Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432627 nr. 14

32 627 Glastuinbouw

Nr. 14 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 oktober 2013

In mijn brief van 8 januari jl. aan uw Kamer (Kamerstuk 32 627, nr. 10) heb ik aangekondigd met een visie te komen op de tuinbouwsector en daarbij in te gaan op de moties De Mos (Kamerstuk 33 000, XIII nr. 122) en Koopmans (Kamerstuk 21 501-31, nr. 620) die om aandacht vragen voor de herstructurering van de glastuinbouw. Deze brief, die tot stand is gekomen na consultatie van het bedrijfsleven, gaat hierop in en tevens op uw verzoek om reactie op het artikel «Rabobank: kansen vernieuwing glas».

Wereldspeler

De topsector Tuinbouw en Uitgangsmateriaal is in meer dan één opzicht een wereldspeler. Het is een brede sector die diverse producten voortbrengt, zoals zaden en pootaardappelen, groente en fruit, bloemen en planten, bloembollen en boomkwekerijproducten. Zowel wat betreft productietechniek als uit oogpunt van werkgelegenheid, inkomen en export bevindt de sector zich internationaal in de voorhoede. Binnen de land- en tuinbouw, die al vele jaren achter de Verenigde Staten de tweede plaats inneemt van agrarische exporteurs in de wereld, is het belang van de tuinbouw gestaag gegroeid. Voor bloemen, bloembollen en uitgangsmateriaal is Nederland wereldleider.

Van de gehele productie van land- en tuinbouw wordt circa tweederde geëxporteerd. Voor belangrijke producten van sierteelt, groenteteelt en de sector uitgangsmaterialen ligt dit aandeel nog hoger. In 2012 realiseerde de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen volgens het LEI een exportwaarde van bijna 20 miljard euro. Behalve primaire producten als snijbloemen, groenten, bloembollen en uitgangsmateriaal exporteert de sector ook diensten, technische systemen en kennis over de hele wereld.

In het afgelopen decennium nam de tuinbouwsector elk jaar rond de 40% van de totale agrarische omzet1 voor zijn rekening. In 2012 werkten ruim 400.000 personen in de totale tuinbouwketen, samen goed voor circa 230.000 fte’s.

De topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen levert een bijdrage aan duurzame oplossingen voor wereldproblematiek op het gebied van voedselzekerheid en veiligheid, water, energie, gezondheid en welbevinden in en door een groene leefomgeving. De sector staat wereldwijd bekend om haar hoogwaardige kennis en innovatiekracht en heeft een traditie in publiek-private samenwerking om tot die innovaties te komen. Gunstig voor die innovatiekracht en voor de toekomstige perspectieven is het bestaan van regionale greenports zoals Aalsmeer, Duin- en Bollenstreek, Boskoop en ook Westland-Oostland, Venlo en Noord-Holland Noord. Die maken een snelle kennisuitwisseling- en verspreiding mogelijk alsmede efficiënt vervoer dankzij de omringende goede infrastructuur (Rotterdam haven, Schiphol Airport en knooppunten van snelwegen, spoor- en vaarwegen naar Europa). Belangrijk is ook de nabijheid van een toegankelijke kennisinfrastructuur van hoge kwaliteit en de samenwerking met Wageningen UR.

Het onderlinge samenspel van productie, handel, toelevering, veredeling en onderzoek in de waardeketen kenmerkt de tuinbouwsector waar Nederland internationaal om bekend staat. Stagnatie van ontwikkelingen en innovaties in de afzonderlijke schakels van die keten zal volgens de commissie Nijkamp2 uitstralen naar het complex als geheel en de vitaliteit van het complex in gevaar brengen.

De primaire productie vormt volgens het LEI3 niet alleen een drijvende kracht achter andere bedrijvigheid, maar vervult die functie ook voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. Uit de noodzaak om te werken aan thema’s als arbeid en duurzame energie komen innovaties voort. Bedreigingen worden omgezet in kansen.

Met onder andere de topsectoren Chemie, Life sciences en Logistiek zijn er cross-overs. Daardoor draagt de sector bij aan maatschappelijke thema’s als biobased economy, gezondheid en efficiënte logistiek. Met recht is de sector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen daarom één van de topsectoren van onze economie.

Maatschappelijke opgaven

Ondanks de economische prestaties van wereldformaat staat de topsector voor een aantal maatschappelijke opgaven die richtinggevend zijn voor de komende decennia. Verdere inspanningen op het gebied van duurzaamheid zijn een vereiste voor de license to produce van de tuinbouw in ons eigen land. De consument, de retail en maatschappelijke organisaties in binnen- en buitenland stellen steeds hogere eisen aan producten. Ook internationale milieu- en klimaatdoelstellingen vragen om verdergaande inspanningen. De glastuinbouw is sterk gebleken in het verbeteren van de energie-efficiency, maar de toenemende schaarste aan fossiele grondstoffen vereist ook een omschakeling naar meer duurzame bronnen.

Duurzaamheid is een dynamisch begrip en verduurzaming een continu proces, dat de sector steeds opnieuw voor grote uitdagingen stelt.

Bovendien is een aantal gestelde doelen en ambities nog niet gehaald, ondanks de geleverde inspanningen. Voor de komende jaren liggen er daarom nog steeds flinke opgaven waarvoor kleinere en grotere (systeem)innovaties noodzakelijk zijn, om mondiaal koploper te blijven.

Om koploper te blijven en investeringen te kunnen blijven doen in duurzaamheid en innovaties zijn ook andere verdienmodellen nodig. Vooral in de groenteteelt is de afzet gefragmenteerd en op Europa gericht, terwijl groeiende markten juist daarbuiten te vinden zijn4. Daarbij is de huidige marktpositie van de sector vooral gebaseerd op het «traditionele» verdienmodel, namelijk het produceren en verkopen van grote hoeveelheden producten van goede en constante kwaliteit tegen lage kosten met een goede logistieke dienstverlening. Dit model heeft de sector gedurende vele jaren belangrijke diensten bewezen, maar onder de huidige omstandigheden komt het onder druk te staan.

Perspectief

Wanneer de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen kans ziet om aan de hiervoor geschetste maatschappelijke opgaven te voldoen, kan de sector niet alleen zijn eigen sterke internationale positie consolideren en uitbouwen, maar ook belangrijke nieuwe werkgelegenheid en export creëren. Een meer gedifferentieerde benadering van de markt voor groenten, fruit en sierteelt zal de sector in de positie brengen om verder in te spelen op de maatschappelijke trends naar gezonde voeding en welbevinden. Met haar kennis over duurzame techniek en uitgangsmateriaal kan de tuinbouwsector bovendien mondiaal bijdragen aan de groei van de agrarische productie in ontwikkelingslanden, dus aan het wereldvoedselvraagstuk.

Bedrijfsleven en overheid staan voor de gezamenlijke opgave om de positie van de tuinbouw als wereldmarktleider te behouden en te versterken door samenwerkende tuinbouwketens tot stand te brengen die nationaal en internationaal toonaangevend zijn in duurzaamheid. Hiermee sluit ik aan bij het rapport «Bron voor groene economie» (2011) van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Uitwerking

Om dit perspectief te bereiken zie ik drie opgaven die in het volgende verder worden uitgewerkt:

  • 1. Een verdergaande internationalisering en samenwerkende waardeketens

  • 2. Een verdere verduurzaming van de productieketens

  • 3. Een ruimtelijke herstructurering van de glastuinbouw

Opgave 1. Internationalisering en samenwerkende waardeketens

a. Internationalisering

De thuismarkt blijft van belang en biedt ook nieuwe kansen. Daarnaast is in het licht van de toenemende internationale concurrentie verdergaande internationalisering van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen van groot belang om haar rol als wereldspeler in de toekomst te behouden en te versterken. Behalve de veredeling, de bloembollensector en de technische toeleveringsbedrijven is het Nederlandse tuinbouwcluster sterk gericht op de Europese markt. Consolidatie en versterking van de afzet op de Europese markt blijft van groot belang, naast het verder gaan op de ingezette weg tot verdere verbreding naar markten buiten Europa.

De topsector Tuinbouw en Uitgangsmateriaal heeft haar sterke internationale oriëntatie uitgewerkt in een «internationaliseringsoffensief». De brede visie op internationalisering die hierin beschreven wordt, namelijk dat internationalisering meer is dan enkel exporteren, onderschijf ik van harte. Het realiseren van markttoegang is en blijft een cruciaal onderwerp voor het internationaal actieve bedrijfsleven zelf, net als het leveren van «schone» producten.

Voor tuinbouw en uitgangsmateriaal is op internationaal gebied het fytosanitair terrein van groot belang. De laatste jaren is te zien dat steeds meer en ingewikkelder (import)belemmeringen worden opgeworpen. In Nederland en ontvangende landen kunnen veranderingen in de gezondheidsstatus van planten de Nederlandse exportmogelijkheden beïnvloeden. Bestemmingslanden kunnen hun eisen of procedures veranderen waardoor een markt moeilijk of niet toegankelijk wordt. Nederland hecht blijvend groot belang aan het voorkomen of wegnemen van onnodige handelsverstoringen in Europa en daarbuiten, als gevolg van fytosanitaire problematiek.

Acties

  • De topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen ontwikkelt momenteel haar eigen internationale agenda. Het Ministerie van EZ ondersteunt dit internationaliseringsoffensief actief, onder meer door deuren te openen in landen waar de overheid nog een grote rol heeft in de economie, door problemen bij de toegang tot de markt proactief aan te pakken en door publiek-private partnerschappen te stimuleren. Zo heeft eerder dit jaar een identificatiemissie naar Vietnam plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Er ligt een duidelijke vraag in Vietnam en veel andere ontwikkelingslanden en opkomende economieën naar kennis en toepassingsmogelijkheden om de productie en ketenefficiëntie te verbeteren. Deze vraag wordt momenteel verder geïnventariseerd en geconcretiseerd. Dat zal leiden tot nieuwe identificatiemissies, samen met de met de topsector Agri&Food, naar andere kansrijke landen.

    Met het inzetten van onze kennis en ervaring over de grens kunnen we bijvoorbeeld bijdragen aan efficiëntere productie, het beter benutten van reststromen en het beperken van na-oogst verliezen.

    Met het instellen van een strategisch aanspreek- en ondersteuningspunt «Agro business development unit» zal ik specifieke internationaliseringsinitiatieven beter en intensiever ondersteunen, aansluitend bij het «ínternationaliseringsoffensief» van de Topsector.

  • Daarnaast heeft het Ministerie van EZ de afgelopen jaren haar inzet geïntensiveerd voor het krijgen en houden van markttoegang bij derde landen voor plantaardige producten, inclusief uitgangsmateriaal. In alle werelddelen wordt met dit doel gesproken met derde landen. Hierdoor is bij voorbeeld in Vietnam toegang verkregen voor bollen en uitgangsmateriaal, in Kenia voor aardappelen en in de VS voor potplanten. Voorbeelden van landen waarmee we intensieve relaties onderhouden, waarmee fytosanitaire protocollen zijn ondertekend of waar samenwerkingsverbanden mee bestaan zijn China, de Russische Federatie, Indonesië, de VS en Brazilië. In een aantal van deze landen werken we samen met de autoriteiten aan capaciteitsopbouw. Waar nodig wordt intensief met de Europese Commissie samengewerkt, mede in verband met de regels van het WTO SPS (Sanitary and PhytoSanitary)verdrag.

b. Samenwerkende waardeketens

Mondiaal groeit de welvaart. Daardoor zal de vraag naar producten van hoge kwaliteit toenemen, maar ook de aandacht voor gezonde voeding en een gezonde groene leefomgeving. Dit biedt kansen voor nieuwe, onderscheidende en hoogwaardige producten en nieuwe samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn er ook kansen voor tuinbouwproducten (en restproducten) met bestanddelen die bijdragen aan de biobased economy, waarvoor samenwerking nodig is met bijvoorbeeld niet-traditionele partners in chemie en life sciences.

De realisatie van samenwerkende waardeketens in de tuinbouw wordt door de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen als speerpunt voor de toekomst genoemd. Ik ondersteun de ambitie van het Topteam om 20% (momenteel ca. 1 miljoen euro) van de publieke middelen voor kennis- en innovatie op dit thema in te zetten.

Acties

Het realiseren van samenwerkende waardeketens is in de eerste plaats een opgave voor het bedrijfsleven zelf. De laatste jaren zijn er diverse interessante voorbeelden van nieuwe marktinitiatieven en verdienmodellen te zien geweest. Het bedrijfsleven noemt als voorbeelden van zulke nieuwe producten Honingtomaat, Air So Pure planten en snoeppaprika’s (Vitapep). Dergelijke initiatieven juich ik toe, en ik daag de tuinbouw uit om bredere samenwerking in de keten tot stand te brengen, bij voorkeur met de retail en maatschappelijke organisaties.

  • Producenten- en brancheorganisaties in nieuwe GLB

    De samenwerking in de keten wil ik stimuleren via de mogelijkheden voor de vorming van producenten- en brancheorganisaties die in het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn opgenomen. Zo kunnen primaire producenten hun marktmacht versterken en onder bepaalde voorwaarden regels vaststellen die algemeen verbindend verklaard kunnen worden.

  • Ruimte binnen mededingingsregels

    In de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie (Kamerstuk 31 532, nr. 118 van 11 juli 2013) ben ik ingegaan op de ruimte die de mededingingsregels bieden voor afspraken tussen marktpartijen om initiatieven op het gebied van duurzaamheid te realiseren. Bij die brief werden ook concept-beleidsregels gevoegd waarmee de Autoriteit Consument en Markt (ACM) mededingingsbeperkende afspraken in het licht van verduurzaming zal gaan beoordelen. Na afloop van de consultatieperiode en na een toets door de ACM van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid zal de Minister van Economische Zaken de beleidsregels naar verwachting later dit najaar vaststellen.

  • Ketenborging

    Om beter aan de markt te beantwoorden zijn ketenkwaliteitssystemen nodig die kwaliteit, duurzaamheid en veiligheid borgen en die informatie opleveren aansluitend op de behoefte van de consument. Naar aanleiding van de EHEC-crisis van 2011 zijn enkele verkennende projecten begonnen om sectorbrede, sluitende tracking and tracing systemen tot stand te brengen.

    Uit een gezamenlijk traject met het bedrijfsleven naar de verbeteringsmogelijkheden, is geconstateerd dat ketenborging meer is dan tracking and tracing. Bij die borging is er ook aandacht voor de ketenstructuur en hoe die helpt om risico’s uit te sluiten, en voor de veiligheidscultuur in een organisatie en de mate waarin van incidenten wordt geleerd zodat deze in de toekomst kunnen worden voorkomen.

    Op basis van dit onderzoek heb ik het initiatief genomen om met het bedrijfsleven een pilot Ketenborging te starten. In die pilot is een aantal incidenten gesimuleerd om als «showcase» te kunnen dienen. Zo kan aan andere bedrijven en partijen worden getoond hoe ketenborging in de tuinbouw werkt. Deze bedrijven en partijen kunnen op die manier leren van bedrijven in andere sectoren die hierop hoog scoren. Het is nu aan het bedrijfsleven om te zorgen voor de structurele verankering hiervan in de keten.

  • Aanscherping GMO beleid

    Dit najaar komt de Europese Commissie met voorstellen om de GMO (Gemeenschappelijke marktordening) Groenten en Fruit aan te passen. Dit biedt voor Nederland kansen. Ik zal mij bij de Europese Commissie inspannen om de GMO beter te laten aansluiten bij de Noord-Europese markt voor wat betreft innovatie, internationale samenwerking en marketing van producten.

    De Nederlandse groente- en fruitsector telt 16 producentenorganisaties en één unie van producentenorganisaties. Het LEI constateert in een tweetal publicaties5 dat deze organisaties de GMO-middelen, jaarlijks circa 80 miljoen euro vanuit de Europese Unie, vooral investeren in technische vernieuwing en weinig in productvernieuwing en marktontwikkeling. Ik zie echter vooral perspectief voor dat laatste en voor verduurzaming en marketing. Ik overleg met de sector over de vraag hoe we de beschikbare GMO-middelen beter en effectiever voor deze doelen kunnen gebruiken, zodat sterkere producentenorganisaties ontstaan. Een aandachtspunt daarbij is de ondergrens voor het oprichten van een producentenorganisatie. Naleven van de regels blijf ik van groot belang vinden.

  • Programma keteninnovatie

    Ondernemers nemen het initiatief voor innovaties en voeren ze ook uit. Naast onderzoek zijn ook het ondersteunen van het samenwerkingsproces tussen verschillende schakerls in de keten en het ontwikkelen van vaardigheden en competenties belangrijk om tot succesvolle keteninnovaties te komen.

    Om zulke innovaties extra te bevorderen stel ik 1 miljoen euro beschikbaar voor een Programma Keteninnovatie (bovenop de Topsector) dat nieuwe ketenprocessen op gang brengt om innovaties een kans te geven. Het programma omvat zowel middelen voor het aanjagen van processen als voor het ontwikkelen van competenties van ondernemers en voor het beantwoorden van concrete kennisvragen rond markten en marktvernieuwingen. Deze vragen kunnen betrekking hebben op duurzaamheid en op gezond en veilig voedsel en een gezonde leefomgeving. Syntens zal, gelet op de goede ervaringen met hun ondernemers- en ketengerichte aanpak, het programma uitvoeren en daarbij samenwerken met onderzoeksinstellingen en het groene onderwijs.

  • Onderwijs en innovatie

    Modernisering en schaalvergroting zorgen ervoor dat meer en andere eisen worden gesteld aan de kwaliteiten van het personeel. Ik ondersteun de Human Capital Agenda van het Topteam, die zich hiermee bezig houdt.

    Met het Groen Onderwijs wil ik tegemoet komen aan de wensen van het bedrijfsleven voor het beroepsonderwijs. De samenwerking tussen het bedrijfsleven en het Groen Onderwijs versterkt de uitvoering van de agenda van de topsector voor zowel human capital als verduurzaming en innovatie. Ik zie kansen voor een brugfunctie van het Groen Onderwijs als kenniscentrum naar het regionale bedrijfsleven.

    Daarom steun ik regionale clustervorming en initiatieven zoals de ontwikkeling van de HBO Centres of Expertise Greenports en Open Teelten, het MBO Centrum voor Innovatief Vakmanschap Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Greenport Horticampus in het Westland en een nieuwe vestiging van de Hogeschool HAS in Venlo. Daarbij hecht ik extra belang aan het bevorderen van marktgericht produceren en internationaal ondernemen.

    In het kader van goed werkgeverschap zijn initiatieven voor verdere certificering van arbeid in de sector van belang. Naast internationale labels als Global Gap Grasp en MPS Socially Qualified, is er recent een Nederlands initiatief gestart, genaamd Fair Produce. Ik ondersteun initiatieven van het bedrijfsleven, die dienen om verder te komen met certificering op het gebied van arbeid in de champignonsector en in de tuinbouw als geheel.

Opgave 2. Verdere verduurzaming van de productieketens

a. Verduurzaming en innovatie

De Nederlandse tuinbouw heeft op het gebied van verduurzaming al veel bereikt. Het terugdringen van de milieubelasting door nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen op het oppervlaktewater is daar een voorbeeld van. Ik heb daar grote waardering voor. Er zijn echter nog steeds opgaven te vervullen, zoals het verder terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten in de open grond. Het ontwikkelen van uitgangsmateriaal dat nog resistenter is tegen ziekten en plagen en nog minder inputs nodig heeft voor hoge opbrengsten vormt mede de basis voor verduurzaming van de plantaardige productie in Nederland en wereldwijd.

De uitdaging voor de sector is om de inspanningen voor duurzaamheid zo veel mogelijk beloond te krijgen door deze als extra kwaliteitskenmerk te presenteren in onderscheidende marktsegmenten. Hiervoor lijken zich mogelijkheden voor te doen, zo blijkt uit een aantal pilotprojecten die ik heb ondersteund via het (voormalig) Platform Verduurzaming Voedselsystemen met ketenpartijen.

Acties

  • Garantieregeling Marktintroductie Innovaties

    Systeeminnovaties zijn nodig om ook op langere termijn te verduurzamen volgens het principe «meer met minder», zoals in de agenda van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen is genoemd. Het op de markt brengen van innovatieve producten en systemen wordt vaak gehinderd door de problematiek van de «valley of death»: tussen onderzoeksresultaat en marktintroductie ontbreekt durfkapitaal. Het is het dus zinvol om eerste toepassingen op bedrijven een zetje te geven.

    Daarom zet ik, in het kader van het nieuwe GLB, in op de openstelling van een nieuwe garantieregeling voor investeringen in de marktintroductie van innovatieve duurzaamheidsproducten en systemen, naast de reeds bestaande Garantstelling Landbouw. Met zo’n garantstelling worden voorlopers gesteund bij investeringen in systeeminnovaties en komt er meer vaart in de verspreiding van maatschappelijk gewenste verduurzaming. Dat is goed voor het behoud van de koppositie van de Nederlandse tuinbouw.

  • Kennisvouchers

    In het algemeen zijn Nederlandse MKB-ondernemers een belangrijke innovatieve kracht en versterken ze daarmee de economie. Dit geldt zeker ook voor ondernemers in de sector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Om hun innovatieve rol te behouden en verder te stimuleren biedt het Ministerie van EZ instrumenten aan. Eén daarvan is de MKB innovatiestimuleringsregeling topsectoren (MIT). Hierbinnen kunnen de topsectoren keuzes maken. De topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen heeft voor 2013 gekozen voor haalbaarheidsstudies, R&D-samenwerkingsprojecten en netwerkactiviteiten. Voor de tweede openstelling, in september 2013, is op verzoek van de sector de mogelijkheid geopend om gebruik te maken van kennisvouchers.

  • Gewasbescherming

    Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is in de afgelopen vijftien jaar de milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater teruggebracht met 85%. Dat is een mooi resultaat. Om echter het gestelde doel van 95% te halen zijn nog meer inspanningen nodig. In 2009 waren op ruim de helft van de 700 meetlocaties de concentraties van één of meer gewasbeschermingsmiddelen nog steeds hoger dan de geldende waterkwaliteitsnormen. Voor mijn aanpak in het gewasbeschermingbeleid verwijs ik naar mijn nota «Gezonde groei, duurzame oogst» van 14 mei jl. waarin ik de maatregelen heb geschetst voor de periode 2013 tot 2023 (Kamerstuk 27 858, nr. 146).

  • Herijken regels voor teeltmateriaal

    De Europese regels met betrekking tot Teelmateriaal worden de komende jaren herzien. Deze regels bewaken de kwaliteit van zaden, stekken en ander teeltmateriaal op de Europese markt. Doel hiervan is vereenvoudiging, een grotere verantwoordelijkheid voor leveranciers en een betere integratie met de plantgezondheidswetgeving. Daarnaast worden nieuwe categorieën teeltmateriaal geïntroduceerd zodat ook traditionele rassen en ander teeltmateriaal dat niet aan de bestaande eisen kan voldoen, op de markt gebracht kunnen worden. Dit laatste is van groot belang voor de agrobiodiversiteit en voor de biologische landbouw. Het biedt ook nieuwe kansen aan kleinschalige plantenveredelaars en producenten, waardoor de diversiteit in rassen zal kunnen toenemen. Ik zet me bij dit alles in voor een effectieve regelgeving en waar mogelijk een verlaging van de regeldruk.

    Daarnaast heeft herstel van de balans tussen kwekersrecht en octrooirecht mijn volle aandacht. Mijn inzet is nationaal de invoering van de beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995 (reeds in parlementaire behandeling). In Europees verband zet ik mij in voor een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht die zo zal moeten worden vormgegeven dat noch de sector plantenveredeling, noch andere sectoren hiervan onevenredige schade zullen ondervinden. Zie Kamerstuk 33 365 (R1987), nr. 6 d.d. 27 juni 2013.

  • Herijken regels plantgezondheid

    Tegelijk met de regels voor Teeltmateriaal wordt het Europese kader voor plantgezondheid herzien. Nederland heeft als grote handelsnatie in planten en plantaardige producten belang bij een goed en geharmoniseerd fytosanitair stelsel in de EU. Nederland steunt daarom de modernisering en versterking van dat stelsel. De focus bij de herziening ligt op het voorkomen. Hierdoor hoeft later minder te worden ingegrepen met bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen of kostbare controlemaatregelen, en hoeven geen dure uitroeiingcampagnes op touw te worden gezet. Tegelijkertijd is Nederland zich bewust van zijn verantwoordelijkheid als «poort van Europa voor plantaardig materiaal» om de insleep van plantenziektes in de EU tegen te gaan. Gezien de grote invoer, uitvoer en doorvoer via Rotterdam en Schiphol zal Nederland echter kritisch zijn op aspecten in de wetgeving die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de logistiek rond de handelsstromen. In een recente brief (Kamerstuk 22 112, nr. 1639 en nr. 1641), heb ik u nader geïnformeerd over deze voorstellen.

b. Energietransitie in nieuwe fase

Op energiegebied heeft de glastuinbouw al grote stappen gezet. De energie-efficiëntie is sinds 1990 verdubbeld, warmtekrachtkoppeling wordt op grote schaal toegepast, aardwarmte en andere innovatieve energiebesparingconcepten zijn ontwikkeld.

Een overgang naar aanzienlijk verdergaande energiebesparing en meer duurzame bronnen met als einddoel een volledig duurzame energievoorziening in 2050 zal onvermijdelijk zijn voor het behoud van de concurrentiekracht van de glastuinbouw. Fossiele grondstoffen worden immers schaarser, energieprijzen stijgen en zijn instabiel, en het blijft nodig de uitstoot van CO2te reduceren.

Dat betekent dat er nog ingrijpender systeemwijzigingen nodig zijn voor een krachtige energiebesparing en duurzame energie te ontwikkelen en benutten. Onderzoek is daarvoor essentieel. De enorme technische ontwikkeling van de afgelopen tien jaar op dit gebied kan daarbij als voorbeeld en inspiratie dienen voor de komende decennia.

Mijn ambitie voor 2020 is dat in nieuw te bouwen kassen netto klimaatneutraal geteeld wordt en dat voor bestaande kassen concepten zijn ontwikkeld waarmee met de helft van de fossiele energie kan worden geproduceerd, zonder negatieve invloed op omzet en concurrentiepositie. Voor het behoud van de concurrentiepositie van de glastuinbouw nu en op de langere termijn is, gezien de relatief hoge energiekosten, het noodzakelijk te investeren in verdergaande energiebesparing en in duurzame energie.

Het vorige kabinet heeft in een convenant met de sector afgesproken dat in 2020 6,2 Mton CO2uitgestoten mag worden. Ter compensatie mag de sector gebruik maken van het verlaagd tarief van de energiebelasting. Dit betekent dat de CO2-emissieruimte die met het CO2-sectorsysteem voor de sector is ingesteld, jaarlijks met 2,6% krimpt. In vergelijking met de jaarlijkse verlaging van 1,74% voor de grote bedrijven uit andere sectoren binnen het Europese CO2-handelssysteem is dat een ambitieuze afspraak. Bij overschrijding van de emissieruimte moet betaald worden aan de overheid.

Ik wil de sector uitdagen alles op alles te zetten om de emissieruimte niet te overschrijden en daarmee de komende jaren een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de klimaatdoelstellingen van het kabinet. Ik heb dan ook veel waardering voor de afspraak die sector met andere partijen in het SER energie akkoord heeft gemaakt. Afgesproken is dat de glastuinbouw 11 PJ extra energiebesparing zal realiseren per 2020. Ten opzichte van andere sectoren heeft de glastuinbouw zo een relatief groot aandeel in de extra energiebesparing uit het energieakkoord. Onderdeel daarvan is dat de sector in aanvulling op het CO2-sectorsysteem een individueel CO2-systeem introduceert. Dat systeem omvat individuele CO2-normen/benchmarks en een minimale verrekenprijs van € 20/ton zolang de prijs van internationaal verhandelbare CO2-emissierechten lager is. Hiermee ontstaat een effectievere prikkel om energie te besparen en te verduurzamen.

De energietransitie komt in een nieuwe fase. Versnelling is mogelijk en noodzakelijk. De focus voor de energietransitie zal de komende jaren liggen op de thema’s:

  • I. Glastuinbouw: «Kampioen energiebesparing»

  • II. Potentieel van aardwarmte in de glastuinbouw benutten.

  • III. Energiewinst in de regio door samenwerking met bedrijven binnen en buiten de sector

De bestaande afspraken over het lopende succesvolle innovatie- en actieprogramma Kas als Energiebron lopen af. Ik zal voor 1 januari 2014 met de glastuinbouwsector komen tot een nieuwe meerjarenafspraak, gericht op focus op deze drie thema’s en versnelling van de uitvoering hiervan. Dit mede in het kader van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, het convenant Schone en Zuinige agrosectoren, het CO2-convenant en het Energieakkoord. Daarbij neemt de glastuinbouwsector de organiserende taak van het Productschap Tuinbouw over. Voorwaarde is dat de glastuinbouwsector daarnaast de private financiering van het programma veilig stelt.

Uitwerking van de thema’s:

I. Glastuinbouw: «Kampioen energiebesparing»

Om de ambities van 2020 te kunnen halen is een versnelde ontwikkeling en introductie in de praktijk van «Het Nieuwe Telen» noodzakelijk. Daarvoor zal ik de bestaande Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) toespitsen op dit thema en financieel verruimen. Daarnaast zijn nieuwe systeeminnovaties nodig voor meer gewassen en grotere energieprestaties: innovatieve integrale energiesystemen en bijpassende teeltstrategieën. Die moeten ontwikkeld en praktijkklaar gemaakt worden in goede interactie met onderzoek, telers en toeleveranciers. De research & development rond nieuwe integrale teelt- en kassystemen zal zich moeten concentreren op systeemsprongen. Het wereldwijd op de markt brengen van kennis-spin off uit dit onderzoek biedt hierbij groene groeikansen. Het is van belang om mogelijke cross-overs voor nieuwe technieken met de topsector Energie te verkennen, bijvoorbeeld de ontwikkeling van oprolbare en/of doorzichtige zonnecellen voor schermen en folies. Daarbij zal ook het innovatieprogramma voor demonstratieprojecten een rol spelen.

Ik blijf hiervoor ook de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) beschikbaar houden, waardoor subsidie voor de echt vroege marktintroductie van innovatieve energiesystemen mogelijk is.

II. Potentieel van aardwarmte in de glastuinbouw benutten.

Een optimaal gebruik van aardwarmte kan 10 tot 20% van het energiegebruik in de glastuinbouw duurzaam maken terwijl, afhankelijk van het tempo van energiebesparing, een nog hoger aandeel haalbaar is. Het potentieel kan mogelijk vergroot worden door meerdere grondlagen te benutten. Momenteel hebben zeven koplopers een aardwarmteproject gerealiseerd en er zitten nog veel projecten in de pijplijn. Ik wil me sterk maken voor de ontwikkeling en versnelling van het gebruik van aardwarmte als duurzame energiebron in de glastuinbouw, mede in relatie tot het grote aantal aanvragen in de SDE+ en het risico van geologisch misboren.

Financiering van aardwarmteprojecten wordt door het bedrijfsleven gezien als een nijpend probleem, waardoor projecten niet meer van de grond dreigen te komen. Aardwarmte is een relatief goedkope duurzame energieoptie met perspectief. Onlangs is in een Green Deal tussen de Nederlandse Vereniging van Banken en de Rijksoverheid besloten tot de oprichting van een expertisecentrum financiering. Dat zal zich als eerste richten op verbetering van de financierbaarheid van aardwarmteprojecten.

Voor het verder stimuleren van aardwarmte bezie ik samen met de Minister van EZ de garantieregeling aardwarmte conform de kabinetreactie commissie risicoregelingen.

Vanuit het bedrijfsleven wordt erop gewezen dat mogelijk grote vermogens te halen zijn uit diepe-aardwarmteprojecten (vanaf 4 km diep). Geconstateerd moet worden dat daar bij de experts verschillende verwachtingen over zijn.

Omdat het benutten van meerdere lagen kansen kan bieden voor een groter potentieel aan aardwarmte, wil ik graag samen met de Minister van EZ en met bedrijfsleven, initiatiefnemers en kennispartijen overleggen hoe de nodige kennis kan worden verkregen. Daarnaast is inzet op kennisontwikkeling voor reguliere aardwarmteprojecten en kennisuitwisseling belangrijk.

Ook is vanuit het bedrijfsleven aangegeven dat er problemen zijn met het verkrijgen van opsporingsvergunningen. De Mijnbouwwet stelt voor het aanvragen van zulke vergunningen een aantal eisen waaraan een initiatiefnemer vaak pas later kan voldoen. Dit brengt veel voorbereiding en kosten mee terwijl vooraf nog niet duidelijk is of de betreffende winning van aardwarmte zal lonen. De Minister van EZ bereidt daarom een aanpassing van de Mijnbouwwet voor welke de technische en de financiële beoordeling bij aardwarmte verschuift van de vergunningsfase naar de operationele fase. De initiatiefnemer kan zo een vergunning en eventueel subsidie aanvragen, onderzoek doen en een boorbedrijf contracteren en hoeft pas aan alle eisen te voldoen wanneer hij daadwerkelijk wil gaan boren.

Aardwarmte zit nu niet in de thema’s van de topsector Energie. Binnenkort wordt bezien of aardwarmte wordt opgenomen in de dynamische portfolio van de topsector Energie.

III. Energiewinst in de regio door samenwerking met bedrijven binnen en buiten de sector

Samenwerking tussen tuinbouwbedrijven op energiegebied (energienetwerken) en van tuinbouwbedrijven met bedrijven in andere sectoren (biogas uit mestvergisters, alternatieve CO2-bronnen, restwarmte) biedt extra kansen voor verdere energiebesparing en verduurzaming. Ik wil de benutting van extra kansen voor energiewinst door samenwerking stimuleren en zet ook daarvoor de IRE subsidie in. Deze bevordert naast de versnelde introductie van Het Nieuwe Telen in de praktijk, ook samenwerking van tuinders in energienetwerken en de aansluiting van tuinbouwbedrijven op energie-, warmte- en CO2-netwerken. Het totale budget voor de IRE wordt verdubbeld naar minimaal 5 miljoen euro per jaar.

Momenteel loopt een gezamenlijke verkenning met de regionale LTO’s en tuinbouworganisaties naar regionale matches. Aspecten als afstand, potentieel aan en vraag naar warmte, CO2 en elektriciteit worden in beeld gebracht en op haalbaarheid beoordeeld. Als de verkenning is afgerond wordt bezien waar kansen en belemmeringen liggen en wat ervoor nodig is om samenwerkingsprojecten van de grond te krijgen.

Green Well Westland vind ik een mooi voorbeeld van een regionaal samenwerkingsverband tussen tuinbouwondernemers voor het gezamenlijk investeren in en benutten van aardwarmte.

In het Energieakkoord hebben NGO’s en bedrijfsleven zich verbonden om voor 1 januari 2014 afspraken te maken over een gunstige positionering in de markt van glastuinbouwproducten die zijn geteeld met duurzame energie of sterk energiebesparende concepten. Innovaties op dit terrein kunnen via het programma Keteninnovaties worden gestimuleerd. Daarnaast streef ik ernaar om de overheden een rol als launching customer te laten vervullen.

Opgave 3 Herstructurering van de glastuinbouw

Aan het begin van deze beleidsvisie vermeldde ik de moties De Mos (Kamerstuk 33 000 XIII nr. 122) en Koopmans (Kamerstuk 21 501-31, nr. 620)6, met inzet voor de herstructurering van de tuinbouw. Voor een internationaal sterk tuinbouw- en uitgangsmaterialencluster is een sterke primaire productiesector met voldoende ontwikkelingsruimte van essentieel belang. Verduurzaming en modernisering van het productieareaal (glas)tuinbouw is daarom een van de speerpunten uit het beleid van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Herstructurering en verplaatsing van met name glastuinbouwbedrijven komt nu echter weinig op gang. Door de economische en financiële crisis is er minder investeringsbereidheid en minder koopkrachtige vraag vanuit de tuinbouw. Ook andere partijen en overheden hebben minder middelen beschikbaar om dynamiek te bevorderen.

Om de huidige stagnatie in de herstructurering van clustergebieden te doorbreken zijn nieuwe, creatieve instrumenten nodig. Om die te vinden en te realiseren is in de Uitvoeringsagenda van de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen met belanghebbende partijen het project «Duurzame modernisering teeltareaal tuinbouw» geïntroduceerd. Op basis van een analyse van de huidige stagnatie en een beoordeling van de bestaande instrumenten zijn in dit project nieuwe instrumenten ontwikkeld die in pilots worden toegepast. De belangrijkste gezamenlijke conclusies en aanbevelingen uit het project7 (zoals ook gepresenteerd op de Greenportconferentie van 20 maart 2013) zijn:

  • het initiatief ligt bij investerende ondernemers,

  • regionale partijen zijn aan zet,

  • per gebied is maatwerk nodig en

  • de decentrale overheden hebben daarbij een faciliterende en stimulerende rol.

Mede gezien de decentralisatieafspraken betekent dat voor de ruimtelijke herstructurering van de glastuinbouw dat provincies en gemeenten – samen met het tuinbouwbedrijfsleven – verantwoordelijk zijn voor de aanpak. Ik deel deze lijn.

Bevorderen dynamiek herstructurering

Omdat ik veel belang hecht aan het project «Duurzame vernieuwing teeltareaal tuinbouw», zet ik het voort en ondersteun het actief. Het Ministerie van Economische Zaken neemt ook in het lopende jaar deel aan de initiatiefgroep van het project, dat dit jaar tot een aantal pilotprojecten heeft geleid. In dat kader stel ik via DLG en LEI onderzoekmiddelen beschikbaar om de instrumentenkoffer verder te ontwikkelen. DLG heeft expertise om gebiedsprocessen te ondersteunen, waarin juist de initiatieven en de ideeën van de ondernemers centraal staan, bijvoorbeeld over hoe verkaveling kan worden uitgevoerd om groei te bevorderen. Het LEI Wageningen UR kan monitoring en evaluatie ondersteunen. Daarnaast wil ik de dynamiek van herstructurering stimuleren door de volgende acties:

Acties

  • Garantstellingen bij investeringen

    Zoals eerder aangegeven concludeert het project «Duurzame modernisering teeltareaal tuinbouw» dat herstructurering van gebieden geïnitieerd moet worden door investerende bedrijven. Daarom steun ik deze bedrijven met (algemene) garantstellingsregelingen: Garantstelling Landbouw en Garantstelling Landbouw Plus. Bovendien zet ik in op de eerder genoemde Garantstelling Marktintroductie Innovaties om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de sector.

  • Bedrijven Investeringszone voor tuinbouw

    De Minister van EZ heeft bij brief van 28 december 2012 (Kamerstuk 33 511, nr. 1) aangegeven de Experimentenwet Bedrijveninvesteringszones permanent te willen maken. Deze wet geeft ondernemers in een bepaald gebied de mogelijkheid om gezamenlijk te investeren in voorzieningen in de openbare ruimte. Nadat gebleken is dat een ruime meerderheid van de ondernemers dit wil, kan de gemeente daarvoor dan een collectieve heffing innen bij alle ondernemers. Dit instrument leent zich zoals voor bedrijventerreinen in beginsel ook goed voor tuinbouwclustergebieden. Ik zal de komende maanden onderzoeken of en hoe deze wet ook dienst kan doen in de instrumentenkoffer voor vernieuwing van tuinbouwgebieden.

  • Herstructurering verbinden met verduurzaming

    Ook het inzetten van de IRE voor energiewinst in de regio, zoals eerder in deze brief geschreven, is bij uitstek geschikt voor tuinders die samen hun gebied vernieuwen. Dat is het moment om gezamenlijk voorzieningen voor bijvoorbeeld het benutten van rest- en aardwarmte aan te leggen; hetgeen dan tevens om een alternatieve CO2-voorziening vraagt. Die CO2-voorziening, zo geven de tuinders aan, is een belangrijke pull-factor voor verspreid liggende glastuinbouwbedrijven om te verplaatsen naar een duurzaam concentratiegebied.

    De provincie Noord-Holland onderzoekt momenteel of een centrale CO2-voorziening via bestaande, overbodig geworden pijpleidingen ook in die provincie mogelijk is.

    Dat vraagt om een energieke samenwerking tussen de vele al betrokken partijen; OCAP, KEMA, Liander, 2 potentiële CO2-leveranciers, Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord, LTO en overheden.

    Ik wil, bij wijze van pilot, deze innovatieve ontwikkeling in Noord-Holland ondersteunen met deskundigheid vanuit het Rijk, mogelijk in de vorm van een Greendeal met de betrokken partijen.

Garantstelling door het Rijk voor een stallingsfonds, zoals bepleit onder andere door Rabobank, kan het kabinet niet bieden. Het kabinet kiest er voor om de beschikbare middelen voor garantstelling gericht in te zetten voor bedrijven die investeren in bedrijfsontwikkeling en verduurzaming zoals ik aangeef in deze beleidsbrief.

Tot slot

Ik heb veel vertrouwen in de sector en ben er van overtuigd dat ze ook nu en in de toekomst, net als in het verleden, in staat zal zijn om de noodzakelijke vernieuwingen door te voeren en ook op langere termijn wereldspeler kan en zal blijven.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Gerekend op basis van binnenlandse grondstoffen

X Noot
2

Vitaal tuinbouwcluster 2040 (juni 2010)

X Noot
3

Het Nederlandse Agrocomplex 2011 (januari 2012)

X Noot
4

Bron: LEI «Het Nederlandse agrocomplex 2011», SEO-rapport «Boer zoekt duurzaamheid», 2010

X Noot
5

Toekomstvisie op de GMO groenten en fruit (2011) en Evaluatie van de GMO over de jaren 2008–2011 (2012)

X Noot
6

Motie «de Mos» (Kamerstuk 33 000 XIII, nr. 122) verzoekt de regering zich in te zetten op herstructurering van de tuinbouwsector en de Kamer over de behaalde resultaten te berichten. De motie Koopmans (Kamerstuk 21 501-31, nr. 620) verzoekt het financiële instrumentarium en de middelen van het voormalige Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de landbouw in te zetten voor borgstellingen om de glastuinbouwsector te herstructureren.

X Noot
7

LEI -nota 13–015 «Elkaar een toekomst gunnen»