Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 90, pagina 5136-5141

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 4 juli 2007 over het Beleidsprogramma Jeugd en Gezin.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,Agema

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, de middelen ten behoeve van het actieprogramma "Diversiteit in het jeugdbeleid" anders in te zetten, namelijk voor gratis sport voor alle kinderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 6(31001).

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Ik dien de volgende twee moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister in zijn beleidsprogramma inzet op de aanpak "één gezin, één plan";

constaterende dat hieraan in het beleidsprogramma geen verdere uitwerking wordt gegeven;

constaterende dat de verwijsindex ondersteunend dient te zijn voor de aanpak "één gezin, één plan";

constaterende dat er geen signaleringsplicht is voor de gebruikers van de verwijsindex;

overwegende dat de verwijsindex pas een meerwaarde heeft als alle gebruikers signalen in de verwijsindex plaatsen;

overwegende dat ondersteunende informatiesystemen zonder zorgcoördinatie en zorgcoördinatie zonder ondersteunende informatiesystemen geen enkele toegevoegde waarde hebben;

verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van de verwijsindex na te gaan of alle gebruikers verplicht kunnen worden om signalen in de verwijsindex te plaatsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sterk en Bouchibti. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7(31001).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister in zijn beleidsprogramma inzet op de aanpak "één gezin, één plan";

constaterende dat hieraan in het beleidsprogramma geen verdere uitwerking wordt gegeven;

overwegende dat de aanpak "één gezin, één plan" slechts kan slagen als er vastgelegd wordt hoe de zorgcoördinatie wordt georganiseerd en wie de uiteindelijke doorzettingsmacht heeft om deze aanpak te realiseren;

overwegende dat ondersteunende informatiesystemen zonder zorgcoördinatie en zorgcoördinatie zonder ondersteunende informatiesystemen geen enkele toegevoegde waarde hebben;

verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van de Centra voor Jeugd en Gezin de gemeente te verplichten om de zorgcoördinatie binnen de totale jeugdketen te organiseren en hierbij de doorzettingsmacht op gemeentelijk niveau bestuurlijk te verankeren, zodat de aanpak "één gezin, één plan" daadwerkelijk gerealiseerd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sterk en Bouchibti. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8(31001).

Mevrouw Verdonk (VVD):

Voorzitter. Ik dien de volgende drie moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het elektronisch kinddossier (EKD) moet leiden tot een goede en integrale gegevensuitwisseling tussen verschillende instanties die met jeugd en jongeren werken;

constaterende dat het EKD het mogelijk moet maken risico's sneller te signaleren en kinderen te volgen in risicovolle omstandigheden;

constaterende dat het EKD daarom een volledig beeld van elke jongere moet geven;

overwegende dat het in het belang van kinderen wenselijk is dat onder andere bureaus jeugdzorg, politie, school, maatschappelijk werk en bureaus leerplicht of leerplichtambtenaren gegevens kunnen uitwisselen;Verdonk

constaterende dat het EKD in de opzet van de minister zich beperkt tot met name de gegevens van de jeugdgezondheidszorg, waardoor er geen volledig beeld van elke jongere ontstaat en risicosignalering moeilijk wordt;

verzoekt de regering, voor de begrotingsbehandeling met een voorstel te komen voor verbreding van (de gegevens in) het EKD, zodat de volle potentie van het EKD op het gebied van risicosignalering en gegevensuitwisseling ook benut kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Verdonk, Langkamp en Dibi. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9(31001).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • - de Centra voor Jeugd en Gezin herkenbare en laagdrempelige punten voor opgroei- en opvoedvragen moeten zijn;

  • - door de centra adequate en passende hulp geboden moet worden en die hulp ook gecoördineerd moet worden;

constaterende dat:

  • - de aansturing en verantwoordelijkheidsverdeling van de gemeenten voor de centra nog niet voldoende uitgewerkt is;

  • - de functies, die in het basismodel van de centra worden genoemd, niet allemaal onder de volledige regie van de gemeenten vallen;

overwegende dat gemeenten in staat gesteld moeten worden om de organisatorische en financiële regierol bij de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin ook op zich te nemen;

verzoekt de regering, voor de begrotingsbehandeling met concrete voorstellen te komen waarin geregeld wordt dat, en op welke wijze, de financiële en organisatorische regierol van gemeenten bij de Centra voor Jeugd en Gezin vorm krijgt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Verdonk, Langkamp, Dibi en Agema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10(31001).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor oplossingen in het jeugdbeleid het noodzakelijk is dat er samenwerking tussen Bureau Jeugdzorg en Centrum voor Jeugd en Gezin tot stand komt;

constaterende dat de huidige zorg en hulpverlening aan de jeugd tekortschiet omdat er sprake is van inefficiëntie, ineffectiviteit en bureaucratie met wachtlijsten als gevolg;

overwegende dat stroomlijning en regie met betrekking tot indicatiestelling en behandeling in één hand noodzakelijk is;

van mening dat het kind daarbij centraal moet staan;

verzoekt de regering om in het kader van verbetering van efficiëntie en vermindering van bureaucratisering maatregelen te nemen door de Bureaus Jeugdzorg en de Centra voor Jeugd en Gezin samen te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Verdonk, Langkamp en Agema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(31001).

Mevrouw Langkamp (SP):

Voorzitter. Ik dien twee moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de scheiding tussen de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten en de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen ongewenst is;

verzoekt de regering, af te zien van de overheveling van de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten van de AWBZ naar de provinciaal gefinancierde jeugdzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Langkamp, Verdonk en Dibi. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(31001).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 19% van de kinderen en 35% van de lage inkomensgroepen via het schoolzwemmen een zwemdiploma haalt;

constaterende dat maar 57% van de gemeenten het schoolzwemmen subsidieert en dat de wachtlijsten voor particuliere zwemlessen toenemen;

verzoekt de regering, het schoolzwemmen verplicht in te voeren op alle basisscholen,Langkamp

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Langkamp en Dibi. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13(31001).

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de risico-inventarisatie voor álle kinderen onder 4 jaar leidt tot stijging van de administratieve lasten;

overwegende dat slechts een klein percentage van de kinderen tot de risicogroep behoort;

voorts overwegende dat de professionals werkzaam bij consultatiebureaus deze risicogroep in het algemeen goed in beeld hebben;

overwegende dat de risico-inventarisatie een buitenproportionele inbreuk op de privacy en autonomie van ouders is;

verzoekt de regering, af te zien van een uitgebreide risico-inventarisatie voor álle kinderen onder 4 jaar, en deze te beperken tot kinderen waarvan bekend is dat zij tot een risicogroep behoren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Koşer Kaya. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14(31001).

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Een nieuw programmaministerie, een nieuwe minister met nieuw beleid voor de jeugd van tegenwoordig. Het is dan belangrijk dat er ook een onafhankelijke partij is die dat beleid toetst.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Verenigde Naties Nederland hebben aanbevolen, een jeugdombudsman in te stellen;

overwegende dat het belangrijk is dat jongeren en kinderen een continue stem hebben in het beleid en dat er een onafhankelijke instantie is die de belangen van kinderen bewaakt;

overwegende dat er al een groot aantal landen in Europa is dat een jeugdombudsman heeft geïnstalleerd;

verzoekt de regering, een jeugdombudsman in te stellen die gevraagd en ongevraagd overheidsbeleid toetst op de belangen van kinderen, die klachten van jongeren over overheidsinstanties behandelt en die kinderen en jongeren informeert over hun rechten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dibi en Langkamp. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15(31001).

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Er ligt een tiental moties. Ik loop ze langs in de volgorde waarin ik ze heb aangereikt gekregen.

De motie-Agema op stuk nr. 6 verzoekt de regering, de middelen ten behoeve van het actieprogramma "Diversiteit in het jeugdbeleid" anders in te zetten, namelijk voor gratis sport voor alle kinderen. Dat lijkt mij een zeer sympathiek doel. Echter, het doel dat bereikt moet worden met de uitvoering van het actieplan behorend bij het actieprogramma "Diversiteit in het jeugdbeleid" is mij ook zeer dierbaar. Ik vind het namelijk echt van belang dat alle jongeren bereikt worden met het jeugdbeleid. Ik ontraad dan ook de aanneming van deze motie.

In hun motie verzoeken mevrouw Sterk en mevrouw Bouchibti de regering om bij de verdere uitwerking van de verwijsindex na te gaan of alle gebruikers verplicht kunnen worden om signalen in de verwijsindex te plaatsen. Ik ben van mening dat wij in het debat hebben opgehelderd waarover wij het precies wel en niet hebben. Ik heb daarin mijn aarzeling aangegeven of hetgeen mevrouw Sterk en mevrouw Bouchibti willen bereiken, op deze manier zou moeten worden bereikt. Ik heb voorgesteld om de precieze invulling hoe hulpverleners moeten werken en wanneer zij iets moeten signaleren, te betrekken bij de vormgeving van de verwijsindex, waarbij ook de Kamer is betrokken. Ik heb verklaard hierbij veel waarde te hechten aan de professionele afweging van hulpverleners zelf. Met de kritische vragen die ik erover aan mevrouw Sterk heb gesteld, laat ik het oordeel over deze motie over aan de Kamer.

Mevrouw Sterk en mevrouw Bouchibti hebben een tweede motie ingediend, waarin de regering wordt verzocht om bij de verdere uitwerking van de Centra voor Jeugd en Gezin de gemeenten te verplichten om de zorgcoördinatie binnen de totale jeugdketen te organiseren en de doorzettingsmacht op gemeentelijk niveau bestuurlijk te verankeren zodat de aanpak Een gezin, een plan daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Ook daarover hebben wij uitvoerig gesproken. Ik meen dat er inhoudelijk geen verschil van mening bestaat tussen de indieners en mij dat de gemeenten de verantwoordelijkheid en de regierol hebben en dat de samenwerking niet vrijblijvend kan zijn.

De formulering van de motie stelt mij voor enige problemen. Er wordt gesproken over de zorgcoördinatie binnen de totale jeugdketen. Op de keper beschouwd, vallen daaronder ook de AWBZ en de provincie. Ik neem aan dat mevrouw Sterk en mevrouw Bouchibti dat niet bedoelen. Als de totale jeugdketen binnen het gemeentelijk domein wordt bedoeld, komt dit naar mijn mening sterk overeen met de plannen die ik heb voorgelegd. Ik heb dan ook geen bezwaar tegen het aannemen van deze motie als ik de indieners op deze manier mag verstaan.

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik bedoel "binnen het wettelijk kader". Het is dus niet mijn bedoeling om de bevoegdheden van de gemeenten uit te breiden tot de provinciale jeugdzorg.

Minister Rouvoet:

Het betreft dus de regierol en de samenwerking op het terrein van de gehele jeugdketen binnen het gemeentelijk domein. Ik heb daar geen bezwaar tegen. Ik laat het oordeel over deze motie over aan de Kamer.

De leden Verdonk, Langkamp en Dibi hebben een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht om voor de begrotingsbehandeling een voorstel in te dienen tot verbreding van de gegevens in het EKD opdat de volle potentie van het EKD op het gebied van risicosignalering en gegevensuitwisseling kan worden benut. Ik ontraad het aannemen van deze motie met klem. Het EKD is van meet af aan bedoeld geweest als een medisch dossier van de jeugdgezondheidszorg. Daarnaast bestaat de verwijsindex. Veel zaken die in de motie worden genoemd, passen uitstekend in het concept van de verwijsindex die ons in het kader van de Operatie Jong is aangereikt. Wij moeten deze beide instrumenten niet willen integreren. Ik ontraad het aannemen van deze motie echt. Dit is niet waarvoor het EKD is bedoeld.

De leden Verdonk, Langkamp, Dibi en Agema verzoeken de regering in een motie om voor de begrotingsbehandeling met concrete voorstellen te komen waarin wordt geregeld dat en op welke wijze de financiële en organisatorische regierol van gemeenten bij de Centra voor Jeugd en Gezin vorm krijgt. Deze motie is in zoverre overbodig dat met de VNG inmiddels harde afspraken zijn gemaakt over de manier waarop de gemeenten hiertoe financieel in staat worden gesteld. Hiervoor hebben wij met de gemeenten het bedrag van 220 mln. afgesproken. De VNG zal dit bedrag in overleg met de leden verdelen. Het kabinet levert een bijdrage van 100 mln., plus 20 mln. voor EKD en verwijsindex. Via de accresformule hebben de gemeenten er zelf 100 mln. bijgelegd. De financiële regierol voor de gemeenten is hiermee verzekerd. De organisatorische vorm wat betreft de verantwoordelijkheid voor het basismodel en de verwijsindex is in dit verband besproken. Deze motie is daarom overbodig.

Voor de vormgeving van het Centrum voor Jeugd en Gezin heb ik de Kamer nadere voorstellen in het vooruitzicht gesteld. Ik heb toegezegd dat de Kamer hierbij wordt betrokken. Ik kan niet zonder meer instemmen met de formulering "voor de begrotingsbehandeling". Wij moeten nog bezien of een wettelijke regeling nodig is of dat met een eenvoudiger oplossing kan worden volstaan. Wanneer gehecht wordt aan het ontvangen van concrete voorstellen voor de begrotingsbehandeling, moet ik het aannemen van deze motie ontraden.

Mevrouw Verdonk (VVD):

Is het enige bezwaar van de minister tegen deze motie, dat er in staat dat dit vóór de begrotingsbehandeling moet gebeuren?

Minister Rouvoet:

Nee, ik ben begonnen met te zeggen dat de motie overbodig is op het punt van de financiële regierol. Daarover hebben wij een maand of wat geleden afspraken gemaakt met de VNG. Dit is dus al gerealiseerd. De verdere invulling ervan is aan de gemeenten en de VNG. Het aandeel van het kabinet hierin is al gerealiseerd in samenspraak met de VNG. Over nadere voorstellen voor de vormgeving van het basismodel Centrum Jeugd en Gezin heb ik gezegd dat ik eerst wil bezien of er een wettelijke regeling nodig is, of dat wij het basismodel wellicht op een andere manier kunnen regelen. Het model moet echter wel verzekerd worden; daarover zijn wij het eens. Om deze reden kan ik niet uit de voeten met de tijdspanne. Er wordt namelijk gezegd dat een en ander vóór de begrotingsbehandeling moet gebeuren. Ik ontraad dus het aannemen van de motie, maar de voorstellen komen naar de Kamer.

Mevrouw Verdonk (VVD):

Dat is precies wat ik vroeg. Is de zinsnede "vóór de begrotingsbehandeling" het enige waarmee de minister moeite heeft in deze motie? Als dat niet in de motie had gestaan, en ik alleen gevraagd had om met concrete voorstellen te komen, had hij zich dan wel kunnen vinden in de motie?

Minister Rouvoet:

Dan zou ik het aannemen niet om reden van het "vóór de begroting" hoeven te ontraden, maar daarmee zou de motie nog wel volstrekt overbodig blijven.

Ik kom op de motie van mevrouw Verdonk c.s. op stuk nr. 11. Daarin wordt de regering gevraagd om in het kader van de verbetering van efficiëntie en vermindering van bureaucratisering maatregelen te nemen door de bureaus Jeugdzorg en de Centra voor Jeugd en Gezin samen te voegen. Dit is een pleidooi voor een stelselwijziging. Ik heb al eerder aangegeven dat het kabinet hiervoor niet voelt. Daarom ontraad ik het aannemen van deze motie.

In de motie op stuk nr. 12 vragen de leden Langkamp, Verdonk en Dibi de regering om af te zien van de overheveling van de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten van de AWBZ naar de provinciaal gefinancierde jeugdzorg. Ook het aannemen van deze motie ontraad ik. Ik heb de Kamer aangegeven dat ik vind dat het in de rede ligt om de mogelijkheden voor overheveling naar de bureaus Jeugdzorg te onderzoeken. Ik heb er ook de nadruk op gelegd dat ik dit heel zorgvuldig wil doen en daarbij niet door roeien en ruiten wil gaan. Wij moeten goed bekijken wat wij bij zo'n overheveling tegenkomen. Ik sta open voor voortdurend overleg met de LVG-sector en ben er ook over in gesprek met bijvoorbeeld de VNG. Deze organisatie heeft de Kamer haar zorgen meegedeeld. Juist vanwege de zorgvuldigheid wil ik nu niet op de conclusies vooruitlopen, te meer omdat ik de Kamer heb beloofd dat ik ook het advies van de SER over de toekomst van de AWBZ erbij wil betrekken. Wij verwachten dit advies in december. Deze stappen en dit rapport wil ik afwachten. Ik wil niet op de conclusies daarvan vooruitlopen door nu al uit te spreken dat het zo niet moet. Om deze reden ontraad ik het aannemen van de motie. Op het moment dat ik met nadere voorstellen naar de Kamer kom, stel ik mij uiteraard open voor discussie over de toekomst van de LVG-sector. Dat is immers een sector die ook mij na aan het hart gaat.

In de motie op stuk nr. 13 van de leden Langkamp en Dibi wordt de regering verzocht het schoolzwemmen verplicht in te voeren op alle basisscholen. Ik ontraad het aannemen van deze motie en verwijs daarbij naar de antwoorden op Kamervragen die staatssecretaris Dijksma, staatssecretaris Bussemaker en ikzelf onlangs hebben gegeven.

Ik kom ten slotte op de motie van mevrouw Koşer Kaya op stuk nr. 14. Daarin wordt de regering verzocht om af te zien van een uitgebreide risico-inventarisatie voor álle kinderen onder vier jaar, en deze te beperken tot kinderen van wie bekend is dat zij tot een risicogroep behoren. Dit is een motie waar nu precies de spanning in tot uitdrukking komt. Je kunt immers niet weten of een kind tot een risicogroep behoort als je niet inventariseert en analyseert welke risico's er zijn. In de motie zit dus precies de spanning die wordt bedoeld. Wellicht wil mevrouw Koşer Kaya zeggen dat ik, wat in veel JGZ-organisaties nu al gebeurt, erg wil gaan uitbreiden. Ik heb zo-even in het overleg al aangegeven dat dit niet de bedoeling is. Ik wil echter wel dat de Jeugdgezondheidsorganisaties die nog niet op deze manier werken, dit wel gaan doen. Wij willen niet onnodig dingen weten, maar wij willen wel weten wat wij moeten weten om te voorkomen dat het fout gaat met kinderen. Daarvoor is nodig dat professionals letten op risicofactoren. Daarbij gaat het om de risicoanalyse die nu veelal al plaatsvindt. Ik vind dus dat die uitgebreider moet plaatsvinden. Als de motie beoogt om een einde te maken aan de bestaande werkwijze van de JGZ-organisaties, ontraad ik het aannemen ervan met de nodige klem.

Het lid Dibi verzoekt de regering in motie nr. 10 een jeugdombudsman in te stellen die gevraagd en ongevraagd overheidsbeleid toetst op de belangen van kinderen en nog een aantal andere taken krijgt. Ik heb al aangegeven welke aarzelingen het kabinet heeft bij het verschijnsel kinderombudsman. Er ligt een initiatiefvoorstel van mevrouw Arib van de fractie van de PvdA. Het lijkt mij niet gepast dat het kabinet, terwijl de Kamer zelf nog bezig is met het initiatiefvoorstel, nu een uitspraak doet over de uitkomst daarvan. Uiteraard zal, als mevrouw Arib besluit de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel voort te zetten, ook de regering haar oordeel geven, gehoord de discussie in de Kamer. Dat lijkt mij de correcte volgorde. Om die reden ontraad ik de motie op dit moment.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb, omdat ik zelf een initiatiefwetsvoorstel hierover wilde indienen, mevrouw Arib een aantal maanden geleden gevraagd naar de vorderingen van de wet. Er ligt een negatief advies van de Raad van State. Wij hebben nu een nieuw programmaministerie. Er komt nieuw beleid uit de koker. Hoe kan het toch dat, als er nieuw beleid komt, soms met verregaande maatregelen, er niet een onafhankelijke instantie is die dat beleid toetst op de belangen van kinderen? Ik wacht met smart op het initiatiefwetsvoorstel, maar dat kan nog lang duren.

Minister Rouvoet:

U moet zich wel realiseren dat het voor mij niet gepast zou zijn om, als de Kamer nog met zichzelf in discussie is over een aanhangig initiatiefvoorstel, waarover de Raad van State een kritisch advies heeft uitgebracht, daar doorheen te bonjouren. Ik kan niet zo maar zeggen wat ik daarvan denk. Mocht de Kamer besluiten het initiatiefwetsvoorstel niet door te zetten, dan kan een nieuwe situatie ontstaan. De Kamer kan dan vragen of de regering van plan is met een voorstel te komen, maar dan zullen de argumenten van de Kamer om het wetsvoorstel niet door te zetten natuurlijk wel door mij gewogen worden.

De heer Dibi kan gerust zijn. Het oordeel van de regering over de mogelijkheid van introductie van een kinderombudsman in Nederland komt er. Dat gebeurt op het goede moment, namelijk als de Kamer besluit de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel door te zetten en die afrondt. Dán komt het oordeel van de regering. Ik blijf daarom bij mijn ontraden van de motie op dit moment, al was het maar uit wellevendheid.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik houd mijn motie aan.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Dibi en mevrouw Langkamp stel ik voor, hun motie (31001, nr. 15) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij stemmen vandaag over de ingediende moties.