Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 90, pagina 5130-5132

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 4 juli 2007 over de duurzame productie van biomassa.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter, ik dien een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering voornemens is, op termijn criteria vast te stellen voor de invoer van duurzaam geproduceerde biomassa;

overwegende dat er in de tussentijd een ongewenst anticipatie-effect kan optreden waarbij in de komende jaren extra hoeveelheden niet duurzaam geproduceerde biomassa worden gehamsterd;

verzoekt de regering, streng toe te zien op ongewenst hamstergedrag van niet duurzaam geproduceerde biomassa en passende maatregelen en mogelijke sancties hiertegen uit te werken en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te berichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Koşer Kaya, Van der Ham, Jansen en Neppérus. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27(30305).

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Ik zal twee moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gebruik van biomassa die niet aan de duurzaamheidscriteria voldoet, onwenselijk is en dat dit dus zeker niet gestimuleerd moet worden;

spreekt uit dat in de toekomstige Stimuleringsregeling Duurzame Energie slechts gecertificeerde biomassa in aanmerking dient te komen voor een bijdrage,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jansen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28(30305).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • - alleen duurzame biomassa een bijdrage kan leveren aan de CO2-reductie, zonder onacceptabele neveneffecten;

  • - de invoering van een sluitend en handhaafbaar stelsel van duurzaamheidscriteria naar schatting nog ten minste vijf jaar zal kosten;

  • - er grote vraagtekens worden gezet bij de duurzaamheid van geïmporteerde biobrandstoffen;

  • - bio-ethanol onder twee verschillende tariefcodes Europa wordt binnengevoerd (2207.1000 en 2207.2000) en dat Nederland in afwijking van vrijwel alle andere EU-lidstaten nationaal heeft gekozen voor het laagste importtarief (2207.2000);

  • - in Duitsland het hoge importtarief al sinds 2003 van kracht is, zonder dat enig WTO-lid daar bezwaar tegen gemaakt heeft;

  • - de Nederlandse biobrandstoffenwetgeving de ontwikkeling van tweede generatie-biobrandstoffen op basis van reststoffen belemmert;

verzoekt de regering, de AMvB Besluit Biobrandstoffen Wegverkeer 2007 voor het einde van het jaar zodanig aan te passen dat alleen bio-ethanol, vallend onder tariefcode 2207.1000, als biobrandstof wordt bijgemengd, tot het moment waarop een sluitend en handhaafbaar stelsel van duurzaamheidscriteria voor de productie van bio-ethanol beschikbaar komt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jansen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29(30305).

Mevrouw Spies (CDA):

Voorzitter, ook ik dien twee moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gebruik van biomassa en biobrandstoffen in Nederland niet mag leiden tot milieuvervuiling, sociale problemen en destructie van habitats in ontwikkelingslanden;

overwegende dat het stimuleren van het gebruik van biomassa en biobrandstoffen alleen wenselijk is als aan duurzaamheidscriteria wordt voldaan;

overwegende dat het uitsluitend invoeren van een rapportageverplichting onvoldoende garanties biedt dat deze criteria daadwerkelijk worden toegepast;

verzoekt de regering, bij de stimulering van duurzame energie de volgende voorwaarden op te nemen:

  • - voor palmolieproducten: indien beschikbaar RSPO-certificering, aangevuld met de eis dat de besparing van broeikasgasemissies 50% bedraagt;

  • - voor overige biomassaproducten: minimaal voldoen aan de criteria voor duurzame productie van biomassa, waarbij de conversiedatum voor landconversie op 2005 wordt gezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Spies, Samsom, Wiegman-van Meppelen Scheppink, Jansen en Duyvendak.

Zij krijgt nr. 30(30305).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gebruik van biomassa en biobrandstoffen gebonden moet zijn aan duurzaamheidscriteria;

overwegende dat de criteria van de commissie duurzame productie van biomassa hiervoor een bruikbare aanzet bieden;

overwegende dat ook de afstand tussen plaats van productie en plaats van verwerking zowel direct als indirect van invloed is op de mate waarin biomassa als duurzaam kan worden aangemerkt;

verzoekt de regering, te bezien of het mogelijk is een dergelijk "nabijheidsvereiste" toe te voegen aan de duurzaamheidscriteria,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Spies, Wiegman-van Meppelen Scheppink en Jansen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31(30305).

Minister Cramer:

Voorzitter. Allereerst wil ik iets zeggen over de motie van de leden Spies, Wiegman en Jansen. Daarmee wordt de regering verzocht om te bezien of het mogelijk is een nabijheidsvereiste toe te voegen aan de duurzaamheidscriteria. Ik ontraad aanneming van deze motie. Het criterium broeikasgasbalans bevat wel degelijk het aspect transport. Het is mijns inziens om diverse redenen onverstandig om het aspect transport als een apart criterium op te nemen.

De motie van de heer Jansen verzoekt om in de toekomstige stimuleringsregeling duurzame energie slechts gecertificeerde biomassa in aanmerking te laten komen. Aanneming van deze motie moet ik ontraden. Ten aanzien hiervan is in het AO een onderbouwing gegeven die betrekking heeft op het op dit moment nog niet kunnen certificeren van alle biomassa die gebruikt wordt. Wel treffen wij een regeling waarbij de bedrijven zelf moeten verantwoorden dat zij de duurzaamheidscriteria zo veel als mogelijk toepassen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

U heeft zo-even gezegd dat er diverse redenen zijn waarom u aanneming van mijn motie ontraadt. Ik zou graag vernemen wat die redenen zijn.

Minister Cramer:

De heer Koenders en ik willen geen verschil maken in waar de biomassa vandaan komt. Als er maar duurzaam geproduceerd wordt. Als wij in staat zijn om ook in ontwikkelingslanden een proces op gang te brengen waarbij biomassa op een duurzame wijze geproduceerd wordt en dit ten goede komt aan de lokale economie, dan zijn wij daar groot voorstander van. Wij zouden niet discriminerend willen optreden.

De motie van de leden Spies, Samsom, Wiegman, Jansen en Duyvendak verzoekt de regering bij stimulering van duurzame energie een aantal voorwaarden op te nemen. In de huidige vorm moet ik aanneming van deze motie ontraden. Aan de andere kant zou ik het oordeel erover aan de Kamer willen overlaten. In de motie wordt in één zin gesproken over zowel biomassa als biobrandstoffen. Wij moeten een onderscheid maken tussen het gebruik van biomassa in het kader van de MEP-regeling en het gebruik van de biomassa in het kader van biobrandstoffen. Als alleen de biomassa in relatie tot de MEP in de motie was genoemd, had ik willen voorstellen om deze motie aan te houden om ook de minister van EZ, die hoofdverantwoordelijke is voor de MEP, de gelegenheid te geven op deze motie te reageren. Er liggen al een aantal toezeggingen over de vormgeving van de MEP waarover wij na de zomer bij de Kamer zullen terugkomen. Dus als wij alleen over de biobrandstoffen spreken, zou ik de motie willen steunen. Zodra het technisch en juridisch mogelijk is, willen wij minimumeisen opleggen. Vanwege de WTO is het van belang dat wij dat kunnen controleren en bewijzen, hetgeen wij op dit moment nog niet wettelijk kunnen verankeren. De WTO stelt ook eisen ten aanzien van de criteria die je wettelijk mag verankeren. Zeer waarschijnlijk zal het WTO-proof zijn om de broeikasgasbalans wettelijk te regelen maar sommige van de andere criteria kunnen wij volgens de WTO weer niet juridisch vastleggen. Derhalve zou ik het oordeel over de motie aan de Kamer willen overlaten, wetende dat er een verschil is tussen wat je in de MEP kan regelen en wat je via de Biobrandstofrichtlijn wettelijk kan regelen.

Minister Koenders:

Mevrouw de voorzitter. Ik wil reageren op de motie die is ingediend door mevrouw Koşer Kaya waarin de regering wordt verzocht toe te zien op ongewenst hamstergedrag van niet duurzaam geproduceerde biomassa en passende maatregelen en mogelijke sancties hiertegen uit te werken. Ten eerste gaat de motie uit van een veronderstelling van marktgedrag, waar geen enkele aanwijzing voor bestaat. Ten tweede spreekt hieruit weinig vertrouwen in de partners met wie wij juist een certificeringssysteem ontwikkelen. Ten derde zou de motie zeer moeilijk uitvoerbaar zijn, mocht er al sprake zijn van hamstergedrag, maar daar heb ik geen enkele aanwijzing voor. Verder zie ik er weinig in om op basis daarvan juridisch sluitende sancties op te leggen. Het aannemen van deze motie wil ik dan ook ontraden.

Dan ga ik in op de motie van de heer Jansen waarin de regering wordt verzocht om de AMvB Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 zo aan te passen dat alleen bio-ethanol vallend onder de tariefcode 2207.1000 als biobrandstof wordt bijgemengd. Hierover heb ik op verzoek van mevrouw Spies samen met staatssecretaris Heemskerk een brief geschreven aan de Kamer. Gisteren hebben wij aangegeven dat de regering zeer actief betrokken is bij het vormgeven van een certificeringssysteem voor biomassa, omdat dit essentieel is voor ontwikkelingslanden. Daarbij hebben wij gewezen op enerzijds de kansen voor en anderzijds de risico's met betrekking tot duurzaamheid, concurrentie met voedsel en dergelijke. Ik heb gisteren ook aangegeven dat een neo-protectionistische politiek, die in dit kader wordt voorgestaan, contraproductief is. Dat is niet anders dan de bescherming van een aantal Nederlandse bedrijven. Ik heb tevens aangegeven dat de regering vanuit WTO-perspectief niet in staat is om verschillende tarieven aan te merken op basis van de wijze waarop iets is geproduceerd. Dat is gewoon niet volgens de regels van de WTO. Het is best mogelijk dat een van de andere lidstaten van de Europese Unie daar een andere visie op heeft; dan zullen wij zien in hoeverre dat haalbaar is in het kader van de WTO. Ik wijs er ook op dat ik dit beleid asociaal vind tegenover een aantal arme ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld tegenover een aantal landen waarin wij juist bezig zijn om kleine boeren op de nieuwe internationale markt een kans te geven. Ik zie niet in waarom deze mensen gestraft zouden moeten worden met een ander tarief. Ik wil het aannemen van deze motie dan ook ontraden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties zullen plaatsvinden bij de eindstemming. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden.

Wij zullen doorgaan met het VAO over hangjongeren als de betrokken ministers aanwezig zijn.

Dit geeft mij de gelegenheid om de aanwezige Kamerleden bij te lichten over de wijze van werken. De afspraak is als volgt. Wij hanteren nu het kerstregime. Dat betekent dat de leden een motie kunnen indienen zonder enig versiersel en dat de bewindslieden proberen zo kort en bondig mogelijk te antwoorden. Leden kunnen alleen een aanvullende vraag stellen als het antwoord hen niet duidelijk is. Gezien hun deskundigheid, lijkt mij dat echter onwaarschijnlijk.