Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 90, pagina 5091-5094

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 25 juni 2007 over de evaluatie van de reconstructie van zandgebieden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik heb wederom een drietal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat intensieve veehouderijbedrijven via de "voorziening gedeeltelijke ontheffing uitbreidingsverbod varkensbedrijven en pluimveebedrijven" de helft van hun dierrechten gratis kunnen verwerven als zij alle mest verwerken en buiten Nederland afzetten;Ouwehand

constaterende dat de vrijstellingsplafonds in deze ontheffing inmiddels volledig worden benut en de minister een tweede openstelling overweegt;

constaterende dat deze vrijstellingsregeling vooral aantrekkelijk en haalbaar is voor zeer grote intensieve veehouderijbedrijven, ten koste van kleinschaliger veehouderijbedrijven;

verzoekt de regering, geen tweede openstelling van de "voorziening gedeeltelijke ontheffing uitbreidingsverbod varkensbedrijven en pluimveebedrijven" te realiseren;

verzoekt de regering, het plafond van dierrechten te koppelen aan nationale grondgebondenheid en hiermee alleen dierrechten toe te kennen als de mest van de betrokken dieren binnen Nederland kan worden afgezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 116(30800 XIV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ontwikkeling en vestiging van grootschalige intensieve veehouderijbedrijven veelal op grote weerstand stuit bij burger en agrarische ondernemers in plattelandsgemeenten;

overwegende dat de vestiging van grootschalige intensieve veehouderijbedrijven een ongewenste ontwikkeling is, temeer omdat hiermee eerder een toename dan een afname van het aantal dieren in Nederland wordt veroorzaakt;

verzoekt de regering, een brede maatschappelijke discussie te starten over de wenselijkheid van de ontwikkeling en vestiging van grootschalige intensieve veehouderijbedrijven in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 117(30800 XIV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met het amendement-Waalkens/Meijer (Kamerstukken II, 2000/2001, 26356, nr. 35) in de Reconstructiewet bewust is gekozen voor een integrale ruimtelijke zonering door de aanwijzing van extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden;

constaterende dat deze zonering tot doel heeft een duidelijke afbakening te bewerkstelligen van de gebieden waarin intensieve veehouderijbedrijven zich al dan niet kunnen vestigen of uitbreiden, waarbij de verwevingsgebieden zijn aangemerkt als gebieden waarin bedrijfsvestigingen en/of -uitbreidingen niet zijn toegestaan;

constaterende dat in strijd met de doelstelling en invulling van de Reconstructiewet in een aantal reconstructieprovincies mogelijkheden worden onderzocht om verplaatsing van veehouderijbedrijven naar verwevingsgebieden te realiseren en dit vanuit het reconstructieplan te financieren;

verzoekt de regering, de uitgangspunten van de zonering te handhaven en verplaatsingen van veehouderijbedrijven uit extensiveringsgebieden naar verwevingsgebieden niet toe te staan en, indien nodig, aanvullende bepalingen op te stellen om aan deze doelstelling van de Reconstructiewet te kunnen voldoen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand en Polderman. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 118(30800 XIV).

De heer Polderman (SP):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tijdens het "rondetafelgesprek in de regio" van 25 juni jongstleden te Arnhem er brede overeenstemming bestond over het niet afschaffen van de dierrechtencompartimentering per 1 januari 2008;

overwegende dat de uitvoering van de reconstructie op de zandgronden nog maar net begonnen is en het creëren en onderhouden van draagvlak in de regio voor de voortgang van dit proces cruciaal is;

verzoekt de regering, de compartimentering niet al per 1 januari 2008 af te schaffen, maar na overleg met de betrokken provinciebesturen de Kamer te informeren of, waarom en hoe lang de compartimentering dierrechten moet worden gehandhaafd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Polderman en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 119(30800 XIV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,Polderman

constaterende dat er plannen zijn om grootschalige veehouderijen, de zogenaamde megabedrijven, te vestigen in Nederland;

constaterende dat de Raad voor het landelijk gebied in zijn advies over megabedrijven de noodzaak aangaf om duidelijke en goed handhaafbare randvoorwaarden te formuleren die de kwaliteit van ruimte, milieu en natuur en landschap garanderen en dat deze randvoorwaarden moeten leiden tot duidelijke regelgeving op het gebied van dierenwelzijn, natuur, landschap, ruimte en milieu;

overwegende dat de vestiging van megabedrijven grote gevolgen zal hebben voor de rol van de agrariër als beheerder van het landschap, de verspreiding van dierziekten, de aanlevering van veevoer en het inkomen van de kleine agrariër;

verzoekt de regering, te onderzoeken wat de effecten zijn van de vestiging van megabedrijven op het inkomen van agrariërs, de leefbaarheid op het platteland, de verspreiding van dierziekten en de import van veevoer, en vooruitlopend daarop geen megabedrijven toe te staan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Polderman. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 120(30800 XIV).

De heer Waalkens (PvdA):

Voor de afweging van deze motie door mijn fractie is het van belang te weten wat de heer Polderman verstaat onder megabedrijven.

De heer Polderman (SP):

In de volksmond: varkensflats, het soort bedrijven dat wij nu nog niet hebben. Ik weet niet of ik hier een exact aantal varkens bij moet noemen, maar ik neem aan dat de heer Waalkens nu wel weet op welke bedrijven ik in mijn motie doel.

Minister Verburg:

Voorzitter. Ik dank u en de leden dat u mij even de gelegenheid gaf om de moties te lezen en mij daar een oordeel over te vormen.

In de motie op stuk nr. 116 van mevrouw Ouwehand wordt de regering gevraagd het plafond van dierrechten te koppelen aan nationale grondgebondenheid en hiermee alleen dierrechten toe te kennen als de mest van de betrokken dieren binnen Nederland wordt afgezet. Deze vraag wordt voorafgegaan door het dictum: verzoekt de regering geen tweede openstelling van de voorziening gedeeltelijke ontheffing uitbreidingsverbod varkensbedrijven en pluimveebedrijven te realiseren. Ik overweeg helemaal geen tweede openstelling, omdat daarvoor geen ruimte is. Ik heb dus andere motieven dan de Partij voor de Dieren. Ik ben ook niet van plan om de regeling voorlopig open te stellen. Deze motie heeft geen maatschappelijke waarde, omdat ik dit niet van plan ben. Dan zou ik kunnen zeggen dat ze overbodig is, maar ik ben ook niet van plan om het plafond van dierrechten te koppelen aan nationale grondgebondenheid. Dit alles overziende ontraad ik de aanneming van deze motie.

In de motie op stuk nr. 117 van mevrouw Ouwehand wordt de regering gevraagd een brede maatschappelijke discussie te starten over de wenselijkheid van de ontwikkeling en de vestiging van grootschalige intensieve veehouderijbedrijven in Nederland. Ik heb de indruk dat het thema van deze motie overeenkomst vertoont met de motie van de heer Polderman op stuk nr. 120 waarin de regering wordt gevraagd te onderzoeken wat de effecten zijn van de vestiging van megabedrijven op het inkomen van agrariërs, de leefbaarheid op het platteland, de verspreiding van dierziekten en de import van veevoer. Hij verzoek de regering om vooruitlopend hierop geen megabedrijven toe te staan. Op verzoek van de heer Waalkens heeft hij hier nog aan toegevoegd dat hij dan doelt op grootschalige varkensbedrijven, in de volksmond wel bekend als varkensflats. Ik wil beide moties gezamenlijk behandelen.

Het is belangrijk dat er een maatschappelijke discussie is over grootschalige varkensbedrijven. Daar zijn twee soorten argumenten voor. De eerste noem ik de gevoelsmatige argumenten. Die hebben betrekking op de vraag hoe wij met dieren omgaan en wat de eigenwaarde is van een dier. De tweede soort plaats ik in de categorie beeldvorming. Die hebben betrekking op het beeld van de megabedrijven in relatie tot de klassieke landbouw. Daarnaast zijn er nog rationele argumenten, namelijk de maatregelen die in zo'n houderijsysteem kunnen worden genomen ter bevordering van het dierenwelzijn, de diergezondheid, milieu en een goede landschappelijke inpassing, de mogelijkheden voor innovatie en duurzaam ondernemen en de economische rentabiliteit.

Het is belangrijk dat een en ander zorgvuldig gebeurt. De provincies, gemeenten en zelforganisaties zijn ermee bezig. Het is van belang dat het probleem goed wordt geanalyseerd en dat de vraagstukken worden benoemd door iedereen die erbij betrokken is, ook door de sector zelf. Er is natuurlijk ook een rol weggelegd voor de rijksoverheid. Ik spreek het bedrijfsleven aan en ondersteun het in zijn participatie aan die discussie. Dit is een nieuwe ontwikkeling en wij moeten goed volgen waar dit naartoe gaat.

Ik ga samen met de minister van VROM de discussie aan over de maatschappelijke en ruimtelijke inpassing. Deze ontwikkeling zou immers ook kunnen bijdragen aan de verrommeling van het landschap.

Mijn antwoord op de moties van mevrouw Ouwehand en de heer Polderman is dus dat de discussie gaande is. Waar nodig en waar relevant zullen de minister van VROM en ik hieraan een bijdrage leveren. Het is belangrijk dat de discussie daar wordt gevoerd waar ze van belang is, dit is vaak in de regio. De overwegingen van de heer Polderman deel ik niet. Het is geen automatisme dat er per definitie sprake zou zijn van meer dierziekten en andere problemen. Grotere bedrijven kunnen het dierenwelzijn vaak beter bevorderen dan sommige kleinere bedrijven.

Dit betekent dat ik de aanneming van de motie van de heer Polderman ontraad en alles overwegende doe ik dat ook voor de motie van mevrouw Ouwehand.

In de motie op stuk nr. 118 van mevrouw Ouwehand en de heer Polderman over de Reconstructiewet wordt de regering verzocht de uitgangspunten van de zonering te handhaven en verplaatsingen van veehouderijbedrijven uit extensiveringgebieden naar verwevingsgebieden niet toe te staan en indien nodig aanvullende bepalingen op te stellen om aan deze doelstelling van de Reconstructiewet te kunnen voldoen. Wij hebben vorige week maandag een uitvoerig debat gevoerd over de stand van zaken van de activiteiten in het kader van de Reconstructiewet. Daarbij is ook de samenhang tussen extensiveringgebieden en verwevingsgebieden aan de orde geweest. Ik heb er toen geen enkel misverstand over laten bestaan dat er weinig ruimte is om een bedrijf te verplaatsen van een extensiveringsgebied naar een verwevingsgebied. De voorwaarden daartoe kunnen ook niet worden opgerekt. Toch is die mogelijkheid er en op het moment dat de provincie in overleg met alle betrokkenen en bij voldoende draagvlak onder bepaalde condities bedrijfsverplaatsing van het extensiveringsgebied naar het verwevingsgebied goedkeurt, zal ik dit niet verhinderen. Wij hebben die mogelijkheid in de Reconstructiewet met alle restricties en normen van zorgvuldigheid die daarbij horen, vastgelegd. Ik ontraad dus de aanneming ervan. Ik ben niet voornemens om juist na de positieve evaluatie en nu de Reconstructiewet zijn vruchten afwerpt, dit punt in die wet aan te passen.

De heer Polderman (SP):

De minister ontraadt de aanneming van de motie over de zogenoemde varkensflat. Betrekt de minister bij de door haar toegezegde discussie en het onderzoek de inkomenspositie van de boeren, met name de kleine boeren in de landbouwsector?

Minister Verburg:

Ik ben niet voornemens om dat specifiek te doen, want dat is een heel andere kwestie, namelijk de invulling van de landbouwontwikkelingsgebieden. Afwegingen ten aanzien daarvan worden lokaal gemaakt. In de evaluatie en tijdens het algemeen overleg dat wij hierover op locatie in Arnhem hebben gevoerd, heb ik gezegd dat het draagvlak natuurlijk van groot belang is en daar ook een rol in speelt. Mijn bestuurlijke en wellicht politieke schatting is dat in de discussie de betekenis van grotere en kleinere bedrijven voor een landbouwontwikkelingsgebieden aan de orde komt. De inkomens- en marktpositie worden dan ongetwijfeld ook besproken. Ik leg het niet op, maar sluit niets uit, sterker nog: ik verwacht dat in de discussie dit soort argumenten in overweging worden genomen.

De leden Polderman en Ouwehand verzoeken de regering in het dictum van de laatst ingediende motie om de compartimentering niet per 1 januari 2008 af te schaffen, maar om na overleg met de betrokken provinciebesturen de Kamer te informeren of, waarom en hoe lang de compartimentering dierrechten moet worden gehandhaafd. Ik heb dit dictum gelezen en herlezen en kreeg de indruk dat het precies overeenstemde met de toezegging die ik vorige week maandag heb gedaan, namelijk dat ik de Kamer zou melden of, waarom en hoe lang de compartimentering moest worden gehandhaafd. Ik ben hierover aan het overleggen met de provincies. Vorige week heb ik al gezegd wat ik nu nog eens zeg, waardoor de motie overbodig is: ik ben het aan het onderzoeken en in mijn afweging en reactie aan de Kamer zal ik vermelden of er schadeclaims te verwachten zijn en, zo ja, welke en van welke omvang. Ik heb vorige week maandag al gezegd dat ik niet voornemens ben om eventuele schadeclaims voor mijn rekening te nemen. Ik zal dit element bij mijn totaalafweging betrekken. Dit dictum stemt in ieder geval precies overeen met de toezegging die ik vorige week maandag heb gedaan. Daardoor is deze motie wat mij betreft overbodig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Die toezegging van de minister heb ik inderdaad gehoord, maar het was mij niet duidelijk dat zij ook had toegezegd om de afschaffing per 1 januari aanstaande ter discussie te stellen. Ik had alleen begrepen dat zij de discussie en de overwegingen toegezegd had. Ik ben dus blij met de opmerkingen die de minister nu maakt.

Beschouwt de minister deze motie als een steuntje in de rug, gezien haar toezegging?

Minister Verburg:

Nee. Als ik iets toezeg, ben ik gewend om mij daaraan te houden. Een steuntje in de rug heb ik daarvoor niet nodig.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen vanavond stemmen over de ingediende moties.