 123

8 982 145

Uitkeringslasten IVA

631 000

805 199

1 000 358

1 209 652

1 426 832

1 690 369

1 991 809

Uitkeringslasten WGA

1 461 000

1 701 398

1 981 075

2 246 831

2 491 870

2 665 800

2 804 747

Uitkeringslasten WAO

6 930 000

6 296 844

5 741 565

5 242 279

4 800 363

4 413 009

4 054 393

Uitkeringslasten WAZ

283 011

248 351

215 553

188 793

165 833

144 945

131 196

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

99 021

111 775

101 698

101 781

101 781

101 781

101 796

Re-integratie WIA/WAO/WAZ

99 021

111 775

101 698

101 781

101 781

101 781

101 596

               

Nominaal

0

0

161 990

329 210

514 559

756 076

1 042 033

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland wordt in geval van een bedrijfsongeval een inkomensvoorziening geboden. De uitkering is hierbij gekoppeld aan het laatste loon van de werknemer.

De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling. De bijdrage in de uitvoeringskosten aan het RCN wordt verantwoord onder artikel 98.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Op basis van de Ongevallenverzekering krijgen werknemers die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, een uitkering (ongevallengeld).

Budgettaire ontwikkelingen

De relatief grote stijging van de uitkeringslasten 2012 ten opzichte van 2011 wordt verklaard door de aanpassing van de uitkeringshoogte aan de inflatie. De inflatie in 2011, bepalend voor de indexering van de bedragen in 2012, bedroeg 5,9% op Bonaire, 11,2% op Sint Eustatius en 6,6% op Saba.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1 000)

<0,1

<0,1

<0,1

Bron: SZW-unit RCN

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn, recht op een uitkering. In de WIA staat werk voorop; het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken, krijgt een uitkering op basis van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de WIA-uitkering?

De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het dagloon. Dit dagloon is gemaximeerd op een bedrag van € 193,09 (d.w.z. ca. € 4 200 per maand). Het recht op uitkering kan doorlopen tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de IVA-uitkering?

  • Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon. De uitkering bedraagt dus maximaal ca. € 3 150 bruto per maand.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Een arbeidsongeschikte met kansen op herstel komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventuele inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 38 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De arbeidsgeschikte wordt evenwel geacht te gaan of te blijven werken. Om hiertoe aan te zetten wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld tot 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanwege het feit dat de WIA eind 2005 in werking is getreden worden er meer uitkeringen toegekend dan dat er worden beëindigd. De uitkeringslasten WIA stijgen hierdoor in 2013 en latere jaren met ongeveer € 0,5 miljard per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Werknemers die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden als gevolg van ziekte of gebrek hebben recht op een WAO-uitkering. De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WIA geldt voor mensen die op of na 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. De WAO blijft gelden voor mensen die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontvingen en voor mensen die binnen vijf jaar na het beëindigen van de WAO-uitkering opnieuw arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden er nog slechts nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Werknemers die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden als gevolg van ziekte of gebrek.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon en maximaal € 3 150 bruto per maand bedraagt. De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

Omdat er meer uitkeringen worden beëindigd dan dat er nieuwe worden toegekend, laten de WAO-uitgaven een daling zien. De uitkeringslasten WAO dalen hierdoor met ca. € 0,5 miljard per jaar. Daarnaast heeft het afschaffen van de anticumulatiebaten WSW vanaf 2012 een daling van ongeveer € 150 miljoen op de uitgaven tot gevolg. Deze wijziging is puur technisch van aard, omdat deze afschaffing tevens leidt tot een daling van de WSW-ontvangsten met € 150 miljoen.

Tabel 3.4 Kerncijfers WAO+IVA+WGA
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

WAO + IVA + WGA

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x1 000)

582,3

571,0

567,3

– waarvan WAO

443,9

404,2

371,5

– waarvan IVA

36,0

44,9

55,4

– waarvan WGA

102,4

121,9

140,4

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

7,9

7,9

       

Instroom in uitkeringen (x1 000)

41,0

43,0

44,9

– waarvan WAO

3,1

2,2

1,9

– waarvan IVA

7,8

8,4

9,0

– waarvan WGA

30,1

32,5

34,0

Instroomkans (%)

0,58

0,60

0,62

       

Uitstroom uit uitkeringen (x1 000)

55,3

54,3

48,6

– waarvan WAO

45,5

41,9

34,6

– waarvan IVA

3,1

3,6

4,3

– waarvan WGA

6,7

8,8

9,7

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1 000)

3,2

4,2

5,8

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

9,4

9,4

8,5

       

WGA

     

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%)

49

Bron: UWV, jaarverslag

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen, evenals het benadelingbedrag, is bij de WAO, IVA en WGA in 2011 ten opzichte van 2010 toegenomen. Het UWV heeft in 2011 extra aandacht besteed aan de controle op de samenloop van uitkeringen.

Tabel 3.5 Kerncijfers WAO+IVA+WGA (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1 000)

2

1

2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

9

6

8

Bron: UWV, jaarverslag

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • hij heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag (per 1 juli 2012 € 1 092,15). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ blijft er enige instroom bestaan doordat er sprake is van herleving van uitkeringen, bijvoorbeeld wanneer een zelfstandige na herstel wederom met dezelfde klachten uitvalt. Het bereiken van de AOW- leeftijd is de voornaamste reden waarom de WAZ-uitkeringen eindigen. Omdat de uitstroom de instroom ruim overstijgt, vertonen de uitgaven een daling van ca. € 30 miljoen per jaar.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.6 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

26,0

22,3

19,9

Bron: UWV, jaarverslag

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ en ZW zet het UWV middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten, voorzieningen en loonkostensubsidies. Het UWV beschikt over een taakstellend budget voor de inzet van trajecten en over een taakstellend budget voor de inzet van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief jonggehandicapten). Deze budgetten zijn samen met de re-integratiebudgetten Wajong opgenomen in tabel 4.3. Ze worden jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages.

Budgettaire ontwikkelingen

Mede vanwege een selectievere inzet van de voorzieningen worden in 2013 lagere uitgaven verwacht dan in 2012.

Artikel

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt zorg voor arbeidsondersteuning en een inkomensvoorziening voor jonggehandicapten.

De overheid heeft als doel de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te bevorderen. Voor jonggehandicapten die perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat het recht op arbeidsondersteuning centraal. Zij komen in de zogeheten werkregeling van de Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten (Wajong). Met de jonggehandicapte (en eventueel diens ouders) wordt een individueel participatieplan opgesteld, waarin onder andere staat wat de beste manier is om een baan te vinden, welke ondersteuning daarbij beschikbaar is en welke rechten en plichten de jongere heeft. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. Mensen die als gevolg van ziekte om medische of arbeidskundige redenen geen perspectief hebben op een baan, ook niet met ondersteuning, hebben recht op de uitkeringsregeling Wajong. Voor hen staat inkomensbescherming voorop.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

Beleidswijzigingen

In 2013 worden geen beleidswijzigingen voorzien.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

2 478 746

2 606 167

2 938 323

3 076 788

3 210 767

3 340 578

Uitgaven

3 312 046

2 478 746

2 606 167

2 938 323

3 076 788

3 210 767

3 340 578

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

3 138 036

2 310 901

2 449 963

2 778 403

2 909 620

3 037 201

3 162 116

Uitkeringslasten Wajong

3 138 036

2 310 901

2 449 963

2 778 403

2 909 620

3 037 201

3 162 116

               

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

174 010

167 845

156 204

159 920

167 168

173 566

178 462

Re-integratie Wajong

174 010

167 845

156 204

159 920

167 168

173 566

178 462

               

Ontvangsten

0

50 542

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Voor mensen die in de oude Wajongregeling zijn ingestroomd (vóór 2010) en volledig arbeidsongeschikt zijn is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon (€ 1 092,15 bruto per maand voor mensen van 23 jaar en ouder). In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is dit percentage afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Voor mensen die in de nieuwe Wajong (vanaf 2010) zijn ingestroomd is de uitkering ook 75% van het wettelijk minimumloon. Voor mensen die arbeidsmogelijkheden hebben geldt een activerende uitkeringsstructuur, waarbij «werken moet lonen» het uitgangspunt is. Jonggehandicapten die studeren ontvangen een uitkering van 25% van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten Wajong stijgen jaarlijks doordat de instroom hoger is dan de uitstroom. Een belangrijke factor voor uitstroom is pensionering. Het aantal jonggehandicapten dat met pensioen gaat is echter nog relatief laag, omdat de eerste groep 18-jarigen in 1976 is ingestroomd en dus de komende jaren nog niet de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Ook is de instroom in deze tijd aanzienlijk hoger dan in de beginjaren van de regeling.

In de uitkeringslasten 2011 tot en met 2013 zijn twee kasschuiven verwerkt. Dit betreffen een kasschuif van € 414 miljoen van 2012 naar 2011 en een kasschuif van € 200 miljoen van 2013 naar 2012. Daarnaast lag het niveau van de uitkeringslasten vóór 2012 hoger, omdat de anticumulatiebaten met de Wsw toen nog in de bedragen werden meegenomen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2 Kerncijfers Wajong
     

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume Wajong totaal (ultimo, x 1 000 personen)

216,2

227,2

237,1

 

– waarvan Wajong tot 2010

192,4

189,4

185,0

 

– waarvan Wajong met ingang van 2010

23,8

37,8

52,1

   

• waarvan werkregeling (%)

62

61

60

   

• waarvan studieregeling (%)

28

26

24

   

• waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

10

13

16

Instroom Wajong totaal (x 1 000 personen)

16,3

16,3

16,3

Uitstroom Wajong totaal (x 1 000 personen)

5,1

5,3

6,4

Aandeel werkenden in de Wajong (%)

26

25

25

Bron: UWV, jaarverslag

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten, voorzieningen en voor de financiering van de REA-instituten. Voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de nieuwe Wajong (vanaf 2010) geldt een re-integratieplicht.

Het UWV beschikt voor de uitvoering van zijn wettelijke re-integratietaak over een taakstellend budget voor de inzet van trajecten en over een taakstellend budget voor de inzet van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Deze budgetten (opgenomen in tabel 4.3) worden gevormd uit de middelen voor re-integratie Wajong (tabel 4.1) en re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW (tabel 3.2) en worden door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Naast de budgetten voor trajecten en voorzieningen worden ook middelen ingezet voor overige re-integratieactiviteiten zoals de REA-instituten.

Tabel 4.3 Extracomptabel overzicht taakstellende budgetten re-integratietrajecten en voorzieningen (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Re-integratie trajecten

134 000

105 000

109 000

112 000

116 000

117 000

118 000

Re-integratie voorzieningen

nvt 1)

144 000

134 000

136 000

139 000

144 000

148 000

1) Het taakstellend budget voor de inzet van voorzieningen bestaat vanaf 2012

Budgettaire ontwikkelingen

Vanwege een selectievere inzet van de voorzieningen worden in 2013 lagere uitgaven verwacht dan in 2012 (zie tabel 4.1). Na 2013 neemt het budget langzaam toe omdat de doelgroep groter wordt.

Artikel

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen daardoor bij werkloosheid een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode tussen twee banen te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Werklozen van 60 jaar en ouder komen na afloop van hun WW-uitkering in aanmerking voor een vervolguitkering (IOW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht en het passend werkaanbod wordt bijgedragen aan een zo snel mogelijke werkhervatting.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot dat sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Inwoners van Caribisch Nederland ontvangen bij ontslag buiten hun toedoen een ontslagvergoeding op grond van de Cessantiawet, te betalen door de werkgever. In geval van faillissement of surseance van betaling neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • WW- en ontslagstelsel:

    Vanaf 2014 wordt het WW- en ontslagstelsel aangepast4, zie hiervoor ook de beleidsagenda. Onderdeel hiervan is dat werkgevers financieel verantwoordelijk worden voor ten hoogste de eerste zes maanden van de WW.

  • Uitvoering WW:

    Om de uitvoering van de WW te vereenvoudigen worden in het wetsvoorstel Vereenvoudiging regelingen UWV8 enkele aanpassingen in de WW voorgesteld.

  • Aanscherping fraudebeleid:

    Hiervoor wordt verwezen naar de beleidsagenda.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

7 108

5 122

3 332

1 836

941

344

Uitgaven

4 800

7 108

5 122

3 332

1 836

941

344

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

4 800

7 108

5 122

3 332

1 836

941

344

Uitkeringslasten IOW

4 800

7 048

4 962

3 172

1 676

781

184

Uitkeringslasten Cessantiawet (Caribisch Nederland)

0

60

160

160

160

160

160

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

4 629 004

5 549 639

6 219 783

6 066 392

5 851 401

5 881 878

5 608 015

               

Inkomensoverdrachten

4 501 000

5 545 560

6 070 333

5 795 307

5 464 532

5 339 893

4 934 698

Uitkeringslasten WW

4 501 000

5 545 560

6 070 333

5 795 307

5 464 532

5 339 893

4 934 698

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

128 004

4 079

0

0

0

0

0

Re-integratie WW

128 004

4 079

0

0

0

0

0

               

Nominaal

0

0

149 450

271 085

386 869

541 985

673 317

               

Ontvangsten

260 000

283 504

310 131

394 727

470 868

484 085

499 191

UFO

260 000

283 504

302 833

377 459

440 347

440 347

440 347

Nominaal

0

0

7 298

17 268

30 521

43 738

58 844

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen kunnen na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling die met ingang van 1 december 2009 in werking is getreden. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

  • Werklozen van 60 jaar of ouder die tussen 1 oktober 2006 en 1 juli 2011 werkloos zijn geworden en die recht had op meer dan 3 maanden WW-uitkering, komen na afloop van de WW-uitkering in aanmerking voor een IOW uitkering.

  • Gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering tussen 31 december 2007 en 1 juli 2011 is ontstaan en de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het minimumloon. Dit is € 1 019,34 per maand. De uitkering kan lager zijn dan 70% van het minimumloon als:

  • de WW- of loongerelateerde WGA-uitkering, in de kalendermaand voor het einde van deze uitkering, lager was dan 70% van het minimumloon;

  • de betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

Instroom in de IOW is niet meer mogelijk, waardoor de uitgaven aan de IOW de komende jaren geleidelijk afnemen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 5.3 Kerncijfers IOW
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume IOW (x 1 000 uitkeringsjaren)

<0,5

<0,5

<0,5

Bron: UWV, jaarverslag

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland ontvangen bij ontslag buiten hun toedoen een ontslagvergoeding op grond van de Cessantiawet, te betalen door de werkgever. In geval van faillissement of surseance van betaling neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een constant uitgavenpatroon verondersteld.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume Cessantiawet (x 1 000 personen)

0

<0,1

<0,1

Bron: SZW-unit RCN

A3. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een Werkloosheidswetuitkering (WW-uitkering). Hoe lang iemand een WW-uitkering krijgt, hangt af van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat iemand werkloos werd. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden en maximaal 38 maanden, afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Iemand die tien jaar heeft gewerkt heeft bijvoorbeeld maximaal 10 maanden recht op een WW-uitkering. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet iemand in ieder geval:

  • de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt en verzekerd zijn voor de WW;

  • minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • zich tijdig registreren als werkzoekende bij UWV WERKbedrijf;

  • niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden krijgt men 75% van het laatstverdiende loon, daarna 70%. De hoogte is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering maximaal circa € 3 150 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering circa € 2 940.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2013 stijgen de uitkeringslasten WW met circa € 0,65 miljard. De onzekerheid over de economische ontwikkeling is groot, waardoor ook de raming van de WW-uitgaven met veel onzekerheid omgeven is. De aanscherping van het fraudebeleid (zie de beleidsagenda) leidt naar verwachting tot een besparing op de WW-uitgaven van € 33 miljoen in 2013, oplopend tot € 42 miljoen vanaf 2014. Daarbij worden in het wetsvoorstel «Vereenvoudiging regelingen UWV» enkele aanpassingen in de WW gedaan met een beperkt budgettair effect (€ 22 miljoen besparing in 2013).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 5.5 toont enkele kerncijfers voor de WW. Het WW volume wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit zijn het aantal volledige WW-uitkeringen per jaar.

Tabel 5.5 Kerncijfers WW
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume WW (x 1 000 uitkeringsjaren)

229

268

288

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1 000)

411

460

515

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1000)

404

428

484

Bron: UWV, jaarverslag

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen en het benadelingbedrag zijn in 2011 met zo’n 50% toegenomen. Dit is een direct gevolg van het feit dat UWV er in 2011, dankzij de nodige efficiency maatregelen in is geslaagd om alle samenloopsignalen te beoordelen.

Tabel 5.6 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1000)

15

19

30

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

26

30

45

Bron: UWV, jaarverslag

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Per 2013 komt de bijdrage voor de re-integratie WW aan het UWV te vervallen.

C. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verhaalt daarvoor de WW-uitkeringen op de betrokken overheidswerkgever.

Artikel

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loondoorbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werkneemsters en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • Wetsvoorstel beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters:

    Het kabinet wil de activerende werking van de ZW versterken. Hiertoe is een wetsvoorstel ingediend7. Het wetsvoorstel is op 5 juli 2012 door de Tweede Kamer aangenomen. De beoogde invoeringsdatum van dit moderniseringspakket ZW is 1 januari 2013. Het betreft de volgende voorgenomen maatregelen:

    • Vanaf 2013 wordt het recht op een ZW-uitkering opgedeeld in twee delen: een loongerelateerde uitkering en een minimumuitkering. De duur van de loongerelateerde periode wordt afhankelijk van het opgebouwde arbeidsverleden (de arbeidsverledeneis), zoals ook geldt voor de loongerelateerde WGA-uitkering. Na deze periode bedraagt de ZW-uitkering 70% van het minimumloon.

    • Vanaf 2013 wordt de keuring op algemeen geaccepteerde arbeid, die momenteel aan het einde van het tweede ziektejaar plaatsvindt, voor ZW-gerechtigden vervroegd naar het einde van het eerste ziektejaar.

    • In 2014 wordt differentiatie in de financiering voor het vangnet ZW en de vangnetlasten WGA ingevoerd.

  • Wetsvoorstel modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden, uitbreiding bevallingsverlof bij ziekenhuisopname kind:

    Het wetsvoorstel modernisering verlof en arbeidstijden9 bevat een regeling voor uitbreiding van het bevallingsverlof indien het kind na de geboorte langdurig in het ziekenhuis wordt opgenomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

5 693

5 164

5 439

5 516

5 607

5 704

Uitgaven

4 391

5 693

5 164

5 439

5 516

5 607

5 704

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

4 391

5 693

5 164

5 439

5 516

5 607

5 704

Uitkeringslasten TAS

3 195

3 822

3 749

3 949

3 949

3 949

3 949

Uitkeringslasten Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

1 196

1 871

1 415

1 490

1 567

1 658

1 755

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

2 671 886

2 799 834

2 836 256

2 804 267

2 826 130

2 909 330

3 003 663

               

Inkomensoverdrachten

2 671 886

2 799 834

2 766 640

2 677 496

2 637 850

2 639 352

2 640 296

Uitkeringslasten ZW

1 551 000

1 626 170

1 570 066

1 457 591

1 394 092

1 395 594

1 396 538

Uitkeringslasten WAZO

1 120 886

1 173 664

1 196 574

1 219 905

1 243 758

1 243 758

1 243 758

               

Nominaal

0

0

69 616

126 771

188 280

269 978

363 367

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom als gevolg van blootstelling aan asbest, kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming (vaak uitgekeerd in de vorm van een voorschot). Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt de tegemoetkoming hiermee verrekend. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest of door de werkkleding van een huisgenoot, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom is vastgesteld;

  • Zij of een huisgenoot in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij of een huisgenoot op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding die minder is dan € 18 626.

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2012 € 18 626 (eenmalig). De TAS volgt de ontwikkeling van het minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslsaten zijn nagenoeg constant. Vanwege het lage aantal zieken die aanspraak kunnen maken op de regeling en de zeer lange incubatieperiode is het moeilijk om de verdere ontwikkeling te ramen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.3 Kerncijfers TAS
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Aantal toekenningen voorschot TAS

352

375

375

Aantal toekenningen eenmalige TAS

0

0

0

Aantal terugontvangen voorschotten TAS

166

188

188

Aantal toekenningen bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

87

86

86

Bron: SVB, jaarverslag

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers op Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de ZV. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgavenstijging vanaf het jaar 2013 wordt verklaard door de onderliggende volumeontwikkeling. In 2012 is sprake van hogere uitgaven die verklaard worden door nabetalingen over eerdere jaren. Daarnaast liggen de uitgaven vanaf 2012 op een hoger niveau als gevolg van de aanpassing van de uitkeringshoogte aan de inflatie. De inflatie in 2011, bepalend voor de indexering van de bedragen in 2012, bedroeg 5,9% op Bonaire, 11,2% op Sint Eustatius en 6,6% op Saba.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.4 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume Ziekteverzekering (x 1 000 uitkeringen)

0,3

0,3

0,3

Bron: SZW-unit RCN

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering, als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst is van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk (wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie) en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

In aanmerking voor een ziektewetuitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau).

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract).

  • Personen met een tijdelijk arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte.

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn.

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering.

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken.

  • Personen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden. De werkgever hoeft dan niet het loon door te betalen, maar de betreffende persoon ontvangt een ZW-uitkering (no-riskpolis).

Ondernemers of directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij/zij ziek werd. De hoogte van het dagloon is gemaximeerd op € 193,09 per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal ca. € 2 940 bruto per maand. De uitkering duurt maximaal twee jaar.

Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal ca. € 4 200 bruto per maand. Op verzoek van de werkgever kan het UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanaf 2013 dalen de uitkeringslasten ZW. De voorgenomen wijzigingen in het kader van de modernisering ZW leiden tot een besparing van circa € 53 miljoen in 2013 en circa € 128 miljoen in 2014.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.5 Kerncijfers ZW
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume ZW (gemiddeld, x 1 000 uitkeringen)

100,1

102,9

102,1

Instroom ZW (x 1 000 uitkeringen)

273,4

nvt

nvt

Uitstroom ZW (x 1 000 uitkeringen)

370,4

nvt

nvt

Bron: UWV, jaarverslag

nvt: in- en uitstroom worden niet geraamd

Handhaving

Voor de ZW is zowel het aantal overtredingen als het benadelingbedrag stabiel.

Tabel 6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1000)

2

2

2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln.)

2

2

3

Bron: UWV, jaarverslag

A4. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering van het UWV (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering).

Wie komt ervoor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Werkneemsters die recht hebben op zwangerschap- en bevallingsverlof;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (o.a. thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

Er is een aparte uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste zestien weken recht op een uitkering.

Hoe hoog is de WAZO?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten stijgen in 2013 met ca. € 25 miljoen. Voor de jaren na 2013 wordt eveneens een lichte stijging verwacht van de uitgaven aan zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen. De stijging van de uitgaven wordt veroorzaakt door een verdere toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zowel in aantallen als in uren. Daarnaast zal naar verwachting het bruto salaris van vrouwen die een uitkering vanwege zwangerschap en bevalling ontvangen, sneller stijgen dan de gemiddelde loonvoet in Nederland.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 6.7 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1 000)

143,8

144

144

Aantal toekenningen werknemers (x 1 000)

136

136

136

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1 000)

7,8

8

8

Bron: UWV, jaarverslag

Artikel

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen goed toegerust zijn op het primair onderwijs. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt.

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangbedrijven moeten voldoen. Hiernaast steunt de minister via subsidies projecten ter verbetering van de kwaliteit van kinderopvang. Dit om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangbedrijf kunnen sturen dat van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang in hun bedrijf. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangbedrijf en kunnen hun invloed uitoefenen onder andere via de (voor de ondernemer verplichte) oudercommissies.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving en werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk;

  • Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst.

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

  • Met ingang van 2013 wordt de Wet kinderopvang op een aantal punten gewijzigd. Zo wordt voor de hoogste inkomens de vaste voet van 33,3% voor het eerste kind lineair afgebouwd naar 0% en wordt de ouderbijdrage proportioneel verhoogd voor alle inkomens behalve de laagste inkomensgroep. Daarnaast zal de Belastingdienst vanaf 2013 de gehele kinderopvangtoeslag aan alle toeslagontvangers uitbetalen;

  • Met ingang van 1 maart 2013 wordt gestart met continue screening van medewerkers in de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk;

  • In het wetsontwerp voor de verzamelwet kinderopvang 2013 worden additionele maatregelen opgenomen ter versterking van de veiligheid en de transparantie in de kinderopvang.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 7 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

2 804 939

2 696 458

2 768 934

2 854 626

2 898 701

2 949 391

Uitgaven

3 208 977

2 811 359

2 696 970

2 768 934

2 854 626

2 898 701

2 949 391

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

Inkomensoverdrachten

3 178 720

2 789 815

2 677 731

2 750 533

2 840 013

2 883 838

2 934 528

Kinderopvangtoeslag

3 178 720

2 789 815

2 677 731

2 750 533

2 840 013

2 883 838

2 934 528

               

Subsidies

15 881

10 500

7 668

7 550

7 550

7 550

7 550

Kinderopvang subsidies

15 881

10 500

7 668

7 550

7 550

7 550

7 550

               

Opdrachten

14 376

11 044

11 571

10 851

7 063

7 313

7 313

Opdrachten

14 376

11 044

11 571

10 851

7 063

7 313

7 313

               

Ontvangsten

1 116 597

1 446 177

1 427 015

1 423 015

1 420 848

1 428 032

1 431 597

Ontvangsten algemeen

407 866

399 877

339 187

321 836

306 153

299 655

303 220

Werkgeversbijdrage kinderopvang

708 731

1 046 300

1 087 828

1 101 179

1 114 695

1 128 377

1 128 377

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, ontvangen,een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag, Hierbij geldt wel de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wet kinderopvang,

Wie komt ervoor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het verzamelinkomen;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het 1ste kind geldt een andere toeslag dan voor 2de en volgende kinderen;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang hebben allen een ander maximaal uurtarief waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het aantal gewerkte uren door de minst verdienende ouder dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Tabel 7.2 Ouderbijdrage kinderopvang

Bedragen in € 1)

Verzamel- inkomen in 2013

Uitgaven 2012

Uitgaven 2013

laagste inkomenscategorie

17 200

90

90

modaal

33 000

162

172

2 x modaal

66 000

359

382

2,5 x modaal

82 500

461

492

>4 x modaal

135 000

554

740

Bron: SZW-berekeningen

1) Bedragen zijn per maand bij 2 dagen kinderopvang voor 2 kinderen onder de vier jaar en een uurprijs van € 6,36

Budgettaire ontwikkelingen

Door de maatregelen in 2012 en 2013 dalen de uitgaven aan kinderopvang in 2012 en 2013. Omdat het gebruik van kinderopvang vanaf 2014 weer stijgend is, nemen de uitgaven vanaf 2014 weer toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 7.3 Kerncijfers kinderopvang, gebruik en ouderbijdrage
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1 000) 1)

475

463

456

Aantal huishoudens tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1 000) 1)

186

182

179

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1000)1)

738

720

696

% kinderen 0–4 jaar met kinderopvangtoeslag 1)

52

50

49

% kinderen 4–12 jaar met kinderopvangtoeslag 1)

23

23

23

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen: 2)

     

130% WML

0,71

0,82

0,91

1 1/2 x modaal

1,65

1,91

2,12

3 x modaal

4,13

4,24

5,24

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen: 2)

     

130% WML

0,26

0,45

0,46

1 1/2 x modaal

0,39

0,78

0,79

3 x modaal

0,63

1,42

1,45

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS en Belastingdienst.

1) Met ingang van het Jaarverslag 2011 is de volumedefinitie gewijzigd. De nieuwe definitie gaat uit van het aantal kinderen/huishoudens dat gemiddeld gedurende het jaar gebruik maakt van kinderopvangtoeslag. Vanaf 2013 wijkt dit aantal door de afbouw van de vaste voet af van het aantal kinderen/huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang.

2) Kosten van kinderopvang per uur voor ouders bij drie verschillende inkomensklassen, gegeven de maximum uurprijs en de toeslag die ouders ontvangen.

Tabel 7.4 Kerncijfers kinderopvang
 

2011

2012

2013

Wettelijke maximum uurprijs (€) in:

     

Dagopvang

6,36

6,36

6,46

Buitenschoolse opvang

5,93

5,93

6,02

Gastouderopvang

5,09

5,09

5,17

       

Aandeel bijdragen sectoren (in %):

     

Overheid

52

35

30

Werkgevers

21

33

33

Ouders

27

32

37

Bron: SZW-berekeningen

B. Subsidies

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen verstrekt de overheid subsidies. Het budget voor subsidies neemt in 2013 af ten opzichte van 2012, omdat in het jaar 2012 een aantal subsidies en subsidieregelingen aflopen. Vanaf 2014 worden de uitgaven aan subsidies op ca. € 8 miljoen geraamd. Dit betreft onder andere de subsidies aan:

  • Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) ter bevordering van de kwaliteit van kinderopvang;

  • GGD-NL voor de uniformering van het landelijke toezicht op de kinderopvang dat door de gemeentelijke GGD-en wordt uitgevoerd;

  • De Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK) voor haar werkzaamheden bij de totstandkoming van sectorbrede regelingen.

C. Opdrachten

Dit budget wordt voornamelijk gebruikt voor de ontwikkeling en het beheer van het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en van de gemeentelijke inspectieruimte. In 2013 neemt het voor opdrachten beschikbare budget ten opzichte van 2012 toe. Dit komt voornamelijk door de start van het project «continue screening» in 2013. Dit is een vorm van screening waarbij continu wordt bekeken of op de naam van een medewerker in de kinderopvang of in het peuterspeelzaalwerk een nieuw, relevant strafbaar feit in het Justitiële Documentatie Systeem is bijgeschreven.

D. Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit twee componenten, de ontvangsten algemeen en de werkgeversbijdrage. De ontvangsten algemeen (terugvorderingen kinderopvangtoeslag) nemen in 2013 en volgende jaren onder andere als gevolg van de ombuigingsmaatregelen af. Met het oog op een meer evenredige verdeling van de kosten van kinderopvang is in 2012 de premieopslag voor werkgevers verhoogd. Hierdoor nemen de ontvangsten als gevolg van de werkgeversbijdrage vanaf 2012 toe. De werkgeverspremie wordt vanaf 2012 zo vastgesteld dat werkgevers bijdragen aan ca. 1/3 van de totale kosten van kinderopvang van werknemers tot aan de maximumprijs.

Artikel

8. Oudedagsvoorziening

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt een basisinkomen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en stimuleert de opbouw van en waarborgt de aanvullende arbeidspensioenen.

De overheid vindt dat iedere gepensioneerde minimaal een basisinkomen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 90% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die werkgevers en werknemers meestal zelf beheren. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen naar eigen wens individuele pensioenverzekeringen afsluiten.

De overheid biedt onder voorwaarden een koopkrachttegemoetkoming (MKOB) aan oudere belastingplichtigen ter compensatie van binnenlands koopkrachtverlies als gevolg van beleidsmaatregelen in de fiscale sfeer.

Inwoners van Caribisch Nederland die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de Sociale Verzekeringsbank (SVB);

  • De vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Belangrijke wijzigingen op het beleidsterrein zijn:

De houdbaarheid van het gehele stelsel van oudedagsvoorzieningen staat door een combinatie van factoren onder druk. Zo leven mensen langer en zijn er steeds minder werkenden per gepensioneerde. Daarnaast zijn er grote schommelingen op de financiële markten, zowel ten aanzien van de rente als de aandelenkoersen. Om het stelsel in de toekomst betaalbaar te houden, wordt de AOW-leeftijd vanaf 2013 geleidelijk verhoogd. Ook in Caribisch Nederland wordt de pensioengerechtigde leeftijd verhoogd.

  • Verhoging AOW-leeftijd:

    Met ingang van 2013 wordt de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd (Stb. 2012, nr. 328). In eerste instantie (2013–2015) met stappen van een maand per jaar, daarna met stappen van twee maanden (2016–2018) en drie maanden (2019–2023). In 2023 is de AOW-leeftijd dan 67 jaar. Daarna wordt deze gekoppeld aan de levensverwachting. Om overbruggingsproblemen te verzachten neemt de regering enkele overgangsmaatregelen. Zo komt er een tijdelijke voorschotregeling. Verder wordt voor mensen die als gevolg van de leeftijdsverhoging het recht op AOW-partnertoeslag dreigen mis te lopen (de geboortecohorten november en december 1949), de voorgenomen afschaffing van de partnertoeslag uitgesteld tot 1 april 2015.

  • Uitwerking Hoofdlijnennota:

    In de Hoofdlijnennota herziening financieel toetsingskader pensioenen10 heeft het kabinet gemeld welke aanpassingen van het financieel toetsingskader het voor ogen heeft om het pensioenstelsel weer toekomstbestendig te maken, waarmee mede uitwerking wordt gegeven aan de eerdere kabinetsreactie op de rapporten van de commissies Frijns en Goudswaard11, de evaluatie van het financieel toetsingskader12 en het pensioenakkoord dat de sociale partners hebben gesloten. Deze betreffen zowel een verbetering van het huidige toetsingskader als een uitbreiding daarvan om het zogeheten nieuwe pensioencontract mogelijk te maken dat de sociale partners zijn overeengekomen. In de uitwerking van de Hoofdlijnennota zal tevens aandacht worden besteed aan wijziging van wettelijke voorschriften over de pensioencommunicatie. De pensioenuitvoerders worden verplicht de deelnemer duidelijk te informeren over de risico’s die het gevolg zijn van het gekozen beleggingsbeleid en over de te verwachten koopkracht van de pensioenen.

  • Governance pensioenfondsen:

    Bij de Tweede Kamer is in behandeling het wetsvoorstel tot versterking van het bestuur van pensioenfondsen13 waarvan de belangrijkste doelstellingen zijn de verbetering van de deskundigheid van het bestuur, de versterking van het interne toezicht en een adequate vertegenwoordiging van alle risicodragende partijen.

  • Deregulering SVB:

    In het regeerakkoord van het kabinet Rutte/Verhagen is afgesproken dat op het terrein van SZW wordt voorzien in een taakstelling voor de SVB. Deze wordt onder andere bereikt door vereenvoudigingen in de uitvoering (wetsvoorstel deregulering SVB14). Eén van de voorstellen betreft het niet langer uitkeren van zogenaamde kruimelpensioenen (minder dan één jaar AOW-opbouw) voor nieuwe gevallen vanaf 2015.

  • Verhoging pensioengerechtigde leeftijd Caribisch Nederland:

    De pensioengerechtigde leeftijd in Caribisch Nederland is momenteel 60 jaar. Er is besloten deze leeftijd gefaseerd te verhogen naar 65 jaar. De eerste stap tot verhoging van de AOV-leeftijd wordt ingezet in 2013 en zal met ingang van 2015 zijn gerealiseerd. De AOV-leeftijd wordt dan 62 jaar. Daarna schuift de AOV-leeftijd ieder jaar één jaar op. Vanaf 2018 zal de pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar zijn.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Begrotingsuitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Verplichtingen

1 141 027

958 574

984 365

1 007 514

1 020 483

1 035 234

Uitgaven

636 954

1 141 027

958 574

984 365

1 007 514

1 020 483

1 035 234

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

636 954

1 140 785

958 274

984 265

1 007 514

1 020 483

1 035 234

Uitkeringslasten MKOB

624 200

1 124 855

942 092

968 158

990 778

1 003 849

1 017 975

Uitkeringslasten AOV incl. tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

12 754

15 930

16 182

16 107

16 736

16 634

17 259

               

Opdrachten

0

242

300

100

0

0

0

Opdrachten

0

242

300

100

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 8.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

30 479 000

31 493 232

32 953 304

34 367 411

35 724 404

36 763 080

38 083 227

               

Inkomensoverdrachten

30 479 000

31 493 232

32 406 707

33 214 350

33 790 320

33 833 079

34 041 672

Uitkeringslasten AOW

29 995 000

31 493 232

32 406 707

33 214 350

33 790 320

33 833 079

34 041 672

Tegemoetkoming AOW

484 000

0

0

0

0

0

0

               

Nominaal

0

0

546 597

1 153 061

1 934 084

2 930 001

4 041 555

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (MKOB)

De MKOB is op 1 juni 2011 ingevoerd om oudere belastingplichtigen die koopkrachtverminderingen ondervinden als gevolg van beleidsmaatregelen in de fiscale sfeer een compensatie te bieden.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Personen die deze tegemoetkoming ontvangen zijn oudere binnenlandse belastingplichtigen en in het buitenland woonachtige ouderen die na toepassing van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting over ten minste 90% van hun wereldinkomen Nederlandse inkomsten- en loonbelasting moeten afdragen.

Hoe hoog is de MKOB?

De tegemoetkoming bedraagt in 2012 € 33,65 bruto per maand. In 2013 wordt de MKOB verlaagd als onderdeel van de Wet uniformering loonbegrip. Tegelijkertijd wordt de ouderenkorting verhoogd.

Budgettaire ontwikkelingen

Door een stijgend aantal oudere belastingplichtigen nemen de uitkeringslasten MKOB toe. Deze toename wordt enigszins afgevlakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013. De daling van de uitkeringslasten in 2013 wordt veroorzaakt door de bijstelling van de hoogte van de MKOB (zie hierboven).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 8.3 Kerncijfers MKOB
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume MKOB (x 1 000 personen)

2 698

2 782

2 880

Bron: SVB, jaarverslag

A2. Algemene Ouderdomsverzekering (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de pensioengerechtigden leeftijd hebben bereikt ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomsverzekering (AOV). Naast het ouderdomspensioen wordt op St. Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden.

Budgettaire ontwikkelingen

De komende jaren wordt de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 65 jaar. Hierdoor dalen de uitkeringslasten in 2013 en 2014. De relatief grote stijging van de uitkeringslasten 2012 ten opzichte van 2011 wordt verklaard door de aanpassing van de uitkeringshoogte aan de inflatie. De inflatie in 2011, bepalend voor de indexering van de bedragen in 2012, bedroeg 5,9% op Bonaire, 11,2% op Sint Eustatius en 6,6% op Saba. Per 1 januari 2013 worden de uitkeringshoogten aangepast aan de hand van de inflatie in 2012.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 8.4 Kerncijfers AOV
 

Realisatie

2011

Raming

2012

Raming

2013

Volume AOV (x 1 000 personen)

2,8

3,0

2,9

Bron: SZW-unit RCN

A3. Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Daarnaast kent de AOW een partnertoeslag voor AOW-gerechtigden van wie de partner jonger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd en geen of weinig inkomen heeft. De AOW-tegemoetkoming is per 1 juni 2011 afgeschaft. <