Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331532 nr. 118

31 532 Voedingsbeleid

Nr. 118 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juli 2013

Hierbij stuur ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie.

Hiermee geef ik tevens invulling aan:

  • de motie Dik-Faber/Van Veldhoven/Van Gerven (Kamerstuk 33 400 XIII, nr. 92), waarin de regering wordt verzocht om «duidelijke doelstellingen te formuleren voor de verduurzaming van de voedselproductie en -consumptie in Nederland en via de Staatssecretaris ook een actieve bijdrage te leveren aan de samenwerking van ketenpartijen»;

  • de motie Grashoff/Jacobi (Kamerstuk 31 532, nr. 46) over een plan van aanpak voor de verduurzaming van voedsel «met duidelijk omschreven doelen en in te zetten middelen»;

  • de motie Graus (Kamerstuk 33 400 XIII, nr. 75), waarin de regering wordt verzocht tot een beter en eerlijker verdienmodel ten behoeve van boeren, tuinders en vissers [te komen] in overleg met de retailers en voedselverwerkende industrie;

  • de motie Dijkgraaf/Geurts (Kamerstuk 33 400 XIII, nr. 99) waarin de regering wordt verzocht beleidsregels op te stellen voor de NMa (nu ACM) met daarin aanwijzingen voor het bieden van ruimte voor afspraken in de agronutriketen over publieke belangen als dierenwelzijn en milieu;

  • de motie Dik-Faber (Kamerstuk 31 532, nr. 105) waarin de regering wordt verzocht zich actief in te spannen voor het bereiken van de doelstelling om voedselverspilling in 2015 met 20% te verminderen ten opzichte van 2009;

  • mijn toezegging tijdens het AO Voedsel en voedselprijzen op 6 februari en

  • 21 maart om u het LEI-rapport over prijsmonitors toe te sturen;

  • uw verzoek van 22 mei tijdens de Regeling van werkzaamheden om een reactie op de Monitor Voedselverspilling.

Context

Nederland is wereldspeler op het gebied van voedselproductie. Zo is Nederland de tweede agro-exporteur ter wereld, na de VS: er is sprake van een efficiënte land- en tuinbouw en een hoog kennisniveau. De agrofoodsector is bovendien een van de weinige sectoren waar de export blijft groeien, ondanks de financiële crisis in grote delen van de wereld. Van de grote voedselbedrijven in de wereld zit bijna een derde met zijn innovatieve tak in Nederland.

De Wageningen University & Research Centre is op kennisgebied minstens zo toonaangevend in de wereld. Het is een goed fundament voor de ambitie en de verantwoordelijkheid die we voor de toekomst hebben: voorzien in de groeiende vraag naar voedsel. In 2050 telt de wereldbevolking 9 miljard mensen. We zullen dus voldoende en hoogwaardig voedsel met minder grondstoffen moeten produceren. Een forse uitdaging.

In het Regeerakkoord is aangegeven dat dit kabinet streeft naar een circulaire economie en dat het de (Europese) markt voor duurzame grondstoffen en hergebruik van schaarse materialen wil stimuleren. Tevens geeft het kabinet aan dat «we de samenwerking van organisaties binnen de voedselketen op het terrein van dierenbescherming, consumentenbelangen, landbouw en levensmiddelenhandel ondersteunen».

Voedselproductie hangt nauw samen met het gebruik van grondstoffen, met klimaat en ontwikkeling van landen in de wereld. Als we anders produceren en consumeren, leggen we de basis voor een duurzame economie. Eerlijk voedsel voor een eerlijke prijs. Met een geborgde voedselzekerheid en -veiligheid. Dit betekent een constante zoektocht naar een optimaal evenwicht. Tussen economie en ecologie, tussen betaalbaarheid en dierenwelzijn, tussen ontginnen en met rust laten.

In ons land werken ondernemers, overheid en andere organisaties in de hele keten aan de verduurzaming van de voedselketen. De laatste jaren zijn er al belangrijke stappen gezet door het bedrijfsleven in samenwerking met maatschappelijke organisaties: de zuivelsector is goed op weg met de duurzame zuivelketen, de vleessector heeft nieuwe concepten rond kip en varken ontwikkeld en de akkerbouwsector verduurzaamt (Stichting Veldleeuwerik). Er zijn tientallen initiatieven op het terrein van de voedselverspilling. Het is aan de overheid om daar flankerend beleid naast te zetten: het stimuleren van innovaties, het wegnemen van belemmeringen, maar ook wetgeving als ontwikkelingen niet vanzelf gaan.

Voedselkwaliteit betekent naast aandacht voor duurzaamheid ook aandacht voor voedselveiligheid en -integriteit. De afgelopen periode heeft laten zien dat een aantal incidenten met levensmiddelen, waaronder de fraude met paardenvlees, een grote impact kunnen hebben en het vertrouwen van de consument in de gehele voedselsector kunnen ondermijnen.

1. Voedselvertrouwen

Uit een aantal incidenten van de afgelopen periode blijkt het belang van een goede borging van de integriteit en veiligheid van het voedsel door de hele keten en een tijdige signalering van risico’s om in een vroeg stadium in te kunnen grijpen. Het bedrijfsleven en de overheid willen toe naar een situatie waarin ketenpartners van diervoeders tot en met retail, gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid en eerlijkheid van hun product en elkaar aanspreken op zwakke plekken.

Het bedrijfsleven, inclusief de detailhandel, is primair verantwoordelijk voor de integriteit en veiligheid van producten, dus ook voor betrouwbare productinformatie en maatregelen om risico’s te voorkomen. De overheid ziet daar op toe.

Mijn perspectief is een keten die volledig transparant is en waarin geen onnodige en dubieuze schakels voorkomen. Private kwaliteitssystemen bieden een betrouwbaar kader voor producenten en handelaren in de voedselketen. De ketenpartners bieden elkaar harde garanties, wisselen informatie over mogelijke risico’s uit en voorzien ook in privaatrechtelijke sancties bij overtredingen.

De overheid staat aan de lat voor kaders en normen ten aanzien van voedselveiligheid, stringente controle en handhaving. Kwaliteitssystemen kunnen worden ondersteund via risicogerichte handhaving.

Acties

Taskforce Voedselvertrouwen

Het actieplan van de Taskforce Voedselvertrouwen om de kwaliteitssystemen robuuster te maken en het vertrouwen van de consument te versterken is uw Kamer 13 juni jl. aangeboden (Kamerstuk 26 991, nr. 361). Met de 17 actiepunten worden zowel de voedselintegriteit als de -veiligheid binnen de gehele keten gedekt.

Door de ketens robuuster te maken, wordt de kans op het optreden van incidenten kleiner. Mocht er een incident plaatsvinden, dan kan de ernst worden verminderd door vroegtijdige signalering en adequaat ingrijpen.

In dat kader is afgesproken dat:

  • ketenkwaliteitssystemen naast voedselveiligheid ook productintegriteit borgen; beide aspecten zullen ook onderdeel vormen van de inkoopvoorwaarden van de verschillende schakels van de keten, tot en met de retail

  • bedrijven alleen zaken doen met bedrijven die aangesloten zijn bij goedgekeurde kwaliteitssystemen en dat kwaliteitssystemen op elkaar aan moeten sluiten

  • schakels die geen toegevoegde waarde hebben waar mogelijk uit ketens worden geweerd

  • controlemechanismen binnen kwaliteitssystemen worden verbeterd door het invoeren van onaangekondigde controles, opleidingseisen voor auditors en compliance van de audits met kwaliteitsstandaarden

  • bedrijven geen verdachte partijen meer kopen en deze partijen melden aan elkaar en aan de overheid

  • de informatie-uitwisseling tussen kwaliteitssystemen onderling en met de overheid wordt verbeterd; in geval van risico’s, overtreding of recall wordt informatie hierover uitgewisseld

  • sanctiemechanismen van kwaliteitssystemen waar mogelijk worden aangescherpt, inclusief privaatrechtelijke aansprakelijkheid

  • de informatie aan de consument over productieproces, product en etiket wordt verbeterd

  • de NVWA haar toezicht meer risicogebaseerd en aangescherpt zal uitvoeren, zowel voor wat betreft voedselveiligheid als productintegriteit.

  • De NVWA zal bovendien samen met het Openbaar Ministerie een strategie ontwikkelen voor de aanpak van fraude.

  • ik samen met de Minister van VWS zal komen met een voorstel voor de hoogte van bestuurlijke boetes. EZ en VWS zullen ook de eisen voor erkenning en registratie van bedrijven waar mogelijk aanscherpen.

De Taskforce zal alle 17 acties vóór eind volgend jaar hebben uitgevoerd.

Daarnaast voert de Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek uit naar de risico’s voor de voedselveiligheid bij de productie en verwerking van en handel in vlees en zuivel. De raad zal haar rapport met de aanbevelingen naar verwachting voor het einde van het jaar uitbrengen. Op basis van dit rapport zal ik bezien welke aanvullende acties noodzakelijk zijn.

Europa

Naar aanleiding van de fraude met paardenvlees heeft de Europese Commissie een actieplan opgesteld om fraude op Europees niveau grensoverschrijdend aan te kunnen pakken. Ik heb u eerder hierover geïnformeerd (Kamerstuk 26 991, nr. 357). Op dit moment vinden de besprekingen hierover plaats. Voorts wordt op mijn initiatief gesproken over het opstellen van een Europese «zwarte lijst» van bedrijven, zodat fraudeurs hun werkzaamheden niet in andere lidstaten kunnen voortzetten. Tenslotte worden de wettelijke regels voor de vleeskeuring herzien, zodat ook het toezicht in het slachthuis effectiever en efficiënter wordt ingevuld en meer wordt gericht op de belangrijkste risico’s voor de voedselveiligheid. Om dit proces te ondersteunen hebben EZ en VWS ambtelijke ondersteuning aan de Europese Commissie gegeven. Mijn inzet is om te blijven aandringen op een voortvarende implementatie van dat actieplan.

2. Verduurzaming van de voedselproductie

De tijd is rijp om een versnelling aan te brengen in de verduurzaming van de voedselproductie. Consumenten stellen steeds hogere eisen aan producten en producenten (eerlijk en transparant). Uit de onlangs aan uw Kamer gestuurde Monitor Duurzaam Voedsel (Kamerstuk 31 532, nr. 116) blijkt dat de uitgaven aan conventioneel voedsel licht dalen, maar de uitgaven aan duurzaam voedsel sterk stijgen. Verduurzaming van de voedselproductie is een investering die veel kansen biedt. Ondernemers geven zelf aan dat focus op duurzame producten soms leidt tot minder omzet, maar tegelijkertijd tot meer winst. Steeds meer bedrijven sluiten zich aan bij private verduurzamingsinitiatieven zoals het Beter Leven Kenmerk, Milieukeur, maar ook internationale standaarden zoals Global Gap of de Roundtable on Responsible Soy (RTRS) en Sustainable Palm Oil (RSPO).

Deze bedrijven leggen vervolgens vrijwillig verantwoording af over hun duurzaamheidinspanningen. Dit is een ontwikkeling die blijft doorgaan.

Acties

Vergroten duurzaam aanbod en verduurzamen van productieprocessen

De versnelling in de verduurzaming van de voedselproductie is een opgave die primair door het bedrijfsleven en maatschappelijke organisatie moet worden opgepakt.

Het bedrijfsleven heeft een belangrijke stap gezet door de oprichting van de Alliantie Verduurzaming Voedsel (hierna: de Alliantie). De Alliantie is een samenwerkingsverband tussen de ketenpartners Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), de Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties (Veneca) en de Koninklijke Horeca Nederland (KHN), gericht op verduurzaming van de voedselketen. De inzet van de Alliantie is dat verduurzaming integraal wordt verankerd in alle bedrijfsprocessen door de gehele keten (productie én distributie), en dat de basisnorm voor wat betreft duurzaamheid steeds verder omhoog gaat.

De Alliantie heeft een Agenda tot verduurzaming van de voedselproductie opgesteld, de «Agenda Verduurzaming Voedsel» voor de periode 2013–2016 (bijlage 1)1. Het bedrijfsleven geeft met deze agenda inhoud aan de integrale ketensamenwerking, noodzakelijk voor een verdere verduurzaming. Dit is een uitdaging van formaat, maar biedt ook kansen voor de agrofoodsector. Deze agenda is in nauw overleg met mij tot stand gebracht.

Er worden in de Agenda vier lijnen onderscheiden:

  • 1) het verhogen van het duurzaamheidsniveau in de grote Nederlandse grondstof- en productketens in brede zin en met extra aandacht voor:

  • 2) het verduurzamen van de vleesketen,

  • 3) het verminderen van voedselverspilling en de optimalisatie van reststromen,

  • 4) het verbeteren van de transparantie en communicatie.

Op onderdelen zullen in gezamenlijkheid meer concrete acties worden uitgewerkt. Binnen dit verband zet ik mij ervoor in dat een zo hoog mogelijk verduurzamingsniveau voor verschillende productieketens wordt vastgesteld. De voortgang van de verduurzaming wil ik bewaken door middel van de Monitor Duurzaam Voedsel. In de Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens zal ik de voortgang aan de orde stellen.

De voorgaande jaren zijn via het Platform Verduurzaming Voedsel (de voorganger van de Alliantie Verduurzaming Voedsel) 51 innovatiepilots ondersteund. Met de resultaten van deze pilots kunnen ook andere bedrijven en ketens hun voordeel doen. Hiertoe zal ik samen met de Alliantie onder meer bijeenkomsten organiseren waar kennis en ervaring worden uitgewisseld.

Het bevorderen van duurzame innovaties geef ik vorm via het topsectorenbeleid. Binnen de uitvoeringslijn Duurzaamheid van de Topsector Agri&Food en binnen de Topsector Tuinbouw&Uitgangsmaterialen wil ik enkele zogenoemde doorbraakprojecten uitvoeren: innovatieve projecten die zorgen voor een wezenlijke duurzaamheidsversnelling van een bepaald product of segment.

Voor het verduurzamen van agro-grondstoffen zijn de verschillende Round Tables voorbeelden van een aanpak die tot concrete resultaten leidt. In een internationale multistakeholderssetting ontwikkelt het bedrijfsleven in directe samenwerking met maatschappelijke organisaties standaarden met eisen waaraan duurzame productie en ketens moeten voldoen. Dit is een ontwikkeling die het Ministerie van Economische Zaken vanaf het begin heeft ondersteund en blijft ondersteunen. Daarnaast is het belangrijk dat grote afnemers in opkomende economieën actief betrokken worden bij dergelijke initiatieven. Mede daarom heeft Nederland de organisatie van een Roundtable on Responsible Soy (RTRS) in China actief ondersteund.

Ik wijs hierbij tevens op de binnen Nederland vrijwillig tot stand gekomen «Intentieverklaring Duurzame Soja» en het «Manifest Duurzame Palmolie» met de ambitie voor 100% duurzaam in uiterlijk 2015 (Voortgangsrapportage Grondstoffennotitie, eind juni 2013 naar TK). Voor cacao is afgesproken om de consumptie in Nederland in 2025 100% duurzaam te laten zijn, voor koffie staat de afspraak dat in 2015 een duurzaamheidpercentage van 75% is bereikt. Het Initiatief Duurzame Handel (IDH) heeft afspraken gemaakt met importeurs en retail dat in 2020 uitsluitend duurzame import zal plaatsvinden. Nederland is hiermee internationaal koploper. Aangezien het bedrijfsleven hier trekker van is, wil ik hen ondersteunen bij verdere initiatieven op dit vlak.

Voor de aanpak van de problematiek rond antibioticumresistentie zet het kabinet met kracht het beleid voort om te komen tot een forse reductie van het antibioticumgebruik in de veehouderij (70% in 2015) en een zorgvuldig gebruik van antibiotica.

Bevorderen duurzame consumptie

Het kiezen voor duurzamer eten is primair een zaak van de consument. Kiezen voor gezond blijkt ook vaak kiezen voor duurzaam, zoals blijkt uit het onderzoek van de Gezondheidsraad «Richtlijnen goede voeding ecologisch belicht» (publicatienr. 2011/08). Het bieden van objectieve informatie aan de consument is daarbij belangrijk. Zo heb ik het Voedingscentrum gevraagd om mythen en fabels over voedsel te ontkrachten. Dit heeft geresulteerd in de campagne «De waarheid op tafel», die dit najaar wordt gestart.

Daarnaast zal ik een campagne gericht op duurzamer consumeren starten, met bijzondere aandacht voor voedselverspilling. Hierbij zal ik vanzelfsprekend samenwerken met het bedrijfsleven.

Verder werk ik – in het kader van het Programma «Duurzaam Door» – samen met provincies aan de versnelling van regionale duurzaamheidsnetwerken. Voedsel is daarbij één van de vijf speerpunten. Daarbij worden ook sociale instrumenten ingezet om gedragsverandering te bevorderen.

Alternatieve of «nieuwe» eiwitten

Verduurzaming van de eiwitproductie en -consumptie is een belangrijke uitdaging voor de voedselketen. Met alternatieve (of «nieuwe») eiwitten worden onder meer eiwitten bedoeld, die afkomstig zijn van peulvruchten, van insecten of van micro-organismen (bijv. algen). Deze eiwitten vormen een geschikt alternatief voor de ons meer bekende dierlijke eiwitten, zoals vlees, melk en eieren maar ook voor soja en vismeel, die alle een flinke ecologische «footprint» achterlaten en om deze reden steeds meer ter discussie staan. Deze alternatieve eiwitten bieden innovatiekansen voor bedrijven, die actief zijn in humane of dierlijke voedselketens. Deze innovatie stimuleer ik, mits deze geen risico’s opleveren voor mens, dier en milieu.

Hiertoe wil ik de «Green Deal: Insecten voor feed, food en farma» doorzetten.

Er doen zich bijvoorbeeld wettelijke belemmeringen voor ten aanzien van de toepassing van insecten in dier- en visvoeders. Als uit (o.a. Nederlandse) risicobeoordeling blijkt, dat een dergelijke toepassing veilig is, wil ik in overleg met de Europese Commissie en met EU-lidstaten nader onderzoeken of betreffende toepassingsmogelijkheden van insecten verruimd kunnen worden (Kamerstuk 26 991, nr. 354). In de Nederlandse context is het daarnaast nodig, dat deze insecten worden opgenomen in de lijst van «voor productie te houden dieren».

(Art. 34 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren; het Besluit voor productie te houden dieren.)

3. Het terugdringen van voedselverspilling

Wereldwijd gaat naar schatting van de FAO ruim 30% van de voedselproductie bestemd voor menselijke consumptie verloren. In Europa wordt naar schatting 89 miljoen ton voedsel jaarlijks verspild (zie http://ec.europa.eu/food/food/sustainability/index_en.htm ).

Hoewel de voedselverspilling in Nederland relatief laag is, lijkt deze volgens de Monitor Voedselverspilling (Kamerstuk 31 532, nr. 115) toe te nemen: in 2011 89–210 kilogram per hoofd van de bevolking.

Voedselverspilling is een maatschappelijk en economisch probleem. De Director-General van de FAO stelde in 2012 zelfs dat als we wereldwijd 25% minder verspillen, we 500 miljoen meer mensen kunnen voeden. Ik blijf mij er daarom voor inspannen dat we in Nederland in 2015 20% minder verspillen dan in 2009, en wil op die manier bijdragen aan de doelstelling van de Europese Commissie om in 2020 50% minder te verspillen (Roadmap Resource Efficiency (COM (2011) 571). De Alliantie draagt hier aan bij en heeft in haar Agenda concrete acties geformuleerd. Mijn inzet licht ik hieronder toe.

Acties

Transparantie: inzicht in verspillingscijfers

Onder het motto «Meten = Weten» wil ik een beter beeld krijgen van de mate van verspilling in Nederland.

Inzicht in de verspillingscijfers van de hele keten is hierbij in mijn ogen een randvoorwaarde om gerichte acties in te zetten. In de Agenda heeft de Alliantie aangegeven zich ervoor in te zetten dat ketenpartners inzicht geven in de mate van verspilling. Dit past geheel in de trend dat transparantie steeds meer de norm wordt. Zie onder andere het recente voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen. In Noorwegen hebben supermarkten zich ertoe verbonden transparant te zijn over de mate van verspilling. Ik ben in overleg met de Alliantie over de wijze waarop de transparantie vorm moet krijgen.

Consument: bewustwording en gedragsverandering

Uit de Monitor Voedselverspilling blijkt dat in Nederland de consument relatief gezien de grootste verspiller is in de totale keten. Samen met mijn collega van I&M investeer ik in onderzoek om goed inzicht in de mate van verspilling bij de consument te krijgen. Het is van groot belang dat we de krachten bundelen en gezamenlijk de consument bewust maken van zijn verspilgedrag en trachten dat gedrag te beïnvloeden. Het Damn Food Waste Event en de actie van de Alliantie om de praktische hulpmiddelen en objectieve informatie van het Voedingscentrum over te nemen in hun bedrijfsmateriaal en communicatiemiddelen, zijn daar goede voorbeelden van.

In juni van dit jaar is in mijn opdracht door diverse partijen een actie gestart onder de titel «Hoezo 50 kilo? – de gemiddelde hoeveelheid voedsel die consumenten weggooien. Consumenten krijgen praktische hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een bewaarwijzer aangereikt om minder te verspillen. Daarnaast zal, zoals eerder genoemd, in samenwerking met het bedrijfsleven een consumentencampagne starten waarbij voedselverspilling een centraal onderdeel zal zijn.

THT-datum

Consumenten gooien vaak onnodig voedsel weg wegens verwarring rond de THT datum («Tenminste Houdbaar Tot»). Meestal blijken producten langer eetbaar te zijn, dan dat ze officieel houdbaar zijn. De systematiek voor data-labelling is in 2011 Europees vastgesteld. Onduidelijkheden bij de consument rond houdbaarheidsdata moeten worden weggenomen. Ik zal dit laten opnemen in het door de Taskforce Voedselvertrouwen voorgestelde plan over het verbeteren van de informatievoorziening (en daarbij ook aandacht voor misvattingen) aan de consument over onder andere het etiket.

Ook daag ik het bedrijfsleven uit om de datumkeuze niet als marketinginstrument in zetten (bv. TGT – «Te Gebruiken Tot» – gebruiken om het product een versimago te geven, terwijl THT gebruikt mag worden), een realistische keuze te maken voor de uiteindelijke datum en producten tegen einde datum een nuttige bestemming te geven. Ik zal in overleg met mijn collega van VWS onderzoeken of er nog meer producten die lang houdbaar zijn en van goede kwaliteit blijven, uitgezonderd kunnen worden van de verplichting om een houdbaarheidsdatum op het etiket te vermelden (uitbreiding annex X van EU Verordening 1169/2011).

Bedrijfsleven: koplopers ondersteunen, kennis delen en knelpunten wegnemen

Uit de Monitor Voedselverspilling blijkt dat ook eerder in de keten verspilling plaatsvindt om uiteenlopende redenen. Met de in de monitor genoemde sectoren zal ik in overleg treden over de gesignaleerde knelpunten en oplossingsrichtingen, onder andere op het gebied van innovatie.

Via de Small Business Innovation Research (SBIR) bevorder ik innovaties op het terrrein van voedselverspilling. In 2014 worden de resultaten van zeven bedrijven gepresenteerd. De SBIR geeft zicht op een reductie van voedselverspilling van 196.129 ton (196 miljoen kg per jaar).

De Alliantie Verduurzaming Voedsel heeft zich ten doel gesteld dat in 2015 «reductie van voedselverspilling» een doelstelling wordt van commerciële en logistieke relaties tussen ketenpartners. Dat is een goede ontwikkeling. Winst valt te behalen op het terrein van retourzendingen en afwijkende formaten wat betreft groente en fruit.

Met mijn collega van SZW heb ik gesproken met de Voedselbanken en de Alliantie Verduurzaming Voedsel over de toelevering van voedseloverschotten aan de voedselbanken. Tijdens dit gesprek hebben beide partijen de intentie uitgesproken om nauwer samen te werken. Na de zomer zal deze samenwerking concreet worden vormgegeven. Wij zullen daar waar nodig verdere ondersteuning verlenen.

De Monitor Voedselverspilling concludeert tevens dat er op enkele vlakken behoorlijk wat kennis is vergaard over het verminderen van voedselverspilling, maar dat die kennis nog nauwelijks is verspreid binnen de sector. Zo zijn cateraars binnen ziekenhuizen en de bakkerijsector al heel concreet aan de slag met het verminderen van voedselverspilling. Samen met deze partijen bekijk ik op welke wijze de kennis die hier is opgedaan zo effectief mogelijk door de hele sector kan worden toegepast. Meer ten algemene heb ik het NoWasteNetwork opdracht gegeven bestaande kennis over voedselverspilling te verspreiden en de interactie tussen bedrijven te versterken. Het initiatief van de Alliantie tot het ontwikkelen van een Helpdesk Voedselverspilling kan hier eveneens aan bijdragen. Van belang is om te kijken hoe beide trajecten elkaar kunnen versterken en al dan niet geïntegreerd kunnen worden.

Europa

Voedselverspilling begint en eindigt niet bij de Nederlandse grens. Nederland wordt op Europees niveau, samen met het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Scandinavië als koploper gezien. Meer landen komen in beweging: zo hebben Frankrijk, België en Spanje onlangs nationale plannen tegen voedselverspilling gelanceerd.

Nederland levert een actieve bijdrage aan de totstandkoming van de Europese Mededeling Duurzaam Voedsel die in 2014 wordt verwacht, waarin voedselverspilling een prominente plek krijgt. In dit kader zal ik in samenwerking met de Europese Commissie in 2014 een Europese conferentie organiseren over voedselverspilling waar «good practices» centraal zullen staan. De conferentie moet leiden tot een gezamenlijke actieagenda.

Wat betreft de harmonisatie in Europees verband en zoeken naar breed gedragen innovatieve oplossingen, heeft de WUR het initiatief genomen voor Europese samenwerking en voert het projectleiderschap van het onderzoeksproject «FUSIONS» (21 partners uit 13 lidstaten). Nederland participeert in dit initiatief.

Mondiaal

In 2011 heeft de FAO het initiatief genomen tot SAVE FOOD («Global Initiative on Food Losses and Food Waste Reduction»). De belangrijkste activiteiten in dit verband zijn het verzamelen van data en voorspellen van trends, ontwikkelen van internationale standaarden en normen en bieden van beleidsadviezen en «capacity-building» voor overheden. FUSIONS participeert in dit initiatief.

Tijdens de Rio +20 conferentie in 2012 heeft VN Secretaris-generaal Ban Ki-moon het startschot gegeven tot de «Zero Hunger Challenge». Het uitbannen van voedselverspilling en voedselverliezen is één van de pilaren van deze campagne. In deze context zijn FAO en UNEP de mondiale bewustwordingscampagne Think.Eat.Save gestart. Nederland draagt bij aan deze werkzaamheden door financiële ondersteuning van de FAO. Tevens breng ik onze actiepunten tegen voedselverspilling in bij deze mondiale bewustwordingscampagne.

Ook richt ik mij op het verbeteren van de efficiëntie van productieketens. In ontwikkelingslanden en opkomende economieën gaat veel voedsel verloren door suboptimale werkwijzen rond het oogsten, onderontwikkelde koelketens, slechte opslagvoorzieningen, te weinig transportmogelijkheden en beperkte marktinformatie.

In Indonesië en Vietnam geeft de Nederlandse zuivelsector met onze steun een impuls aan de lokale productieketen van boer tot verwerker. In Vietnam is ook de tuinbouw gestart met het opzetten van ketens. Eerder dit jaar heeft een identificatiemissie naar Vietnam plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Er ligt een nadrukkelijke vraag in Vietnam en veel andere ontwikkelingslanden en opkomende economieën naar kennis en toepassingsmogelijkheden om de productie en ketenefficiëntie te verbeteren. Deze vraag wordt momenteel verder geïnventariseerd en geconcretiseerd en zal leiden tot verdere identificatiemissies met de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen naar andere kansrijke landen. Met het inzetten van onze kennis en ervaring over de grens kunnen we bijvoorbeeld bijdragen aan efficiëntere productie en het beter benutten van reststromen en het beperken van na-oogst verliezen.

In Egypte ben ik met Nederlandse bedrijven en lokale retailers en het exporterende bedrijfsleven bezig om de keten voor versproducten efficiënter te maken. In Ethiopië start ik samen de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw &Uitgangsmaterialen een programma dat er toe moet leiden dat er minder voedsel verloren gaat in de productieketens van aardappelen, groente en fruit en sesamzaad.

4. Verdienmodel en beleidsregels over mededinging en duurzaamheid

Duurzaamheid is te verwaarden; er zijn diverse voorbeelden waarbij dit goed gelukt is, ook voor de boer. Nodig is dat een product zich voldoende onderscheidt in de ogen van de consument en meerwaarde biedt. Ook is nodig dat de achtereenvolgende schakels, primaire producent, verwerker en retail/catering/horeca met elkaar samenwerken in een keten. Samenwerking die leidt tot een gegarandeerd duurzaam product. In eerste instantie worden duurzaamheidconcepten vaak ontwikkeld voor de binnenlandse markt, maar er ontstaan steeds meer mogelijkheden voor export van duurzame kwaliteitsproducten. Zo wordt ook in Duitsland de vraag naar diervriendelijker geproduceerd vlees groter.

Uitgangspunt is dat het primair de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven is om nieuwe marktstrategieën en verdienmodellen te ontwikkelen. Prijzen komen tot stand op markten tussen vragers en aanbieders van goederen en diensten. En die markt is niet de nationale, maar de (West)Europese, die, meer dan vroeger, in verbinding staat met de wereldmarkt. De aanname dat de margeverdeling in de keten niet eerlijk zou zijn lijkt niet te kloppen. Onderzoek tot nu toe, zoals van het LEI en de NMa samen («Prijsvorming in de Agri-foodsector», NMA, 2009), liet zien dat prijsveranderingen, en daarmee de marges, in acht onderzochte ketens efficiënt werden doorgegeven. Soortgelijke resultaten bleken uit verschillende onderzoeken van het LEI naar de marges in verschillende deelsectoren (onder meer «Ketenrendementen in de Nederlandse agribusiness» uit 2007 en «Macht en prijsvorming in agrofoodketens» uit 2003). Daarnaast zijn lage prijzen voor boeren en tuinders in het algemeen het gevolg van een tijdelijk of structureel te groot aanbod. Dit blijkt uit het SEO onderzoek «Boer zoekt duurzaamheid» uit 2011.

Acties

Verdienmodel

De overheid schept voorwaarden voor ondernemers en ketens om succesvol innovaties voor verduurzaming te realiseren en in de markt te introduceren. Het bedrijfsleven is zelf verantwoordelijk voor de ontwikkeling van nieuwe marktstrategieën en verdienmodellen. In dat kader zijn het ontwikkelen van best practices rond duurzaamheid, zoals het Beter Leven Kenmerk, van groot belang. Bij de ontwikkeling van nieuwe marktconcepten op basis van het Beter Leven Kenmerk zijn nieuwe verdienmodellen en marktstrategieën ontwikkeld door de ketenpartijen. Zo wordt er een toeslag uitbetaald op de prijs aan vaste leveranciers (primaire producenten) die aan extra dierenwelzijnseisen voldoen.

Om de relaties in de keten te verbeteren, en met name oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan, werken CBL, FNLI en LTO Nederland, gefaciliteerd door het Ministerie van Economische Zaken, aan een gedragscode eerlijke handelspraktijken in de vorm van een pilot. Zij maken daarbij gebruik van de zogenaamde «Principles of Good Practice» die op Europees niveau zijn overeengekomen tussen brancheorganisaties in het kader van het High Level Forum voor een beter werkende voedselketen. Bij de vormgeving van de pilot is ook aandacht voor de handhaving van de principes en mogelijkheden om misstanden te melden en conflicten op te lossen. De Minister van Economische Zaken zal de Tweede Kamer voor september informeren over de pilots die nu in de agrofoodketen en de sector mode, textiel en schoeisel in Nederland worden opgezet en begin 2014 over de resultaten daarvan. De Europese Commissie zal in het najaar van 2013 besluiten hoe zij verder wil op het terrein van oneerlijke handelspraktijken, onder meer op basis van de reacties die zij heeft ontvangen op het groenboek inzake oneerlijke handelspraktijken in de food- en non-food toeleveringsketen tussen ondernemingen in Europa.

Conform mijn toezegging tijdens het AO Voedsel en voedselprijzen op 6 februari en 21 maart bied ik u hierbij een rapport van het LEI aan over monitoren van voedselprijzen (bijlage 2)2. Het rapport beschrijft verschillende instrumenten om voedselprijzen te monitoren. Een prijzenbarometer naar het model van de Europese voedselprijzenmonitor acht ik waardevol als een instrument om de ontwikkeling van de prijzen in een aantal belangrijke voedselketens te volgen. Ik heb het LEI gevraagd om samen met het CBS een ontwerp te maken voor een dergelijke prijzenbarometer naar het model van de Europese voedselprijzenmonitor. Ik zal uw Kamer eind 2013 informeren over de opzet van een Nederlandse prijzenbarometer.

Beleidsregels ACM: mededingingsregels en duurzaamheid

De mededingingsregels worden voor duurzaamheidsinitiatieven en -afspraken door het bedrijfsleven als knellend ervaren. Het mededingingskader biedt echter wel ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, hebben brancheorganisaties de uitnodiging gehad om duurzaamheidsinitiatieven voor te leggen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Dit heeft uiteindelijk geleid tot een kennisbank duurzaamheid, per half maart, op de website van de ACM. Deze kennisbank is bedoeld om organisaties verduidelijking te bieden over wat voor samenwerking binnen het mededingingskader is toegestaan op het terrein van duurzaamheid.

Daarnaast stellen we beleidsregels op voor de NMa (nu ACM) met daarin aanwijzingen voor het bieden van ruimte voor afspraken in de agroketen over publieke belangen als dierenwelzijn en milieu. De beleidsregels zijn in concept gereed (bijlage 3)3. De concept beleidsregels gaan over alle sectoren en zijn gericht op duurzame ontwikkeling: de bescherming van milieu, ecologie, dierenwelzijn en volksgezondheid.

Hierbij kan onder meer gedacht worden aan ontwikkelingen in productiemethoden die milieuvervuiling tegengaan of ontwikkelingen van productiemethoden van voedsel die gevaren voor de gezondheid van de mens tegengaan. Bij de beleidsregels worden de mogelijke voordelen voor de gebruikers op latere leeftijd, toekomstige generaties gebruikers en, in voorkomend geval, de voordelen voor de samenleving als geheel meegewogen. Hiermee wordt een breder welvaartsbegrip gehanteerd dan nu het geval is.

Het beoogde effect van de beleidsregels is dat de ruimte die het mededingingsrecht biedt om duurzaamheidsafspraken te maken beter wordt benut door meer duidelijkheid te bieden over de beoordeling hiervan door de ACM. Tevens bieden de beleidsregels aan ondernemingen handvatten door de verschillende voor duurzame ontwikkeling kenmerkende aspecten te benoemen waar rekening mee moet worden gehouden in deze beoordeling.

Na een consultatieronde worden de concept beleidsregels voorgelegd aan de ACM voor een uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidtoets (UHT). Daarna stelt de Minister van Economische Zaken naar verwachting dit najaar de definitieve beleidsregels vast en informeert uw Kamer hierover.

5. Voedselzekerheid

Mijn inzet op voedselzekerheid is gericht op een wereldwijde duurzame economische ontwikkeling in de agrosector, als motor voor een leefbaar inkomen en productieve werkgelegenheid. Deze inzet loopt langs een aantal samenhangende sporen: productiviteitsverbetering, duurzame efficiënte ketens, verbeterde markttoegang en een beter ondernemersklimaat.Met Nederlandse kennis en kunde in de landbouwsector kunnen overheid, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties een belangrijke bijdrage leveren aan landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in de wereld.

Acties

Versterken voedselzekerheid

Nederland heeft in de afgelopen jaren sterk ingezet op de agendering van de samenhang tussen landbouw, voedselzekerheid en klimaatverandering en zet middels concrete acties in op een transitie naar Climate Smart Agriculture.

De conferentie Agriculture, Food Security and Climate Change, die Nederland, Wereldbank en FAO in november 2010 in Den Haag organiseerden, werd afgesloten met een actieplan dat in de afgelopen periode is geïmplementeerd. Het actieplan is vernieuwd en aangevuld op een follow-up conferentie in Vietnam in september 2012. Zuid-Afrika zal de volgende conferentie hierover organiseren. Het is de bedoeling dat op initiatief van een aantal landen – waaronder Nederland – en de Wereldbank daar de Alliance for Climate Smart Agriculture wordt opgericht. Zo'n 75 landen zullen daar aan gaan deelnemen. Deze Alliance zal concrete programma’s in verschillende landen gaan opzetten.

Deze aandacht voor het versterken van voedselzekerheid heeft een belangrijke mariene component. Dagelijks zijn een miljard mensen afhankelijk van vis als hun primaire eiwitbron en oceanen zijn bovendien onmisbaar voor een breed palet aan economische activiteiten. Inzet om de oceanen gezond te houden is daarom cruciaal voor voedselzekerheid en duurzame economische groei. Daarom wil ik de Global Oceans Action Summit for Food Security and Blue Growth organiseren in Den Haag, samen met de Wereldbank, FAO en een aantal andere partners. Hierover heb ik u reeds geïnformeerd (TK 30 196, nr. 193). Vanwege de vele initiatieven die thans worden opgezet en deze te verzilveren wordt deze Summit niet in september van dit jaar maar in februari volgend jaar gehouden.

Internationale agenda’s van de topsectoren

De topsectoren Agri&food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen ontwikkelen momenteel hun internationale agenda’s. Zij maken daarbij, waar relevant, ook optimaal gebruik van het beschikbare overheidsinstrumentarium. Het Ministerie van Economische Zaken faciliteert voorts de internationalisering van de topsectoren door deuren te openen in landen waar de overheid nog een grote rol heeft in de economie, door markttoegangsproblemen proactief aan te pakken en publiek-private partnerschappen te stimuleren. Hiertoe zal mijn departement de samenwerking met de topsectoren Agri&food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen versterken. Hiermee beoog ik ook de rol van de overheid binnen concrete internationaliseringinitiatieven van de beide topsectoren in de «gouden driehoek» te bevorderen.

Met de instelling van een strategisch aanspreek- en ondersteuningspunt («Agro business development unit») zal ik specifieke internationaliseringsinitiatieven beter en intensiever ondersteunen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer