Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201227859 nr. 57

27 859 Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

Nr. 57 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 november 2011

Deze brief stuur ik u mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in voorbereiding op het AO Gemeentelijke Basisadministratie van 30 november a.s. In deze brief informeer ik u in verband met de ingediende moties en over de toezeggingen die ik in het AO van 13 april 2011 (Kamerstuk 27 859, nr. 43) en het VAO van 13 oktober 2011 (Handelingen II 2011/12, nr. 12, behandeling van het verslag van een algemeen overleg over modernisering GBA) heb gedaan. Daarbij komen aan de orde:

  • 1. stand van zaken kwaliteit adresgegevens in de GBA (tevens moties 27 859, nrs. 51, 54 en 55 en de brief van de commissie BiZA van 7 november 2011;

  • 2. werkwijze en beleidsregels van het UWV (tevens motie 27 859, nr. 50);

  • 3. programma modernisering GBA (mGBA):

    • a. de oorspronkelijke uitgangspunten van het Besluit Aanbestedings-strategie mGBA (motie 27 859, nr. 49);

    • b. voortgangsinformatie programma mGBA;

    • c. de vraag van mevrouw Hennis-Plasschaert over de kosten van externe adviseurs.

1. Stand van zaken kwaliteit adresgegevens in de GBA

Op het punt van de kwaliteit van de adresgegevens in de GBA is er nog steeds sprake van een grote uitdaging. Dit betreft de bijhouding van het adresgegeven met name van burgers die het niet zo nauw nemen met de regels en bijvoorbeeld voortdurend verhuizen zonder dit te melden of die soms zelfs opzettelijk het verkeerde adres doorgeven. Ik ben mij er terdege van bewust dat hier sprake is van een fors probleem, mede gezien het nog immer toenemende belang van de overheid om te kunnen beschikken over het juiste adres van de burger. Het mag niet zo zijn dat bepaalde burgers zich onvindbaar maken of ten onrechte uitkeringen kunnen genieten. Hoewel al veel wordt gedaan om de kwaliteit van het adresgegeven zo goed mogelijk op orde te krijgen, zijn we er nog niet. Dat blijkt uit verschillende onderzoeken die recent hebben plaatsgevonden.

Deze onderzoeken komen hieronder aan de orde. Daaruit blijkt dat op een aantal gebieden nog gerichte inspanningen nodig zijn, hetzij in de vorm van intensivering van bestaande maatregelen, hetzij door het treffen van nieuwe maatregelen. Ik licht hieronder toe welke maatregelen ik neem om de kwaliteit van het adresgegeven op het juiste niveau te brengen. In dat kader ben ik bereid om zowel de gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de bijhouding van de GBA, als de gebruikers die verantwoordelijk zijn voor het doen van terugmeldingen indien zij over afwijkende adresgegevens beschikken, te ondersteunen. Ik verwacht van hen dat zij binnen hun eigen organisaties al datgene doen wat nodig is om een goede informatie-uitwisseling over het adres van burgers te bewerkstelligen.

1.1 Onderzoek onbewoonde adressen

In het kader van specifiek geselecteerde adressen van leegstaande woningen blijkt dat in 22,7% van de gevallen een adres als onbewoond geregistreerd staat terwijl bij huisbezoek blijkt dat het adres toch bewoond is. Gemeenten moeten gestimuleerd worden om samenwerking te zoeken met gebruikers die wel op de hoogte kunnen zijn van het feit dat een leegstaand pand toch bewoond is. De gemeenten ontvangen hierover binnenkort een brief, waarin de aanpak van de gemeente Rotterdam als een goed voorbeeld naar voren zal worden gebracht. Deze gemeente heeft ervoor gekozen om wat betreft huurwoningen samenwerking te zoeken met woningcorporaties en wat betreft woningen in particulier bezit met de Belastingdienst en energiebedrijven. Dit soort initiatieven zijn ingegeven door de lokale situatie en blijken zeer effectief.

1.2 Onderzoek van de gemeente Amsterdam naar adresverschillen met UWV

In de gemeente Amsterdam is een onderzoek uitgevoerd naar adresverschillen tussen de UWV polisadministratie (loonaangiftes) en de GBA Amsterdam. Het onderzoek is gedaan in samenwerking met BZK, SZW, UWV en de Belastingdienst. Uit het onderzoek blijkt dat ca. 58 000 personen over een langere periode een afwijkend adres aan hun inhoudingsplichtige (bijvoorbeeld werkgever, pensioenfonds) opgeven. Dit is 7,5 procent van de Amsterdamse bevolking. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven een aantal acties uit te zullen voeren ten aanzien van deze groep personen. Waar sprake blijkt van fraudemotieven voor het niet juist inschrijven in de GBA, zullen personen in samenwerking met ketenpartners worden aangepakt. Onrechtmatige uitkeringen en het ontlopen van vorderingen zullen worden gecorrigeerd. Ten behoeve hiervan wil de gemeente Amsterdam onder meer via haar Bureau Zoeklicht laten nagaan in welke gevallen sprake is van fraude. Waar geen sprake is van fraude en wel een plicht bestaat tot inschrijving, zullen burgers worden benaderd met het verzoek om zich alsnog in te schrijven in de GBA. De gemeente Amsterdam heeft de rijksoverheid gevraagd om beschikbaarstelling van financiële middelen en capaciteit ten behoeve van deze aanpak. De minister van SZW heeft reeds aangegeven bereid te zijn op onderdelen bij te dragen aan de aanpak van de gemeente Amsterdam. De last ligt niet volledig bij de gemeente en daarom worden die maatregelen getroffen die nodig zijn om de gemeente optimaal te ondersteunen. Met de gemeente Amsterdam zal in overleg worden getreden om te bepalen welke concrete bijdragen vanuit het Rijk bij de hierboven beschreven aanpak noodzakelijk zijn.

1.3 Onderzoek naar gebruik GBA en het terugmelden van afwijkende gegevens

Uit recent onderzoek (als bijlage bijgesloten)1 naar het gebruik van de GBA binnen de overheid komt naar voren dat dit gebruik intensief is. Alle gemeenten gebruiken de GBA als basisregistratie. Voorts gebruiken overheidsinstanties de GBA miljoenen keren per jaar als bron van persoonsinformatie voor de uitvoering van hun taken. Het terugmelden blijft echter achter, gelet op het enorme gebruik dat er van de GBA wordt gemaakt. Een van de belangrijkste redenen is de invulling van de in de Wet GBA opgenomen regel dat terugmelding dient plaats te vinden indien de gebruiker «gerede twijfel» heeft over de juistheid van het gegeven dat hij verstrekt heeft gekregen uit de GBA. Het blijkt dat de criteria die gebruikers zichzelf stellen te streng zijn, gezien het wettelijk kader voor terugmelden. Het is in veel gevallen niet nodig dat gebruikers zelf eerst onderzoek doen voordat ze terugmelden. In het algemeen is het constateren van een verschil met de GBA al voldoende voor de mogelijkheid van een terugmelding. Ook blijken gebruikers soms onterecht het terugmelden te koppelen aan het verplicht moeten gebruiken van de GBA. Voorts blijken afnemers de terugmeldvoorziening van de GBA nog onvoldoende te gebruiken.

Ik benader alle gebruikers van de GBA nogmaals actief om de terugmeldvoorziening van de GBA (TMV) daadwerkelijk te gebruiken. Tevens wordt een praktijkproef ingezet met een generieke terugmeldvoorziening voor alle basisregistraties (Digimelding) waarbij een tiental gemeenten deze voorziening zullen beoordelen op toepasbaarheid. De inzet is om een flexibele digimelding op te zetten die beantwoordt aan de behoeften van gebruikers. Er zal een circulaire uitgaan over de toepassing van het wettelijk begrip «gerede twijfel» waardoor gebruikers beter weten wanneer ze moeten terugmelden. Daarin zullen overheidsinstanties die niet of slechts voor bepaalde taken gebruiker zijn van de GBA er op worden gewezen dat zij ook onder toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens adresinformatie aan gemeenten kunnen verstrekken met het oog op een correcte bijhouding van de GBA. Complementaire maatregelen die zich richten tot de gemeenten zijn een uitgebreider protocol voor het doen van adresonderzoek naar aanleiding van terugmeldingen en de invoering van een code in de GBA waarbij gemeenten in het kader van een lopend adresonderzoek al aan de gebruikers kunnen aangeven dat de betrokkene niet meer op het oude adres woont.

1.4 Onderzoek CBS naar «Spookburgers» (Brief cie BiZa van 7 november 2011)

Diverse media berichten over spookburgers die misbruik zouden maken van de voorzieningen in Nederland en fraude plegen. Een belangrijke categorie «spookburgers» zijn de burgers die zonder daarvan melding te doen uit de gemeente zijn vertrokken en niet meer in Nederland te vinden zijn. Zij worden na onderzoek in de GBA geregistreerd als VOW-er (Vertrokken Onbekend Waarheen).

Het CBS heeft onderzoek gedaan naar de demografische en sociaal-economische kenmerken van deze personen, zodat een gerichte aanpak van risicogroepen mogelijk wordt. De gegevens voor het onderzoek zijn afkomstig uit de GBA en het Sociaal Statistisch Bestand (SSB). Dit laatste bestand bevat onder andere gegevens over banen, uitkeringen en re-integratie en zijn afgeleid uit uitkerings- en re-integratieregistraties van gemeenten en UWV, gegevens van de Belastingdienst, onderwijsregistraties én de Polisadministratie. Het onderzoeksrapport is beschikbaar op www.cbs.nl. Jaarlijks registreren de gemeenten 65 000 personen als VOW, waardoor zij niet langer als ingezetene van Nederland te boek staan. De toename van de jaarlijkse uitstroom is ten dele een gevolg van de toegenomen mobiliteit van mensen. Een groot deel van de VOW’ers vertrekt naar het buitenland. Veel VOW-registraties zijn tijdelijk: iets meer dan de helft van de VOW-ers keert binnen twee jaar terug en wordt weer ingeschreven in de GBA. Een kwart van de VOW’ers keert zelfs binnen een half jaar terug. Uit het onderzoek kan voorts geen bevestiging van het beeld worden ontleend dat VOW’ers op grote schaal misbruik maken van de voorzieningen.

Onder punt 2 van deze brief zijn de specifieke acties van het UWV genoemd om de VOW-problematiek aan te pakken.

Er wordt nu onderzocht wat aard en omvang is van de negatieve maatschappelijke gevolgen van de VOW-problematiek. Hierbij worden niet alleen de VOW-ers uit de GBA betrokken maar ook de personen die niet of niet geheel juist in de GBA staan.

Dit onderzoek is niet eenvoudig. Het is immers lastig om te constateren wanneer er sprake is van misbruik: de enkele constatering dat een persoon fout in een registratie staat, is niet voldoende. Bijvoorbeeld: iemand met een AOW-uitkering die VOW staat en in Spanje woont, maakt geen misbruik want hij heeft recht op die uitkering. Tegelijk is niet duidelijk of deze persoon is vergeten om zijn emigratie door te geven of daar andere redenen voor heeft, bijvoorbeeld een belastingschuld ontduiken. Ook iemand met een pied-à-terre in Amsterdam en een boerderij in Groningen maakt nog geen misbruik omdat hij verschillende adressen heeft. Dit vergt een zorgvuldig onderzoek in verschillende registraties waarbij verschillende taakopvattingen, uitgangspunten en definities gelden en rekening moet worden gehouden met de bescherming van de privacy. Mijn streven is om u zo snel mogelijk te berichten over de voortgang van dit onderzoek.

Met het samenvoegen van ingezetenen en niet-ingezetenen in de basisregistratie personen (BRP) ontstaat de mogelijkheid om gegevens van niet-ingezetenen, waaronder adressen, bij te houden in de BRP. Deze bijhouding maakt gebruik van adresinformatie van een aantal bestuursorganen zoals Belastingdienst, SVB, UWV en CvZ. Deze nieuwe manier van samenwerking tussen overheidsorganisaties bij de bijhouding van een basisregistratie betekent dat informatie steeds meer een gemeenschappelijk goed wordt en de kwaliteit ervan een gedeelde verantwoordelijkheid. Deze samenvoeging zal samen de hierboven genoemde maatregelen om het terugmelden te verbeteren een sluitende registratie van ingezetenen en niet-ingezetenen verder bevorderen. In dit wetsvoorstel is ook geregeld dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd aan burgers die geen inlichtingen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de GBA op het moment dat de gemeente daarom verzoekt. Het wetsvoorstel BRP ligt bij de Raad van State ter advisering. Overigens zal in het kader van dit wetsvoorstel de bij het AO van 13 april jl. gedane toezegging over de registratie van de vreemde nationaliteit gestalte worden gegeven.

1.5 Moties (27 859, nrs. 51, 54, 55)

In de aangehouden motie van Kamerlid Elissen (27 859, nr. 51) wordt de regering verzocht er op toe te zien dat alle onderdelen van de semi-overheid die werken met persoons- en adresgegevens en die geautoriseerd kunnen worden voor de GBA, de GBA als bron (gaan) gebruiken en geen schaduwadministraties meer bijhouden. Uit onderzoek naar het gebruik van de GBA als basisregistratie (zie bijlage)1 blijkt dat er geen schaduwadministraties worden bijgehouden, maar dat er soms wel behoefte is aan aanvullende gegevens zoals het (tijdelijke) correspondentieadres.

Het bijhouden van extra adresinformatie gebeurt op beperkte schaal en is functioneel.

In dit verband is het relevant om te vermelden dat burgers via MijnOverheid.nl kunnen inzien met welke gegevens zij in de GBA zijn opgenomen. Ik zal bekijken of de berichtenbox van MijnOverheid een platform kan zijn waarmee burgers en gebruikers met elkaar kunnen communiceren ingeval van een tijdelijk verblijf, bijvoorbeeld in een zorginstelling. Dan zou het bijhouden van correspondentieadressen door gebruikers niet meer nodig moeten zijn. Ik laat op dit moment ook bekijken of en hoe het mogelijk kan worden gemaakt dat burgers direct wijzigingen in hun gegevens kunnen doorgeven via MijnOverheid.nl.

Als het gaat om terugmelden zie ik de moties van kamerleden Elissen en Heijnen (27 859, nrs. 54 en 55) als ondersteuning van beleid en de hiervoor genoemde maatregelen. Uit het onderzoek, genoemd onder 1.3, blijkt dat er niet zozeer sprake is van regelgeving die strijdig is met het verplicht gebruik van de GBA of de mogelijkheden tot terugmelding. Wel is er soms sprake van regelgeving waarbij de inschrijving in de GBA met een actueel adres geen voorwaarde is voor het leveren van een overheidsdienst, maar dat staat het terugmelden op zich niet in de weg. Verder wordt een instrument ontwikkeld waarmee de snelheid van afhandeling van terugmeldingen door gemeenten kan worden gemeten. Dit is onderdeel van het reeds aangekondigde jaarlijkse evaluatie-instrument dat de huidige driejaarlijkse audit gaat vervangen (Kamerbrief van 24 juni 2010 (Kamerstuk 27 859, nr. 38). Medio november start een pilot met 17 gemeenten om de bruikbaarheid van het evaluatie-instrument in de praktijk te toetsen.

1.6 Aansluiting GBA – BAG (Basisregistraties Adressen en Gebouwen)

Als het gaat om de kwaliteit van adresgegevens is nog vermeldenswaardig wat de voortgang van de aansluiting van de GBA op de BAG is. Op 1 november 2011 hadden 363 van de 418 gemeenten deze koppeling operationeel. Op 1 december zullen 394 gemeenten de koppeling gerealiseerd hebben. Van 4 gemeenten is een datum ingepland vóór 1 januari. Vanwege gemeentelijke herindelingen is met 4 gemeenten afgesproken dat zij zo spoedig mogelijk na 1 januari 2012 de koppeling tussen de BAG en de GBA gaan leggen. Met de overige achterblijvende gemeenten zijn afspraken gemaakt dat zij wekelijks de voortgang aan het Agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) van het ministerie van BZK rapporteren.

2. Werkwijze UWV

In de motie van het lid Koopmans (27 858, nr. 50) wordt de regering verzocht om de beleidsregels van het UWV inzake het gebruik van GBA-gegevens te laten herroepen en voor het UWV te bepalen dat het moet bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van de GBA. Tevens wordt de regering verzocht om het UWV te verplichten periodiek aan het Agentschap BPR een overzicht ter beschikking te stellen van adresgegevens uit de loonaangifte die afwijken van de adresgegevens in de GBA.

Zoals ik heb aangegeven in het VAO GBA van 13 oktober jl. ben ik van mening dat de betreffende beleidsregels van het UWV over het gebruik van GBA-gegevens in overeenstemming zijn met de huidige wet- en regelgeving en met de aan uw Kamer verzonden brief van 8 juli jl. (Kamerstuk 27 859, nr. 46). In deze brief heb ik aangegeven dat het uitgangspunt bij het UWV is dat de GBA wordt gebruikt. Onder bepaalde omstandigheden kan om praktische redenen een ander adres worden gehanteerd in aanvulling op het adres uit de GBA, zoals bijvoorbeeld het gebruik van het adres van een zorginstelling waarin betrokkene voor een korte periode is opgenomen als tijdelijk correspondentieadres. Het UWV heeft de omstandigheden waarbij een ander adres kan worden gehanteerd geëxpliciteerd in de beleidsregels. In de toelichting bij de beleidsregels van het UWV is aangegeven dat de enkele constatering van een verschil niet altijd toereikend is voor UWV om dit verschil terug te melden. Pas als het UWV gerede twijfel heeft bij de juistheid van het adres, meldt UWV het adres terug. De beleidsregels sluiten daarmee aan bij de huidige kaders van de wet en bij de brief aan de Kamer van 8 juli jl. Ik betreur het dan ook als in de toelichting op de beleidsregels de indruk wordt gewekt dat het UWV niet wil bijdragen aan kwaliteitsverbetering van de GBA.

Ik begrijp de zorg van de Kamer dat het noodzakelijk is dat de bij de verschillende overheden bekende adressen gedeeld kunnen worden. Zoals aangegeven in de brief van 8 juli jl. vind ik het wenselijk dat adressen door overheden aan elkaar kunnen worden doorgegeven, ook als er geen gerede twijfel is, omdat burgers zich nooit -opzettelijk of onopzettelijk- onvindbaar mogen maken voor de overheid. De minister van SZW bereidt dan ook aanpassing van regelgeving voor om het voor het UWV mogelijk te maken adresgegevens die afwijken van de GBA ter beschikking te stellen aan gemeenten. De minister van SZW zal UWV verzoeken om de voorbereidingen te treffen voor de gegevensverstrekking en in samenspraak met mijn ministerie en gemeenten te bezien hoe hier op efficiënte wijze invulling aan kan worden gegeven. Dit vergt zowel bij UWV als bij gemeenten voorbereidingen en proces aanpassingen. De verwachting is dat juli 2012 de eerste verstrekkingen kunnen gaan plaatsvinden. De aanpassingen in de regelgeving zullen tevens leiden tot aanpassing van de beleidsregels van UWV c.q. de toelichting hierop.

Verder is het UWV gestart met het aanschrijven van de personen die een uitkering van het UWV ontvangen en een Nederlands correspondentieadres bij het UWV hanteren, maar in de GBA als «Vertrokken onbekend waarheen» (VOW) staan geregistreerd (VOW). Het UWV verzoekt deze personen zich zo snel mogelijk te melden bij de gemeente waar zij wonen. Ook de betreffende gemeente wordt ingelicht met vermelding van het bij UWV bekende adres. Met deze acties levert het UWV een bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van de GBA.

De minister van SZW bereidt tot slot een wetsvoorstel voor om het mogelijk te maken uitkeringen op te schorten dan wel niet in behandeling te nemen indien de betrokkene als VOW in de GBA staat geregistreerd, terwijl in het kader van het verstrekken van een uitkering het gegronde vermoeden is gerezen dat betrokkene in de GBA als ingezetene geregistreerd dient te zijn op een woonadres of briefadres als bedoeld in de Wet GBA. Hierbij zal rekening worden gehouden met omstandigheden die buiten de macht van de burger liggen.

3. Programma Modernisering GBA

In mijn brief van 13 september jl. heb ik u bericht over de vervolgaanpak van het programma mGBA waarmee ik, op advies van de stuurgroep mGBA, heb ingestemd. Het programma heeft de daartoe behorende werkzaamheden voortvarend aangepakt en de uitvoering ervan verloopt binnen de planning en binnen de begroting die daarvoor is opgesteld. In aanvulling op mijn eerdere brief meld ik u een aantal nadere punten.

3.1 Aanbestedingsstrategie mGBA

In het VAO van 13 oktober heeft de heer Koopmans een motie ingediend over de aanbestedingsstrategie van het programma mGBA en RNI (registratie niet-ingezetenen (Kamerstuk 27 859, nr. 49). Over deze aanbestedingsstrategie heeft de toenmalige staatssecretaris van BZK u geïnformeerd in de brief van 19 januari 2010 (Kamerstuk 27 859, nr. 31).

De aanbestedingsstrategie heeft als doel om resultaatgericht en met een goede prijs-kwaliteitverhouding aan een achttal leveranciers opdrachten te verlenen voor het realiseren van de ICT-voorzieningen die nodig zijn voor de modernisering van de GBA. In de strategie is rekening gehouden met twee mogelijke vormen voor het verlenen van opdrachten: 1) inhuren van medewerkers van de mantelpartijen (inspanningsverplichting), die onder een directe en resultaatgerichte aansturing van het programma aan producten werken of 2) uitbesteden van afgebakende pakketten werk tegen een vooraf bepaalde prijs (resultaatverplichtingen).

Het uitgangspunt van het programma is dat resultaatgericht moet worden gewerkt. De mantelovereenkomst kent daarnaast een regeling voor financiële compensatie van de opdrachtgever indien het programma vertraging heeft opgelopen door toedoen van een leverancier. Er is dus geen sprake van dat alleen de overheid risico’s loopt.

Het ontwikkelen en realiseren van de mGBA-voorzieningen is meer dan het aanschaffen van een kant-en-klaar ICT-product. Er moet sprake zijn van een bewezen werking in een ingewikkeld stelsel van registraties die bij meer dan 1000 verschillende gebruikers met allen hun eigen ICT-omgeving draaiend moet blijven. Een leverancier die bereid is voor het leveren van dergelijke producten een resultaatverplichting aan te gaan, zal daarvoor een risico-opslag berekenen. Per saldo kan dit een prijsverhogend effect hebben, waartegen de voordelen van zo’n uitbesteding niet opwegen. Daarom is er bij de uitwerking van de aanbestedingsstrategie in essentie voor gekozen om bij iedere afzonderlijke opdracht een weloverwogen keuze voor inspanningsverplichting of resultaatsverplichting te maken.

In reactie op de motie kan verder worden aangegeven dat de aanbevelingen van de Gateway Review zijn uitgewerkt in een verbeterd planning- en controle-instrumentarium (zie hierna onder 3.2). Ik deel voorts de opvatting dat de werkzaamheden van het programma mGBA moeten worden verdeeld in logische, zelfstandige bouwstenen en opdrachten.

Concluderend, de uitvoeringspraktijk van het programma mGBA is in overeenstemming met de aanbestedingsstrategie en de daarop gebaseerde raamovereenkomst.

3.2 Voortgangsinformatie mGBA

Bij mijn brief van 13 september 2011 (Kamerstuk 27 859, nr. 48) heb ik u het rapport van de Gateway Review over mGBA van augustus 2011 toegezonden, met daarbij een overzicht van mijn reactie op de aanbevelingen. Ik heb u toen gemeld dat voor een groot deel van de aanbevelingen de uitvoering al was gestart dan wel dat daarvoor voorbereidingen waren getroffen. Inmiddels zijn deze acties verder uitgewerkt of gerealiseerd.

In de Gatewayreview wordt aanbevolen om over een aantal onderwerpen, waarvan sommige reeds langere tijd spelen, cruciale keuzes te maken. Deze keuzes en beslissingen betreffen:

  • a) de sturing van het programma;

  • b) de migratieaanpak

  • c) de verwervingsstrategie voor Burgerzakenmodules

  • d) de afbakening tussen de centrale BRP-voorzieningen en de Burgerzakenmodules

  • e) de implementatiestrategie voor gemeenten

Ik kan u op dit punt het volgende melden:

Ad a) het uitvoeren van maatregelen voor sturing, beheersing, transparantie en verantwoording is eerder dit jaar gestart en wordt onverminderd voortgezet;

Ad b) De hoofdlijnen van de migratieaanpak zijn vastgesteld in augustus van dit jaar en verder uitgewerkt in oktober;

Ad c) Het vaststellen van een verwervingsstrategie voor de Burgerzakenmodules is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het bestuur van de VNG heeft in oktober besloten dat hiervoor een gezamenlijke aanpak wordt geformuleerd. Mij is gemeld dat hierover begin volgend jaar een definitief voorstel aan de gemeenten wordt gedaan;

Ad d) De hiervoor benodigde beleidsbeslissingen zijn genomen en deze worden nu technisch uitgewerkt. De resultaten zijn gepubliceerd en derhalve beschikbaar voor leveranciers;

Ad e) De implementatiestrategie is in augustus van dit jaar vastgesteld. De verantwoordelijkheid voor deze strategie berust bij de gemeenten zelf. In oktober jl. heeft het bestuur van de VNG aan KING, Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten, opdracht gegeven om de gemeenten bij de implementatie te ondersteunen.

Een compleet overzicht van de stand van zaken per medio november 2011 Uitvoering Aanbevelingen Gatewayreview voeg ik als bijlage bij deze brief1.

3.3 Kosten externe inhuur

In het AO van 13 april jl. heeft mevrouw Hennis-Plasschaert informatie gevraagd over de kosten van externe deskundigen (consultants) die voor het programma zijn ingeschakeld.

Het uitgangspunt bij de realisering van het programma mGBA is dat externe inhuur alléén plaatsvindt indien:

  • voor de betreffende functies geen ambtelijke medewerkers te vinden zijn;

  • specialistische kennis slechts voor een korte periode nodig is, omdat dat goedkoper is dan vast aanstellen.

Sinds de start van het programma mGBA in 2009 t/m heden zijn de uitgaven hiervoor aan externen € 7,9 mln op een totaal van € 13,3 mln.

4. Ten slotte

Uiteindelijk gaat het bij het registreren van persoonsgegevens om mensen en alle ontwikkelingen die zich in een mensenleven kunnen voordoen. Voor een registratie als de GBA is alles erop gericht om de doorlooptijd tussen gebeurtenis en vastlegging zo kort mogelijk te houden, opdat de actuele situatie zo dicht mogelijk wordt benaderd. Belangrijk hierbij is dat alle betrokkenen (gemeenten, gebruikers én burgers) goed blijven samen werken om de mutaties tijdig aan te leveren en snel te verwerken.

Het is mijn overtuiging, dat met de aangekondigde acties en de inzet van alle betrokkenen een kwalitatief hoogwaardige basisregistratie personen kan worden bereikt.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.