Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 90, pagina 5132-5136

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 3 juli 2007 over hangjongeren.

Mevrouw Verdonk (VVD):

Voorzitter. Ik wil graag drie moties indienen.

De VerdonkKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ouders/opvoeders een grote rol (kunnen) spelen in het effectief aanpakken van de onderliggende problematiek van overlast veroorzakende en criminele hangjongeren;

overwegende dat ouders/opvoeders hun verantwoordelijkheden vaak niet of onvoldoende nemen;

constaterende dat de overheid meebetaalt aan de kosten die horen bij de opvoeding van het kind in de vorm van kinderbijslag;

van oordeel dat daar waar ouders hun verantwoordelijkheden voor de opvoeding niet voldoende nemen, de overheid de bijdrage in de kosten mag inhouden;

verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze een dergelijke maatregel aan deze ouders kan worden opgelegd, waarbij de ingehouden kinderbijslag wordt uitgekeerd aan een instantie die zich in plaats van de ouders gaat bezighouden met de opvoeding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Verdonk. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(30136,28684).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in onze samenleving een aantal gedragingen niet wordt geaccepteerd;

overwegende dat daar waar personen deze feiten als benoemd in ons Wetboek van Strafrecht en ouder dan 12 jaar begaan, de "samenleving" mag optreden en eventueel mag straffen;

constaterende dat juist jongeren tussen 8 en 12 jaar een zeer kwetsbare groep vormen die tot op heden onbereikbaar is geweest voor dwingende vormen van zorg en projecten voor gedragsbeïnvloeding;

van mening dat in alle gevallen dat een jeugdige dergelijke feiten begaat er (snel) een reactie van de overheid dient te volgen;

verzoekt de regering, op dit moment voor jeugdigen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar in te zetten op bestuurlijke maatregelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Verdonk. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(30136,28684).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in onze samenleving een aantal gedragingen niet wordt geaccepteerd;

overwegende dat daar waar personen deze feiten als benoemd in ons Wetboek van Strafrecht en ouder dan 12 jaar begaan, de "samenleving" mag optreden en eventueel mag straffen;

constaterende dat juist jongeren tussen 8 en 12 jaar een zeer kwetsbare groep vormen die tot op heden onbereikbaar is geweest voor dwingende vormen van zorg en projecten voor gedragsbeïnvloeding;

verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze een nieuwe titel aan het Wetboek van Strafrecht kan worden toegevoegd voor jeugdigen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar, die dwingend optreden in de vorm van het opleggen van maatregelen aan de jeugdigen realiseert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Verdonk. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13(30136,28684).

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een ondertoezichtstelling een uiterst instrument is om hulp in een gezin af te dwingen;

constaterende dat een voorlopige ondertoezichtstelling enkel mogelijk is als er sprake is van een levensbedreigende situatie voor het kind;

van mening dat als een kind dat nog niet onder het jeugdstrafrecht valt, een delict pleegt, er sprake kan zijn van ernstige ontwrichting van de samenleving;

van mening dat in deze situaties snel ingegrepen moet kunnen worden;Leijten

verzoekt de regering, te onderzoeken of het mogelijk is een voorlopige ondertoezichtstelling op basis van ernstige ontwrichting van de samenleving uit te spreken en hierover de Kamer te berichten voor Prinsjesdag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14(30136,28684).

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Ik zal maar meteen van wal steken, ook al heb ik meer de zomer in mijn hoofd dan het kerstregime.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat drang- en dwangmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn om ouders hun opvoedingstaak ter hand te laten nemen;

verzoekt de regering, onderzoek te doen naar de mogelijkheid om bij wanpresteren van de opvoeders de kinderbijslag over te maken naar de gezinscoach, zodat de kinderen niet de dupe worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Depla. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15(30136,28684).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ernstige en herhaalde overlast op straat van groepen jongeren ongewenst is;

constaterende dat de regering ter uitvoering van de motie-Van Schijndel c.s. (28684, nr. 76) het wetsvoorstel Ernstige overlast dit najaar naar de Kamer stuurt;

overwegende dat achter iedere overlastgevende jongere een problematiek schuilgaat die binnen het gezin kan liggen en daar dan opgelost dient te worden;

overwegende dat het gewenst is dat burgemeesters bestuurlijke maatregelen kunnen nemen om overlast aan te pakken en te voorkomen;

overwegende dat in het voorbereide wetsvoorstel bestuurlijke en strafrechtelijke maatregelen worden opgenomen;

overwegende dat als mogelijk te nemen bestuurlijke maatregel bij (te verwachten) ernstige overlast het opleggen van straatverboden en meldingsplicht in deze wet wordt opgenomen;

verzoekt de regering om bij de voorbereiding van de Wet ernstige overlast te overwegen ook als mogelijke bestuurlijke maatregelen op te nemen het opleggen van een begeleidingsplicht, zoals verplichte opvoedingsondersteuning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Depla. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16(30136,28684).

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er op dit moment tussen de vrijwillige opvoedingsondersteuning en het afnemen van het ouderlijk gezag middels OTS een titel ontbreekt om verplichtende opvoedondersteuning aan te bieden aan onwillige ouders;

constaterende dat in het beleidsprogramma geen visie wordt gegeven hoe de verplichte opvoedondersteuning ingevuld gaat worden;

overwegende dat hieraan een grote behoefte bestaat in de centra voor jeugd en gezin die op dit moment niet over de mogelijkheid beschikken om onwillige ouders te bereiken, zonder daarbij (deels) het ouderlijk gezag te ontnemen;

verzoekt de regering om te onderzoeken op welke wijze de verplichte opvoedondersteuning vanuit de centra voor jeugd en gezin aangeboden kan worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sterk en Depla. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17(30136,28684).

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik wil graag de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,Fritsma

constaterende dat overlast veroorzakende hangjongeren vaak van allochtone en dan met name van Marokkaanse afkomst zijn;

overwegende dat deze straatterroristen de Nederlandse samenleving ernstig verzieken en vele burgers confronteren met ontoelaatbare agressie, criminaliteit en vijandigheid;

overwegende dat ook de ouders van deze jongeren hier een kwalijke rol in hebben door niet in te grijpen bij wangedrag van hun kinderen en dit vanuit een afkeer van de Nederlandse samenleving zelfs vaak goedpraten;

overwegende dat deze misdragingen effectief aangepakt moeten worden, waarbij ook een sterk ontmoedigend effect op moet treden;

overwegende dat de huidige kabinetsplannen hiervoor hopeloos tekortschieten;

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat allochtone straatterroristen die één ernstig misdrijf of meerdere lichtere misdrijven hebben gepleegd, desnoods na denaturalisatie, Nederland worden uitgezet en ingeval het minderjarige allochtonen betreft ook de ouders, desnoods na denaturalisatie, terug worden gestuurd naar het land van herkomst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18(30136,28684).

Minister Ter Horst:

Mevrouw de voorzitter. Ik zal vier moties behandelen. Mevrouw Verdonk heeft twee moties ingediend die betrekking hebben op jeugdigen. De argumentatie is dat jeugdigen tussen acht en twaalf jaar wel strafbare feiten begaan maar dat het jeugdstrafrecht niet op hen van toepassing is en dat er dus andere maatregelen moeten worden genomen. In een van de moties staat dat er een nieuwe titel aan het Wetboek van Strafrecht moet worden toegevoegd om dwingend op te kunnen treden. Er wordt dan gedoeld op het opleggen van maatregelen aan jeugdigen. In het algemeen overleg is deze kwestie ook aan de orde geweest. Toen heb ik al gezegd dat het kabinet geen behoefte heeft aan uitbreiding van het Wetboek van Strafrecht voor jeugdigen in de genoemde leeftijdscategorie. Ik ontraad de Kamer dan ook om die motie aan te nemen.

De andere motie van mevrouw Verdonk heeft betrekking op bestuurlijke maatregelen voor jeugdigen in de leeftijdscategorie van acht tot twaalf jaar. Die lijkt enigszins op de motie-Depla met het verzoek om bestuurlijke maatregelen te nemen. Daarin wordt echter geen leeftijdscategorie genoemd. Ik citeer: "Het opleggen van een begeleidingsplicht zoals bijvoorbeeld verplichte opvoedingsondersteuning." Een dergelijke bestuurlijke maatregel zou betrekking hebben op de ouders in plaats van op de kinderen. In dat geval zal de officier van justitie met de Wet ernstige overlast – het wetsvoorstel zal na de zomer aan de Kamer worden voorgelegd – de mogelijkheid krijgen om de ouders maatregelen op te leggen. Voor beide moties geldt dat het kabinet daaraan op dit moment geen behoefte heeft. Die zijn overbodig, omdat het kabinet die zaken al overweegt. De vraag is overigens of het uitbreiden van bestuurlijke maatregelen de methode is die het meest voor de hand ligt om het doel te dienen dat met beide moties wordt beoogd. Ik stel de Kamer voor dat ik in het overleg met de G4 dat binnenkort plaatsvindt, aan de orde stel of er behoefte is aan bestuurlijke maatregelen die betrekking hebben op jongeren in de leeftijdscategorie van acht tot twaalf of op de ouders.

De motie-Fritsma heeft betrekking op het uitzetten van allochtone straatterroristen. In het algemeen overleg heb ik gezegd dat het kabinet die terminologie verre van zich werpt en dat zij niets ziet in uitzetting van die personen. Ik ontraad de Kamer dan ook met klem om die motie aan te nemen.

Minister Rouvoet:

Mevrouw de voorzitter. Ook ik zal vier moties behandelen. Twee moties hebben betrekking op de mogelijkheid om op het punt van de kinderbijslag drang en dwang uit te oefenen. Die zal ik in samenhang behandelen. In het algemeen overleg van afgelopen dinsdag heb ik al gezegd dat het kabinet het geen goed idee vindt om de kinderbijslag in te houden. Die komt immers ten goede aan het kind en wij helpen dat niet als wij niet uitbetalen. Op grond van artikel 21 van de Algemene kinderbijslagwet heeft de SVB de bevoegdheid om kinderbijslag aan een ander dan de rechthebbende uit te betalen. Ik heb de SVB al gevraagd op welke wijze de bevoegdheid wordt ingevuld en wat daarbij de criteria zijn. Het antwoord op die vraag wacht ik af. Uiteraard zal ik de Kamer over de uitkomst informeren. Op die grond verklaar ik beide moties overbodig. De heer Depla zegt dat onderzoek moet worden gedaan naar die mogelijkheid. Die mogelijkheid is er dus. Op de manier waarop daarvan gebruik wordt gemaakt, zal ik de Kamer informeren. De motie van mevrouw Verdonk gaat wel iets verder, omdat in de overwegingen wordt gesproken over het inhouden van de kinderbijslag en over een uitkering aan een instantie die zich in plaats van de ouders gaat bezighouden met de opvoeding. Vanwege die formulering in de overwegingen en in het dictum ben ik geneigd om de Kamer de aanneming van die motie te ontraden. Op z'n minst is zij overbodig.

De heer Depla (PvdA):

Gezien de toezegging en de verduidelijking van de minister kan ik de motie over de kinderbijslag intrekken. Dan kunnen wij de discussie verder voeren als het onderzoek er ligt.

Minister Rouvoet:

Zeker. U wordt daarover geïnformeerd.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Depla (30136 en 28684, nr. 15) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Mevrouw Verdonk (VVD):

De minister heeft gezegd dat de motie overbodig zo niet onnodig is.

Minister Rouvoet:

Nee, zij is ten minste overbodig. Maar gelet op de overwegingen en de formulering dat de bijdrage moet worden ingehouden, ben ik geneigd om de aanvaarding van die motie te ontraden. Die formulering maakt immers deel uit van de overwegingen. Zoals ik al heb aangegeven, is de regering geen voorstander van het inhouden van de kinderbijslag. Voor het overige is de motie overbodig waar het gaat om de mogelijkheid om de kinderbijslag uit te keren aan een andere instantie.

Ik kom te spreken over de motie van mevrouw Leijten waarin de regering wordt verzocht, te onderzoeken of het mogelijk is een voorlopige ondertoezichtstelling op basis van ernstige ontwrichting van de samenleving uit te spreken en hierover de Kamer te berichten voor Prinsjesdag. Ik ben hier al vrij uitvoerig op ingegaan in het algemeen overleg. Ik wil de Kamer de aanvaarding van deze motie ontraden. Een ernstige ontwrichting van de samenleving rechtvaardigt natuurlijk de nodige maatregelen. Zoals in het debat al is aangegeven door de minister van Binnenlandse Zaken, is daar bijvoorbeeld het wetsvoorstel inzake aanwijzing bij extreme overlast voor bedoeld. Daarmee is het ons inziens exact mogelijk voor de burgemeester om snel in grijpen op precies die terreinen die mevrouw Leijten bedoelt. Maar de ondertoezichtstelling is niet bedoeld voor situaties waarbij sprake is van een ernstige ontwrichting van de samenleving, van ernstige overlast. Het doel van de ondertoezichtstelling is toch echt een andere dan het tegengaan van ernstige overlast. Ik herhaal wel dat ondertoezichtstelling mogelijk is bij Multi problem-jongeren. Het geven van overlast kan daar wel degelijk onderdeel van uitmaken. Als het uitspreken van een ondertoezichtstelling in het belang is van de ontwikkeling van een jongere, dan kan het veroorzaken van ernstige ontwrichting van de samenleving daar wel deel van uitmaken. Maar voor sec het doel dat in de motie wordt genoemd, zijn de bestuursrechtelijke maatregelen en het wetsvoorstel bedoeld waarover de minister zojuist heeft gesproken. Om die reden wil ik de aanneming van de motie ontraden.

In de motie van de leden Sterk en Depla op stuk nr. 17 wordt de regering verzocht, te onderzoeken op welke wijze de verplichte opvoedondersteuning vanuit de centra voor jeugd en gezin aangeboden kan worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren. Misschien mag ik mij de opmerking permitteren dat de spanning rondom dit onderwerp precies in deze motie besloten ligt. In de eerste overweging van de motie wordt gesproken over "verplichtende opvoedondersteuning", in de tweede overweging wordt gesproken over "verplichte opvoedondersteuning" en in het dictum wordt gevraagd om te onderzoeken hoe verplichte opvoedondersteuning kan worden aangeboden aan ouders. Daar zit een spanning tussen. Of het is verplicht of wij bieden het aan. Mijn stelling is steeds geweest: het aanbod is er voor iedereen en onder omstandigheden kan er verplicht worden tot opvoedingsondersteuning.

Mevrouw Sterk (CDA):

Het gaat inderdaad om verplichte opvoedondersteuning. Ik zal de motie in die zin wijzigen en tekstueel aanpassen. Volgens mij is dan de spanning in ieder geval uit de motie. Wij willen graag dat de verplichte opvoedondersteuning vanuit de centra voor jeugd en gezin vorm kunnen krijgen en dat het kabinet onderzoekt op welke manier dat zou kunnen. Het gaat om het gat dat zit tussen de vrijwillige opvoedondersteuning en de ondertoezichtstelling.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Ik wil het wel graag scherp hebben. Wij hebben gesproken over de centra voor jeugd en gezin die de preventieve gezondheidszorg verzorgen. Daar kan opvoedingsondersteuning worden aangeboden. Daar kan enige drang mee gepaard gaan. Maar voor de mogelijkheid tot dwang en verplichting moet een context zijn. Ik heb aangegeven dat wij die context niet hebben binnen de preventieve gezondheidszorg, binnen het centrum voor jeugd en gezin. Ik ben graag bereid om te onderzoeken hoe het wel zou kunnen, maar dan kom ik toch wel bij het verhaal van de ondertoezichtstelling uit, wat echt nodig is als kader, als voorwaarde, om tot verplichting aan ouders te komen. Zonder een kader, zonder een ondertoezichtstelling, heb ik ook geen manier om het af te dwingen. Ik zie dat binnen het centrum voor jeugd en gezin dus niet functioneren. Als mevrouw Sterk kan aangeven waar zij aan denkt buiten de ondertoezichtstelling, dan wil ik er best over nadenken. Maar vooralsnog zie ik geen mogelijkheden.

Mevrouw Sterk (CDA):

Volgens mij hebben wij daarover uitgebreid gedebatteerd. Ik heb dat een voorwaardelijke ondertoezichtstelling genoemd, waarbij de ouders niet geheel of gedeeltelijk uit de ouderlijke macht worden ontzet, maar de gemeente het met een rechterlijke toetsing achteraf kan afdwingen. Men hoeft er dus niet meteen voor naar de rechter.

Minister Rouvoet:

Het wordt wel iets ingewikkelder, voorzitter, want de voorwaardelijke ondertoezichtstelling die mevrouw Sterk heeft ingebracht, heeft zij ingebracht in relatie tot de bevoegdheden van de burgemeester en die zit niet in het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Ik zie er niet veel in om de verplichte opvoedingsondersteuning onder te brengen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, zonder dat ik daar een kapstokhaakje voor heb. Ik ben graag bereid om de Kamer toe te zeggen dat ik bij de verdere vormgeving van het Centrum voor Jeugd en Gezin het hele complex van opvoedingsondersteuning, drang en dwang in beeld zal brengen. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik aarzel, omdat ik de mogelijkheden niet goed zie. Tegen die achtergrond laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer, maar ik denk dat ik duidelijk ben geweest over de mogelijkheden die ik op dit moment zie om er concreet vorm aan te geven.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Vanavond zal er over de bij dit debat ingediende moties worden gestemd.