Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534000-XIII nr. 2

34 000 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2015

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswets voorstel

3

B.

Artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen

4

1.

Leeswijzer

4

2.

Het Beleid

7

2.1

De Beleidsagenda

7

 

1. Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

22

 

2. Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2015

24

 

3. Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

29

 

4. Overzicht Garanties

30

2.2

De Beleidsartikelen

40

 

11 Goed functionerende economie en markten

40

 

12 Een sterk innovatievermogen

50

 

13 Een excellent ondernemingsklimaat

68

 

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

83

 

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

96

 

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

113

 

18 Natuur en regio

121

2.3

De niet-beleidsartikelen

135

 

40 Apparaat

135

 

41 Nominaal en onvoorzien

138

3.

Begroting agentschappen

139

3.1

Aansluiting raming begroting agentschappen met financiering door moederdepartement EZ

139

3.2

Agentschap Telecom (AT)

141

3.3

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

147

3.4

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

152

3.5

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

156

3.6

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

161

4.

Begroting Diergezondheidsfonds

168

4.1

Beleidsartikel 01 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

169

5.

Bijlagen

179

5.1

Bijlage ZBO’s en RWT’s

179

5.2

Verdiepingsbijlage bij de begrotingsartikelen

186

5.3

Verdiepingsbijlage bij het Diergezondheidsfonds

201

5.4

Europese geldstromen

202

5.5

Moties en toezeggingen

210

5.6

Subsidieoverzicht

242

5.7

Evaluatie- en overig onderzoek

256

5.8

Lijst van afkortingen

262

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETS VOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2015 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2015. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2015.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2015 vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen voor het jaar 2015 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

Wetsartikel 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat van het Diergezondheidsfonds voor het jaar 2015 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2015. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2015.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2015 vastgesteld. Het in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Begrotingsstructuur

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK, 31 865, nr. 26). Deze presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid.

Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt eerst de economische situatie beschreven. Vervolgens gaat de beleidsagenda in op de volgende onderwerpen:

  • 1) Veranderende verhoudingen in de wereld;

  • 2) Technologische ontwikkelingen steeds meer bepalend;

  • 3) Versterking van natuurlijk kapitaal en verduurzaming;

  • 4) Maatschappij en overheid in beweging.

Bij elk onderwerp is aangegeven wat de beleidsinzet is van dit kabinet. Achter de beleidsagenda is een overzichtstabel (overzichtsconstructie) opgenomen die inzicht geeft in de Rijksmiddelen die worden ingezet voor het Bedrijfslevenbeleid en de Topsectoren. Voorts zijn in de beleidsagenda de belangrijkste begrotingswijzigingen vermeld na de Voorjaarsnota 2014. Tenslotte is een overzicht opgenomen met de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen en een overzicht met de garanties.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen opgenomen. Voor elk beleidsartikel zijn de belangrijkste beleidswijzigingen apart opgenomen onder het kopje «beleidswijzigingen». De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting. Waar mogelijk wordt, voor een meer inhoudelijke en gedetailleerde beleidstoelichting, verwezen naar de relevante beleidsnota’s of brieven die naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

In de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties en bijdragen aan mede-overheden. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

Overzichtstabel agentschappen

In het hoofdstuk «De agentschappen» is een overzichtstabel agentschappen opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de agentschapsparagrafen en de «bijdrage aan agentschappen» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen. Eventuele resterende verschillen zijn toegelicht.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van EZ voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. Bij de doelstellingen waarbij EZ een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn, waar mogelijk, prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

3. Groeiparagraaf

Begroting Diergezondheidsfonds

In deze Ontwerpbegroting is voor de eerste keer de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF) integraal opgenomen. De begrotingsstaat voor het jaar 2015 van het DGF is terug te vinden in het wetsdeel en in de artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel is het wetsartikel 3 toegevoegd. Onder de artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen is de toelichting op de DGF-begroting als een apart onderdeel opgenomen. Het DGF blijft daarmee als apart begrotingshoofdstuk bestaan, maar de afzonderlijke presentatie is met ingang van 2015 komen te vervallen. Deze keuze is om efficiencyredenen gemaakt.

Opzet beleidsartikel 16

De opzet van het beleidsartikel 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) is ten opzichte van de vorige begroting aangepast. Dit artikel is meer in lijn gebracht met de uitgangspunten van «Verantwoord Begroten». In de nieuwe opzet van beleidsartikel 16 zijn de bestaande financiële instrumenten in de budgettaire tabel geclusterd naar de volgende beleidsthema’s:

  • Duurzame veehouderij;

  • Mestbeleid;

  • Plantaardig productie;

  • Plantgezondheid;

  • Diergezondheid en dierenwelzijn;

  • Voedselveiligheid- en kwaliteit;

  • Voedselzekerheid en internationaal;

  • Visserij;

  • Agrarisch ondernemerschap;

  • Agrarische innovatie;

  • Kennisontwikkeling en innovatie.

De voormalige artikelonderdelen 16.1 tot en met 16.5 zijn daarmee komen te vervallen. De toelichtingen bij de financiële instrumenten zijn meer gericht op de concrete beleidsinzet van de betreffende instrumenten. Het beleidsartikel is daarmee compacter van omvang geworden en daardoor beter leesbaar.

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ zijn geen specifieke aanbevelingen gedaan.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (TK, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven van EZ voor Caribisch Nederland in 2015 bedragen

€ 11,2 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 11, 13, 14, 18. De uitgaven voor de beleidsartikelen 11 en 13 zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln en worden derhalve niet opgenomen in de budgettaire tabellen. De uitgaven op beleidsartikel 14 voor energiekosten Caribisch Nederland en beleidsartikel 18 voor Natuurprojecten Caribisch Nederland zijn apart opgenomen in de budgettaire tabellen.

Sinds 10 oktober 2010 is Nederland verantwoordelijk voor de veterinaire gezondheidszorg in Caribisch Nederland (Bonaire, St Eustatius en Saba). Het DGF heeft vooralsnog geen betrekking op de veehouders in dit gebied.

2. HET BELEID

2.1 DE BELEIDSAGENDA

Inleiding

Na een zware periode, getekend door een financiële en economische crisis, groeit de Nederlandse economie weer. Er is sprake van pril herstel, wat bijvoorbeeld is terug te zien in het voorzichtig aantrekken van de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd wordt het economische tij gekenmerkt door onzekerheden. De politieke spanningen rond Oekraïne en in het Midden-Oosten vormen een risico voor de wereldhandel en daarmee ook voor de Nederlandse economie.

In de afgelopen jaren heeft onze economie veerkracht getoond. Het schept vertrouwen dat ook in de crisisjaren de Nederlandse economie tot de tien meest competitieve economieën in de wereld behoorde.1 De kernkwaliteiten van onze samenleving sluiten aan bij de eisen van deze tijd: open, duurzaam, transparant, creatief en gericht op samenwerking. In 2015 werkt het kabinet verder aan het versterken en vergroten van onze welvaart in ruime zin: meer werk en inkomen, met oog voor natuur en een goede leefomgeving. Het kabinet zet een breed pakket aan maatregelen in, gericht op de uitdagingen van vandaag en morgen. Dit doet het niet alleen, maar in samenwerking met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, medeoverheden en als schakel tussen regio’s, Europa en de wereld.

Tabel 1: Positie van Nederland op de (wereld)ranglijsten

(Wereld)ranglijst

Positie NL

bbp per hoofd van de bevolking1

18

Arbeidsproductiviteit2

5

Goederenuitvoer3

5

Dienstenuitvoer3

9

Landbouwexport3

2

Concurrentiekracht4

8

Innovatiekracht binnen EU5

6

Bron: 1Wereldbank, 2Conference Board, 3Wereldhandelsorganisatie, 4World Economic Forum, 5EU Innovation Union Scoreboard

Stand van de economie2

Sinds 2008 ondervindt Nederland de gevolgen van de financiële crisis. De crisis raakte de financiële sector hard, sloeg over naar de reële economie en legde onhoudbare schuldposities bloot bij overheden, bedrijven en burgers. Verschillende steunoperaties, onder andere van de Europese Centrale Bank, waren nodig om de rust en het vertrouwen te herstellen. Daarbij zijn krachtigere begrotingsafspraken gemaakt en is de coördinatie van en het toezicht op het economische en budgettaire beleid versterkt. Inmiddels is met het op orde brengen van de overheidsfinanciën en het terugbrengen van schulden in de private sector, bij zowel het bedrijfsleven als huishoudens, een proces van balansherstel ingetreden. De economie herstelt volgens het gebruikelijke patroon, waarbij eerst de uitvoer aantrekt, daarna de binnenlandse bestedingen en vervolgens de werkgelegenheid. De economische groei in Nederland zal naar verwachting van het CPB in 2014 uitkomen op ¾ procent en in 2015 op 1¼ procent. Bij verdere escalatie van politieke spanningen rond Oekraïne zou de groei in 2015 ¼ tot ½ procent lager kunnen uitvallen.

De recente verwachtingen voor de wereldhandel zijn iets minder positief dan eerder verwacht. De uitvoer zal naar verwachting in 2014 met 3¼ procent en in 2015 met 3¾ procent groeien. De bedrijfsinvesteringen laten ten opzichte van 2013 een herstel zien. In 2013 krompen de investeringen met 2,5 procent, in 2014 zullen deze naar verwachting met 2½ procent en in 2015 met 5½ procent toenemen. Voor 2015 is de verwachting dat de binnenlandse bestedingen, waaronder de consumptie van huishoudens, na jaren van krimp weer een positieve bijdrage leveren. Zoals gebruikelijk reageert de arbeidsmarkt met vertraging op de aantrekkende productie. In 2014 zal de werkloosheid naar verwachting op 7 procent uitkomen. Verschillende indicatoren voor de arbeidsmarkt stemmen echter positief. Zo neemt het aantal uitzenduren al bijna een jaar toe en loopt het aantal vacatures al vier kwartalen op rij op. Dit duidt op een voorzichtig herstel van de arbeidsmarkt.

Tabel 2: Kerngegevens Nederlandse economie. Procentuele mutatie, tenzij anders vermeld.
 

2012

2013

2014

2015

Bruto binnenlands product

– 1,7

– 0,7

¾

Consumptie huishoudens

– 1,4

– 1,6

0

1

Overheidsconsumptie

– 1,6

– 0,2

– ¾

0

Bruto investeringen bedrijvensector (exclusief woningen)

– 4,9

– 2,5

Uitvoer van goederen en diensten

3,2

2,0

Invoer van goederen en diensten

2,8

0,8

3

Consumentenprijsindex

2,5

2,5

1

Koopkracht, mediaan alle huishoudens

– 2,1

– 1,4

½

Werkloze beroepsbevolking (niveau in duizend personen)

469

600

620

605

Werkloze beroepsbevolking (internationale definitie)

5,3

6,7

7

Bron: Aangepast van CPB (augustusraming 2014)

Uitdagingen voor de middellange tot lange termijn

Groei en werkgelegenheid hebben prioriteit voor het kabinet. Hoewel de economie stevig is geraakt door de financiële crisis is het, aldus het CPB, mogelijk om terug te keren naar de structurele groeivoet van voor de crisis.3 De ambitie van het kabinet ligt echter hoger dan de gemiddelde jaarlijkse 1½ procent structurele groei van het begin van deze eeuw. De groei zal in toenemende mate moeten komen uit een verhoging van de arbeidsproductiviteit en het werken van meer uren. Door vergrijzing en ontgroening zal het groeipotentieel uit het arbeidsaanbod de komende decennia beperkter zijn.

Tabel 3: Macro-economische kerngegevens scenario’s 2016–2023. Procentuele mutaties.
 

Aantrekkend herstel

Gematigd herstel

Vertraagd herstel

Feitelijk bbp

¾

Potentiële bbp

2

1

1

Potentiële arbeidsproductiviteit

1

1

Potentiële arbeidsaanbod (in uren)

¼

0

0

Arbeidsproductiviteit (feitelijk)

1

¾

Bron: Aangepast van CPB (2014), «Roads to Recovery»

Het kabinet streeft naar economische groei die duurzaam is. De vraag naar voedsel, grondstoffen, water en energie stijgt de komende decennia sterk. Er zijn aanpassingen nodig om welvaart en welzijn in de toekomst veilig te stellen. Om de transitie naar groene groei op gang te brengen dienen natuur, leefmilieu, dierenwelzijn, voedselveiligheid en -productie en energie onlosmakelijke onderdelen te worden van duurzame economische en maatschappelijke ontwikkelingen.

Het zal geen gemakkelijke opgave zijn om de groeiambities van het kabinet te realiseren. Nederland is, als open economie, gevoelig voor internationale ontwikkelingen. Ondernemers zullen, samen met maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en medeoverheden, moeten inspelen op de economische en maatschappelijke trends en uitdagingen die daaruit voortvloeien. Ook het Ministerie van Economische Zaken zet zich hiervoor in. Samen werken we aan een duurzaam en ondernemend Nederland. In het beleid van het ministerie spelen de trends van veranderende verhoudingen in de wereld, voortschrijdende technologie, de noodzaak om duurzaam om te gaan met natuurlijk kapitaal en ontwikkelingen in de maatschappij en bij de overheid een belangrijke rol. De beleidsagenda is dan ook thematisch langs deze trends vormgegeven.

1. Veranderende verhoudingen in de wereld

De verschuiving van zwaartepunten in de wereldeconomie zet de komende decennia verder door. Opkomende economieën zoals van de BRIC-landen4 en van diverse landen in Zuidoost-Azië zijn niet meer weg te denken in de huidige economische ordening en zullen de komende jaren verder aan gewicht winnen. De positie en opvattingen van deze landen spelen een steeds belangrijker rol. Ook neemt de concurrentie op internationale (grondstoffen)markten toe. Dit vraagt om nieuwe internationale netwerken en afspraken en om bijstelling van prioriteiten voor overheden en bedrijfsleven. Voor een open economie als Nederland is internationale samenwerking cruciaal voor versterking van het verdienvermogen. De Nederlandse uitgangspositie is goed. Volgens de meest recente editie van de DHL Global Connectedness Index, waarin handel- kapitaal-, personen- en informatiestromen van landen worden geanalyseerd, is Nederland al jaren het meest economisch verweven land ter wereld.5 Verdere integratie van economieën via internationale waardeketens biedt goede economische kansen, zoals ook toegelicht in de kabinetsbrief «Versterking van de positie van Nederland in mondiale waardeketens» (zie box 1)6.

Box 1: Optimalisatie van internationale waardeketens

Door globalisering raken economieën steeds meer met elkaar verbonden. Na de toename van de onderlinge handel verschuift de nadruk meer naar gezamenlijke productie in gedeelde internationale waardeketens. Het meeste geld wordt verdiend met de activiteiten aan het begin en einde van de waardeketen: Research & Development, branding, design, sales en marketing. Als dit grafisch wordt weergegeven, levert dit een U-vorm op die bekend staat als de glimlach-curve, zie figuur 1.

Figuur 1: Internationale waardeketens en toegevoegde waarde

Figuur 1: Internationale waardeketens en toegevoegde                     waarde

Bron: Gebaseerd op Shih (1992), Dedrick en Kraemer (1999) en Baldwin (2012)

Het systeem van internationale arbeidsdeling is winstgevender geworden doordat transportkosten fors zijn afgenomen en de ICT-revolutie de coördinatiekosten aanzienlijk heeft verlaagd.7 Ontwikkelde landen winnen bijvoorbeeld aan concurrentiekracht door productie goedkoper te laten plaatsvinden in lagelonenlanden. De minder ontwikkelde landen winnen aan concurrentiekracht door gebruik te maken van de kennis uit meer ontwikkelde landen om daarmee betere producten te maken. Bovendien kunnen landen zich specialiseren in bepaalde taken waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.8 Dit is vooral belangrijk voor kleine economieën. Voor Nederland zijn met name de activiteiten aan het begin en einde van de waardeketen, met een hoge toegevoegde waarde, van belang. Het Nederlandse topsectorenbeleid sluit hierop aan. Het is gericht op hoogwaardige kenniscreatie en valorisatie van kennis en innovatie. Daarnaast draagt het bij aan een goed opgeleide beroepsbevolking, de exportkansen voor Nederlandse bedrijven en het wegnemen van belemmerende wet- en regelgeving.

De bijdrage van de export bedraagt op dit moment ongeveer 30 procent van het bbp.9 De meeste handel wordt nog altijd gedreven met nabije buurlanden. Van de Nederlandse export van goederen gaat 24 procent naar Duitsland, 11 procent naar België en 8 procent naar respectievelijk Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.10

Beleidsprioriteiten in 2015

Het Nederlandse bedrijfsleven profiteert van nauwe economische samenwerking met andere landen. Het kabinet bevordert de samenwerking onder andere door het organiseren van economische missies en handelsverdragen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) helpt en adviseert Nederlandse ondernemingen actief in het buitenland. RVO vervult eenzelfde rol voor buitenlandse bedrijven, uit met name Noord-Amerika en Azië, die nieuwe activiteiten in Nederland willen opzetten of bestaande activiteiten willen uitbreiden. Als onderdeel van het Rijksbrede buitenlandnetwerk onderhoudt het Ministerie van Economische Zaken een netwerk van attachés over de hele wereld die internationaal opererende bedrijven ondersteunen en adviseren op het gebied van innovatie, landbouw en buitenlandse investeringen.

Op het gebied van agro-food is Nederland een wereldspeler. De agrarische export bedroeg in 2013 € 83,6 mld11. Daarmee is Nederland de tweede agro-exporteur ter wereld. Deze positie is mede te danken aan de efficiëntie van de sector en aan het goed werkende landbouwkennissysteem. In de agrosector neemt het aantal en de complexiteit van handelsbelemmeringen toe. Daarom is gerichte inzet van de overheid nodig om markttoegang voor planten, plantmateriaal en dierlijke producten zeker te stellen. Met name in landen waar de overheid een groot aandeel heeft in de economische sturing is diplomatieke ondersteuning noodzakelijk. De sancties van Rusland vragen hierbij speciale aandacht (zie box 2). Om de exportpositie buiten de Europese Unie te versterken, zal daarnaast de komende jaren aandacht uitgaan naar China, India, Indonesië, Brazilië en de Verenigde Staten. Het Nederlandse exporterende bedrijfsleven krijgt betere toegang tot financiering om een gelijker speelveld te creëren met concurrenten in het buitenland. Het kabinet komt in 2015 met voorstellen voor aanpassing van het bestaande instrumentarium van exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties.

Box 2: Gevolgen van sancties door Rusland

Dat de internationale integratie van economieën en sectoren risico’s en onzekerheden met zich meebrengt wordt geïllustreerd door de wederzijdse sancties van Rusland en de Europese Unie. In reactie op een eerder aangenomen EU-sanctiepakket vanwege de Russische opstelling bij het conflict in Oekraïne, heeft Rusland begin augustus importrestricties afgekondigd voor verschillende agrarische producten uit onder andere de Europese Unie. Hoewel het aandeel van de Nederlandse agrarische export naar Rusland met 1,9 procent van de totale agrarische export beperkt is, kunnen specifieke sectoren en bedrijven door de Russische maatregelen hard worden geraakt. Ook zullen de sancties voelbaar zijn in andere delen van de keten zoals de transport- en logistieksector en de groothandel. De aard en de omvang van de Russische maatregelen vragen primair om een Europese aanpak. Met een gemeenschappelijke aanpak kan krachtiger en effectiever worden gereageerd.

In Europees verband zet het kabinet in op een krachtig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, gericht op versterking van de concurrentiekracht van agrariërs, innovatie en verduurzaming. De nadruk van het Europese landbouwbeleid ligt op het verder afbouwen van markt- en prijsbeleid tot een vangnet voor crisissituaties en meer doelgerichte directe betalingen aan agrariërs.

Het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid zal in 2015 worden geïmplementeerd. Bij de implementatie ligt het zwaartepunt op de invoering van de aanlandplicht. Het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij, dat begin 2015 operationeel zal worden, ondersteunt de hervorming van het Gemeenschappelijke Visserijbeleid. Het fonds is gericht op verbetering van de concurrentiepositie en verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur.

Op Europees niveau en bij lidstaten zelf kunnen belangrijke stappen worden gezet voor het creëren van groei en banen. Als handelsland profiteert Nederland van stabiliteit en groei in de Europese Unie. Een beter werkende interne markt kan volgens schattingen van de Europese Commissie de komende 10 jaar leiden tot extra economische groei van circa 4 procent van het Europese bbp. Nederland heeft dus veel te winnen bij verdere economische integratie, het terugdringen van administratieve lasten en het creëren van open markten. Het kabinet maakt versterking van de interne markt en prikkels bij lidstaten om structurele hervormingen door te voeren tot prioriteit richting de nieuwe Europese Commissie en in het eigen voorzitterschap in 2016.

Het kabinet pleit op Europees niveau voor het creëren van één digitale interne markt, onder andere door invoering van een Europese titel voor auteursrecht, in plaats van 28 nationale auteursrechttitels. Nederland kan hier sterk van profiteren vanwege het hoge internetgebruik en het hoge percentage detailhandelaren dat hun goederen of diensten online aanbiedt. Om tot één Europese telecommarkt te komen streeft het kabinet naar versterking van de Europese toezichthouder en volledige afschaffing van roamingtarieven. Ook zet het kabinet in op het makkelijker maken van grensoverschrijdende e-commerce, samen met gelijkgezinde lidstaten. Dit kan onder andere door verdere harmonisering van consumentenrechten.

Het kabinet zal de Europese dienstenrichtlijn voortvarend uitvoeren en zal hiertoe eisen aan gereglementeerde beroepen en activiteiten in Nederland vereenvoudigen en waar mogelijk afschaffen, met name in de bouw, zakelijke dienstverlening en veiligheidssector. Om sneller voortgang te boeken binnen Europa werkt Nederland ook geregeld met een kleinere groep gelijkgestemde lidstaten (frontrunners) aan dossiers op het gebied van elektronische handel, één loket voor zakelijke dienstverlening en het opzetten van nationale Single Market Centres. Ook zullen op korte termijn afspraken met de Benelux-landen worden gemaakt om nationale koppen op Europese regelgeving voor detailhandel in beeld te brengen en waar nodig af te schaffen en tot een gezamenlijke markt te komen voor verwerking, transport en recycling van afval.

2. Technologische ontwikkelingen steeds bepalender

Waar de groei van de Nederlandse economie in de afgelopen decennia voor een belangrijk deel werd bepaald door een grotere arbeidsinzet, moet deze de komende jaren vooral komen uit de groei van de arbeidsproductiviteit.12 Ontwikkelingen in het arbeidsaanbod dragen, mede als gevolg van vergrijzing en ontgroening, steeds minder bij aan de economische groei; technologische vooruitgang, innovaties en kennis des te meer. Technologische ontwikkelingen volgen elkaar steeds sneller op. Door toenemende concurrentie en fragmentatie zijn doorbraaktechnologieën steeds korter bepalend. De time to market, zoals aangegeven in figuur 2, neemt af. De marktleiders van vandaag zijn steeds minder vaak ook de marktleiders van morgen.

Figuur 2: Sterke toename van technologische vernieuwing gekoppeld aan steeds snellere commerciële uitrol van nieuwe techniek

 Figuur 2: Sterke toename van technologische                     vernieuwing gekoppeld aan steeds snellere commerciële uitrol van nieuwe                     techniek

Bron: Gebaseerd op Comin & Hobijn (2008), «An Exploration of Technology Diffussion», Online database World Intellectual Property Organization, juni 2012

Informatie- en communicatietechnologie (ICT) zal naar verwachting nog lange tijd een belangrijke bijdrage leveren aan economische groei. Het is een technologie die in talloze toepassingen wordt verspreid en daarmee een cyclus van investeringen op gang brengt. Door het slim combineren van ICT, logistiek en dienstverlening worden productieprocessen in de industrie en de land- en tuinbouw steeds innovatiever. Machines onderling, producten en productiemiddelen raken meer en meer verbonden door middel van sensoren en door toepassing van het zogenaamde internet of things. Ook de ontwikkeling van big data, ofwel de analyse van steeds grotere hoeveelheden informatie, gaat naar verwachting een groei van economische activiteiten teweegbrengen. De data die hiermee verzameld worden, bieden veel mogelijkheden voor interessante verdienmodellen.

Voor de groei van de arbeidsproductiviteit is een omgeving van belang die de toepassing en de verspreiding van nieuwe producten, oplossingen en slimmere werkwijzen faciliteert. Traditiegetrouw heeft Nederland een omgeving die het adopteren van en het aanpassen aan nieuwe technologieën stimuleert: het opleidingsniveau van de beroepsbevolking en de kwaliteit van de wetenschap zijn hoog, de fysieke en digitale infrastructuur zijn van hoge kwaliteit en publieke en private partijen werken intensief samen. De wereld wordt echter steeds dynamischer, de vraag pluriformer en de concurrentie neemt toe. Het is essentieel om wendbaar en vernieuwend te blijven.

Beleidsprioriteiten in 2015

Met het generieke bedrijfslevenbeleid worden ondernemers uitgedaagd om vernieuwend en wendbaar te zijn. Zo worden ondernemers via de WBSO13 fiscaal gestimuleerd om zelf aan Research & Development te doen en nieuwe producten te ontwikkelen. Daarnaast levert het kabinet maatwerk via het topsectorenbeleid. Ondernemers, kennisinstellingen en overheden werken samen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen die een bron zijn voor het Nederlandse verdienvermogen; met andere woorden Global Challenges, Dutch Solutions. Nederlandse bedrijven spelen daar nu al op in met producten en diensten die wereldwijd geëxporteerd worden. Goede voorbeelden zijn de Nederlandse voedingsmiddelen- en de agro-sector. Deze sectoren combineren een sterke positie op het gebied van groene innovatie met een uitstekende exportpositie.

In 2015 wordt het bedrijfslevenbeleid koersvast voortgezet, met als speerpunten de actualisatie van innovatiecontracten, de versterking van betrokkenheid van het MKB door verhoging van het budget voor de MKB-innovatiestimuleringsregeling met € 30 mln en een nauwere aansluiting tussen het topsectorenbeleid en het Europees onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020. Het kabinet stelt in 2014 een special envoy voor startups aan om het Nederlandse profiel als een internationaal aantrekkelijke plek voor jonge, innovatieve bedrijven te versterken. Onderdeel van deze aanpak is betere benutting van bestaande financieringsinstrumenten, onderwijsinitiatieven (zoals aandacht voor coderen, apps ontwikkelen in het voortgezet onderwijs) en het versterken van innovatieve ecosystemen (zoals het Amsterdamse startup-initiatief). Ook zal het kabinet, samen met kennisinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden in 2015 een wetenschapsagenda op. Deze agenda benoemt uitdagende thema’s waar de wetenschap zich op gaat richten, met een actieve betrokkenheid van bedrijven en maatschappelijke organisaties. Zowel de profileringsafspraken van de universiteiten, als de sectorplannen onderzoek en de middelen van NWO zullen worden gericht op de thema’s uit de Wetenschapsagenda. Het is belangrijk dat de wetenschapsagenda aansluit bij de maatschappelijke uitdagingen en de Europese Horizon 2020-agenda. Hierdoor kunnen de wetenschapsagenda en inspanningen binnen de topsectoren elkaar versterken.

Ondernemers hebben financiering nodig om nieuwe ideeën te realiseren en op de markt te brengen. De afgelopen jaren is het voor het MKB, dat sterk afhankelijk is van bankfinanciering, moeilijker geworden om financiering te krijgen. Het is van belang dat het Nederlandse financieringslandschap diverser van karakter wordt. Het kabinet stelt een uitgebreid instrumentenpakket ter beschikking en richt zich specifiek op het MKB. Met het «Aanvullend actieplan voor MKB-financiering»14 neemt het kabinet in 2015 extra maatregelen om de markt voor risicodragend vermogen door te ontwikkelen, het financieringsaanbod te verbreden en bestaande overheidsinstrumenten te verbeteren. Daarnaast richt het kabinet zich op de ontwikkeling van alternatieve financieringsvormen zoals kredietunies, crowdfunding en de MKB-beurs NPEX en het wegnemen van informatieasymmetrie over kredietwaardigheid. Verder ondersteunt het kabinet marktpartijen bij het oprichten van een fonds voor achtergestelde leningen en geeft het een extra impuls aan co-financiering met business angels. Om direct een impuls te geven aan innovatie stelt het kabinet een Toekomstfonds in. Er komt € 200 mln beschikbaar voor revolverende financiering van innovatieve MKB-bedrijven. De rendementen van het fonds komen beschikbaar voor uitgaven aan fundamenteel en toegepast onderzoek. Tot slot ziet het kabinet in de Nederlandse Investeringsinstelling (NII) een krachtig initiatief dat gaat bijdragen aan een gevarieerder financieringslandschap. De NII moet het voor pensioenfondsen en verzekeraars makkelijker en aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse projecten.

Nederland is met zijn hoogwaardige informatie- en communicatietechnologie-infrastructuur een belangrijke digital gateway voor Europa. De ontwikkelingen in ICT gaan snel en dringen door tot in de haarvaten van de maatschappij. Om het bedrijfsleven en burgers hiervan optimaal te laten profiteren, zorgt het kabinet voor goede randvoorwaarden. Het kabinet geeft meer ruimte aan innovatief gebruik van data en komt in 2015 met concrete voorstellen. Wetgeving wordt aangepast zodat op verantwoorde wijze nieuwe datagedreven innovaties en verdienmodellen tot stand kunnen komen. Ook zal het gebruik van open data worden gefaciliteerd en regels omtrent intellectueel eigendom gemoderniseerd. Voorts voert het kabinet de actie-agenda Smart Industry uit die moet leiden tot nieuwe manieren van samenwerken en produceren in de Nederlandse (maak)industrie.

Het kabinet versterkt in 2015 de cybersecurity. Zo wordt de kennisbasis op het gebied van digitale veiligheid verbreed en komt er een keurmerk veilig internet voor het MKB. Dit maakt ondernemers minder kwetsbaar voor digitale inbraken en versterkt het consumentenvertrouwen in e-commerce. De investeringen in cybersecurity en internationale samenwerking bieden ook bij uitstek kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven om exportkansen in deze mondiale groeisector te grijpen.

Ook het winkellandschap is aan verandering onderhevig. Consumenten winkelen steeds meer online en zijn beter geïnformeerd over kwaliteit en prijs. Het kabinet neemt maatregelen die ervoor zorgen dat de detailhandel sneller kan inspelen op veranderende voorkeuren van het winkelpubliek. Met het oog op de aantrekkelijkheid van binnensteden doet het kabinet voorstellen om leegstaande winkelruimtes sneller een andere bestemming te geven. Ook neemt het kabinet maatregelen om de combinatie van fysieke en online detailhandel te faciliteren. Tevens komt er een Nederlandse gedragscode franchise met een bijbehorende geschillencommissie.

Het kabinet stelt in 2015 een Agenda Stad op om de concurrentiekracht en leefbaarheid van Nederlandse steden verder te versterken. Deze is er mede op gericht om bestemmingsplannen, bouwprocedures en bestaande investeringsprogramma’s beter bij stedelijke groei aan te laten sluiten. Uiteraard doet het kabinet dit samen met de steden, bedrijven en kennisinstellingen.

Voor de groei van de productiviteit is het van belang dat innovaties snel en grootschalig door de beroepsbevolking worden toegepast. Het vaardighedenniveau moet meegroeien met de ontwikkeling van de technologie. De overheid stimuleert scholieren, studenten en werknemers in alle geledingen van het onderwijs om te excelleren. Een daarmee samenhangende uitdaging is het versterken van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor de technieksector. Met het «Nationaal Techniekpact 2020»15 werkt het kabinet aan de instroom van voldoende opgeleide en vakbekwame technici. Aandacht voor techniek in het onderwijs draagt onder andere bij aan de ontwikkeling van probleemoplossend vermogen en creatief denken. Talentontwikkeling is hard nodig om technologische vernieuwingen tot stand te brengen. Het kabinet gaat afspraken maken met het bedrijfsleven met als doel de komende 10 jaar (2015–2025) het aantal promovendi in het bedrijfsleven (onder andere in de vorm van industrial doctorates) en de rijksoverheid met enkele honderden te vergroten. Hiermee realiseren we een betere toepassing van kennis in bedrijfsleven en overheid, en maken we Nederland als vestigingsplaats aantrekkelijker. Daarnaast zal het kabinet de toegang voor kennismigranten versoepelen en goedkoper maken en zal hiertoe in 2015 een voorstel doen. Het kabinet zal met maatregelen komen om Nederland aantrekkelijker te maken als bestemming voor kennismigranten, bijvoorbeeld via een versterking van het aanbod van internationale scholen.

3. Versterking van natuurlijk kapitaal en verduurzaming

Door de groeiende wereldbevolking en welvaart neemt de vraag naar voedsel, energie, schoon drinkwater en grondstoffen toe. Hierdoor wordt de druk op de natuur, het leefmilieu en het klimaat groter. De biodiversiteit, ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen worden bedreigd. Om welvaart en welzijn in de toekomst zeker te stellen, dienen natuur, leefmilieu en klimaat onlosmakelijke onderdelen te worden van duurzame economische en maatschappelijke ontwikkeling. De potentie van natuurcombinaties, publieke en private investeringen die niet alleen natuurwinst opleveren, maar ook anderszins maatschappelijk renderen, moet optimaal worden benut.

Voor de Nederlandse economie is het belangrijk dat energie betaalbaar en voldoende beschikbaar blijft. In vergelijking met andere Europese landen kent de Nederlandse export een relatief groot aandeel producten en activiteiten die veel energie gebruiken. De komende jaren zal de energievraag blijven stijgen terwijl het aanbod zich concentreert in een beperkt aantal landen en regio’s die politiek of economisch soms instabiel zijn. Het is belangrijk dat Europa minder eenzijdig afhankelijk wordt van dergelijke energieproducerende landen. Daarvoor dient de energie-efficiëntie te worden verbeterd, worden gewerkt aan een schonere energiehuishouding en worden ingezet op een sterk concurrerende energiemarkt die zijn grondstoffen betrekt uit verschillende bronnen en regio’s.

De transitie kan Nederland niet alleen tot stand brengen. Het klimaat, de natuur en het leefmilieu trekken zich niets van grenzen aan. Internationaal en Europees afstemmen en samenwerken is noodzakelijk. Ook door verdere integratie van de Europese markten, zoals de energiemarkt, worden internationale afspraken en samenwerking steeds belangrijker. Door in te zetten op ambitieuze mondiale afspraken helpt het kabinet de internationale druk op natuur, leefmilieu en klimaat, te verminderen en kan Nederland tegelijkertijd zijn positie als speler op internationale markten behouden en versterken.

Beleidsprioriteiten in 2015

Natuur en economie kunnen goed samengaan en van elkaar profiteren. Het kabinet kiest voor een gezamenlijke aanpak met maatschappelijke organisaties en medeoverheden, waarin met oog voor economische ontwikkeling het fundament voor natuur en biodiversiteit wordt versterkt. Met deze aanpak wordt tegelijkertijd invulling gegeven aan de Nederlandse doelen en ambities om het natuurbeleid te vermaatschappelijken en aan de Europese en internationale afspraken waaraan Nederland zich heeft verbonden. De aanpak komt tot uiting in de recent uitgebrachte Natuurvisie «Natuurlijk Verder»16. De kern van de visie weerspiegelt de omslag van denken: van natuur beschermen tegen de samenleving naar natuur versterken met de samenleving. In de bijhorende maatschappelijke uitvoeringsagenda worden concrete acties uitgewerkt waarmee het kabinet in 2015 handen en voeten geeft aan de visie. Ook bij de nieuwe Wet Natuurbescherming en de implementatie van het Natura 2000-beleid is de aanpak gevolgd en worden natuur en economie gecombineerd. Met de aanwijzing van de laatste Natura 2000-gebieden en met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt ruimte geboden aan ondernemerschap en infrastructuur. In 2015 worden naar verwachting weer vergunningen verleend voor (economische) activiteiten rondom Natura 2000-gebieden, maar met behoud van natuurwaarden.

Op verschillende domeinen zoals de biobased economy, voedsel en energie, wordt invulling gegeven aan de transitie naar groene groei. De ambitie is om de Nederlandse concurrentiekracht en het verdienvermogen te versterken en tegelijkertijd de belasting op het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie en grondstoffen terug te dringen. Ook in het kader van natuurinclusief beleid en groen ondernemerschap wordt gewerkt aan groene groei. De uitdaging is om de waarde van natuur op een transparante wijze te laten meewegen in de besluitvorming van bedrijven, financiële instellingen en overheden, bijvoorbeeld waar het gaat om de landbouw- en woningproductie en de aanleg van bedrijventerreinen en infrastructuur. Goederen en diensten die de natuur voortbrengt zijn waardevol maar meestal niet beprijsd omdat deze vaak niet voorhanden zijn. Het kabinet werkt daarom in 2015 aan verbetering van de waardering van natuur in het instrument Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en via de zogenaamde TEEB-studies17. Daarnaast verkent het kabinet met sectoren welke economische prikkels natuurinclusief ondernemen stimuleren, en hoe kan worden gezorgd dat met het toepassen van natuurcombinaties wat goed is voor de natuur ook economisch aantrekkelijk is. Het kabinet wil dat natuur weer een thema van burgers, ondernemers en overheden wordt.

Om negatieve effecten op het milieu te beperken en het dierenwelzijn te verbeteren, stimuleert het kabinet duurzame productie en consumptie van voedsel. Nederland loopt hierin internationaal voorop.18 Met de «Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal»19 wordt gewerkt aan behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit, onder andere door in te zetten op verdere verduurzaming over de (internationale) voedsel- en agroketens. Beoogd wordt de Nederlandse ecologische footprint te beperken en tegelijkertijd concurrerend te blijven. De agenda sluit aan bij het internationale biodiversiteitsbeleid.

In de voedselketen heeft het kabinet veel aandacht voor voedselverspilling, voedselveiligheid, volksgezondheid, zorgvuldig (en terughoudend) gebruik van antibiotica in de veehouderij en dierengezondheid en -welzijn. Handhaving en naleving van regelgeving is van groot belang. Het kabinet werkt daarom in 2015 verder aan het uitvoeren van het plan van aanpak om het toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te versterken. In de kabinetsreactie op het rapport «Risico’s in de vleesketen» van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid20 heeft het kabinet aangekondigd dat vleesfraude integraal en multidisciplinair zal worden aangepakt en dat de keuringstaken voor de sectoren vlees, zuivel en plant weer binnen het publieke domein worden gebracht.

Natuurinclusieve landbouw biedt voor Nederland grote kansen. Wereldwijd moet de landbouw- en visserijsector een groeiende bevolking voeden. Met climate-smart agriculture kan de voedselzekerheid worden verbeterd, de uitstoot van broeikasgassen worden teruggebracht en de landbouw aan klimaatverandering worden aangepast. Het kabinet stimuleert daarom dat de kennis en kunde van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen wereldwijd in praktijk worden gebracht. In eigen land zet het kabinet onder meer in op een klimaat-neutrale glastuinbouw, verbetering van dierenwelzijn en evenwicht op de mestmarkt. Daarnaast maakt het kabinet in 2015 werk van een duurzame veehouderij en een duurzame voedselvoorziening, in nauwe samenwerking met de ketenpartijen en andere partners van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) en de Alliantie Verduurzaming Voedsel (AVV).

Een schone, betaalbare en betrouwbare energiehuishouding is essentieel voor duurzame, economische groei. Het kabinet wil dat de transitie naar een schone energievoorziening tempo houdt. Met het «Energieakkoord»21 worden belangrijke stappen gezet en krijgt tegelijkertijd de economie een stevige impuls. De betrokken partijen hebben de verantwoordelijkheid opgepakt om te komen tot grote investeringen die leiden tot energiebesparing, meer duurzame energie, extra werkgelegenheid en versterking van de concurrentiepositie. De uitvoering van de 159 maatregelen vindt in samenspraak plaats. In 2015 geeft het kabinet prioriteit aan de start van de grootschalige uitrol van wind op zee, onder andere via de openstelling van een eerste tender. Daarnaast wordt de SDE+-regeling voor de vierde keer opengesteld en komt ook bij- en meestook van biomassa voor deze regeling in aanmerking. Tegelijkertijd zorgt het kabinet voor het op orde brengen van de randvoorwaarden voor wind op land en op zee en dat er duurzaamheidscriteria voor biomassa worden opgesteld. Ter versterking van de concurrentiekracht stimuleert het kabinet energiebesparing in de industrie.

Voor het borgen van de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie is het van belang dat de energiemarkt goed werkt. Dit creëert efficiënte prijsprikkels en investeringszekerheid voor bedrijven waardoor het aantrekkelijk wordt om te investeren in cruciale energie-infrastructuur. Voor het goed functioneren van de energiemarkt is het noodzakelijk dat landen in de Europese Unie het derde interne-energiemarktpakket en de energie-infrastructuurverordening implementeren en naleven. Daarnaast is het essentieel dat de gemaakte afspraken over ontvlechting van belangen in enerzijds transmissienetwerken en anderzijds productie en levering goed worden uitgevoerd. In veel lidstaten is nog sprake van gereguleerde energieleveringsprijzen waardoor er onvoldoende ruimte is voor efficiënte prijsvorming op de consumentenmarkt. Het kabinet zet in op versterking van de energiemarkt door een betere koppeling van nationale en regionale gas- en elektriciteitsmarkten en -infrastructuur zodat beschikbare productiecapaciteit beter wordt benut en effectieve prikkels ontstaan ten behoeve van leveringszekerheid en een schonere energieproductie. Binnen het EU-kader maakt het kabinet afspraken in Noordwest-Europees verband om het energiebeleid beter op elkaar te laten aansluiten.

4. Maatschappij en overheid in beweging

De verhoudingen tussen burgers en overheid en de sociaaleconomische opvattingen zijn aan verandering onderhevig. Waar de overheid vroeger doorgaans zowel de beleidslijnen als de uitvoering voor zijn rekening nam, wordt de laatste jaren meer samengewerkt met publieke en private partijen. Tevens is er steeds meer vraag naar maatwerk en individuele afspraken en vrijheden, naast uniforme collectieve arrangementen. De overheid neemt een meer en meer ondersteunende en faciliterende rol aan. Ook wordt de overheid steeds vaker ingezet als een belangrijke schakel in regionale, Europese en internationale samenwerkingsverbanden. Door ruimte te geven aan initiatieven uit de maatschappij en burgers, publieke en private partijen meer te betrekken bij beleidsvorming en -uitvoering kan de overheid belangen beter afwegen, het draagvlak verbreden en de effectiviteit van het beleid vergroten.

Bij de herpositionering van de overheid in het speelveld gaat het om maatwerk. Dit is de laatste jaren onderstreept door de verschillende misstanden die aan het licht gekomen zijn in bijvoorbeeld de aansturing van semipublieke instellingen, het toezicht op de financiële sector en de kwaliteitsbewaking in de vleessector. De overheid is en blijft stelselverantwoordelijk voor het borgen van publieke belangen. Zelfregulering, toezicht en prikkels moeten op de goede wijze in het kader worden geplaatst zodat de juiste balans wordt gevonden tussen verwachtingen van de maatschappij enerzijds en het waarborgen van het algemene belang anderzijds.

Beleidsprioriteiten in 2015

De energieke, ondernemende samenleving manifesteert zich op diverse terreinen. Om hier zoveel mogelijk profijt uit te halen, stelt het Ministerie van Economische Zaken zich actief op als netwerkpartner. Zo is de «Middellangetermijnvisie op telecommunicatie, media en internet»22, en het vervolg daarop, tot stand gekomen in dialoog met een uitgebreide groep partners, waaronder marktpartijen, consumentenorganisaties en wetenschap. Naar aanleiding van de visie wordt in 2015 verder gewerkt aan modernisering van de regelgeving. De nieuwe manier van werken komt ook tot uitdrukking in de Natuurvisie waar beleidsvernieuwing heeft plaatsgevonden door burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en decentrale overheden direct te consulteren. In 2015 zal samen met betrokken partijen concreet invulling worden gegeven aan de visie. Bij de totstandkoming van de Nationale Investeringsinstelling (NII) heeft het kabinet slechts een ondersteunende rol gehad; de NII wordt door private partijen gerealiseerd en gedragen. Ook bij de uitvoering van afspraken, zoals vastgelegd in het Energieakkoord en het topsectorenbeleid, werkt het kabinet intensief samen met bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties.

De verbindende werkstijl van het Ministerie van Economische Zaken komt tot uiting in de sturingsfilosofie dat de overheid de verbindende schakel vormt met de regio’s en Europa. Zo wordt in het topsectorenbeleid de MKB-innovatiestimuleringsregeling ingezet om regionale verbindingen te versterken. Met de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn afspraken gemaakt over een financiële bijdrage aan de regeling en ook met de andere provincies lopen gesprekken. Ook de uitvoering van het Nationaal Techniekpact 2020 is regionaal verankerd. In de landelijke regiegroep heeft de regio een prominente rol met per landsdeel een bestuurder. Een ander instrument waarin de overheid de verbindende schakel vormt is het Europese fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor de periode 2014–2020. De nieuwe operationele programma’s zijn opgesteld door de vier landsdelen, waarbij de nationale overheid de kaders heeft gesteld. De ambitie is om de EFRO-middelen in te zetten voor het versterken van de regionaal economische dynamiek van de topsectoren. De regio’s zelf zijn verantwoordelijk voor de regionale afspraken, de inzet van middelen en de invulling van de landelijke afspraken. Ook wordt stevig ingezet op het verbinden van het Europese kennisbeleid in Horizon 2020 en de plattelandsontwikkelingsprogramma’s via het Europees Innovation Partnership Landbouw. In samenwerking met de provincies wordt gewerkt aan een interactieve, publiek-private aanpak, waardoor Horizon 2020-gelden beschikbaar kunnen komen voor Nederlandse kennisinstellingen en private bedrijven.

Bij veel semipublieke organisaties is er sprake van een spanning tussen eigen verantwoordelijkheid en beleidsruimte en toezicht. Het kabinet beoogt een effectieve borging van publieke belangen te laten samengaan met voldoende ruimte voor vernieuwing. Bij verschillende semipublieke taken zoals het waarborgen van de voedselveiligheid zet het kabinet in op het versterken van de ordening, de governance en het toezicht. Aanscherpen als het moet, vereenvoudigen als het kan.

De (digitale) dienstverlening van de overheid aan burgers en bedrijven dient in te spelen op de veranderende eisen ten aanzien van continuïteit, betrouwbaarheid, veiligheid, privacy, regeldrukvermindering en het voorkomen van fraude. Het kabinet heeft de Nationaal Commissaris Digitale Overheid (NCDO) geïntroduceerd om het gebruik van digitale dienstverlening verder te laten toenemen en daarmee een digitale overheid te realiseren.

In 2015 zal het kabinet een wetsvoorstel indienen om de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen te implementeren. Belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is de digitalisering van de aanbesteding van (overheids)opdrachten boven de Europese drempelbedragen. Door een betere e-overheidsdienstverlening en verlaging van de administratieve lasten zijn ondernemers minder tijd en geld kwijt. Ook wordt er toegewerkt naar één controlemoment om de efficiëntie van de logistieke keten te vergroten: alle inspecties, zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, en de Douane gaan zo inspecteren op hetzelfde moment in de logistieke keten.

Tot slot

Het is lastig om goede voorspellingen te doen over hoe de Nederlandse economie en maatschappij zich de komende decennia zullen ontwikkelen. Waar verdienen wij ons brood mee, welke technologische ontwikkelingen zullen zich de komende jaren voordoen, hoe verhoudt Nederland zich ten aanzien van de rest van de wereld? Het is wel belangrijk om over deze vragen na te denken en stil te staan bij het toekomstig verdienmodel en -vermogen van Nederland. De recente ontwikkelingen bieden reden tot voorzichtig optimisme. Het kabinet heeft stappen gezet om kwetsbaarheden in onze sociaal-economische instituties weg te nemen: de publieke en private schulden worden teruggebracht, er is noodzakelijk onderhoud op de woningmarkt en de arbeidsmarkt gepleegd en er zijn belangrijke maatregelen genomen ter bescherming van de natuur, een beter leefklimaat en ter bevordering van een hernieuwbare energievoorziening. De hierboven geschetste ontwikkelingen laten echter geen ruimte voor terughoudendheid; ambitieuze doelen en inzet zijn noodzakelijk en gerechtvaardigd.

1. Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

De tabel bevat een meerjarig overzicht van de middelen die in 2014–2018 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. De indeling van de tabel geeft inzicht in de samenhang tussen de verschillende onderdelen. Voor een groot deel betreft dit het innovatiebeleid, dat uit een generieke pijler en een specifieke pijler bestaat. Het generieke beleid ondersteunt innovatie voor alle bedrijven, binnen en buiten de Topsectoren (tabel A1 en A2). Ook de bijdrage van Buitenlandse Zaken (A3) is generiek van aard. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS, tabel B1 en B2). Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. PPS wordt gestimuleerd met de TKI Toeslag en de MIT. Internationale PPS wordt mogelijk gemaakt dankzij EU cofinanciering (B2), daarnaast door de Innovatie Attachés en technologiemissies. Onderdeel C bevat de instrumenten voor aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en tot slot bestaat onderdeel D uit verschillende specifieke bijdragen van departementen aan voor hun relevante topsectoren.

Nieuw is de kolom met het begrotingsartikel waar de middelen op de departementale begrotingen staan. Daar zijn de hier getoonde reeksen vaak niet één op één terug te vinden, omdat hier alleen de middelen zijn getoond die samenhangen met het bedrijfslevenbeleid en topsectoren. Ten opzichte van de presentatie in de begroting 2014 is ook de indeling van onderdeel B aangepast.

In deze tabel zijn zowel de intensiveringen als taakstellingen uit de begrotingsafspraken 2014 verwerkt. Een afnemend deel van de middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. De verantwoording over deze budgetten vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen.

De reeksen van WBSO en RDA betreffen het beschikbare budget, inclusief technische inboekingen. Voorts zal nader worden onderzocht om de RDA en WBSO per 2016 te integreren.

Voor een totaalbedrag van cofinanciering KP7 en H2020 wordt verwezen naar Bijlage 5.4 Europese geldstromen, paragraaf 5 Horizon 2020. De reeksen voor NWO en Creatief liggen vast in de BIS (2013–2016). Een deel van het geld van het regionaal investeringsfonds MBO gaat ook naar publiek-private samenwerkingsverbanden buiten de topsectoren. De specifieke bijdrage van Defensie gaat naar TNO en NLR.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren
 

2014

2015

2016

2017

2018

Departement

Artikel

(kasbedragen x € 1 mln)

             
               

I Generiek

             
               

A1. Ondernemerschap en innovatie

207

117

103

82

74

   

• Innovatiefonds MKB+

207

117

103

82

74

EZ

12

               

A2. Fiscale maatregelen

1.066

1.040

943

928

928

   

• RDA

302

238

131

126

126

EZ/FIN

12, Belastingplan

• WBSO

764

802

812

802

802

EZ/FIN

12, Belastingplan

               

A3. Internationaal

258

357

390

530

59

   

• Internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking

158

207

240

230

59

BuZa

1

• Dutch Good Growth Fund (DGGF)

100

150

150

300

BuZa

1, 2, 3

               

II Specifiek voor topsectoren

             
               

B1. Kennis en innovatie

484

546

516

512

512

   

• NWO

210

275

275

275

275

OCW/EZ

16

• STW

22

22

21

21

21

EZ

12

• KNAW

19

19

19

19

19

OCW

16

• Toegepast onderzoek (TO2: TNO, DLO, Marin, ECN, NLR, Deltares)

189

187

157

153

153

EZ

12, 14, 16

• Profilering kennisinfrastructuur

44

44

44

44

44

OCW

16

               

B2. Innovatie en PPS

265

245

217

215

212

   

• TKI Toeslag

67

81

101

115

115

EZ

12

• MKB Innovatiestimuleringsregeling Topsectoren (MIT)

21

28

29

29

29

EZ

12

• Europese Cofinanciering, afloop FES en innovatieprogramma's

177

136

87

71

68

EZ

12

               

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

70

64

35

32

0

   

• Professionele masters

7

7

7

7

0

OCW

6

• Centra voor Innovatief Vakmanschap

5

3

3

0

0

OCW/EZ

4

• Stimuleren beta en technologie

13

12

0

0

0

OCW

6

• Centers of Expertise

20

17

0

0

0

OCW

6

• Regionaal investeringsfonds MBO

25

25

25

25

0

OCW

4

               

D. Specifieke bijdragen departementen

269

283

288

271

257

   

• VWS: Life Sciences & Health/zorg

79

64

70

51

46

VWS

1, 2, 4, kader Zorg

• EZ: Energie-innovatie (excl. ECN)

89

110

105

108

99

EZ

14

• EZ: Voeding + tuinbouw

51

47

45

44

45

EZ

16

• I&M: Logistiek

16

18

23

23

23

I&M

divers H-XII, IF en DF

• I&M: Water

12

23

23

23

23

I&M

divers H-XII, IF en DF

• OCW: Creatief

11

11

11

11

11

OCW

14

• Defensie

11

11

11

11

11

DEF

6

               

Totaal

2.619

2.652

2.492

2.571

2.042

   
2. Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2015

In onderstaand overzicht zijn de belangrijkste budgettaire wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) vanaf de standen van de Voorjaarsnota opgenomen. De Verdiepingsbijlage (bijlage 5.2) van de begroting geeft een toelichting op alle nieuwe mutaties per begrotingsartikel.

UITGAVEN (x € 1.000)
 

Art.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand Ontwerpbegroting 2014

 

5.032.290

4.840.642

4.968.078

4.956.864

5.058.754

 

Mutaties Voorjaarsnota 2014

 

79.264

– 71.379

– 296.056

– 287.812

– 195.950

 

Stand Voorjaarsnota 2014

 

5.111.554

4.769.263

4.672.022

4.669.052

4.862.804

 
               

Nieuwe mutaties:

             

GSM interferentieproblematiek

11

– 15.000

15.000

       

GSM interferentieproblematiek (bijdrage I&M)

11

– 4.000

– 15.000

       

Ruimtevaart

12

13.359

– 13.359

       

Innovatiefonds

12

13.200

16.653

13.304

30.320

30.595

 

Europese programma's

12

 

41.400

49.100

50.000

50.000

 

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren

12

 

4.500

12.000

15.000

15.000

 

TKI-toeslag

12

 

– 4.500

– 12.000

– 15.000

– 15.000

 

TNO

12

11.000

– 11.000

       

Bevorderen ondernemerschap

13

 

17.000

6.000

1.000

1.000

 

BMKB

13

 

26.000

5.000

     

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw

13

 

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

 

Kamers van Koophandel

13

12.190

– 12.190

       

Nederlandse Investerings Instelling

13

– 5.600

5.300

300

     

Geothermie

14

8.700

1.000

       

Bijstelling NVWA

16

– 400

35.400

33.520

26.720

22.520

 

Bijstelling RVO

16

 

9.400

5.600

4.400

8.100

 

Dekking NVWA/RVO

16

 

– 17.744

– 31.614

– 31.678

– 31.424

 

Kasverschuiving PAS-middelen

16

– 19.363

5.557

8.300

4.800

700

 

Derogatie mestbeleid

16

5.607

5.607

5.607

5.607

5.607

 

RVO/NVWA/overname taken productschappen

16

 

29.265

29.265

29.265

29.265

 

Taken productschappen naar RVO/NVWA

16

 

– 29.265

– 29.265

– 29.265

– 29.265

 

Overboeking van begroting OCW

17

1.045

18.370

25.334

23.896

25.352

 

Natuurbeleid

18

7.750

3.750

925

– 3.140

1.340

 

Bijdrage in transitiekosten DLG

18

18.200

         

Totaal van de overige nieuwe mutaties

 

7.344

– 4.892

3.132

3.391

11.095

 

Stand Ontwerpbegroting 2015

 

5.165.586

4.870.715

4.779.330

4.769.568

4.965.489

5.513.494

Toelichting nieuwe mutaties

Artikel 11

GSM interferentieproblematiek/bijdrage I&M

Vanwege interferentie van de nieuwe 4G-technologie met het GSM-netwerk van het spoor worden er flexibele filters geplaatst in de treinontvangers. Hiervoor wordt een bijdrage aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geleverd. Tevens vindt dit kader een horizontale budgetverschuiving plaats van 2014 naar 2015.

Artikel 12

Ruimtevaart

In de kasraming voor Ruimtevaart vindt een per saldo neutrale versnelling plaats van € 13 mln. Een deel van de bijdrage ten behoeve van het Europese ruimtevaarcentrum in Kourou, die oorspronkelijk voor 2015 geraamd stond, wordt in 2014 betaald.

Innovatiefonds

Het beschikbare budget in 2014 voor Vroege Fase Financiering en de co-investeringsfaciliteit voor Business Angels (circa € 72 mln) en de onderuitputting vanuit 2013 (circa € 15 mln) is in het juiste ritme aan de jaren tot en met 2019 toebedeeld. Daarnaast is in 2014 € 100 mln toegevoegd aan het Innovatiefonds voor het Dutch Venture Initiative als onderdeel van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147). Tevens is een deel van de te verwachten terugontvangsten op de via het Innovatiefonds uitgezette middelen in de begroting verwerkt. Deze ontvangsten zijn ingezet voor het Aanvullend Actieplan MKB-financiering onder andere voor het structureel beschikbaar stellen van budget voor Vroege Fase Financiering (€ 12,5 mln structureel) en € 25 mln voor de overige onderdelen van het Actieplan MKB-financiering.

Europese programma’s

In het Begrotingsakkoord 2014 zijn intensiveringsmiddelen opgenomen voor onderzoek en innovatie. Deze op de OCW-begroting geraamde middelen worden overgeheveld naar de EZ-begroting.

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) / TKI-toeslag

Om de succesvolle MIT-regeling op het niveau van 2014 (€ 30 mln) te houden, is structureel budget overgeheveld van de TKI-toeslag naar de MIT. Hierdoor is ook de komende jaren voldoende budget beschikbaar om via de MIT-regeling private investeringen door het MKB in R&D te stimuleren.

TNO

Op de bijdrage aan TNO vindt in 2014 een versnelde betaling plaats ten laste van 2015.

Artikel 13

Bevorderen ondernemerschap

De benodigde budgetten voor het aanvullend actieplan MKB-financiering worden aan artikel 13 toegevoegd voor de jaren 2015–2018. Dit betreft een kasreserve van € 12 mln voor het ondersteunen van marktpartij(en) bij het oprichten van een achtergesteld leningenfonds. Daarnaast betreft het in totaal € 13 mln voor het verbeteren en ontsluiten van informatie over kredietwaardigheid binnen het MKB, het opzetten en stimuleren van ketenfinanciering, het verhogen van de ambitie en verbetering van de groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium.

Borgstellingsregeling Midden- en Kleinbedrijf (BMKB)

Naast de € 6 mln die vanuit artikel 12 wordt toegevoegd, wordt er in totaal € 29 mln aan de interne begrotingsreserve onttrokken om het verwachte tekort in 2015 en 2016 te dekken. Tevens wordt € 4 mln ingezet ter dekking van tegenvallende premie-ontvangsten.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw

Het garantieplafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw wordt met het oog op de voorzienbare benutting verlaagd van € 1 mld naar € 400 mln conform het door het Kabinet vastgestelde garantiekader. De ontvangsten en uitgaven worden naar verhouding verlaagd van € 10 mln naar € 4 mln.

Kamers van Koophandel

De raming voor de Kamers van Koophandel in 2014 wordt met € 12 mln verhoogd ten laste van de voor 2015 geraamde uitgaven.

Nederlandse Investerings Instelling

Op het artikelonderdeel «Bevorderen Ondernemerschap» vindt een kasschuif plaats ten behoeve het meerjarig beschikbaar houden van het budget voor de Nederlandse Investerings Instelling (NII). Het gaat hier om een bedrag van € 5,6 mln dat grotendeels naar 2015 wordt doorgeschoven.

Artikel 14

Geothermie

Het garantiebudget voor de ondersteuning van aardwarmte (Geothermie) is verhoogd met totaal € 124,9 mln (€ 62,5 mln in 2014 en € 62,4 mln in 2015). De uitgavenmutatie (€ 8,7 mln in 2014 en € 1 mln in 2015) betreft de voeding van de interne begrotingsreserve voor Geothermie.

Artikel 16

Bijstellingen NVWA en RVO/Dekking NVWA/RVO

De bijdrage aan de NVWA wordt meerjarig verhoogd ter financiering van het plan van aanpak om het toezicht door de NVWA te versterken en te verbeteren (TK, 33 835, nr. 1).

De bijdrage aan de RVO wordt meerjarig verhoogd ter dekking van de noodzakelijke kosten voor uitvoering van het voorziene opdrachtenpakket.

Deze verhogingen worden voor een deel gecompenseerd binnen artikel 16.

Kasverschuiving PAS-middelen

Van de middelen die in 2014 beschikbaar zijn voor de Programmatische Aanpak Stikstof komt een groot deel in latere jaren tot betaling, omdat betalingen op verstrekte subsidies meestal pas in de jaren ná de subsidie-toezegging plaatsvinden. Dit leidt tot een per saldo neutrale budgetverschuiving van 2014 naar latere jaren.

Derogatie mestbeleid

In het kader van het 5e actieprogramma nitraat is afgesproken dat de agrariërs die profiteren van de nieuwe derogatieregeling een bijdrage leveren aan de kosten van de derogatiemonitoring in het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Op grond hiervan worden zowel de uitgaven als ontvangsten structureel verhoogd.

Medebewindstaken van productschappen naar RVO en NVWA

De RVO en de NVWA nemen met ingang van 2015 medebewindstaken en autonome publieke taken over van de Productschappen. In verband hiermee wordt de bijdrage aan de RVO met ingang van 2015 structureel verhoogd met € 21,7 mln en de bijdrage aan de NVWA met € 7,6 mln.

Artikel 17

Overboeking van begroting OCW

De overheveling van budgetten vanaf de begroting van het Ministerie van OCW naar de EZ-begroting betreffen voornamelijk de uitwerking van de Begrotingsafspraken 2014 (TK, 33 750 nr. 19). Het betreft onder andere de maatregel voor het behoud van gratis schoolboeken, bijdragen in de huisvesting van scholen, het EZ aandeel in de Technologiemiddelen en het aandeel van het Groen Onderwijs in de professionaliseringsmiddelen.

Artikel 18

Natuurbeleid

De verhoging van het budget is bestemd voor de uitvoering van de «motie natuureducatie», kosten die het gevolg zijn van Europese verplichtingen (bijvoorbeeld VIBEG volgend uit Kaderrichtlijn Mariene Strategie) en gerechtelijke uitspraken (Hamsterbeheer in het kader van soortenbeleid) en tekorten in verband met eerdere bezuinigingen en afspraken in het kader van de decentralisatie van het Natuurbeleid (tekort Dienst Landelijk Gebied en extra kosten in verband met de decentralisatie Faunafonds). Compensatie vindt plaats uit diverse niet eerder geraamde ontvangsten (VINAC, grondverkoop Gelderland, PROMT, verkoop militaire terreinen DLG), eindafrekeningen (ZandMaas) en versnellingen (GrensMaas/NURG).

Bijdrage in transitiekosten DLG

In 2014 vindt er een additionele bijdrage aan DLG plaats (€ 18,2 mln) welke zal worden ingezet voor de transitiekosten als gevolg van het besluit tot opsplitsing van de Dienst Landelijk Gebied. Deze middelen komen voort uit een meevaller die in 2014 is opgetreden bij de ontvangsten uit de taakstelling verkoopgronden. Het in 2013 niet ontvangen deel van de taakstelling verkoop gronden (€ 18,2 mln), zal conform de afspraken met provincies, in 2014 alsnog door de provincies worden betaald.

ONTVANGSTEN (x € 1.000)
 

Art.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand Ontwerpbegroting 2014

 

12.733.810

11.741.965

11.511.966

10.754.130

10.538.323

 

Mutaties Voorjaarsnota 2014

 

– 389.720

– 703.833

– 1.326.223

– 513.285

– 426.108

 

Stand Voorjaarsnota 2014

 

12.344.090

11.038.132

10.185.743

10.240.845

10.112.215

 
               

Nieuwe mutaties:

             
               

Innovatiefonds

12

 

5.000

5.000

10.000

15.000

 

BMKB

13

 

20.000

5.000

     

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw

13

 

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

 

Aardgasbaten

14

– 596.000

– 899.000

– 84.000

– 354.000

– 46.000

 

Derogatie mestbeleid

16

5.607

5.607

5.607

5.607

5.607

 

VINAC/Zandmaas

18

7.300

2.800

4.675

     

Verkoop natuurgronden

18

18.200

         

Totaal van de overige nieuwe mutaties

Div

17.479

1.918

2.099

2.409

2.719

 

Stand Ontwerpbegroting 2015

 

11.796.676

10.168.457

10.118.124

9.898.861

10.083.541

10.573.726

Artikel 12

Innovatiefonds

Zie de toelichting onder de uitgaven.

Artikel 13

BMKB

Er wordt in totaal € 29 mln aan de interne begrotingsreserve onttrokken om het verwachte tekort in 2015 en 2016 te dekken. Hiernaast wordt de raming in 2015 met € 4 mln verlaagd vanwege lagere premie-ontvangsten.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw

Het garantieplafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw wordt zoals toegelicht bij uitgavenartikel 13 verlaagd van € 1 mld naar € 400 mln. De ontvangsten en uitgaven worden naar verhouding met € 6 mln verlaagd tot € 4 mln.

Artikel 14

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2014 en volgende jaren valt lager uit. Deze raming is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro Economische Verkenning (concept-MEV).

Artikel 16

Derogatie mestbeleid

Zie de toelichting bij de uitgaven.

Artikel 18

VINAC/Zandmaas

De hogere ontvangsten houden verband met diverse niet eerder geraamde ontvangsten (VINAC grondverkoop Gelderland, PROMT; verkoop militaire terreinen DLG) en eindafrekeningen (ZandMaas). Deze meevallers in de ontvangsten worden ingezet voor hogere uitgaven op dit artikel (zie de toelichting bij de uitgaven).

Verkoop natuurgronden

In 2014 is een meevaller opgetreden bij de ontvangsten uit de taakstelling verkoop gronden. Het in 2013 niet ontvangen deel van de taakstelling (€ 18,2 mln) zal, conform de afspraken met provincies, in 2014 alsnog door de provincies worden betaald.

3. Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Artikel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

11

Goed functionerende economie en markten

   

X

       

12

Een sterk innovatievermogen

   

X

       

13

Een excellent ondernemingsklimaat

   

X

       

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

X

       

X

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

 

X

       

X

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

 

X

       

X

18

Natuur en regio

   

X

       

Toelichting

Het komend jaar worden vier doorlichtingen opgeleverd. Daarmee wordt een groot deel van de begrotingsmiddelen onderzocht. Binnen EZ is een kennisgroep ingericht die zorgt voor kennisborging en uitwisseling tussen de verschillende doorlichtingen die net opgeleverd zijn, of op stapel staan. In 2015 en daarna zal speciale aandacht gegeven worden aan de programmering van evaluaties opdat deze beschikbaar zijn op het moment dat een doorlichting wordt uitgevoerd.

De doorlichting van artikel 11 is in 2014 gestart om in 2015 afgerond te worden.

De doorlichting van artikel 12 wordt gecombineerd met die van artikel 13. Daarom schuift de oplevering van artikel 13 een jaar op (van 2014 naar 2015). Overigens is er in 2014 een begin gemaakt met deze gecombineerde doorlichting.

In de vorige begroting stond artikel 14 gepland voor 2013. Dat is niet gelukt. Het rapport is in 2014 gereedgekomen en zal na de zomer aan de Kamer worden gezonden.

De combinatie van IBO en doorlichting van artikel 16 voor de begrotingsbehandeling naar uw Kamer worden gezonden.

Ten opzichte van de begroting 2014 is artikel 17 een jaar later opgeleverd dan gepland. Deze is inmiddels in juni 2014 aan de Kamer gezonden.

Tot slot is de doorlichting van artikel 18 begonnen om in 2015 opgeleverd te worden.

4. Overzicht Garanties
Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2013 1

Geraamd te verlenen 2014 2

Geraamd te vervallen 2014

Uitstaande garanties 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Garantieplafond 2015

Totaal plafond

Artikel 13 Een excellent onder-nemingsklimaat

BMKB

2.165.544

350.000

560.000

1.955.544

706.250

525.000

2.136.794

706.250

 
 

Garantie Ondernemers-financiering

679.762

100.000

176.251

603.511

400.000

100.000

903.511

400.000

 
 

Groeifaciliteit

71.445

58.247

12.070

117.622

85.000

17.838

184.784

85.000

 
 

Garantie Scheepsnieuw-bouw

44.081

50.000

40.000

54.081

400.000

40.000

414.081

400.000

 
                     

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoor-ziening

Aardwarmte

65.765

43.865

0

109.630

43.865

0

153.495

43.865

 
                     

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwonder-nemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantie-regeling Marktintroductie Innovatie)

394.523

36.000

90.523

340.000

120.000

80.000

380.000

120.000

 
 

Totaal

3.421.120

638.112

878.844

3.180.388

1.755.115

762.838

4.172.665

1.755.115

 
X Noot
1

Het verschil met de bedragen in het Jaarverslag 2013 wordt verklaard door de garanties die zijn vervallen door schadebetalingen.

X Noot
2

Betreft een inschatting van de te verlenen garanties per juli 2014.

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2013

Ontvangsten 2013

Saldo 2013

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

102.422

21.544

– 80.878

91.500

23.500

– 68.000

71.000

25.000

– 46.000

 

Garantie Ondernemersfinan-ciering

8.176

10.160

1.984

11.842

13.000

1.158

11.842

13.000

1.158

 

Groeifaciliteit

2.360

2.047

– 313

9.343

8.000

– 1.343

9.365

8.000

– 1.365

 

Garantie Scheepsnieuwbouw-financiering

0

44

44

9.668

10.000

332

3.679

4.000

321

                     

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

526

526

0

0

0

0

0

0

0

                     

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouw-ondernemingen

24.119

2.300

– 21.819

21.000

1.800

– 19.200

17.000

1.800

– 15.200

 

Totaal

137.603

36.621

– 100.982

143.353

56.300

– 87.053

112.886

51.800

– 61.086

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB biedt banken een borgstelling voor leningen aan midden- en kleinbedrijven (≤ 250 werknemers) voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de BMKB wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond MKB – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in een kredietbehoefte kan voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand), waardoor kansrijk ondernemerschap wordt belemmerd en ongewenste welvaartsverliezen ontstaan. Kleinere leningen zijn daarbij verminderd rendabel voor banken. De BMKB kent een aantal faciliteiten:

  • Basisfaciliteit: Borgstellingskredieten tot maximaal € 1 mln. De overheid staat voor 90% borg. De bank moet bovenop het borgstellingskrediet een lening van minstens eenzelfde bedrag voor eigen risico verstrekken. Het borgstellingspercentage is daarmee per saldo 45% (1/2 maal 90%). Als onderdeel van het stimuleringspakket is het plafond van het borgstellingskrediet verhoogd tot € 1,5 mln. Deze maatregel is verlengd tot ultimo 2015.

  • Startersfaciliteit voor ondernemers die minder dan 3 jaar actief zijn: borgstellingskredieten tot maximaal € 0,2 mln. De overheid staat 90% borg. De bank moet bovenop het borgstellingskrediet een lening verstrekken van minstens 1/3 van het borgstellingskrediet. Het borgstellingspercentage is daarmee per saldo 67,5% (3/4 maal 90%). Als onderdeel van het stimuleringspakket is de Startersfaciliteit opengesteld voor alle bedrijven met een maximum borgstellingskrediet van € 200.000. Deze maatregel is verlengd tot ultimo 2015.

  • Faciliteit voor innovatieve bedrijven: Borgstellingskrediet tot maximaal € 1 mln. Overheid staat 90% borg. De bank moet bovenop het borgstellingskrediet nog een lening verstrekken van minstens 50% van het borgstellingskrediet. Het borgstellingspercentage is daarmee per saldo 60% (2/3 maal 90%). De verhoging van het plafond van het borgstellingskrediet tot € 1,5 mln tot ultimo 2015 geldt ook voor innovatieve bedrijven.

Banken zijn zeer bepalend bij het risicobeheer. Zij dienen net als bij iedere andere financiering die ze verstrekken actie te ondernemen als dat nodig is. Banken moeten daarbij niet alleen voldoen aan hun eigen voorschriften (toezicht door DNB) maar worden ook achteraf door het EZ-agentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gecontroleerd. Een ingeroepen borgstelling wordt pas gehonoreerd als de bank gedurende het hele financieringsproces juist heeft gehandeld.

De gemiddelde eenmalige premie die voor het borgstellingskrediet wordt betaald is 3,6%. De premie is afhankelijk van de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. Gedachte achter het koppelen van de premie aan de looptijd is dat de ondernemer een vergoeding betaalt voor de periode dat deze middels het verkrijgen van een borgstellingskrediet een beroep doet op de Staat. Aangezien deze vanwege het beperken van de administratieve lasten bij de bank eenmalig bij de verstrekking van de borgstelling wordt geïnd, loopt deze op naarmate de looptijd langer is. De premie is niet kostendekkend. Op de begroting is structureel € 8,5 mln beschikbaar ter afdekking van de schades die niet door premie-ontvangsten worden gedekt.

Aangezien de inkomstenstroom uit provisies en fees vooruitlopen op de uitgaven en de uitgaven een conjunctuurgevoelig karakter hebben (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) is een interne begrotingsreserve gevormd, zodat deze kan worden ingezet om fluctuaties in ontvangsten en uitgaven ten opzichte van het in de begroting opgenomen bedrag op te vangen.

Momenteel loopt een pilot met openstelling van de BMKB voor niet-banken. Partijen die hiervan gebruik willen maken dienen een accreditatieproces te doorlopen. Een adviescommissie met onafhankelijke experts beoordeelt de aanvragen. De pilot openstelling wordt eind 2014 geëvalueerd, waarna een beslissing wordt genomen over het permanent maken van de openstelling.

De horizonbepaling voor de BMKB is 1 november 2016. De laatste evaluatie is uitgevoerd in 2011. De eerstvolgende evaluatie zal in 2016 worden uitgevoerd.

Het gebruik van de BMKB fluctueert sterk met de conjunctuur. De verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2015 ongewijzigd.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO is een antwoord van de overheid op de moeilijkheden die ondernemingen sinds enkele jaren ondervinden bij het aantrekken van bankleningen en het verkrijgen van bankgaranties. Dankzij de GO kunnen banken een 50% staatsgarantie krijgen op leningen en bankgaranties.

Door die staatsgarantie wordt het risico voor de bank (en in het geval van bankgaranties ook schadeverzekeraars) op te verstrekken bedrijfsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot voor banken c.q. schadeverzekeraars de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. De GO-regeling is bestemd voor ondernemers die financiering willen aantrekken bij banken en is gericht op (middel-)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven. De GO regeling biedt banken c.q. schadeverzekeraars de mogelijkheid om nieuwe bankleningen te verstrekken en/of bankgaranties af te geven van minimaal € 1,5 mln en maximaal € 150 mln met een garantie van 50% door de overheid. In het kader van het stimuleringspakket en vervolgens het Aanvullend actieplan MKB-financiering is het maximum van de lening onder de GO tot uiterlijk 31 december 2015 € 150 mln. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden. De GO is door het huidige kabinet structureel gemaakt met een jaarlijks garantieplafond van € 400 mln.

Het kredietbeheer ligt primair bij de bank. De bank heeft geen ander belang bij de betaling van rente en aflossing dan de overheid. Naast de 50% garantie van de overheid draagt de bank namelijk zelf eveneens 50% risico. RVO beoordeelt de kredietaanvragen en wijziging van kredieten. Daarnaast is een kredietcommissie met externe deskundigen geïnstalleerd, die de kredietvoorstellen met een garantie van meer dan € 2,5 mln ter fiattering beoordeelt. De Commissie toetst – additioneel aan RVO – het risico van het betreffende voorstel en bij fiattering wordt de premie bepaald op basis van het te lopen risico.

De premie bestaat in hoofdzaak uit de provisie op de rentemarge voor het debiteurenrisico van de bank onder aftrek van 0,25% die de bank voor haar beheersactiviteiten mag behouden. Andere bronnen van inkomsten zijn bijvoorbeeld afsluitprovisies en fees die 50/50 ten gunste van bank en overheid komen. Uitgangspunt is dat de GO-regeling kostendekkend is. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar worden afgestort dan wel onttrokken aan de interne begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Garantie Ondernemingsfinanciering is 1 november 2016. In 2014 is de eerste evaluatie afgerond.

Het gebruik van de GO fluctueert sterk met de conjunctuur. De verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt, ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2015 ongewijzigd.

Groeifaciliteit

De regeling Groeifaciliteit helpt bedrijven bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te geven op achtergestelde leningen verstrekt door banken en op aandelen verstrekt door participatiemaatschappijen aan ondernemingen. De Groeifaciliteit is in 2007 geïntroduceerd en kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Toegang tot financiering is een belangrijk aandachtspunt op dit moment. Met name kleine bedrijven komen moeilijker aan bancaire financiering. Voor de komende periode is de verwachting dat de vraag naar risicokapitaal zal toenemen. Door het verstrekken van een garantie kan de Groeifaciliteit voor financiers de steun in de rug betekenen die nodig is om risicokapitaal aan ondernemingen te verstrekken. Uit evaluatie blijken de effecten van de regeling met name gelegen in de uitbreiding of het behoud van werkgelegenheid en de toename van de omzet en R&D-uitgaven te liggen.

Alleen deelnemende financiers kunnen een garantieaanvraag bij de overheid indienen. Zij beoordelen de financieringsaanvraag van de ondernemer eerst zelf. Als zij voornemens zijn de financiering te honoreren met een garantie van de Groeifaciliteit, zullen zij een garantie-aanvraag bij RVO indienen. Bij een positief besluit van RVO kan de financier het risicokapitaal verstrekken met garantie van de overheid. De maximumgarantie van de overheid is 50%, wat bij participaties neerkomt op maximaal € 12,5 mln en bij bancaire achtergestelde leningen op maximaal € 2,5 mln.

Bij RVO worden garantieaanvragen en wijzigingen beoordeeld. Daarnaast is een commissie met externe deskundigen geïnstalleerd, die de voorstellen met een garantie van meer dan € 2,5 mln ter fiattering beoordeelt. De Commissie toetst – additioneel aan RVO – het risico van het betreffende voorstel en bij fiattering wordt de premie bepaald op basis van het te lopen risico. De gemiddelde provisie-inkomsten over de huidige portefeuille bedragen 2,97%. De verwachte inkomstenstroom aan provisies en fees is naar berekening van RVO toereikend om eventuele verliezen af te dekken. Om te kunnen beoordelen of de regeling zichzelf financiert, worden periodiek de cijfers bezien.

Financiers betalen om de garantie te verwerven in ieder geval een eenmalige premie van 1% van het garantiebedrag vooraf en vervolgens een premie over het uitstaande garantiebedrag. Voor participaties is voorzichtigheidshalve uitgegaan van 3% per jaar en voor achtergestelde leningen 2,5%. Het uitgangspunt is dat de Groeifaciliteit hiermee kostendekkend is. Deze jaarlijkse premie kan gedurende de looptijd van de garantiemaatregel worden herzien en zo nodig naar boven worden bijgesteld om ervoor te zorgen dat de premies de kosten van de regeling blijven dekken. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar wordt met ingang van 2014 afgestort in de interne begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Groeifaciliteit is 1 november 2016. De laatste evaluatie is uitgevoerd in 2012. De eerstvolgende evaluatie zal in 2016 worden uitgevoerd.

Het gebruik van de Groeifaciliteit fluctueert sterk met de conjunctuur. De verwachting is dat als de economie in de komende jaren aantrekt ook de benutting van dit instrument toeneemt. Daarom is het garantieplafond voor 2015 ongewijzigd.

Garantie Scheepsnieuwbouwfinanciering

De garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) biedt banken van in Nederland gevestigde scheepswerven de mogelijkheid om een garantie te verkrijgen op de financiering van de bouwfase van nieuwe schepen. De bank is de aanvrager van de staatsgarantie op de financieringsvraag, die door een scheepswerf aan de bank is voorgelegd. De maximale garantie, die de Staat kan verstrekken bedraagt 80% van de gecontracteerde bouwsom. Bij het verlenen van de financiering worden de gebruikelijke bancaire spelregels in acht genomen, waarbij het risico tussen bank en staat paritair (20/80) verdeeld is.

Deze garantieregeling creëert een level playing field voor de Nederlandse scheepswerven in Europa voor de productie van nieuwe schepen. Andere Europese landen kennen voor hun nationale scheepsbouwproductiesector vergelijkbare nationale regelingen.

De range van schepen waarop de regeling van toepassing is, ligt op een bouwsom per schip van € 3 mln tot € 100 mln. Voor de regeling is een plafond ingesteld van jaarlijks € 1 mld dat per 2015 is verlaagd naar € 400 mln, waarbij één scheepswerf(groep) maximaal 30% van dit plafond mag benutten.

Aan het verlenen van garanties gaat een zorgvuldig proces vooraf. Het verstrekken van een garantie kan eerst plaatsvinden nadat de betrokken bankier zelf de bereidheid heeft om voor ten minste 20% een eigen risico te aanvaarden op de betreffende werf. Daarnaast adviseert een onafhankelijke kredietcommissie over de aanvraag voor een staatsgarantie.

Via een analyse van de markt is nagegaan welke faillissementen zich in Nederland hebben voorgedaan bij relevante scheepswerven en wat de gevolgen zijn voor de positie van het onderhanden werk (schepen). Uit de analyse van een periode van 15 jaar bleek dat er nagenoeg geen schade was ontstaan. Dit heeft geleid tot de inschatting dat de kans dat de borgtocht daadwerkelijk zal worden ingeroepen minimaal is. Op basis daarvan is het risico gewaardeerd op 1%. Uitgaande van het jaarlijks garantieplafond van € 400 mln en het risico op inroepen van 1% wordt het uit te keren bedrag geraamd op € 4 mln gemiddeld per jaar. De provisie die de staat over de garantie zal ontvangen bedraagt gemiddeld 1,5%. Om eventuele schades in de eerste jaren op te vangen is een interne begrotingsreserve ingesteld die per 1 januari 2014 € 25 mln bevat. In de loop van 2014 is deze reserve neerwaarts bijgesteld naar € 10 mln vanwege verlaging van het garantieplafond. Ultimo 2013 bedroeg het aantal gefiatteerde garantieaanvragen € 44 mln.

De te vragen premie is afhankelijk van de voorafgaande beoordeling van iedere financiering. Bij de beoordeling zal de risicoclassificatie een doorslaggevende rol spelen voor de hoogte van de provisie waarbij als randvoorwaarde geldt dat de provisie ten minste in overeenstemming moet zijn met de «geen steun» ondergrens zoals door de Europese Commissie is vastgesteld. De premie is kostendekkend en wordt volledig doorberekend aan de eindgebruiker. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten en schades en uitvoeringskosten in enig jaar, wordt afgestort in de interne begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is 1 november 2017. De eerstvolgende evaluatie zal in 2017 worden uitgevoerd.

Het plafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw is met ingang van 2015 verlaagd van € 1 mld naar € 400 mln. Dit vanwege het beperkte gebruik van de regeling en de verwachting dat de komende jaren het gebruik van de regeling niet boven de € 400 mln zal uitkomen.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

Aardwarmte wordt gezien als een kosteneffectieve duurzame energiebron met potentie. Het draagt bij aan het halen van de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Binnen de SDE+ is het één van de gunstigste opties. Aardwarmte is tevens een belangrijke optie voor het halen van de energie- en klimaatdoelen van EZ en de glastuinbouw. In het energieakkoord en de beleidsbrief tuinbouw is een versnellingsplan aardwarmte aangekondigd.

Het doel van de garantieregeling aardwarmte is het afdekken van het geologisch risico dat het boren van de putten voor de toepassing van aardwarmte, niet succesvol is. Het gaat om het risico dat de volgens het plan aangeboorde aardlaag minder warm water productie oplevert en/of water van lagere temperatuur oplevert dan op basis van een gedegen geologisch vooronderzoek verwacht werd.

Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is nog steeds een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. Door dit risico af te dekken wordt de toepassing van aardwarmte gestimuleerd. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is. Eind 2015 zal bezien worden in hoeverre de markt bereid is het risico te verzekeren en of de regeling moet worden gecontinueerd.

Er wordt een premie van 7% gevraagd. Het staat aanvragers vrij andere ondersteuning te zoeken voor het risico van misboring bij het aardwarmteproject, maar er is een grens. De wetgever vindt het redelijk dat de initiatiefnemer zelf ten minste 5% van het risico draagt (zoals vastgelegd in de regeling).

De garantie wordt uitgekeerd wanneer projecten (deels) mislukken. Bij een geslaagde boring wordt niet uitgekeerd. Met de garantiestelling worden projecten uitgelokt met een relatief klein risico (eis 90% slaagkans). Het verwacht vermogen dat aan de bodem onttrokken wordt (dit is het vermogen dat bij de aanvraag is opgegeven) is namelijk maximaal het vermogen dat met 90% zekerheid aan de ondergrond kan worden onttrokken (op basis van een locatiespecifiek geologisch onderzoek dat moet zijn opgesteld door een ISO 9001 gecertificeerde onderneming)

Er wordt een garantieplafond bekend gemaakt en het maximaal te garanderen bedrag per boring. Doorlooptijd per gegarandeerd project: EZ neemt binnen acht weken na de indiendatum een besluit op de aanvraag. De aanvrager moet binnen zes maanden na goedkeuring van de aanvraag starten met het boorproject. Na de aanvang van de aardwarmteboring heeft de aanvrager een jaar voor de voltooiing. Het aardwarmteproject moet binnen twee jaar leiden tot toepassing van aardwarmte in Nederland.

De premieontvangsten alsmede dotaties worden gestort in de interne begrotingsreserve. Eventuele schade-uitkeringen komen ten laste van deze reserve.

Tot nu toe zijn 12 projecten gegarandeerd. Daarvan zijn 3 projecten afgerond, waaronder 1 project met een gedeeltelijke uitkering van € 0,53 mln. 1 project is ingetrokken en 1 project is aan het boren, 7 projecten moeten nog starten. Naar verwachting zal het hele budget voor 2015 benut worden

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregeling Landbouw en GMI). Het plafond voor deze garantstelingen tezamen is € 120 mln. Voorheen was dit plafond € 130 mln.

Garantieregeling Landbouw (GL)

De garantieregeling heeft als doel de ontwikkeling van de land- en tuinbouw te bevorderen. Een garantstelling landbouw en aquacultuur wordt alleen afgegeven voor leningen ten behoeve van investeringen. De totale garantstelling van een onderneming kan maximaal 80% van € 2,5 mln bedragen.

De lening onder garantstelling is maximaal 2/3 van de benodigde investering, waardoor de garantie maximaal 53,6% van de benodigde financiering bedraagt.

De GL kent drie varianten:

  • Garantstelling Landbouw: Maximale garantstelling 80% van € 0,6 mln.

  • Garantstelling Landbouw Jonge Landbouwers: Maximale garantstelling 80% van € 1,2 mln. Lening ten behoeve van bedrijfsovername. De ondernemer mag maximaal 39 jaar oud zijn.

  • Garantstelling Landbouw Plus: Maximale garantstelling 80% van € 2,5 mln. De investeringen die in aanmerking komen zijn Groen Label Kassen (GLK) en Duurzame stallen die voldoen aan de maatlat duurzame veehouderij (MDV). De Garantstelling Landbouw plus ziet ook toe op achtergestelde leningen.

De premie bedraagt 3% van het te lenen bedrag, te betalen door de ondernemer. De premie wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. De regeling is niet volledig kostendekkend. Daarom stort EZ jaarlijks aanvullend € 3 mln in een interne begrotingsreserve. Het geld uit de begrotingsreserve wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. De premie en de storting door EZ komen overeen met het gemiddelde nettoverlies per jaar over de afgelopen twintig jaar.

De afgelopen jaren was het gemiddelde beroep op de Garantieregeling Landbouw relatief laag als gevolg van de economische crisis. Naar verwachting zal er bij een aantrekkende economie weer meer behoefte aan garantiekredieten voor investeringen zijn.

In 2008 is de garantieregeling geëvalueerd. In december 2013 is de regeling opnieuw goedgekeurd als steunmaatregel door de Europese Commissie. In 2018 zal de Garantieregeling Landbouw samen met de Garantieregeling Marktintroductie Innovatie geëvalueerd worden. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie zal worden bezien of voortzetting wenselijk is.

Garantieregeling Marktintroductie Innovatie (GMI)

Er is een knelpunt geconstateerd in de marktintroductiefase van risicovolle grensverleggende innovaties. De bedrijven, die als eerste prototypen in de praktijk op het vlak van dierenwelzijn en milieu op praktijkschaal willen toepassen, worden vaak geconfronteerd met grote financiële risico’s. Door deze risico’s worden ondernemers afgeschrikt en banken willen hiervoor geen financiering verstrekken. Daardoor komt dit soort duurzame investeringen slechts beperkt van de grond. Een garantstelling door het Rijk geeft ondernemers die investeringen willen doen op het vlak van verduurzaming en marktvernieuwing een zetje in de rug.

De deelsectoren die het aangaat betreffen: melkveehouderij, varkenshouderij, pluimveehouderij, glastuinbouw, en opengrondstuinbouw. De garantstelling moet nog concreet uitgewerkt worden, de genoemde bedragen hieronder zijn indicatief.

De totale garantstelling van een onderneming kan maximaal 80% van € 2,5 mln bedragen. Naar verwachting zullen 25 initiatieven een garantstelling van gemiddeld € 1,5 mln ontvangen. De garantstelling in totaal door de rijksoverheid zou dus ongeveer € 37,5 mln gaan bedragen.

De ondernemers betalen premie om voor de garantstelling in aanmerking te komen, maar de regeling is niet volledig kostendekkend. Het verwachte risico voor de staat is jaarlijks iets meer dan € 3,5 mln (waarvan € 1,0 mln EU-middelen uit POP en € 2,5 mln nationaal). Dit bedrag zal jaarlijks aan de begrotingsreserve toegevoegd worden. Bij 3% provisie betalen de ondernemers ongeveer € 1,5 mln aan premie. De premie wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. Daarmee is de totale buffer jaarlijks

€ 5 mln.

In 2013 heeft een verkenning naar deze garantieregeling plaatsgevonden. De regeling loopt tot en met 2020. In 2018 zal de Garantieregeling Marktintroductie Innovatie samen met de Garantieregeling Landbouw geëvalueerd worden. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie zal worden bezien of voortzetting wenselijk is.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet en de Postwet 2009 verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken respectievelijk de postvoorziening. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft hij een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht;

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid. Veiligheid heeft hier met name betrekking op het beheersen van risico’s bij openbare elektronische communicatienetwerken en diensten, het voorkomen van internet- en telefoonstoringen en het voorkomen van graafschades aan kabels en leidingen;

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en uitvoeren van mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie;

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst);

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld;

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving;

  • Het bewaken van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat;

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet;

  • Het op basis van de in 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2015 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

Op 1 augustus 2014 is de Stroomlijningswet ACM in werking getreden. Onderdeel van de wet is een gestroomlijnde methodiek van doorbelasting van toezichtskosten van de ACM aan ondernemingen die onder toezicht vallen. Deze methodiek, die voor verschuivingen in de toezichtslasten per sector zorgt, zal op 1 januari 2015 van kracht worden.

Een wetsvoorstel ter verhoging van de wettelijke maxima van de ACM-boetes wordt voorbereid. Doelstelling van dit wetsvoorstel is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent. In 2015 zal de parlementaire besluitvorming over het wetsvoorstel plaatsvinden. Naar verwachting treedt de wet in de tweede helft 2015 of de eerste helft 2016 in werking.

In 2014 zal een wetsvoorstel worden ingediend om de eisen aan de Universele Postdienst (UPD) meer in lijn te brengen met de behoeften van gebruikers, met name door het verminderen van het aantal verplichte postvestigingen en brievenbussen. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in 2015 in werking treden.

In 2015 wordt de herziening van de Europese metrologische richtlijnen op basis van verordening 765/2008 betreffende accreditatie en marktoezicht en besluit 768/2008 betreffende het verhandelen van producten in de Metrologiewet geïmplementeerd. Hierdoor wordt een aantal technische verbeterpunten doorgevoerd.

Mede naar aanleiding van de lessen uit een overnamepoging van KPN in 2013 is de Tweede Kamer in 2014 geïnformeerd over een beleidsvoornemen om de Minister van Economische Zaken extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur. Voorjaar 2015 zal een wetsvoorstel daartoe voor behandeling worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.

In vervolg op de in 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en internet, zijn in 2014 in nauwe samenwerking met alle stakeholders (netwerkpartneraanpak) analyses uitgevoerd en oplossingsrichtingen geformuleerd binnen de thema’s «Markt en toezicht», «Neutraliteit verder in de keten», «Audiovisuele diensten en media», «E-privacy» en «Betrouwbaarheid van netwerken en diensten». De Tweede Kamer zal hierover eind 2014 worden geïnformeerd. In 2015 zullen deze oplossingsrichtingen in samenwerking met andere departementen zoals het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Veiligheid en Justitie worden meegenomen bij de verdere modernisering van de regelgeving.

De planning is dat de Verzamelwet met diverse wijzigingen van de Telecommunicatiewet eind 2014 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In 2015 zal dan de parlementaire behandeling door Tweede en Eerste Kamer plaatsvinden en het wetsvoorstel in werking treden.

De verwachting is dat de Tweede Kamer in 2014 instemt met een wetsvoorstel tot aanpassing van artikel 11.7a (de cookiebepaling) van de Telecommunicatiewet. Het wetsvoorstel zorgt er voor dat cookies die geen of nauwelijks gevolgen hebben voor de privacy niet meer onder de informatieplicht en het toestemmingsvereiste vallen. Gebruikers van internet hoeven dan alleen nog maar toestemming te geven voor het plaatsen van cookies als hun privacy daadwerkelijk in het geding is. Na instemming van de Tweede en Eerste Kamer zal de wet begin 2015 in werking kunnen treden.

Aan de Tweede Kamer20 is toegezegd dat het gewijzigde frequentiebeleid, zoals dat in maart 2013 is vastgelegd in de Telecommunicatiewet, na twee jaar wordt geëvalueerd. De evaluatie zal in 2015 worden afgerond. Op basis van de uitkomsten zal eind 2015 worden bezien of het frequentiebeleid bijstelling behoeft.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

214.441

197.186

192.396

182.292

177.891

170.015

170.020

UITGAVEN

216.199

198.280

192.483

183.123

175.774

168.998

169.003

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

98%

       
               

Subsidies

797

1.700

1.400

100

1.100

1.080

 

Digitalisering regionale radio

797

1.700

1.400

100

1.100

1.080

 
               

Opdrachten

8.071

9.282

14.186

13.778

12.910

12.733

13.813

Onderzoek en Opdrachten

2.883

2.183

1.866

1.453

1.453

1.453

1.453

PIANOo/TenderNed

1.572

3.101

6.857

6.517

6.511

6.511

6.511

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

3.616

3.998

5.463

5.808

4.946

4.769

5.849

               

Bijdragen aan agentschappen

14.510

13.030

9.825

9.254

8.551

8.008

8.013

Agentschap Telecom

10.921

10.436

9.825

9.254

8.551

8.008

8.013

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

365

           

DICTU

3.224

2.594

         
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

190.090

169.839

162.309

155.831

148.777

142.747

142.747

Metrologie

14.969

14.029

13.935

13.263

12.640

11.940

11.940

Raad voor Accreditatie

162

297

105

142

129

127

127

ACM

1.333

422

402

375

375

377

377

CBS

173.626

155.091

147.867

142.051

135.633

130.303

130.303

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.731

4.429

4.763

4.160

4.436

4.430

4.430

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

790

1.154

1.039

1.204

1.182

1.059

1.059

Internationale organisaties

1.941

3.215

3.664

2.896

3.194

3.311

3.311

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

 

60

60

60

60

60

60

               

ONTVANGSTEN

3.846.784

53.281

52.265

43.434

30.200

30.200

30.200

Ontvangsten ACM

1.074

           

High Trust

16.655

31.300

31.300

31.300

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

3.829.055

21.981

20.965

12.134

     

Om invulling te geven aan de Kaderrichtlijn, 2002/21/EG, zoals gewijzigd door 2009/140/EG, artikel 3 inclusief considerans 13, wordt opgemerkt dat van het totaalbedrag voor de apparaatsuitgaven van de ACM (inclusief de raming voor ACM op artikel 40), een bedrag van circa € 13,6 mln in 2015 specifiek voor toezicht op de elektronische communicatiesector wordt geraamd (inclusief betreffende kosten van het bestuur van de ACM).

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2015 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 77% juridisch verplicht, het betreft uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen en uitgaven die op grond van de Aanbestedingswet worden gedaan door PIANOo en TenderNed.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de uitfinanciering van opdrachten 2015 aan Agentschappen en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2015 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 162 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO's/RWT's. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2015 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 80% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Indicator

Referentie-waarde 2012

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens

3,9%

2012

25–30%

50%

2016

CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De in 2013 in werking getreden Aanbestedingswet 2012 beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop, verbetering van naleving van de aanbestedingsregels en vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids-)opdrachten vinden op één centrale plaats.

De vereenvoudigde en gemoderniseerde Europese aanbestedingsregels zullen worden geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

De begrote bedragen zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties:

  • De huidige vergunningen in de 2 GHz (UMTS) band lopen op 1 januari 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in deze band krijgt in 2015 zijn uitwerking.

  • De huidige vergunningen voor radio lopen op 1 september 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in de radiobanden zal in 2015 zijn uitwerking krijgen.

  • De (heruitgifte) van frequenties voor omroeptoepassingen voor publieke en commerciële radio en televisie. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. Begin 2015 neemt de Minister een besluit of nog spectrum beschikbaar wordt gesteld voor digitale ethertelevisie. Zo ja, dan worden in 2015 voorbereidingen getroffen om de bestemming en de heruitgifte van dit spectrumdeel in goede banen te leiden.

De begrote bedragen zijn daarnaast voor opdrachten met betrekking tot de continuïteit van netwerken internetveiligheid en cybersecurity:

  • Het versterken van de continuïteit van de telecommunicatienetwerken via onder andere bijdragen aan monitoring en onderzoek.

  • Het verhogen van internetveiligheid onder meer in samenwerking met het Platform Internetveiligheid. Betreft onderwerpen als aanpak van botnets, veiligheid van hotspots, het verbeteren van de intrinsieke veiligheid van hard- en software, standaardisatie van privacyvoorwaarden en de veiligheid van mobiele toepassingen.

  • Uitvoering van het programma Digiveilig dat er op is gericht om eindgebruikers (in het bijzonder individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over en tools te bieden voor veilig internetten en veilig online zakendoen. Onderdeel hiervan vormt de doorontwikkeling en exploitatie van de portal veilig internetten en ook het faciliteren van acties die leiden tot betere borging van e-privacy.

  • EZ verzorgt de Interdepartementale Coördinatie van de onderzoeksprogrammering Nationale Cybersecurity Research Agenda. EZ draagt hier voor € 0,2 mln aan bij.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.802

3.721

3.740

3.675

Dalend

Bron: TNO

Toelichting

De Herfindahl – Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe lager het marktaandeel van de marktleiders, des te lager de HHI). De HHI kan een waarde aannemen tussen 0 (bij heel intensieve concurrentie) en 10.000 (bij een volledig monopolie). Hoe lager de HHI, hoe meer er gesproken kan worden van concurrentie. En bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI – waarde kunnen dalen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), bevoegd aftappen en dataretentie.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

ConsuWijzer is het informatieloket van de ACM en biedt op laagdrempelige wijze informatie over de rechten en plichten van consumenten. ConsuWijzer geeft advies op maat over de stappen die de consument kan nemen om zijn recht te halen. Dit kan variëren van een bezoek aan de winkelier, het schrijven van een brief aan de leverancier tot het aanhangig maken van een geschil bij de Geschillencommissie of de rechter. Daarnaast heeft ConsuWijzer als doel om de ACM te voorzien van toezichtsinformatie (signaalfunctie). Voor meting van de effectiviteit van ConsuWijzer.nl wordt onderzocht wat het percentage consumenten is dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan de website. Tevens wordt de klanttevredenheid gemeten.

In de tweede helft van 2014 zullen tot slot de voorbereidingen worden gestart voor de externe evaluatie van de ACM die in de loop van 2015 moet zijn afgerond.

Kengetal

Referentie-waarde

Peil-datum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

46%

46%

2015

ACM

Klanttevredenheid Consuwijzer

7,4

2011

7,3

7,3

2015

ACM

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Het CBS publiceert als onafhankelijk kennisinstituut betrouwbare, samenhangende en actuele statistische informatie, die inspeelt op de behoefte van de samenleving. Deze informatie omvat vele maatschappelijke aspecten, van macro-economische indicatoren als economische groei en consumentenprijzen, tot de inkomenssituatie van personen en huishoudens die relevant zijn voor praktijk, beleid en wetenschap. Producten van het CBS worden intensief gebruikt voor onder meer het opstellen en evalueren van beleid en voor het signaleren van maatschappelijke trends.

Het CBS staat voor de opgave verder in te spelen op de groeiende vraag naar betrouwbare statistische informatie, de toegankelijkheid van gegevens verder te vergroten, de kwaliteit te handhaven en tegelijkertijd te bezuinigen. Hiertoe worden op innovatieve wijze statistieken geproduceerd en operationele processen gestroomlijnd.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012. Deze betreffen Europese normalisatie en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaan. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • International Telecommunications Union (ITU): In 2015 organiseert de ITU de World Summit on the Information Society (WSIS-15). De NL inzet is gericht op de versterking van de «multistakeholder benadering» voor het internet en op een besturingsmodel dat is gebaseerd op een open, beschikbaar en toegankelijk internet. Daarnaast zijn met name de werkzaamheden van de Radiocommunicatiesector (ITU-R) van groot belang. ITU-R neemt besluiten over de wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen.

  • Universal Postal Union (UPU): Binnen de UPU zal worden gewerkt aan het uitvoeren van alle afspraken die zijn gemaakt in oktober 2012 tijdens de vierjaarlijkse UPU Conferentie, waaronder het strategisch plan voor 2013–2016.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).

  • The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC): EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van ICANN/GAC tot en met 2015. Dit versterkt de slagkracht van overheden binnen ICANN, de organisatie die wereldwijd het domeinnamensysteem (de basis van het internet) coördineert.

  • Internet Governance Forum (IGF): Het Internet Governance Forum is het mondiale overlegplatform waar ontwikkelingen op het gebied van internet met alle betrokken partijen (overheden, private sector, maatschappelijke organisaties, technische gemeenschap en de academische wereld) worden besproken. EZ doneert vooralsnog tot en met 2015 jaarlijks een bedrag aan het IGF, met name ter ondersteuning van het IGF-secretariaat. Verder subsidieert EZ ECP onder meer voor de jaarlijkse voorbereiding van het NL IGF multistakeholder platform.

  • Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

BTW-vrijstelling Post

178

172

167

161

156

151

147

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat de positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard verbetert naar de groep van innovatieleiders. Nederland neemt nu de zesde plaats in en is daarmee innovatievolger.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;

  • administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven, middels het Innovatiefonds MKB+.

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en benutting.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentie-

Waarde 1

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP2

1,97%

2012

2,1%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

1,14%

2012

1,3%

n.v.t.

 

CBS

– waarvan publieke sector

0,83%

2012

0,8%

n.v.t.

 

CBS

X Noot
1

In juni 2014 heeft het CBS een revisie van het BBP doorgevoerd in het kader van de herziening van de Nationale Rekeningen. Dit heeft een opwaarts effect van 7% gehad op de omvang van het BBP in 2012. Indien de revisie van het BBP niet had plaatsgevonden, waren de R&D-uitgaven in 2012 uitgekomen op 2,10% van het BBP, waarvan 1,22% in de private sector en 0,89% in de publieke sector.

X Noot
2

De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO en RDA) zijn voor 2012 te becijferen op 0,91% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO/RDA) op 1,05% van het BBP. Deze berekening is door EZ gedaan op basis van recente gegevens over de financiering van R&D van het CBS.

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in de EU

8e

8e

7e

5e

6e

Aantal bij PCT1 aangevraagde octrooien,

         

• per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €)2

7,03

(2006)

6,59

(2007)

6,46

(2008)

6,32

(2009)

5,45

(2010)

• positie Nederland in de EU

5e

5e

5e

5e

5e

Aantal bij OHIM3 aangevraagde handelsmerken,

         

• per mld euro BBP (in PPP €)4

5,90

(2008)

6,76

(2009)

7,38

(2010)

7,12

(2011)

7,1

(2012)

• positie Nederland in de EU

9e

6e

6e

9e

9e

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2014)

X Noot
1

Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat onder andere internationaal aangevraagde octrooien registreert.

X Noot
2

Betreft het aantal octrooiaanvragen (onder PCT, internationale fase met EPO-bestemming) naar land van uitvinder, gedeeld door het BBP in mld euro’s gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen. Tussen haken is het jaar opgenomen waarop de data betrekking hebben. Dit betekent dat de positie van Nederland in 2013 op de Innovation Union Scoreboard dus mede is bepaald op basis van octrooidata uit 2010.

X Noot
3

Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU-agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU geldig zijn.

X Noot
4

Tussen haken zijn de jaren aangegeven waarop de data betrekking hebben.

Toelichting

Nederland heeft in 2013 een zesde positie in het Innovation Union Scoreboard bereikt (IUS 2014). Daarmee behoort Nederland tot de groep landen die tot de «innovatievolgers» worden gerekend, achter de «innovatieleiders» Zweden, Duitsland, Denemarken en Finland.

Kengetal

2006

2008

2010 1

2012

Aandeel innoverende bedrijven:

       

• Industrie (EU-gemiddelde)

42%

42%

(44%)

53%

(44%)

50%

(n.n.b.)

• Diensten (EU-gemiddelde)

32%

31%

(35%)

44%

(35%)

42%

(n.n.b.)

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

       

• Researchinstellingen (EU-gemiddelde)

8%

10%

(6%)

6%

(6%)

7%

(n.n.b.)

• Universiteiten (EU-gemiddelde)

11%

14%

(10%)

8%

(11%)

10%

(n.n.b.)

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

X Noot
1

enquêtemethode gewijzigd

Toelichting

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Dat lag in 2012 lager dan in 2010. Het aandeel innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met universiteiten of publieke researchinstellingen biedt inzicht in de mate waarin innoverende bedrijven kennisinstellingen betrekken bij onderzoek en innovatie. Dat is in 2012 gestegen ten opzichte van 2010. Een vergelijking over de periode 2006–2012 wordt bemoeilijkt door een breuk in de tijdreeks als gevolg van de introductie van de digitale enquêtemethode door het CBS bij de meting over 2010. Ten opzichte van het EU-gemiddelde kent Nederland de laatste jaren een aanzienlijk hoger aandeel technologisch innoverende bedrijven, waarvan er grosso modo evenveel samenwerken met kennisinstellingen.

Beleidswijzigingen

Vanaf 1 juli 2014 is de regeling Vroegefasefinanciering geopend, om ondernemers via een lening te ondersteunen om hun waardevolle ideeën voor nieuwe producten of diensten in de ontwikkelingsfase naar de markt te brengen. Het budget voor deze regeling was in het kader van het stimuleringspakket uit 2014 éénmalig beschikbaar gesteld. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is structureel € 12,5 mln beschikbaar voor deze regeling.

In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 100 mln beschikbaar gesteld in 2014 voor het Dutch Venture Initiative (DVI) voor investeringen in participatiemaatschappijen en business angels.

Vanwege de grote belangstelling bij het MKB voor de MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) in 2014 wordt er in 2015 wederom € 30 mln voor dit instrument beschikbaar gesteld. Verder zal de samenwerking met de provincies op het innovatie-instrumentarium voor het MKB, welke in 2014 onder meer heeft geleid tot € 2 mln aan extra MIT projecten dankzij investeringen vanuit de provincies Limburg en Noord-Brabant, in 2015 verder worden voortgezet.

De TKI-toeslagregeling voor 2015 wordt op een aantal punten verder vereenvoudigd. De aanvragen voor toeslag worden gebaseerd op de vastgelegde, in plaats van de verwachte private bijdragen in publiek private samenwerkingsverbanden, waardoor de TKI’s meer zekerheid hebben over de omvang van de toeslag. Voorts zullen bij de inzet van de toeslag op nieuwe PPS’en geen verdergaande eisen worden gesteld dan het nieuwe staatssteunkader voor onderzoek en innovatie voorschrijft.

De transitie van Technologische Topinstituten (TTI) die in 2014 in gang is gezet bestrijkt een periode van drie tot vier jaar. Van de totale overheidsbijdrage gedurende de transitieperiode is circa 2/3 deel voorzien voor onderzoek en 1/3 deel voor onder andere netwerkvorming en kennisoverdracht. De transitie resulteert in een structurele inbedding van de succesfactoren van de TTI’s via het borgen van het onderzoek in de bestaande kennisinfrastructuur (NWO,TO2) en het organiserend vermogen via de TKI’s en de topsectoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

768.402

769.765

618.986

585.677

537.704

540.687

533.896

UITGAVEN

775.292

888.293

695.025

613.070

589.884

572.839

562.403

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

79%

       
               

Leningen

99.538

227.951

125.128

90.342

89.329

89.528

75.521

Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

48.965

67.558

76.454

43.299

46.049

34.409

29.402

IF: risicokapitaal

16.500

15.593

17.074

13.343

13.780

22.027

22.027

IF: Dutch Venture Ininitative/Fund of Funds/Vroege fase/informal Investors

17.073

121.800

31.600

33.700

29.500

33.092

24.092

IF: Rom’s

17.000

23.000

         
               

Subsidies

73.576

64.058

62.422

52.129

53.125

50.430

50.715

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

10.353

21.388

27.957

29.308

29.239

29.239

29.524

Eurostars

6.949

7.592

11.174

15.255

16.556

18.325

18.325

Lucht- en Ruimtevaart

7.812

20.445

13.347

4.873

4.301

1.798

1.798

Overig

48.462

14.633

9.944

2.693

3.029

1.068

1.068

               

Opdrachten

1.436

2.558

1.464

1.538

1.538

1.538

1.538

Onderzoek en opdrachten

1.436

2.558

1.464

1.538

1.538

1.538

1.538

               

Bijdragen aan agentschappen

68.895

67.003

61.643

51.996

49.424

52.424

52.436

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

68.602

66.862

61.004

51.857

49.285

52.285

52.297

Dienst Landelijk Gebied

   

500

       

Agentschap Telecom

293

141

139

139

139

139

139

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

154.840

136.874

113.349

113.911

110.235

108.874

108.874

TNO

154.840

136.874

113.349

113.911

110.235

108.874

108.874

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

377.007

389.849

331.019

303.154

286.233

270.045

273.319

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

25.434

66.534

80.945

101.101

115.273

115.267

118.267

Internationaal Innoveren

 

4.000

14.000

24.000

34.000

40.000

40.000

Topsectoren overig

183.625

187.370

132.146

68.388

40.828

30.600

30.874

Marin, Deltares, NLR

54.802

41.191

40.833

31.742

30.944

30.043

30.043

Topsectoren overig

             

Syntens

19.797

           

Ruimtevaart (ESA)

92.895

90.230

61.925

76.753

64.018

52.965

52.965

Overig

454

524

1.170

1.170

1.170

1.170

1.170

               

ONTVANGSTEN

96.098

74.495

61.601

63.737

72.234

79.830

82.025

Luchtvaartkredietregeling

2.515

2.102

3.800

5.777

9.695

12.203

14.125

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

2.128

4.000

3.000

2.000

500

   

Rijksoctrooiwet

35.287

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

Innovatiekredieten

16.733

9.816

18.788

19.588

23.188

26.688

25.388

Seed

2.188

 

800

 

1.400

2.900

4.200

Fund of Funds

       

100

800

2.800

Ontvangsten ROM’s

16.995

23.000

         

Eurostars

104

1.777

2.413

3.572

4.651

5.239

5.512

Diverse ontvangsten

20.150

2.588

1.588

1.588

1.588

1.588

1.588

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2015 voor het Innovatiefonds is voor 72% juridisch verplicht.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag in 2015 is 74% juridisch verplicht. Het betreft onder andere uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen. Het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (totaal € 28 mln) is voor € 10 mln nog niet juridisch verplicht. Dit zal bij de openstelling in 2015 plaatsvinden. Van het totale budget subsidies heeft 3% betrekking op de rente luchtvaartkredietregeling. Dit budget is bestuurlijk gebonden.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 91% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Dienst Landelijk Gebied (DLG) en aan Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de commitering 2015 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 71% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Technische Wetenschappen, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s. Een deel van het budget van de TKI-toeslagregeling (€ 48 mln) is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft circa 15% van het totale budget voor (inter)nationale organisaties. De juridische verplichting van dit budget zal naar verwachting in 2015 plaatsvinden. Van de uitgaven aan (inter)nationale organisaties is 13% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de uitgaven aan Deltares, Marin, Ruimtevaart en de Adviesraad voor wetenschap en techniek.

Toelichting op de financiële instrumenten

Samenhang instrumenten in het innovatiebeleid

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), het Innovatiefonds MKB+ en enkele andere instrumenten. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de volle breedte van de economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. De kern van het specifieke beleid is publiekprivate samenwerking (PPS). Een essentieel onderdeel daarvan wordt gevormd door de innovatiecontracten in de topsectoren. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de kennisinstellingen (TNO, DLO, GTI’s), de TKI-toeslag en de MIT van belang. In figuur 1 wordt een verdeling van middelen naar generieke en specifieke instrumenten getoond21. Daaruit blijkt dat 89 procent van het totale budget voor innovatie-instrumenten toegankelijk is voor alle innovatieve bedrijven.

Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld naar generiek en specifiek

Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld                   naar generiek en specifiek

Een andere manier om naar de samenhang van middelen voor innovatie te kijken, is door onderscheid te maken in grootteklasse van de ontvangende bedrijven. Het MKB (bedrijven met minder dan 250 werkzame personen) is bijna net zo belangrijk als het grootbedrijf in termen van uitgevoerde R&D (zie figuur 2b, bron: CBS, ICT, Kennis en economie 2014). In vergelijking hiermee, toont figuur 2a dat het MKB een relatief ruim aandeel (65%) van de innovatiemiddelen ten gunste van bedrijven ontvangt22.

Een goede verbinding met de initiatieven van de EU en andere landen is integraal onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien gerichter werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

De uitgaven van de verschillende departementen aan innovatie worden door het Rathenau Instituut jaarlijks samengesteld en openbaar gemaakt, als onderdeel van de totale investeringen in wetenschap en innovatie in verband met de samenhang tussen R&D en innovatie.

Leningen

Innovatiefonds MKB+.

Het Innovatiefonds MKB+ bestaat uit het Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling (risicokapitaal), het Dutch Venture Iniative (DVI) en de ROM’s. In 2014 is hier de nieuwe regeling Vroege Fase Financiering aan toegevoegd.

  • Het Innovatiekrediet vergemakkelijkt de toegang tot vreemd vermogen voor het innovatieve MKB en het grootbedrijf. De verhoging van de Innovatiekredietbijdrage in 2014 van 35% naar maximaal 50% voor de MKB-doelgroep is als onderdeel van het Aanvullend actieplan MKB-financiering (TK, 32 637 nr. 147) met een jaar verlengd tot ultimo 2015.

  • De Seed capital-regeling (risico-kapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risico-kapitaal (early stage).

  • Het Dutch Venture Initiative stelt risico-kapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB (later stage). Het DVI wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds PPM Oost uitgevoerd. Naast de € 100 mln bijdrage vanuit het Rijk draagt het EIF ook € 50 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 150 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend mkb. Private investeerders, als niet institutionele investeerders, spelen ook een belangrijke rol in de toegang van het MKB tot risicokapitaalfinanciering. Om investeringen vanuit deze professionele private investeerders (aangeduid als business angels) te stimuleren is € 30 mln van het Rijk en € 15 mln van het EIF aan het DVI toegevoegd voor het opzetten van een co-investeringsfaciliteit met business angels. Het DVI is daarmee in 2014 vergroot van de oorspronkelijke € 150 mln naar € 195 mln. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI voor investeringen in participatiemaatschappijen en private investeerders. De inzet van het kabinet is dat, evenals bij de eerste investering in DVI, ook in dit geval het Europees Investeringsfonds weer voor tenminste € 50 mln mede-investeert.

  • De nieuwe regeling Vroege Fase Financiering is ook onderdeel geworden van het Innovatiefonds MKB+. Het biedt financiering -in de vorm van een geldlening- voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO en de Stichting Technische Wetenschappen (STW) uitgevoerd. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er, aanvullend op de vorig jaar in het stimuleringspakket beschikbaar gestelde € 50 mln, met ingang van 2018 structureel € 12,5 mln per jaar beschikbaar gesteld voor Vroege Fase Financiering. Aanpassing van deze landelijke regeling is per januari 2015 voorzien, enerzijds vanwege de veranderende staatssteunkaders waarbij ook verbeterpunten in de regeling op basis van de eerste ervaringen worden verwerkt, anderzijds vanwege de ambitie om intensiever te gaan samenwerken met regionale «ecosysteempartners». Middels een pilot in Noord-Nederland, op termijn nationaal uit te rollen, loopt de verkenning naar deze samenwerking.

  • Tenslotte worden eventuele deelnemingen in de ROM’s verantwoord als onderdeel van het Innovatiefonds MKB+.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

Het InnovatiefondsMKB+ heeft een revolverend karakter, waarbij naar verwachting 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald: opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het fonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil

datum

Raming 2015

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

39

2013

>30

2015

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

156

2013

>120

2015

RVO

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds1

44

2013

45

2015

RVO/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

390

2013

390

2015

RVO/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

402

2015

RVO/STW

X Noot
1

In 2010 was alleen de SEED-capitalregeling actief.

X Noot
2

De raming is een inschatting gebaseerd op het beschikbaar gesteld budget en een maximale leningsomvang van de ondernemer. Rekensom hierbij: voor «MKB (inclusief starters) € 8 mln / 0.35 = 23, en voor academische starters € 4 mln/0.25 =16, afgerond 40 bedrijven.

Toelichting

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2015 (> € 120 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2015 (€ 60 mln) en het feit dat EZ maximaal 50% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2015 ongeveer 37 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het Fund of Funds is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft via private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2015 is minimaal € 390 mln. Vanwege de voortvarende benutting van het Dutch Venture Initiative bestaat de kans dat het grootste deel van de beschikbare middelen al in 2014 wordt geïnvesteerd en er in 2015 minder beschikbaar is, waardoor de raming voor 2015 niet kan worden behaald.

Aangezien het nieuwe instrument Vroege Fase Financiering medio 2014 van start gaat, is er geen referentiewaarde beschikbaar. Voor 2015 is geschat hoeveel ondernemers gebruik kunnen maken van dit instrument (zie ook voetnoot bij tabel).

Subsidies

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De MIT-regeling is in 2013 gestart met een budget van € 22 mln. In 2014 werd dit bedrag incidenteel verhoogd naar € 30 mln. Vanwege de grote belangstelling vanuit het MKB voor deze regeling zal vanaf 2015 € 30 mln structureel beschikbaar gesteld worden. Dit bedrag wordt deels gelijkelijk en deels naar rato van het aantal goede aanvragen verdeeld over de topsectoren en de doorsnijdende thema’s ICT en Biobased Economy. De topteams hebben een grote mate van betrokkenheid ten aanzien van de aanwending van de middelen die per sector zijn vastgelegd. De voorkeur van de topteams voor een bepaalde mix van innovatie-instrumenten en de thema's waarbinnen de aanvragen van MKB-ondernemers moeten passen zal daarom in beginsel worden gevolgd. De instrumentenmix kan onder andere bestaan uit haalbaarheidsonderzoeken, R&D- samenwerkingsprojecten, IPC’s en vouchers. Daarnaast kunnen TKI’s binnen het MIT subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars voor het MKB.

De samenwerking met de regio’s zal in 2015 worden voortgezet en verder worden uitgebouwd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen die in 2014 zijn opgedaan met pilots in de provincie Brabant en Limburg.

De doelstellingen van de MIT zijn:

  • 1. zoveel mogelijk ondernemers aan te laten sluiten bij de topsectoren. De streefwaarde wordt uitgedrukt in aantallen deelnemers aan MIT;

  • 2. innovatieve bedrijven zoveel mogelijk te laten samenwerken bij onderzoek en innovatie, zowel met elkaar als met kennisinstellingen. Dit doel zal op termijn getoetst worden in een evaluatie van het instrument. Daarnaast zal op termijn worden nagegaan waar de diverse projecten toe hebben geleid in termen van bijvoorbeeld vervolgonderzoek en ontwikkelen van nieuwe producten.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil

datum

Streef-

Waarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

1.893

2013

1.600

2015

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

€ 26

2013

€ 60

2015

RVO

X Noot
1

Hiervan ontvingen in 2013 707 bedrijven rechtstreeks subsidie voor innovatieprojecten. Het restant neemt deel aan netwerkbijeenkomsten e.d. Hiervoor zijn nog geen realisatiecijfers bekend, daarom is voor dit deel een inschatting gemaakt op basis van de verstrekte subsidie.

Het aantal bedrijven dat deelneemt, en daarmee de realisatiewaarde en streefwaarde, is rechtstreeks afhankelijk van de hoogte van het budget en van de instrumentenmix per topsector. Dat kan per jaar verschillen. Theoretisch zouden er met € 30 mln circa 1.600 bedrijven kunnen deelnemen. Dat is dan inclusief circa 1.000 bedrijven die deelnemen aan netwerkbijeenkomsten.

De subsidiepercentages zijn in 2014 verlaagd zodat met hetzelfde subsidiebedrag meer private R&D wordt ondersteund dan in 2013.

Eurostars

Eurostars is een internationaal programma dat 33 deelnemende landen en de EU cofinancieren. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties.

Eurostars II is in 2014 opgestart om vervolg te geven aan het Eurostars I-programma van de periode 2007–2013, waarbij bijna 800 internationale innovatieprojecten zijn mogelijk gemaakt. Voor het totale beleidsbudget van Eurostars II wordt bijna een verdriedubbeling voorzien voor de komende zeven jaar ten opzichte van Eurostars I. Met deze hogere bijdragen wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

49

2013

88

2015

RVO

• waarvan bedrijven

37

 

68

   

• waarvan high-tech MKB (%)

81%

 

85%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (mln euro)

13

2013

20,6

2015

RVO

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die in 2013 gerealiseerd werden. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers unieke organisaties die in 2013 één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door bedrijven opgegeven subsidiabele kosten op het moment van commitering, verminderd met het subsidiebedrag. De totale omvang van de Eurostars I-projecten met Nederlandse deelname bedroeg voor de periode 2007–2013 € 189,2 mln.

De EU stelt in totaal € 287 mln beschikbaar voor het Eurostars-II-programma tijdens de looptijd van H2020. Bovengenoemde streefwaarden zijn gebaseerd op de Nederlandse financiering voor Eurostars inclusief de EU-bijdrage, die bestaat uit een derde van het bedrag dat nationale overheden aan financiering voor Eurostars-projecten toekennen.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (de luchtvaartkredietregeling en het Nationaal Programma Luchtvaart) en op Ruimtevaart subsidieregeling Prekwalificatie ESA-programma’s (PEP).

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

De uitvoering van een deel van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, Eurostars, het kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (Horizon 2020), MKB Innovatiestimulering Topsectoren en TKI Toeslag, wordt verzorgd door de RVO. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en het terugontvangen van kredieten. Daarnaast heeft RVO ook andere taken:

  • Het netwerk van Innovatie Attachés is een onderdeel van RVO en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

  • Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie en voor het versterken van de innovatiekracht van bedrijven. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO, is belast met het uitvoeren van taken die bij of op grond van wetten of verdragen zijn opgedragen zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Voor het stimuleren en het toegankelijk maken van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

Dit budget is bedoeld voor de bijdrage aan het GIS Competence Center (GCC). GCC beheert de database van EZ waarin de ruimtelijke databestanden zijn opgeslagen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

TNO werkt samen met vijf andere instituten in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek. Het bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op het terrein van alle topsectoren. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT.

Met de Kabinetsvisie op toegepast onderzoek (TK, 32 637 nr. 68) is een aantal beleidsmaatregelen aangekondigd. De belangrijkste uitdagingen voor 2015 inzake toegepast onderzoek zijn:

  • verdere uitwerking geven aan de rol die TNO en de andere instituten spelen in de innovatiecontracten en de Topconsortia voor Kennis en Innovatie;

  • een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op- en nader invullen van de vraag uit de topsectoren;

  • de uitvoering van een uniforme evaluatie voor alle 6 TO2 instituten;

  • de uitwerking van een uniform juridisch kader voor alle 6 TO2 instituten.

Met de indicatoren klanttevredenheid wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan de projecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO. Deze is opgenomen in de tabel bij andere TO2 instituten.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Mede om de werkwijze van de TKI’s te vereenvoudigen heeft het kabinet in 2013 samen met alle belanghebbenden en de topteams afspraken gemaakt over de programmering van fundamenteel en toegepast onderzoek en bijbehorende modellen voor intellectueel eigendom. In 2014 is begonnen met de verdere vereenvoudiging en uniformiteit van de werking van de TKI’s en is ook de werking van de TKI toeslag vereenvoudigd. Voor 2015 wordt een verdere vereenvoudiging van het toeslagsysteem voorzien.

Beoogd wordt publiek private samenwerkingsprogramma’s in lijn met de onderzoeksagenda’s van de topsectoren en de maatschappelijke uitdagingen te stimuleren. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

571

2013

500

500

2015

RVO

• waarvan private middelen (%)

35%

(200)

2013

40%

40%

2015

RVO

In 2013 hebben private partijen voor € 200 mln cash bijgedragen aan publiek-private samenwerkingsprojecten op basis waarvan de TKI’s toeslag hebben aangevraagd. Naar schatting besloeg het private deel van de financiering 35% van het totaal. Daarmee komt de geschatte totale PPS-projectomvang waarvoor TKI-toeslag is aangevraagd in 2013 op € 571 mln.

In het eerste jaar van de TKI-toeslag is nog niet alle toeslag die de TKI’s in 2013 hebben verdiend ook meteen al ingezet in projecten. TKI’s hebben veel energie gestoken in onder andere het stimuleren van vorming van nieuwe samenwerkingsprojecten. Naar verwachting zullen de instituten in 2014 en 2015 een inhaalslag maken.

Horizon 2020/Internationaal Innoveren

Het Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7, looptijd 2007–2013), is per 1 januari 2014 opgevolgd door het onderzoek- en innovatieprogramma Horizon 2020 (looptijd 2014 – 2020). In KP7 hebben Nederlandse onderzoekers en bedrijven goed gescoord, met als resultaat dat zij bijna € 3,4 mld aan financiering hebben weten te verwerven (TK 21 501-31, nr. 343). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Daarnaast is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt. De RVO stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen Nederlandse deelname aan Horizon 2020. 2014 was een overgangsjaar, met de evaluatie en start van projecten voortvloeiend uit de laatste calls in 2013 van KP7 en de eerste calls van Horizon 2020.

Net als in 2014 gaat voor EZ gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het vergroten van de bedrijfsdeelname (vooral het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de regionale initiatieven gesteund vanuit de structuurfondsen.

Indicator

Referentie-

Waarde 1

Peil-

datum

Streef-

Waarde 2

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

1.506

t/m 2013

250

2015

RVO/EC

– waarvan bedrijven

1.137

 

180

   

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 3.373

t/m 2013

€ 631

2015

RVO/EC

– waarvan bedrijven (%)

22%

 

25%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,4%

t/m 2013

7,0%

2015

RVO/EC

X Noot
1

referentiewaardes betreffen cumulatieve cijfers voor KP7 in 2007–2013

X Noot
2

streefwaarden voor 2015 hebben betrekking op H2020

Toelichting

De referentiewaardes in bovenstaande tabel zijn cumulatief en hebben betrekking op KP7-calls die in de periode 2007–2013 hebben plaatsgevonden (peildatum februari 2014). Wat het aantal deelnemers betreft, gaat het om unieke organisaties die één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen.

De streefwaarden in de tabel zijn ramingen voor 2014 op basis van de ervaringen met Nederlandse deelname aan het 7e Kaderprogramma, de vormgeving van H2020 en het budget voor Horizon 2020 in 2014 conform de EU-begroting (EC SEC (2014) 357 final d.d. 11.06.2014).

In de periode 2007 tot en met 2013 ging 7,4% van het KP7 subsidiebudget naar Nederlandse onderzoekers (waarvan 22% naar bedrijven), hetgeen zich over de gehele looptijd van KP7 zou vertalen naar € 3,4 mld (waarvan € 732 mln voor bedrijven). Dit retourpercentage is hoger dan op basis van de Nederlandse bijdrage aan de EU (= 5%) te verwachten is en geeft aan dat Nederlandse deelnemers aan KP7 op een hoger dan gemiddeld niveau hebben geparticipeerd.

Naar verwachting zal de concurrentie met andere lidstaten in Horizon 2020 toenemen omdat ook de Midden- en Oost-Europese «nieuwe» landen kwalitatief beter worden in onderzoek en innovatie. Het streven is om 7,0% te halen voor het gehele Horizon 2020 programma.

Voor 2014 heeft de Europese Commissie (EC) € 9 mld in calls beschikbaar gesteld, wat zich bij een retourpercentage van 7,0% vertaalt in een streefwaarde van ongeveer € 631 mln voor Nederlandse deelnemers. Het streven is voorts om het aandeel daarvan voor bedrijven ten opzichte van KP7 te vergroten naar 25%, in lijn met de doelstellingen van Horizon 2020. De geraamde reeks voor internationaal innoveren is gereserveerd voor de cofinanciering op Nederlandse deelname in de EU-programma’s Eureka, Eurostars en Joint Technology Initiatives.

Toegepast Onderzoek organisaties (TO2)

TO2 bestaat uit zes instituten. Naast TNO (zie «bijdragen aan ZBO’s/RWT’s») zijn dit:

  • Deltares: instituut op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.

  • MARIN: internationaal toonaangevend instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.

  • Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR): instituut dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.

  • ECN en DLO: deze instituten worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De TO2 instituten richten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. Hiervoor zijn nadere spelregels afgesproken (TK, 28 753 nr. 30) die in publiekprivate samenwerkingsverbanden in topsectoren maatgevend zullen zijn. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde 1

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

8,0

2013

8,0

2015

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,8

2013

8,0

2015

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,5

2013

8,0

2015

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

8,2

2013

8,0

2015

TNO

X Noot
1

Streefwaarde = raming 2015

Toelichting

De scores in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de recentste onafhankelijke onderzoeken naar klanttevredenheid die de T02 instituten hebben laten uitvoeren en waar nodig omgerekend naar een schaal van 1 tot 10. De streefwaarde van 8,0 bevindt zich nabij de gemiddelde score voor vergelijkbare organisaties.

In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe vindt in 2015 een eerste evaluatie plaats. De begrippen klanttevredenheid en kennisbenutting en de wijze waarop die in 2014 op uniforme wijze worden gemeten, zullen hier ook deel van uitmaken.

Topsectoren overig

Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma's gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel circa € 20 mln per jaar beschikbaar.

De perspectiefprogramma’s van STW worden inhoudelijk ingebed in de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de afbouw van de voormalige Innovatieprogramma’s, waaronder Point One. Ook de afbouw van een aantal voormalige FES-projecten wordt hier geraamd. Tot slot worden enkele kleine posten met betrekking tot het huidige topsectorenbeleid onder deze post verantwoord. Vanwege de afbouw loopt de reeks «Topsectoren overig» sterk af.

Ruimtevaart (ESA)

De financiële bijdrage aan Ruimtevaart bestaat enerzijds uit verplichte programma’s (contributie) van European Space Agency (ESA) en anderzijds uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen worden via open competitie in contracten uitgezet bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen (Geo Return systeem).

Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) flankerend beleid waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden en de interactie met ESTEC. In dit beleid worden ook de middelen verantwoord voor de EZ-bijdrage om het TROPOMI-instrument23 te bouwen. Bovendien wordt in 2015 verder vorm en inhoud gegeven aan beleid om te bevorderen dat nieuwe diensten worden ontwikkeld op basis van satellietdata, die beschikbaar komen via de nieuwe Copernicus aardobservatiesatellieten van de EU en ESA en het satellietdataportaal van het Netherlands Space Office (NSO). Uitvoering van dit beleid is neergelegd bij het NSO. In 2015 wordt gewerkt aan de voorbereiding van de driejaarlijkse ESA-Ministersconferentie, die naar verwachting in 2016 zal plaatsvinden in Zwitserland.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA (1)

488

2011

100

100

2015

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%) (2)

1,09

2011

1

1

2015

ESA

Toelichting

(1) In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. In 2015 start ESA met een nieuwe, opgeschoonde database waardoor de waarde dan substantieel lager zal uitvallen. Bedrijven waarmee al enige tijd geen contracten zijn afgesloten zullen niet in het nieuwe databestand worden opgenomen. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

(2) De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse Ruimtevaart-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven extra succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen mogelijk moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

9

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

766

756

794

804

794

794

794

Research & Development Aftrek (RDA)

226

302

238

131

126

126

126

Het regeerakkoord (maatregel 81 en 84) bevat een taakstelling op het (fiscaal) innovatiebeleid. Voor 2015 betekent dit een taakstelling op de fiscale innovatie-instrumenten van € 260 mln, waarvoor € 135 mln dekking binnen het budget van de WBSO wordt voorgesteld en € 95 mln binnen het budget voor de RDA. De overige € 30 mln taakstelling is in 2014 gerealiseerd door het structureel maken van de tijdelijke korting op de Energie-Investeringsaftrek (EIA), Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL). Betreft het beschikbare budget, inclusief technische inboekingen. Voorts zal nader worden onderzocht om de RDA en WBSO per 2016 te integreren.

S&O afdrachtvermindering (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is gericht op het stimuleren van investeringen in S&O door het bedrijfsleven, door de loonkosten voor het verrichten van S&O te verlagen.

Met een budget van € 794 mln kunnen de parameters voor de regeling in 2015 op het niveau van 2014 gehandhaafd worden.

Parameters S&O-afdrachtsvermindering
 

2013

2014

2015

Tarief eerste schijf

38%

35%

35%

Tarief eerste schijf starters

50%

50%

50%

Loongrens eerste schijf

€ 200.000

€ 250.000

€ 250.000

Tarief tweede schijf

14%

14%

14%

Plafond

€ 14 mln

€ 14 mln

€ 14 mln

In lijn met de aankondiging in de brief van 2 juli 2014 over de implementatie van de visie op het toegepast onderzoek24, wordt contractonderzoek door publieke kennisinstellingen uit de S&O-afdrachtvermindering gehaald. Met het schrappen van contractonderzoek en het daarmee vrijvallen van het daarmee samenhangende budget voor de rest van de regeling wordt de S&O-afdrachtvermindering beter gericht op de doelstelling van de regeling: het stimuleren van zelfstandig speur- en ontwikkelingswerk door bedrijven.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

16.620

19.450

20.530

22.220

22.640

Aantal S&O-arbeidsjaren

67.600

73.660

75.330

79.560

81.660

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.011

3.377

3.571

3.850

3.917

Bron: RVO

Toelichting

Het aantal bedrijven met een S&O-verklaring (dat wil zeggen WBSO-gebruikers) in 2013 is ten opzichte van 2012 met 1,9% gegroeid tot 22.640. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende budget ging 72% naar het MKB. Het aantal toegekende S&O-arbeidsjaren is met 2,6% gegroeid tot 81.660 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO circa € 3,9 mld van de S&O-loonuitgaven van bedrijven. De verwachting is dat in 2014 het aantal aanvragers van de regeling opnieuw licht zal stijgen.

Research & Development Aftrek (RDA)

De RDA is in 2012 geïntroduceerd en heeft tot doel innovatie en S&O van het Nederlandse bedrijfsleven te bevorderen door een fiscaal voordeel voor niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op S&O. Het RDA-bedrag wordt opgevoerd als een aftrekpost in de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Op basis van het voor 2015 geraamde gebruik bestaat de ruimte om het percentage van de RDA in 2015 op 60% te handhaven. Dit komt overeen met een netto voordeel van 15% bij een Vpb-tarief van 25%. Het RDA-percentage kan op basis van de ontwikkelingen in 2014 nog worden bijgesteld. Eind 2014 wordt het definitieve RDA-percentage voor 2015 bij ministeriële regeling vastgesteld.

Het kabinet zal daarbij in 2015 nader onderzoeken of, met het oog op effectiviteit en efficiëntie, met ingang van 2016 de RDA met de S&O-afdrachtvermindering kan worden samengevoegd tot één geïntegreerde regeling die wordt verrekend middels de loonheffing. Bij de concrete vormgeving en het budget van de nieuwe regeling wordt rekening gehouden met potentiële financiële nadeel dat het bedrijfsleven mogelijk ondervindt.

Kengetal

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA

13.860

16.160

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven (x € 1 mln)

2.035

2.530

Bron: RVO

Toelichting

Het aantal bedrijven met een RDA-verklaring (dat wil zeggen RDA-gebruikers) is in 2013 is ten opzichte van 2012 met 16,6% gegroeid tot 16.160. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende RDA-bedrag ging 42% naar het MKB. De door RDA ondersteunde private R&D-uitgaven bedraagt circa € 2,5 mld, 24,3% meer dan in 2013. De verwachting is dat in 2014 het aantal aanvragers van de regeling licht zal stijgen.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken enerzijds financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren, zoals het Ondernemingsdossier en het digitaal Ondernemersplein.

  • Realiseren van tien publiek-private ICT-doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als logistiek, agro, onderwijs en de zorg. Dit wordt met name gerealiseerd door het gericht oplossen van belemmeringen op het terrein van standaardisatie, wet- en regelgeving en het gebruik van ICT.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het stimuleren van een ambitieuze een duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

  • Het bevorderen van innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

1 – Global Competitiveness Index

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Positie van Nederland

8e

7e

5e

8e

n.n.b.

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             

2 – Ondernemersquote

2010

2011

2012

2013

2014

 

Nederland

11,9%

12,2%

12,6%

13,2%

n.n.b.

 

EU15-gemiddelde

11,9%

11,9%

11,9%

11,8%

n.n.b.

 

Bron: EIM (2009 is een voorlopig cijfer, 2010 en 2011 zijn een inschatting)

           
             

3 – Investeringsquote van bedrijven

2010

2011

2012

2013

2014

 

Nederland

12,5%

13,7%

13,2%

12,6%

13,3%

 

Bron: CPB (CEP, 2014)

           
             

4 – Aandeel snelle groeiers

   

2007/2010

2008/2011

2009/2012

 

Nederland

   

3,3%

3,2%

2,0%

 

Bron: CBS

           
             

5 – Positie in de ranglijst voor digitale economieën

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum)1

9

11

6

4

4

Top 5

X Noot
1

Wat betreft het kengetal digitale economieën in de Rijksbegroting: hier werd tot en met 2010 gebruik gemaakt van de jaarlijkse ranking van de Economist / E readiness monitor. Sinds 2010 is er echter geen update meer verschenen. Vanwege de behoefte aan een jaarlijks cijfer is gekozen voor het Global Information Technology Report van het World Economic Forum die wel jaarlijks rapporteert.

  • 1 Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2013 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van goede financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van regeldruk en stimulering van innovatie.

  • 2 Het percentage ondernemers binnen de beroepsbevolking neemt al enige jaren toe in Nederland. Waarin 2009 nog benedengemiddeld werd gescoord, ligt de Nederlandse score inmiddels ruim boven het gemiddelde van de EU-15. De stijging van ondernemersquote is voor het belangrijkste deel toe te schrijven aan de toename van het aantal ZZP'ers in Nederland.

  • 3. De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote bereikte in 2010 een dieptepunt en leefde daarna weer iets op. Naar verwachting blijven de investeringen in 2013 op het niveau van 2012. Verder herstel wordt verwacht vanaf 2014. Nederland is niet het enige land waarin de investeringsquote het afgelopen decennium terugliep; andere landen laten een vergelijkbaar beeld zien. Een mogelijke verklaring voor de daling van de investeringsquote is de moeilijke economische situatie en het feit dat de investeringsprijzen zijn gedaald.

  • 4. Ten behoeve van de internationale vergelijkbaarheid rapporteert EZ met ingang van de begroting 2015 cijfers over snelle groeiers op basis van het Eurostat-OECD handboek. Het CBS is gevraagd deze cijfers conform dit handboek te maken. Een bedrijf is een snelle groeier wanneer het in 3 jaar tijd een werkgelegenheidsgroei heeft gerealiseerd van meer dan 72,8%. Daarbij wordt alleen gekeken naar bedrijven met meer dan 10 werknemers bij aanvang van de 3-jarige periode die is bekeken. De meest recente cijfers die de OECD heeft hebben betrekking op de periode 2007–2010 (2008–2011 volgt in juli). Nederland scoort benedengemiddeld als het gaat om het percentage snelle groeiers. Dat geldt zowel voor de industrie als de dienstensector. De aanhoudende laagconjunctuur is een belangrijke verklaring voor de dalende trend in het aandeel snelle groeiers.

  • 5 Nederland ambieert voor 2015 een top 5 positie op de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën. In het meest recente rapport van het World Economic Forum (WEF) over «Information Technology» uit 2014 staat Nederland, na Finland, Singapore en Zweden weer op de vierde plek als het gaat om het gebruik van ICT. Volgens het WEF is informatietechnologie doorgedrongen in alle aspecten van de Nederlandse maatschappij. Nergens hebben zo veel huishoudens een computer (1e positie). Maar ook als het gaat om toegang tot internet scoort Nederland met een 3de positie hoog. Hetzelfde geldt voor overheidsdiensten die online beschikbaar zijn (5e positie), en de bedrijven die online transacties uitvoeren met klanten (4e positie). Nederland is bovendien koploper als het gaat om mobiel netwerkbereik (100% bereik op basis van populatie), het aantal afgesloten breedbandinternetabonnementen (2e positie) en veiligheid van internetservers (2e positie).

Beleidswijzigingen

De aangekondigde maatregelen in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147) zijn budgettair in de ontwerpbegroting 2015 verwerkt. Onderstaande onderdelen slaan neer op dit beleidsartikel:

  • Inzet van € 1 mld uit bestaande garantieruimte voor nieuwe maatregelen in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Daarvan is € 500 mln bestemd voor het doorontwikkelen van een markt voor eigen vermogen en € 500 mln voor het verbreden van het financieringsaanbod, waaronder ook Qredits. Een additionele begrotingsreserve zal hiertoe worden opgericht (€ 12 mln).

  • Verbeteren en ontsluiten van informatie over kredietwaardigheid binnen het MKB (€ 5 mln).

  • Het opzetten en stimuleren van ketenfinanciering (€ 5 mln).

  • Het verhogen van de ambitie en verbetering van de groeivaardigheden in het kleinbedrijf (€ 5 mln).

  • Het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium (€ 3 mln).

  • Het verlengen van de verruimingen van de BMKB en de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering met een extra jaar tot ultimo 2015.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

725.485

2.396.226

1.798.832

1.835.074

1.828.905

1.826.224

1.829.713

Waarvan garantieverplichtingen

463.183

2.191.250

1.591.250

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

UITGAVEN

436.722

358.454

306.921

264.751

247.691

242.996

246.998

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

81%

       
               

Garanties

114.100

122.353

95.886

67.480

62.480

62.480

62.480

BMKB

102.422

91.500

71.000

42.594

37.594

37.594

37.594

Groeifacilitieit

2.360

9.343

9.365

9.365

9.365

9.365

9.365

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

9.274

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

9.668

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

               

Subsidies

77.685

29.317

41.473

20.677

12.373

10.666

14.666

Bevorderen ondernemerschap

7.383

12.394

27.222

11.292

6.555

6.355

10.355

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

7.829

2.531

1.500

1.500

1.500

   

Microkrediet

30.989

           

Uitfinanciering subsidies

31.484

14.392

12.751

7.885

4.318

4.311

4.311

               

Opdrachten

24.660

24.100

24.110

24.100

23.109

21.756

21.756

Onderzoek & ontwikkeling

4.706

2.057

1.402

1.400

1.400

1.248

1.248

ICT-beleid

18.118

17.953

17.819

18.254

17.263

16.062

16.062

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

831

1.774

2.559

2.116

2.116

2.116

2.116

Regiegroep Regeldruk / ACTAL

1.005

2.316

2.330

2.330

2.330

2.330

2.330

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

21.701

20.505

17.855

16.326

16.059

16.239

16.239

NBTC

13.536

10.167

8.471

8.450

8.450

8.450

8.450

UNWTO

271

239

240

240

240

240

240

Bijdragen aan instituten

7.894

10.099

9.144

7.636

7.369

7.549

7.549

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

153.144

138.119

107.271

116.622

114.549

113.740

113.740

Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

153.144

138.119

107.271

116.622

114.549

113.740

113.740

               

Bijdragen aan agentschappen

45.430

24.060

20.326

19.546

19.121

18.115

18.117

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

28.582

21.851

18.117

17.337

16.912

15.906

15.908

DICTU

8.149

           

Logius

8.699

2.209

2.209

2.209

2.209

2.209

2.209

               

ONTVANGSTEN

37.435

66.587

78.041

61.952

57.932

59.669

62.071

BMKB

21.544

32.906

50.406

34.000

29.000

29.000

29.000

Groeifaciliteit

2.047

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Garantie Ondernemingsfinanciering

10.160

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

10.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Joint Strike Fighter

1.418

1.303

1.204

1.843

2.823

4.560

6.962

Diverse ontvangsten

2.223

1.378

1.431

1.109

1.109

1.109

1.109

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is benodigd om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag 2015 is 40% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen. 53% van het budget is bestuurlijk gebonden. Dit betreft het budget dat beschikbaar is gesteld voor de Nederlands Investeringsinstelling en de Nederlandse Hypotheekinstelling (€ 5 mln), de kasreserve (€ 12 mln) voor ondersteuning van een fonds gericht op achtergestelde leningen aan het mkb en tot slot het budget (€ 5 mln) dat in 2015 beschikbaar is gesteld voor de overige onderdelen van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering: ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering van groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 55% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen. Van het opdrachtenbudget is 2% bestuurlijk gebonden ten behoeve van de geraamde uitgaven voor ACTAL.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de Kamer van Koophandel (inclusief de bijdrage voor het Nieuwe Handelsregister) is voor 96% juridisch verplicht, 4% is bestuurlijk gebonden, het betreft de uitgaven voor het Nieuwe Handelsregister.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 3% juridisch verplicht en is 85% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdragen aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen en de World Tourism Organization (UNWTO).

Toelichting op de financiële instrumenten

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een kredietverstrekker. De kredietverstrekker vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur, zoals de lagere benutting in 2013 laat zien. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Als in 2015 de economie, zoals voorspeld, verder aantrekt, is de verwachting dat in 2015 ook de benutting van de BMKB weer toeneemt. Als onderdeel van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering worden de stimuleringsmaatregelen uit 2014 met een jaar verlengd tot ultimo 2015. Dit betreft de verhoging van de maximale borgstelling van € 1 mln naar € 1,5 mln en het verhogen van het borgstellingspercentage van per saldo 45% naar per saldo 67,5% voor alle borgstellingskredieten tot € 200.000, zoals regulier voor starters geldt.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

556

742

909

486

344

Totaal aantal verstrekte garanties

2.442

3.701

4.325

2.640

1.983

Bron: RVO

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal

€ 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

10

25

12

13

8

Totaal aantal verstrekte garanties

22

32

17

21

16

Bron: RVO

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. In het geval van bankgaranties zijn ook schadeverzekeraars toegelaten tot de regeling. De GO-regeling is net als de Groeifaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken/schadeverzekeraars er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is afgesproken om de GO-regeling structureel te maken met een garantieplafond van € 400 mln met ingang van 2014. Als onderdeel van het Aanvullend actieplan MKB-financiering worden de stimuleringsmaatregelen uit 2014 met een jaar verlengd tot ultimo 2015. Dit betreft de verhoging van de maximum garantie van € 25 mln naar € 75 mln.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

103

103

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

53

51

Bron: RVO

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw financiering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer wordt gegarandeerd gedurende de periode van de bouw van het schip. Met de GSF kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de financiering van de bouw van een schip. Op basis van de benutting van de regeling in het afgelopen jaar is het jaarlijks garantieplafond, in overeenstemming met het garantiekader, teruggebracht tot € 400 mln. In overleg met stakeholders wordt bezien wat de oorzaken van het geringe gebruik zijn en of en hoe aanpassing van de regeling is gewenst.

Kengetal

2013

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

44

Totaal aantal verstrekte garanties

6

Nieuwe garanties

Het betreft het versterken van het eigen vermogen van het MKB door de oprichting van een Achtergestelde Leningenfonds (AGL) te stimuleren, en verbreding van het aanbod van MKB-financiering door garanties te geven op de funding van private initiatieven. Ook wordt onderzocht of het dienstenportfolio van Qredits kan worden uitgebreid met kredieten tot € 250.000 en het aanbieden van werkkapitaal via rekening courant. Samen met de Nederlandse Investerings Instelling (NII) wil het kabinet in kaart brengen hoe groot de markt voor een dergelijk AGL-fonds is, welke marktpartijen reeds initiatieven ontplooien en welke witte vlekken er nog bestaan.

De verwachting is dat er in 2014 en 2015 in totaal tot circa € 1 mld onbenutte garantieruimte is bij de EZ-instrumenten, welke ingezet kan worden voor nieuwe maatregelen in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Daarvan wordt op voorhand € 500 mln bestemd voor het doorontwikkelen van een markt voor eigen vermogen, en € 500 mln voor het verbreden van het financieringsaanbod, waarvan € 100 mln voor verruimen van het dienstenportfolio van Qredits. De dekking van de garantieruimte zal komen uit de onderbenutting van de garantieregelingen. Een additionele begrotingsreserve zal hiertoe worden opgericht (€ 12 mln).

Subsidies

Bevorderen ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaatbeleid te verbeteren. Zo is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van de jaarlijkse Transparantie Benchmark programma’s voor kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, innovatief inkopen en de programmakosten voor corporate governance. Daarnaast wordt dit gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals Techniekpact en Ambitieus Ondernemerschap. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering zijn middelen uitgetrokken voor ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium. Ook de kasreserve van € 12 mln voor ondersteuning van een fonds gericht op achtergestelde leningen is onder deze post opgenomen.

Biobased Economy

Juist het Nederlandse bedrijfsleven heeft alles in huis om biobased economy tot een succes te maken. Zowel de agro als chemie zijn in vergelijking met andere landen zeer groot en goed ontwikkeld in Nederland: de agro- en tuinbouwsector behoort tot de meest productieve ter wereld, de Nederlandse chemie behoort tot de wereldtop. De logistiek in Nederland is vooraanstaand: Nederland vormt met onze havens de toegangspoort tot Europa voor groene grondstoffen met duurzaamheid als randvoorwaarde.

Binnen de topsectorenaanpak is biobased economy als cross-sectoraal thema benoemd. Coördinatie ligt bij de topsector chemie. Voor de uitvoering van het innovatiecontract BBE is het Topconsortium voor Kennis- en Innovatie (TKI) BBE opgericht.

Op 3 december 2013 is het nieuwe advies van de Wetenschappelijke en Technologische Commissie Biobased economy openbaar gemaakt. De aanbevelingen worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van de innovatieagenda biobased economy in samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid. Op 17 juni 2014 is de Kamerbrief over cascadering verzonden. Deze brief schetst de samenhang tussen de inzet van biomassa voor voedselproductie, klimaatbeleid, recycling en uiteindelijk het creëren van economische waarde.

Groene groei

Het kabinet heeft een ambitie op «groene groei» geformuleerd: de Nederlandse concurrentiekracht en het verdienvermogen versterken en tegelijkertijd de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie en grondstoffen terugdringen.

Maatschappelijke opgaven, zoals voedselzekerheid, grondstoffenschaarste of -afhankelijkheid, verlies aan biodiversiteit, vergrijzing en klimaatverandering zijn de groeimarkten van morgen. In nauwe samenwerking met het topsectorenbeleid zet het kabinet zich in voor duurzame economische groei langs vier pijlers: 1. slimme inzet van marktprikkels, 2. dynamische bevorderende wet- en regelgeving, 3. innovatie en 4. overheid als netwerkpartner.

Op acht domeinen zien we zowel een belangrijke maatschappelijke uitdaging, als potentiële verdienkansen voor Nederland: 1. energie, 2. biobased economy, 3. voedsel (EZ-domeinen), 4. klimaat, 5. afval als grondstof, 6. mobiliteit, 7. water (IenM-domeinen) en 8. bouw (WenR-domein).

Doelstellingen

Op een aantal domeinen zijn er duidelijke (kwantitatieve) doelstellingen:

  • We streven naar 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 (Energie akkoord).

  • We staan voor een ambitieus klimaatbeleid (20% CO2 reductie in 2020) (EU).

  • We willen fossiele grondstoffen vervangen door hernieuwbare grondstoffen (Regeerakkoord).

De overheid zorgt voor de juiste condities en een stabiel kader voor groene investeringen, zodat bedrijven duurzame producten en diensten kunnen ontwikkelen en vermarkten. Dat vraagt om een integrale aanpak voor groene groei. Bij ongewijzigde productie- en consumptiepatronen lopen we onvermijdelijk tegen grenzen aan. Dit betekent anders produceren en consumeren. Daarbij moeten we zoeken naar internationale coalities om grensoverstijgende problemen te lijf te gaan; en naar een breed draagvlak dat zich richt op de langere termijn. Dit is ook opgenomen in de kabinetsreactie op het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving «Vergroenen en verdienen» die recent naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Green Deal

Het kabinet zet de Green Deal aanpak verstevigd voort met als doel groene groei te versnellen door de creativiteit en dynamiek in de samenleving te benutten. Green Deals bieden bedrijven, burgers en organisaties een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Initiatieven uit de samenleving staan aan de basis van de Green Deal-aanpak. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten. Knelpunten kunnen liggen op het vlak van wet- en regelgeving, netwerkvorming en kennis en informatie. Succesvolle deals en oplossingen worden opgeschaald naar andere locaties, partijen en sectoren en zetten zo een vliegwiel in werking. De Green Deal aanpak is een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Dat beleid is gericht op het scheppen van de juiste randvoorwaarden en prikkels voor het vergroenen van economie en samenleving. Er zijn sinds 2011 al 162 Green Deals afgesloten, met meer dan 679 partijen op het terrein van energie, water, grondstoffen, biodiversiteit, mobiliteit, biobased, bouw, voedsel en klimaat. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Eind 2013 waren er 16 Green Deals afgerond. Een overzicht van de Green Deals is te vinden op www.ondernemendgroen.nl/greendeals. In 2015 worden de activiteiten gericht op: het verder ontwikkelen, beheren en monitoren van het portfolio aan Green Deals; het uitrollen en verder opschalen van succesvolle green deals en het uitdragen van de resultaten daarvan. Om opschaling te faciliteren zal extra focus komen te liggen op het verder in beeld brengen van effecten en lessons learned van afgeronde Green Deals in de groene groei domeinen (inclusief biodiversiteit) en de vier beleidspijlers.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Qredits (stichting Microfinanciering Nederland) biedt sinds 2009 microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 50.000. EZ heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits. Doel is om vanaf 2016 2.500 kredieten per jaar te verstrekken. Naast het krediet is coaching een belangrijk onderdeel van het microfinancieringsbeleid. Qredits heeft hiervoor de afgelopen jaren met steun van EZ onder andere een vrijwillige coachpool opgezet.

Sinds eind 2013 verstrekt Qredits ook zogenaamde MKB-kredieten tussen de € 50.000 en € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits. Deze maatregel is onderdeel van het stimuleringspakket (september 2013).

In het aanvullend actieplan MKB-financiering is aangekondigd dat het kabinet onderzoekt of de grens tot waar Qredits leningen mag verstrekken, per 2015 kan worden opgetrokken tot € 250.000. Mede gezien de groeiende behoefte aan werkkapitaal worden daarnaast partners gezocht om daarmee het verstrekken van rekening-courant krediet door Qredits mogelijk te maken. Voor de uitbreiding van deze activiteiten is naar verwachting circa € 100 mln extra funding nodig. Het Ministerie van Economische Zaken is op dit moment met verschillende geïnteresseerde partijen, waaronder de Europese Investerings Bank (EIB), in gesprek onder welke voorwaarden zij Qredits aanvullend willen financieren. Voor nu heeft het kabinet € 100 mln garantieruimte beschikbaar, mocht voor het verstrekken van nieuwe funding aan Qredits een overheidsgarantie nodig zijn. De verwachting is dat hiermee minimaal € 100 mln nieuwe financiering in de markt mogelijk wordt gemaakt.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef- waarde

Planning

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

1.550

2.500

2016

Qredits

De verwachting is dat Qredits in 2015 1.300 microkredieten en 250 MKB-kredieten verstrekt en dus totaal 1.550 kredieten aan kleine en startende ondernemers.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Beroepsonderwijs in bedrijf, Innovatieve scheepsbouw en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd. Een klein deel van dit budget wordt gebruikt voor beleidsvernieuwing middels kleinschalige experimenten.

ICT-beleid

Het regeerakkoord schetst een aantal belangrijke uitdagingen op ICT-gebied. Zo heeft het kabinet de ambitie dat ondernemers en burgers in 2017 digitaal zaken kunnen doen met de overheid, waarbij zij gebruik kunnen maken van een aantal voorzieningen. Er is dan één digitale voordeur voor digitale overheidsdienstverlening, met één sleutel, één berichtendienst en open standaarden voor informatie-uitwisseling. Hierdoor wordt het voor bedrijven makkelijker om hun zaken met de overheid digitaal te regelen. Onlangs heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over het gezamenlijke wetgevingsprogramma van EZ en BZK dat hiertoe in gang is gezet.

Daarnaast werken we aan een tiental ICT-doorbraakprojecten gericht op het opschalen van ICT-toepassingen in een aantal topsectoren, de zorg en het onderwijs. Doel is belemmeringen voor het gebruik van ICT weg te nemen en de kennis over ICT te vergroten om zo een bijdrage te leveren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en het benutten van economische kansen.

Op lokaal gebied werkt het kabinet samen met steden aan de Digitale Steden Agenda. In dit convenant zijn concrete voorstellen gedaan om de komende jaren, met behulp van ICT, vraagstukken op te lossen in de domeinen ondernemen, veiligheid, regeldruk, zorg, onderwijs en informatiedeling.

Op het terrein van innovatie en onderzoek werkt het kabinet binnen de ICT Roadmap samen met de wetenschap en bedrijven aan het ontwikkelen van de technologieën van overmorgen, ook voor de topsectoren.

Op internationaal gebied zet het kabinet met het project «The Netherlands: Digital Gateway to Europe» in op het vasthouden, uitbouwen en aantrekken van buitenlandse ICT-bedrijven met aanvullende kennis en kunde naar Nederland. Dat draagt bij aan werkgelegenheid en is goed voor innovatie.

Digitale vaardigheden van de beroepsbevolking zijn van toenemend belang. Het kabinet werkt met maatschappelijke partners aan het versterken van de digitale vaardigheden in de opleidingen en van de werknemers.

Voorzien wordt dat de komende decennia een vergaande digitalisering van productieprocessen zal plaatsvinden. Met FME, VNO NCW, TNO en de Kamer van Koophandel is voor Nederland in kaart gebracht wat «Smart Industry» kan beteken en wat actielijnen zijn om Nederlandse bedrijven hierop voor te bereiden

Over de uitwerking van deze ambities, inclusief de stand van zaken van de acties uit de Digitale Agenda.nl en de Digitale Implementatie Agenda.nl is de Tweede Kamer in 2013 nader geïnformeerd. (TK, 29 515, nr. 70).

Vermindering regeldruk

Met het kabinetsbrede programma «Goed Geregeld: een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zet het kabinet in op de vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals. De aanpak bestaat uit zes samenhangende actielijnen:

  • 1. Minder regeldruk door transparantie van wet- en regelgeving.

  • 2. Structurele verlaging van de regeldruk met € 2,5 mld.

  • 3. Minder regeldruk door betere (digitale) dienstverlening.

  • 4. Minder stapeling, slimmer toezicht.

  • 5. Merkbare vermindering regeldruk in regeldichte domeinen.

  • 6. Minder regeldruk door bestuurlijke samenwerking (gemeenten en Europa).

De aanpak van regeldruk begint bij het voorkomen ervan. Daarom is met ingang van 2014 internetconsultatie het uitgangspunt bij nieuwe wet- en regelgeving met significante gevolgen voor bedrijven, burgers en professionals. Ook worden hierbij de antwoorden op de hoofdvragen van het Integraal Afwegingskader (IAK) en de beschikbare effectrapportages, zoals de Bedrijfseffectentoets (BET), voortaan gepubliceerd. Door deze maatregelen krijgen bedrijven, instellingen en burgers meer mogelijkheden om in een vroeg stadium met het kabinet mee te denken. Het kabinet zet daarnaast in op een kwantitatieve vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers & professionals van € 2,5 mld over de periode 2012–2017. Deze kwantitatieve doelstelling is een netto doelstelling: als het kabinet nieuwe regels invoert moeten eventuele hiermee gepaard gaande regeldrukkosten worden gecompenseerd met extra regeldrukverminderende maatregelen. In een aantal regeldichte domeinen (de topsectoren, de zorg, bouw en bankensector) geeft het kabinet een extra impuls aan merkbare regeldrukvermindering. Samen met het bedrijfsleven inventariseert het kabinet knelpunten die waar mogelijk worden opgelost. Het verminderen van toezichtlasten voor bedrijven is in de regeldrukaanpak ook een belangrijk onderdeel. Door betere inzet van ICT en het delen van kennis en informatie tussen inspecties probeert het kabinet de toezichtlasten bij goede nalevende bedrijven zo laag mogelijk te houden. Voor een merkbare vermindering van regeldruk is betrokkenheid van alle bestuurslagen van belang. Daarom werkt het kabinet samen met mede-overheden, zoals gemeenten en de Europese Commissie aan een verlaging van de regeldruk. Ook draagt het adviescollege Actal bij aan de kabinetsdoelstellingen door te adviseren aan het kabinet over de vermindering van regeldruk. Tenslotte draagt de inzet van ICT ook bij aan regeldrukvermindering. Digitalisering verbetert de overheidsdienstverlening en maakt het voor ondernemers eenvoudiger om te voldoen aan informatieverplichtingen van de overheid. Voorzieningen als het Ondernemingsdossier, Standard Business Reporting, regelhulpen, en ondernemersplein.nl dragen hieraan bij.

In de aansluitende tabel is de doelstelling en raming 2015 van de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld in kaart gebracht.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef- waarde

Planning

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

527,4

2013

€ 2,3 mld

€ 2,5 mld

2017

EZ

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EZ heeft voor de periode 2012–2015 een meerjarig contract met het NBTC Holland Marketing (Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen) afgesloten om het inkomend toerisme te bevorderen. EZ stelt in deze periode budget beschikbaar voor de internationale branding en marketing van Nederland en internationale congreswerving. Het budget zal worden ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen. Daarnaast wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum MVO Nederland en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen

Per 1 januari 2014 is de nieuwe Kamer van Koophandel (zelfstandig bestuursorgaan) formeel van start gegaan. Het transitieproces is in 2014 nog volop gaande en aan de nieuwe organisatie en de nieuwe wettelijke taken wordt in dit jaar nadere invulling gegeven. Zo zijn in de loop van het jaar de Centrale Raad en de regioraden benoemd; deze organen spelen een belangrijke rol bij de programmering van de activiteiten van de nieuwe Kamer van Koophandel. Ook is het digitale ondernemersplein begin 2014 officieel gelanceerd en zijn diverse publieke partijen als het UWV en het CBS als partner toegetreden. Daarnaast zijn de fysieke (regionale) Ondernemerspleinen van start gegaan.

Momenteel wordt gewerkt aan een prestatie dashboard aan de hand waarvan de prestaties van de nieuwe organisatie in de toekomst zullen worden gemeten. Onderdeel hiervan zullen in ieder geval klantwaardering en bereik van de verschillende wettelijke taken zijn. Verwachting is dat dit dashboard vanaf 2015 operationeel zal zijn. Daarmee wordt 2015 het eerste min of meer reguliere jaar voor de Kamer van Koophandel.

Bijdrage aan agentschappen

RVO

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangen van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). Verder is een aantal projecten in afrondende fase, zoals e-factureren.

Industrieel participatiebeleid

Het industrieel participatiebeleid (IP-beleid) is medio 2012 geïntroduceerd als opvolger van het compensatiebeleid. Het doel is om bij een gebrek aan een open en gelijke internationale defensiemarkt de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde bedrijven te ondersteunen bij het verkrijgen van een gelijkwaardige positie op de defensiemarkt om zo een bijdrage te leveren aan de overheidstaken op het gebied van veiligheid van Nederland; zowel direct als door deelname aan internationale samenwerking.

Het beleid is erop gericht om bij de aanschaf van defensiematerieel bij buitenlandse bedrijven door het Ministerie van Defensie de Nederlandse industrie en kennisinstellingen zo goed mogelijk te betrekken. De nadruk ligt daarbij op de prioritaire technologiegebieden die zijn geïdentificeerd in de Defensie Industrie Strategie (DIS) die in december 2013 aan de Tweede Kamer is gestuurd.

Het IP-beleid houdt in dat bij aanbestedingen van defensiematerieel per geval wordt bekeken of er industriële participatie zal worden geëist. De basis hiervoor is de DIS waarin de prioritaire technologiegebieden zijn vastgesteld. Indien IP wordt geëist, wordt van de leverancier een voorstel verlangd dat tot doel heeft bij te dragen aan het behoud van de betreffende capaciteiten van Nederlandse bedrijven, zodat deze Nederlandse bedrijven in staat worden gesteld een bijdrage te leveren aan de overheidstaken op het gebied van ten behoeve van het de bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid. De inhoud en omvang van de industriële participatie wordt per geval afgesproken. Op basis van de ervaring met het compensatiebeleid uit het verleden wordt verwacht dat de omvang gemiddeld circa 60% van de opdrachtwaarde zal zijn.

De komende periode is in de realisatie van overeenkomsten sprake van een overgangssituatie tussen de afwikkeling van het oude compensatiebeleid en het nieuwe IP-beleid. Bestaande compensatieovereenkomsten worden wel op de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden afgewikkeld.

De gerealiseerde invulling van compensatie zal de komende jaren afnemen. Dit is het gevolg van een aantal ontwikkelingen, waaronder de beperkte investeringen van het Ministerie van Defensie in de voorgaande jaren en de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet op Defensie -en Veiligheidsgebied. De streefwaarde zal dus naar beneden moeten worden bijgesteld. Op dit moment is nog onzeker op welk structureel niveau de streefwaarde kan worden gesteld. Voor 2015 is de streefwaarde € 350 mln.

De indicator «gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven besteed wordt als invulling van compensatie of IP-afspraken.

Indicator

Referentie- waarde

Peil- datum

Streef- waarde

Planning

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 419 mln

2013

€ 350 mln

2015

EZ

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering, de Groeifaciliteit en de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering. De laatste drie regelingen betreffen kostendekkende regelingen, waarvan de te realiseren premie-ontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties. De interne begrotingsreserves dienen om een eventuele mismatch in de tijd van inkomsten en uitgaven op te vangen. In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2013 weergegeven. In 2014 is besloten de reserve van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering neerwaarts bij te stellen tot € 10 mln. Het garantieplafond van deze regeling wordt namelijk met € 600 mln verlaagd naar € 400 mln, waardoor een lagere reserve volstaat. De hierdoor ontstane vrijval van € 15 mln wordt toegevoegd aan de begrotingsreserve BMKB (€ 10 mln) en de in te stellen begrotingsreserve voor de Groeifaciliteit (€ 5 mln).

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2013 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

€ 30.000

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

€ 64.621

Interne begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

€ 25.044

Totaal

€ 119.665

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Zelfstandigenaftrek

1.712

1.718

1.741

1.761

1.781

1.801

1.822

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

168

110

111

113

114

115

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

53

53

54

54

54

54

55

Meewerkaftrek

7

7

7

6

6

6

6

Stakingsaftrek

17

16

16

15

15

15

14

Doorschuiving stakingswinst

220

232

245

259

273

288

304

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

197

201

205

208

212

216

220

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

353

371

397

409

421

434

446

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

8

Willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen

57

           

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

7

5

3

3

2

1

0

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

272

276

280

284

288

293

297

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.370

1.386

1.404

1.421

1.438

1.456

1.474

BTW Kleine ondernemersregeling

129

136

143

150

159

167

176

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

13

16

16

16

17

17

17

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van de energie- en gaswet om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Daarnaast is de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen duurzame energie, energiebesparing en het gebruik van innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel duurzame energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).

  • Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

  • Het reguleren van de nucleaire veiligheid (waaronder vergunningverlening) en de beveiliging bij alle nucleaire installaties, de toepassing en het vervoer van radio-actief materiaal en het reguleren van een veilig en toekomstbestendig beheer van radio-actief afval in Nederland.

  • Het reguleren van een adequate bescherming van de samenleving tegen stralingsrisico's bij de toepassing en het vervoer van radio-actieve stoffen en bij de toepassing van radio-actieve bronnen.

  • Het voorbereid zijn op een nucleair of (stralings)incident en bij crises bijdragen aan de uitvoering van de nationale crisisbesluitvorming.

  • Het doen van metingen, berekeningen, monitoring en onderzoek naar straling ter onderbouwing van besluiten van het bevoegd gezag.

  • Het uitoefenen van toezicht op de nucleaire installaties en op alle andere bedrijven waar radio-actievestoffen en ioniserende straling worden toegepast.

  • Het uitoefenen van toezicht op het vervoer van splijtstoffen en radio-actieve materialen.

  • Het zorg dragen voor wet- en regelgeving die de ZBO ANVS realiseert.

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 – uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2015

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.263

2.456

2.338

2.276

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

81%

85%

83%

81%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.158

2.344

2.258

2.204

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

79%

83%

81%

79%

Daling/lager

Bron: ACM

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

34 min

23 min

27 min

23 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Beleidswijzigingen

  • Voor de vorming van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft de ministerraad op 24 januari 2014 besloten dat:

    • de Minister van EZ zorgt voor de benodigde wet- en regelgeving;

    • de Minister van I&M zorgt voor de vorming van de (tijdelijke) organisatie en;

    • de ANVS een ZBO wordt onder verantwoordelijkheid van I&M.

  • Gaswinning Groningen

    In januari 2013 heeft Staatstoezicht op de Mijnen advies uitgebracht over de relatie tussen aardbevingen en gasproductie uit het Groningenveld. De kern van het advies was dat uit recente studies is gebleken dat bij gelijkblijvende productie het aantal aardbevingen toe zal nemen en de sterkte er van ook, zodat de tot nu toe veronderstelde bovengrens van 3.9 Richter niet meer houdbaar is. Naar aanleiding van dit advies heeft de Minister van EZ 11 onderzoeken gelast, om op basis daarvan een onderbouwd besluit te kunnen nemen over de gaswinning in Groningen. Deze onderzoeken zijn in december 2013 afgerond. De uitkomsten van deze onderzoeken hebben de basis gevormd voor het Kabinetsbesluit van 17 januari 2014 over de gaswinning in Groningen (TK, 33 529 nr. 28 en 59).

  • Met de Wind op Zee tender zal in 2015 een start worden gemaakt.

  • Schaliegas. In 2014 is een milieuonderzoek gestart ten behoeve van de structuurvisie schaliegas. Deze structuurvisie schaliegas zal naar verwachting begin 2015 in ontwerp naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

  • In het energieakkoord voor duurzame groei is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln in 2014 tot structureel € 50 mln vanaf 2017.

Energieakkoord voor duurzame groei

Een substantieel deel van het energiebeleid is vastgesteld via het Energieakkoord. Met het Energieakkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening en krijgt de economie op korte termijn een stevige impuls. Partijen zetten zich in om de volgende doelen te realiseren:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;

  • 100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;

  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu 4%) naar 14% in 2020;

  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;

  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren;

  • Nederland in 2030 een top-10 positie op de mondiale CleanTech Ranking.

Een belangrijke factor voor een succesvolle borging van de energietransitie in de komende jaren is de consistentie in beleid dat vanuit de rijksoverheid en overige partijen wordt ingezet, ook bij uitvoering en bijsturing. Daarvoor is een borgingscommissie met de deelnemende partijen opgezet. Uitgangspunten voor adequate borging van afspraken zijn: partijen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de succesvolle uitvoering, de uitwerking van het akkoord en het borgen van de doelstellingen. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor de uitwerking, implementatie, uitvoering en evaluatie van de in het akkoord benoemde beleidsmaatregelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

3.397.213

4.104.428

3.960.853

364.160

361.709

345.175

345.180

Waarvan garantieverplichtingen

47.342

62.500

62.400

       

UITGAVEN

1.251.807

1.509.417

1.619.026

1.833.256

1.965.105

2.228.005

2.810.679

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

83%

       
               

Subsidies

1.030.692

1.274.562

1.410.701

1.641.860

1.756.666

2.025.164

2.607.833

Topsectoren Energie

30.282

44.451

67.993

57.409

55.606

46.406

41.406

Energie-innovatie (IA)

36.766

19.749

7.872

2.370

2.361

2.361

2.361

Green Deal

1.889

20.544

750

18.751

     

Energieakkoord

 

29.205

35.464

54.289

59.289

50.000

50.000

MEP

505.321

447.950

380.000

288.000

200.700

62.000

54.000

SDE

141.935

400.540

524.488

667.475

682.357

700.831

703.000

SDE+

27.198

171.060

280.261

455.540

660.500

1.066.500

1.660.000

Interne begrotingsreserve duurzame energie

225.007

           

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

 

77.000

77.000

77.000

77.000

77.000

77.000

CCS

5.015

38.047

19.557

8.915

7.242

8.955

8.955

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

8.111

8.111

8.111

8.111

Aanschafsubsidie zonnepanelen

29.632

           

Elektrisch rijden

2.535

2.210

1.120

       

Caribisch Nederland

3.161

14.512

7.000

4.000

3.500

3.000

3.000

Overige subsidies

14.701

2.044

1.946

       
               

Garanties

526

8.700

1.000

       

Geothermie

526

8.700

1.000

       
               

Opdrachten

33.861

29.259

24.528

20.182

11.339

7.307

7.307

O&O bodembeheer

2.497

6.436

766

766

766

766

766

Joint implementation

12.148

1.343

1.300

       

Straling

9.726

9.057

6.060

4.874

4.313

4.225

4.225

Pallas

1.001

9.000

13.500

12.000

4.000

   

Onderzoek en opdrachten

8.489

3.423

2.902

2.542

2.260

2.316

2.316

               

Bijdragen aan agentschappen

45.589

50.029

44.963

34.018

32.237

30.771

30.776

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

38.680

45.036

39.557

29.182

27.477

26.083

26.088

Dienst Landelijk Gebied

   

500

       

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

698

694

680

677

671

668

668

Kern Fysische Dienst

6.211

3.298

3.226

3.159

3.089

3.020

3.020

KNMI

 

1.001

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

103.039

114.309

113.113

113.113

113.113

113.113

113.113

Doorsluis COVA heffing

100.947

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO AGE

2.092

3.309

2.113

2.113

2.113

2.113

2.113

               

Bijdragen aan mede-overheden

       

28.000

28.000

28.000

Uitkoop

       

28.000

28.000

28.000

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

38.100

32.558

24.721

24.083

23.750

23.650

23.650

ECN/NRG

37.757

31.896

23.949

23.110

22.723

22.623

22.623

Diverse instituten

343

662

772

973

1.027

1.027

1.027

               

ONTVANGSTEN

13.547.739

11.069.328

9.535.411

9.509.411

9.343.411

9.536.761

10.042.761

COVA

100.947

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

SDE+

97.363

200.000

320.000

494.000

678.000

1.074.000

1.730.000

Aardgasbaten

13.342.665

10.750.000

9.100.000

8.900.000

8.550.000

8.350.000

8.200.000

Ontvangsten zoutwinning

2.373

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

Diverse ontvangsten

4.391

6.567

2.650

2.650

2.650

   

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 90% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012, 2013 en 2014 zijn aangegaan op de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 60% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation, Pallas en kernenergie.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2015 aan RVO, DLG, RIVM, Kernfysische Dienst en de NVWA en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 70% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De topsector energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. De focus ligt daarbij op bio-energie, energiebesparing in industrie en gebouwde omgeving, gas, intelligente netten, wind op zee en zonne-energie. De gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda van bedrijven en kennisinstellingen, verwoord in de in april 2012 afgesloten innovatiecontracten, waarborgt aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI ’s) voeren deze agenda uit. EZ stimuleert en ondersteunt de topsector energie met reguliere innovatiemiddelen en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+ middelen.

Het Topteam energie stuurt het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI's bij aan de hand van een periodieke review daarvan in 2014. De in 2014 gestarte inzet op het thema systeemintegratie, dat zich richt op inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem, wordt gecontinueerd. Daarbij is er aandacht voor cross-overs tussen elektriciteit, gas en warmte.

Energie-Innovatie (Innovatie Agenda Energie)

Dit betreft de uitfinanciering van een groot aantal specifieke innovatieprogramma’s die in de periode 2008–2011 zijn opgestart met een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De Innovatie Agenda is inmiddels vervangen door de topsector energie.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2015

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet)

Bron: CBS

2,4%

n.v.t.

n.n.b.

n.v.t.

n.n.b.

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI1

Bron: RvO

n.v.t.

n.v.t.

301

486

n.n.b.

600

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie2

Bron: RvO

6,8%

7,4%

7,0%

6,8%

n.n.b.

7,0%

Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2011 en 2013 zijn daardoor geen investeringen beschikbaar.

X Noot
1

In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor zijn er geen gegevens beschikbaar voor de jaren 2009

tot en met 2011.

X Noot
2

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2013 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met februari 2014. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 6,8%. Dit is nog steeds ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%.

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootgebruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglek risico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is vanaf 2014 jaarlijks een bedrag beschikbaar van € 77 mln op de EZ begroting.

Green Deal

De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energie deals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing tot elektrisch vervoer. Aangezien het initiatieven uit de samenleving zijn, is er op voorhand geen inzicht mogelijk in welk type energiedeals er in 2015 zullen worden afgesloten. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een aantal deals zal eind 2014 worden afgesloten. Sinds 2011 zijn er 52 Green Deals afgesloten op het terrein van energie. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)/ Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. De MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind-, zon- en waterkracht en biomassa. Producenten hebben hiervoor tot 18 augustus 2006 een subsidieaanvraag in kunnen dienen. Projecten met MEP-beschikkingen ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van 10 jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De regeling SDE is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie) vergoedt voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit en is daarmee breder dan de MEP. In 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+).

Duurzame energieproductie/SDE+

Dit kabinet zet in op een kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energie. Hiervoor is een grote inspanning vereist. De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosten effectieve wijze te vergroten. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie, de zogenaamde onrendabele top. De kosteneffectiviteit wordt bereikt door concurrentie tussen verschillende vormen van duurzame energie en door goedkopere projecten voorrang te verlenen bij het verkrijgen van subsidie. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. In de begroting 2015 is vooralsnog uitgegaan van een bedrag van € 3,5 mld aan te gane verplichtingen (exclusief het bedrag voor «wind op zee» dat in 2015 zal worden opengesteld). Dit is een inschatting van het bedrag dat als beschikbaar budget 2015 voor de SDE+ toezegging gepubliceerd zal worden. In het najaar van 2014 zal de Tweede Kamer nader geïnformeerd worden over het precieze bedrag dat voor 2015 beschikbaar is.

Per 1 januari 2015 treedt de gewijzigde algemene maatregel van bestuur (AMvB) SDE+ in werking. Daarin zijn verschillende maatregelen uit het Energieakkoord meegenomen. De AMvB is onder meer aangepast om tenders wind op zee goed te faciliteren en om het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales te faciliteren conform het Energieakkoord.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef-waarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2012

16%

2023

CBS

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid heeft het initiatief genomen voor een lange termijn visie over CCS, die naar verwachting eind 2014 gereed is. De relevante acties uit deze visie CCS zullen in 2015 in gang worden gezet.

De rijksoverheid heeft reeds eerder toegezegd € 150 mln aan cofinanciering bij te dragen aan het grootschalige CCS demonstratieproject ROAD. Het gaat hierbij om het afvangen van CO2 bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte die vervolgens 20 km buiten de kust in een leeg gasveld wordt opgeslagen. In de tweede helft van 2014 zal er door de initiatiefnemers een definitief investeringsbesluit worden genomen.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma's. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma 2012–2015 van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Elektrisch rijden

Het project Elektrisch Rijden is onderdeel van het Energieakkoord voor duurzame groei. De Transportbrandstoffenmixvisie die in 2014 als onderdeel van dit akkoord ontwikkeld wordt, biedt het kader voor Elektrisch vervoerbeleid. De focus van beleid verschuift verder van uitrol naar vergroten en verzilveren van verdienpotentieel (duurzame groei), vooral door gebruik te maken van bestaande beleids- en ondersteuningsinstrumenten. De verbinding met het energiesysteem wordt versterkt, door meer aandacht voor laadsturing en opslag van momentane overproductie van elektriciteit. Nederland probeert haar positie in de kopgroep van de uitrol van voertuigen en laadinfrastructuur te behouden en zich te blijven profileren als een interessante plek om innovaties te testen en te demonstreren. Dit vereist gunstige randvoorwaarden.

Caribisch Nederland

Het budget is met name bestemd ter ondersteuning van de elektriciteitstarieven op de BES-eilanden (€ 5 mln). Momenteel ligt de Wet drinkwater en elektriciteit BES bij de Raad van State. EZ betaalt al subsidie aan energietarieven op de BES-eilanden. Het wetsvoorstel moet half 2015 in werking treden. De subsidie wordt in principe in 10 jaar afgebouwd naar nul. Het overige deel van het budget is bestemd ter financiering van in het verleden aangegane verplichtingen.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Geothermie

Geothermie of aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van geothermie is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is momenteel een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling Geothermie heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen. In 2014 en 2015 zal de garantieregeling opnieuw worden opengesteld. In 2015 zal worden bezien of, afhankelijk van de marktontwikkelingen, openstelling vanaf 2016 nog wenselijk is.

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodem beweging (Tcbb) en diverse opdrachten in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO).

Joint Implementation

CO2-reductie wordt ingevuld via aankoop van onder andere Joint Implementation (JI)-rechten in het buitenland. De kern van JI is dat landen met reductieverplichtingen deze in andere landen kunnen realiseren. De oorspronkelijke doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Over de periode 2008–2011 is inmiddels 17 Mton gerealiseerd en geleverd via JI en gegroende Assigend Amount Units. De oorspronkelijke doelstelling is verlaagd omdat verwacht werd dat ook zonder JI aankopen de Kyoto doelstelling zou worden gehaald. De uiterlijke termijn voor levering van emissierechten gegenereerd tijdens de Kyoto periode is 2015. Uit in het najaar van 2013 gepubliceerde cijfers blijkt dat Nederland haar Kyotodoelstelling heeft gehaald.

Stralingsbescherming en Nucleaire Veiligheid

Bij de beoordeling van nucleaire inrichtingen en bij de toepassing van ioniserende straling, het vervoer en beveiliging van radio-actief materiaal en het beheer en de verwijdering van radio-actief afval heeft veiligheid (i.c. safety en security) de hoogste prioriteit. Ook de beoordeling van de vergunningaanvragen voor de nieuwe onderzoeksreactor Pallas en de onderzoeksreactor Oyster gebeurt op basis van actuele veiligheidseisen en regelgeving. De Nederlandse veiligheidseisen voor nieuwe kernreactoren zijn gebaseerd op de meest recente internationale richtlijnen en worden in 2015 vastgelegd in een ministeriële regeling.

De voorbereiding op eventuele nucleaire ongevallen wordt aangepast, zodat die internationaal beter geharmoniseerd is. Op grond van de Europese richtlijn 2011/70/Euratom is Nederland verplicht een nationaal programma over het beleid voor radio-actief afval en verbruikte splijtstof te maken. Aan dit programma wordt verder gewerkt opdat het in augustus 2015 aan de Europese Commissie kan worden voorgelegd.

Begin 2014 heeft de ministerraad besloten de Minister van EZ het voortouw te geven om de wetgeving voor te bereiden die nodig is om de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) te vormen. Een wijzigingswetsvoorstel, een -AMvB en een -ministeriële regeling worden in de eerste helft 2015 in procedure gebracht. In dit traject wijzigt de kernenergiewetgeving in beperkte mate. De volledige herziening van de Kernenergiewet geschiedt daarom later.

Op grond van Europese richtlijnen moet elke EU-lidstaat ten minste om de tien jaar een zelfevaluatie uitvoeren en een internationale audit laten uitvoeren van de nationale nucleaire wet- en regelgeving en van de bevoegde regelgevende autoriteit. In november 2014 zal het Internationaal Atoomenergieagentschap deze zelfevaluatie en audit uitvoeren tijdens een «Integrated Regulatory Review Service (IRRS)». Op basis van het self assessment en de aanbevelingen en suggesties van het review team zullen verbeteringen worden doorgevoerd om de ANVS nog beter te laten voldoen aan de geldende internationale eisen. Ook zullen de nieuwe EU-richtlijnen over stralingsbescherming en nucleaire veiligheid worden geïmplementeerd.

Pallas

Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage in de periode 2013–2017 is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor is in 2013 de onafhankelijke Stichting Voorbereiding Pallas-reactor opgericht. In 2015 verwacht de stichting het ontwerp van de onderzoeksreactor aan te besteden, een start te maken met het aanvragen van de nodige vergunningen en de strategie voor het verwerven van de benodigde financiering uit te werken op basis van een geactualiseerde business case. De bouw en exploitatie van de reactor moet volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Daarbij geldt dat de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten – veelal met een looptijd van minder dan één jaar – die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012. De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

Per 1 april 2013 is de Wva 2012 van kracht geworden en in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 is een verhoging van de voorraadheffing doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd.

TNO Adviesgroep Economische Zaken

Dit betreft een bijdrage aan TNO voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan mede-overheden

Uitkoopregeling

Woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 geld beschikbaar voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten besluiten tot het verwijderen van de woonfunctie. De regeling heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research Group (NRG)

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van ECN is vraaggestuurd en wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Het gaat hier om € 17 mln van de € 23,9 mln die voor ECN bestemd is. Daarnaast ondersteunt de kennisbasis en onafhankelijke positie van ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor de Nuclear Research Group (NRG) betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radio-actief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

In de Visie op het toegepaste onderzoek is aangegeven dat het kabinet de TO2-instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe vindt in 2015 een eerste evaluatie plaats. De begrippen klanttevredenheid en kennisbenutting en de wijze waarop die 2014 op uniforme wijze worden gemeten, zullen hier ook deel van uitmaken.

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum en het Nederlands Polair Programma. Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

Nederland heeft aangeboden begin 2015 in Den Haag een ad hoc high level Energiehandvestconferentie te organiseren met het doel om daar een hernieuwde Energiehandvestverklaring vast te stellen. In april 2014 zijn, buiten de ondertekenaars van het Energiehandvest uit «91, meer dan 20 nieuwe landen tot de onderhandelingen over deze politieke verklaring toegetreden.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

De uitgaven van de SDE + subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze opslag is in 2013 ingevoerd

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2014 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro Economische Verkenning (concept-MEV). De volgende variabelen zijn hierbij relevant:

Verwachting 2014–2015
 

2014

2015

Productie aardgas totaal

Bron: TNO

68 mld m3

65 mld m3

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,36

1,35

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

108

107

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22

24

Kengetallen

2010

2011

2012

2013

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

32 mld m3

29 mld m3

28 mld m3

27 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

12

18

16

9

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

35

39

19

18

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

86 mld m3

79 mld m3

78 mld m3

85 mld m3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,33

1,39

1,28

1,33

6. Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

79,5

111,3

111,7

108,7

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

15,8

22,9

24,0

26,0

  • 1 t/m 4 In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1,3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5 t/m 7 De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Interne begrotingsreserves

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2013 (x € 1.000)