Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201224515 nr. 239

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 239 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2012

Hierbij informeer ik u, overeenkomstig mijn toezeggingen tijdens het Algemeen Overleg armoede- en schuldenbeleid op 4 april 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 24 515, nr. 234), over de volgende onderwerpen:

  • 1. de stand van zaken rond het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS)

  • 2. de ervaringen en leerpunten van gemeenten inzake de bevordering van de participatie van kinderen

  • 3. ondersteuning door de gemeenten van kinderen die met hun ouders een tijdelijke verblijfplaats hebben

  • 4. de uitkomsten van de gesprekken met OCW over de schuldenproblematiek onder studenten

  • 5. de activiteiten uit het ondersteuningsprogramma «Op weg naar effectieve schuldhulp»

  • 6. de dienstverlening van het UWV aan werkzoekenden.

Daarnaast reageer ik middels deze brief op de vragen van mevrouw Ortega-Martijn over de overheid als schuldeiser, over de afgifte van de verklaring schuldsanering bij private schuldbemiddeling en over de motie Ortega-Martijn inzake tijdige informatie en preventieve begeleiding (Kamerstukken II, 24 515, nr. 231). Tot slot informeer ik u, mede namens de minister van Financiën, over de stand van zaken van de pilots Geldloket (budgetwinkels).

1. Stand van zaken rond het LIS

Op 15 juni jl. heeft de door mij in de Tweede Kamer aangekondigde bijeenkomst over de stand van zaken van de invoering van een systeem van schuldenregistratie plaatsgevonden. Het belang van het onderwerp wordt bevestigd door het grote aantal deelnemers aan de bijeenkomst. Stichting LIS, de VNG, de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK), Energie Nederland, het Leger des Heils, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN), de Belangenvereniging Thuiswinkel.org, het Bureau Krediet Registratie (BKR), de stichting Preventie Problematische Schulden, de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen (NVI), de Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureaus (NVH) en Experian waren vertegenwoordigd. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) was als toehoorder aanwezig.

De noodzaak om tot een systeem van schuldenregistratie te komen werd breed gedragen. Partijen onderschreven dat het voorkomen van problematische schulden van groot maatschappelijk en economisch belang is. Partijen toonden een grote betrokkenheid en inzet om – weliswaar vanuit verschillende belangen en verschillend perspectief – tot een systeem van schuldenregistratie te komen. Ik waardeer de vasthoudendheid en de opstelling van de partijen betrokken bij het LIS. De stichting LIS heeft opnieuw een zienswijze gevraagd van het CBP over het voorgestelde systeem van Vroegsignalering index Probleemschulden (ViP).

Van de verschillende geopperde mogelijkheden is dit het meest gevorderd en concreet. Het betreft een marktinitiatief en heeft een voldoende breed (maatschappelijk) draagvlak. Dit laat andere marktinitiatieven uiteraard onverlet.

Op 15 juni jl. lag er nog geen zienswijze van het CBP. Stichting LIS heeft tijdens de bijeenkomst toegelicht dat het CBP wel een opening geboden heeft om ook de laatste stap, de realisatie van het systeem, te kunnen zetten. De vraagpunten van het CBP richten zich met name op de vraag in hoeverre de schulden die worden geregistreerd voorspellend zijn voor het ontstaan van problematische schulden. De voorspellende waarde van de registratiecriteria kan op verschillende manieren – vooraf dan wel achteraf – worden aangetoond. Dit biedt perspectief om daadwerkelijk tot een schuldenregistratie te komen.

De partijen betrokken bij het LIS beraden zich thans op een reactie richting het CBP en daarmee dus ook op besluitvorming over het vervolg. Ik heb inmiddels begrepen dat alle partijen betrokken bij het LIS willen meewerken aan de verdere ontwikkeling van het systeem.

De mogelijkheid om tot een systeem van schuldenregistratie te komen is naar mijn indruk nog niet eerder zo dichtbij geweest. Dit is het moment voor partijen om door te pakken. Daarom heb ik er op aangedrongen om de uitdaging aan te gaan, hun verantwoordelijkheid te nemen en ook de laatste stap te zetten. De verantwoordelijkheid en het initiatief ligt weliswaar bij hen, maar ik heb aangegeven dat ik uiteraard bereid ben om het verdere proces te faciliteren. Ik zal uw Kamer informeren over de verdere ontwikkelingen.

2. Ervaringen en leerpunten gemeenten inzake de bevordering van participatie van kinderen

Gemeenten hebben in 2008 en 2009 via de algemene middelen een impuls van in totaal € 80 miljoen ontvangen met als doel om het aantal kinderen dat vanwege armoede niet meedoet aan vrijetijdsactiviteiten in twee jaar tijd te halveren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft deze doelstelling geëvalueerd. Het SCP-rapport «Kunnen meer kinderen meedoen? Veranderingen in de maatschappelijke deelname van kinderen, 2008–2010» (Kamerstukken II, 2011/2012, 24 515, nr. 222) dat in oktober 2011 is uitgebracht en aangeboden aan uw Kamer, constateert dat de doelstelling niet is gehaald. Uw Kamer heeft gevraagd of inzicht kan worden verschaft in de leerpunten van gemeenten. Daarom heb ik aan de VNG de vraag voorgelegd welke leerpunten gemeenten halen uit hun beleid in het kader van de verstrekte impuls.

De VNG stelt in reactie hierop dat (vrijwel) alle gemeenten uitvoering hebben gegeven aan de maatschappelijke activering van kinderen en dat een zeer groot aantal gemeenten daarbij koos voor een in de lokale situatie passend en werkbaar beleid. De VNG ziet dat de inzet en prioriteit die gemeenten toekennen aan armoedebestrijding groot is en verwijst daarbij naar het feit dat lokale overheden, ondanks de economische crisis, in hun plannen voor de jaren 2010–2012 relatief weinig bezuinigen op armoedebeleid. De VNG heeft geen nadere verklaring voor het niet realiseren van de met de impuls beoogde kwantitatieve doelstelling.

Voor wat betreft de leerpunten voor gemeenten verwijs ik u naar het eerder genoemde SCP onderzoek «Kunnen meer kinderen meedoen?» waarin aandacht wordt besteed aan knelpunten en aanbevelingen inzake het gevoerde beleid. Het SCP geeft als aanbeveling mee dat het beleid van gemeenten effectiever kan zijn als dit gericht is op specifieke groepen van kinderen. Ook wijst het SCP op het belang van de sociale participatie van ouders: als ouders meer maatschappelijk actief zijn vergroot dit de kans dat hun kinderen meedoen. Ook uit eerder verschenen rapporten van het SCP blijkt dat armoede en sociale uitsluiting van kinderen vaak samenhangen met de manier waarop de ouders van deze kinderen in de samenleving staan. Zo stelt het SCP dat de opleiding en arbeidsparticipatie van ouders essentieel is voor de sociale insluiting van kinderen en dat werk belangrijk is om sociale uitsluiting te voorkomen. Overigens blijkt uit SCP onderzoek dat kinderen die in armoede opgroeien als volwassenen meestal niet arm zijn. In Nederland heerst dus geen armoedecultuur. Ik verwacht dat gemeenten met de aanbevelingen van het SCP hun voordeel kunnen doen.

Naast het SCP-rapport bieden ook de opbrengsten van het Europees Jaar voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting handvatten voor toekomstig beleid van gemeenten. Onder andere door publicatie van inspirerende voorbeelden en aanbevelingen vanuit de gemeentelijke praktijk. Alhoewel het Europees Jaar zich niet alleen op de participatie van kinderen uit arme gezinnen richtte, is dit wel een belangrijk thema geweest.

3. Kinderen met ouders in de maatschappelijke opvang

Mevrouw Ortega-Martijn heeft gevraagd of er bij de VNG kan worden nagegaan of zij het probleem herkennen dat kinderen met ouder(s) in de maatschappelijke opvang geen gebruik kunnen maken van de bijzondere bijstand omdat zij een tijdelijke huisvesting hebben.

Voor bijstandsverlening aan personen die tijdelijk in de maatschappelijke opvang verblijven, geldt dat in beginsel de gemeente waar deze personen vóór hun maatschappelijke opvang woonachtig waren verantwoordelijk is voor de bijstandsverlening en niet de gemeente waar de inrichting is gevestigd. Ingeval er hierover een domiciliegeschil ontstaat tussen de gemeente waar de inrichting is gevestigd en de vertrekgemeente, bepaalt de WWB dat de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft de verplichting heeft om, hangende het domiciliegeschil, de bijstandsaanvraag te beoordelen. Hierdoor wordt onder andere voorkomen dat een dergelijk geschil ertoe leidt dat mensen die een beroep doen op inkomensondersteunende voorzieningen onnodig lang op een beslissing van de gemeente moeten wachten.

De VNG heeft overigens aangegeven geen signalen te hebben over problemen met de verlening van bijzondere bijstand aan kinderen die tijdelijk in de maatschappelijke opvang verblijven. Als uw Kamer hiervan wel concrete voorbeelden heeft, geef ik deze graag aan de VNG door.

4. Gesprek met OCW over schulden onder studenten

Het overleg tussen SZW en OCW over het terugdringen van de schuldenproblematiek onder studenten en scholieren is nog niet afgerond. Ik verwacht dat het mogelijk is het overleg dit najaar af te ronden. Vanzelfsprekend zal ik u informeren over de uitkomsten.

5. Overzicht activiteiten ondersteuningsprogramma «Op weg naar effectieve schuldhulp»

Het ondersteuningsprogramma maakt onderdeel uit van de maatregelen die het vorige kabinet heeft genomen om extra aandacht te besteden aan de schuldhulpverlening in verband met de economische crisis. In totaal is daarvoor € 130 miljoen aan tijdelijke extra middelen schuldhulpverlening beschikbaar gesteld. Het grootste deel (€ 110 miljoen) is aan de gemeenten verstrekt om het extra beroep op schuldhulpverlening op te vangen.

Om gemeenten en haar partners te ondersteunen bij het verbeteren van de effectiviteit van schuldhulpverlening en de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening op 1 juli jl., is het programma «Op weg naar effectieve schuldhulp» ingericht. Het ministerie van SZW werkt in dit programma nauw samen met Divosa, MOgroep, Nibud, NVVK, VNG en Wijzer in geldzaken. Binnen het programma is een groot aantal verschillende producten ontwikkeld en activiteiten georganiseerd gericht op de relevante aandachtsgebieden met betrekking tot schuldhulpverlening (preventie/primair proces/integraal beleid) en de beleidscyclus van gemeenten. Deze informatie draagt bij aan een effectievere schuldhulpverlening en wordt gepresenteerd op de portal www.effectieveschuldhulp.nl. Ook verschijnt er maandelijks een nieuwsbrief met ruimte voor opinie, inspiratie en nieuws rondom effectievere schuldhulpverlening.

In totaal heeft het ministerie ruim 4 miljoen euro geïnvesteerd1. Alle aanvragen die subsidiabel waren, heb ik daarmee gehonoreerd. Tot op heden zijn er geen evidente lacunes in het programma geconstateerd. Aanvullende verzoeken voor de ontwikkeling van producten of het ontplooien van activiteiten zijn, ondanks een expliciete uitnodiging aan de betrokken partijen daartoe, na de start van het programma nog maar sporadisch ontvangen en als niet subsidiabel beoordeeld.

De deelnemende partijen ronden dit najaar het programma af en spreken af op welke wijze de opbrengsten alsook de constructieve samenwerking geborgd kan worden.

Zie in onderstaand kader een totaaloverzicht van het programma.

Voorbereiding

Communicatie

  • Portal

  • Nieuwsbrief

  • Divosa organiseert landelijke- en regionale bijeenkomsten en zet regionale accountmanagers in om samen met 30 centrumgemeenten kennis en ervaring te delen en ontwikkelt handreikingen en modellen voor een effectievere schuldhulpverlening.

  • E-magazine als afsluitend product waarin kennis en ervaring wordt gedeeld.

  • Afsluitende bijeenkomst in de Week van het geld

Ontwikkeling producten en activiteiten

  • Handreiking «Toekomstverkenning schuldhulpverlening»

  • Handreiking «Gemeenten en Schuldhulpverlening – Bouwstenen voor de ontwikkeling van visie en beleid», die aan de hand van diners pensant met wethouders en managers is ontwikkeld

  • Toepassing voornoemde handreiking in de praktijk bij 2 gemeenten

  • Onderzoeksrapport en rekentool «Kosten en baten van schuldhulpverlening»

  • Handreiking «Verkenning regie schuldhulpverlening»

  • Handreiking en database «Schuldpreventiewijzer»

  • Onderzoeksrapport «Schuldpreventie, wat levert het op?»

  • Vernieuwing «www.zelfjeschuldenregelen.nl»

  • Campagne vroegsignalering op de werkvloer

  • Budgetvoorlichting in beeld/film (in plaats van geschreven tekst)

  • Pilot geldloket

  • Onderzoeksrapport «Klantprofielen voor schuldhulpverlening»

  • Screenings- en diagnose-instrument «Klantprofielen voor schuldhulpverlening»

  • Handreiking «Perspectieven op schuldhulpverlening – Elf goede voorbeelden uit het primair proces schuldhulpverlening»

  • Onderzoeksrapport «Budgetbeheer in de minnelijke schuldhulpverlening, quickscan naar knelpunten en oplossingen»

  • Project «Bevorderen certificering»

  • Evaluatie bestaande convenanten schuldeisers en afsluiting nieuwe convenanten

  • Handreiking «Verbetering communicatie schuldhulpverlening en schuldeisers»

  • Pilot gegevensuitwisseling schuldhulpverleners en gerechtdeurwaarders

  • Dialoog schuldhulpverlening en financiële sector

  • Handreiking «Schuldhulpverlening in de keten – Lessen uit de praktijk voor het opzetten van effectieve samenwerkingsverbanden»

  • Handreiking «Vrijwillig, effectief en efficiënt – Handreiking voor de inzet van vrijwilligers bij schuldhulpverlening»

Monitoring

  • Monitor tijdelijke extra middelen schuldhulpverlening

  • Periodiek programmaoverleg

6. Dienstverlening UWV

De heer Klaver heeft gevraagd naar de wijze waarop het UWV werkzoekenden begeleidt naar werk. Het jaarverslag 2011 van het UWV, dat u op 15 mei jl. is aangeboden, biedt inzicht in zowel de aard van de dienstverlening aan werkzoekenden door UWV als de ervaring van de klanten met deze dienstverlening (bijlage bij Kamerstukken II, 26 448, nr. 476).

7. Overheid als schuldeiser

Mevrouw Ortega-Martijn heeft een vraag gesteld over (het gedrag van) de overheid als preferente schuldeiser en de gevolgen daarvan voor de schuldhulpverlening. Deze vraag wordt betrokken bij de kabinetsreactie op het rapport «Paritas Passé, debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden». Zoals u in de brief van 28 juni jl. over het wetsvoorstel «aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» is gemeld, wordt deze kabinetsreactie overgelaten aan het volgende kabinet.

8. Verklaring schuldsanering bij private bemiddeling

Voor de toelating tot de wettelijke schuldsanering moet de schuldenaar een gemeentelijke verklaring overleggen waarin wordt toegelicht dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een minnelijke schuldregeling te komen. Mevrouw Ortega-Martijn heeft gevraagd hoe dit wordt geregeld in geval van private schuldbemiddeling. Ik heb de vraag van mevrouw Ortega-Martijn onder de aandacht gebracht van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Dit punt zal bij de nadere uitwerking van de voorgenomen uitbreiding van de mogelijkheden voor private schuldbemiddeling worden betrokken.

9. Motie Ortega-Martijn inzake tijdige informatie en preventieve begeleiding

In de motie van mevrouw Ortega-Martijn van 10 april 2012 wordt de regering verzocht om met gemeenten afspraken te maken over het tijdig informeren van mensen over de gevolgen van kabinetsmaatregelen en de mogelijkheden die er zijn voor preventieve begeleiding om schulden te voorkomen. De inhoud van deze motie heb ik besproken tijdens het Bestuurlijk Overleg met de VNG op 28 juni jl. De VNG heeft aangegeven hier al actief op in te zetten. Via de website van de VNG worden gemeenten opgeroepen extra aandacht te besteden aan het actief benaderen van hun burgers door informatie en voorlichting te geven. Daarnaast zijn tijdens het overleg andere mogelijkheden genoemd zoals signalering bij het niet betalen van provinciale/waterschapsheffingen, goede communicatie met andere partijen, zoals de Kamer van Koophandel, het Rijksmedium Postbus 51 (sinds 1 juli «Rijksoverheid») en aankomende congressen die aangegrepen kunnen worden als momenta om publiciteit te genereren voor het belang van tijdige informatie en preventieve begeleiding.

10. Stand van zaken pilots Geldloket

Mevrouw Koser-Kaya heeft gevraagd naar de stand van zaken rond de pilots Geldloket. Deze pilots zijn een initiatief van het platform Wijzer in Geldzaken, een initiatief van het Ministerie van Financiën, waaraan ook financieel wordt bijgedragen door het Ministerie van SZW.

Het doel van de pilots is te kijken in hoeverre er bij consumenten behoefte is aan een fysiek loket voor vragen over geldzaken. Daarnaast wordt er bekeken hoe het beste in deze behoefte kan worden voorzien. De voornaamste activiteiten van het Wijzer in geldzaken Geldloket zijn voorlichting en praktische assistentie (zoals checklists en brochures) bij vragen over geldzaken. Indien nodig wordt doorverwezen naar relevante (lokale) instanties.

In een eerste fase is een verkenning uitgevoerd naar doel en reikwijdte van de pilots, financiering, te betrekken organisaties en beschikbare locaties. De tweede fase betrof de daadwerkelijke opzet en inrichting van de geldloketten, uitmondend in de opening op respectievelijk 23 en 31 mei 2012. De pilots zijn vormgegeven in Amersfoort en Den Bosch. Er wordt samengewerkt met lokale instanties vanwege hun kennis en netwerk. In de pilot Den Bosch wordt samengewerkt met de vestiging van het Juridisch Loket. In Amersfoort is er samenwerking met Stadsring51, de organisatie die de schuldhulpverlening en -preventie voor de gemeente Amersfoort uitvoert.

De pilots hebben een looptijd van een jaar. Gedurende het jaar zullen onder andere de belangstelling voor het Geldloket en de kwaliteit van de dienstverlening worden geëvalueerd. Na deze periode wordt er bekeken of en zo ja, in welke vorm er behoefte is aan deze manier van voorlichting en of een mogelijk vervolg haalbaar en wenselijk is.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, P. de Krom


X Noot
1

Een overzicht van de uitgaven is opgenomen in het rapport Tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009–2011: besteding, effecten en duurzaamheid. De actuele uitgaven bedroegen op dat moment € 3,8 miljoen (bijlage bij Kamerstukken II, 2011/2012, 33 000 XV, nr. 66).