Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135570-IX nr. 2

Tweede Kamer der Staten-Generaal

35 570 IX Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2021

Ontvangen 15 september 2020

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Vergaderjaar 2020–2021

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven IX Financiën verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 9.264,6 mln.

Figuur 2 Geraamde ontvangsten IX Financiën (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 156.369,1 mln.

Figuur 3 Geraamde belastingontvangsten IX Financiën verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 154.137,9 mln.

Figuur 4 Geraamde niet-belastingontvangsten IX Financiën verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 2.231,2 mln.

Figuur 5 Geraamde uitgaven IX Nationale Schuld verdeeld over beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 22.457,6 mln.

Figuur 6 Geraamde ontvangsten IX Nationale Schuld verdeeld over beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 65.873,3 mln.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Artikelen 1, 2 en 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Artikel 4

A

Met dit voorstel wordt er een zogenaamde niet-departementale begroting aan de rijksbegroting toegevoegd. Het gaat om de begroting van het Nationaal Groeifonds (NGF). Deze aanpassing is conform artikel 7.40 van de Comptabiliteitswet voor overleg aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd. De Algemene Rekenkamer heeft op 31 augustus jl. gereageerd met mogelijke alternatieven en aandachtspunten voor het NGF. De Algemene Rekenkamer constateert dat de opzet van het NGF om een begrotingsfonds met een instellingswet vraagt, omdat het doel is om meerjarig middelen apart te zetten ten behoeve van bepaalde uitgaven die niet regulier en gelijkmatig over de jaren zijn verspreid.

De reden waarom er is gekozen voor een niet-departementale begrotingswet boven een Instellingswet voor een begrotingsfonds is hoofdzakelijk de snelheid waarmee het NGF wordt geïntroduceerd. Het opstellen van een instellingswet voor een begrotingsfonds op basis van artikel 2.11 van de CW 2016 is gelet op de gebruikelijke doorlooptijd van de reguliere wetgevingsprocedure niet haalbaar en is daarom niet wenselijk.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de memorie van toelichting van de begrotingswet van Financiën aangevuld met de doelstelling, de doelomschrijving en het hanteren 100%-eindejaarsmarge voor het NGF. Met de 100%-eindejaarsmarge wordt voorkomen dat geld een bestemming gaat zoeken en gelden ondoelmatig worden besteed. Door de wijzigingen en de omschrijving in de begrotingswet van het NGF is het voor het parlement duidelijk waarop het de regering kan controleren. Het kabinet is van oordeel dat het NGF met de doorgevoerde aanpassingen en de begroting 2021 van het NGF (blanco advies van de RvS ontvangen) wettelijk is verankerd. Gelet op voorgaande kunnen het parlement en de Algemene Rekenkamer de regering goed controleren.

Nederland is een van de meest concurrerende economieën van Europa. Dit laat onverlet dat Nederland voor grote opgaven staat, zoals een afgenomen productiviteitsgroei, een toenemende vergrijzing, een veranderde geopolitieke context, klimaatverandering en meer recent de economische gevolgen van de coronacrisis. Nederland moet een ondernemers- en vestigingsklimaat blijven bieden dat inspeelt op de bedrijvigheid van straks. Het is wenselijk dat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te ondernemen. In de toekomst zal de welvaartsgroei ten dele op een andere manier moeten worden gegenereerd dan tot nu toe. Het verdienmodel van de toekomst moet evenwichtig zijn en milieu, mensen en samenleving respecteren. Nederland moet een aantrekkelijk land blijven om in te leven.

In de Miljoenennota 2020 is aangekondigd dat het kabinet een investeringsfonds opricht om het verdienvermogen van Nederland (het structureel bbp) duurzaam te vergroten. Dit groeifonds vloeit voort uit de eind vorig jaar verschenen groeistrategie. In deze groeistrategie constateert het kabinet dat er aanleiding is voor extra investeringen, van incidentele en niet-reguliere aard, om het verdienvermogen te versterken. Vooral binnen (1) kennisontwikkeling, (2) research & development (R&D) en innovatie en (3) infrastructuur liggen kansen om de productiviteit te verhogen. Ook experts en internationale instellingen, zoals IMF en de Europese Commissie hebben Nederland geadviseerd de investeringen op deze drie terreinen significant te verhogen.

Het oprichten van een specifiek geoormerkt groeifonds heeft als voordeel ten opzichte van additionele investeringen via de reguliere beleidsbegrotingen dat een schaalsprong op de lange termijn op het gebied van infrastructuur, R&D, innovatie en kennisontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Om de doelstelling van het versterken van het verdienvermogen van Nederland op de lange termijn separaat in beeld te houden en te beheren, is gekozen voor een aparte (niet-departementale) begroting. Een niet-departementale begroting biedt bovendien ruimte om projecten op de verschillende beleidsterreinen integraal tegen elkaar af te wegen en de beste projecten te selecteren.

De nieuwe bepaling in de Comptabiliteitswet 2016 (CW 2016) vormt de juridische grondslag voor het NGF.

Doelstelling van het NGF is het duurzaam versterken van het verdienvermogen door het structurele vergroten van het bruto binnenlands product. Het streven is om een hogere economische groei te realiseren door de productiviteit van de Nederlandse economie te vergroten. Hiermee neemt het nationale inkomen in de toekomst toe. Dit verhoogt de bestedingsruimte van huishoudens, bedrijven en de belastinginkomsten.

Het NGF kan een bijdrage toekennen via een budgetoverheveling in de vorm van een desaldering aan een andere begroting om vanuit daar te investeren. In dat geval wordt op de ontvangende begroting een ontvangst vanuit het NGF zichtbaar, waar de daadwerkelijke investeringsuitgave tegenover staat. Investeringen in Mobiliteitsinfrastructuur zullen in principe worden gedaan door bijdragen te doen aan het Mobiliteitsfonds. De daadwerkelijke investering wordt dan vanuit het Mobiliteitsfonds gedaan (of in het geval van waterinfrastructuur vanuit het Deltafonds). Voor R&D en Innovatie en kennisontwikkeling hangt het af van het type investering. Waar een investering nauwe aansluiting vindt bij bestaand beleid en budget kan besteding via de begroting van het desbetreffende departement plaatsvinden. In andere gevallen kunnen uitgaven in de toekomst - indien dit door de Staten-Generaal wordt gewenst direct vanuit de niet-departementale begroting worden gedaan. De fondsbeheerders zullen per geval bezien welke vorm het meest voor de hand ligt. Aanvankelijk is het echter niet de bedoeling dat het NGF direct gaat investeren vanuit de eigen begroting, maar zullen middelen worden verdeeld naar de departementale begrotingen. Dit heeft als voordeel dat er op basis van de regels en procedures van de departementen wordt verplicht en betaald, zodat de Staten-Generaal de toevoeging aan de departementale begrotingen en de onttrekkingen aan het NGF kan goedkeuren via een begrotingswet.

Voor de niet-departementale begroting geldt een 100%-eindejaarsmarge voor de middelen uit het NGF, waardoor het beschikbare budget kan worden meegenomen naar volgende jaren. Dit is conform de afspraken in de praktijk. De afgelopen jaren is bijvoorbeeld een 100%-eindejaarsmarge is gehanteerd op het investeringsartikel van de begroting van Defensie. Als er geen goede projecten zijn, is het immers niet de bedoeling dat het budget toch wordt uitgegeven. Het NGF krijgt daarnaast een stabiel jaarlijks budget, om de continuïteit van de investeringen te waarborgen. Door een 100%-eindejaarsmarge te hanteren voor de middelen uit de niet-departementale begroting wordt het risico op ‘geld zoekt project’ verder verkleind, waardoor het beschikbare budget kan worden meegenomen naar volgende jaren en bestemd blijft voor het NGF. Eventuele onderuitputting op het NGF leidt hierdoor ook niet tot uitgavenruimte voor andere doeleinden.

B

Dit artikel regelt de toewijzing van het beheer van de niet-departementale begroting van het Nationaal Groeifonds aan de minister van Economische Zaken en Klimaat, als verantwoordelijk zijnde voor het macro-economisch beleid.

De minister van Financiën W.B. Hoekstra

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. Leeswijzer

Het werkterrein van het ministerie van Financiën

Voor u ligt de begroting 2021 van het ministerie van Financiën, begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld) van de Rijksbegroting. In de begroting staan de belangrijkste beleidsdoelen voor 2021 en de financiële gevolgen hiervan. Simpel gezegd: wat wil de minister van Financiën bereiken in 2021, hoe wil de minister dit doen en met welke middelen?

De minister van Financiën is onder meer verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van:

  • 1. het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;

  • 2. het begrotingsbeleid en een doelmatig beheer van de rijksfinanciën;

  • 3. het staatsschuldbeleid en het financieringsbeleid;

  • 4. het fiscale beleid;

  • 5. het beleid omtrent financiële markten;

  • 6. het heffen, controleren en innen van de belastingen;

  • 7. het toeslagenbeleid (alleen uitvoering).

Het algemeen financieel-economische beleid en het begrotingsbeleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota. Daarin worden ook de belastingontvangsten toegelicht. Het fiscale beleid komt op hoofdlijnen aan bod in deze begroting; in het Belastingplan wordt gedetailleerd ingegaan op de veranderingen in het fiscale beleid. De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

Waar relevant wordt in de begroting verwezen naar kamerstukken of andere beschikbare begrotingsinformatie. De Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en de Comptabiliteitswet (CW) vormen het regelgevend kader voor de begroting.

Vanwege tussentijdse afrondingen op duizenden, miljoenen of miljarden euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

Opbouw van de begroting

De begroting IX is opgebouwd uit tien beleidsartikelen en twee niet-beleidsartikelen. De beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën (IXB) zijn:

  • artikel 1 Belastingen;

  • artikel 2 Financiële markten;

  • artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector;

  • artikel 4 Internationale financiële betrekkingen;

  • artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen;

  • artikel 6 Btw-compensatiefonds;

  • artikel 9 Douane;

  • artikel 13 Toeslagen.

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • artikel 8 Apparaat kerndepartement;

  • artikel 10 Nog onverdeeld.

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld (IXA) zijn:

  • artikel 11 Financiering staatsschuld;

  • artikel 12 Kasbeheer.

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft allereerst de beleidsprioriteiten weer. Dit zijn de belangrijkste beleidsdoelen van het ministerie van Financiën. Ook bevat dit hoofdstuk een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige mutaties, van de niet-juridisch verplichte uitgaven, de strategische evaluatie agenda (SEA) en een overzicht van de risicoregelingen.

In hoofdstuk 3 komen de beleidsartikelen Financiën aan bod, in hoofdstuk 4 de niet-beleidsartikelen en in hoofdstuk 5 de beleidsartikelen Nationale Schuld. Waar relevant en beschikbaar worden indicatoren of kengetallen opgenomen om te laten zien wat de doelstellingen zijn (zie ook de Groeiparagraaf hieronder). Elk beleidsartikel bevat onder andere een onderdeel Beleidswijzigingen waarin wordt aangegeven wat de belangrijkste wijzigingen in het beleid zijn en de gevolgen hiervan. Zowel de beleidsartikelen als de niet-beleidsartikelen bevatten een tabel Budgettaire gevolgen van beleid met een financiële toelichting van de belangrijkste posten.

Tot slot zijn vijf bijlagen opgenomen. Bijlage 1 geeft een overzicht van Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s). Bijlage 2 is een verdiepingsbijlage met de belangrijkste budgettaire mutaties per artikel, bijlage 3 geeft het overzicht met moties en toezeggingen, bijlage 4 bevat een toelichting op de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Als laatste volgt de lijst van afkortingen (bijlage 5).

Financiering staatsschuld en kasbeheer (Nationale Schuld)

Sinds 2013 behandelt begroting IX tevens de schuld van de Nederlandse Rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen, en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in artikel 11 Financiering staatsschuld behandeld. Het geïntegreerd middelenbeheer wordt behandeld in artikel 12 Kasbeheer. De artikelen worden middels een aparte begrotingsstaat vastgesteld.

De begroting van de Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen. De eerste eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten op transactiebasis worden verantwoord, in plaats van op kasbasis zoals bij alle andere onderdelen van de Rijksbegroting. Dit is vastgelegd in de CW 2016, artikel 2.19. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR) 2010. De tweede eigenschap is dat er voor beide artikelen wordt uitgegaan van het principe dat de aangegane financiële verplichtingen gelijk zijn aan de uitgaven (kas = verplichtingen). Beide artikelen kennen geen verplichting om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

Financiële instrumenten

Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiële instrumenten. Het ministerie van Financiën maakt daarom, naast de standaard financiële instrumenten zoals opdrachten en garanties, ook gebruik van drie eigen instrumenten: financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking), rente, en rekening-courant en deposito’s.

Het instrument financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking) wordt gebruikt op artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector bij onder meer kapitaalinjecties in staatsdeelnemingen en dividendontvangsten. De definitie van financiering is als volgt: «van een financiering wordt gesproken, indien een financiële bijdrage aan een wederpartij wordt verstrekt als kapitaalverschaffing voor een investeringsgoed of als algemene vermogensverschaffing voor die wederpartij (een instelling, bedrijf of onderneming). Als een financiële bijdrage wordt verstrekt in de exploitatiesfeer, wordt gesproken van bekostiging. Bij een financiering voert de organisatie die de financiering ontvangt, de kapitaalverstrekking als kapitaalontvangst op de balans op». Van een staatsdeelneming is sprake als de Staat aandelen bezit in een privaat bedrijf.

Het instrument rente komt onder meer terug op artikel 11 en 12 over de financiering van de staatsschuld en het kasbeheer. Op artikel 11 en 12 wordt daarnaast gebruik gemaakt van het instrument leningen. In tegenstelling tot de meeste leningen op de Rijksbegroting gaat het op artikel 11 om leningen die aan de Staat verstrekt worden voor de financiering van de staatsschuld. Op artikel 12 is ook het instrument rekening-courant en deposito’s opgenomen. Het gaat hier om de bankrekeningen waarop geldstromen van decentrale overheden, de sociale fondsen en andere aan de Rijksoverheid gelieerde instellingen in- en uitvloeien.

Groeiparagraaf

Het ministerie van Financiën werkt doorlopend aan stapsgewijze verbeteringen in de informatievoorziening aan de Kamer en de burger. Dit is een samenspel van eigen ambities en inzichten, en wensen vanuit de Kamer. Ten opzichte van de begroting Financiën en Nationale Schuld 2020 zijn meerdere verbeteringen doorgevoerd. De volgende verbeteringen zijn zichtbaar in deze begroting.

Voor artikel 1 Belastingen bevat de begroting voor 2021 een vernieuwde set van indicatoren1 die moet zorgen voor een beter inzicht in de mate waarin de Belastingdienst de naleving bevordert door burgers en bedrijven een adequate behandeling te geven, effectief te informeren, gemak te bieden en op gepaste wijze corrigerend op te treden. We kiezen daarbij voor een groeipad. Niet alle indicatoren zijn direct meetbaar. Op de tussendoelen met betrekking tot adequate behandeling, gemak en corrigerend optreden worden nog aanvullende indicatoren ontwikkeld voor de Ontwerpbegroting 2022.

Aanvulling artikel 9 Douane

Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden de indirecte uitgaven ten behoeve van de douaneprocessen in artikel 9 Douane middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht. De toerekening vindt plaats voor alle dienstonderdelen van de Belastingdienst die uitgaven doen ten behoeve van de douaneprocessen, met uitzondering van het dienstonderdeel Informatievoorziening (IV). Vanaf de ontwerpbegroting 2022 zullen ook de kosten voor IV toegerekend worden aan Douane.

In de begroting 2020 is reeds een vernieuwing aangebracht in de indicatoren van artikel 9 Douane. Het gaat om de additionele indicator: uitvoering afspraken niet-fiscale taken. Dit was aanvullend op de al bestaande indicatoren ‘juiste invoeraangiften’ en ‘waardering bedrijfsleven’. Naast de directe kosten voor Douane zijn in deze begroting ook de indirecte kosten inzichtelijk gemaakt. Ook zijn in deze begroting als indicatoren het percentage tijdig binnen de Awb-termijn door Douane afgehandelde bezwaren en het percentage tijdig afgehandelde klachten opgenomen.

Oprichting artikel 13 Toeslagen

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geïntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 13 Toeslagen. De Tweede en Eerste Kamer zijn eerder per brief op de hoogste gesteld van de oprichting van het begrotingsartikel.

Aangezien Toeslagen een dienstonderdeel is van de Belastingdienst en dus tot nu toe in de begroting IX onderdeel uitmaakte van artikel 1 Belastingen, betekent het oprichten van een apart begrotingsartikel Toeslagen dat artikel 1 Belastingen wordt opgedeeld.

Artikel 13 Toeslagen bevat de beleidsmatige informatie over Toeslagen en informatie over de aan Toeslagen gerelateerde verplichtingen, uitgaven en ontvangsten. Het artikel betreft op budgettair gebied voor de begroting 2021 enkel de apparaatsbudgetten (personele en materiële uitgaven en apparaatsontvangsten), programma-uitgaven en verplichtingen die direct aan het dienstonderdeel Toeslagen kunnen worden toegerekend. Overige indirecte uitgaven die betrekking hebben op Toeslagen, bijvoorbeeld voor huisvesting, worden gedaan door andere dienstonderdelen binnen de Belastingdienst en blijven derhalve voor de begroting 2021 vermeld op artikel 1 Belastingen. De indirecte verplichtingen zullen in de komende jaren opgenomen worden onder artikel 13.

Voor het nieuwe begrotingsartikel 13 Toeslagen zijn op vergelijkbare wijze als in artikel 1 een aantal nieuwe subjectieve indicatoren voor Toeslagen opgenomen. Dit betreft bijvoorbeeld het gemak dat burgers ervaren bij het aanvragen en muteren van hun toeslagen en de mate waarin burgers ervaren dat zij toereikend door Toeslagen geïnformeerd worden over hun rechten en plichten. Ook voor deze indicatoren geldt dat deze niet direct meetbaar zijn. Om de ervaring van burgers vanaf 2021 inzichtelijk te maken, wordt in 2020 een meetinstrument ontwikkeld. Daarnaast zijn in het nieuwe artikel 13 de voor de Belastingdienst generiek geldende indicatoren specifiek inzichtelijk gemaakt voor Toeslagen. Dit betreft het percentage tijdig binnen de Awb-termijn door Toeslagen afgehandelde bezwaren en het percentage tijdig door Toeslagen afgehandelde klachten, het aantal klachten en het percentage klanttevredenheid.

2. Beleidsagenda

2.1.1. Beleidsprioriteiten

Inleiding

Bij het ministerie van Financiën gaan we over het geld. Niet als doel, maar in dienst van een financieel gezond Nederland. Wij bewaken de balans tussen inkomsten en uitgaven en zien toe op het goede functioneren van het financiële stelsel. Wij richten ons op het belang van de samenleving als geheel, op korte én lange termijn en zijn ons daarbij bewust van de impact van wat wij doen op alle burgers en bedrijven.

In 2020 is de economische situatie als gevolg van de COVID-19 crisis omgeslagen van een hoogconjunctuur met een historisch lage werkloosheid naar een forse economische neerval. Het coronavirus heeft een grote impact op onze economie, op huishoudens en ondernemers. Het kabinet heeft met omvangrijke noodmaatregelen banen en inkomens zoveel mogelijk beschermd. Dat heeft tot nu toe de economische schade beperkt en ervoor gezorgd dat veel mensen aan het werk kunnen blijven. Desondanks is het bij een economische crisis van deze omvang onvermijdelijk dat veel Nederlanders hier de gevolgen van zullen ondervinden.

De recessie en de getroffen noodmaatregelen zorgen voor een historische verslechtering van de overheidsfinanciën. Vanwege de goede uitgangspositie is hier ruimte voor. De economische ontwikkeling in de komende periode is echter zeer onzeker. Het tweede noodpakket, dat tot oktober 2020 loopt, is nog steeds bedoeld om banen te behouden en de grootste effecten van de crisis te dempen. In de volgende fase is het de uitdaging om het steunbeleid zo in te richten dat de economie zich kan aanpassen.

Aan het eind van deze beleidsagenda is een overzicht opgenomen van de noodmaatregelen die in 2020 op de begroting van het ministerie van Financiën zijn genomen. Sommige van deze noodmaatregelen werken mogelijk door in de begroting van 2021. Het ministerie van Financiën blijft nauw betrokken bij de bestrijding van zowel de korte- als langetermijneffecten van de crisis en zal waar nodig extra maatregelen treffen. Zie de Miljoenennota 2021 voor een uitgebreide toelichting op de bredere effecten van de crisis op de economie en op de kabinetsbreed genomen noodmaatregelen.

Beleidsprioriteiten 2021

Om op evenwichtige besluitvorming, efficiënte uitvoering en effectiviteit te kunnen sturen, stellen we jaarlijks beleidsprioriteiten op. De beleidsprioriteiten van het ministerie voor 2021 zijn onderverdeeld in vijf thema’s. Deze vijf thema’s weerspiegelen het gehele werkterrein van het ministerie van Financiën; zowel binnen de landgrenzen als in Europese en internationale context.

Het ministerie zet zich allereerst in voor een financieel gezond Nederland (thema 1). Naast gezonde overheidsfinanciën op de korte en lange termijn, werkt het ministerie aan het behoud van brede welvaart voor burgers. Met de Operatie Inzicht in Kwaliteit vergroten we onze kennis over het effect van beleid en waarborgen we een doelmatige inzet van publieke middelen nu en in de toekomst. Verder blijft het ministerie zich inzetten voor een stabiele, integere en innovatieve financiële sector en wordt er extra geïnvesteerd in de bestrijding van ondermijning en witwassen.

Stabiliteit in de EU en in de wereld is voor ons land vanwege onze intensieve internationale samenwerking erg belangrijk (thema 2). Met het akkoord over de Europese begroting en een Europees herstelfonds zet Nederland in op een spoedig en robuust herstel van de Europese economie. Andere prioriteiten zijn onder andere het aanpakken van belastingontwijking en -ontduiking op Europees niveau, de herziening van de Europese begrotingsregels (het Stabiliteits- en Groeipact) en het verder uitwerken van de toekomstige relatie met het Verenigd Koninkrijk.

Ook maken we werk van het verduurzamen en vergroenen van de economie (thema 3). Zo is het ministerie via verschillende staatsdeelnemingen en internationale financiële instellingen betrokken bij de energietransitie en stimuleren we de financiële sector om bij te dragen aan de mondiale klimaatopgave. Ook zetten we in op de vergroening van het fiscale stelsel en de ekv-portefeuille.

In 2020 zijn we gestart met de hersteloperatie Toeslagenherstel en de compensatie aan betrokken ouders. Dit zal ook nog gedurende de jaren 2021 en 2022 doorlopen. De afdeling Toeslagen krijgt los van de Belastingdienst een eigen Directoraat-Generaal, we gaan werken aan de kwaliteit van de dienstverlening en we zetten de eerste stappen om het toeslagenstelsel te vernieuwen (thema 4).

Tot slot zet het ministerie zich blijvend in voor een betrouwbare, benaderbare en behulpzame Belastingdienst (thema 5). We investeren in verbetering van de dienstverlening aan burgers en bedrijven en de structurele versterking van de organisatie, terwijl we de stabiliteit van cruciale processen borgen. Ook investeren we in een verbeterde wisselwerking tussen beleid en effectieve uitvoering.

Thema 1: Nederland financieel gezond: stabiliseren en groeien na economische schok COVID-19 crisis

Gezonde en beheersbare overheidsfinanciën

De economische gevolgen van de coronacrisis en noodmaatregelen leiden tot een historisch groot begrotingstekort. Het tekort komt in 2020 naar verwachting uit op ‒ 7,2 procent van het bbp. Ook in 2021 blijft het saldo met ‒ 5,5 procent naar verwachting sterk negatief. Vanuit het trendmatig begrotingsbeleid mogen de belastinginkomsten en de uitgaven aan WW- en bijstand meeademen met de economie. De lagere belastinginkomsten en hogere WW- en bijstandsuitgaven door de crisis leiden hierdoor tot een verslechtering van het saldo. Daar bovenop komen de aanzienlijke noodmaatregelen. Het kabinet kiest er bewust voor met deze maatregelen het saldo te verslechteren, zodat ze niet ten koste gaan van reguliere uitgaven aan bijvoorbeeld zorg, onderwijs en veiligheid. Het hoge begrotingstekort leidt samen met belastinguitstel en de grote economische krimp tot een snelle toename van de schuld. De schuld komt hiermee in 2020 met 59 procent van het bbp in de buurt van de Europese norm van 60 procent. Hoewel er in 2021 nog steeds sprake is van een aanzienlijk begrotingstekort stijgt de schuld maar beperkt verder, tot 61 procent van het bbp. Dit komt door de geraamde groei (noemereffect) en doordat het grootste deel van het belastinguitstel in 2021 alsnog binnen komt.

Er is ruimte binnen de overheidsfinanciën om deze schok op te vangen. De afgelopen jaren draaide de economie op volle toeren, met overschotten op de begroting tot gevolg. Onder de systematiek van het trendmatig begrotingsbeleid staat het niveau van de uitgaven grotendeels vast voor de hele kabinetsperiode. Dit geldt ook voor de beleidsmatige ontwikkeling van de inkomsten. Meevallers in het overheidssaldo leiden in principe dus niet tot extra ruimte op de begroting, maar zorgen voor een snellere opbouw van buffers. Hierdoor daalde de schuld sneller dan werd verwacht bij het Regeerakkoord en werd ruimte gecreëerd voor mindere tijden. Door deze ruimte nu in te zetten om de economie te ondersteunen draagt de overheid bij aan stabiliteit en continuïteit. De crisis illustreert dat schokken zich uit onverwachte hoek kunnen voordoen en snel kunnen leiden tot hoge kosten voor de overheid. Het is daarom zaak ervoor te zorgen dat de begroting ook een volgende crisis even goed zal kunnen doorstaan. Het kabinet heeft aan de 16e Studiegroep Begrotingsruimte gevraagd om advies uit te brengen over de begrotingsdoelstelling en de begrotingssystematiek voor de komende jaren.

Om de overheidsfinanciën ook op de lange termijn gezond te houden, is het belangrijk dat overheidsmiddelen op zo doelmatig mogelijke wijze worden besteed. Het kabinet is daarom in 2018 gestart met de Operatie Inzicht in Kwaliteit om de maatschappelijke toegevoegde waarde van overheidsbeleid en bijbehorende publieke middelen te vergroten. Met deze operatie willen we inzichten verkrijgen op een serie beleidsterreinen. Verder werken we stap voor stap aan verbeteringen van het Rijksbrede evaluatiestelsel én we bieden ondersteuning bij het delen van kennis, de opbouw van vaardigheden en het veranderen van gedrag . In 2021 zetten we dit werk voort met departementale strategische evaluatieagenda’s (SEA) bij de begroting 2021. Ook beginnen we een Rijksbrede pilot om de vindbaarheid van vereiste toelichtingen bij voorstellen conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet te vergroten. En er komt een toolbox beleidsevaluatie. Met de Operatie Inzicht in Kwaliteit verbeteren we zo stapsgewijs het evaluatiestelsel en blijven we inzetten op meer kennis over effecten van beleid en een doelmatige besteding van publieke middelen nu en in de toekomst.

Nieuw financieringskader en gevolgen van de COVID-19 crisis voor de financiering van de staatsschuld

In het nieuwe beleidskader voor schuldfinanciering 2020-2025 is ingezet op een verdere verlenging van de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille: van 6,4 jaar eind 2019 tot richting de 8 jaar eind 2025. Hierdoor worden de huidige lage rentes voor een langere periode vastgelegd en wordt meer budgettaire zekerheid gecreëerd voor de middellange termijn. De looptijd van de portefeuille kan in de tijd fluctueren, bijvoorbeeld als gevolg van veranderingen in de financieringsbehoefte. Daarom is een bandbreedte vastgesteld van 6 tot 8 jaar waarbinnen de gemiddelde looptijd van de staatsschuld mag fluctueren. Daarnaast is de grens voor het renterisicobedrag (RRB) verhoogd van 18 procent naar 30 procent. Het RRB is dat deel van de staatsschuld waarop de rente binnen 12 maanden opnieuw moet worden vastgesteld.

Als gevolg van COVID-19 loopt de staatsschuld flink op. Daarom is begonnen met het uitgeven van meer leningen met een lange looptijd. Het grootste gedeelte van de sterk verhoogde financieringsbehoefte wordt echter in eerste instantie opgevangen door kortetermijnfinanciering. Hierdoor daalt de gemiddelde looptijd van de schuld en loopt het RRB op, waardoor het Agentschap genoodzaakt is hierop bij te sturen. Tevens is met een oplopende staatsschuld de 30 procent RRB-grens nog relevanter geworden. Het Agentschap zal de ontwikkelingen van het RRB en de gemiddelde looptijd nauwlettend volgen en in opvolgende jaren zoveel mogelijk geldmarktfinanciering verschuiven naar leningen met langere looptijden. Zo nodig maakt het Agentschap ook gebruik van rentederivaten om de gemiddelde looptijd en het RRB bij te sturen.

Een stabiele, integere en innovatieve financiële sector en veerkrachtige huishoudens

Sinds de financiële crisis in 2008 zijn er veel nationale, Europese en internationale maatregelen genomen om de financiële sector veerkrachtiger te maken. De COVID-19 crisis heeft eens te meer laten zien hoe belangrijk het is dat banken en verzekeraars voldoende buffers hebben en dat huishoudens veerkrachtig zijn. Eind 2018 heeft het ministerie van Financiën de Agenda voor de financiële sector gepubliceerd.2 In deze Agenda staan drie elementen centraal, die ook in 2021 het beleid ten aanzien van de financiële sector zullen bepalen: stabiliteit, integriteit en innovatie. In 2021 geeft het ministerie uitvoering aan de aangekondigde maatregelen uit de Agenda. De toezichthouders AFM en DNB dragen door hun toezicht ook bij aan een stabiele, integere en innovatieve financiële sector.

Om de stabiliteit van het financiële systeem verder te verbeteren moeten financiële instellingen en huishoudens veerkrachtiger worden. Banken en verzekeraars dienen op stevige tegenslagen voorbereid te zijn. Voor banken is daarom onder andere het kapitaalraamwerk Bazel III aangepast. Tevens zet het ministerie in op een duurzaam bedrijfsmodel voor verzekeraars in de herziening van de Solvency II richtlijn. De Europese onderhandelingen over Bazel III en Solvency II zullen deels in 2021 plaatsvinden. Hierbij worden ook lessen als gevolg van COVID-19 meegenomen. De financiële weerbaarheid van huishoudens is als gevolg van de COVID-19 crisis eveneens onder druk komen te staan. Het ministerie blijft zich inzetten voor het vergroten van die financiële weerbaarheid. Dit gebeurt onder meer samen met de partners van Wijzer in Geldzaken, waarbij de nadruk in 2021 komt te liggen op het vergroten van de vaardigheden bij financieel kwetsbare groepen zodat zij financieel veerkrachtiger kunnen worden. Ook zet het ministerie zich in om hoge hypotheekschulden onder huishoudens te voorkomen.

Wij blijven ons in 2021 ook inzetten om de bankenunie te voltooien. Juist om grensoverschrijdende problemen in de bancaire sector in Europa adequaat te kunnen aanpakken, is na de vorige crisis de bankenunie opgezet. Zo heeft de toezichttak van de ECB, een belangrijk onderdeel van de bankenunie, in een vroeg stadium van de COVID-19 crisis een reeks maatregelen genomen die zijn bedoeld om Europese banken ruimte te geven om de kredietverlening in stand te houden. De afronding van de bankenunie kan verder bijdragen aan het bevorderen van de financiële stabiliteit en een solide, veerkrachtig en transparant Europees bankenstelsel. Voor Nederland blijft het van belang om niet-presterende leningen aan te pakken. Ook bevorderen we het gebruik van asset quality reviews en willen we Europese regels opstellen voor de prudentiële behandeling van staatsobligaties. Juist de gevolgen van COVID-19 onderstrepen het belang van deze onderwerpen. Dit zijn voor Nederland ook belangrijke voorwaarden voor de totstandkoming van een Europees depositogarantiestelsel (EDIS). Voordat risico's via een EDIS worden gedeeld, dienen de bankensectoren van alle lidstaten gezond te zijn en moeten staatsobligaties beter worden gewogen op bankbalansen. Hierbij is het van belang dat we de lessen die we trekken uit de COVID-19-crisis meenemen in de verdere vervolmaking van de bankenunie.

Voorts is de verdere verdieping van de Europese kapitaalmarktunie van groot belang voor Nederland. Goed functionerende grensoverschrijdende kapitaalmarkten dragen bij aan het schokabsorberend vermogen van economieën van de lidstaten door grensoverschrijdend kapitaalbezit. Verdere ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie bevordert eveneens de stimulering van economische groei via efficiënte verdeling van kapitaal en vergroot de mogelijkheden tot financiering, met name voor start- en scale-ups, en mkb-ondernemers. Ook draagt de kapitaalmarktunie bij aan meer investeringsmogelijkheden voor consumenten, waardoor zij beter in staat worden gesteld financiële doelen te halen. Nederland heeft zich in 2019 samen met Frankijk en Duitsland ingezet om de nieuwe Europese Commissie van aanbevelingen te voorzien door de werkgroep NextCMU in te stellen. De Europese Commissie is in 2019 een high level forum gestart. Dat moet in het najaar 2020 leiden tot een nieuwe routekaart van de Commissie voor verdere verdieping van de kapitaalmarktenunie.

Om de tweede pijler integriteit te bevorderen zetten we in op het tegengaan van witwassen en de delicten die hieraan ten grondslag liggen. Daarnaast kijken we met extra aandacht naar terrorismefinanciering. De financiële sector heeft hierin een belangrijk taak. Om witwassen en terrorismefinanciering internationaal aan te pakken, is de Financial Action Task Force (FATF) opgericht. In 2021 vindt een evaluatie plaats waarin de FATF toetst of Nederland voldoet aan de internationale standaarden over het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering. Verder wordt gewerkt aan de introductie van een UBO-register, een openbaar register voor uiteindelijk belanghebbenden (Ultimate Beneficial Owners, UBO’s) voor trusts en vergelijkbare juridische structuren. De Europese Commissie werkt hier in 2021 aan verder aan de hand van het Actieplan tegengaan witwassen en terrorisme financiering. Nederland zal opnieuw actief deelnemen aan de Europese discussies en onderhandelingen.

Verder wil het ministerie werken aan verbetering van gedrag en cultuur in de financiële sector, waarbij de maatschappij meer centraal komt te staan in het denken en doen. Zo zal er in 2021 verder opvolging worden gegeven aan de aanbevelingen van de Commissie Toekomst Accountancysector om de kwaliteit van wettelijke accountantscontroles duurzaam te verbeteren. Hiertoe zijn in 2020 twee kwartiermakers aangesteld en wordt gewerkt aan een wetsvoorstel.

Met betrekking tot de derde pijler innovatie is het van belang dat de financiële sector vernieuwend is en nieuwe technologische ontwikkelingen faciliteert. Daarmee wordt de diversiteit in de sector bevorderd en is de financiële dienstverlening efficiënter. In 2020 is het Fintech actieplan naar de Tweede Kamer gestuurd met daarin maatregelen om onnodige barrières voor financiële innovatie weg te nemen. Op nationaal niveau zal er in 2021 gewerkt worden aan verschillende acties om de ontwikkeling van Fintech in Nederland te bevorderen. Ook de Europese Commissie is bezig een Europese Digital Finance Strategy op te stellen, met daarin onder meer aandacht voor de weerbaarheid tegen cyberaanvallen van financiële instellingen en een regelgevend kader voor crypto's (digitale munteenheden).

Investeringen in bestrijding ondermijning en witwassen

De aanpak van ondermijnende criminaliteit en witwassen heeft onverminderd prioriteit voor het kabinet en het ministerie van Financiën. Naast de hierboven genoemde maatregelen voor een integere financiële sector zal de Belastingdienst en de Douane in 2021 de capaciteit voor de aanpak verder uitbreiden op basis van de eerder toegekende gelden. De minister van Justitie en Veiligheid heeft namens het kabinet aangekondigd de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit de komende jaren te intensiveren. Onderdeel van deze aanpak is de inzet van een multidisciplinair interventieteam ondermijning (MIT). De Belastingdienst zal met de FIOD en de Douane gaan deelnemen aan het MIT. In het kader van de intensivering van de nationale aanpak van de witwasbestrijding en de publiek-private samenwerking (PPS) zullen de Belastingdienst en de FIOD ook in 2021 intensief samenwerken met de partners in het Financieel Expertise Centrum-verband (FEC). Deze samenwerking zorgt ervoor dat we meer signalen van criminaliteit met elkaar in verband kunnen brengen en onderzoeken en maakt dat we gezamenlijk kennis kunnen opbouwen en delen.

Behoud van (toekomstige) brede welvaart

Het uitbreken van de COVID-19 crisis kan zowel op korte als op lange termijn gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de welvaart. Op korte termijn is de koopkrachtontwikkeling erg onzeker. In de koopkrachtplaatjes wordt verondersteld dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ook wel statische koopkracht genoemd). Ontwikkelingen in iemands persoonlijke situatie, zoals verlies van werk of het krijgen van een kind, hebben echter vaak een grotere invloed op het feitelijke niveau van de koopkracht dan de loonontwikkeling of het beleid van het kabinet. Daarom is het steun- en herstelpakket van het kabinet van groot belang om de negatieve impact van COVID-19 op de ontwikkeling van de welvaart zoveel mogelijk te beperken. Behoud van banen en inkomensondersteuning spelen hierin een belangrijke rol.

Voor 2021 stonden al een aantal lastenverlichtingen voor burgers gepland, zoals het verlagen van het basistarief in de inkomstenbelasting en het verhogen van de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Deze maatregelen vinden ondanks de economische neergang onverminderd doorgang. Daarbovenop neemt het kabinet een aantal maatregelen om de koopkrachtontwikkeling gelijkmatiger te verdelen. Alleenstaande AOW’ers en bijstandsgerechtigden profiteren bijvoorbeeld van een schuif van arbeidskorting naar algemene heffingskorting, terwijl ouderen voordeel hebben van een verhoging van de ouderenkorting.

Daarnaast blijft het kabinet inzetten op hervormingen op de arbeidsmarkt. Onderdeel daarvan is het verkleinen van de verschillen in fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers. Door de zelfstandigenaftrek jaarlijks in grotere stappen af te bouwen en daarnaast de afbouw nog acht jaar extra door te zetten, komt de zelfstandigenaftrek structureel uit op € 3.240, tegenover € 7.030 in 2020. Daar tegenover staan maatregelen om een geplande verhoging van de arbeidskorting een jaar naar voren te halen en het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting na 2021 verder te verlagen.

Nationaal Groeifonds

Het kabinet richt het Nationaal Groeifonds op voor publieke investeringen in ons verdienvermogen in de toekomst. Gerichte investeringen in ons verdienvermogen zijn een middel om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan en onze welvaart in brede zin te vergroten. Iedereen kan de vruchten plukken van een groter nationaal inkomen. Zo groeit de bestedingsruimte van huishoudens en bedrijven, zodat de vooruitgang direct voelbaar is in de portemonnee. Daarnaast stijgen de belastinginkomsten voor de overheid, waardoor Nederland ook in de toekomst kan blijven profiteren van hoogwaardige collectieve arrangementen, zoals goede gezondheidszorg, veiligheid en pensioenen. Maar ook van kwalitatief hoogstaand onderwijs, uitstekende infrastructuur en een aantrekkelijke, groene leefomgeving, ook voor volgende generaties. In de Miljoenennota van vorig jaar constateerde het kabinet dat extra investeringen het verdienvermogen kunnen versterken. Vooral binnen (1) kennisontwikkeling, (2) research en development (R&D) en innovatie en (3) infrastructuur liggen kansen om de productiviteit en daarmee het verdienvermogen te verhogen. Om de beste investeringsvoorstellen te selecteren komt het fonds op gepaste afstand van de politiek te staan. Een onafhankelijke commissie zal de investeringsvoorstellen beoordelen op de toegevoegde waarde voor het verdienvermogen en brengt een zwaarwegend en leidend advies uit. Voor het fonds stelt het kabinet voor de komende vijf jaar een bedrag van 20 miljard euro beschikbaar. De begrotingsstukken voor het Nationaal Groeifonds (hoofdstuk 19 van de Rijksbegroting) worden opgesteld onder regie van het ministerie van Economische Zaken & Klimaat.

Thema 2: Nederland in Europa en de wereld

Herziening Europese begrotingsregels (Stabiliteits- en Groeipact)

Een sterke Economische en Monetaire Unie (EMU) vereist gezonde en veerkrachtige nationale economieën met houdbare overheidsfinanciën. Om de houdbaarheid van overheidsfinanciën te bevorderen zijn effectieve Europese begrotingsregels (het Stabiliteits- en Groeipact, SGP) van groot belang. Elke vijf jaar vindt er een evaluatie plaats van de zogenoemde two-pack en six-pack van de SGP-wetgeving. Deze hebben betrekking op zowel de begrotingsregels als de macro-economische onevenwichtigheden procedure (MEOP). De consultatie in het kader van deze evaluatie was gepland voor 2020, waarna de Commissie mogelijk zou komen met voorstellen tot herziening van de regelgeving. Door de COVID-19 uitbraak is dit proces echter grotendeels uitgesteld naar 2021.

Nederland is van mening dat het SGP moet worden hervormd om de effectiviteit te vergroten. Het SGP behoeft volgens het kabinet vooral verbetering op het gebied van naleving en handhaving. Om de handhaving te verbeteren zet Nederland in op het inperken van de flexibiliteit en beoordelingsruimte, het versimpelen van de regels, en het vergroten van de voorspelbaarheid bij de uitvoering van de regels. Voor de effectiviteit van de begrotingsregels is immers vooral van belang dat ze op een consequente, transparante en voorspelbare manier worden gehandhaafd. Nederland is van mening dat houdbare overheidsfinanciën het hoofddoel van het SGP dienen te blijven. Het kabinet zal voorstellen voor aanpassing van het SGP beoordelen op de bijdrage aan het beter bereiken van dit doel.

Brexit: toekomstige relatie EU-VK

Op 31 januari 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaten. In het terugtrekkingsakkoord is een overgangsperiode opgenomen die eindigt op 31 december 2020. Tijdens de overgangsperiode is het de doelstelling om een toekomstig partnerschap met het VK overeen te komen. De uitkomst van de onderhandelingen zal afhangen van het verdere verloop daarvan en in grote mate van de opstelling en inzet van het VK, waarbij dient te worden opgemerkt dat de beschikbare tijd beperkt is en het aantal complexe onderwerpen groot. Om die reden blijft de Nederlandse overheid zich voorbereiden op het scenario dat er geen akkoord, of geen volledig akkoord, wordt gesloten. Het ministerie zal voor de financiële onderwerpen nauw blijven samenwerken met de betrokken stakeholders. Daarnaast zal het ministerie blijven toezien op het nakomen van de financiële verplichtingen door het VK zoals opgenomen in het terugtrekkingsakkoord.

Ongeacht de uitkomst van de onderhandelingen ontstaat er aan het einde van de overgangsperiode een nieuwe buitengrens voor Nederland en de EU. Direct gevolg is dat er voor het goederenverkeer van en naar het VK douaneformaliteiten nodig zijn en dat de Douane toezicht uitoefent. Dit heeft impact op de gehele organisatie van de Douane. De brexit betekent een structurele groei van het aantal aangiftes, inclusief het noodzakelijke toezicht en controle hierop. De brexit betekent ook meer nieuwe klanten en toezicht en controles op nieuwe locaties zoals de ferryterminals. De Douane is inmiddels zo goed mogelijk voorbereid. Naast de samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven bepaalt ook de mate waarin het bedrijfsleven zich voorbereidt in hoeverre de logistieke stromen goed beheersbaar zijn. In een overheidsbrede campagne wordt daarom blijvende aandacht besteed aan communicatie en informatievoorziening richting het bedrijfsleven om hen op te roepen zich voor te bereiden. Aanvullend hierop zetten ook de uitvoerende overheidsdiensten, waaronder de Douane, hier richting het bedrijfsleven acties op, zoals het verzenden van brieven en andere middelen.

Invest International

Eind 2019 is Invest-NL opgericht. Nu loopt het oprichtingstraject voor oprichting van Invest International: een instelling gericht op ondersteuning van Nederlandse bedrijven in het buitenland, die willen bijdragen aan oplossingen voor wereldwijde vraagstukken. Aandeelhouders worden de staat (51 procent) en de Nederlandse Financierings-maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) (49 procent). Voor de investeringstaak wordt (in beginsel) € 833 mln. in tranches beschikbaar gesteld. Invest International zal, net als Invest-NL, een ontwikkeltaak krijgen gesubsidieerd door de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS). De derde taak betreft de uitvoering van een aantal bestaande regelingen voor BHOS die nu door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden uitgevoerd. Momenteel loopt een wetstraject dat de minister van Financiën machtigt tot oprichting van de vennootschap en dat de doelstelling en taken bepaalt. De oprichting kan na afronding van dit traject plaatsvinden en is voorzien in maart 2021.

Vestigingsklimaat

Dit kabinet vindt het belangrijk dat Nederland een land blijft waar bedrijven met reële economische activiteiten willen investeren en zich willen vestigen. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt bepaald door wat Nederland te bieden heeft in vergelijking met omringende en concurrerende landen. Daarbij kunnen ook fiscale factoren een belangrijke rol spelen. In dit kader stelt dit kabinet voor het Vpb-tarief in de eerste tariefschijf te verlagen van 16,5% naar 15%. Verder wordt in het pakket Belastingplan 2021 voorgesteld om de eerste tariefschijf – waar vanaf 2021 het lage vennootschapsbelastingtarief van 15% op van toepassing is – te verlengen (van thans € 200.000) naar € 245.000 in 2021 en € 395.000 in 2022. Het midden-en kleinbedrijf zal hier in belangrijke mate van profiteren. Bedrijven die meer investeren of investeringen naar voren halen worden daarin met ingang van 1 januari 2021 gestimuleerd door een korting op de afdracht van de loonheffingen. Deze regeling draagt voor de betreffende bedrijven bij aan het verlagen van de werkgeverslasten.

Daarnaast speelt ook een gunstig netwerk van belastingverdragen een rol bij de aantrekkelijkheid van het fiscale vestigingsklimaat. Daarom wordt ook in 2021 ingezet op het versterken van het Nederlandse belastingverdragennetwerk. Begin 2021 zal de onderhandelingsagenda voor dat jaar gepubliceerd worden.

De inspanningen van de Douane werpen daarnaast hun vruchten af. Verschillende internationale indexen laten zien hoe het in de wereld is gesteld met logistiek en grensafhandeling. Nederland en de Douane staan daarin steevast hoog genoteerd. Ook het Nederlandse bedrijfsleven geeft de Douane goede beoordelingen in vergelijkende onderzoeken. Dit zijn relevante signalen voor Nederland, want mede op basis van dit soort ranglijsten bepalen multinationale bedrijven waar zij hun fabrieken en distributiecentra vestigen. Het optreden en de reputatie van de Douane zijn daarmee dus van invloed op de Nederlandse economie, werkgelegenheid en welvaart.

Aanpak internationale belastingontduiking en -ontwijking

Het kabinet wil de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking voortvarend voortzetten. Zo heeft het kabinet aangekondigd per 2024 aanvullende maatregelen te nemen tegen dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties. Het kabinet zal in het voorjaar van 2021 een wetsvoorstel hiertoe indienen bij de Tweede Kamer. Deze maatregelen zijn in aanvulling op de Wet bronbelasting 2021 die per 1 januari 2021 in werking treedt. Met de Wet bronbelasting 2021 introduceert het kabinet een bronheffing op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties. Doel van deze wet is te voorkomen dat Nederland nog langer functioneert als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties. Hiermee wordt ook het risico verkleind dat de Nederlandse belastinggrondslag verschuift naar deze jurisdicties. In lijn met een aanbeveling van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals zal dit kabinet in het voorjaar van 2021 met een afzonderlijk wetsvoorstel komen om het arm’s-lengthbeginsel aan te passen in gevallen dat er bij een neerwaartse bijstelling van de winst in Nederland in een ander land – kortgezegd – geen of een te lage corresponderende bate in aanmerking wordt genomen. Op die manier worden mogelijke mismatches weggenomen en loopt Nederland internationaal meer in de pas.

Ook worden bestaande maatregelen tegen belastingontwijking aangescherpt, waaronder een specifieke renteaftrekbeperking en de samenloop tussen de hybridemismatchmaatregelen en bepaalde renteaftrekbeperkingen. Ten slotte steunt Nederland initiatieven om tot een verdere internationaal gecoördineerde aanpak van belastingontwijking te komen. Zo draagt Nederland actief bij aan het project van de OESO en het Inclusive Framework om tot oplossingen te komen voor de uitdagingen van digitalisering van de economie op het gebied van de winstbelasting. Toch zal wetgeving alleen niet de oplossing zijn. Het bedrijfsleven en belastingadviseurs vervullen vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid hierin ook een essentiële rol. De ontwikkeling van een tax governance code geeft verdere invulling aan die maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Thema 3: Verduurzaming en vergroening van de economie

Vergroening fiscaal stelsel

Uitvoering fiscale maatregelen Regeerakkoord

In het regeerakkoord zijn onder meer afspraken gemaakt over het invoeren van een minimum CO2-prijs voor de uitstoot bij elektriciteitsproductie en over het invoeren van een vliegbelasting. Wat betreft de minimum CO2-prijs voor elektriciteitsopwekking heeft het kabinet op 4 juni 2019 een wetsvoorstel ingediend. De maatregel zal worden ingevoerd nadat deze door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen. Met betrekking tot de vliegbelasting heeft het kabinet een voorkeur voor een Europese belasting op de luchtvaart. Zolang deze er niet is, zet het kabinet in op een nationale vliegbelasting. Hiertoe heeft het kabinet op 14 mei 2019 een wetvoorstel ingediend voor een nationale vliegbelasting van € 7 per vertrekkende passagier. Dit wetsvoorstel is inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer en ligt ter behandeling in de Eerste Kamer.

Klimaatakkoord: op weg naar Parijs.

Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het voorstel voor het Klimaatakkoord naar de Tweede Kamer gestuurd3. Dit akkoord bevat voor de sectoren industrie, elektriciteit, landbouw, mobiliteit en gebouwde omgeving uitgewerkte plannen om broeikasgasemissies tegen te gaan. Dit met als zichtjaar 2030. Voor het kabinet staat voorop dat de reductieopgave van 49 procent wordt gehaald op een manier die voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Dat betekent dat we de huishoudportemonnee zoveel mogelijk ontzien en dat we zorgen voor een eerlijke verdeling van lasten tussen huishoudens en bedrijven. Fiscale maatregelen spelen vooral een belangrijke rol binnen de sectoren mobiliteit, gebouwde omgeving en industrie. De fiscale onderdelen van het Klimaatakkoord zijn ingevoerd met het wetsvoorstel fiscale maatregelen Klimaatakkoord, als onderdeel van het pakket Belastingplan 2020. Een uitzondering is de CO2-heffing voor de industrie. Deze vergt meer uitwerkingstijd. Het betreffende wetsvoorstel zal deel uitmaken van het Belastingplanpakket 2021. Daarnaast doet het kabinet, ten behoeve van de volgende kabinetsformatie, onderzoek naar betalen naar gebruik als nieuwe vorm van autobelastingen.

Er is daarnaast een start gemaakt met het verduurzamen van woningen. De fiscaliteit speelt daarbij onder andere een rol omdat de energiebelasting aangepast zal worden. De belasting op aardgas wordt de komende jaren in de eerste schijf stapsgewijs verhoogd en de belasting op elektriciteit stapsgewijs verlaagd.

In 2020 is het rapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel verschenen, met daarin mogelijkheden die kunnen bijdragen aan verdere fiscale vergroening. Denk bijvoorbeeld aan het uitfaseren van vrijstellingen en uitzonderingen in auto- en energiegerelateerde belastingen. Het is aan een volgend kabinet om daar keuzes in te maken.

Een financiële sector die bijdraagt aan de verduurzaming van de economie

In 2021 zet Nederland zich op nationaal en Europees niveau in om de financiële sector te betrekken bij de mondiale klimaatopgave. De financiële sector (banken, pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders) heeft met diens zogenoemde klimaatcommitment het initiatief genomen om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Akkoord van Parijs en het Klimaatakkoord. Jaarlijks zal de sector een overkoepelende rapportage opstellen met een verslag van de inspanningen en resultaten. Hiertoe is er in 2020 een commissie opgericht, de Commissie Financiële Sector Klimaatcommitment (CFSK). De commissie zal jaarlijks een rapportage aanbieden aan de minister.

In 2021 zetten we verdere stappen om de financiële sector zo maatschappelijk verantwoord mogelijk te laten ondernemen. Het ministerie van Financiën verwacht van de financiële sector dat die de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) en OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen naleeft en daardoor misstanden in de keten voorkomt, signaleert, aanpakt en hierover rapporteert. In 2021 zullen we samen met de sector, ngo’s en vakbonden verder inzetten op het voldoen aan de zogenaamde Environmental, Social and Governance (ESG)-criteria, binnen de convenanten voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). Bijvoorbeeld door de sector handvatten te bieden om te voldoen aan de OESO-richtlijnen en de UNGP’s. We zullen de voortgang van de financiële sector op dit gebied monitoren. Op zowel nationaal als Europees niveau zet het ministerie van Financiën zich in om een gelijk speelveld te creëren op het gebied van IMVO.

Energietransitie deelnemingen

De staatsdeelnemingen Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam en TenneT spelen een belangrijke rol in de energietransitie. Deze staatsdeelnemingen hebben deze rol de afgelopen jaren stevig verankerd in hun bedrijfsvoering. Vanuit de hoedanigheid van aandeelhouder draagt Financiën bij aan het verdere verduurzamen van de activiteiten van deze staatsdeelnemingen, onder meer door een investeringsvisie te vormen voor de energietransitie .

In 2019 is daarnaast het beleid met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) voor staatsdeelnemingen aangescherpt. In de komende periode gaat Financiën actief en doorlopend het gesprek daarover aan met de deelnemingen. Daarbij zal ook ruimschoots aandacht zijn voor het formuleren van concrete doelstellingen. Over deze doelstellingen zal voor het eerst worden gerapporteerd in het Jaarverslag Beheer Deelnemingen 2020, dat verschijnt in het voorjaar van 2021.

Klimaat doelstellingen Internationale Financiële Instellingen (IFI’s)

Multilaterale banken spelen een centrale rol in de architectuur voor financiering van klimaatactie, met name in ontwikkelingslanden. Nederland blijft daarom de Europese Investeringsbank en de regionale investeringsbanken, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de Aziatische Infrastructuur Investeringsbank vragen om leiderschap te tonen ten aanzien van klimaatambitie.

Nederland zet zich er in de gesprekken met deze banken voor in dat zij hun financiering van klimaatprojecten in de publieke, private en financiële sector in partnerlanden verder uitbreiden, hun portefeuilles in lijn brengen met de Parijsdoelstellingen en de financiering van fossiele brandstoffenprojecten verminderen. Bovendien vragen wij hen om klimaat prominent op te nemen in de gesprekken met ontvangende landen en in de nieuwe landenstrategieën.

Ook in de respons op en het herstel na de COVID-crisis spelen multilaterale banken een grote rol. Nederland vraagt daarom aandacht voor bestaande klimaatdoelen bij de totstandkoming van de economische herstelmaatregelen van multilaterale banken. Juist in deze tijd is het van belang dat multilaterale banken hun bestaande toezeggingen op het gebied van klimaat blijven naleven en klimaat blijven agenderen.

Vergroening ekv-portefeuille

Een belangrijke uitdaging voor het beleid van de exportkredietverzekeringen (ekv) is het vergroenen van de verzekeringsportefeuille. Van oudsher worden met de ekv veel transacties verzekerd met afnemers in de traditionele sectoren. Dit komt omdat dit een belangrijk werkterrein is van een aantal grote exporteurs die veel gebruik maken van de ekv. Nederlandse bedrijven zijn sterk in offshore-activiteiten; zowel de scheepsbouwers als de grote (maritieme) aannemers.

Nederland wil juist ook voor groene projecten een goede ondersteuning bieden aan deze exporteurs of aan nieuwe bedrijven die nu nog geen gebruik maken van de ekv. Daarom is het ministerie in 2019 als eerste stap van start gegaan met het inventariseren van transacties met een positief effect op het klimaat. We zien inmiddels de eerste effecten van de maatregelen die de afgelopen tijd zijn genomen. Zo hebben met name een ruimer Nederlands contentbeleid voor evident groene projectfinanciering en een hogere dekkingsgraad voor groene projectfinanciering transacties voor een significante bijdrage gezorgd aan de vergroening van de ekv-portefeuille. Ook gaan we flexibeler om met de criteria om kleine groene transacties te accepteren. Op die manier stimuleren we het Nederlandse bedrijfsleven om te vergroenen en ondersteunen we kleine innovatieve bedrijven in hun exportmogelijkheden. Om het gelijke speelveld te waarborgen moet vergroening van de ekv uiteindelijk in internationaal verband plaatsvinden. Hiertoe brengt het ministerie in kaart wat de verschillende posities en belangen van andere landen zijn en zullen we in 2021 samen met een groep van gelijkgezinde landen vergroening in Europees en mondiaal verband agenderen.

Thema 4: Vergroten menselijke maat in het toeslagenstelsel

Toeslagen staat voor de omvangrijke opgave om uitvoering te geven aan herstel van fouten uit het verleden en de dienstverlening fundamenteel te verbeteren. Daarbij wordt de organisatie ontvlochten van de Belastingdienst naar een eigen en integraal sturend Directoraat-Generaal per 1 januari 2021. Daarnaast participeert Toeslagen in de uitwerking van stelselwijzigingen met betrekking tot de toeslagen. Voor de opgave van verbeterde dienstverlening, herstel en ontvlechting zijn meerjarig extra middelen uitgetrokken.

Op basis van het interdepartementaal onderzoek (IBO) Toeslagen trekt het kabinet de conclusie dat het stelsel voor een te grote groep burgers niet goed werkt en deelt het kabinet de urgentie die door zowel de IBO-werkgroep als door de Tweede Kamer in de motie-Bruins en Van Weyenberg is uitgesproken over de herziening van het toeslagenstelsel. Het kabinet heeft daarom aangegeven naar een stelsel te willen dat meer zekerheid en voorspelbaarheid biedt, waarbij problematische schulden zoveel mogelijk worden voorkomen en de overgang van uitkering naar flexibel werk makkelijker wordt. Tot het moment waarop dit gerealiseerd is, zijn veel mensen afhankelijk van de toeslagen die ze ontvangen. Gedurende deze periode zal waar mogelijk door aanpassing van de wet- en regelgeving meer vereenvoudiging en ruimte voor menselijke maat in het huidige stelsel gebracht worden.

Compensatie, herstel en reparatie ouders

Om voor alle getroffen ouders zorgvuldig en snel herstel mogelijk te maken, is een speciale herstelorganisatie in het leven geroepen. Hiervoor zullen ongeveer 500 FTE worden ingezet. In 2020 is de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) ingericht en is gestart met de compensatie aan betrokken ouders. Dit zal ook nog gedurende het jaar 2021 en 2022 doorlopen. Alle ouders uit het CAF11-dossier die recht hebben op compensatie en waarvan de contactgegevens bekend zijn, hebben compensatie ontvangen. Voor de ouders die zijn gedupeerd in vergelijkbare dossiers en die zijn geraakt door de hardheid van het stelsel is het compensatie-, herstel- en reparatietraject in de loop van 2020 gestart. Ouders die van mening zijn met een compensatie, herziening, hardheidstegemoetkoming of vergoeding niet of onvoldoende geholpen te zijn en menen in een bijzondere, zeer schrijnende situatie te zitten, kunnen bij Toeslagen een verzoek indienen om meer schade vergoed te krijgen. Een daartoe speciaal ingestelde onafhankelijke commissie heeft tot taak deze verzoeken te beoordelen. Het oordeel van deze commissie zal steeds door Toeslagen worden gevolgd. Ook de ouders die naar de huidige inzichten hebben geleden onder de kwalificatie «opzet grove schuld» (OGS) worden geholpen door middel van de OGS-regeling. De herstelorganisatie streeft ernaar om in 2021 het overgrote deel van de compensatie uitgekeerd te hebben.

Kwaliteitsimpuls toeslagenorganisatie Voor 5,3 miljoen huishoudens met 8,8 miljoen burgers verzorgt Toeslagen jaarlijks meer dan 7 miljoen toeslagen. We maken de uitvoering klantgerichter. Daarbij is het cruciaal dat bij de behandeling de informatiehuishouding op orde is en dat alle relevante individuele omstandigheden gemotiveerd kunnen worden meegewogen. Het beleid draagt daaraan bij door vereenvoudigingen door te voeren die het voor burgers en voor de uitvoering begrijpelijker en overzichtelijker maken. Zo kan het aantal (hoge) terugvorderingen verder omlaag worden gebracht, kan de toekenningszekerheid van het voorschot toenemen en zullen bij definitieve vaststelling de na- en terugbetalingen kleiner zijn. In 2020 is daartoe het Programma Vernieuwing Dienstverlening Toeslagen opgezet dat op basis van een nieuwe visie en strategie gericht op de doelgroep van toeslaggerechtigden verbeteringen en investeringen invoert. In dit programma werken we samen met opdrachtgevers aan verbeteringen conform de lessen van de toeslagenaffaire en optimaliseren we de dienstverlening binnen het bestaande stelsel. Ook kan het programma mogelijk bijdragen aan verbeterde dienstverlening in een eventueel gewijzigd stelsel in de toekomst. Dit programma heeft een looptijd van 3 jaar.

Het merendeel van de toeslaggerechtigden weet zich goed bediend met het digitaal aanvragen en wijzigen en het geautomatiseerd berekenen en ontvangen van toeslagen. Dat blijkt onder meer uit de Fiscale Monitor 2019 en het IBO Toeslagen deel 1. Zij vragen hun toeslag aan via het Toeslagenportaal en geven daar ook wijzigingen door. De betalingen vinden altijd plaats op de 20e van de maand. Maar als feiten en omstandigheden daarom vragen moeten burgers kunnen rekenen op meer persoonlijke dienstverlening en maatwerk. Daarom zullen we de dagelijkse dienstverlening door Toeslagen aan de burgers uitbreiden. Dat geeft ruimte om met meer menselijke aandacht onze burgers ten dienste te staan.

De Adviescommissie Uitvoering Toeslagen heeft het belang onderstreept van een open cultuur, het verder ontwikkelen van de ambtelijke professionaliteit en een sterkere vaktechnische inbedding van operationele keuzes. In de Kamerbrief van 27 februari 2020 schetsen de staatssecretarissen van Financiën een beeld van de gewenste cultuur van de Belastingdienst en daarbinnen Toeslagen. Om tot die cultuur te komen vinden in 2020 bij Toeslagen gesprekken plaats met medewerkers en leidinggevenden. De uitkomsten hiervan zijn de basis voor de stapsgewijze ontwikkeling van een nieuwe cultuur en een nieuw waardenkompas en meer ruimte voor het vakmanschap van onze medewerkers. Het doel is dat mensen eerder en in ‘één keer goed’ worden geholpen en dat de toeslaggerechtigde een besluit dat leidt tot een vermindering begrijpt en accepteert. Daarnaast zullen ouders voor de kinderopvangtoeslag worden ondersteund bij het actueel houden van hun gegevens. Daarom worden alle kinderopvanginstellingen gevraagd om maandelijks de afgenomen opvanguren in te sturen. Met deze informatie zullen we ouders attenderen als er een aanwijzing is dat de toeslag moet worden bijgesteld. Deze attenderingen zullen via een app worden gestuurd. Deze app komt voor alle ouders ter beschikking. Hierin kunnen zij ook de gegevens van de toeslagen raadplegen en wijzigingen doorvoeren. Ook zullen ouders telefonisch worden benaderd met deze attenderingen. Daar waar blijkt dat ouders meer begeleiding nodig hebben in het goed aanvragen en aanpassen van de toeslag zal dit worden geboden.

Stappen richting vernieuwing van het toeslagenstelsel 

In de Kamerbrief van 30 april 2020 heeft de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane, naar aanleiding van de uitgebrachte rapporten van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Toeslagen, de kabinetsinzet voor een herziening van het toeslagenstelsel uiteengezet. Op basis van het IBO trekt het kabinet de conclusie dat een ander stelsel noodzakelijk is. Het kabinet werkt daarom aan alternatieven voor het toeslagstelsel – daarin gesteund door motie Bruins/Van Weyenberg4 - zodat een volgend kabinet daar verdere stappen op kan zetten. Miljoenen Nederlanders ontvangen toeslagen en deze zijn vaak een belangrijk bestanddeel van hun inkomen. Aanpassingen in het stelsel moeten daarom gedegen worden voorbereid en de effecten moeten zorgvuldig worden afgewogen.

Korte termijn

Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het eindadvies van de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen van 13 maart 2020 is wetgeving voorbereid om verbeteringen en alternatieven door te voeren op weg naar een beter en menselijker systeem. Dit is in lijn met de motie Lodders c.s. die de Kamer in januari unaniem heeft aangenomen. Op korte termijn zet het kabinet stappen om de dienstverlening richting burgers en de uitvoerbaarheid van Toeslagen te verbeteren middels het Wetsvoorstel wet verbetering uitvoerbaarheid Toeslagen. Aanvullend wordt de koppeling gewerkte uren in de Kinderopvangtoeslag verruimd zodat werkende ouders minder snel met terugvorderingen te maken krijgen.

Wenkend perspectief

Het kabinet wil naar een stelsel dat meer zekerheid en voorspelbaarheid biedt, waarbij problematische schulden zoveel mogelijk worden voorkomen en de overgang van uitkering naar werk makkelijker wordt. Uit het IBO blijkt dat toeslagen nauw verbonden zijn met de stelsels van zorg, kinderen en wonen. Met andere keuzes in deze domeinen, het belastingstelsel en de sociale zekerheid kan het aantal mensen dat specifieke inkomensondersteuning nodig heeft worden verkleind. Het kabinet heeft in de brief van 30 april 2020 een aantal onderzoeken aangekondigd. Het in die brief geschetste wenkend perspectief geeft richting aan een langjarige uitvoeringsagenda, waarbij in verschillende fases ruimte is voor politieke besluitvorming. Om dit te ondersteunen, biedt het kabinet in het najaar 2020 een contourennota en een routekaart aan de Tweede Kamer aan. De routekaart beschrijft de verschillende tussenstappen en maatregelen die moeten worden genomen op weg naar het nieuwe stelsel.

Thema 5: Verbeteren processen Belastingdienst, Douane en Toeslagen: betrouwbaar, benaderbaar en behulpzaam

De Belastingdienst heeft als taak bij te dragen aan een financieel gezond Nederland, dat doet de dienst door belastingen te heffen en te innen. Burgers en bedrijven moeten daarbij kunnen rekenen op een betrouwbare, rechtvaardige en laagdrempelige benadering met een zorgvuldige werkwijze die aansluit bij hun specifieke situatie. Helaas gaan er de laatste jaren herhaaldelijk zaken mis. Bij de Belastingdienst zijn veel medewerkers vertrokken, zijn achterstanden in de dienstverlening ontstaan en staan verouderde ICT-systemen onder druk. Het gevolg is dat burgers en bedrijven niet meer centraal staan waardoor goedwillende mensen het slachtoffer zijn geworden van tekortkomingen bij de Belastingdienst.

Herbezinning op de werkwijze, structuur en cultuur van de Belastingdienst is daarom nodig. Om te laten zien hoe wij willen werken en het vertrouwen in de dienst te kunnen herstellen, zetten we concrete stappen met verbeterprogramma’s voor de dienstverlening, de ontvlechting van de organisatie en het instellen van extern toezicht. De Belastingdienst is daarbij gebaat bij een goed uitvoerbaar belastingstelsel, dat bestaat uit een eenvoudige vormgeving van beleidsvoorstellen, waarbij het perspectief van de burger en bedrijven wordt meegenomen.

Daarnaast moet de basis voor het toezicht door de Belastingdienst op orde zijn. De gebeurtenissen rond de Fraude Signalering Voorziening (FSV) laten zien dat de opzet, inrichting en werking van risicoselectie en vervolgens het onderzoek naar de geselecteerde signalen binnen de Belastingdienst onvoldoende zijn. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van 10 juli 2020. Daarbij is een herijking van de toezichtstrategie en de fraudeaanpak in het vooruitzicht gesteld.

Met vertrouwen belasting betalen kan alleen als de Belastingdienst een stabiele organisatie is. Een goede stabiele organisatie draagt bij aan het doelmatig en effectief innen van belastingen en helpt de burger wanneer er onduidelijkheid is. Dit vraagt om volwassen sturing met de juiste managementinformatie, een goed functionerende ICT-organisatie en een open en veilige werkcultuur. Op al deze terreinen worden initiatieven ontplooid, waarover de Tweede Kamer recent in een aparte brief uitgebreid is geïnformeerd.

Organisatie op orde

Sturing en beheersing

Om de Belastingdienst beter in staat te stellen intern te sturen en zowel intern als extern te verantwoorden, werken we in 2021 verder aan de verbetering van de managementinformatie en het risicomanagement. In 2019 is het programma managementinformatie en risicomanagement gestart. Om een intensivering te bewerkstelligen is de aanpak vanaf 2020 gewijzigd: de prioriteit ligt bij Toeslagen en de fiscale processen binnen de Belastingdienst.

Om goed zicht te krijgen op het functioneren van de Belastingdienst, Toeslagen en Douane, zullen activiteiten en middelen transparant worden gemaakt in de begroting. Naast Belastingdienst en Douane krijgt ook Toeslagen een eigen begrotingsartikel binnen de begroting van het ministerie van Financiën (artikel 13). Voor de Belastingdienst bevat de begroting voor 2021 een vernieuwde set van indicatoren5 die moet zorgen voor een beter inzicht in de mate waarin de Belastingdienst de naleving bevordert door burgers en bedrijven een adequate behandeling te geven, effectief te informeren, gemak te bieden en op gepaste wijze corrigerend op te treden.

Cultuur

De kernwaarden van de Belastingdienst zijn verantwoordelijkheid, geloofwaardigheid en zorgvuldigheid, zowel binnen de organisatie als in de communicatie met burgers en bedrijven. In de gewenste cultuur zijn dilemma’s bespreekbaar, reflecteren we op wat beter kan en is er ruimte voor tegenspraak. Deze wezenlijke verandering vraagt om ander gedrag van leidinggevenden en medewerkers van de Belastingdienst, zowel binnen de organisatie als naar buiten. Om inzicht te krijgen in de cultuur van de Belastingdienst heeft Deloitte een onderzoek uitgevoerd waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd. Dit onderzoek geeft inzicht in de huidige cultuur, kijkt kritisch naar de geformuleerde gewenste cultuur en adviseert de Belastingdienst hoe koers gezet kan worden richting de gewenste cultuur. Het rapport van Deloitte geeft goede aanknopingspunten voor de herijking van het cultuurprogramma. Punten die verbetering behoeven zijn het eerder signaleren van fouten, het creëren van een open en veilige cultuur en het sturen op resultaat. De Belastingdienst zet stappen richting de beoogde cultuur met een externe klankbordgroep die over de aanpak adviseert en door het uitvoeren van ontwikkelassessments voor alle leidinggevenden. Wel zijn er binnen de organisatie verschillen in taak, context en uitdagingen. Daarom is het belangrijk dat de centrale leiderschaps- en cultuuraanpak binnen elk onderdeel van de organisatie een invulling krijgt die daarbij aansluit. Als voorbeeld van een dienstonderdeel-specifieke aanpak kan de integriteitsaanpak bij de Douane worden genoemd. Integriteit is door Douane geduid als een van de strategische risico’s die permanente managementaandacht krijgen. Er lopen concrete projecten gericht op de verdere groei van het integriteitsmanagement.

Personeel

De uitdaging waar de Belastingdienst voor staat is allereerst te borgen dat de medewerkers toegerust zijn voor de moderne manieren van interactie met burgers en bedrijven. Daarnaast moet de dienst de gevolgen van de (pensioengerelateerde) uitstroom voor de continuïteit van de bedrijfsprocessen opvangen. Net als in voorafgaande jaren moet er in 2021 en in de jaren erna een grote wervingsinspanning worden geleverd om de benodigde fiscalisten, registeraccountants, data-analisten en IT’ers te laten instromen. De instroomopgave voor 2020 en 2021 tezamen bedraagt 4.500 tot 5.000 fte. Hierbij moet constant oog worden gehouden voor het vermogen van de verschillende onderdelen om nieuwe medewerkers in te laten stromen. Specifiek voor Toeslagen geldt een tijdelijke piek in de werving die voor de herstelorganisatie wordt gevraagd.

Ook de Douane heeft in de komende jaren te maken met een grote uitstroom van medewerkers, onder andere als gevolg van pensionering, waardoor veel aandacht moet worden besteed aan het werven, selecteren, opleiden en begeleiden van nieuwe medewerkers. Daarnaast vraagt het beschermen van de organisatie en haar medewerkers tegen mogelijke integriteitsschendingen en ondermijningsactiviteiten, de voortdurende aandacht van de Douane.

ICT - versnellen en verbeteren (grip op IV-portfolio)

Uit externe rapporten (door EY en KPMG) is gebleken dat het ontbreekt aan meerjarige, integrale planningen op het gebied van IV en dat er beperkte prioritering plaatsvindt op basis van financiële, kwalitatieve en kwantitatieve wegingscriteria. De aanbevelingen uit externe rapporten worden verwerkt in een integrale aanpak IV met een meerjarige aanpak. Daarbij zal prioriteit worden gegeven aan de stabiliteit en continuïteit van de processen van heffing en inning van belastingen. Bij de Douane is de meerjarige aanpak al ingebed en worden de ervaringen gebruikt voor continue verbetering van het Portfolioproces.

Governance en ontvlechting

Inmiddels is de politieke sturing op de Belastingdienst, Toeslagen en de Douane versterkt, met de benoeming van twee staatssecretarissen: een staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst en een staatssecretaris Toeslagen en Douane. De ambtelijke aansturing van de Belastingdienst is versterkt door de aanstelling van drie directeuren-generaal voor respectievelijk de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Waar dat zinvol is voor de sturing, worden de Belastingdienst, Toeslagen en Douane ontvlochten. De Belastingdienst, Toeslagen en Douane hebben ieder zowel een eigen grote opgave als organisatie. Tegelijkertijd blijven er ook zaken die beter gezamenlijk georganiseerd kunnen blijven. Zo krijgen de organisatieonderdelen door een eigen DG op korte termijn de bestuurlijke aandacht en focus die past bij de omvang en het belang van hun taak.

Verbeteren dienstverlening Belastingdienst

Het is van belang dat burgers en bedrijven adequaat behandeld worden, informatie tijdig ontvangen en dat het hen zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt bij het voldoen aan hun verplichtingen en het uitoefenen van hun rechten. Informatie moet daarom helder en begrijpelijk zijn. Brieven, formulieren en digitale berichten zullen begrijpelijker worden gemaakt en gehouden, waarbij het handelingsperspectief van burgers en bedrijven voorop staat. Passende interactiemogelijkheden van de Belastingdienst voor burgers en bedrijven zijn daarbij cruciaal: het is het visitekaartje van de Belastingdienst. Binnen de interactiemogelijkheden neemt de Belastingtelefoon een bijzondere plaats in. De bereikbaarheid en de kwaliteit van beantwoording van vragen door de Belastingtelefoon wordt duurzaam verbeterd. Zo wordt de dienstverlening op termijn uitgebreid met de mogelijkheid van terugbellen, ontvangen van notificatieberichten via app of telefoon en de mogelijkheid om te chatten in de digitale persoonlijke omgevingen van de Belastingdienst. Daarnaast investeert de Belastingdienst in het leveren van maatwerk aan burgers die minder zelfredzaam zijn via de balie en via Stella-behandeling. Door relatiebeheer met maatschappelijk dienstverleners worden burgers die meer hulp nodig hebben, ondersteund bij het doen van hun aangifte. Het lopende onderzoek naar een fundamentele transformatie van de dienstverlening dat eind 2020 wordt opgeleverd, biedt ook bouwstenen voor het verbeteren van de dienstverlening in 2021 en volgende jaren.

Borgen stabiliteit cruciale processen Belastingdienst

Op meerdere terreinen binnen de Belastingdienst doen zich risico's voor met betrekking tot de continuïteit van cruciale processen zoals de inning van belastingontvangsten en het nakomen van behandeltermijnen. Daarnaast zijn er de nodige end of life-systemen met achterstallig onderhoud. Hierdoor kan de Belastingdienst het nagestreefde serviceniveau aan burgers en bedrijven en de eigen medewerkers niet altijd bieden. Om nieuwe problemen te voorkomen heeft het kabinet extra middelen uitgetrokken. Daarmee werven we in de eerste plaats extra personeel om achterstanden weg te werken bij de afhandeling van bezwaren van particulieren en bedrijven en de aangiften voor de schenk- & erfbelasting. Daarnaast zetten we, gegeven de mogelijkheden van het ICT-portfolio, in op het versterken van ketens (inning, loonheffing, omzetbelasting, gegevens). De activiteiten die we ontplooien op het gebied van personeel, ICT, managementinformatie en cultuur zijn belangrijke randvoorwaarden voor het succes van de hiervoor geschetste aanpak.

Fiscaal beleid en uitvoering

Meerjarige agenda beleid en uitvoering

De wisselwerking tussen beleid en effectieve uitvoering heeft niet altijd geresulteerd in het gewenste resultaat. Er is daarom ruimte om de aansluiting tussen beleid en uitvoering te verbeteren. Daarom wordt de samenwerking tussen de Belastingdienst en de opdrachtgevende ministeries versterkt. Voor belastingzaken is dit Directoraat Generaal Fiscale Zaken (DGFZ). Bovendien zal bij het vormgeven van nieuw beleid meer rekening worden gehouden met de uitvoerbaarheid ervan. Daarbij zal ook prioritering moeten plaatsvinden; niet alles kan tegelijkertijd. Het zijn politieke keuzes die aan de basis van de prioritering zullen liggen. Voor Belastingdienst, Toeslagen en Douane zal er een meerjarige agenda gemaakt worden voor beleid en uitvoering. Bovendien zal strenger worden toegezien op het toevoegen van nieuwe taken aan het reeds bestaande takenpakket. Door het overnemen van aanbevelingen uit het rapport ‘Back to Basics. Alternatieve uitvoerders Belastingdienst’ dat in januari 2020 naar de Tweede Kamer is verstuurd, worden concrete stappen genomen om strenger toe te zien op het uitvoeren van nieuwe en bestaande taken.

Doenvermogen van burgers

Het is van belang dat bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en regelgeving uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de mogelijke belasting die regelgeving oplevert voor burgers, het zogenoemde doenvermogen. Het doenvermogen moet een integraal onderdeel van het proces zijn dat uiteindelijk leidt tot uitvoering van wet- en regelgeving. Dit biedt een grotere meerwaarde dan het uitvoeren van een toets aan het eind van een wetgevingstraject. Er zal voortaan standaard worden getoetst in hoeverre een maatregel acties van burgers vergt en begrijpelijk is, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen. Doenvermogen wordt ook een vast onderdeel van de internetconsultaties. Ingevolge de motie Sent c.s. om het pakket Belastingplan voortaan te voorzien van een separate doenvermogentoets, is de Eerste Kamer bij brief van 9 juli 2020 geïnformeerd over de wijze waarop een doenvermogentoets onderdeel zal worden van de fiscale wet- en regelgeving, startend met het pakket Belastingplan 2021.

Toezicht

De Belastingdienst streeft er in zijn uitvoerings- en toezichtstrategie naar het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat zij uit zichzelf (fiscale)regels naleven. Op dit moment onderzoeken opdrachtgever DGFZ en de Belastingdienst als opdrachtnemer gezamenlijk wat een acceptabel niveau van toezicht is. Over de eerste resultaten van dit onderzoek wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2020 via het jaarplan 2021 Belastingdienst nader geïnformeerd.

Daarnaast vindt naar aanleiding van de problemen met het gebruik van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) een herijking van het handhavingsbeleid en de fraudeaanpak plaats. Tevens voeren we een validatie uit van alle gegevensverwerkingen op basis van de vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Verder wordt het gehele applicatie- en gegevenslandschap doorlopen op nog onbekende registraties van verouderde of subjectieve risicosignalen.

2.1.2 Overzicht coronamaatregelen

De afgelopen maanden zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het ministerie van Financiën zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual. 

Tabel 1 Coronamaatregelen op begroting Financiën & Nationale Schuld IX (bedragen x € 1 mln.)

Maatregel

Bedrag 2020

Bedrag 2021

Relevante Kamerstukken

Verplichtingen

   

Belasting- en invorderingsrente 1.0

‒ 18

‒ 19

Kamerstukken II 2019-2020, 35 412, nr. 1

Herverzekering leverancierskredieten

12.080

 

Kamerstukken II 2019-2020, 35 433, nr. 1

Belasting- en invorderingsrente 2.0

‒ 4

‒ 3

Kamerstukken II 2019-2020, 35 466, nr. 1

SURE

6.071

Kamerstukken II 2019-2020, 35 466, nr. 1

Garantie aan DNB inzake IMF

620

Kamerstukken II 2019-2020, 35 492, nr. 1

Garantie EIB

1.301

Kamerstukken II 2019-2020, 35 492, nr. 1

Steunmaatregelen KLM

3.160

Kamerstukken II 2019-2020, 35 505, nr. 1

Europees herstelinstrument (NGEU)

27.401

Kamerstukken II 2019-2020, 21 501 20, nr. 1575

Belasting- en invorderingsrente 3.0

‒ 3

‒ 18

Kamerstukken II 2019-2020, 35 540, nr. 1

    

Uitgaven

   

Belasting- en invorderingsrente 1.0

‒ 18

‒ 19

Kamerstukken II 2019-2020, 35 412, nr. 1

Herverzekering leverancierskredieten

1.030

350

Kamerstukken II 2019-2020, 35 433, nr. 1

Belasting- en invorderingsrente 2.0

‒ 4

‒ 3

Kamerstukken II 2019-2020, 35 466, nr. 1

Garantie EIB

260

Kamerstukken II 2019-2020, 35 492, nr. 2

Steunmaatregelen KLM

1.000

Kamerstukken II 2019-2020, 35 505, nr. 1

Belasting- en invorderingsrente 3.0

‒ 3

‒ 18

Kamerstukken II 2019-2020, 35 540, nr. 1

    

Ontvangsten

   

Belasting- en invorderingsrente 1.0

‒ 106

‒ 133

Kamerstukken II 2019-2020, 35 412, nr. 1

Boetes en schikkingen en opbrengsten kosten vervolging 1.0

‒ 59

 

Kamerstukken II 2019-2020, 35 412, nr. 1

Herverzekering leverancierskredieten

390

100

Kamerstukken II 2019-2020, 35 433, nr. 1

Belasting- en invorderingsrente 2.0

‒ 70

‒ 19

Kamerstukken II 2019-2020, 35 466, nr. 1

Boetes en schikkingen en opbrengsten kosten vervolging 2.0

‒ 158

‒ 105

Kamerstukken II 2019-2020, 35 466, nr. 1

Steunmaatregelen voor gemeenten 1

‒ 519

Kamerstukken II 2019-2020, 35 485, nr. 1

Steunmaatregelen KLM

22

76

Kamerstukken II 2019-2020, 35 505, nr. 1

Belasting- en invorderingsrente 3.0

‒ 23

‒ 137

Kamerstukken II 2019-2020, 35 540, nr. 1

Steunmaatregelen voor gemeenten 2

‒ 303

‒ 160

Kamerstukken II 2019-2020, 35 540, nr. 1

Verplichtingen en uitgaven

Belasting- en invorderingsrente 1.0

Het eerste noodpakket economie en banen betrof onder andere een verlaging van de belasting- en invorderingsrente naar 0,01 procent. Dit resulteerde enerzijds in lagere uitgaven (- € 18 mln.), maar vooral in fors lagere ontvangsten (- € 106 mln.). Deze maatregel was tijdelijk voor een periode van 3 maanden, maar werkt meerjarig door in de ramingen.

Herverzekering leverancierskredieten

Met kortlopende leverancierskredieten wordt in Nederland op jaarbasis door commerciële kredietverzekeraars meer dan 200 miljard euro aan handel mogelijk gemaakt. Als gevolg van de COVID-19 crisis is deze dienstverlening onder druk komen te staan. De enige manier om de risico’s te beheersen en zo te voorkomen dat de verzekeraars zelf in financiële problemen komen – waardoor deze kredietverlening geheel zou dreigen te verdwijnen – is dan het verlagen van de zogeheten kredietlimieten. Daarom heeft de staat in het voorjaar van 2020 besloten over te gaan tot herverzekering van de gehele portefeuilles van de verzekeraars voor het hele kalenderjaar 2020 met mogelijkheid tot een verlenging van drie maanden in 2021.

Aangezien de herverzekering minstens het hele jaar 2020 zal lopen, betekent dit dat op kasbasis een significant deel van de schades pas in 2021 zal worden uitgekeerd en eveneens een iets groter deel van de incasso’s pas in 2021 zal worden ontvangen. Naar huidig inzicht schat het ministerie dat driekwart van de verwachte schade in 2020 zal vallen en de rest in 2021 (en tevens wordt tweederde van de incasso’s in 2020 verwacht en de rest later). In het najaar van 2020 zal er een analyse komen van de baten en lasten van deze herverzekering en daarbij gaan we tevens in op mogelijkheden om de kosten voor de staat te verdelen over betrokken partijen zoals de verzekeraars en hun verzekerden.

Belasting- en invorderingsrente 2.0

Het tweede noodpakket economie en banen betrof een verlenging van het eerste noodpakket tot 1 oktober 2020. Dit resulteerde in een verdere neerwaartse bijstelling van de raming van de belasting- en invorderingsrente. De maatregelen zijn tijdelijk van aard, maar werken meerjarig door in de ramingen.

SURE

In de Eurogroep van 9 april 2020 is overeengekomen een Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 (Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency, SURE) op te richten. SURE biedt lidstaten leningen voor het financieren van hoofdzakelijk werktijdverkortingsregelingen of soortgelijke maatregelen ter bescherming van werknemers en zelfstandigen, en zodoende voor het verminderen van werkloosheid en inkomensverlies, en in aanvulling daarop, voor de financiering van sommige maatregelen op gezondheidsgebied, met name op de werkplek. SURE kan maximaal 100 mld. euro aan leningen verstrekken. Nederland staat hiervoor garant middels het Eigenmiddelenbesluit (zie hierboven), en via een bilaterale garantie die aan de Unie zijn versterkt. Zie ook paragraaf 2.5 Overzicht Risicoregelingen.

Garantie aan DNB inzake IMF

Als gevolg van de COVID-19 crisis is er acute behoefte aan financieringsmogelijkheden voor opkomende economieën en lage-inkomenslanden. Het IMF voorziet in deze financieringsbehoefte door concessionele leningen te verstrekken aan lage inkomenslanden via het Poverty Reduction and Growth Trust (PRGT). Gezien de omvang en het aantal verzoeken voor noodliquiditeit bovenop de verwachte reguliere programma’s, is de huidige omvang van het leningenaccount van het PRGT onvoldoende en is een additonele bijdrage aan Nederland gevraagd. Deze bijdrage is noodzakelijk om via het IMF ruimte vrij te maken voor investeringen in de gezondheidszorg en om de impact van de economische crisis te bestrijden en bedraagt 500 mln. SDR (Special Drawing Rights, munteenheid IMF), gelijk aan € 620 mln. De Nederlandse bijdrage wordt verstrekt in de vorm van een lening van De Nederlandsche Bank (DNB) namens de Nederlandse staat aan het IMF. De Nederlandse staat garandeert de lening van DNB aan IMF. Deze systematiek is gebruikelijk voor Nederlandse bijdragen aan het IMF. Budgettair leidt de Nederlandse bijdrage in 2020 tot een verhoging van de garantieverplichting aan DNB inzake IMF van € 620 mln. zoals gemeld in de vijfde incidentele suppletoire begroting 2020.

Garantie EIB

De European Investment Bank (EIB) heeft een nieuw pan-Europees garantiefonds (EGF) opgericht om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen. Het fonds is een onderdeel van het pakket aan maatregelen dat op 9 april 2020 door de Eurogroep werd afgesproken. Door de oprichting van een garantiefonds van € 25 mld., waarvan het Nederlands aandeel € 1.301 mln. bedraagt, kan naar schatting tot maximaal € 200 mld. aan financiering voor het Europese bedrijfsleven worden gemobiliseerd. Doel van het garantiefonds is het financieren van hoge risicoprojecten, waarbij de focus ligt op het mkb. De investeringsperiode van het garantiefonds loopt tot 31 december 2021 met mogelijkheid tot een verlenging van zes maanden als een meerderheid van de deelnemende lidstaten hiervoor stemt. Hierna kan de investeringsperiode alleen verlengd worden als alle deelnemende lidstaten hier unaniem mee instemmen. De investeringen onder het garantiefonds zullen een hoog risicoprofiel hebben. Nederland acht het daarom waarschijnlijk dat de garantie ingeroepen zal worden. De verwachte nettoverliezen van het garantiefonds van € 25 mld. worden ingeschat op 20 procent. Het percentage verwachte verliezen is sterk afhankelijk van de uiteindelijke productmix die ingezet wordt (leningen, garanties, equity). Het Nederlandse aandeel in de verwachte verliezen komt – op basis van het percentage verwachte verliezen van 20 procent, toegepast op het Nederlandse aandeel in de garantie van € 1,3 mld. – neer op € 260 mln. verdeeld over de looptijd van het fonds.

Steunmaatregelen KLM

De Nederlandse staat verstrekt een directe lening aan KLM met een omvang van € 1 mld. De lening is een achtergestelde lening. Dit betekent dat wanneer KLM haar crediteuren niet kan terugbetalen, deze lening (en daarmee de Nederlandse staat) pas als laatste wordt terugbetaald. Daarmee neemt de Nederlandse staat relatief veel risico op zich via deze lening, hetgeen weerspiegeld wordt door de eveneens relatief hoge rente die KLM op deze lening betaalt. Daarnaast garandeert de Nederlandse staat maximaal 90 procent van een kredietfaciliteit van € 2,4 mld., die door een consortium aan banken aan de KLM wordt verstrekt. Dit resulteert in een garantie van € 2,16 mld. Voor deze garantie ontvangt de Nederlandse staat tevens een garantiepremie die gedurende de looptijd in percentage oploopt.

Europees herstelinstrument (NGEU)

Op 21 juli 2020 heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over de belangrijkste kenmerken van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de Europese Unie voor de periode 2021-2027, een herstelinstrument in reactie op de COVID-19-crisis (Next Generation EU; NGEU) en de financiering daarvan via een nieuw Eigenmiddelenbesluit (EMB).

Hoewel deze politieke afspraken nog door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement uitgewerkt moeten worden in de relevante Europese verordeningen en besluiten, en het EMB nog door alle lidstaten moet worden goedgekeurd, zijn de contouren van de afspraken voldoende duidelijk om deze budgettair te verwerken.

De gevolgen voor de verwachte Nederlandse afdrachten aan de Europese begroting worden toegelicht op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De verwachte Nederlandse afdrachten t.a.v. NGEU zullen op termijn zichtbaar worden op deze begroting.

Het belangrijkste onderdeel van NGEU is de Recovery and Resilience Facility (RRF), waaruit lidstaten onder voorwaarden steun kunnen aanvragen voor hervormings- en investeringsprojecten. Voor het deel van de RRF dat gebruikt kan worden voor het verstrekken van leningen aan lidstaten wordt een garantieverplichting opgenomen op de begroting van het ministerie van Financiën. De financieringsmethode van dit deel van het herstelfonds is vergelijkbaar met die van het mechanisme voor financiële ondersteuning van de betalingsbalansen van de lidstaten zonder de euro (Balance of Payments facility, BoP), het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) en het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid in noodsituaties te beperken naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 (Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency, SURE6). Voor al deze instrumenten geldt dat de Europese Commissie namens de Unie middelen leent op de kapitaalmarkt of bij financiële instellingen, om deze middelen in de vorm van leningen aan lidstaten te verstrekken. De rentebetalingen en aflossingen die de Unie van deze lidstaten ontvangt worden gebruikt voor het betalen van de rente en aflossingen op de schuld die de Unie hiervoor is aangegaan. Als aanvullende zekerheid voor beleggers dat de Unie aan haar rente- en aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen, kan de Unie uit hoofde van het Eigenmiddelenbesluit jaarlijks aanvullende middelen bij de lidstaten opvragen. Dit is bovenop de maximale omvang van de jaarlijkse EU-begroting, tot aan een in dit besluit vastgelegd jaarlijks maximum van het bni van de Europese Unie. Een dergelijk verzoek aan lidstaten is door de Unie nog nooit gedaan. Deze systematiek is reeds zo opgezet in het bestaande Eigenmiddelenbesluit en blijft zo in het nieuwe Eigenmiddelenbesluit.

Belasting- en invorderingsrente 3.0 (Steun- en herstelpaket)

Onderdeel van het op 28 augustus aangekondigde Steun- en herstelpakket betreft het (grotendeels) verlengen van de verlaagde rentetarieven bij de belasting- en invorderingsrente. De invorderingsrente blijft hiermee t/m 31 december 2021 0,01%. De belastingrente gaat per 1 oktober 2020 t/m 31 december 2021 voor alle belastingmiddelen terug naar 4%. Voor de vennootschapsbelasting is dit lager dan het oorspronkelijke tarief van 8%.

Ontvangsten

Belasting- en invorderingsrente 1.0 (Noodpakket economie en banen 1.0)

Dit wordt toegelicht onder 'verplichtingen en uitgaven'.

Boetes en schikkingen en opbrengsten kosten vervolging 1.0 (Noodpakket economie en banen 1.0)

De verzuimboetes en de doorberekende kosten van de invorderingsmaatregelen werden opgeschort, wat leidde tot minder ontvangsten (- € 59 mln.). Deze maatregel was tijdelijk voor een periode van 3 maanden, maar werkt meerjarig door in de ramingen.

Herverzekering leverancierskredieten

Dit wordt toegelicht onder 'verplichtingen en uitgaven'.

Belasting- en invorderingsrente 2.0 (Noodpakket economie en banen 2.0)

Dit wordt toegelicht onder 'verplichtingen en uitgaven'.

Boetes en schikkingen en opbrengsten kosten vervolging 2.0

Het tweede noodpakket economie en banen betrof een verlenging van het eerste noodpakket tot 1 oktober 2020. Dit resulteerde in een verdere neerwaartse bijstelling van de raming van verzuimboetes en de doorberekende kosten van de invorderingsmaatregelen. De maatregelen zijn tijdelijk van aard, maar werken meerjarig door in de ramingen.

Steunmaatregelen voor gemeenten 1.0

De afdracht aan het Gemeentefonds wordt met € 519 mln. verhoogd, zoals toegelicht in de Kamerbrief compensatiepakket coronacrisis medeoverheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de incidentele suppletoire begroting 2020 van datzelfde ministerie.7 De totale afdracht aan het Gemeentefonds wordt in mindering gebracht op de belastingontvangsten. Hierdoor leidt de verhoging van de afdracht aan het Gemeentefonds tot een verlaging van de netto-belastingontvangsten met € 519 mln. op artikel 1 van deze begroting.

Steunmaatregelen KLM

Dit wordt toegelicht onder 'verplichtingen en uitgaven'.

Belasting- en invorderingsrente 3.0 (Steun- en herstelpaket)

Dit wordt toegelicht onder 'verplichtingen en uitgaven'.

Steunmaatregelen voor gemeenten 2.0

De afdracht aan het Gemeentefonds wordt in 2020 met € 303 mln. verhoogd, zoals toegelicht in de Kamerbrief Steun- en herstelpakket en de incidentele suppletoire begroting 2020 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. De totale afdracht aan het Gemeentefonds wordt in mindering gebracht op de belastingontvangsten. Hierdoor leidt de verhoging van de afdracht aan het Gemeentefonds tot een verlaging van de netto-belastingontvangsten met € 303 mln.

Overig

Naast bovengenoemde noodmaatregelen is het ministerie van Financiën ook indirect betrokken bij de COVID-19 crisis via staatsdeelnemingen, de EU en internationale financiële instellingen. Hieronder volgt een korte schets van de impact van de COVID-19 crisis op deze beleidstereinen, en de rol van het ministerie.

Staatsdeelnemingen

Het jaar 2021 zal voor de staatsdeelnemingen nog steeds in het teken staan van de (nasleep van de) COVID-19 crisis. Bepaalde deelnemingen zijn hierdoor onmiddellijk hard geraakt. Zo had de NS in maart en april 2020 te maken met 90 procent minder reizigersvervoer op het spoor, verminderde het aantal vluchten van en naar Schiphol drastisch, net als het aantal vluchten van KLM en werden alle vestigingen van Holland Casino tijdelijk gesloten. Voor andere staatsdeelnemingen was een dusdanig grote impact niet direct aan de orde, maar zal de tijd uitwijzen hoe groot de impact op de langere termijn zal zijn. Alle staatsdeelnemingen hebben de voor hen passende maatregelen genomen om de operationele en financiële effecten van de COVID-19 crisis te beheersen. Als aandeelhouder staat het ministerie in nauw contact met hen over de impact op onder andere de borging van de publieke belangen en de financiële positie van de deelnemingen. De COVID-19 crisis heeft ook zijn weerslag op de aan de staat afgedragen dividendafdrachten. In artikel 3 van deze begroting worden deze effecten nader toegelicht.

Maatregelen EU

Het kabinet hecht sterk aan Europese samenwerking om de COVID-19 uitbraak in te dammen en de menselijke en economische gevolgen zo goed mogelijk op te vangen. Er zijn met steun van Nederland snel na het uitbreken van de crisis afspraken gemaakt om lidstaten de flexibiliteit te bieden om te reageren. Zo is de algemene uitzonderingsclausule van het Stabiliteits- en Groeipact in werking getreden en is er een tijdelijk staatssteunkader voor COVID-19 vastgesteld. Ook is afgesproken dat lidstaten hun Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) zo flexibel en snel mogelijk kunnen inzetten. Het kabinet is van mening dat deze maatregelen alleen moeten voortduren zolang de uitzonderlijke omstandigheden aanhouden. De inzet van het kabinet is om dit de komende tijd te monitoren en wanneer nodig de maatregelen te beëindigen.

Daarnaast zijn er diverse Europese instrumenten opgericht die op korte termijn inzetbaar zijn (zie ook hierboven het herstelinstrument NGEU, SURE en Garantie EIB). Het Emergency Support Instrument (ESI) zal voor een periode van twee jaar opnieuw in werking worden gesteld voor de bestrijding van de COVID-19 crisis, en kan worden gebruikt voor elke crisis die humanitaire hulp vereist. Hiernaast is afgesproken om de bestaande kredietlijn tegen verscherpte voorwaarden (Enhanced Conditions Credit Line, ECCL) van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) tijdelijk beschikbaar te stellen voor de COVID-19 uitbraak. Deze ESM-kredietlijn heeft een omvang van 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) van een lidstaat. Ook is er besloten de ESM Pandemic Crisis Support kredietlijn tijdelijk beschikbaar te stellen voor alle lidstaten van de eurozone. Als voorwaarde voor gebruik van de kredietlijn is opgenomen dat landen zich eraan committeren om deze te gebruiken ter ondersteuning van de binnenlandse financiering van directe en indirecte gezondheidszorg, genezing en kosten gerelateerd aan preventie als gevolg van de COVID-19 crisis. Zie ook paragraaf 2.5 Overzicht Risicoregelingen.

Maatregelen Internationale Financiële instellingen (IFI’s)

Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) zijn met hun mondiale bereik, breed publieke- en private sector-instrumentarium en expertise bij het bestrijden van eerdere crises goed gepositioneerd om de impact van COVID-19 crisis te verkleinen. Nederland hecht veel belang aan deze proactieve en anticyclische respons van IFI’s en hun centrale rol in de mondiale ontwikkelingssamenwerking, die een financieel vangnet vormt tijdens de crisis.

De aanpak van de crisis door de IFI’s is tweeledig. In eerste instantie richtten de COVID-19 maatregelen van de Wereldbank, Europese Investeringsbank (EIB), Aziatische Infrastructuur Investeringsbank (AIIB) en Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) zich op het snel beschikbaar stellen van financiering voor acute projecten in de gezondheidszorg in landen en het verlenen van liquiditeitssteun aan bedrijven. Hierbij valt te denken aan financiering van capaciteitsversterking van gezondheidssystemen en het versterken van de gezondheidsinfrastructuur, als ook liquiditeitssteun aan de private sector, bijvoorbeeld via financiële intermediairs. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) biedt steun aan landen met urgente financieringsproblematiek door noodfinanciering en liquiditeitssteun te verlenen.

In tweede instantie richten de IFI’s zich op het versterken van economische weerbaarheid en het versnellen van breed sociaal-economisch herstel op de middellange termijn. De Wereldbank heeft hiervoor tot 2021 $ 160 miljard beschikbaar gesteld. Andere IFI’s zullen in 2021 een groot deel van hun bestaande instrumentarium herprogrammeren en frontloaden voor ondersteuning bij sociaal-economische noden en herstel.

Nederland pleit er binnen de IFI’s voor om in eerste plaats middelen in te zetten voor de hardst getroffen en meest kwetsbare landen en gemeenschappen die beperkte andere financieringsmogelijkheden hebben. Daarbij is het voor Nederland belangrijk dat IFI’s oog hebben voor de (verdere) verslechtering van schuldenposities van met name lage inkomenslanden door de crisis. Zo heeft International Development Association (IDA), het onderdeel van de Wereldbank voor lage inkomenslanden, tot eind 2021 versneld $ 50 miljard concessionele financiering beschikbaar gesteld ten behoeve van deze landen. Daarnaast heeft Nederland in het kader van de COVID-19 crisis ingestemd met het Debt Service Suspension Initiative (DSSI), een initiatief van de Club van Parijs en de G20 dat schuldverlichting biedt aan een aantal lage inkomenslanden. Concreet houdt het DSSI in dat deze lage inkomenslanden uitstel van alle termijnbetalingen vanaf 1 mei 2020 tot het einde van het jaar aan Nederland en andere landen die lid van de Club van Parijs en/of de G20 zijn krijgen.

Verder zet Nederland erop in dat extra IFI-investeringen ten behoeve van economisch herstel zoveel mogelijk gericht zijn op duurzame economische transformatie, klimaatimpact en de daarvoor benodigde hervormingen.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en de niet-belastingontvangsten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de artikelen van Financiën en die van Nationale Schuld. In de verdiepingsbijlage wordt in meer detail ingegaan op de mutaties per artikel. Deze paragraaf bevat ook een overzicht van de begrotingsreserves.

Artikelen 1 tot en met 13 (Financiën)

Tabel 2 Belangrijkste mutaties uitgaven t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

7.903.361

7.672.931

7.761.971

7.701.729

7.673.488

 

Mutaties incidentele suppletoire begrotingen 2020

 

2.705.276

‒ 40.000

‒ 16.000

‒ 7.000

‒ 5.000

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

695.631

861.530

692.688

688.999

693.213

 
        

Belangrijkste mutaties

       

Toerekening Douaneartikel

1

 

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

 

Toerekening Douaneartikel

9

 

71.367

71.367

71.367

71.367

 

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

1

 

‒ 118.125

‒ 65.367

‒ 63.548

‒ 63.548

 

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

13

 

118.125

65.367

63.548

63.548

 

Kapitaalinjectie Invest International

3

 

247.000

147.000

147.000

146.000

 

Wereldbank

4

115.465

‒ 122.185

‒ 4.704

‒ 3.127

4.963

 

Schade herverzekering leverancierskredieten

5

‒ 450.000

350.000

    

Schade EKV

5

74.900

80.000

    

Aanpassing BCF

6

137.030

141.928

139.125

139.132

139.132

 

Kasschuiven

10

‒ 80.000

62.985

89.368

‒ 21.912

‒ 51.571

 

Overig & extrapolatie

 

‒ 2.825

10.443

28.576

11.667

12.667

8.288.995

        

Stand ontwerpbegroting 2021

 

11.098.838

9.264.632

8.838.024

8.656.488

8.612.892

8.288.995

Toelichting

Toerekening Douaneartikel

Zoals gemeld in de brief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën (IXB)’ die 26 juni 2020 aan de Kamer is verzonden, is voor artikel 9 (Douane) het opnemen van uitgaven van dienstonderdelen van de Belastingdienst die samenhangen met de Douaneprocessen een volgende stap in het gekozen groeimodel. Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden deze uitgaven in artikel 9 middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht. Deze mutatie betreft de overheveling van deze middelen van artikel 1 naar artikel 9. De toerekening vindt plaats voor alle dienstonderdelen van de Belastingdienst die uitgaven doen ten behoeve van de Douaneprocessen, met uitzondering van het dienstonderdeel Informatievoorziening (IV).

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

Zoals in de Kamerbrief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën (IXB)’ van 26 juni jl. is vermeld, wordt er een eigenstandig begrotingsartikel ingericht voor Toeslagen (artikel 13). Met deze stap kunnen de activiteiten van, en de inzet van beschikbare middelen voor Toeslagen beter worden verantwoord en door de Kamer worden gevolgd. De directe uitgaven die door het dienstonderdeel Toeslagen, inclusief de herstelorganisatie, worden gedaan, worden overgeheveld van artikel 1 naar artikel 13. Op termijn zullen in het nieuwe begrotingsartikel ook de uitgaven worden opgenomen van dienstonderdelen binnen de Belastingdienst die taken verrichten die aan het toeslagenproces ondersteunend zijn, bijvoorbeeld op het gebied van facilitaire zaken, ICT, de Belastingtelefoon en heffing en inning.

Kapitaalinjectie Invest International

Ten behoeve van het opstarten van Invest International (de internationale tak van Invest-NL) worden de gereserveerde middelen overgeboekt van de aanvullende post naar de begroting van Financiën. Voorwaarde voor besteding blijft wel dat de uitgave kan worden vormgegeven als een financiële transactie zonder effect op het EMU-saldo. 

Wereldbank

Een deel van de in 2021 geraamde bijdrage aan de Wereldbank ter hoogte van ca. € 115 mln. wordt in 2020 betaald om beter aan te sluiten op het kasritme van de Staat. Deze bijstelling is budgetneutraal. Daarnaast is de uitgavenraming in de Financiënbegroting meerjarig bijgesteld naar aanleiding van een aanpassing in het betaalschema. De meerjarige bijstelling heeft betrekking op het betalingsschema voor de 19e kapitaalstorting aan de International Development Association (IDA) en is over de jaren 2021-2026 budgetneutraal.

Schade herverzekering leverancierskredieten

In mei 2020 is de Kamer geïnformeerd over de bijstelling van de budgettaire effecten van de crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten ten opzichte van de tweede incidentele suppletoire begroting (ISB).8 In de tweede ISB was in de ramingen geen rekening gehouden met de vertraging in het uitbetalen van schade-uitkeringen. Bij een betalingstermijn van dertig dagen wordt op zijn vroegst pas 105 dagen nadat een levering is gefactureerd schade uitgekeerd aan de verzekerde. Daarom wordt een deel van de geraamde schade-uitkering (€ 350 mln.) van 2020 doorgeschoven naar 2021. Daarnaast valt de schade-uitkering in 2020 naar aanleiding van de goedkeuringsprocedure van de Europese Commissie (EC) € 100 mln. lager uit.

Schade EKV

In april is de Kamer geïnformeerd over de bijdrage van de Staat aan de continuïteit van het bedrijf Royal IHC.9 De in de Kamerbrief gemelde voorlopige schade-uitkering van maximaal € 167 mln. wordt nu voor € 155 mln. in de begroting opgenomen, in 2020 en 2021 respectievelijk € 74,9 en € 80,0 mln. Voor de resterende € 12 mln. zal in het najaar ingeschat worden of en in hoeverre dit deel van de schade-uitkering zich zal materialiseren.

Aanpassing BCF

Deze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het Btw-compensatiefonds (BCF) op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopend jaar.

Kasschuiven

Er vinden enkele kasschuiven plaats om middelen in het gewenste ritme te plaatsen. Als eerste bevat het de middelen voor de compensatie van ouders voor de kinderopvangtoeslag. Hiervoor wordt € 70 mln. uit 2020 naar 2021 (€ 60 mln.) en 2022 (€ 10 mln.) geschoven. Daarnaast wordt er € 10 mln. van 2020 naar 2021 geschoven om de uitvoeringskosten voor de implementatie van de EU-richtlijn en EU–verordening voor btw op e-commerce te dekken. Als laatste vinden er enkele kasschuiven plaats om de resterende middelen op de Aanvullende Post voor Beheerst vernieuwen in het gewenste ritme te plaatsen na overheveling naar de Financiënbegroting.

Tabel 3 Belangrijkste mutaties niet-belastingontvangsten t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

3.101.086

3.102.810

3.277.079

3.218.036

3.179.215

 

Mutaties incidentele suppletoire begrotingen 2020

 

106.227

‒ 317.650

‒ 73.623

47.997

86.618

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

307.641

‒ 246.764

237.723

234.461

235.943

 
        

Belangrijkste mutaties

       

Winstafdracht DNB

3

7.000

‒ 281.000

‒ 396.000

‒ 329.000

‒ 254.000

 

Dividenden staatsdeelnemingen

3

‒ 527.500

‒ 360.000

‒ 10.000

‒ 10.000

‒ 60.000

 

Begrotingsreserve EKV

5

8.700

82.800

2.800

2.800

2.800

 

Recuperaties EKV

5

‒ 140.000

140.000

    

Recuperaties herverzekering leverancierskredieten

5

‒ 110.000

100.000

    

Overig & extrapolatie

 

58.161

10.975

25.282

27.752

27.752

3.504.126

        

Stand ontwerpbegroting 2021

 

2.811.315

2.231.171

3.063.261

3.192.046

3.218.328

3.504.126

Toelichting

Winstafdracht DNB

De winstafdracht van DNB wordt naar beneden bijgesteld. De coronacrisis incl. de extra aankopen in het kader van het Asset Purchase Programme (APP) en het Pandemic Emergency Purchase Programme (PEPP) van de ECB, leidt tot een sterke stijging van het renterisico dat DNB loopt. Om dit risico op te vangen vergroot DNB, conform de gemaakte afspraken met de Staat, haar financiële buffers ten laste van de verwachte winst voor de komende jaren. Dit resulteert in het niet afdragen van de winst aan de Nederlandse staat t/m 2024.

Dividenden staatsdeelnemeingen

De coronacrisis heeft impact op de staatsdeelnemingen. Dit heeft geleid tot een neerwaartse meerjarige bijstelling op de door de Staat te ontvangen dividenden.

Begrotingsreserve EKV

Zoals in de Kamerbrief over de bijdrage van de Staat aan de continuïteit van IHC gemeld, wordt de begrotingsreserve aangesproken voor de definitief afgeschreven schade-uitkering aan IHC. De definitief afgeschreven schade-uitkering bedraagt voor 2020 en 2021 respectievelijk € 8,0 en € 80,0 mln. Ook voor de ophoging van de uitvoeringkosten van Atradius DSB (€ 2,8 mln.) wordt de begrotingsreserve aangesproken.

Recuperaties EKV

Argentinië heeft aangegeven de openstaande vordering van € 140 mln. in 2020 niet te kunnen voldoen en heeft herstructurering aangevraagd bij de Club van Parijs. De uiterste betaaldatum voor deze vordering verstrijkt in 2021, waardoor vooralsnog de voor 2020 geraamde ontvangst wordt geraamd voor 2021.

Recuperaties herverzekering leverancierskredieten

Zoals in de Kamerbrief over de herverzekering leverancierskredieten gemeld, wordt € 100 mln. van de voor 2020 geraamde recuperaties in 2021 geïncasseerd. Daarnaast wordt naar aanleiding van de goedkeuringsprocedure van de EC de recuperaties in 2020 € 10 mln. lager uit dan geraamd.

Figuur 7 Meerjarig overzicht uitgaven en ontvangsten (bedragen x € 1 mld.)

Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is bestemd voor een concreet doel en kan in principe alleen voor dat doel worden gebruikt. Onderstaand overzicht geeft (het geraamd verloop van) de begrotingsreserves van het ministerie van Financiën weer. In de betreffende artikelen worden de begrotingsreserves toegelicht.

Tabel 4 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserves ministerie van Financiën (bedragen x € 1 mln.)

Begrotingsreserve

Artikel

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 1/1/2021

Onttrekkingen 2021

Toevoegingen 2021

Stand per 31/12/2021

Depositogarantiestelsel (DGS) BES-eilanden

2

3

0

1

4

0

1

5

NHT-garantie

2

0,875

0

0,625

1,5

0

0,875

2,375

TenneT

3

44,8

0

3,2

48

0

0

48

Ekv

5

441

‒ 29

70

482

‒ 103

70

449

Totaal

 

489,675

‒ 29

74,825

535,5

‒ 103

71,875

504,375

Artikelen 11 en 12 (Nationale Schuld)

In onderstaande tabel wordt de verwachte EMU-schuld en staatsschuld aan het einde van 2020 en 2021 weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentelasten. De cijfers van 2019 betreffen realisatiecijfers.

Tabel 5 Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (bedragen x € 1 mld.)1
 

2019

2020

2021

Omvang schuld aan het einde van het jaar

   

EMU-schuld

394,6

462,7

502,0

Staatsschuld (art. 11)

317,6

384,5

422,6

Interne schuldverhouding (art. 12)

9,1

11,3

18,9

Uitgaven en ontvangsten (+ = uitgave)

   

Relevant voor het EMU-saldo

   

Rentelasten vaste en vlottende schuld (art. 11)

5,5

4,7

3,7

Rentelasten interne schuldverhouding (art. 12)

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

Totaal rentelasten (art. 11 en 12)

5,4

4,6

3,7

Niet relevant voor het EMU-saldo2

   

Rentelasten derivaten

‒ 1,1

‒ 1,1

‒ 1,4

Voortijdige beëindiging derivaten

-

-

-

Voortijdige beëindiging schuld

0,0

-

-

X Noot
1

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

De ontvangsten of uitgaven als gevolg van voortijdige beëindiging derivaten en schuld worden niet geraamd.

De EMU-schuld is de overheidsschuld. Preciezer gezegd: de bruto, dus uitstaande, schuld van de gehele collectieve sector. De staatsschuld is daar een onderdeel van en omvat alleen de schuld van de Rijksoverheid. De staatsschuld wordt gefinancierd door het Agentschap van de Generale Thesaurie, onderdeel van het ministerie van Financiën. De interne schuldverhouding geeft de schuldverhouding weer tussen de Staat en de instellingen die meedoen met het schatkistbankieren, zoals decentrale overheden, RWT’s, sociale fondsen en agentschappen.

Volgens de Europese boekhoudregels (ESA-2010) worden bij de berekening van het EMU-saldo alleen de rentelasten op schuldpapier meegenomen. Rentelasten op derivaten worden niet meegenomen in het EMU-saldo en worden daarom apart weergegeven.

Binnen het renterisicobeleid heeft het Agentschap de mogelijkheid om rentederivaten af te sluiten of voortijdig te beëindigen. Bij het beëindigen van een rentederivaat wordt de actuele marktwaarde van het derivaat verrekend tussen beide partijen. Doordat deze marktwaarde in de praktijk positief is geweest voor de Staat, hebben deze voortijdige beëindigingen tot eenmalige ontvangsten geleid die een verlagend effect hebben gehad op de staatsschuld. Tegenover deze eenmalige baten, staan lagere verwachte rentebaten in toekomstige jaren.

De staatsschuld zal in 2020 en 2021 toenemen ten opzichte van 2019 als gevolg van de maatregelen rondom Covid-19 en de dalend economische groei met een naar verwachting dalend effect op de rentelasten als gevolg van de lage (negatieve) rente.

Belangrijkste mutaties rentekosten

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentelasten vanaf de ontwerpbegroting 2020 weergegeven.

Tabel 6 Overzicht belangrijkste mutaties rentelasten en rentebaten naar oorzaak (bedragen x € 1 mln.)12
 

Art. nr.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

4.746

4.713

4.910

4.468

4.593

 
        

Bijstelling kassaldo

11

‒ 301

‒ 473

‒ 416

‒ 247

‒ 50

 

Bijstelling rekenrente

11

17

‒ 567

‒ 1.152

‒ 1.878

‒ 2.493

 

Effect nieuwe schulduitgifte

11

168

22

‒ 1

‒ 24

‒ 49

 

Bijstelling rentelasten interne schuldverhouding

12

‒ 6

‒ 24

‒ 110

‒ 230

‒ 237

 

Extrapolatie

11&12

     

1.641

        

Stand ontwerpbegroting 2021

 

4.625

3.671

3.231

2.090

1.764

1.641

X Noot
1

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

De ontvangsten of uitgaven als gevolg van voortijdige beëindiging derivaten en schuld worden niet geraamd.

De rentelasten op de staatsschuld (artikel 11) liggen bij het opstellen van de begroting al voor een groot deel vast. Immers, de meeste rente wordt betaald op leningen die in het verleden zijn afgesloten. Hoe verder vooruit, hoe groter de onzekerheid in de ramingen. De hoogte van de rentelasten die al vastliggen volgt uit de toenmalige rentestanden en schuldopbouw, en uit de keuzes die in het verleden werden gemaakt ten aanzien van financieringsbeleid en risicomanagement.

De rentelasten op nieuw uit te geven schuld worden geraamd op basis van de meest recente rentetarieven van het Centraal Planbureau (CPB) en op basis van de raming van het kassaldo van het Rijk. Bijstelling van deze twee variabelen is de belangrijkste oorzaak van de aanpassing van de rentelasten. Daarnaast is tussen het moment van opstellen van de begrotingen van 2020 en 2021 een deel van de schuld opnieuw gefinancierd tegen nieuwe voorwaarden. Ook dit heeft een effect op de geraamde rentelasten.

Ook voor het bijstellen van de geraamde rentelasten op de interne schuldverhouding geldt dat dit vooral het gevolg is van gewijzigde rentetarieven en omvang van de schuldverhouding. Verwacht wordt dat de schuldverhouding toeneemt hetgeen lagere rentelasten veroorzaakt.

In onderstaande grafiek wordt de (verwachte) staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. De jaren 2017-2019 zijn realisaties, 2020 en 2021 zijn ramingen.

Figuur 8 Overzicht staatsschuld en rentelasten (bedragen x € 1 mld.)

De omvang van de staatsschuld bedraagt ultimo 2021 naar verwachting circa € 423 mld. De raming voor de rentelasten van de staatsschuld, exclusief rentederivaten, bedraagt voor 2021 € 3,7 mld. Wanneer deze derivaten ook worden meegeteld bedragen de geraamde rentelasten € 2,3 mld. Op rentederivaten wordt per saldo rente ontvangen.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 7 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1 mln.)

Artikel

Naam artikel (€ tot. uitg. art.)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Belastingen (€466,3 mln.)

€ 310,6 mln (66,6%)

€ 155,8 mln. (33,4%)

Met name (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware, en uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven)

2

Financiële markten (€ 26,1 mln.)

€ 21,5 mln. (82,5%)

€ 4,6 mln. (17,5%)

De niet-juridische verplichte uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op de aankoop van circulatiemunten. Vanaf 2021 zal het nieuwe muntcontract voor verzamelaarsmunten in werking treden.

3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector (€692,9 mln.)

€ 692,9 mln. (100%)

€ 0

Niet van toepassing

4

Internationale financiële betrekkingen (€ 79,4 mln.)

€ 79,2 mln. (99,8%)

€ 0,2 mln. (0,2%)

Technische assisentie kiesgroeplanden

5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen (€ 580,4 mln.)

€ 580,4 mln. (100%)

€ 0

Niet van toepassing

6

Btw-compensatiefonds (€ 3.571,4 mln.)

€ 3.571,4 mln. (100%)

€ 0

Niet van toepassing

9

Douane (€ 102,4 mln.)

€ 89,9mln. (87,8%)

€ 12,5 mln. (12,2%)

Hoofdzakelijk kosten voor de inkoop van Douane specifieke middelen, bijvoorbeeld speurhonden, detectiesystemen, werktuigen, meldkamervoorzieningen en laboratoria.

11

Financiering staatsschuld (€ 20.926,3 mln.)

€ 20.909,6 mln. (99,92%)

€ 16,7 mln. (0,08%)

Met name advieskosten aan banken en uitgiftes van obligaties

12

Kasbeheer (€ 1.531,3 mln.)

€ 1.531,3 mln. (100%)

€ 0

Niet van toepassing

13

Toeslagen (€ 0,1 mln.)

€ 0,1 mln. (100%)

€ 0

Niet van toepassing

2.4 Strategische Evaluatie Agenda

De meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is vanaf dit jaar vervangen door de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) zoals aangekondigd in de derde voortgangsrapportage van de Operatie Inzicht in Kwaliteit.10 Hiermee wordt de focus van het ex-post evalueren en verantwoorden van begrotingsartikelen middels de beleidsdoorlichtingen verbreed naar een onderbouwde en strategische programmering van onderzoek en evaluatie gedurende de gehele beleidscyclus. De programmering van deze activiteiten volgt voor het overgrote deel de beleidsprioriteiten uit de beleidsagenda bij deze begroting. Voor de onderzoeken en evaluaties voor 2020 en 2021 worden nu concrete activiteiten in gang gezet, de planning voor de jaren vanaf 2022 en verder is nog in ontwikkeling en kan nog wijzigen door externe ontwikkelingen of hernieuwde prioriteiten.11

Deze SEA biedt de mogelijkheid om niet alleen maar per begrotingsartikel periodiek een evaluatie uit te voeren, maar dit breder te doen voor een beleidsthema en te bezien wanneer dit strategisch handig is. Zo kan door de SEA inzichtelijk worden gemaakt waar de kennisbehoefte zit, wanneer welk evaluatiemateriaal verzameld moet worden en de planning zo te kiezen wanneer het beleidsmatig ook een doel dient, bijvoorbeeld op het moment dat besluitvorming over verlenging van het betreffende beleid plaatsvindt. Naast een duidelijkere programmering van onderzoek en evaluatie is het dan ook belangrijk om evaluatie niet als iets volledigs losstaand van de beleidsontwikkeling te organiseren. Evaluatie is idealiter een manier van denken die voortdurend wordt toegepast.

Deze SEA bevat ook speciale aandacht voor de toepassing van gedragsinzichten. Bijna alle beleidsinstrumenten zijn immers bedoeld om actoren andere keuzes te laten maken. Dat kunnen keuzes zijn van burgers, maar ook van ondernemingen, gemeentes, toezichthouders of departementen. In voorbereiding op evaluaties wordt daarom nagegaan welke ‘gedragsdoelen’ de beleidsinstrumenten hebben en tijdens de evaluatie wordt geprobeerd vast te stellen in hoeverre deze zijn bereikt. De onderzoeken en evaluaties waar gedragsinzichten een prominente plek innemen zijn hieronder aangeduid met een*. Ook bevat deze agenda verwijzingen naar de interdepartementale evaluatieagenda voor het klimaatbeleid, welke landt in de SEA van EZK. De onderzoeken en evaluaties van Financiën die in het kader van het Klimaatakkoord zijn opgenomen in deze SEA en tevens zichtbaar zijn in de interdepartementale evaluatieagenda voor het klimaatbeleid zijn aangeduid met §.

De tabellen hieronder bevatten per beleidsprioriteit de geplande onderzoeken en evaluaties. De toelichting hierop is uitgewerkt in bijlage 4 van deze begroting.

Tabel 8 Thema 1: Nederland financieel gezond: stabiliseren en groeien na economische schok COVID-19 crisis

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Beleidscyclus beleid tegen witwassen en terrorismefinanciering

Doorlopend

Monitoring

2

Beleidsdoorlichting Deelnemingen

2020

Beleidsdoorlichting

3

Evaluatie Kifid

2020

Beleidsevaluatie

2

Advies Studiegroep Begrotingsruimte (incl. beleidsdoorlichting begrotingsbeleid)

2020

Ex-durante onderzoek + beleidsdoorlichting

NVT

Beleidsdoorlichting BTW-compensatiefonds

2020 ‒ 2021

Beleidsdoorlichting

6

IBO regeling agentschappen*

2020 ‒ 2021

IBO

NVT

Evaluatie van Wet transparant toezicht financiële markten

2020 ‒ 2022

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie bankenbelasting*

2021

Beleidsevaluatie

1

ZBO-evaluatie AFM en DNB

2021

Monitoring

2

Evaluatie implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten

2021

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie afwikkelingsproces rentederivaten

2021

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn

2021

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie doeltreffendheid en effecten art. 4:24a Wft

2021 ‒ 2022

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie Wet verwijzingsportaal bankgegevens

2022

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie Wet Beloningsbeleid

2023

Beleidsevaluatie

2

Evaluatie Wet Toezicht Trustkantoren

2024

Beleidsevaluatie

2

Tabel 9 Thema 2: Nederland in Europa en de wereld

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Monitoring effecten aanpak belastingontwijking

Vanaf 2020 jaarlijks

Monitoring

1

Verkenning nieuwe groepsregeling in de Vennootschapsbelasting

2020

Ex-ante onderzoek

1

Nader onderzoek effecten (OESO-) voorstellen belasten digitale onderdelen economie

2020 ‒ 2021

Ex-ante onderzoek

1

Nader onderzoek belastingdruk multinationals: het beperken van de aftrekbaarheid van aandeelhouders/-hoofdkantoorkosten

2020 ‒ 2021

Ex-durante onderzoek

1

Nader onderzoek belastingdruk multinationals: structureel verlieslatende bedrijven en betaalde belasting

2020 ‒ 2021

Ex-durante onderzoek

1

Nader onderzoek belastingdruk multinationals: het belang van royalty’s

2021

Ex-durante onderzoek

1

Nader onderzoek belastingdruk multinationals: verschillen tussen fiscale en commerciële winstbepaling

2021

Ex-durante onderzoek

1

Evaluatie Brexit

2021

Beleidsevaluatie

NVT

Alternatieve invulling beleidsdoorlichting Internationale financiële betrekkingen

2021 ‒ 2025

Beleidsevaluatie

4

Onderzoek voor- en nadelen Europese harmonisatie btw-systeem door de jaren heen

2022

Ex-durante evaluatie

1

Beleidsdoorlichting Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

2022 ‒ 2023

Beleidsdoorlichting

5

Onderzoek belang verdragennetwerk

2023

Ex-durante onderzoek

1

Evaluatie innovatiebox*

2023

Beleidsevaluatie

1

Tabel 10 Thema 3: Verduurzaming en vergroening van de economie

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Evaluaties aandeelhouderschap staatsdeelnemingen

Doorlopend

Beleidsevaluatie

3

Monitoring stimulering elektrische auto’s ‘hand aan de kraan’ §

Vanaf 2020 jaarlijks

Monitoring

1

MKBA betalen naar gebruik (autobelastingen) §

2020

Ex-ante onderzoek

1

Aanvullend ex-ante onderzoek vliegbelasting vrachtsector*

2020

Ex-ante onderzoek

1

Studie invoering betalen naar gebruik (autobelastingen)* §

2020 ‒ 2021

Ex-ante onderzoek

1

Onderzoek nieuwe vormgeving afvalstoffenbelasting*

2021

Ex-ante onderzoek

1

Evaluatie fiscale regelingen autobelastingen*

2021

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie fiscale regelingen Energiebelasting §

2021

Beleidsevaluatie

1

Ex-ante onderzoek carbon border adjustment mechanism*

2021

Ex-ante onderzoek

1

Onderzoek onbelaste reiskostenvergoeding

2021

Ex-durante evaluatie

1

Evaluatie reisaftrek OV*

2022

Beleidsevaluatie

1

Tussenevaluatie klimaatakkoord mobiliteit* §

2022

Ex-durante evaluatie

1

Evaluatie vliegbelasting vrachtsector*

2022

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie EIA §

2023

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie MIA en Vamil §

2023

Beleidsevaluatie

1

Eindevaluatie klimaatakkoord mobiliteit* §

2024

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie CO2-heffing industrie §

2024

Ex-durante evaluatie

1

Evaluatie vliegbelasting*

2025

Beleidsevaluatie

1

Tabel 11 Thema 4: Vergroten menselijke maat in het toeslagenstelsel

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Routekaart nieuw stelsel toeslagen*

2020 ‒ 2021

Ex-ante onderzoek

1

Evaluatie verbeteringen uitvoering toeslagen

2022 ‒ 2023

Beleidsevaluatie

1

Tabel 12 Thema 5: Verbeteren processen Belastingdienst, Douane en Toeslagen: betrouwbaar, benaderbaar en behulpzaam

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Onderzoek naar fundamentele transformatie van de dienstverlening

2020

Beleidsevaluatie

1

Beleidsdoorlichting Dienstverlening*

2020

Beleidsdoorlichting

1

Beleidsdoorlichting Douane

2020

Beleidsdoorlichting

11

Evaluatie inningsproces

2022

Beleidsevaluatie

1

Beleidsdoorlichting Toezicht, opsporing en massale processen*

2022

Beleidsdoorlichting

1

Evaluatie verbeteringen dienstverlening

2023 ‒ 2024

Beleidsevaluatie

1

X Noot
1

Sinds 2019 heeft Douane een eigen begrotingsartikel (artikel 9), de beleidsdoorlichting gaat over de periode 2012-2018.

Tabel 13 Overzicht coronamaatregelen

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Monitoring en evaluatie (fiscale) crisismaatregelen

Doorlopend

Monitoring/ beleidsevaluatie

1

Analyse maatregel handelskredieten

2020

Beleidsevaluatie

5

Tabel 14 Overige evaluaties/ onderzoek Financiën

Titel/ onderwerp

Looptijd

Soort onderzoek

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie fiscale regelingen overdrachtsbelasting

2020 ‒ 2021

Beleidsevaluatie

1

Nader onderzoek vermogensstatistieken box 2

2020 ‒ 2021

Verdiepend onderzoek

1

Evaluatie Strategische Evaluatie Agenda

2020 ‒ 2021

Beleidsevaluatie

NVT

Evaluatie Pilot CW 3.1

2020 ‒ 2021

Beleidsevaluatie

NVT

Evaluatie eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning*

2021

Beleidsevaluatie

1

Vpb vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

2021

Ex-durante evaluatie

1

Onderzoek omvang digitale platformeconomie in Nederland

2021

Ex-ante onderzoek

1

Evaluatie fiscale regelingen bedrijfsopvolging

2021

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie kleine ondernemersregeling btw

2021

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie grenseffecten tabaksaccijnsverhogingen

2021

Beleidsevaluatie

1

Prikkels arbeidsparticipatie inkomstenbelasting/ evaluatie Arbeidskorting/ Inkomensafhankelijke Combinatiekorting

2022

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie ondernemersregelingen

2022

Beleidsevaluatie

1

Evaluatie landbouwvrijstelling

2022

Beleidsevaluatie

1

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel 15 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)
 

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2019

Geraamd te verlenen 2020

Geraamd te vervallen 2020

Uitstaande garanties 2020

Geraamd te verlenen 2021

Geraamd te vervallen 2021

Uitstaande Garanties 2021

Garantieplafond

Totaal plafond

1

1

Garantie procesrisico's

330

450

450

330

400

400

330

400

0

2

2

DGS BES-eilanden

66.762

0

0

66.762

0

0

66.762

0

66.762

3

2

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

175

0

0

175

0

0

175

0

175

4

2

NBM

2.500

0

0

2.500

0

0

2.500

0

2.500

5

2

Single Resolution Fund

4.163.500

0

0

4.163.500

0

0

4.163.500

0

4.163.500

6

2

Terrorismeschades (NHT)

50.000

0

0

50.000

0

0

50.000

0

50.000

7

2

Waarborgfonds motorverkeer

2.500

0

0

2.500

0

0

2.500

0

2.500

8

2

WAKO (kernongevallen)

9.768.901

0

0

9.768.901

0

0

9.768.901

0

9.768.901

9

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

309.165

2.160.000

300.000

2.169.165

0

0

2.169.165

0

2.469.165

10

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

5.507.000

0

0

5.507.000

0

0

5.507.000

0

5.507.000

11

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

734.378

6.644

0

741.022

0

0

741.022

0

741.022

12

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

43.832.909

716.759

0

44.549.668

0

2.050.187

42.499.481

0

44.549.668

13

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

589.100

0

0

589.100

0

0

589.100

0

589.100

14

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

34.154.159

0

0

34.154.159

0

0

34.154.159

0

34.154.159

15

4

European Financial Stabilisation Mechnism (EFSM)

2.940.000

‒ 168.418

0

2.771.582

0

0

2.771.582

0

2.940.000

16

4

European Investment Bank (EIB)

9.895.547

1.900.425

0

11.795.972

0

0

11.795.972

0

11.795.972

17

4

EIB - kredietverlening in ACP en OCT

58.464

0

0

58.464

0

0

58.464

0

58.464

18

4

EIB - pan Europees Garantiefonds

0

1.301.381

0

1.301.381

0

0

1.301.381

0

1.301.381

19

4

European Stability Mechanism (ESM)

35.429.900

0

6.200

35.423.700

0

67.050

35.356.650

0

35.423.700

20

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.450.000

1.262.000

0

3.712.000

0

0

3.712.000

0

3.712.000

21

4

Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA)

29.824

270

0

30.094

0

0

30.094

0

30.094

22

4

Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)

0

6.071.150

0

6.071.150

0

0

6.071.150

0

6.071.150

23

4

Next Generation EU (NGEU)

0

27.401.109

0

27.401.109

0

0

27.401.109

0

27.401.109

24

4

Wereldbank

5.387.429

48.760

0

5.436.189

0

0

5.436.189

0

5.436.189

25

5

Exportkredietverzekering

16.402.594

10.000.000

10.000.000

16.402.594

10.000.000

10.000.000

16.402.594

10.000.000

0

26

5

Herverzekering leverancierskredieten

0

12.000.000

0

12.000.000

0

0

12.000.000

0

12.000.000

            
  

Totaal

171.775.137

62.700.530

10.306.650

224.169.017

10.000.400

12.117.637

222.051.780

10.000.400

208.234.511

Tabel 16 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)
 

Art.

Omschrijving

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Uitgaven 2020

Ontvangsten 2020

Stand risicovoorziening 2020

Saldo 2020

Uitgaven 2021

Ontvangsten 2021

Stand risicovoorziening 2021

Saldo 2021

1

1

Garantie procesrisico's

156

0

0

‒ 156

295

0

0

‒ 295

245

0

0

‒ 245

2

2

DGS BES-eilanden

0

0

3.000

0

0

0

4.000

0

0

0

5.000

0

3

2

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4

2

NBM

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5

2

Single Resolution Fund

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

6

2

Terrorismeschades (NHT)

0

875

875

875

0

625

1.500

625

0

625

2.125

625

7

2

Waarborgfonds motorverkeer

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

8

2

WAKO (kernongevallen)

0

516

0

516

0

614

0

614

0

614

0

614

9

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

0

4.800

44.844

4.800

0

9.156

48.000

9.156

0

18.000

48.000

18.000

10

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

11

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

12

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

13

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

14

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

15

4

European Financial Stabilisation Mechnism (EFSM)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

16

4

European Investment Bank (EIB)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

17

4

EIB - kredietverlening in ACP en OCT

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

18

4

EIB - plan Europees Garantiefonds

0

0

0

0

260.276

0

0

‒ 260.276

0

0

0

0

19

4

European Stability Mechanism (ESM)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

20

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

21

4

Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

22

4

Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

23

4

Next Generation EU (NGEU)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

24

4

Wereldbank

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

25

5

Exportkredietverzekering

184.726

217.575

440.707

32.849

136.900

95.954

482.007

‒ 40.946

142.000

231.870

449.207

89.870

26

5

Herverzekering leverancierskredieten

0

0

0

0

950.000

390.000

0

‒ 560.000

350.000

100.000

0

‒ 250.000

               
  

Totaal

184.882

223.766

489.426

38.884

1.347.471

496.349

535.507

‒ 851.122

492.245

351.109

504.332

‒ 141.136

Algemeen

De garantieregelingen groter dan € 5 mln. worden toegelicht.

Alle risicoregelingen worden in de periodieke beleidsdoorlichtingen getoetst op nut en noodzaak. Voor de planning van deze periodieke evaluaties wordt verwezen naar overzicht 2.4 ‘Strategische Evaluatie Agenda’ en bijlage 4 ‘Toelichting op de Strategische Evaluatie Agenda’.

2. DGS BES-eilanden

Doel en werking garantieregeling

Het depositogarantiestelsel (DGS) voor de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) is in 2017 ingesteld om de depositohouders op die eilanden te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te vergroten. In de Wet financiële markten BES staat dat de aan het DGS deelnemende kredietinstellingen de kosten van het DGS dragen. Gezien de situatie van de kredietinstellingen op de BES-eilanden is gekozen voor een model waarbij de sector achteraf indien mogelijk het DGS financiert maar de Staat de uitkering zo nodig voorfinanciert. De onmiddellijke uitkering uit het DGS komt ten laste van de schatkist. Vervolgens wordt de uitkering, in door DNB vast te stellen termijnen, door de sector terugbetaald.

Kans, impact en beheersing risico’s

Het DGS garandeert deposito’s van ingezetenen van de BES-eilanden bij op de BES-eilanden actieve banken tot een bedrag van USD 10.000. Het DGS keert enkel uit in de situatie dat een bank door faillissement tegoeden van spaarders niet kan terugbetalen. Alleen in de uitzonderlijke situatie van een faillissement van een bank kan een beroep worden gedaan op de regeling. De schade voor depositohouders wordt berekend op basis van de administratie van de failliete bank: DNB heeft op grond van de Wet financiële markten BES de bevoegdheid de administratie op te vragen. Het is een tijdelijke garantie: zodra meer structurele oplossingen gerealiseerd zijn, kan de regeling geheel of gedeeltelijk worden beëindigd. Aangezien het DGS deposito’s in USD garandeert, is het totaal uitstaand risico in euro gevoelig voor wisselkoersontwikkelingen.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premie bedraagt € 1 mln. per jaar en wordt in een begrotingsreserve gestort. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

5. Single Resolution Fund

Doel en werking garantieregeling

In de verklaring van de ministers van de Eurogroep en Economic and Financial Affairs Council (Ecofinraad) van 18 december 2013 is opgenomen dat er voor de overgangsperiode (2016-2023) van het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund, SRF) voorzien zal worden in een systeem waarbij voor de afwikkeling van een bank(engroep) in laatste instantie brugfinanciering aan de Single Resolution Board (SRB) verstrekt kan worden. Brugfinanciering is noodzakelijk aangezien zich situaties kunnen voordoen waarbij de aanwezige middelen in het SRF ontoereikend zijn om de kosten voortkomend uit een afwikkelingscasus mee te financieren en het vervolgens niet (voldoende) mogelijk is om onmiddellijk ex-post bijdragen bij banken in de betreffende lidstaat te innen. Voor de geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM) is het van cruciaal belang dat het SRF effectief en voldoende gefinancierd is.

Voor de vormgeving van brugfinanciering is gewerkt aan een systeem van individuele kredietlijnen van lidstaten. De totale omvang van alle individuele kredietlijnen van de lidstaten van de eurozone is gelijk aan het afgesproken streefbedrag van het SRF. Op dit moment is de omvang van het SRF bepaald op € 55 mld. De omvang van de individuele kredietlijnen is gelijk aan de omvang van het nationale compartiment in het SRF. Het Nederlandse compartiment is vastgesteld op circa € 4,16 mld., ofwel 7,57% van de totale omvang van de verwachte ex-ante contributies aan het SRF in de periode 2016-2023.

Kans, impact en beheersing risico’s

Er kan geen direct beroep worden gedaan op het SRF om de verliezen van een instelling te absorberen of om de instelling te herkapitaliseren. Uitgangspunt bij afwikkeling is immers dat eventuele kosten of verliezen worden gedragen door aandeelhouders en crediteuren van een falende bank en niet de belastingbetaler. Ten aanzien van het opvangen van verliezen en herkapitalisatie geldt daarom dat ten minste 8% bail-in van de totale passiva inclusief eigen vermogen moet plaatsvinden. Hierna mag een bedrag van maximaal 5% van de totale passiva inclusief het eigen vermogen van de bank in afwikkeling worden aangewend uit het SRF. Alleen indien alle niet-preferente passiva, met uitzondering van in aanmerking komende deposito’s, volledig zijn afgeschreven kan, indien nodig, een groter beroep worden gedaan op het fonds.

Als een beroep wordt gedaan op het SRF tijdens de overgangsperiode worden de middelen aangewend volgens een getrapt systeem. Daarbij zijn de nationale compartimenten van de lidstaten en de mate waarin zij zijn gemutualiseerd van belang. Deze compartimenten worden gevuld met vooraf te betalen (ex-ante) bijdragen door de banken in de aan de bankenunie deelnemende lidstaten. Het getrapte systeem tijdens de overgangsfase bestaat uit vijf treden. Pas als alle treden uit het getrapte systeem volledig zijn afgelopen kan de SRB gebruikmaken van de individuele kredietlijn van de lidstaat waar de afwikkelingscasus plaatsvindt.

De kans dat er op de garantie (de kredietlijn) getrokken wordt, is op zichzelf laag doordat een beroep op de garantie alleen kan worden gedaan in laatste instantie en na het doorlopen van het getrapte systeem van het SRF. Bij afwikkeling van een enkele instelling zal het risico tevens kleiner zijn dan bij de afwikkeling van meerdere instellingen tegelijkertijd of kort na elkaar. Doordat het fonds de komende jaren wordt gevuld door de banken zelf, neemt het risico dat een beroep moet worden gedaan op de garantie ook af.

Premiestelling en kostendekkendheid

Lidstaten die hebben gekozen voor een kredietlijn zonder parlementaire goedkeuring voorafgaand aan iedere uitbetaling of tranchering, zoals Nederland, krijgen een bereidstellingsprovisie van 0,1%. De bereidstellingsprovisie wordt berekend over het bedrag onder de kredietlijn waar de SRB daadwerkelijk een beroep op kan doen. De provisie is zodoende afhankelijk van de totale middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF, de uitstaande leningen en de externe financieringsmogelijkheden van de SRB. De inkomsten uit de bereidstellingsprovisie zijn behoedzaam geraamd. Daarbij is uitgegaan van het uitblijven van een resolutiecasus waardoor de middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF toenemen en zodoende het beschikbare bedrag onder de kredietlijn en daarmee ook de bereidstellingsprovisie afnemen. Als het beschikbare bedrag onder de kredietlijn nul is, ontvangt de lidstaat geen bereidstellingsprovisie, omdat er dan überhaupt niet op de kredietlijn getrokken kan worden. De bereidstellingsprovisie wordt aan het einde van het jaar door de SRB vastgesteld en potentieel uiterlijk 20 dagen na het einde van ieder kalenderjaar aan de lidstaat betaald. Om bovenstaande reden is de bereidstellingsprovisie geraamd op nul.

In de situatie dat de SRB een beroep doet op de kredietlijn en (een deel van) de garantie wordt ingeroepen, ontvangt de Nederlandse staat rente, welke gelijk is aan de financieringskosten vastgesteld op de dag dat de SRB het verzoek heeft ingediend om gebruik te maken van de kredietlijn (of in het geval dat de lening verlengd wordt, op de dag dat de SRB vraagt om de verlenging van de lening).

6. Terrorismeschades (NHT)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat verzekeraars en herverzekeraars terrorismerisico’s uitsloten op hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 mld. per jaar. De Staat geeft een garantie voor de laatste € 50 mln. van deze dekkingscapaciteit.

Kans, impact en beheersing risico’s

Terrorismebestrijding vergt vanwege de hoge dreiging onverminderde politieke aandacht van de Staat. De financiële risico’s voor de Staat zijn in eerste instantie beperkt doordat de verzekeraars en herverzekeraars de eerste € 950 mln. van de dekkingscapaciteit garanderen en pas daarna de garantie van de Staat kan worden aangesproken.

Premiestelling en kostendekkendheid

De Staat heft een premie over het afgegeven garantiebedrag van € 50 mln. Deze middelen worden vanaf 2019 gestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

8. WAKO (kernongevallen)

Doel en werking garantieregeling

De Wet aansprakelijkheid kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is aansprakelijk voor schade bij kernongevallen, maar de Staat der Nederlanden staat voor zes installaties garant: voor vijf installaties tot maximaal € 1,5 mld. per ongeval en voor de kerncentrale Borssele maximaal € 2,3 mld. per ongeval. Het totale risico voor deze installaties bedraagt dus € 9,8 mld. Het bedrag van € 1,5 mld. is gebaseerd op de Verdragen van Parijs en Brussel, die verdragsstaten verplichten tot een garantstelling. Aangezien een kernongeval bij Borssele hogere schades kan veroorzaken is er nationaal door het kabinet voor gekozen hiervoor een hogere garantie af te geven. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant van kerncentrale Borssele jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse staat.

Voorts hebben alle kerninstallaties een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij commerciële verzekeraars en voor bepaalde risico’s bij de Nederlandse staat. Hiertoe zijn zij op grond van de WAKO verplicht. De verzekerde som is afhankelijk van de risico’s bij de betreffende installatie, maar is in geen geval hoger dan € 1,2 mld. De Staat ontvangt hiervoor van alle kerninstallaties premies. Voor schades die door verzekeraars worden vergoed hoeft geen beroep te worden gedaan op de staatsgarantie.

Het doel van deze garantie is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen.

Kans, impact en beheersing risico’s

Kerncentrales moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kerncentrale in Borssele is ook bestand tegen externe omstandigheden, zoals een aardbeving of overstroming. Uit onder andere de Europese stresstest blijkt dat Borssele voldoet aan de bestaande veiligheidseisen. Voor de overige installaties zijn nationale stresstests uitgevoerd, die ook positief waren12.

Kerncentrales staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. Dit ligt vast in de Nederlandse wet en in internationale verdragen. Daarnaast staan in de vergunningen talrijke eisen aan een kerncentrale. Dit zijn bijvoorbeeld eisen om internationale contacten tussen kerncentrales te onderhouden om kennis en ervaringen uit te wisselen. Wettelijk toezicht in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), die het toezicht ook uitvoert. De ANVS ziet erop toe dat alle nucleaire installaties in Nederland de relevante veiligheidseisen naleven. Ook zorgt de ANVS dat veiligheids- en beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Er zijn regelmatig contacten tussen de kerncentrale en de ANVS. Inspecteurs houden vaak ter plekke toezicht en controles. Zij kijken of de vergunningen worden nageleefd, of technische specificaties en de werkwijzen kloppen en of voorgenomen wijzigingen aan installaties mogen worden uitgevoerd.

Premiestelling en kostendekkendheid

De doelstelling is dat een premie wordt geïnd die een reële weergave vormt van het risico voor de Staat. Voor de berekeningssystematiek wordt aangesloten bij de premieberekening die de markt hanteert voor kernongeval schadeverzekeringen. De premies worden niet afgestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

9. Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

Doel en werking garantieregeling

De Staat heeft garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende instellingen die het gevolg zijn van de verkoop van staatsdeelnemingen. Aan de koper van Fortis Corporate Insurance (Amlin PLC, € 5,5 mln.) en de koper van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM; Group Heylen, € 2,5 mln.) zijn garanties en vrijwaringen verstrekt. Deze garanties en vrijwaringen zijn gebruikelijk bij dit soort transacties en zien bijvoorbeeld toe op navorderingen van de Belastingdienst. Hiermee wordt voorkomen dat de koper dit soort zaken verdisconteert in een lager bod op de aandelen. Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen verstrekt om de financiering van NWB Bank (€ 1,1 mln.) mogelijk te maken.

In juni 2020 heeft de Staat een garantie aan KLM afgegeven. Een groep van internationale banken verstrekt liquiditeit aan KLM tot € 2,4 mld. in de vorm van een revolving credit facility (RCF) waarbij KLM de liquiditeit kan aantrekken wanneer nodig en dient terug te storten wanneer deze overvloedig is. De Nederlandse staat garandeert maximaal 90% van de totale omvang van deze faciliteit (€ 2,16 mld.). Voor verdere details, zie het bij deze garantie begorende toetsingskader risicoregelingen.13

Kans, impact en beheersing risico’s

De steun die wordt verleend aan KLM is een combinatie van een garantie op externe financiering en een achtergestelde directe lening van de Nederlandse staat. Het kabinet heeft deze vorm gekozen, zodat ook de banken een deel van het risico dragen. De financiering wordt dus zo veel mogelijk door de markt gefaciliteerd en de Nederlandse staat neemt enkel de risico’s op zich daar waar deze niet in de markt kunnen worden ondergebracht.

In het geval KLM volledig gebruik zal maken van beide faciliteiten, betekent dit dat de staat garant staat voor een bedrag van € 2,16 miljard (90% van € 2,4 miljard) en zelf een lening heeft verstrekt van € 1,0 miljard. Het risico bestaat dat KLM niet in staat zal zijn de leningen (volledig) terug te betalen. Zodoende bedraagt het maximale risico van deze regeling € 3,16 miljard, deze zullen generaal worden gedekt.

Hoewel het de inschatting is dat deze steun zal leiden tot voldoende liquiditeit voor KLM om de huidige crisis door te komen, bestaat de kans dat er aanvullende steun nodig zal zijn. Een mogelijkheid daartoe is dat de bestaande aandeelhouders van de onderneming – waaronder de staat – op enig moment gevraagd zullen worden te participeren in een kapitaalstorting.

Op twee manieren is getracht de risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. Zo stelt de staat allereerst financieringsvoorwaarden aan de garantie en de achtergestelde lening die gangbaar zijn bij dergelijke financiële instrumenten. Te denken valt aan de financiële criteria waar de onderneming gedurende de looptijd aan dient te voldoen om gebruik te kunnen blijven maken van de kredietfaciliteiten. Daarnaast is het verstrekken van de tranches onder de directe lening voorwaardelijk op voortgang van vervulling van de voorwaarden; een voorbeeld hiervan is het herstructureringsplan. KLM heeft tijd nodig om dit op te stellen. Pas indien het plan naar tevredenheid van de Nederlandse staat is opgesteld, zal een volgende tranche van de lening beschikbaar worden gesteld.

Premiestelling en kostendekkendheid

De Nederlandse staat ontvangt een premie voor de afgegeven garantie inzake de revolving credit facility voor KLM. De premie die KLM aan de Nederlandse staat betaalt voor deze garantie loopt op gedurende de looptijd en ziet er als volgt uit:

Tabel 17 Te betalen premie KLM aan de Nederlandse staat

Jaar

Jaarlijks te betalen premie

1e jaar van garantie

0,5% over het kredietplafond1 

2e en 3e jaar van garantie

1% over het kredietplafond

4e,5e en 6e jaar van garantie

2% over het kredietplafond

X Noot
1

Het kredietplafond is aanvankelijk € 2,4 miljard, maar kan potentieel vroegtijdig lager worden.

Voor de garanties aan Fortis, Groep Heylen en NWB ontvangt de Staat geen premie. Tot op heden heeft geen uitkering plaatsgevonden onder de garantie.

10. Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) is in 1970 opgericht om duurzame economische groei in ontwikkelingslanden te bevorderen, door het verschaffen van eigen vermogen of leningen voor projecten die impact creëren en voldoen aan FMO’s standaarden op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en «good governance». Hierbij gaat het alleen om projecten die niet door marktpartijen gefinancierd kunnen worden, voornamelijk vanwege het hoge risico dat zij associëren met onder meer het investeren in ontwikkelingslanden. FMO verschaft het eigen vermogen en de leningen aan private partijen in die landen. Door de private sector in ontwikkelingslanden te versterken wil de Staat een bijdrage leveren aan het terugdringen van armoede.

In de overeenkomst uit 1998 tussen de Staat en FMO is een garantie van de Staat richting FMO opgenomen. De garantie bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. De Staat zal de verliezen uit de bedrijfsvoering dekken, die volgen uit activiteiten van FMO, voor zover deze verliezen niet zijn of worden gedekt door waardecorrecties en/of schadevergoedingen en/of uitkeringen uit hoofde van verzekeringen. Voorts geldt als voorwaarde voor de garantie dat een dergelijk verlies de reserve voor algemene risico’s overstijgt en dat de verliezen het resultaat zijn van niet-normale bedrijfsrisico’s.

  • 2. Daarnaast heeft de Staat zich verplicht om situaties te voorkomen waarin FMO niet in staat is om bepaalde verplichtingen te voldoen, namelijk de verplichtingen die op FMO rusten uit hoofde van:

    • 1. op de kapitaalmarkt opgenomen leningen;

    • 2. op de geldmarkt opgenomen korte financieringsmiddelen met een looptijd gelijk aan of minder dan twee jaar;

    • 3. swap-overeenkomsten met uitwisseling van hoofdsom en rentebetaling;

    • 4. swap-overeenkomsten zonder uitwisseling van hoofdsom met rentebetaling;

    • 5. valuta-termijncontracten en Future Rate Agreements;

    • 6. optie- en future-contracten;

    • 7. combinaties van de hiervoor bedoelde producten (a t/m f);

    • 8. garanties door de FMO aan derden verstrekt ten behoeve van de financiering van private ondernemingen in ontwikkelingslanden;

    • 9. die voortvloeien uit het onderhouden van een adequaat apparaat.

Omdat het gaat om een instandhoudingsverplichting is de omvang van de garantie in theorie onbeperkt. In bovenstaand overzicht is, omwille van transparantie, de garantie gekwantificeerd. Het vreemd vermogen van FMO ultimo 2018 is gebruikt als inschatting van het uitstaande risico. De letterlijke tekst van de overeenkomst is leidend voor de interpretatie.

Kans, impact en beheersing risico’s

Aangezien het gegarandeerde bedrag meer dan € 5 mld. is, zou de financiële impact van het inroepen van (een deel van) de garantie zeer groot zijn. De kans hierop is echter zeer klein, aangezien er op verschillende niveaus aan actief risicomanagement wordt gedaan. Dit is nodig, aangezien FMO actief risico’s neemt die voortvloeien uit het verschaffen van leningen en eigen vermogen aan ontwikkelingslanden om daarmee haar doelstelling te bereiken: het bevorderen van de private sector in ontwikkelingslanden. Hiervoor is het van essentieel belang dat FMO een adequaat risicomanagementsysteem heeft om financiële risico’s te identificeren, te meten, te volgen en te beperken. Ten grondslag hieraan ligt de risicobereidheid van FMO. Dit is het risico dat FMO bereid is om te aanvaarden in het nastreven van toegevoegde waarde. De risicobereidheid van FMO wordt minstens een keer per jaar herzien.

De beheersing van de risico’s wordt verder ondersteund door behoedzame kapitaal- en liquiditeitsposities en sterke diversificatie van de leningen en eigenvermogenportefeuille over regio’s en sectoren. Ongeveer 80% van het economisch kapitaal van FMO wordt ingezet voor kredietrisico. Hoewel andere financiële risico’s niet altijd voorkomen kunnen worden, vermindert FMO deze zoveel mogelijk. FMO heeft geen handelsposities en is in het algemeen niet geïnteresseerd in valutarisico en renterisico.

Binnen FMO is de afdeling Risicomanagement verantwoordelijk voor het beheren van de risico’s in de eigenvermogenportefeuille (‘emerging market portfolio’), de eigen vermogensportefeuille (‘treasury portfolio’) en alle daarmee samenhangende marktrisico’s. Daarnaast heeft FMO een Investeringscommissie bestaande uit senior medewerkers van verschillende afdelingen. Deze commissie analyseert financieringsvoorstellen voor nieuwe transacties. Elk financieringsvoorstel wordt beoordeeld in termen van tegenpartijrisico, productrisico en landrisico. De financieringsvoorstellen worden vergezeld van het advies van de kredietafdeling. Deze afdeling is verantwoordelijk voor de beoordeling van de kredietrisico’s van zowel nieuwe transacties als de bestaande portefeuille.

FMO heeft een bankvergunning en staat onder toezicht van DNB. De Staat als aandeelhouder is conform de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 actief betrokken bij staatsdeelnemingen zoals FMO. Relevante (financiële) ontwikkelingen worden onder andere besproken in kwartaaloverleggen, het halfjaarlijkse beleidsoverleg en in bijvoorbeeld de aandeelhoudersvergadering.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Het grootste deel van de winst van FMO wordt jaarlijks conform de afspraken in de overeenkomst tussen de Staat en FMO toegevoegd aan de reserves van FMO. Een klein deel wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders van FMO. De Staat heeft 51% van de aandelen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

11. Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

Doel en werking garantieregeling

In 2015 is besloten om toe te treden tot de nieuw op te richten Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB), welke sinds januari 2016 operationeel is. Op basis van een door de oprichtende aandeelhouders bepaalde verdeelsleutel heeft Nederland een aandeel toegewezen gekregen en zich hierop ingeschreven. Dit aandeel bestaat uit een gedeelte ingelegd (paid-in) kapitaal (20%) en een gedeelte garantiekapitaal (80%). Deze verplichting betreft het garantiekapitaal. Het Nederlandse aandeel in het garantiekapitaal bedraagt in 2020 na wisselkoerscorrectie € 722,6 mln.

De doelstelling van de AIIB is tweeledig:

  • 1. het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het creëren van welvaart en het verbeteren van het infrastructuurnetwerk in Azië door te investeren in infrastructuur en andere productieve sectoren;

  • 2. het bevorderen van regionale samenwerking en partnerschappen door samen te werken met andere multilaterale en bilaterale ontwikkelingsinstellingen bij het adresseren van ontwikkelingsuitdagingen.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garantie kan worden afgeroepen door de AIIB op het moment dat de AIIB niet meer aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt, wordt echter als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest (bijvoorbeeld de mondiale financiële crisis van 2008). De AIIB heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Het risico wordt ook geadresseerd door het prudent risicobeleid van de AIIB. De externe kredietbeoordelingsbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de AIIB allen een AAA/Aaa-rating, wat een reflectie is van onder meer de governance-raamwerken van de AIIB, waaronder het risicomanagement- en liquiditeitbeleid van de AIIB, de sterke kapitaaltoereikendheid en de steun van de brede aandeelhoudersbasis.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden ook geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de AIIB hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de AIIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

12. DNB – deelneming in kapitaal IMF

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse staat verleent aan De Nederlansche Bank (DNB) een garantie om het risico te dekken indien het International Monetary Fund (IMF) in gebreke blijft. Deze garantie wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Een deel van de garantie is tijdelijk en is dit jaar verlengd in het kader van de afronding van de 15e quotaherziening. Om de financiële slagkracht van het IMF te waarborgen en de omvang gelijk te houden is door het IMFC in oktober 2019 besloten tot een verdubbeling van de New Arrangements to Borrow (NAB) per 1 januari 2021 en een verlenging van een deel van de bilaterale leningen (BBA) per 1 januari 2021. De quotamiddelen blijven op hetzelfde niveau. Voldoende financiële slagkracht voor het IMF is belangrijk om financiële schokken het hoofd te bieden. De COVID-19 crisis onderstreept het belang van een goed geëquipeerd IMF met voldoende middelen om landen te ondersteunen des te meer. Gecombineerd zorgt de verdubbeling van NAB en verlenging van een deel van de bilaterale leningen voor een afname van de Nederlandse garantie aan het IMF van 2,03 miljard euro per 2021. De Nederlandse garantie daalt omdat er meer landen zijn die bijdragen aan de NAB-middelen, waaronder ook de VS, dan aan de BBA-middelen. Vanwege de COVID-19 crisis heeft het IMF Nederland op 15 april jl. daarnaast om een aanvullende bijdrage in 2020 gevraagd aan de leningenaccount van de Poverty Reduction and Growth Trust (PRGT) om steun te kunnen bieden aan lage-inkomenslanden. De PRGT voorziet lage-inkomenslanden van concessionele leningen met een lange looptijd en rentesubsidie en staan daarom los van de overige IMF-middelen. De Nederlandse bijdrage aan de PRGT  is daarom opgehoogd met SDR 500 mln. (SDR = Special Drawing Rights, de rekeneenheid die het IMF hanteert) met een looptijd tot en met 2029. In totaal bedragen alle garanties voor Nederland in 2021 € 42,5 mld. na een wisselkoerscorrectie, verwerking van de 15e quotaherziening in 2021 en ophoging van de PRGT in 2020.

Kans, impact en beheersing risico’s

De kans dat het IMF in gebreke blijft bij DNB op de algemene middelen van het IMF (Quota/NAB/BBA) en DNB daarom de garantie bij het ministerie van Financien moet inroepen is zeer klein. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de mondiale financiële crisis van 2008).

Er zijn verschillende mitigerende factoren die ervoor zorgen dat de kans zeer klein is dat DNB de garantie moet inroepen omdat het IMF in gebreke blijft. Het IMF verstrekt leningen aan landen met betalingsbalansproblemen. In de eerste plaats kent een IMF-steun waar nodig conditionaliteiten. Hiermee verlangt het IMF niet alleen economische aanpassingen van de lidstaat om de betalingsbalansproblemen op orde te krijgen, maar zorgt het IMF er ook voor dat het land de lening tijdig terugbetaalt. Ten tweede heeft het IMF een de facto preferred-creditor status, waardoor het IMF bij terugbetalingen voorrang krijgt boven andere private en publieke crediteuren. Tenslotte hanteert het IMF ook een reservebuffer, die ongeveer SDR 15-20 mld. bedraagt, waarmee achterstallige betalingen kunnen worden opgevangen. Het komt overigens nauwelijks voor dat landen achterstanden hebben bij het IMF, mede dankzij het prudente beleid dat het IMF voert. Een belangrijk element hierin vormt het toegangsbeleid: voordat het IMF een programma verstrekt wordt vastgesteld of een land voldoende capaciteit heeft om het IMF terug te betalen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor limieten van leningen zodat het IMF grenzen kan stellen aan de beschikbare financiering voor een programma.

Ook de kans dat het IMF in gebreke blijft op de speciale leningenaccount voor lage-inkomenslanden, de PRGT, is klein. De eerdergenoemde waarborgen voor de algemene middelen gelden ook voor middelen uit de PRGT. In de afgelopen 25 jaar is het slechts één keer voorgekomen dat er een betalingsachterstand ontstond bij de PRGT. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de impact van de COVID-19 crisis zonder precedent is en dat voor een aantal landen dat gebruik maakt van PRGT-middelen in de aankomende jaren een onhoudbare schuldsituatie dreigt. De PRGT heeft reserves, waardoor betalingsachterstanden niet direct een risico vormen voor het inroepen van de garantie.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor afgegeven garanties aan DNB wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Het IMF zelf ontvangt geen garantie van de Nederlandse staat en betaalt dus ook geen premie voor deze garantie aan de Nederlandse staat. Het IMF vraagt wel premie aan landen die financiële steun krijgen en betaalt een premie aan landen die middelen verstrekken. Dit laatste geldt ook voor Nederland. Wanneer het IMF een beroep doet op een Nederlandse lening, krijgt DNB hiervoor een vergoeding; de SDR-rente. Deze is gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de 3 maandrente op staatspapier van de onderliggende valuta van de SDR, de Euro/Dollar/Yen/Renminbi en Pond. De SDR-rente kan niet negatief worden en kent een minimum van 5 basispunten (0.05%). Momenteel bedraagt de SDR-rente het minimum. Het IMF is kostendekkend, de uitvoeringskosten van het monitoren en opstellen van programma’s wordt door het IMF gedragen. Het IMF kent een complexe vergoeding structuur. In de basis rekent het IMF een vergoeding voor de gelopen risico’s voor programmafinanciering. Voor programma’s die groot van omvang zijn wordt een extra opslag gerekend omdat deze een groter risico kennen. Deze opslag kan na verloop van tijd verder worden verhoogd om groot en langdurig gebruik van IMF-middelen te ontmoedigen. Ook rekent het IMF een vergoeding om de uitvoeringskosten van een programma te dekken. Een uitzondering wordt gemaakt voor lage-inkomenslanden: zij betalen een lagere premie via de PRGT. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

13. European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

Doel en werking garantieregeling

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD, oftewel de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele landen in de Zuidoostelijk Mediterrane regio. Het mandaat van de EBRD is specifiek gericht op de transitie van (aanvankelijk ex-communistische) economieën naar markteconomieën met een robuuste private sector en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door kapitaal, waarvan zo’n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital14). Op basis van ingelegd kapitaal en garanties verstrekt door aandeelhouders, kan de EBRD financiering aantrekken op de kapitaalmarkt en deze financiering als leningen verstrekken aan voornamelijke de private sector. Voor 2021 wordt deze garantie voor Nederland geraamd op € 589,1 mln.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garantie kan alleen worden ingeroepen door de EBRD wanneer de EBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en de bank dus failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de mondiale financiële crisis van 2008). De EBRD voert een prudent beleid. Het liquiditeit- en risicobeleid zijn conservatief. De EBRD heeft een sterke kapitaalpositie met een gezonde verhouding tussen de portfolio en de capaciteit om het risico in de portfolio te dragen. Het beleid is erop gericht dat kapitaalgaranties nooit ingeroepen hoeven te worden. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de EBRD allen een AAA/Aaa-rating. De EBRD heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Tevens heeft het dagelijks bestuur van de EBRD een Audit comité dat de risico’s van de EBRD nauwgezet in de gaten houdt. Er is daarnaast een intern Audit comité dat toeziet op de kwaliteit van procedures en processen (deze rapporteert aan de president van de EBRD).

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EBRD hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EBRD, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Uit het eigen vermogen worden regelmatig (beperkt) middelen onttrokken met goedkeuring van de Raad van Gouverneurs, bijvoorbeeld voor het EBRD-fonds waaruit onder andere technische assistentie-activiteiten worden betaald of het door de EBRD beheerde Chernobyl Shelter Fund. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

14 en 19. European Financial Stability Facility (EFSF) en European Stability Mechanism (ESM)

Doel en werking garantieregeling

In 2010 is besloten tot de oprichting de European Financial Stability Facility (EFSF) en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, het European Stability Mechanism (ESM). Deze noodmechanismen verstrekken steun aan eurozonelanden in nood onder strikte voorwaarden. In 2021 staat Nederland voor maximaal 34,2 mld. euro garant voor het EFSF en 35,4 mld. euro voor het ESM. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen. Het EFSF wordt in principe niet meer gebruikt voor het verstrekken van nieuwe stabiliteitssteun, maar beheert de nog uitstaande leningen aan Ierland, Portugal en Griekenland.

Kans, impact en beheersing risico’s

De regeling betreft financiële steun aan landen middels een leningenprogramma met strikte voorwaarden die in tranches wordt uitgekeerd. De steun is erop gericht om zo spoedig mogelijk weer een houdbare financieel-economische positie te realiseren voor de lidstaat en weer toegang te verkrijgen tot de financiële markten.

Op het moment dat een lidstaat, die steun uit het EFSF ontvangt, niet aan de betalingsverplichtingen aan het EFSF kan voldoen en als gevolg daarvan het EFSF haar schuldeisers niet meer kan betalen, zal Nederland naar rato van zijn aandeel in de garantie moeten bijdragen aan de rentebetalingen en de aflossing aan de schuldeisers van het EFSF. Als andere landen die garanties hebben verleend op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het EFSF te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen, tot maximaal de verstrekte garantie (165% van het Nederlandse aandeel in de garantie voor de hoofdsom en renteverplichtingen op de uitstaande schuld van het EFSF). Het EFSF krijgt hierbij een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het EFSF garanties inroept heeft dit dus effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Het ESM kent een andere structuur, waardoor de risico’s voor landen die garanties verstrekken zijn ingeperkt. Indien lidstaten die steun hebben ontvangen uit het ESM niet in staat zijn om aan de betalingsverplichtingen aan het ESM te voldoen en als gevolg daarvan het ESM haar schuldeisers niet meer kan betalen, dan zal het ESM deze verliezen moeten opvangen. Het ESM zal dan eerst putten uit het reservefonds, daarna uit het ingelegd kapitaal en als laatste optie pas het oproepbaar kapitaal (garanties) bij lidstaten oproepen. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het ESM te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen, tot maximaal het bij Nederland oproepbare kapitaal. Het ESM krijgt hierbij een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Naast deze opzet, worden de risico’s beheerst doordat het ESM een preferente schuldeiserstatus (Preferred Creditor Status) kan claimen over andere crediteuren (behalve ten opzichte van het IMF). Zodra het ESM garanties inroept, heeft dit ook effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Premiestelling en kostendekkendheid

De rente die de verschillende programmalanden momenteel betalen aan het ESM en het EFSF is afhankelijk van de rente waarvoor het EFSF/ESM op de geld- en kapitaalmarkt leent (zogenoemde cost of funding). Het verschuldigde rentepercentage is voor het grootste deel van de leningen een samenstelling van de rente die het EFSF/ESM betaalt voor obligatie-uitgiftes met verschillende looptijden (in de zogenaamde funding pool). Op basis van de op de markt aangetrokken middelen berekent het EFSF/ESM op dagbasis de gemiddelde financieringskosten, welke worden doorberekend aan de programmalanden. Daarnaast betalen lidstaten die steun ontvangen van het EFSF/ESM aan het EFSF/ESM bij ontvangst van een lening een service fee van 50 basispunten, jaarlijks een service fee van 0,5 basispunten en in bepaalde gevallen een commitment fee. Lidstaten betalen aan het ESM ook nog een renteopslag, waarbij de hoogte afhangt van het gekozen instrument. De exacte opslagen zijn vastgelegd in de beprijzingsrichtsnoer van het ESM. De renteopslag van het EFSF is vastgesteld op nul basispunten.

In reactie op de COVID-19 crisis is er op 15 mei jl. door het ESM besloten de Pandemic Crisis Support kredietlijn tijdelijk beschikbaar te stellen voor alle lidstaten van de eurozone. De kredietlijn zal een omvang hebben van 2% van het bruto binnenlands product (bbp) van een lidstaat als uitgangspunt. Zie ook paragraaf 2.1.2 overzicht coronamaatregelen. Ten aanzien van een aantal componenten van de beprijzing zullen de tarieven lager liggen dan voor een reguliere preventieve kredietlijn van het ESM. De marge op de leningen onder de PCS-kredietlijn zal 10 basispunten op jaarbasis bedragen, tegenover 35 basispunten bij een reguliere preventieve kredietlijn. Daarnaast zal er een service vergoeding van 25 basispunten worden gerekend op de omvang van de uitkeringen onder de kredietlijn, tegenover 50 basispunten onder een reguliere preventieve kredietlijn. Verder zijn de standaard tarieven van toepassing. Met deze tariefstructuur is het instrument kostendekkend voor het ESM.

16. European Investment Bank (EIB)

Doel en werking garantieregeling

De European Investment Bank (Europese Investeringsbank, EIB) heeft tot taak bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de EU door middel van een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt, waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector. Voor 2021 wordt deze garantie voor Nederland geraamd op € 11,8 mld.

Kans, impact en beheersing risico’s

Garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de EIB op het moment dat de EIB niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt wordt echter als zeer klein aangemerkt, omdat de EIB een zeer prudent risicobeleid voert dat als doel heeft kapitaalgaranties nooit te hoeven inroepen. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de mondiale financiële crisis van 2008). Het leenportfolio van de EIB functioneert historisch gezien goed. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de EIB allen een AAA/Aaa-rating. Deze sterke rating is een reflectie van de kwalitatief hoogwaardige portefeuille van de EIB en de steun van de aandeelhouders, en met name van de meest kredietwaardige aandeelhouders met een AAA/Aaa rating zoals Nederland en Duitsland. De EIB heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig te lenen op de kapitaalmarkt. De EIB heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Tevens heeft de Raad van Bewind van de EIB een risicocomité dat de risico’s van de bank in de gaten houdt. Bij afwezigheid van extern toezicht heeft de EIB in de Best Banking Practice (BBP) Guiding Principles de uitgangspunten vastgelegd waaraan de EIB moet voldoen ten aanzien van governance, prudentieel beheer en interne en externe rapportage. Daarnaast leggen de BBP Guiding Principles vast dat de EIB zich aan alle voor commerciële banken relevante regelgeving moet houden, of moet uitleggen wanneer deze regelgeving voor de EIB niet relevant is. Eén van de hoofdtaken van het Audit Comité is om op de uitvoering van deze BBP toe te zien.

Zoals besloten in 2019, is op het moment van de brexit het Britse kapitaal vervangen door een garantieverhoging vanuit de resterende aandeelhouders en hebben Polen en Roemenië hun aandeel in het kapitaal verhoogd. Als gevolg hiervan is de Nederlandse garantie in de EIB toegenomen met € 1,9 mld. tot € 11,8 mld. in 2020. Dit is ook de geraamde hoogte van de garantie in 2021. Het Nederlandse stemgewicht is gestegen van 4,5% naar 5,2%.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB. Zou de EIB ooit worden opgeheven dan zou dit eigen vermogen terugstromen naar de aandeelhouders. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling, wel zijn de eigen middelen in het verleden ingezet als vervanging van een kapitaalstorting vanuit de lidstaten bij een kapitaalverhoging (zoals bij de vervanging van het Britse kapitaal).

17. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

Doel en werking garantieregeling

De European Investment Bank (Europese Investeringsbank, EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara-Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ook wel de Afrikaanse, Caribische en Pacifische landen genoemd, ofwel de ACP-landen), alsmede in Europese Overzeese Gebieden (Overseas Countries and Territories, ofwel OCT-landen). De projecten in deze regio’s richten zich op economische ontwikkeling via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd uit het Investment Facility, een ‘revolverend fonds’ dat gefinancierd is uit het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook activiteiten uit eigen middelen. Op deze eigen middelen hebben de lidstaten een garantie afgegeven om het politieke risico dat op deze activiteiten wordt gelopen af te dekken.Voor 2021 wordt deze garantie voor Nederland geraamd op € 53,0 mln.

Kans, impact en beheersing risico’s

De kans dat de garantie wordt ingeroepen is laag. Om inspraak van de lidstaten in financieringsbesluiten, gefinancierd uit zowel EDF als eigen middelen, te waarborgen is er een comité opgericht waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn. Dit comité beoordeelt alle investeringsvoorstellen inhoudelijk en brengt advies uit aan de Raad van bewind van de EIB inzake eventuele goedkeuring. Tevens heeft het beheer van de portefeuille dezelfde waarborgen als de EIB-portefeuille binnen de EU.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Door de aandeelhouders wordt geen dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij de garantie zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten in de ACP- en OCT-landen hebben gesteld.

18. EIB pan-Europees garantiefonds

Doel en werking garantieregeling

Tijdens de videoconferentie van de Eurogroep in inclusieve samenstelling op 7 en 9 april jl. zijn afspraken gemaakt over de Europese beleidsreactie om de economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak te mitigeren. Onderdeel hiervan is het voorstel voor het opzetten van een «Pan-European Guarantee Fund in response to COVID-19» (pan-Europees garantiefonds COVID-19, EGF) beheerd door de EIB-groep van 25 miljard euro waarmee tot 200 miljard euro aan financiering voor Europese bedrijven, met name midden- en kleinbedrijf (mkb), kan worden gemobiliseerd. Het fonds heeft als doel de economische gevolgen van COVID-19 in de reële economie op te vangen door het verstrekken van liquiditeit aan de bedrijven in Europa. Het EGF is operationeel zodra een groep lidstaten die samen goed is voor 60% van het stemgewicht bij de EIB meedoet en deze grens is inmiddels bereikt.

Het EGF financiert hoge risicoprojecten die de EIB-groep normaliter niet zou financieren waardoor de activiteiten van het EGF complementair zijn aan de reguliere activiteiten van de EIB-groep. Het EGF verstrekt first loss garanties aan de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) waarmee eventuele eerste verliezen op in aanmerking komende operaties in deelnemende lidstaten gedekt worden. Verliezen uit het EGF worden door de lidstaten die deelnemen aan het EGF naar rato gedragen en door lidstaten in vaste termijnen betaald. De totaal te betalen verliezen kunnen niet meer zijn dan de individuele inleg per lidstaat. De hoogte van de in te leggen garanties door lidstaten wordt bepaald naar rato van het stemgewicht van de lidstaat bij de EIB. Voor Nederland bedraagt deze garantie 1,3 miljard euro (5,21% stemgewicht).

De investeringsperiode van het garantiefonds loopt tot 31 december 2021, met mogelijkheid tot een verlenging van 6 maanden, indien gewenst, als een gekwalificeerde meerderheid van de deelnemende lidstaten hiermee instemt. Hierna kan de investeringsperiode alleen verlengd worden als alle deelnemende lidstaten hier unaniem mee instemmen. Het fonds zal blijven bestaan totdat één van de volgende situaties zich voordoet: het fonds wordt opgeheven met een unaniem besluit van de deelnemende lidstaten, de onderliggende committeringen zijn verlopen of de datum 31 december 2037 is bereikt. Aan het eind van de investeringsperiode zal de Contributors Committee op basis van een voorstel van de EIB bepalen of een verlaging van de garanties van de lidstaten passend is gegeven de dan uitstaande committeringen.

Kans, impact en beheersing risico’s

Indien het garantiefonds moet uitbetalen aan een garantiehouder, worden de lidstaten gevraagd om een deel van hun garanties om te zetten in een betaling zodat het garantiefonds aan haar verplichtingen kan voldoen. De verwachte netto verliezen van het fonds worden rond de 20% geschat, voor Nederland komt dit neer op 260 miljoen euro welke zijn opgenomen als uitgave onder artikel 4 van deze begroting. De EIB baseert zich hierbij op de gemiddelde netto verwachte verliezen in een conservatief scenario (23%) en een basis scenario (16.6%). De netto verwachte verliezen van 20% bestaan uit de verwachte verliezen op het portfolio inclusief de terugvorderingen (29.2%) plus alle kosten die voortkomen uit het opzetten en beheren van het fonds min de verwachte inkomsten.

De EIB zal actief ex ante risicobeheer toepassen om de verwachte netto verliezen rond de 20% te houden en regelmatig rapporteren over de gerealiseerde en verwachte verliezen aan het zogeheten Contributors Committee van het EGF, waarin Nederland zitting heeft. Dit comité is verantwoordelijk voor de besluitvorming van het gebruik van de EGF garantie voor individuele operaties van de EIB en het EIF. Deze besluitvorming zal gebeuren op basis van een gekwalificeerde meerderheid. Dat wil zeggen dat 50% van de deelnemende lidstaten die minimaal twee derde van de totale bijdrages aan het EGF vertegenwoordigen moet instemmen om een voorstel goed te keuren. Belangrijke strategische besluiten vereisen een supermeerderheid (50% van de deelnemende lidstaten goed voor 80% van de totale bijdrages). Vergaderingen van het comité zullen maandelijks plaats vinden. Daarnaast doorlopen alle onderliggende investeringsvoorstellen die door het fonds gegarandeerd worden de reguliere besluitvormingsprocedures bij de EIB of het EIF. Nederland is vertegenwoordigd in de Raad van Bewind van de EIB.

Premiestelling en kostendekkendheid

Opbrengsten van het garantiefonds (bestaande uit premies voor gebruik van de garanties) zullen in eerste instantie gebruikt worden om de uitvoeringskosten van het fonds te dekken. Eventuele resterende financiële voordelen van de garanties komen ten goede aan de lidstaten die hebben ingelegd in het fonds op pro-rata basis.

15, 20, 22 en 23. Garanties uit hoofde van de marges in het EU-Eigenmiddelenbesluit (European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM), Kredieten EU-betalingsbalans (BoP-faciliteit), Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE), Next Generation EU (NGEU))

Doel en werking garantieregelingen

De begroting van de Europese Unie (EU) wordt hoofdzakelijk gefinancierd door zogenoemde eigen middelen van de Unie. Sluitpost van deze eigen middelen is een nationale afdracht op basis van het bruto nationaal inkomen (bni) van de lidstaten. Voor iedere euro die de EU aanvullend uitgeeft naast wat er in de jaarlijkse EU-begroting wordt vastgesteld, worden de bijdragen van de lidstaten dus bepaald door het aandeel van hun bni in het totale bni van de EU.

De omvang van de jaarlijkse begroting is gemaximeerd door de plafonds zoals die vastgelegd zijn in het Meerjarig Financieel Kader (MFK), vermeerderd met de toegestane uitgaven voor zogenoemde speciale instrumenten. Dit maximum voor de jaarbegroting vormt de basis voor de raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting op de begroting van Buitenlandse Zaken (artikel 3.1).

Om zeker te stellen dat de Europese Unie in staat is om aan al haar financiële verplichtingen te voldoen, wordt in het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (het Eigenmiddelenbesluit, EMB) een jaarlijks maximum vastgelegd voor de eigen middelen die de Unie op mag vragen bij de lidstaten. Dit ligt hoger dan het hiervoor beschreven maximum voor de jaarlijkse begroting. In het nieuw overeen te komen Eigenmiddelenbesluit, dat na ratificatie door de lidstaten (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2021 in werking zal treden, is voorzien in een reguliere marge bovenop het maximum voor de jaarlijkse begroting en een tijdelijke aanvullende marge t/m 2058 ten behoeve van het COVID-herstelinstrument (NGEU). Deze marge, dient voornamelijk als zekerheid voor de aflossings- en renteverplichtingen op leningen die de Unie aan kan gaan. Deze leningen worden gebruikt om middelen te mobiliseren voor het verstrekken van financiële steun in buitengewone omstandigheden, in de vorm van leningen van de Unie aan lidstaten (op basis van artikel 143 en 122 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie). Voor financiële steun in buitengewone omstandigheden kan moeilijk gebudgetteerd worden in de EU-begroting, dus mobiliseert de Unie de benodigde middelen door deze te lenen op de kapitaalmarkt of bij financiële instellingen. In het onwaarschijnlijke geval dat lidstaten de rente- en aflossingsverplichtingen op de aan hen verstrekte leningen niet tijdig aan de Unie voldoen, zal de Unie aanvullende eigen middelen opvragen bij de lidstaten, opdat de Unie zelf wel tijdig in staat zal zijn om de eigen rente- en aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen.

De risico’s voor de Nederlandse afdrachten aan de EU die daardoor ontstaan worden als garantieverplichting in de begroting opgenomen, uitgesplitst naar de specifieke instrumenten die de Europese Commissie machtigen om namens de Unie middelen te lenen. Die instrumenten zijn het mechanisme voor financiële ondersteuning van de betalingsbalansen van de lidstaten zonder de euro (Balance of Payments facility, BoP), het European Financial Stability Mechanism (EFSM) en het in 2020 nieuw opgerichte Europeses instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand als gevolg van de COVID-19 uitbraak (Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency, SURE) en het herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (Next Generation EU, NGEU). Voorw NGEU gaat de Unie zowel leningen aan voor het verstrekken van leningen aan lidstaten als voor het financieren van uitgaven van Unieprogramma’s. De voor NGEU opgenomen garantieverplichting op de Financiënbegroting heeft alleen betrekking op de middelen die gebruikt worden voor het verstrekken van leningen aan lidstaten, binnen de faciliteit voor herstel en veerkracht (Recovery and Resilience Facility, RRF). De aflossing en rente op de leningen die de Unie aangaat voor het financieren van uitgaven (voornamelijk via de RRF maar ook via andere Unieprogramma’s) zullen worden betaald via de EU-begroting. De gevolgen voor de Nederlandse begroting daarvan zullen op termijn worden verantwoord in de raming van de afdrachten aan de EU-begroting op de begroting van Buitenlandse Zaken.

Voor alle instrumenten geldt dat het Nederlandse aandeel in de garantstelling wordt bepaald door het aandeel van het Nederlandse bni in het totale bni van de Europese Unie. Door veranderingen in dit aandeel zullen de garanties regelmatig moeten worden bijgesteld. De begroting zal hier op de standaard momenten (1e suppletoire en jaarverslag) voor worden bijgewerkt. De garanties brengen het totale (maximale) risico voor Nederland over de looptijd van de instrumenten in kaart. Bij het opvragen van aanvullende afdrachten voor van het voldoen van rente- en aflossingsverplichtingen, kan de Commissie als voorlopige maatregel afwijken van een verdeling naar rato van het bni, als sommige lidstaten niet in staat zijn tijdig hun volledige bijdrage te leveren. In dat geval kan het voorkomen dat Nederland tijdelijk een hogere bijdrage levert dan op basis van het bni-aandeel verwacht wordt. Deze tijdelijke afwijking van bijdragen naar rato van het bni-aandeel wordt bij de eerstvolgende aanpassing van de EU-begroting hersteld. Om deze reden zal het Nederlandse risico, wat voor de gehele looptijd van de instrumenten wordt weergegeven, niet hoger zijn door deze tijdelijke afwijking van de bijdragen.

BoP-faciliteit

De BoP-faciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans15, op basis van artikel 143 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Via de betalingsbalansfaciliteit kan de Europese Unie voor maximaal 50 mld. euro aan leningen aan deze lidstaten verstrekken. Deze steun gaat gepaard met een herstelprogramma dat de lidstaat uitvoert. De faciliteit kent geen einddatum. Daarom wordt de garantie gebaseerd op het maximale bedrag dat aan steun kan worden verleend, waarbij voor zowel de aflossing als voor de rentebetalingen op de door de Unie aangegane schuld een inschatting moet worden gemaakt. Op dit moment staat er onder de BoP een lening uit aan Letland (van voor de introductie van de euro in Letland in 2014), waarvoor het Nederlandse aandeel in de garantie wordt bepaald door het Nederlandse bni-aandeel in het bni van de EU plus het Verenigd Koninkrijk, omdat het VK middels het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK nog aansprakelijk is voor de financiële verplichtingen die de Unie voor deze financiering is aangegaan. Voor toekomstige leningen onder de BoP zal dit niet gelden. Echter, de BoP wordt begroot op basis van de maximale uitleencapaciteit, waarvoor het Nederlandse bni-aandeel hierin wordt bepaald door het Nederlandse bni aandeel in het bni aandeel van de EU. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt voor 2021 geraamd op 3,7 mld euro (inclusief rente).

European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM)

Het EFSM is bedoeld om de financiële stabiliteit van de Europese Unie in stand te houden door financiële bijstand te verlenen aan lidstaten waarin sprake is van een feitelijke of ernstig dreigende economische of financiële verstoring die wordt veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen16, op basis van artikel 122.2 VWEU. Via het EFSM kan de Europese Unie leningen aan deze lidstaten verstrekken. Deze steun gaat gepaard met een economisch en financieel aanpassingsprogramma dat de lidstaat uitvoert. Het mechanisme kent geen einddatum, maar de verwachting is dat het EFSM niet meer zal worden gebruikt omdat voor niet-eurolanden de betalingsbalansfaciliteit beschikbaar is en voor eurolanden het ESM. Omdat verder gebruik van het mechanisme onwaarschijnlijk is wordt de garantie gebaseerd op de rente- en aflossingsverplichtingen op de momenteel voor het EFSM uitstaande Unieschuld (die is gebruikt voor het verstrekken van leningen aan Portugal en Ierland). Dit houdt ook in dat bij het aflossen van deze uitstaande schuld de garantie in omvang zal dalen. Omdat op basis van afspraken uit 2013 nog tot 2026 sprake kan zijn van het doorrollen van een deel van de uitstaande schuld, kunnen wijzigingen in de couponrentes tot die tijd nog voor wijzigingen in de hoogte van de garantie zorgen. Het Nederlandse aandeel in de garantie voor het EFSM wordt bepaald door het Nederlandse bni-aandeel in het bni van de EU plus het Verenigd Koninkrijk, omdat het VK middels het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK nog aansprakelijk is voor de financiële verplichtingen die de Unie voor de financiering van het EFSM is aangegaan. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt voor 2021 geraamd op 2,8 mld. euro (inclusief rente).

Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)

SURE is ingesteld in reactie op de COVID-19-crisis en bedoeld om lidstaten te ondersteunen bij het financieren van hoofdzakelijk werktijdverkortingsregelingen of soortgelijke maatregelen ter bescherming van werknemers en zelfstandigen, en zodoende voor het verminderen van werkloosheid en inkomensverlies, en in aanvulling daarop, voor de financiering van sommige maatregelen op gezondheidsgebied, met name op de werkplek17 (op basis van artikel 122 VWEU). Via SURE kan de Europese Unie maximaal 100 mld. euro leningen aan lidstaten verstrekken. De leningen kunnen tot het eind van 2022 worden verstrekt, tenzij de Raad besluit om de duur van het instrument te verlengen. De garantie wordt voorlopig gebaseerd op een raming van de uitstaande schuld en de renteverplichtingen van de komende jaren, op basis van nu beschikbare informatie die de Commissie heeft verstrekt. Omdat het moment van uitgifte van het schuldpapier van de Unie, de looptijd en de couponrente nog niet bekend zijn is deze raming met veel onzekerheid omgeven. Zodra leningen onder SURE zijn aangegaan door de Unie en versterkt aan lidstaten, zal deze raming aan de werkelijke schulduitgifte door de Unie worden aangepast. Aflossing van de schuld zal daarbij op termijn zorgen voor een daling van de garantie aangezien SURE daarna niet opnieuw kan worden gebruikt. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt bepaald door het Nederlandse bni-aandeel in het bni van de EU en wordt voor 2021 geraamd op 6,1 mld. euro (inclusief rente). Voor SURE geldt dat ook een bilaterale garantie door de lidstaten aan de Unie is verstrekt. Dit was nodig omdat ten tijde van de besluitvorming over dit instrument onvoldoende zekerheid bestond over de hoogte van de marge onder het plafond voor de eigen middelen. Deze bilaterale garantie van de lidstaten bedraagt in totaal 25 mld. euro, waar Nederland voor 5,8% garant voor staat, en wordt alleen ingeroepen als de marge onder het plafond voor de eigen middelen onvoldoende is.

Next Generation EU (NGEU)

NGEU is ingesteld in reactie op de COVID-19-crisis en bedoeld om het herstel van de gevolgen ervan te ondersteunen18, op basis van artikel 122 VWEU. De Europese Commissie zal daartoe middelen lenen en deze deels gebruiken voor uitgaven in EU-programma’s en deels als leningen verstrekken aan lidstaten. Die leningen worden verstrekt binnen de RRF, een EU-programma op basis van artikel 175 VWEU, waarbij middelen ingezet worden voor hervormingen en investeringen om de economieën van lidstaten structureel te verbeteren en hun veerkracht te versterken, om zo de economieën weer op een pad van duurzaam herstel te brengen en te voorkomen dat de verschillen binnen de Unie verder toenemen. Via NGEU kan de Europese Unie tot het eind van 2026 voor maximaal 386 mld. euro aan leningen verstrekken aan lidstaten en de daarvoor benodigde middelen zelf lenen. De garantie wordt voorlopig gebaseerd op een raming van de uitstaande schuld en de renteverplichtingen in de komende jaren, op basis van nu beschikbare informatie die de Commissie heeft verstrekt. Omdat het moment van uitgifte van het schuldpapier van de Unie, de looptijd en de couponrente nog niet bekend zijn is deze raming met veel onzekerheid omgeven. Zodra het instrument is ingezet zal deze raming aan de werkelijke schulduitgifte door de Unie worden aangepast. Aflossing van de schuld zal daarbij op termijn zorgen voor een daling van de garantie. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt bepaald door het Nederlandse bni-aandeel in het bni van de EU en wordt voor 2021 geraamd op 27,4 mld. euro (inclusief rente).

Kans, impact en beheersing risico’s

De mogelijkheid om tot aan het plafond voor de eigen middelen aanvullende afdrachten op te vragen bij de lidstaten geeft de Europese Unie aanvullende zekerheid dat zij aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. De verwachting is echter dat de lidstaten die leningen van de Unie hebben ontvangen, deze ook terug kunnen betalen. Al deze leningen worden verstrekt met het oog op het voorkomen van economische en financiële schade dan wel het bespoedigen van economisch herstel. In het geval van BoP, EFSM en NGEU is het verstrekken van leningen voorwaardelijk aan het uitvoeren van een herstel- of aanpassingsprogramma. Bij SURE zijn de leningen voorwaardelijk aan de kosten die landen maken voor het stabiliseren van hun economie.

Daarnaast kan de Commissie een beroep op aanvullende afdrachten van de lidstaten aan de Unie voorkomen of beperken door zorgvuldig kasbeheer en het aanhouden van voldoende marges in de jaarlijkse begroting van de Unie.

Een beroep op de lidstaten leidt tot aanvullende nationale afdrachten aan de Europese Unie en heeft daardoor een effect op zowel het Nederlandse EMU-saldo als de EMU-schuld. Er is tot op heden geen beroep op aanvullende afdrachten voor lidstaten gedaan door de Unie.

Premiestelling en kostendekkendheid

Conform de verordeningen waarmee de instrumenten zijn opgericht en middels het Financieel Reglement19 dragen de lidstaten die de steun van de Unie ontvangen alle kosten die de Unie met betrekking tot financiële bijstand aan deze lidstaat heeft gemaakt. De rentelasten op de leningen die de Unie aan lidstaten verstrekt zijn gelijk aan de rentelasten die de Unie op de leningen die zij is aangegaan verschuldigd is.

21. en 24. Wereldbank Groep (incl. Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA))

Doel en werking garantieregeling

Onder de Wereldbank Groep vallen twee garantieregelingen, ten behoeve van de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD, oftewel de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling) en het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA). De IBRD is het Wereldbankonderdeel dat leningen verstrekt aan middeninkomenslanden. De IBRD functioneert als een coöperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd kapitaal en garanties verstrekt door aandeelhouders, kan de IBRD financiering aantrekken op de kapitaalmarkt en deze financiering als leningen verstrekken aan klantlanden. Het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA kunnen eveneens gefinancierd worden doordat aandeelhouders kapitaal en garanties hebben verstrekt. Voor 2021 bedraagt de hoogte van de IBRD garantieverplichting € 5,4 mld. na de wisselkoerscorrectie in 2020. Voor MIGA gaat het in 2021 om € 30,1 mln. na een wisselkoerscorrectie in 2020.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de IBRD op het moment dat de IBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt, wordt als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de mondiale financiële crisis van 2008). De IBRD voert namelijk een prudent beleid met als expliciet doel het risico op een «call on capital» te minimaliseren en het risicobeleid van de IBRD is conservatief. De Wereldbank Groep opereert mondiaal waardoor de portefeuille goed gediversifieerd is. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de IBRD allen een AAA/Aaa-rating (stabiel). IBRD heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig te lenen op de kapitaalmarkt. Tevens heeft de IBRD een zogenoemde ‘Preferred Creditor Status’. Dit houdt in dat lenende landen de IBRD voorrang verschaffen bij betaling indien zij moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. MIGA voert eveneens prudent risicobeleid. De kans dat de garantie wordt ingeroepen door MIGA is laag. Sinds de oprichting van MIGA in 1988 is er in slechts enkele gevallen overgegaan tot uitkering van schade. De overige gevallen van (potentiële) claims zijn opgelost door middel van settlement. Leverage die de Wereldbank Groep heeft op overheden speelt hierbij een belangrijke rol.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garanties worden geen premies ontvangen, waardoor er ook geen middelen gestort worden in een begrotingsreserve. De financiële voordelen van de garantie aan IBRD worden door de IBRD middels betere leenvoorwaarden doorberekend aan de klantlanden, waarmee het bijdraagt aan de realisatie van de door IBRD opgelegde beleidsdoelstellingen. Hetzelfde is ook het geval voor de verzekeringsproducten van MIGA. Het instellen van een premie zou de bijdrage van de IBRD aan het maatschappelijke doel verminderen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden aan IBRD en MIGA onder deze garantieregelingen.

25. Exportkredietverzekering

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit) omvat momenteel onder andere de kapitaalgoederenverzekering, financieringsverzekering, koersrisicoverzekering en verzekering van garanties. In de tabel ‘Overzicht verstrekte garanties’ wordt naast het verplichtingenplafond van € 10 mld. een verwachte afloop van € 10 mld. structureel opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen is na afloop van een begrotingsjaar bekend en wordt verantwoord in het jaarverslag van het ministerie van Financiën.

Kans, impact en beheersing risico’s

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen worden voortdurend gemonitord en indien nodig aangepast, opdat alleen aanvaardbare risico’s worden geaccepteerd. Het risicoprofiel van de bestaande ekv-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het ministerie van Financiën met behulp van een uitgebreid risicokader.

Voor de ekv is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond, wat het bedrag inhoudt waarvoor de Staat jaarlijks nieuwe verplichtingen kan aangaan (brutoplafond). De afgelopen jaren is dit plafond niet knellend geweest, zodat er naar verwachting voldoende ruimte zal zijn voor het aangaan van de door Nederlandse exporteurs gevraagde verzekeringen.

Premiestelling en kostendekkendheid

Internationaal is om concurrentieverstoring te voorkomen afgesproken dat ekv-faciliteiten over een middellange periode kostendekkend moeten zijn. Dat betekent dat op de middellange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De participanten van de Arrangement – de internationale afspraken ten aanzien van exportkredietverzekeringen – stellen hiertoe minimumpremies op, die in Europese regelgeving zijn verankerd. Nederland monitort de kostendekkendheid met een intern ontwikkeld model: bedrijfseconomische resultaatbepaling (berb). Voor het geheel aan exportkredietverzekeringen is een begrotingsreserve beschikbaar van € 389,7 mln. Deze voorziening is statistisch gezien, gegeven de huidige ekv-portefeuille, in een gegeven jaar met een kans van 3 op 4 toereikend.

Zowel uitgaven als inkomsten van de ekv zijn lastig te ramen en in de loop van een jaar niet of nauwelijks met beleidsmaatregelen te beïnvloeden. De schades kunnen in een jaar hoog oplopen, gegeven het uitstaande risico van circa € 16,3 mld. ultimo 2018.

26. Herverzekering leverancierskredieten

Doel en werking garantieregeling

De garantie «herverzekering leverancierskredieten» betreft een nieuwe garantie van de Staat als maatregel in de Coronacrisis om te voorkomen dat de kortlopende kredietverlening die door kredietverzekeraars wordt mogelijk gemaakt, stilvalt. Deze vorm van kredietverlening die normaal op jaarbasis ongeveer 200 miljard euro bedraagt dreigde op korte termijn voor een belangrijk deel te verdwijnen, doordat kredietverzekeraars hun blootstelling vanwege de toegenomen risico’s per direct zouden afbouwen. Vele bedrijven kunnen hierdoor failliet gaan met als gevolg dat banen verloren zullen gaan. De Staat heeft de dreiging van het tot stilstand komen van kredietverlening tussen bedrijven en de daarmee gemoeide handelsstromen voorkomen door de volledige portefeuilles van de private verzekeraars voor het gehele jaar 2020 (dus met terugwerkende kracht) te herverzekeren middels een garantie met een omvang van € 12,0 miljard. Om deze oplossing uit te kunnen voeren is een nieuwe garantie van 12,0 miljard euro afgegeven die losstaat van het reguliere ekv met een plafond van 10 miljard voor exportkredietverzekeringen.

Kans, impact en beheersing risico’s

Uit een scenario-analyse waarmee is ingeschat hoeveel bedrijven failliet zouden kunnen gaan is een schade-uitkering van € 1,4 mld geraamd waarvan 90% voor rekening van de Staat komt. De verzekeraars hebben een eigen risico van 10% tot een cumulatief maximum van € 100 mln. Deze raming is met grote onzekerheid omgeven, omdat het onmogelijk is in te schatten wat de impact van de crisis zal zijn op elk individueel bedrijf. De herverzekering is bedoeld om te voorkomen dat de verzekeraars door middel van zogeheten mass actions limieten verlagen of intrekken zonder beoordeling van de onderliggende individuele risico’s op bedrijven. De verzekeraars kunnen individuele limieten op bedrijven echter nog steeds aanpassen, bijvoorbeeld omdat een bedrijf in betalingsproblemen verkeert of op basis van gepubliceerde (jaar)cijfers. In dergelijke gevallen is het ook in het belang van de Staat dat de risico’s gemitigeerd worden.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premieontvangsten voor de herverzekering van de leverancierskredieten komen ten gunste van de Staat. Deze worden geraamd op € 200 mln. De schaderestituties voor de herverzekering van de leverancierskredieten komen voor 90% ten gunste van de Staat en worden geraamd op € 300 mln. De raming is met grote onzekerheid omgeven, omdat het onmogelijk is in te schatten wat de impact van de crisis zal zijn op elk individueel bedrijf. De verzekeraars, die de gehele portefeuilles herverzekeren bij de Staat en daarom ook de hele premies moeten afdragen, krijgen voor hun werkzaamheden een kostendekkende vergoeding die voor 2020 geraamd is op € 80 miljoen.

De herverzekering zal naar verwachting niet kostendekkend zijn, anders dan de ekv. De herverzekering is immers bedoeld om te voorkomen dat verzekeraars op grond van de snel verslechterde en moeilijk te beoordelen risico’s massal limieten verlagen waardoor leveranties op basis van leverancierskredieten in een groot aantal sectoren niet meer tot stand zouden komen. Het is daarom onvermijdelijk dat de netto-schades die de Staat zal moeten vergoeden hoger zullen zijn dan de premie-ontvangsten minus uitvoeringskosten.

3. Beleidsartikelen (Financiën)

3.1 Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving dragen bij aan de bereidheid van burgers en bedrijven om hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Onder ‘compliance’ verstaat de Belastingdienst dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke fiscale verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen. De term ‘bereidheid’ geeft aan dat de Belastingdienst ernaar streeft dat belastingplichtigen uit zichzelf fiscale regels naleven, zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Als burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen, dan komt belastinggeld de staatskas binnen zoals de wetgever beoogt.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • het te voeren fiscale beleid;

  • het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;

  • het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van:

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de Invorderingswet 1990 voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, naleving van wet- en regelgeving door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

C. Beleidswijzigingen

Zoals in de groeiparagraaf van deze begroting aangegeven bevat artikel 1 een vernieuwde set van indicatoren die moet zorgen voor een beter inzicht in de mate waarin de organisaties er in slagen het burgers en bedrijven gemakkelijk te maken om het goed te doen, en die het voor de organisaties mogelijk maakt te sturen en zich over de prestaties te verantwoorden. Daarbij wordt aangetekend dat de maatschappelijk effecten van het beleid ter bevordering van de compliance zich niet altijd in prestatie-indicatoren laten uitdrukken. Factoren die hierbij een rol spelen zijn de afhankelijkheid van derden bij de realisatie van de doelstellingen en met name de onvoorspelbaarheid van gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld een economische crisis.

Met ingang van deze begroting is een nieuw beleidsartikel geïntroduceerd op begrotingshoofdstuk IX: artikel 13 Toeslagen. De Tweede en Eerste Kamer zijn eerder per brief op de hoogte gesteld van de oprichting van het begrotingsartikel.

Aangezien Toeslagen een dienstonderdeel is van de Belastingdienst en dus tot nu toe in de begroting IX onderdeel uitmaakt van artikel 1 Belastingen, betekent het oprichten van een apart begrotingsartikel Toeslagen dat artikel 1 Belastingen wordt verminderd.

Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden de indirecte uitgaven ten behoeve van de douaneprocessen in artikel 9 Douane middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 18 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 Belastingen (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

2.993.664

3.684.211

2.987.107

3.221.902

2.823.520

2.875.446

2.866.615

waarvan betalingsverplichtingen

2.993.549

3.683.761

2.986.707

3.221.502

2.823.120

2.875.046

2.866.215

        

waarvan garantieverplichtingen

115

450

400

400

400

400

400

Garantie procesrisico's

115

450

400

400

400

400

400

        

Uitgaven (1) + (2)

3.061.677

3.439.881

3.108.560

3.047.448

2.970.915

2.948.441

2.908.610

        

(1) Apparaatsuitgaven

2.531.436

2.835.932

2.642.216

2.573.005

2.522.689

2.502.280

2.460.438

waarvan: Uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

13.879

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

        

Personele uitgaven

2.197.950

2.462.114

2.213.751

2.157.052

2.111.856

2.095.933

2.059.023

Eigen personeel

1.916.735

2.070.858

1.886.602

1.894.184

1.895.280

1.895.930

1.894.570

Inhuur externen

272.715

382.274

318.167

253.886

207.594

191.021

155.471

Overig personeel

8.501

8.982

8.982

8.982

8.982

8.982

8.982

        

Materiële uitgaven

333.485

373.818

428.465

415.953

410.833

406.347

401.415

ICT

14.165

14.570

25.928

26.419

26.693

27.743

27.743

Bijdrage aan SSO's

213.648

228.809

279.116

283.569

288.722

286.041

285.758

Overige

105.672

130.439

123.421

105.965

95.418

92.563

87.914

        

(2) Programma-uitgaven

530.241

603.949

466.344

474.443

448.226

446.161

448.172

waarvan juridisch verplicht

  

66,6%

    
        

Bekostiging

9.378

56.930

6.290

6.290

6.290

6.290

6.290

Vergoeding proceskosten

9.378

56.913

6.273

6.273

6.273

6.273

6.273

Overige programma-uitgaven

0

17

17

17

17

17

17

        

Garanties

156

295

245

245

245

245

245

Garantie procesrisico's

156

295

245

245

245

245

245

        

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

15.697

16.934

15.780

15.780

15.780

15.780

15.780

Waarderingskamer

2.011

1.987

1.987

1.987

1.987

1.987

1.987

Kadaster

9

2.006

2.006

2.006

2.006

2.006

2.006

Kamer van Koophandel

4.141

4.345

4.345

4.345

4.345

4.345

4.345

Overige bijdrage ZBO's/RWT's

9.537

8.596

7.442

7.442

7.442

7.442

7.442

        

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

8.089

7.945

445

445

445

445

445

Internationale Douaneraad

168

175

175

175

175

175

175

Overige internationale organisaties

7.921

7.770

270

270

270

270

270

        

Opdrachten

267.513

323.350

340.377

336.521

309.810

313.885

313.896

ICT opdrachten

216.681

263.187

288.654

283.150

256.344

260.419

260.430

Overige opdrachten

50.833

60.163

51.723

53.371

53.466

53.466

53.466

        

Bijdrage agentschappen

118.097

98.495

89.574

77.529

69.023

60.883

60.883

Bijdrage Logius

112.999

95.302

86.381

74.336

65.830

57.690

57.690

Bijdrage CIBG

338

193

193

193

193

193

193

Bijdrage overige agentschappen

4.760

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

        

Rente

111.310

100.000

85.000

109.000

118.000

120.000

122.000

Belasting-en invorderingsrente

111.310

100.000

85.000

109.000

118.000

120.000

122.000

        

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

Toerekening uitgaven aan Douane

0

0

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

        

Ontvangsten (3) + (4)

157.215.787

128.959.076

151.347.925

154.325.525

165.365.562

171.623.990

179.268.441

        

Programma-ontvangsten (3)

157.057.331

128.904.919

151.291.494

154.266.151

165.308.372

171.566.935

179.211.386

        

waarvan: Belastingontvangsten

155.984.044

128.264.938

150.566.513

153.295.237

164.232.458

170.469.021

178.096.472

        

Bekostiging

242.970

113.827

181.827

227.827

227.827

227.827

227.827

Kosten vervolging

242.970

113.827

181.827

227.827

227.827

227.827

227.827

        

Rente

601.114

410.377

350.377

491.310

596.310

618.310

635.310

Belasting- en invorderingsrente

601.114

410.377

350.377

491.310

596.310

618.310

635.310

        

Boetes en schikkingen

229.203

115.777

192.777

251.777

251.777

251.777

251.777

Ontvangsten boetes en schikkingen

229.203

115.777

192.777

251.777

251.777

251.777

251.777

        

Apparaatontvangsten (4)

158.456

54.157

56.431

59.374

57.190

57.055

57.055

X Noot
1

De jaren 2019 en 2020 zijn inclusief Toeslagen en indirecte verplichtingen Douane

Budgetflexibiliteit

Voor de programma-uitgaven die vallen onder de rubrieken «Bekostiging» en «Rente» geldt dat deze voor 100% juridisch verplicht zijn; ze vloeien voort uit de Awr en de Invorderingswet 1990 (rente-uitgaven) en vanuit de Algemene wet bestuursrecht (uitgaven bekostiging). Verder is de bijdrage aan de Waarderingskamer voor 100% juridisch verplicht op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor het Kadaster en de Kamer van Koophandel heeft de Belastingdienst samenwerkingsovereenkomsten voor gegevensuitwisseling die worden gebruikt bij de uitvoering van taken van de Belastingdienst. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht.

Voor de overige programma-uitgaven geldt dat deze niet allemaal als 100% juridisch verplicht zijn aan te merken. Deels zijn er wel contracten etc. gesloten, bijvoorbeeld ten behoeve van ICT en/of andere benodigde diensten voor de uitvoering van de primaire processen van de Belastingdienst. Naar inschatting zal het niet-juridisch verplichte bedrag per 1 januari 2021 € 154,5 mln. bedragen. Voorbeelden hiervan zijn (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware. Een ander voorbeeld zijn de uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven). Over het algemeen geldt wel dat de niet-juridische verplichte uitgaven noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de primaire processen, bijvoorbeeld uitgaven ten behoeve van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven of het jaarlijks verlengen van licenties.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

De Belastingdienst werkt aan het verbeteren van het verplichtingenbeheer en contractmanagement. Het verbeterde inzicht is meegenomen in de meerjarenraming verplichtingen en leidt er toe dat beter verantwoord kan worden in welke jaren de Belastingdienst aan te gane verplichtingen verwacht in afwijking van de kasuitgaven (betalingsritme).

Uitgaven

Apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane en vanaf 2021 exclusief Toeslagen).

Materiële uitgaven

Dit betreft de materiële uitgaven van de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane en Toeslagen vanaf 2021 voor specifieke materiële uitgaven) en omvat facilitaire diensten, middelen en communicatie. ICT bevat voornamelijk uitgaven die horen bij de uitrusting van de ambtenaren van de Belastingdienst (telefoon, laptop, werkplek, mobiele devices, etc.). De bijdrage aan Shared Service Organisaties (SSO’s) betreft met name de huisvesting (Rijksvastgoedbedrijf).

Programma-uitgaven

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Garanties

Dit betreft uitgaven als gevolg van garanties die de Belastingdienst afgeeft aan faillissementscuratoren in verband met procesrisico’s.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De uitgaven aan de Waarderingskamer betreft de eigenaarsbijdrage van het ministerie van Financiën voor de begroting 2021 die reeds is vastgesteld en verplicht is op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor het Kadaster en de Kamer van Koophandel heeft de Belastingdienst samenwerkingsovereenkomsten voor gegevensuitwisseling die wordt gebruikt bij de uitvoering van taken van de Belastingdienst. Onder de bijdrage aan overige ZBO’s/RWT’s vallen onder andere de bijdragen aan de RDW en de Nationale Politie.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het ministerie levert jaarlijks een bijdrage aan de internationale douaneraad. Conform internationale samenwerkingsovereenkomsten levert ieder land een bijdrage.De overige bijdragen betreffen diverse internationale samenwerkingsverbanden op het gebied van economische en belastingsamenwerkingen.

Opdrachten

Onder «Overige opdrachten» vallen met name de uitgaven die geraamd worden voor de papieren dienstverlening. Bij «ICT opdrachten» gaat het met name over ICT-uitgaven die te maken hebben met de digitale dienstverlening (licenties, software applicaties en hardware).

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan Logius waar de Belastingdienst ICT-voorzieningen afneemt die samenhangen met de primaire taakuitvoering van de Belastingdienst. Het gaat om voorzieningen als Digipoort en DigiD. Daarnaast betreft deze post een kleine bijdrage aan het CIBG (Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg). Met het CIBG heeft de Belastingdienst een samenwerkingsovereenkomst om winstaangiftes van zelfstandigen in de zorg te controleren. Het CIBG is verantwoordelijk voor het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).De bijdragen aan overige agentschappen zijn met name detacheringsovereenkomsten en opdrachten die gesloten worden met UBR (Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk).

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. Onderdeel van het noodpakket Banen en Economie i.v.m. de coronacrisis is een verlaging van de rentetarieven gedurende een belangrijk deel van 2020. De lage rentetarieven zijn in het Steun- en herstelpakket van 28 augustus 2020 (grotendeels) verlengd en gelden t/m 31 december 2021. Het verwachte budgettaire effect is per verlaging cq. verlenging via incidentele suppletoire begrotingen verwerkt in de begroting. De doorwerking van deze lagere tarieven leidt ook voor begrotingsjaar 2021 en verder tot lagere uitgaven en ontvangsten.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Vanaf 2021 worden activiteiten van de Belastingdienst ten behoeve van de douaneprocessen toegerekend aan artikel 9, exclusief IV. Op artikel 9 is een presentatie in de toelichting op de instrumenten opgenomen.

Ontvangsten

Programma-ontvangsten

Tabel 19 Aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2020 met begroting IX (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal belastingontvangsten

193.215.887

167.943.570

189.487.693

191.753.319

202.125.826

208.160.484

215.570.719

– /– Afdracht Gemeentefonds

31.297.982

33.443.989

32.818.978

32.418.850

31.864.135

31.672.380

31.465.839

– /– Afdracht Provinciefonds

2.467.056

2.608.324

2.483.429

2.432.489

2.422.489

2.412.339

2.401.664

– /– Afdracht BES-fonds

44.315

54.989

47.401

35.371

35.372

35.372

35.372

– /– Belastingontvangsten artikel 6 Btw-compensatiefonds

3.422.490

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Belastingontvangsten artikel 1 Belastingen

155.984.044

128.264.938

150.566.513

153.295.237

164.232.458

170.469.021

178.096.472

X Noot
1

Dit betreft de begrotingstotalen van het gemeentefonds en provinciefonds, stand Miljoenennota 2021. Volgens de vaste systematiek zijn de accrestranches voor het uitvoeringsjaar en het voorbereidingsjaar hieraan toegevoegd. De accrestranches voor t+2 tot en met t+4 zijn nog niet toegevoegd aan deze fondsen.

Bekostiging

De ontvangsten hebben betrekking op kosten die worden doorberekend aan belastingschuldigen van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Rente

Deze post betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt ontvangen van belastingplichtigen. Zie toelichting rente hierboven.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van fiscale strafbeschikkingen.

Apparaatontvangsten

Deze post betreft onder andere ontvangsten van facilitaire en IV diensten die de Belastingdienst levert aan andere overheidsdiensten en op factuurbasis worden afgerekend.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • BTW Vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken

  • BTW Vrijstelling fondswerving

  • BTW Vrijstelling lijkbezorging

  • BTW Vrijstelling overig

  • Accijnzen overige regelingen

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 20 Fiscale regelingen 2019–2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 mln.)1234
 

2019

2020

2021

Giftenaftrek inkomstenbelasting

440

435

439

Onderhoudsverplichtingen aftrek

294

268

252

Belaste ontvangen alimentatie

‒ 184

‒ 180

‒ 179

Middelingsregeling

127

165

180

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

869

797

814

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

24

24

25

Heffingvrij vermogen box 3

916

853

1.256

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

106

114

119

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

219

223

228

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

7

7

7

30%-regeling

1.062

895

586

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

122

124

128

Algemene heffingskorting

21.400

23.329

24.240

Alleenstaande ouderenkorting

439

461

453

Ouderenkorting

3.761

3.912

4.117

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

34

36

34

Belastingvermindering per aansluiting

2.133

3.485

3.693

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

6.822

6.568

6.813

Verlaagd tarief overig

1.821

1.275

1.657

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

14

10

11

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

26

27

28

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

69

74

78

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

15

13

12

MRB Kwarttarieven

161

143

127

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

EB = Energiebelasting

X Noot
3

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
4

MRB = Motorrijtuigenbelasting

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

Algemeen

De inkomsten uit rijksbelastingen zijn van groot belang om de uitgaven van de rijksoverheid te financieren. Naast het realiseren van deze financiering, wordt fiscale regelgeving zo ingericht dat het bepaalde doelen stimuleert, zoals werkgelegenheid en klimaatvriendelijk gedrag, en andere ontmoedigt, zoals roken en milieuvervuiling. Jaarlijks wordt een pakket Belastingplan ingediend met aanpassingen voor het volgende (en latere) ja(a)r(en). Daarnaast is een aantal aparte wetsvoorstellen en internationale beleidsontwikkeling van belang voor het fiscale beleid vanaf 2021.

Belastingplanpakket (incl. COVID-19 maatregelen)

Het pakket Belastingplan 2021 heeft betrekking op een breed terrein en bestaat uit acht wetsvoorstellen. Het gaat om circa 50 maatregelen.

In het wetsvoorstel Belastingplan 2021 wordt een aantal COVID-19 maatregelen die vanwege de urgentie al bij beleidsbesluit zijn genomen, geïmplementeerd in wetgeving. Dit betreft de mogelijkheid tot het vormen van een fiscale coronareserve, de verhoging van de vrije ruimte in de werkkostenregeling, de vrijstelling voor de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS), de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA). Ook op het gebied van vergroening worden stappen gezet en is een viertal maatregelen van belang in de autobelastingen en energiebelasting. Het gaat om een aanpassing van de BPM-tarieven, het vervangen van de postcoderoosregeling in de energiebelasting door een subsidieregeling, het verlengen van het verlaagd tarief van laadpalen en een verlaagd tarief voor walstroom. Verder worden diverse aanpassingen gedaan in de vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en loonbelastingen. Het gaat dan in de inkomstenbelasting bijvoorbeeld om het afbouwen van de zelfstandigenaftrek, het incidenteel verhogen van de arbeidskorting en het aanpassen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor meer balans op de arbeidsmarkt tussen zelfstandigen en werknemers. In de vennootschapsbelasting gaat het om het handhaven van het hoge vennootschapsbelastingtarief op 25% en het verlengen van de eerste tariefschijf naar € 245.000 in 2021 en € 395.000 in 2022. Verder betreft het een verhoging van het innovatieboxtarief en het voorkomen van een ongewenste vrijstelling voor valutawinsten en negatieve rente op bepaalde schulden.

Het wetsvoorstel CO2-heffing industrie leidt er toe dat het uitstoten van CO2 naar verwachting duurder wordt dan het reduceren van CO2. De CO2-heffing heeft niet als doel om opbrengsten te genereren, maar om bedrijven te stimuleren de investeringen in Nederland te doen. De heffing wordt geheven over de teveel uitgestoten CO2. Bedrijven krijgen een bepaalde hoeveelheid vrijgestelde uitstoot toegekend, ook wel dispensatierechten genoemd. Hoeveel uitstoot is vrijgesteld van de heffing neemt per jaar af. Wegens de coronacrisis krijgen bedrijven in de eerste jaren relatief meer dispensatierechten dan nodig is. De heffing wordt vervolgens ieder jaar strenger zodat het reductiedoel in 2030 gehaald wordt. De uitvoering van de heffing ligt bij de Nederlandse Emissieautoriteit. Conform afspraken in het Klimaatakkoord zullen opbrengsten in het kader van de heffing worden benut voor de vergroening van de industrie. De heffing is onderdeel van een breed maatregelenpakket, dat industriële bedrijven stimuleert op een verstandige manier te verduurzamen.

Met het wetsvoorstel Wet aanpassing box 3 wordt tegemoet gekomen aan de maatschappelijke wens om box 3 te verbeteren. Het heffingvrije vermogen wordt per 2021 verhoogd naar € 50.000. Ook wordt het tarief in box 3 verhoogd naar 31%. De vermogensgrenzen voor toeslagen en de regelingen van andere afnemers van vermogensgegevens blijven op de huidige niveaus.

Het wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting introduceert onder een aantal voorwaarden een eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting voor starters. Het verlaagde tarief van 2 procent zal alleen nog gaan gelden voor natuurlijke personen die de verkregen woning als hoofdverblijf gaan gebruiken. Verder wordt met dit wetsvoorstel het algemene tarief dat geldt voor alle overige verkrijgingen per 1 januari 2021 verhoogd naar 8%.

Het wetsvoorstel Wet verplichte huurverlaging toegelaten instellingen zorgt voor een verlaging van het tarief van de verhuurderheffing per 1 januari 2021 van 0,562% in 2020 naar 0,526% in 2021.

Wetsvoorstel Excessief lenen

Het kabinet wil het langdurig uitstellen van belastingheffing door geld te lenen van de eigen vennootschap in excessieve gevallen ontmoedigen. Indien de totale som van de schulden van de ab-houder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere op grond van die maatregel in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Het wetsvoorstel treedt per 1 januari 2023 in werking.

Wetsvoorstel beperking van de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting

Het wetsvoorstel Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling is een nadere uitwerking van het (concept-)initiatiefwetsvoorstel van GroenLinks e.a. Het kabinet acht de huidige liquidatie- en stakingsverliesregeling op punten te ruimhartig en heeft op Prinsjesdag 2019 besloten dit voorstel over te nemen en verder uit te werken. Het wetsvoorstel voorziet in een beperking van de reikwijdte van de liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting. Daartoe introduceert het wetsvoorstel drie nieuwe voorwaarden voor de toepassing van de liquidatie- en stakingsverliesregeling. Allereerst introduceert het wetsvoorstel een temporele voorwaarde op basis waarvan het liquidatie- of stakingsverlies binnen drie jaar na (besluit tot) staking in aanmerking moet zijn genomen. Hiermee wordt voorkomen dat belastingplichtigen het in aanmerking nemen van een liquidatie- of stakingsverlies langdurig kunnen uitstellen. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een territoriale en kwantitatieve voorwaarde die de mogelijkheid tot het in aanmerking te nemen liquidatie- of stakingsverlies beperken. De territoriale voorwaarde beperkt de mogelijkheid van aftrek tot liquidatie- en stakingsverliezen uit de EU/EER en derde landen waarmee de Europese Unie een kwalificerend associatieverdrag heeft gesloten. De kwantitatieve voorwaarde beperkt de mogelijkheid tot aftrek tot liquidatieverliezen waarbij de belastingplichtige beslissende invloed heeft in de geliquideerde vennootschap. Ten aanzien van de territoriale en kwantitatieve voorwaarde geldt een franchise van € 5 miljoen, waardoor vrijwel het gehele midden- en kleinbedrijf wordt ontzien.

Internationale ontwikkelingen/agenda

In het Inclusive Framework van de OESO wordt gesproken over een hervorming van het internationale belastingsysteem. Er wordt gewerkt aan een herziening op basis van twee pijlers. De eerste pijler zoekt naar aanpassingen van de regels over toerekening van heffingsrechten tussen landen waardoor landen waar de consument zich bevindt meer heffingsrechten krijgen (ook als bedrijven daar niet fysiek aanwezig zijn). De tweede pijler zoekt naar regels om een minimumniveau van belastingheffing te waarborgen bij internationaal opererende bedrijven. Naar verwachting lopen de gesprekken verder in 2021. In de tussentijd zal in EU-verband worden nagedacht over tijdelijke oplossingen. Op deze manier wordt er druk gehouden op de lopende wereldwijde onderhandelingen en worden in Europees verband concrete stappen gezet om met name de digitaliserende economie op een betere manier in de belastingheffing te betrekken.

F2. Belastingdienst

Strategie Belastingdienst

De Belastingdienst beoogt met zijn strategie het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf (fiscale) regels naleven (compliance); dat wil zeggen zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Dit moet zorgen voor de borging van de continuïteit van belastingopbrengsten. De Belastingdienst streeft ernaar te handelen conform de beginselen van behoorlijk bestuur en probeert waar mogelijk proactief en in de actualiteit te handelen in plaats van reactief te zijn.

Traditioneel is het beeld dat alle mensen rationele beslissers zijn die een kosten-baten (economische) afweging maken over regels naleven en belasting betalen en op basis daarvan hun beslissing nemen. In een dergelijk beeld gebeurt het afdwingen van regelnaleving repressief door het uitvoeren van controles, het vergroten van de pakkans en het opleggen van sancties. Sociaalwetenschappelijk onderzoek leert dat mensen vaak niet volledig rationeel kiezen en ook dat ze bij die keuze rekening houden met andere dan louter economische afwegingen. Zo blijken persoonlijke opvattingen en sociale normen van invloed op het nalevingsgedrag. Daarbij komt het ook voor burgers en bedrijven zich wel aan de regels willen houden maar vindt het niet-naleven zijn oorsprong in onduidelijkheid van wet- en regelgeving, procedures of communicatie vanuit de overheid. Verder blijkt uit onderzoek dat het gemakkelijker maken om aan verplichtingen te kunnen voldoen en het wegnemen van mogelijkheden om fouten te maken beter zorgt voor blijvende naleving, dan het afdwingen hiervan.

De strategie van de Belastingdienst is gebaseerd op bovenstaande inzichten. De beleidsinstrumenten die de Belastingdienst inzet om compliance te borgen en bevorderen zijn dienstverlening, toezicht en fraudebestrijding. Ook bij de uitvoering van de (semi-) massale processen is het van belang om oog te houden voor de specifieke situatie van burgers en bedrijven.

Dit alles betekent dat de Belastingdienst, waar mogelijk in samenwerking met publieke en private partijen:

  • burgers en bedrijven een adequate behandeling geeft (juist, tijdig, proportioneel);

  • burgers en bedrijven effectief informeert over hun rechten en plichten;

  • ernaar streeft om het voor burgers en bedrijven zo makkelijk mogelijk te maken om te voldoen aan (fiscale) verplichtingen;

  • op gepaste wijze corrigerend optreedt bij niet-naleving.

Jaarlijks vertaalt de Belastingdienst zijn strategie in een beleid per doelgroep (Particulieren, MKB-bedrijven en grote ondernemingen), waarbij de uitvoerings- en toezichtstrategie wordt vertaald naar de concrete inzet van de capaciteit van de Belastingdienst per doelgroep. In het Jaarplan 2021 van de Belastingdienst dat de Tweede Kamer in het najaar ontvangt, wordt opgenomen welke activiteiten de Belastingdienst uitvoert met welke middelen (budget en formatie) om naleving te bevorderen en niet-naleving tegen te gaan. Daarnaast zullen in het Jaarplan de ontwikkelstappen worden benoemd die de Belastingdienst gaat zetten ten aanzien van ICT en procesverbeteringen, verbetering van de sturingsinformatie, personeel en cultuur.

Zoals toegezegd in het Jaarplan 2020 van de Belastingdienst zijn de prestatie-indicatoren per begrotingsjaar 2021 voor Artikel 1 herzien. De herziene set sluit aan bij de Uitvoerings- en Toezichtstrategie en geeft op een samenhangende manier beter inzicht in de prestaties van de dienst. Niet alle kengetallen en indicatoren zijn op dit moment al dusdanig ontwikkeld en meetbaar gemaakt dat hierover in 2021 kan worden gerapporteerd en verantwoord. In de groeiparagraaf van deze begroting worden de ontwikkelingen toegelicht die in 2020 nog worden voortgezet.

Doelen en prestatie-indicatorenDe set herziene prestatie-indicatoren sluit aan bij de Uitvoerings- en Toezichtstrategie van de Belastingdienst. Op die manier zijn prestatie-indicatoren een uiting van de strategie van de organisatie en kan, in lijn met de strategie, gestuurd worden op resultaten en effecten. De nieuwe set van indicatoren stelt de Belastingdienst bovendien in staat thematisch en actueel te verantwoorden; niet alleen gericht op een specifieke indicator, maar ook over de bovenliggende doelstellingen.20

De set is als volgt opgebouwd:

  • Kengetallen verdeeld naar drie van de vier compliancefactoren:

    • 1. Voor de compliancefactor juiste en tijdige registratie is een kengetal in ontwikkeling;

    • 2. Tijdige aangifte;

    • 3. Juiste en volledige aangifte;

    • 4. Tijdige betaling.

  • Subjectieve en objectieve prestatie-indicatoren op de volgende vier tussendoelen van compliance:

    • 1. Een adequate behandeling (juist, tijdig, proportioneel);

    • 2. Effectief informeren over rechten en plichten;

    • 3. Het nakomen van verplichtingen zo makkelijk mogelijk maken;

    • 4. Op gepaste wijze corrigerend optreden bij niet-naleving.

  • Op ieder tussendoel is een subjectieve indicator geformuleerd die de ervaring van burgers en bedrijven met betrekking tot de tussendoelen van de Belastingdienst inzichtelijk maakt;

  • Ieder tussendoel is voorzien van meerdere objectieve indicatoren, die de feitelijke prestatie van de Belastingdienst meetbaar maken.

Door het onderscheid in compliancefactoren met kengetallen en tussendoelen te voorzien van subjectieve en objectieve indicatoren ontstaat een geheel dat beter aansluit bij de strategie van de Belastingdienst en inzicht geeft in de werking hiervan.

Tabel 21 Kengetallen Algemene doelstelling: Compliance
 

Waarde 2016

Waarde 2017

Waarde 2018

Waarde 2019

Belastingmoraal

-

-

-

-

Vertrouwen in de belastingdienst

-

-

-

-

Percentage tijdige aangiften VpB1

94,5%

n.v.t.2

94,7%

91,9%

Percentage tijdige aangiften IH3

94,5%

n.v.t.

94,7%

91,9%

Percentage tijdige aangiften OB

94,9%

95,3%

95,6%

95,6%

Percentage tijdige aangiften LH

99.2%

99,3%

99,1%

99,1%

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort Particulieren

1,0%

0,9%

0,7%

n.v.t.

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort MKB

5,2%

n.v.t.

5,7%

n.v.t.

Percentage tijdige betaling van belastingen en premies

98,4%

98,4%

98,5%

98,5%

X Noot
1

tot en met 2020 zijn de percentages voor tijdige aangiften VPB en IH gecombineerd gemeten. In de tabel zijn de gecombineerde waarden voor VPB en IH opgenomen.

X Noot
2

N.v.t. betekent dat in het gegeven jaar de (streefwaarde van de) prestatie-indicator niet of anders is gemeten en/of gerapporteerd in de begroting, waardoor vergelijking over de jaren niet mogelijk is.

X Noot
3

tot en met 2019 zijn de percentages voor tijdige aangiften VPB en IH gecombineerd gemeten. In de tabel zijn de gecombineerde waarden voor VPB en IH opgenomen.

Belastingmoraal

De intrinsieke motivatie van burgers en bedrijven om belastingverplichtingen na te komen wordt ook wel aangeduid als de belastingmoraal. De belastingmoraal is een bepalende – mogelijk zelfs de meest bepalende – factor voor bereidwillige naleving van belastingverplichtingen door belastingplichtigen. Daarmee is inzicht in de belastingmoraal van strategisch belang.

Dit nieuwe kengetal wordt vanaf dit jaar ieder jaar gemeten met behulp van een monitor.

Vertrouwen in de Belastingdienst

Een belangrijke determinant van compliance en de belastingmoraal in Nederland is de mate waarin burgers en bedrijven vertrouwen hebben in de Belastingdienst. Hoe hoger het niveau van publiek vertrouwen, hoe groter de intrinsieke motivatie om belasting te betalen. Het nieuwe kengetal meet het vertrouwen dat de Belastingdienst belastingplichtigen gelijk en rechtvaardig behandelt langs de volgende dimensies:

  • Competentie: zien burgers en bedrijven de Belastingdienst als capabel? Is de Belastingdienst in hun ogen in staat zijn taken goed uit te voeren?

  • Welwillendheid: zien burgers en bedrijven de Belastingdienst als betrokken en oog hebbend voor hun belangen?

  • Integriteit: zien burgers en bedrijven de Belastingdienst als eerlijk, rechtvaardig, consistent en voorspelbaar? Komt de Belastingdienst beloften en verplichtingen na?

Oordelen over de vertrouwenswaardigheid van de Belastingdienst worden niet alleen gekleurd door persoonlijke ervaringen, maar ook door bijvoorbeeld berichtgeving in de media en ervaringen van vrienden en kennissen. Het zijn oordelen die zich opbouwen in de tijd en betrekking hebben op een wat hoger abstractieniveau dan sommige andere oordelen (bijvoorbeeld of iemand goed geholpen is bij de Belastingtelefoon).

Percentage tijdige aangiften 

Dit kengetal weerspiegelt of het beleid van de Belastingdienst succesvol is om belastingplichtigen te bewegen tijdig een aangifte in te dienen. Het gaat hier om de volgende belastingmiddelen: Inkomensheffing (IH), Omzetbelasting (OB), Loonheffing (LH) en Vennootschapsbelasting (VpB).

Juist en volledig doen van aangifte: Particulieren en MKB

Met steekproefsgewijze controles stelt de Belastingdienst periodiek het niveau van naleving vast voor de doelgroepen Particulieren en MKB. De steekproefsgewijze controles verschaffen inzichten in het fiscaal relevante gedrag van belastingplichtigen en in nalevingstekorten als gevolg van onvolledige of onjuiste aangifte.

Percentage tijdige betaling van belastingen en premies

Dit kengetal meet het deel van de ontvangen belastingen en premies dat door belastingplichtigen voor de vervaldatum of na het versturen van de aanmaning, tijdig wordt betaald aan de Belastingdienst. Dit kengetal geeft een indicatie van de mate waarin het beleid van de Belastingdienst succesvol is om belastingplichtigen te bewegen tot tijdig betalen. Ten opzichte van 2020 zijn in de meting van deze indicator enkele aanpassingen gedaan.

Hierna volgt een toelichting op de tussendoelen Adequate behandeling, Informeren, Gemak en Corrigerend optreden en de daaraan gerelateerde prestatie-indicatoren.

Adequate behandeling

De Belastingdienst geeft burgers en bedrijven een adequate behandeling (correct en passend)

De Belastingdienst streeft ernaar dat burgers en bedrijven uit zichzelf fiscale regels naleven, zonder dwingende en kostbare acties van de kant van de Belastingdienst. Het onderhouden en waar nodig versterken van de intrinsieke motivatie van belastingplichtigen om aan hun fiscale verplichtingen te voldoen is daarom belangrijk. Een adequate behandeling door de Belastingdienst draagt hieraan bij. Adequaat betekent correct (op de juiste wijze) en passend, geschikt voor het beoogde doel. De basis van een adequate behandeling ligt bij het door de Belastingdienst volgen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Adequate behandeling behelst echter meer dan het volgen van regels en procedures en het nakomen van toezeggingen door de Belastingdienst. Adequate behandeling heeft ook te maken met de manier waarop de Belastingdienst burgers en bedrijven benadert; met respect en behulpzaam, en de mate waarin de Belastingdienst zich inleeft in en rekening houdt met de omstandigheden of behoeften van burgers en bedrijven. Het bieden van maatwerk en ondersteuning, niet alleen reactief maar ook proactief, is hier een voorbeeld van. Menselijke maat is hiermee een onderdeel van adequate behandeling. Adequate behandeling raakt sterk aan het begrip procedurele rechtvaardigheid: het gevoel van rechtvaardigheid afgemeten aan de manier waarop belastingplichtigen zich behandeld voelen en hoe uitkomsten of beslissingen tot stand zijn gekomen.

In de onderstaande tabel zijn de prestatie-indicatoren opgenomen voor het tussendoel Adequate behandeling:

Tabel 22 Prestatie-indicatoren Adequate behandeling (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator 

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Burgers en bedrijven geven aan dat ze adequate behandeling hebben gekregen

-

-

-

n.n.b.

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

78%

68%

90-95%

≥90%

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

98%

96,6%

90-95%

≥93%

Percentage burgers en bedrijven dat op afspraak tijdig wordt teruggebeld door een Belastingdienst-medewerker

94%

93%

-

≥90%

Percentage tijdig afgehandelde verzoeken tot registratie

-

-

-

≥95%

Kwaliteit volgens interne fiscale kwaliteitscontrole

86%

87%

-

≥87%

Burgers en bedrijven geven aan dat ze adequate behandeling hebben ervaren

Deze nieuwe indicator geeft de mate aan waarin burgers en bedrijven zich adequaat behandeld voelen op basis van onderzoek naar subjectieve beleving. Om de ervaring van burgers en bedrijven vanaf 2021 inzichtelijk te maken, ontwikkelt de Belastingdienst in 2020 een meetinstrument.

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing kunnen een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. Deze prestatie-indicator betreft het aantal in 2021 binnen Awb- beslistermijn afgedane bezwaarschriften ten opzichte van het totaal afgedane bezwaren in kalenderjaar 2021. Hierbij zijn vanaf 2021 alleen de door Belastingen behandelde bezwaren in de meting betrokken. De waarden tot en met 2020 zijn inclusief Douane en Toeslagen.

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijnBurgers en bedrijven die ontevreden zijn over gedragingen of processen van de Belastingdienst kunnen een klacht indienen. Deze prestatie-indicator betreft het aantal in 2021 binnen Awb- beslistermijn afgedane klachten ten opzichte van het totaal aantal afgedane klachten in kalenderjaar 2021. Hierbij zijn vanaf 2021 alleen de door Belastingen behandelde klachten in de meting betrokken. De waarden tot en met 2020 zijn inclusief Douane en Toeslagen.

Percentage burgers en bedrijven dat volgens afspraak wordt teruggebeld door een Belastingdienst-medewerker

Deze nieuwe indicator weerspiegelt het aantal burgers en bedrijven dat conform de afgesproken termijnen tijdig wordt teruggebeld door een medewerker van de Belastingdienst ten opzichte van het totaal aantal burgers en bedrijven waarmee een terugbelafspraak is gemaakt.

Percentage tijdig afgehandelde verzoeken tot registratie

(Startende) ondernemers dienen bij de Belastingdienst verzoeken in tot afgifte van een omzetbelasting- en/of loonheffingennummer. Deze ondernemers krijgen van de Belastingdienst bericht over het afgegeven omzetbelasting- en/of loonheffingennummer. De Belastingdienst streeft ernaar deze verzoeken binnen 8 werkdagen af te handelen. Deze nieuwe indicator meet of dit proces op tijd wordt uitgevoerd.

Kwaliteit volgens interne fiscale kwaliteitscontrole

De Belastingdienst hanteert een aantal instrumenten om de kwaliteit van de processen te meten en waar nodig te verbeteren. De fiscale kwaliteitsindex (FIX) maakt daar deel van uit. De FIX meet de fiscaaltechnische en vaktechnische kwaliteit van de aangiftebehandeling, het vooroverleg, de administratieve controles, de invordering, het controleproces en de heffing en bezwaarbehandeling. In de FIX wordt gecontroleerd of deze processen op de juiste manier zijn uitgevoerd aan de hand van de wet en regelgeving. Met behulp van deze nieuwe indicator verantwoordt de Belastingdienst over de kwaliteit van de fiscale processen.

Informeren

De Belastingdienst informeert burgers en bedrijven effectief over hun rechten en plichten

De Belastingdienst ontplooit activiteiten op verschillende terreinen om bereidwillige naleving van belastingregels door belastingplichtigen te stimuleren. Eén daarvan is het ondersteunen van belastingplichtigen in het kennen, begrijpen en kunnen uitvoeren van hun verplichtingen door ze daarover te informeren. Onderzoek heeft laten zien dat meer kennis van belastingzaken positief samenhangt met het naleven van belastingregels.

De situatie van zowel burgers als bedrijven kan fiscaal complex zijn en kan sterk veranderen gedurende hun levensloop. Hoe complexer de wet- en regelgeving, hoe meer kennis nodig is om deze na te leven. Het vereenvoudigen van belastingregels is daarom cruciaal. Maar wetende dat bestaande wet- en regelgeving complex is, is het de taak van de Belastingdienst om burgers en bedrijven effectief te informeren over hun rechten en plichten, zodat zij aan hun plichten kunnen voldoen en gebruik kunnen maken van hun rechten.

In de onderstaande tabel zijn de prestatie-indicatoren opgenomen voor het tussendoel effectief informeren:

Tabel 23 Prestatie-indicatoren Effectief informeren (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator 

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Burgers en bedrijven geven aan dat de Belastingdienst hen voldoende informeert

-

-

-

n.n.b.

Antwoorden op vragen via de BelastingTelefoon zijn kwalitatief juist

94%

93%

>90%

>90%

Bereikbaarheid BelastingTelefoon

83%

85%

>90%

>90%

Bereikbaarheid Webcare

73%

79%

>80%

>80%

Klanttevredenheid1

  

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

- Website

79%

85%

>70%

>70%

- Balie

82%

82%

>70%

>70%

- Belastingtelefoon

73%

76%

>70%

>70%

Klantontevredenheid2

  

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

- Website

6%

3%

<10%

<10%

- Balie

6%

6%

<10%

<10%

- Belastingtelefoon

10%

8%

<10%

<10%

Aantal registraties waarmee MKB-ondernemers participeren in FD-convenanten

-

190.963

-

>191.000

X Noot
1

Realisaties 2018 en 2019: belastingtelefoon betreft specifieke scores voor belastingen; website en balie algemene scores voor de Belastingdienst

X Noot
2

Realisaties 2018 en 2019: belastingtelefoon betreft specifieke scores voor belastingen; website en balie algemene scores voor de Belastingdienst

Burgers en bedrijven geven aan dat de Belastingdienst hen voldoende informeert

Deze nieuwe indicator stelt vast in hoeverre burgers en bedrijven ervaren dat ze door de Belastingdienst voldoende geïnformeerd worden over de voor hen relevante fiscale onderwerpen. Voldoende geïnformeerd betekent dat ze weten wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen. De informatie die de Belastingdienst biedt aan burgers en bedrijven moet daarom aan een aantal criteria voldoen:

  • de informatie sluit aan bij de fiscale situatie van burgers en bedrijven;

  • de informatie is eenvoudig te begrijpen en sluit aan bij het kennisniveau van burgers en bedrijven;

  • de informatie is eenvoudig te vinden;

  • de informatie is eenvoudig toe te passen door burgers en bedrijven in hun specifieke situatie;

  • de informatie moet burgers en bedrijven in staat stellen aan hun fiscale verplichtingen te voldoen of hen in staat stellen daarvoor hulp in te schakelen.

Om de ervaring van burgers en bedrijven vanaf 2021 inzichtelijk te maken, ontwikkelt de Belastingdienst in 2020 een meetinstrument.

Antwoorden op vragen via de BelastingTelefoon zijn kwalitatief juist

Deze nieuwe indicator meet het aantal juiste antwoorden op wet- en regelgeving c.q. proces- en statusvragen via de BelastingTelefoon ten opzichte van het totaal onderzochte antwoorden op wet- en regelgeving c.q. proces- en statusvragen via de BelastingTelefoon. Kwalitatief juist betekent dat alle vragen op het gebied van proces en status of wet- en regelgeving door middel van het dialoogvenster beantwoord kunnen worden. Wanneer deze antwoorden overeenkomen met hetgeen in het dialoogvenster staat, dan zijn deze antwoorden juist.

Bereikbaarheid BelastingTelefoon en WebCare

Deze nieuwe indicator meet de bereikbaarheid van de Belastingtelefoon en de Webcare. De bereikbaarheid van de BelastingTelefoon wordt gemeten aan de hand van het aantal telefoontjes waar een beller is geholpen via een Belastingtelefoonmedewerker, de bestelautomaat of via het keuzemenu. De bestelautomaat betreft de automatische functionaliteiten waarbij de burger bijvoorbeeld uitstel van aangifte kan aanvragen zonder een Belastingtelefoonmedewerker te spreken.

Onder Webcare wordt verstaan alle vragen vanuit burgers waar een antwoord op wordt gegeven door een Webcare-medewerker via Facebook of Twitter. Voor Webcare wordt de gemiddelde reactietijd per week berekend over alle gegeven eerste antwoorden binnen een case tijdens openingstijden.

Klanttevredenheid en klantontevredenheid

De indicatoren klanttevredenheid en klantontevredenheid meten direct na de dienstverlening hoe de persoonlijke insteek van de Belastingdienst ten aanzien van telefoon, website en balie is beleefd door burgers en bedrijven. Deze meting vindt plaats door burgers en bedrijven te bevragen op zowel aspecten die bijdragen aan de klanttevredenheid als op de ervaren klanttevredenheid zelf. Hiermee krijgt de Belastingdienst goed zicht op de variabelen die klanttevredenheid bepalen, waardoor betere sturing op en verantwoording over prestaties mogelijk is.

Aantal belastingaangiften door MKB ondernemers onder FD-convenant per kalenderjaarAls onderdeel van de uitvoerings- en toezichtstrategie van de Belastingdienst wordt er horizontaal toezicht uitgeoefend door proactief samen te werken met dienstverlenende partijen in de markt. Het afsluiten van convenanten met fiscaal dienstverleners (FD’s) maakt hier deel van uit. In een FD-convenant zijn de procesafspraken van horizontaal toezicht opgenomen zodat partijen weten wat van elkaar verwacht mag worden. Het uiteindelijke doel van alle betrokken partijen is de tijdige indiening van aanvaardbare belastingaangiften en de tijdige betaling daarvan. Deze nieuwe indicator meet het aantal belastingaangiften door MKB-ondernemers onder een Fiscaal Dienstverlenings-convenant per belastingjaar. De Belastingdienst stelt zich tot doel dit aantal te doen toenemen ten opzichte van voorgaande jaren.

Gemak

De Belastingdienst streeft ernaar om het voor burgers en bedrijven zo makkelijk mogelijk te maken om te voldoen aan fiscale verplichtingen. Dit kan door het aantal stappen dat een burger of bedrijf moet zetten zo klein mogelijk te maken en zo vorm te geven dat zij worden geholpen om de acties juist uit te voeren. Daarmee maakt een belastingplichtige bij wijze van spreken ‘als vanzelf’ minder fouten.

Gemak betekent met een zo klein mogelijke inspanning (zowel in tijd als in ‘mentale’ inspanning, zoals frustratie), tegen zo gering mogelijke kosten, het goede kunnen doen. Nakomen van verplichtingen moet makkelijk zijn, aansluiten op de processen of routines van de doelgroep (bijvoorbeeld middels de automatische winstaangifte) en gericht op het voorkomen van dubbel werk voor burgers en bedrijven.

Door in één keer het goede te kunnen doen, worden fouten zo veel mogelijk voorkomen. De Vooringevulde aangifte (VIA) is hiervan een duidelijk voorbeeld. In één keer goed slaat zowel op het invullen en insturen als op het betalen van de verplichting. Wordt er desondanks een fout gemaakt, door belastingplichtige óf door de Belastingdienst, dan is het herstellen daarvan voor burgers en bedrijven eenvoudig en vergt een minimum aan inspanning. Dat geldt ook voor formele procedures als klachten of bezwaar maken. Burgers en bedrijven moeten de voor hen relevante informatie op eenvoudige wijze kunnen vinden en benaderen (zoals op de portals).

Nadat een proces is afgerond (een aangifte ingediend bijvoorbeeld) moeten burgers en bedrijven zich er zeker van voelen dat hetgeen gedaan is, ook het juiste is.

Gemak raakt aan verschillende aspecten van het voldoen aan verplichtingen en daarmee is het belangrijk om te meten hoe dat door burgers en bedrijven wordt ervaren.

In de volgende tabel zijn de prestatie-indicatoren voor het tussendoel gemak opgenomen:

Tabel 24 Prestatie-indicatoren Gemak bieden en fouten voorkomen (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator 

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Burgers en bedrijven geven aan dat zij gemak ervaren

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.n.b.

Percentage aangiften IH-NW waarin de vooraf ingevulde gegevens juist en volledig zijn

65%

69%

65%

>65%

Burgers en bedrijven geven aan dat zij gemak ervaren

Om de ervaring van burgers en bedrijven vanaf 2021 inzichtelijk te maken, ontwikkelt de Belastingdienst in 2020 een meetinstrument. Deze indicator geeft de mate waarin burgers en bedrijven gemak ervaren aan op basis van onderzoek naar subjectieve beleving.

Percentage aangiften IH-NW waarin de vooraf ingevulde gegevens juist en volledig zijn

Het streven is om jaarlijks 65% van de ingediende aangiften door particulieren (IH niet-winst) volledig vooraf in te vullen vanuit de VIA voor zover het voor de Belastingdienst kenbare rubrieken betreft. De realisatie van de indicator wordt beïnvloed door diverse factoren zoals de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens, (fiscale) wet- en regelgeving en handelingen van belastingplichtigen.

Corrigerend optreden

De Belastingdienst treedt op gepaste wijze corrigerend op bij niet-naleving.

De strategie van de Belastingdienst is erop gericht om naleving te bevorderen en niet-naleving te voorkomen. De Belastingdienst houdt toezicht op de naleving door middel van geautomatiseerde checks en het uitvoeren van controles. Als niet-naleving of fouten worden geconstateerd kan de uitkomst worden gecorrigeerd (zoals door het opleggen van ambtshalve aanslagen, correcties en invorderingsmaatregelen). Daar waar belastingplichtigen regels verwijtbaar niet hebben nageleefd, kan een sanctie worden opgelegd; in de vorm van een (administratieve) boete of zwaarder via het strafrecht.

De doelen van corrigerend optreden liggen zowel bij de gecontroleerde, gecorrigeerde en/of gesanctioneerde belastingplichtige als bij andere belastingplichtigen die dit handelen of optreden van de Belastingdienst bemerken. De doelen zijn specifieke en generieke afschrikking, vergelding en het borgen of vergroten van de legitimiteit van en het vertrouwen in de Belastingdienst en de belastingheffing. Met als achterliggend doel om toekomstige naleving te borgen of te stimuleren. Corrigerend optreden zorgt er bovendien voor dat verschuldigde belastinggelden (ten minste voor een deel) alsnog in de staatskas terecht komen.

In de volgende tabel zijn de prestatie-indicatoren voor het tussendoel Corrigerend optreden opgenomen:

Tabel 25 Prestatie-indicatoren Corrigerend optreden

Prestatie-indicator 

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Burgers en bedrijven geven aan dat zij corrigerend optreden ervaren

-

-

-

n.n.b.

Percentage van het nalevingstekort dat de Belastingdienst corrigeert bij burgers (IH)

-

-

-

n.n.b.

Percentage van het nalevingstekort dat de Belastingdienst corrigeert bij MKB (IH, VPB, OB en LH)

-

-

-

n.n.b.

Percentage processen verbaal dat leidt tot veroordeling of transactie

87%

84%

82-85%

>82%

Percentage opsporingscapaciteit dat wordt ingezet op omgevingsgerichte strafonderzoeken

36%

40%

>40%

>40%

Betalings-achterstand

2,4%

2,5%

3-3,5%

≤3,5%

Inning invorderingsposten binnen een jaar

58,3%

58,7%

55-65%

≥55%

Percentage oninbaarheid

0,3%

0,1%

<0,6%

<0,6%

Burgers en bedrijven geven aan dat zij corrigerend optreden ervaren

Om de ervaring van burgers en bedrijven vanaf 2021 inzichtelijk te maken, ontwikkelt de Belastingdienst in 2020 een meetinstrument. Deze nieuwe indicator geeft weer in welke mate men ervaart dat de Belastingdienst corrigerend optreedt.

Percentage van het nalevingstekort dat de Belastingdienst corrigeert

Deze nieuwe indicator in begroting 2021 maakt de vergelijking tussen de in 2021 door Particulieren en MKB aangebrachte correcties en het geschatte nalevingstekort op basis van de uitkomsten van de meest recente steekproef. Deze indicator vervangt de indicatoren die zagen op de bruto correctieopbrengsten voor Particulieren en MKB.

Met deze nieuwe indicator beoogt de Belastingdienst meer inzicht te geven in de effectiviteit van de handhaving. Door het relateren van de aangebrachte correcties in de aangiften IH voor Particulieren en in de IH, LH, OB en Vpb voor MKB aan het nalevingstekort wordt duidelijker geïllustreerd dat de Belastingdienst aan het nalevingstekort werkt én door het werken aan het voorkomen van fouten én het corrigeren daarvan als deze zich toch voordoen.

Deze prestatie-indicator en de daarbij behorende meetmethodiek zijn nieuw voor de Belastingdienst. Er is nog niet eerder ervaring mee opgedaan en mogelijk dient er nog doorontwikkeling plaats te vinden. Daarom is er in 2021 nog geen streefwaarde verbonden aan de prestatie-indicator. Op basis van de resultaten in 2021 zullen de werking en de meetmethodiek van deze indicator worden geëvalueerd en zo nodig verbeterd.

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling of transactie

De FIOD geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken met impact en effect. De doelstelling voor deze bestaande indicator is een resultaat van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de toezichthouders en de FIOD, en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

Percentage opsporingscapaciteit dat wordt ingezet op omgevingsgerichte strafonderzoeken

Bij de aanpak van fraude wil de FIOD een duidelijk signaal afgeven en kiest het voor aanpak van strafonderzoeken met maatschappelijk effect: van incident naar impact. De monitoring hierop vindt plaats met deze bestaande prestatie-indicator door te rapporteren hoeveel procent van de zaken omgevingsgericht is. Met omgevingsgericht wordt gedoeld op zaken die voortvloeien uit de vooraf bedachte verbinding tussen partners in de keten van toezicht, opsporing en vervolging. ‘Omgevingsgericht’ is één van de vier deelcomponenten naast strafrecht, afpakken en media die samen met de partners in de keten van invloed zijn op het effect in de maatschappij naar aanleiding van ingestelde strafonderzoeken. Een zaak is een onderzoek naar een of meerdere strafbare feiten gepleegd door één of meerdere verdachten.

De naamgeving van de indicator is ten opzichte van begroting IX 2020 verduidelijkt. De indicator zelf is niet gewijzigd.

Betalingsachterstand

Deze indicator ziet op de belastingmiddelen Belasting zware motorrijtuigen (BZM), Inkomensheffing (IH), Loonheffing (LH), Elektronisch Berichtenverkeer (EBV), Motorrijtuigenbelasting (MRB), Omzetbelasting (OB), Vennootschapsbelasting (VpB), Zorgverzekeringswet (ZVW). Ten opzichte van voorgaande jaren is dat een uitbreiding met de BZM en er zijn ten opzichte van 2020 aanpassingen in de meting gedaan. Zowel de teller als de noemer van de indicator zijn hierop aangepast; de weergegeven historische realisatiecijfers zijn hiervoor gecorrigeerd. Het is een indicatie voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst en het geeft een momentopname van de omvang van het uit te voeren debiteurenbeheer. De Belastingdienst volgt openstaande schulden en gaat in geval van gedetecteerde verhaalsmogelijkheden alsnog over tot het innen van de schuld. De realisatie van deze indicator wordt beïnvloed door de Coronamaatregelen. Op dit moment is het effect van deze maatregelen op de realisatie nog niet te duiden.

Inning invorderingsposten binnen een jaar

Deze indicator toont het percentage van de vorderingen die niet op tijd betaald worden, maar die binnen een jaar toch worden geïnd, als resultaat van de door de Belastingdienst ingezette invorderingsmaatregelen. Ten opzichte van 2020 zijn in de meting van deze indicator enkele aanpassingen gedaan; de weergegeven historische realisatiecijfers zijn hiervoor gecorrigeerd.

Percentage oninbaarheid

Niet alle vorderingen worden geheel geïnd. Dit kan verschillende oorzaken hebben: faillissementen, wettelijke schuldsanering, overlijden of omdat de vordering niet te verhalen is. Daarnaast leert de ervaring dat fraudeposten en aanslagen voor criminele posten zeer lastig zijn te innen. Het percentage oninbaarheid betreft het twaalfmaandgemiddelde aan oninbaar geleden bedrag gedeeld door het twaalfmaandgemiddelde van het totaalbedrag aan belasting en premieontvangsten. Ten opzichte van 2020 zijn in de meting van deze indicator enkele aanpassingen gedaan; de weergegeven historische realisatiecijfers zijn hiervoor gecorrigeerd.

Het oninbaar geleden bedrag betreft (tijdelijk) buiten invordering gestelde bedragen. Een oninbaar geleden vordering blijft invorderbaar. Als na het oninbaarlijden alsnog betaald wordt of verrekend kan worden, wordt dit alsnog afgeboekt op de vordering. Het oninbaar geleden bedrag wordt dan gecorrigeerd. Het nog opeisbare deel van de vorderingen wordt actief gevolgd voor het geval zich alsnog inkomstenbronnen aandienen (dynamisch monitoren).

3.2 Artikel 2 Financiële markten

A. Algemene doelstelling

Beleid en regelgeving maken voor een stabiele en integere werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën bevordert het goede functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. Hij is verantwoordelijk voor de goede werking van het betalingsverkeer. De minister is daarnaast verantwoordelijk voor goed functionerende en integere financiële markten en voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten en de institutionele structuur van het toezicht. Verder draagt de minister samen met de minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijkheid voor wet- en regelgeving om het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme te voorkomen. Ook is de minister verantwoordelijk voor de regelgeving van bepaalde bijzondere financiële beroepsgroepen, zoals accountants. DNB en de AFM voeren het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten uit. Dat wil zeggen dat de minister verantwoordelijk is voor het functioneren van het toezichtsysteem als geheel en verantwoordelijk is voor de uitvoering van het toezicht door DNB en de AFM. Echter, om de onafhankelijke positie van de toezichthouders te bevorderen is de minister noch verantwoordelijk noch bevoegd ten aanzien van individuele besluiten van de toezichthouders, en beschikt de minister niet over toezichtvertrouwelijke informatie. Daarnaast worden steeds meer toezichttaken op Europees niveau belegd. Zo voert de Europese Centrale Bank (ECB) ook in belangrijke mate het toezicht op grote en grensoverschrijdende Europese banken uit.

De randvoorwaarden die de minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Het gaat hierbij om (het toezicht op nakoming van) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Deze regelgeving en dit toezicht dragen eraan bij dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

Tot slot bevordert de minister het verantwoord financieel gedrag door de burger en is hij verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

Verantwoordelijkheden minister van Financiën op de BES-eilanden

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES-eilanden) maken deel uit van Nederland. De eilanden zijn openbare lichamen in de zin van de Grondwet. De verantwoordelijkheid van de minister van Financiën ten aanzien van de toezichttaken voor de BES-eilanden is dezelfde als voor Europees Nederland, omdat de verhouding tussen de minister en de toezichthouders dezelfde is. Het toezicht op de BES-eilanden is net als in Nederland op afstand geplaatst bij DNB en de AFM; de minister van Financiën is systeemverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Het beleid ten aanzien van de financiële sector staat grotendeels beschreven in de Agenda financiële sector21 die eind 2018 is gepresenteerd. De Agenda richt zich op drie domeinen: stabiliteit, integriteit en innovatie. In 2021 geeft het ministerie uitvoering aan de aangekondigde maatregelen uit de Agenda (zie onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten).

Tot eind 2019 heeft de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) het exclusieve recht gehad om munten voor de Nederlandse staat te slaan. In 2019 is de productie van circulatiemunten en de productie en distributie van munten die speciaal voor verzamelaars worden geslagen door DNB aanbesteed. De spoedovereenkomst die DNB heeft gesloten met KNM zorgde ervoor dat in 2020 verzamelaarsproducten budgetneutraal werden uitgegeven. In 2020 is er opnieuw een aanbestedingsprocedure gestart voor verzamelaarsmunten. Vanaf 2021 zal het nieuwe muntcontract voor verzamelaarsmunten in werking treden. Dit kan zorgen voor een verandering in de kosten voor de munttaak in 2021.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 26 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 Financiële markten (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

48.054

39.468

26.053

24.293

22.921

22.921

22.921

waarvan betalingsverplichtingen

48.292

39.468

26.053

24.293

22.921

22.921

22.921

Muntcirculatie

5.719

6.117

5.500

6.590

6.586

6.586

6.586

Vakbekwaamheid

3.733

5.002

4.600

4.600

4.600

4.600

4.600

Bijdrage DNB toezicht en DGS BES

1.980

2.000

2.010

2.003

2.020

2.020

2.020

Bijdrage FEC

3.173

3.220

2.887

2.887

2.887

2.887

2.887

Overige betalingsverplichtingen

33.687

23.129

11.056

8.213

6.828

6.828

6.828

        

waarvan garantieverplichtingen

‒ 238

0

0

0

0

0

0

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

3.000

0

0

0

0

0

0

Garantie DGS BES

‒ 3.238

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

48.562

39.468

26.053

24.293

22.921

22.921

22.921

waarvan juridisch verplicht

  

82,5%

    
        

Bekostiging

33.336

8.096

7.240

7.997

7.966

7.966

7.966

Accountantskamer

1.234

1.509

1.350

1.350

1.350

1.350

1.350

Muntcirculatie

4.171

6.117

5.500

6.590

6.586

6.586

6.586

Afname munten in circulatie

27.535

0

0

0

0

0

0

IMVO Convenanten

0

0

50

57

30

30

30

Overig

396

470

340

0

0

0

0

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

1.875

1.625

1.875

1.875

1.875

1.875

1.875

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Dotatie begrotingsreserve NHT

875

625

875

875

875

875

875

        

Opdrachten

6.999

21.488

9.357

7.857

6.499

6.499

6.499

Wijzer in Geldzaken

1.695

2.061

1.634

1.634

276

276

276

Vakbekwaamheid

3.933

5.002

4.600

4.600

4.600

4.600

4.600

Uitvoeringskosten SRH

0

2.000

0

0

0

0

0

Schadeloosstelling SRH

0

10.000

0

0

0

0

0

Overig

1.371

2.425

3.123

1.623

1.623

1.623

1.623

        

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

5.932

7.735

7.057

6.050

6.067

6.067

6.067

Bijdrage AFM BES-toezicht

450

505

705

705

705

705

705

Bijdrage DNB toezicht en DGS BES

1.980

2.000

2.010

2.003

2.020

2.020

2.020

Bijdrage Toezicht en Handhaving MIF

0

10

260

260

260

260

260

Bijdrage PSD II

330

0

195

195

195

195

195

Bijdrage FEC

3.173

3.220

2.887

2.887

2.887

2.887

2.887

Overig

0

2.000

1.000

0

0

0

0

        

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

420

524

524

514

514

514

514

IASB

420

420

420

420

420

420

420

(Caribean) Financial Action Task Force

0

104

104

94

94

94

94

        
        

Ontvangsten

10.321

8.905

10.255

9.955

7.700

7.700

8.700

        

Bekostiging

2.155

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Ontvangsten muntwezen

2.155

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

        

Opdrachten

1.225

1.455

1.455

1.455

0

0

0

Wijzer in Geldzaken

1.225

1.455

1.455

1.455

0

0

0

        

Overige ontvangsten

6.941

5.450

6.800

6.500

5.700

5.700

6.700

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven op artikel 2 is in 2021 82.5% juridisch verplicht. Deze verplichte uitgaven (€ 21,5 mln.) bestaan voor het grootste deel uit uitgaven voor vakbekwaamheid (€ 4,6 mln.), muntcirculatie (€ 2,5 mln.) en de bijdragen aan AFM en DNB voor het toezicht op de BES-eilanden (€ 2,6 mln) en het Financieel Expertise Centrum (FEC) (€ 2,9 mln.).

De juridisch verplichte uitgaven aan vakbekwaamheid betreffen de kosten van de centrale Wft-examinering. Het inhoudelijk beheer van de Wft-examinering is opgedragen aan het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD), terwijl het functionele en technische beheer is ondergebracht bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Uitgangspunt is dat de uitgaven worden gefinancierd uit de examengelden (leges) die worden afgedragen aan het ministerie (zie ontvangsten overig). De daaromtrent gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst met het CDFD en een overeenkomst met de DUO.

De juridisch verplichte uitgaven vanwege de muntcirculatie komen voort uit de Muntwet, de afspraken met DNB en de afspraken in muntcontract voor circulatiemunten en het muntcontract voor verzamelaarsmunten van DNB met KNM. De afspraken betreffen onder meer de te verstrekken vergoedingen vanwege:

  • de productie van circulatiemunten (hieronder vallen niet de aanschafkosten van de circulatiemunten);

  • de productie en distributie van munten die speciaal voor verzamelaars worden geslagen;

  • het verzorgen van de geldsomloop voor zover deze uit munten bestaat;

  • het fungeren als Nationaal Analysecentrum voor Munten.

De niet-juridische verplichte uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op de aankoop van circulatiemunten. Vanaf 2021 zal het nieuwe muntcontract voor verzamelaarsmunten in werking treden. De juridische en niet-juridisch verplichte uitgaven voor 2021 en later kunnen daardoor veranderen.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Bekostiging

Accountantskamer

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Aldus wordt bijgedragen aan het (herstel van) vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening van accountants. In 2019 heeft er een evaluatie van de Accountantskamer plaatsgevonden, waarbij er bekeken is of financiering van het ministerie nog in de rede ligt of dat er moet worden overgegaan tot gedeeltelijke of gehele financiering door de beroepsgroep zelf. Op basis van de uitkomst van het onderzoek is er besloten om de wijze van bekostiging van de Accountantskamer niet aan te passen. De administratieve lasten voor alle betrokken partijen, die zouden voorvloeien uit deelfinanciering door de beroepsgroep, wegen niet op tegen de beperkte omvang van de kosten van het accountantstuchtrecht22.

Muntcirculatie

De kosten van muntcirculatie bestaan uit: uitgaven die betrekking hebben op de door de KNM te verzorgen muntproductie, de door het munthuis te verzorgen distributie van bijzondere munten en de door DNB te verzorgen munttaken. De spoedovereenkomst die DNB heeft gesloten met KNM zorgt ervoor dat in 2020 verzamelaarsproducten budgetneutraal worden uitgegeven. Vanaf 2021 zal het nieuwe muntcontract voor verzamelaarsmunten in werking treden. Dit kan zorgen voor een verandering in de kosten voor de munttaak in 2021 en later.

Afname munten in circulatie

Het in circulatie brengen van euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en leidt tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Zodra munten uit circulatie terugkeren, dient de Staat de nominale waarde van deze munten via DNB terug te geven. Op voorhand is niet te voorspellen of de nominale waarde van de in circulatie zijnde munten in enig jaar zal toe- of afnemen. Vandaar dat in de begroting een stelpost van nul is opgenomen.

Overig

Bekosting overig betreft voornamelijk de kosten voor de opvolging die wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Comissie toekomst accountancysector om de kwaliteit van wettelijke accountantscontroles duurzaam te verbeteren. Hiertoe zijn in 2020 twee kwartiermakers aangesteld.23

Storting/onttrekking begrotingsreserve

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

Als garantie voor een depositogarantiestelsel (DGS) voor de BES-eilanden is bij eerste suppletoire wet 2017 een begrotingsreserve ingesteld. Jaarlijks wordt € 1 mln. toegevoegd aan de begrotingsreserve. Met het DGS BES wordt de financiële stabiliteit op de BES-eilanden geborgd. In 2020 is de in de wet vastgelegde evaluatie DGS BES gestart, waarbij er voornamelijk wordt gekeken naar de wijze van bekostiging. Naar verwachting wordt de evaluatie in het najaar van 2020 afgerond.

Tabel 27 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve DGS BES-eilanden (bedragen x € 1 mln.)

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 1/1/2021

Onttrekkingen 2021

Toevoegingen 2021

Stand per 31/12/2021

3

0

1

4

0

1

5

Dotatie begrotingsreserve Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT)-garantie

De Staat heft een jaarlijkse premie (€ 625.000) over het afgegeven garantiebedrag van € 50 mln. Deze middelen worden sinds 2019 gestort in een begrotingsreserve.

Tabel 28 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve NHT-garantie (bedragen x € 1mln.)

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 1/1/2021

Onttrekkingen 2021

Toevoegingen 2021

Stand per 31/12/2021

0,875

0

0,625

1,5

0

0,875

2,375

Opdrachten

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken zet zich in voor het bevorderen van financieel verantwoord gedrag door de burger in Nederland. Het ministerie van Financiën financiert het platform samen met een aantal partijen uit de sector. Het platform ontwikkelt verschillende typen interventies om verantwoord financieel gedrag te bevorderen en om invulling aan de strategische doelstellingen te geven. Enkele voorbeelden zijn de website www.wijzeringeldzaken.nl, de Week van het geld, de website www.financieelgezondewerknemers.nl en de Pensioen3daagse.

Vakbekwaamheid

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) adviseert en ondersteunt het ministerie van Financiën inzake de beroepskwalificatie van financieel adviseurs, oftewel de vakbekwaamheid. Het CDFD is verantwoordelijk voor inhoudelijk beheer van de Centrale Examenbank, het adviseren over en vaststellen van eind- en toetstermen, en het erkennen van en toezicht houden op Wft-exameninstituten. Voor het uitvoeren van haar taken ontvangt het CDFD jaarlijks een overheidsbijdrage.

Overig

De hogere uitgaven in 2021 worden onder meer veroorzaakt doordat er mogelijk kosten worden gemaakt voor rechtzaken met betrekking tot SNS Reaal Holding. De overige opdrachten betreffen onderzoeken en evaluaties die in 2021 en later plaatsvinden.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Bijdrage AFM BES-toezicht

Voor het gedragstoezicht op de financiële markten op de BES-eilanden ontvangt de AFM jaarlijks een overheidsbijdrage.

Bijdrage DNB toezicht en DGS BES

Voor het integriteitstoezicht op de BES-eilanden ontvangt DNB jaarlijks een overheidsbijdrage. In de afgelopen jaren is door DNB meer capaciteit ingezet op de BES-eilanden, met name als gevolg van interventie, handhaving en toetsingen.

Bijdrage FEC

Het ministerie draagt bij aan de financiering van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is een samenwerkingsverband tussen verschillende autoriteiten binnen de financiële sector op het gebied van toezicht, controle, opsporing en vervolging. Vanaf 2018 wordt structureel € 1,4 mln. extra besteed aan de aanpak van terrorismefinanciering door het FEC. Deze gelden zijn afkomstig uit de versterkingsgelden, die eind 2017 door het kabinet zijn toegekend ten behoeve van het contra-terrorismebeleid.

Bijdrage toezicht en handhaving Multilateral Interchange Fee (MIF)

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de toezichthouder op de uitvoering van de MIF-verordening. Vergoed worden de kosten voor het houden van toezicht op de naleving en de handhaving van een aantal bepalingen uit de MIF-verordening. Hieronder vallen onder meer de kosten voor het controleren van de hoogte van de afwikkelingsvergoedingen bij betalingsdienstaanbieders, het behandelen van klachten en de rechtshandhavingskosten.

Bijdrage PSD II

In de wet ter implementatie van de PSD II richtlijn (Payment Services Directive) zijn vier toezichthouders belast met het toezicht op de naleving van PSD II, te weten DNB, de AFM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de ACM. De kosten zijn de geschatte jaarlijkse kosten van de ACM voor de uitvoering van het toezicht door de ACM op de naleving door marktpartijen van PSD II.

Overig

In 2021 wordt het register van uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten verder gevuld en doorontwikkeld. Aan de doorontwikkeling zijn kosten verbonden die deels worden gedekt door het ministerie van Financiën. Daarnaast wordt het UBO-register voor trusts en soortgelijke juridische constructies gebouwd en opgestart in 2021. In 2021 draagt het ministerie bij aan deze kosten.

Ontvangsten

Bekostiging

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de door de KNM af te dragen nominale waarde van de munten die de KNM in opdracht van de Staat speciaal voor verzamelaars heeft geslagen. In een voorkomend geval hebben de ontvangsten muntwezen tevens betrekking op ontwaarde munten en/of rondellen waarvan het residu als metaalschroot is verkocht.

Toename munten in circulatie

Zie «Afname munten in circulatie» bij uitgaven.

Opdrachten

Wijzer in Geldzaken

Het programma Wijzer in Geldzaken wordt medegefinancierd uit bijdragen vanuit de sector en DNB. Daarnaast draagt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook bij aan het programma. Deze bijdragen zijn voor de periode 2020–2022 afgesproken.

Overig

De overige ontvangsten betreffen met name: de ontvangen leges voor de examens inzake het onderdeel vakbekwaamheid, premies voor de NHT- en WAKO-garantie, de door de ACM aan de sector doorberekende kosten in het kader van het toezicht op de naleving van de MIF-verordening en eventuele ontvangen boetegelden van DNB, de AFM en de Accountantskamer.

Meetbare gegevens

Kengetallen financiële stabiliteit

Financiële stabiliteit staat centraal in het beleid van de minister van Financiën ten aanzien van de financiële sector. Een belangrijk onderdeel hierbij zijn de buffers die banken hebben zodat zij weerbaarder zijn. Twee belangrijke indicatoren hierbij zijn de zogenaamde (niet-risicogewogen) leverage ratio en de (risicogewogen) Common Equity Tier 1 (CET1)-ratio zoals beschreven in de Bazel III-normen. De wettelijke minima voor de leverage- en CET1-ratio conform Bazel III-normen zijn 3% en 4,5%.

Tabel 29 Kengetallen financiële stabiliteit (Nederlandse banken)1

Jaar

2017

2018

2019

2020 (eerste kwartaal 2020)

Leverage ratio (%)

CET1-ratio (%)

4,5

16,2

4,5

16,4

4,9

16,9

4,8

16,5

X Noot
1

Bron: DNB -  

Kengetallen betalingsverkeer

Het ministerie van Financiën zet zich, samen met DNB, in voor een efficiënt, veilig en toegankelijk betalingsverkeer.24 Hierbij wordt nauw samengewerkt in het kader van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waarin banken, betaaldienstverleners en maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd.

Teneinde de goede werking van het girale betalingsverkeer te borgen, is in de Regeling Oversight goede werking betalingsverkeer opgenomen dat de beschikbaarheid van pinnen (incl. contactloos betalen) 99,88% moet zijn. Deze norm richt zich tot de private partijen die het girale betalingsverkeer verzorgen en wordt gehandhaafd door DNB. De norm is in 2019 behaald. Voor de beschikbaarheid van mobiel en internetbankieren bestaan geen wettelijke eisen. Desalniettemin is ook bij deze betaalmethodes de beschikbaarheid zeer hoog, zoals blijkt uit onderstaande tabel.

Tabel 30 Kengetallen betalingsverkeer1

Beschikbaarheid

2016

2017

2018

2019 (gerealiseerd)

2019 (norm)

Pinnen en contactloos betalen

99,88%

99,88%

99,89%

99,89%

99,88%2

Mobiel bankieren

99,77%

99,83%

99,75%

99,81%

n.b.

Internetbankieren

99,79%

99,83%

99,72%

99,78%

n.b.

X Noot
1

Bron: Bijlage bij Kamerstukken II, 2019-2020, 27 863, nr. 87 (MOB-rapportage 2019), en Betaalvereniging Nederland:  

X Noot
2

Cf. artikel 6.2. Regeling Oversight goede werking betalingsverkeer

Voorts vindt het ministerie het van belang dat de toegang tot contant geld voldoende is. In het MOB zijn hier (niet-bindende) afspraken over gemaakt tussen de banken, maatschappelijke organisaties en DNB, waarbij de doelstelling is dat in principe alle Nederlandse huishouden binnen een straal van 5 kilometer (hemelsbreed) contant geld moeten kunnen opnemen. Uit onderstaande cijfers blijkt dat deze norm vrijwel overal wordt gehaald.

Tabel 31 Kengetallen Vijfkilometernorm 1
 

2016

2017

2018

2019

Het percentage aan huishoudens in Nederland dat binnen een straal van vijf kilometer contant geld kan opnemen.

99,63%

99,58%

99,55%

99,50%

X Noot
1

Bron: Bijlage bij Kamerstukken II, 27 863, nr. 87 (MOB-rapportage 2019), en Kamerstukken II, 2018-2019, 27 863, nr. 83.

3.3 Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen; in het bijzonder bij het investeren in en verwerven, beheren en afstoten van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, investeringsprojecten en transacties van de Rijksoverheid.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten, zodat vakdepartementen hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)25-projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O)-beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen. In dit kader is de minister van Financiën verantwoordelijk voor zwaarwegende en/of principiële beslissingen (onder andere de exitstrategie en het beloningsbeleid van de financiële instellingen) van NL Financial Investments (NLFI). Voorts houdt de minister van Financiën toezicht op NLFI;

  • het toetsen van door vergunninghouders gestelde financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en de ontmanteling van instellingen vallend onder de Kernenergiewet.

De minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet;

  • de regeling financieel beheer van het Rijk, in het bijzonder artikel 2: huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten, zoals DBFM(O), mogen pas door de Staat worden gesloten na overeenstemming met de minister van Financiën;

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft op basis van de Kernenergiewet;

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft op basis van de Telecommunicatiewet;

  • de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI);

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de ondernemingen;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code voor zijn rol als aandeelhouder in staatsdeelnemingen;

  • het kader voor het gebruik van businesscases binnen het Rijk (handleiding publieke businesscase);

  • PPS-code (publiek-private samenwerking): de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de Rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten. Deze beheercode is nader uitgewerkt in een aantal specifieke toezichtsafspraken op het gebied van huisvesting en infrastructuur;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen.

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek, Comptabiliteitswet, Wet stichting administratiekantoorbeheer financiële instellingen en de Kernenergiewet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

Beleidsinformatie

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de staatsdeelnemingen waarvan het beheer van het aandeelhouderschap ligt bij het ministerie van Financiën. Hierbij staat aangegeven hoeveel procent van de aandelen in handen is van de Staat en op welke wijze deze aandelen worden gehouden. Daarnaast wordt aangegeven of het aandeelhouderschap permanent is, bij voorbaat tijdelijk (bij financiële instellingen), of dat de deelneming op termijn voor vervreemding in aanmerking zou kunnen komen (niet-permanent aandeelhouderschap). Tot slot is in deze tabel te zien wanneer de volgende evaluatie van het aandeelhouderschap zal plaatsvinden.

Tabel 32 Aandeelhouderschap ministerie van Financiën

Staatsdeelneming

Percentage aandelen (per 15/9/2020)

Wijze van aandeelhouderschap

Categorie aandeelhouderschap

Volgende evaluatie

ABN AMRO

56,30%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

Air France-KLM

14%

Direct

Permanent

2026

BNG Bank

50%

Direct

Permanent

2026

COVRA

100%

Direct

Permanent

2023

FMO

51%

Direct

Permanent

2024

Gasunie

100%

Direct

Permanent

2025

Havenbedrijf Rotterdam

29,20%

Direct

Permanent

2021

Holland Casino

100%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

Invest-NL

100%

Direct

Permanent

2023

KLM

5,90%

Direct

Permanent

2021

Nederlandse Loterij

99%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

Nederlandse Spoorwegen

100%

Direct

Permanent

2023

NIO

100%

Direct

Permanent

n.v.t.

NWB Bank

17,20%

Direct

Permanent

2026

Schiphol

69,80%

Direct

Permanent

2024

SRH

100%

Direct

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

TenneT

100%

Direct

Permanent

2025

Thales Nederland

1%

Direct

Permanent

2022

UCN

100%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

De Volksbank

100%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

Op 17 mei 2019 is besloten om het wetsvoorstel modernisering speelcasinoregime – waaronder de privatisering van Holland Casino – voor dit moment in te trekken. De regering gaat opnieuw naar de tekentafel met het oog op het treffen van voorbereidingen voor een mogelijk nieuw privatiseringstraject. Holland Casino blijft daarmee voorlopig een niet-permanente deelneming.

Tot en met 2019 hield de Nederlandse staat ook een aandelenbelang in RFS en SABB. RFS is het voormalige consortium van Royal Bank of Scotland, Fortis en Santander dat in 2007 gezamenlijk ABN AMRO heeft overgenomen. De Nederlandse staat nam bij de overname van Fortis/ABN AMRO in 2008 de plaats in van Fortis in het consortium. Het grootste activum op de balans van RFS was een belang in Alawwal. Alawwal en de Saudi British Bank (SABB) zijn in 2019 gefuseerd. De aandelen van deze fusiebank SABB zijn in 2019 uitgekeerd aan NLFI, waarna RFS is afgewikkeld. Het verkoopproces van SABB is in 2019 afgerond. Met de afwikkeling van RFS is ook een einde gekomen aan het consortium waar de staat onderdeel van werd als gevolg van de overname van Fortis/ABN AMRO in 2008.

Op 19 november 2019 heeft de Eerste Kamer de oprichtingswet Invest-NL aangenomen. In december van hetzelfde jaar is Invest-NL opgericht en daarmee van start gegaan.

Kengetallen

Onderstaande kengetallen zien op de implementatie en uitvoering van het staatsdeelnemingenbeleid. Hierbij wordt alleen gekeken naar deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten, waar de Staat >15% van de aandelen heeft, en deze met direct aandeelhouderschap beheert.

Tabel 33 Kengetallen deelnemingenbeleid
 

Realisatie 2019

Streefwaarde 20201

Streefwaarde 2021

Percentage deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van bestuur

80% (n=10)2

80%

80%

Percentage deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van commissarissen

83% (n=12)3

92%

100%

Aantal deelnemingen waar een meerjarig dividendbeleid is herijkt

24

2

2

Aantal deelnemingen waarvan het aandeelhouderschap is geëvalueerd in het betreffende begrotingsjaar

1

2

05

X Noot
1

De huidige streefwaardes voor 2020 kunnen afwijken van de streefwaardes uit de begroting 2020.

X Noot
2

Gecorrigeerd voor staatsdeelnemingen met één bestuurder. De volgende tien vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, NLO en TenneT.

X Noot
3

De volgende dertien vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, COVRA, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, NLO, Invest-NL, TenneT en UCN.

X Noot
4

De volgende elf vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, COVRA, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, TenneT en UCN.

X Noot
5

Het kabinet evalueert minimaal eens in de zeven jaar het aandeelhouderschap in elke staatsdeelneming, om te bepalen of een belang in het bedrijf nog toegevoegde waarde heeft. In eerste komen de elf ‘permanente’ staatsdeelnemingen in aanmerking voor evaluaties. Actuele ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om het aandeelhouderschap in een deelneming eerder of later te evalueren. Met de evaluaties die in 2020 worden verricht, zijn alle permanente staatsdeelnemingen geëvalueerd. In 2022 zal de cyclus opnieuw beginnen met een evaluatie van Thales. 

Meer kengetallen over het deelnemingenbeleid (zoals de omvang van het balanstotaal van alle staatsdeelnemingen, de vermogenspositie van staatsdeelnemingen en het door staatsdeelnemingen gerealiseerde rendement) zijn te vinden in het meest recente Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen26.

Daarnaast wordt over de voortgang binnen het DBFM(O)-beleid middels kengetallen door de daarvoor verantwoordelijke ministers gerapporteerd in de DBFM(O)-voortgangsrapportages.

C. Beleidswijzigingen

De nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 201327 vormt het kader voor de invulling van de aandeelhoudersrol door de staat. Dit jaar wordt de nota Deelnemingenbeleid geëvalueerd door middel van de beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid. De opzet hiervan is in september 2019 naar uw Kamer gezonden.28 Uw Kamer wordt eind 2020 over de uitkomsten van de beleidsdoorlichting en de reactie van het kabinet daarop geïnformeerd.

Mogelijk heeft de COVID-19 crisis nog jaren gevolgen voor onze staatsdeelnemingen. Uiteraard volgen we de ontwikkelingen nauwgezet, zodat we goed zicht houden op wat welke staatsdeelneming wanneer nodig heeft. Ook als het gaat om de bredere maatschappelijke vraagstukken en uitdagingen op het publiek-private snijvlak zal Financiën blijven inzetten op het bevorderen van doelmatige overheidsinvesteringen, waarbij Financiën ook oog heeft voor de rol van de staatsdeelnemingen in de energietransitie.

Invest International zal naar verwachting in Q1 2021 worden opgericht, afhankelijk van het verloop van het wetstraject Machtigingswet oprichting Invest International. Het wordt een instelling die vanuit een één loket-gedachte het Nederlandse bedrijfsleven helpt projecten buiten de eigen landsgrenzen te ontwikkelen en te financieren.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 34 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.414.354

3.305.965

692.928

586.678

586.146

552.146

255.146

waarvan betalingsverplichtingen

1.414.354

1.445.965

692.928

586.678

586.146

552.146

255.146

Verwerving vermogenstitels

744.396

0

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie Invest-NL

50.000

330.000

330.000

330.000

330.000

297.000

0

Kapitaalinjectie Invest International

0

0

247.000

147.000

147.000

146.000

146.000

Afdrachten Staatsloterij

102.806

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

Schikking Alawwal Bank

93.297

0

0

0

0

0

0

Lening KLM

0

1.000.000

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie TenneT

410.000

0

0

0

0

0

0

Overige betalingsverplichtingen

13.856

15.965

15.928

9.678

9.146

9.146

9.146

        

waarvan garantieverplichtingen

0

1.860.000

0

0

0

0

0

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

0

1.860.000

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

1.693.064

1.444.305

692.928

586.678

586.146

552.146

255.146

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Garanties

18

20

20

20

20

20

20

Regeling Bijzondere Financiering

18

20

20

20

20

20

20

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

4.800

3.156

0

0

0

0

0

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

3.156

0

0

0

0

0

        

Leningen

0

1.000.000

0

0

0

0

0

Lening KLM

0

1.000.000

0

0

0

0

0

        

Opdrachten

96.275

6.129

10.908

4.658

4.126

4.126

4.126

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

94.373

4.129

3.908

4.658

4.126

4.126

4.126

Opstart Invest-NL

1.901

2.000

7.000

0

0

0

0

        

Vermogensverschaffing

1.484.396

330.000

577.000

477.000

477.000

443.000

146.000

Kapitaalinjectie TenneT

690.000

0

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie Invest-NL

50.000

330.000

330.000

330.000

330.000

297.000

0

Kapitaalinjectie Invest International

0

0

247.000

147.000

147.000

146.000

146.000

Verwerving vermogenstitels

744.396

0

0

0

0

0

0

        

Vermogensonttrekking

102.806

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

Afdrachten Staatsloterij

102.806

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

        

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

4.770

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Uitgaven NLFI

4.770

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

        

Ontvangsten

2.783.753

1.494.727

815.850

1.695.877

1.717.497

1.724.118

1.974.118

        

Garanties

4.819

9.156

18.000

24.000

36.000

48.000

20.000

Regeling Bijzondere Financiering

19

0

0

0

0

0

0

Premieontvangsten garantie TenneT

4.800

3.156

0

0

0

0

0

Premieontvangsten Garantie KLM

0

6.000

18.000

24.000

36.000

48.000

20.000

        

Leningen

0

16.227

58.350

62.377

66.997

71.618

71.618

Renteontvangsten lening KLM

0

16.227

58.350

62.377

66.997

71.618

71.618

        

Vermogensonttrekking

2.770.923

1.464.844

735.000

1.605.000

1.610.000

1.600.000

1.878.000

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

1.999.876

697.500

635.000

1.505.000

1.510.000

1.500.000

1.535.000

Afdrachten Staatsloterij

102.806

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

490.451

31.344

0

0

0

0

0

Winstafdracht DNB

177.790

636.000

0

0

0

0

243.000

waarvan: Griekse inkomsten SMP

47.000

25.000

0

0

0

0

3.000

waarvan: rente-inkomsten ESM

0

0

0

0

0

0

14.000

        

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

6.864

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

Ontvangsten NLFI

6.864

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

        

Opdrachten

1.148

0

0

0

0

0

0

Terug te vorderen kosten staatsdeelnemingen

1.148

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 3 zijn voor 100% juridisch verplicht.

Kapitaalinjectie Invest-NL en Invest International

De kapitaalinjecties voor Invest-NL en Invest International zijn voor 100% juridisch verplicht.

Afdrachten Staatsloterij

De reeks aan de uitgaven- en ontvangstenzijde van de begroting van artikel 3 is 100% juridisch verplicht op basis van de Wet op de Kansspelen (WOK).

NLFI

De bijdrage aan NLFI is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door de minister van Financiën goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. De begroting van NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze advieskosten worden ieder jaar geraamd op basis van de verwachte inhuur. De ontwikkelingen rondom COVID-19 kunnen zodanig zijn, dat deze verwachte inhuur volgend jaar bijgesteld moet worden.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Regeling Bijzondere Financiering (BF)

Het budget Regeling Bijzondere Financiering (BF) betreft een vergoeding voor het beheer door NIBC Bank van enkele resterende BF-dossiers.

Opdrachten

Dit budget is voornamelijk bestemd voor de inhuur van adviseurs ter ondersteuning in de diverse expertises die benodigd zijn voor het professioneel beheer van de staatsdeelnemingen. Daarnaast is er budget gereserveerd voor de opstartkosten van Invest-NL en Invest International.

Vermogensverschaffing

In 2019 is Invest-NL N.V. opgericht. Verspreid over enkele jaren ontvangt Invest-NL N.V. een kapitaalinjectie van € 1,7 mld. van de Staat. Hiervan valt € 330 mln. in 2021. In 2021 wordt tevens Invest International opgericht. Invest Internationaal ontvangt cummulatief een kapitaalinject van € 833 mln. verspreid over enkele jaren. Hiervan valt € 247 mln. 2021.

Vermogensonttrekking

Om te voldoen aan de wettelijke bepalingen in de Wet op de Kansspelen (WOK) dat alle afdrachten van de Staatsloterij aan de Staat toekomen, is structureel zowel bij uitgaven als ontvangsten een reeks opgenomen voor afdrachten Staatsloterij.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

NLFI is een rechtspersoon met een wettelijke taak. NLFI voert het staatsaandeelhouderschap uit voor de financiële instellingen die tijdelijk in beheer zijn. De kosten van NLFI worden grotendeels doorbelast aan de in beheer zijnde financiële instellingen. De netto-uitgaven aan NLFI om uitvoering te geven aan haar wettelijke taak zijn naar verwachting € 0,5 mln. over 2021 (€ 5,0 mln. uitgaven minus € 4,5 mln. ontvangsten).

Lening KLM + Garantie KLM

Naar aanleiding van COVID-19 heeft het kabinet besloten tot financiële steun aan KLM. Deze financiële steun is een combinatie van een garantie op een door banken aan KLM te verstrekken kredietfaciliteit en een door de staat aan KLM te verstrekken directe lening.

De garantieregeling beslaat de totale omvang van de private kredietverlening van € 2,4 miljard en garandeert maximaal 90% over dit bedrag. KLM betaalt aan de betreffende banken rente en betaalt aan de Nederlandse staat een premie voor de garantie. De garantiepremie wordt ontvangen gedurende de looptijd van de kredietverlening, waarbij de looptijd van de garantie is gemaximeerd op zes jaar.

De directe lening heeft een looptijd van vijfenhalf jaar en wordt in tranches verstrekt door de Nederlandse staat aan KLM. In totaal bedraagt de directe lening maximaal € 1,0 miljard.

Ontvangsten

Vermogensonttrekking

Deze post bestaat uit alle dividenden, winstafdrachten en verkoopopbrengsten die zien op zowel de reguliere deelnemingen zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen, Schiphol, Gasunie en DNB als de tijdelijke financiële deelnemingen (ABN AMRO, de Volksbank). Daarnaast staat op deze post een boekhoudkundige reeks voor de Afdrachten Staatsloterij (zie Uitgaven – Vermogensonttrekking).

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Zie: Uitgaven – Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s.

3.4 Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling. 

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Dit betreft voor een belangrijk deel ontwikkelingen in de lidstaten van de EU. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een direct effect op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel-economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de EU en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

De minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten. Ten behoeve van de bevordering van de financiële stabiliteit neemt de minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere de Ecofinraad en de Eurogroep) ter versterking van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de eurozone. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU in het kader van het Europees Semester.

Tevens heeft de minister van Financiën tijdens de onderhandelingen over het nieuwe MFK (2021-2027), waarover op 1 juli 2020 een akkoord is bereikt, het Nederlandse standpunt over de Euopese begroting geuit. Dit geldt ook voor alle coronamaatregelen die in Europees verband zijn opgericht (zie ook het overzicht coronamaatregelen onder Beleidsprioriteiten paragraaf 2.1). Verder neemt de minister van Financiën besluiten over het Nederlandse standpunt met betrekking tot toetreding van landen tot het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en invoering van de euro.

Internationale financiële instellingen (IFI’s), waaronder het IMF, de Wereldbank, de EBRD, de EIB en de AIIB, dragen in belangrijke mate bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling. Tevens vervullen de IFI’s een belangrijke rol bij het financieel-economisch beleidstoezicht, bevorderen zij de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden en vormen zij een financieel vangnet in het geval van een crisis. De minister houdt als aandeelhouder toezicht op deze IFI’s en hun financiële soliditeit en bestuur, met als doel deze instellingen gezond en sterk te houden. Hierbij bewaakt de minister ook de financiële belangen van de Nederlandse overheid en de Nederlandse burger. Ook ziet de minister toe op de effectiviteit van de internationale financiële architectuur, waarbij het cruciaal is dat IFI’s hun eigen rol hierbinnen uitvoeren en hun middelen effectief en efficiënt inzetten. In de tabel in onderdeel E wordt ter verduidelijking een overzicht gegeven van het Nederlandse aandeel in deze financiële instellingen.

Daarnaast levert de minister een bijdrage aan de internationale beleidsdiscussies en beleidsresponses bij internationale fora zoals de Ecofinraad, de Eurogroep, de G20, verschillende OESO-werkgroepen en commissies en discussies bij het IMF, de Wereldbank en andere IFI’s.

C. Beleidswijzigingen

EU/Eurozone

Garanties uit hoofde van het Europees Eigenmiddelenbesluit

Op 21 juli 2020 heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over de belangrijkste kenmerken van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de Europese Unie voor de periode 2021-2027, een herstelinstrument in reactie op de COVID-19-crisis (NGEU) en de financiering daarvan via een nieuw Eigenmiddelenbesluit (EMB). Zie ook het overzicht coronamaatregelen in paragraaf 2.1.

Met de toevoeging van NGEU is ook de verantwoording van de garanties voor de andere drie instrumenten (BoP, EFSM en SURE) opnieuw beoordeeld. Deze werden hiervoor op basis van de voor het instrument overeengekomen maximum gerapporteerd. Uit de beoordeling is gebleken dat het gepast is om de reeds gerapporteerde Nederlandse garantie op basis van de potentiële hoofdsom van de Unieschuld per instrument aan te vullen met een garantie voor de renteverplichtingen op deze Unieschuld. De lidstaten staan immers garant voor zowel de rente- als aflossingsverplichtingen van de Unie. De jaarlijkse rentelasten van BoP en het EFSM waren in het verleden voldoende laag om in de marges van de jaarlijkse EU-begrotingen in te kunnen passen, waardoor de kans erg laag was dat de marge onder het EMB daarvoor aangesproken zou worden. Met de oprichting van SURE en NGEU worden jaarlijkse rentelasten te hoog om dit zondermeer aan te nemen, waardoor de rentelasten nu dienen te worden meegenomen in het begroten van deze garanties.

Daarnaast zal de garantie voor het EFSM voortaan op basis van de daadwerkelijk uitstaande leningen aan lidstaten (en bijbehorende Unieschuld) worden gerapporteerd in plaats van op het ooit voor dit instrument overeengekomen maximum. Dit leidt tot een afschaling van de huidige garantie met 168 mln. euro. Deze wijziging wordt doorgevoerd omdat de kans op het gebruik van het EFSM voor nieuwe steunprogramma’s als zeer gering wordt beoordeeld, omdat voor niet-eurolanden reeds de betalingsbalansfaciliteit (BoP) bestaat en voor eurolanden het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM). Op deze manier geeft de begroting een realistischer beeld van het daadwerkelijke risico dat Nederland op deze garanties loopt. Deze rapportage op basis van daadwerkelijk verleende steun zal op den duur ook gaan gelden voor SURE en NGEU, omdat beide instrumenten tijdelijk zijn. Alleen voor de BoP zal een garantie gebaseerd op het potentiële maximale gebruik van dit instrument, worden vastgesteld.

Ten slotte is het Nederlandse aandeel in de garanties voor het BoP-instrument aangepast. Het Nederlandse aandeel wordt bepaald door het aandeel van het Nederlandse bni in het totale bni van de EU. Door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk (VK) is dit aandeel gewijzigd. Het VK staat echter via het terugtrekkingsakkoord nog garant voor de huidige uitstaande leningen onder het EFSM en BoP, waardoor het Nederlandse aandeel daarin bepaald blijft door het aandeel van het Nederlandse bni in het bni van de gehele EU plus het VK (momenteel 4,9%). Voor alle toekomstige leningen onder de BoP geldt dat het VK niet meer garant zal staan en het Nederlandse aandeel zal dan dus bepaald worden door het aandeel van het Nederlandse bni in het bni van de gehele EU (momenteel 5,8%). Aangezien de BoP wordt vastgesteld op de begroting op basis van het maximale gebruik van dit instrument, is het Nederlandse bni aandeel van 5,8% hierbij genomen. Dit leidt tot een mutatie van 1,3 mld. euro. Het Nederlandse aandeel in de gehele EU (momenteel 5,8%) is ook van toepassing op SURE en NGEU. Aanpassingen t.a.v. dit aandeel zullen op de standaard momenten (1e suppletoire en jaarverslag) tot mutaties leiden.

Meer details over deze garanties en de herziening van de verantwoording zijn ook te vinden onder het overzicht risicoregelingen, paragraaf 2.5. Voor de crisismaatregelen SURE en NGEU: zie daarnaast ook het overzicht coronamaatregelen, paragraaf 2.1.

Vijfjaarlijkse herziening Stabiliteits- en Groeipact

Over de vijfjaarlijkse herziening van de wetgeving van de Europese Begrotingsregels, het Stabiliteits- en Groeipact (SGP), zal ook naar alle waarschijnlijkheid in 2021 onderhandeld worden. Nederland is van mening dat houdbare overheidsfinanciën het hoofddoel van de begrotingsregels dienen te blijven en dat de handhaving van de regels verbetering behoeft. Onder paragraaf 2.1 beleidsprioriteiten wordt dit nader toegelicht.

Internationale Financiële Instellingen

IMF 15e quotaherziening

Al geruime tijd wordt er door de leden van het IMF, onder de zogenaamde 15e quotaherziening, gesproken over de financiële slagkracht van het IMF. Afgelopen oktober is in het International Monetary and Financial Committee (IMFC) geconcludeerd dat het mondiale financieel vangnet een goed geëquipeerd IMF nodig heeft dat over voldoende middelen beschikt.

Om de financiële slagkracht van het IMF te waarborgen is door het IMFC in het kader van de 15e quotaherziening besloten tot een verdubbeling van de New Arrangements to Borrow (NAB) en een verlenging van een deel van de bilaterale leningen (BBA) per 1 januari 2021. Nederland beschouwt het IMF als de belangrijkste instelling in het centrum van het mondiale financiële vangnet en heeft daarom ingestemd met het verzoek van het IMF tot verdubbeling van de NAB-middelen en het verstrekken van nieuwe tijdelijke bilaterale leningen. Gecombineerd zorgt de verdubbeling van NAB en verlenging van een deel van de BBAs voor een afname van de Nederlandse garantie aan het IMF van 2,03 miljard euro. Meer details hierover zijn ook te vinden onder het overzicht risicoregelingen, paragraaf 2.5.

De COVID-19 crisis onderstreept het belang van een goed geëquipeerd IMF met voldoende middelen om landen te ondersteunen. Als gevolg van de COVID-19- crisis kampen steeds meer lage-inkomenslanden en middeninkomenslanden sinds de crisis met kwetsbare schuldenposities. Deze omstandigheden maken het voor veel landen lastig om op korte termijn aan hun financieringsverplichtingen te voldoen. Dat heeft ertoe geleid dat meer dan honderd landen steunaanvragen voor financiering bij het IMF hebben ingediend sinds begin dit jaar.

IMF PRGT middelen

Als gevolg van de COVID-19 crisis is er acute behoefte aan financieringsmogelijkheden voor opkomende economieën en lage-inkomenslanden. Het IMF voorziet in deze behoefte door middel van het verstrekken van concessionele leningen via het Poverty Reduction and Growth Trust (PRGT). Nederland draagt EUR 620 mln. bij aan PRGT. Zie hiervoor ook het overzicht coronamaatregelen in paragraaf 2.1 en het overzicht risicoregelingen, paragraaf 2.5.

European Investment Bank (EIB)

De European Investment Bank (EIB) heeft een nieuw pan-Europees garantiefonds (EGF) opgericht om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen. Het fonds is een onderdeel van het pakket aan maatregelen dat op 9 april 2020 door de Eurogroep werd afgesproken. Door de oprichting van een garantiefonds van € 25 mld., waarvan het Nederlands aandeel € 1.301 mln. bedraagt, kan naar schatting tot maximaal € 200 mld. aan financiering voor het Europese bedrijfsleven worden gemobiliseerd. Zie hiervoor ook het overzicht coronamaatregelen in paragraaf 2.1. en het overzicht risicoregelingen, paragraaf 2.5.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 35 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 Internationale financiële betrekkingen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.628.249

39.476.168

‒ 2.082.075

29.739

900.500

1.818

1.818

waarvan betalingsverplichtingen

121.352

942.288

35.162

29.739

925.210

1.818

1.818

Rentecompensatie ESM

0

0

0

0

0

0

0

AIIB

3.399

0

0

0

0

0

0

Wereldbank

116.703

907.415

0

0

923.392

0

0

Teruggave winsten SMP/ANFA

0

33.010

33.300

27.920

0

0

0

Technische assistentie kiesgroeplanden

1.250

1.779

1.779

1.778

1.778

1.778

1.778

Overige betalingsverplichtingen

0

84

83

41

40

40

40

        

waarvan garantieverplichtingen

1.506.897

38.533.880

‒ 2.117.237

0

‒ 24.710

0

0

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

50.000

1.262.000

0

0

0

0

0

Garantie aan DNB inzake IMF

529.184

716.759

‒ 2.050.187

0

0

0

0

EFSM

60.000

‒ 168.418

0

0

0

0

0

AIIB

14.922

6.644

0

0

0

0

0

EIB

5.415

1.900.425

0

0

0

0

0

Wereldbank

862.876

49.030

0

0

0

0

0

ESM

‒ 15.500

‒ 6.200

‒ 67.050

0

‒ 24.710

0

0

SURE

0

6.071.150

0

0

0

0

0

EIB pan-Europees garantiefonds

0

1.301.381

0

0

0

0

0

NGEU

0

27.401.109

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

363.829

482.773

79.362

294.204

312.463

346.557

378.504

waarvan juridisch verplicht

  

99,8%

    
        

Garanties

0

260.276

0

0

0

0

0

EIB pan-Europees garantiefonds

0

260.276

0

0

0

0

0

        

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

362.506

187.708

44.283

264.506

310.685

344.779

376.726

Rentecompensatie ESM

0

0

0

0

0

0

0

AIIB

37.226

0

0

0

0

0

0

Wereldbank

325.280

187.624

44.200

264.465

310.645

344.739

376.686

Bijdrage kiesgroepkantoor IMF

0

84

83

41

40

40

40

        

Leningen

0

33.010

33.300

27.920

0

0

0

Teruggave winsten SMP/ANFA

0

33.010

33.300

27.920

0

0

0

        

Opdrachten

1.323

1.779

1.779

1.778

1.778

1.778

1.778

Technische assistentie kiesgroeplanden

1.323

1.779

1.779

1.778

1.778

1.778

1.778

        

Ontvangsten

6.828

45.349

136.298

166.536

173.041

172.649

190.447

        

Garanties

2.000

800

7.750

0

3.190

0

0

ESM

2.000

800

7.750

0

3.190

0

0

        

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

4.792

2.347

2.180

2.003

2.025

1.881

1.723

Ontvangsten IFI's

2.792

2.347

2.180

2.003

2.025

1.881

1.723

        

Leningen

2.036

42.202

126.368

164.533

167.826

170.768

188.724

Terugbetaling lening Griekenland

0

41.956

124.696

159.919

159.919

159.919

159.919

Renteontvangsten lening Griekenland

2.036

246

1.672

4.614

7.907

10.849

28.805

Budgetflexibiliteit

Het totaal aan juridisch verplichte uitgaven bedraagt 99,8% van het totaal aan uitgaven.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dit budget betreft de bijdragen aan de middelenaanvulling van de International Development Association (IDA, het financieringsloket van de Wereldbank voor de armste landen), IBRD (het bankonderdeel voor middeninkomenslanden), International Finance Corporation (IFC, de private sectortak van de Wereldbank). Al deze bijdragen zijn volledig juridisch verplicht.

Leningen

In de Eurogroep van juni 2018 is besloten om de teruggave van de inkomsten uit het Single Market Programme/Agreement on Net Financial Assets (SMP/ANFA) aan Griekenland te hervatten. De teruggave van de SMP/ANFA-gelden is onder de voorwaarde dat Griekenland afgesproken hervormingen implementeert en geen hervormingen terugdraait. De betalingen zijn daarmee juridisch verplicht, maar kunnen worden stopgezet als Griekenland zich niet aan de afspraken voor het post-programmaraamwerk houdt.

Opdrachten

Technische assistentie aan kiesgroep landen is in beginsel niet juridisch verplicht. Voor 2021 is voor € 1,5 mln. van de in totaal € 1,7 mln. aan technische assistentie reeds in verplichtingen vastgelegd.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Garanties

De European Investment Bank (EIB) heeft een nieuw pan-Europees garantiefonds (EGF) opgericht om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen. Het fonds is een onderdeel van het pakket aan maatregelen dat op 9 april 2020 door de Eurogroep werd afgesproken. De investeringen onder het garantiefonds zullen een hoog risicoprofiel hebben. Nederland acht het daarom waarschijnlijk dat de garantie ingeroepen zal worden. Het Nederlandse aandeel in de verwachte verliezen komt – op basis van het percentage verwachte verliezen van 20 procent, toegepast op het Nederlandse aandeel in de garantie van € 1,3 mld. – neer op € 260 mln. verdeeld over de looptijd van het fonds.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Met het oog op het Nederlandse belang om het ingelegd kapitaal van het ESM op peil te houden, zal Nederland het ESM compenseren voor de negatieve rente op het ESM deposito bij DNB. De door het ESM afgedragen depositorente wordt ontvangen op artikel 3 van de Financiënbegroting als onderdeel van de DNB-winstafdracht en vervolgens via artikel 4 doorgegeven aan het ESM. De constructie is hiermee budgetneutraal. Indien er geen winst wordt uitgekeerd door DNB, wordt er geen compensatie naar het ESM overgemaakt.

Nederland draagt via algemene bijdragen aan de Wereldbank bij aan ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel dat hiervan op de begroting van het ministerie van Financiën staat betreft IDA, het onderdeel van de Wereldbankgroep dat concessionele leningen – en in beperkte mate schenkingen – verstrekt aan de armste landen in de wereld. Elke drie jaar worden de middelen voor dit onderdeel van de Wereldbank aangevuld door donoren. De rest van de uitgaven aan de Wereldbank bestaan uit een aanvullende kapitaalinleg voor de bankonderdelen IBRD en IFC.

Leningen

In de Eurogroep van juni 2018 is besloten om de teruggave van de inkomsten uit het Single Market Programme/Agreement on Net Financial Assets (SMP/ANFA) aan Griekenland te hervatten. De teruggave van de SMP/ANFA-gelden is onder de voorwaarde dat Griekenland afgesproken hervormingen implementeert en geen hervormingen terugdraait. De betalingen zijn daarmee juridisch verplicht, maar kunnen worden stopgezet als Griekenland zich niet aan de afspraken voor het post-programmaraamwerk houdt.

Opdrachten

Voor de komende jaren zijn middelen gereserveerd voor technische assistentie aan landen in de Nederlandse IMF/Wereldbank/EBRD-kiesgroepen. De technische assistentie is er vooral op gericht om deze kiesgroeplanden te ondersteunen in hun financieel-economische beleid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse expertise.

Ontvangsten

Garanties

De Nederlandse staat ontvangt in 2020, 2021 en 2023 een deel van het ingelegde aandelenkapitaal terug van het ESM door het verlopen van de kortingsperiode van Malta, Slowakije en Estland. Nu de kortingsperiode van deze landen verstreken is, moeten Malta, Slowakije en Estland hun kapitaalinleg verhogen. Omdat het totale aandelenkapitaal voor het ESM vaststaat, betekent dit dat andere lidstaten een deel van het ingelegde aandelenkapitaal terugkrijgen. 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Er wordt een structurele reeks verwacht aan ontvangsten van IFI’s. Het gaat hierbij om terugbetalingen van leningen door de EIB en de Wereldbank.

Leningen

Onder het eerste leningenprogramma aan Griekenland, uit 2010, heeft Nederland bilaterale leningen verstrekt. In totaal heeft Nederland voor € 3,2 mld. aan leningen verstrekt. Griekenland betaalt hier per kwartaal rente over. De rente die Griekenland betaalt is de 3-maands Euribor-rente plus een opslag van 50 basispunten. Vanaf 2020 is Griekenland deze bilaterale leningen gaan aflossen.

Meetbare gegevens

De onderstaande tabel geeft een aantal kengetallen van internationale financiële fondsen en instellingen waarin Nederland deelneemt. Per fonds of instelling is de financiële binding weergeven. Hierbij wordt de omvang van de garantie en het gestorte kapitaal weergeven. Verder wordt door middel van verstrekte bedragen en de maximale capaciteit een financieel profiel gemaakt van het fonds of de instelling.

Tabel 36 Overzicht internationale financiële instellingen en fondsen (bedragen x € 1 mld.)
 

IFC1

MIGA2

IBRD3

EIB4

EIB - pan-Europees garantiefonds5

AIIB6

EBRD7

IMF8

ESM9

EFSF10

EFSM11

BoP12

SURE13

NGEU

Garantie/oproepbaar bedrag

n.v.t.

0,03

4,7

11,8

1,3

0,7

0,6

42,5

35,4

34,2

2,8

3,7

6,1

27,4

Deelneming in kapitaal

0,38

0,01

0,3

1,2

014

0,2

0,2

n.v.t.

4,6

015

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Deelneming in %

2,1

1,9

1,9

5,2

5,2

1,1

2,5

1,8

5,7

6,1

4,9

5,8

5,8

5,8

Financieel profiel instelling of fonds

            

Uitstaande bedragen

36,9

20,3

183,4

427,1

0

2,1

31,8

78,0

89,9

172,6

46,8

0,2

0

0

Toegezegd-niet uitgekeerd

16,8

n.v.t.

62,716

112,5

0

4,1

12,8

110,7

0

0

0

0

0

0

Totaal toegezegde bedragen

53,7

20,3

246,1

539,6

0

6,2

44,6

188,7

89,9

172,6

46,8

0,2

0

0

Totale uitleencapaciteit17

n.v.t.

n.v.t.

211,7

718.718

019

89,8

41,2

877,1

500

240

46,8

50

100

385,9

X Noot
1

Cijfers per 30-6-2019, wisselkoers per 2-3-2020. Bron: IFC Financial Statements Fiscal Year 2019.

X Noot
2

Cijfers per 30-6-2019, wisselkoers per 2-3-2020. Bron: MIGA Financial Statements Fiscal Year 2019.

X Noot
3

Cijfers per 30-6-2019, wisselkoers per 2-3-2020. Bron: IBRD Financial Statements Fiscal Year 2019.

X Noot
4

Cijfers deelneming/kapitaal per 1-3-2020. Bron: EIB Statuut van de EIB, Kamerbrief “Asymmetrische kapitaalverhoging Europese Investeringsbank en beantwoording kamervragen” van 5 februari 2019 en Kamerbrief “Kapitaalverhoging Europese Investeringsbank” van 31 augustus 2018. Cijfers financieel profiel per 31-12-2019. Bron: EIB Financial Statements Fiscal Year 2019.

X Noot
5

Cijfers per 30-7-2020. Bron: Kamerbrief “Vijfde incidentele suppletoire begroting Financiën 2020” van 12 juni 2020.

X Noot
6

Cijfers per 31-12-2018, wisselkoers per 1-3-2020. Bron: AIIB Financial Statements 2019.

X Noot
7

Cijfers per 31-12-2018. Bron: EBRD Financial Report 2018. Bij de EBRD worden ook equity investeringen meegenomen in de limiet.

X Noot
8

Cijfers deelneming per 30-7-2020. Bron: Kamerbrief “Vijfde incidentele suppletoire begroting Financiën 2020” van 12 juni 2020. Cijfers financieel profiel per 31-1-2020, wisselkoers per 1-3-2020. Bron: IMF Financial Statements, Quarter Ended 31 januari 2020.

X Noot
9

Cijfers per 6-8-2020. Bron: ESM website.

X Noot
10

Cijfers per 6-8-2020. Bron: EFSF website.

X Noot
11

Cijfers per 6-8-2020. Bron: website Europese Commissie.

X Noot
12

Cijfers per 6-8-2020. Bron: website Europese Commissie.

X Noot
13

Cijfers per 6-8-2020. Bron: website Europese Commissie.

X Noot
14

Op dit moment is er nog geen kapitaal ingelegd door NL. De verwachte netto verliezen van het fonds worden rond de 20% geschat, voor Nederland komt dit neer op 260 miljoen euro. Het is nog niet bekend hoe dit verspreid wordt over de looptijd van het fonds, vandaar dat er een uitgavenraming van 260 miljoen euro onder artikel 4 van de Financiënbegroting (IXB) in 2020 opgenomen.

X Noot
15

De kapitaaldeelneming van Nederland in het EFSF bedraagt 1,7 mln.

X Noot
16

Te gebruiken eigen vermogen vermenigvuldigd met het statutair bepaalde maximale ratio voor leningen ten opzichte van het eigen vermogenl (equity/loan ratio van 20%).

X Noot
17

Bedragen zijn indicatief en de exacte bedragen, rekenwijze en wat wordt meegenomen verschilt per IFI of fonds.

X Noot
18

Bij berekening van de totale leencapaciteit (leningen en garanties) voor de EIB wordt ervanuit gegaan dat de statutaire limiet voor de gearing ratio (250%) de beperkende factor is. De berekening is als volgt: (subscribed capital + reserves + niet-gealloceerde reserves + winst – equity investeringen) * 250%.

X Noot
19

Het EGF zal geen leningen uitgeven, maar garanties. Door middel van dit garantiefonds van 25 miljard euro zal in totaal tot 200 miljard euro aan financiering voor het Europese bedrijfsleven kunnen worden gemobiliseerd.

3.5 Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het verzekeren van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland die zonder deze verzekering niet tot stand zouden zijn gekomen, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit). 

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën heeft de rol van regisseur bij de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit). De Nederlandse staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. (ADSB) voert de ekv-faciliteit uit, in naam van en voor rekening en risico van de Staat. De minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder ADSB verzekeringen mag afgeven. De minister van Financiën is budgetverantwoordelijk, maar is samen met de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking verantwoordelijk voor het beleid op gebied van de ekv. Beide ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van deze exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de ‘Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën’ biedt de Nederlandse staat, in aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders binnenhalen die in het bijzonder op (middel)lange termijn gefinancierd worden.29

De ekv-faciliteit van de Nederlandse staat is aanvullend aan de markt. Dit betekent dat exporteurs aanspraak kunnen maken op de ekv-faciliteit als exportorders niet commercieel verzekerd kunnen worden. Zo kan de export, ook naar politiek en economisch ingewikkelde landen, toch doorgaan. Er is duidelijk vastgelegd welke risico’s (looptijd, omvang en landen) verzekerd kunnen worden op de private markt en dus voor welke risico’s de Nederlandse staat aanvullende zekerheid kan bieden. Daarnaast stelt de minister van Financiën voor alle verzekeringsproducten een risicokader vast. Hierin staan de randvoorwaarden voor het afgeven van een verzekering, waarmee de Staat vaststelt welke risico’s als verantwoord worden beschouwd.

Net als Nederland hebben veel andere landen in de wereld ook een ekv-faciliteit. Nederland zet zich internationaal in om afspraken te maken over exportondersteuning en om Nederlandse exporteurs en hun financiers onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren. Deze afspraken zijn vastgelegd in de ‘Arrangement’ en waarborgen een internationaal gelijk speelveld.30 Zo zijn er afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt. Er kan hierbij gedacht worden aan afspraken over de kostendekkendheid van de steun, minimumpremies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) heeft internationaal, maar ook nationaal de aandacht. De Nederlandse staat vervult bij het uitvoeren van de ekv een voorbeeldfunctie voor niet ekv-gedekte exporttransacties, er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid voor mvo binnen de ekv-aanvragen. Het Nederlandse beleid voor de toetsing van ekv-aanvragen op de milieu- en sociale-effecten, dat in een aantal opzichten strenger is dan de internationale richtlijnen op dit gebied, is vastgelegd in het zogeheten Beleidsdocument mvo.31 ADSB publiceert jaarlijks een duurzaamheidsverslag waarin de inspanningen en resultaten worden beschreven.

C. Beleidswijzigingen

Coronamaatregelen EKV

In 2021 zal er aandacht worden besteed aan het in kaart brengen van het effect van de genomen crisismaatregelen op gebied van de ekv. Het betreffen de op 26 maart aangekondigde verruiming exportkredieten om de handelsstromen op gang te houden en de herverzekering leverancierskredieten. Zie hiervoor ook het overzicht coronamaatregelen in paragraaf 2.1 en het overzicht risicoregelingen, paragraaf 2.5.

Zo zal er worden gekeken naar hoeveel handel er door de genomen crisismaatregelen heeft plaatsgevonden die zonder de maatregelen niet zou hebben plaatsgevonden, wat het effect is geweest van de corona-fasttrack op doorlooptijden van ekv-aanvragen en hoeveel schades de Staat vanwege de economische gevolgen van corona op het gebied van de ekv heeft moeten uitkeren. De genomen crisismaatregelen op gebied van de ekv zijn in ieder geval tot 31 december 2020 van kracht. In het najaar zal worden geëvalueerd of het nodig is om deze nog langer in stand te houden.

Vergroening

Net als in 2020 blijft ook in 2021 het vergoenen van de ekv-portefeuille een aandachtspunt. We zien inmiddels de eerste effecten van de maatregelen die de afgelopen tijd zijn genomen. Zo hebben met name een ruimer Nederlands content beleid voor evident groene projectfinanciering en een hogere dekkingsgraad voor groene projectfinanciering transacties voor een significante bijdrage gezorgd aan de vergroening van de ekv-portefeuille. Ook wordt flexibeler omgegaan met acceptatiecriteria voor kleine groene transacties. Op die manier wordt het Nederlandse bedrijfsleven gestimuleerd te vergroenen en kunnen kleine bedrijven die veelal innovatief zijn worden ondersteund in hun exportpotentieel.

Modernisering Arrangement

Daarnaast draagt het ministerie van Financiën actief bij aan internationale afspraken over publieke exportfinanciering. Hiermee zorgen we voor eerlijk internationaal speelveld en willen we voorkomen dat er een race naar de bodem ontstaat door het aanbieden van goedkope financiering. De internationale afspraken zijn sinds de jaren ’70 opgenomen in de Arrangement on official supported export credits. De financiële regels zijn echter inflexibel en steeds meer financiering valt buiten de scope van de Arrangement. Dit komt het internationaal speelveld voor onze exporteurs niet ten goede. In 2021 willen we een belangrijke stap zetten in het moderniseren van de Arrangement. Het ministerie van Financiën zal met gelijkgezinde landen voorstellen ontwikkelen en inbrengen in de internationale overleggen om de afspraken te moderniseren en flexibiliseren.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 37 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

4.761.921

22.166.278

10.088.378

10.088.378

10.088.378

10.088.378

10.088.378

waarvan betalingsverplichtingen

13.780

166.278

88.378

88.378

88.378

88.378

88.378

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.134

15.887

17.987

17.987

17.987

17.987

17.987

Uitvoeringskosten herverzekering leverancierskredieten

0

80.000

0

0

0

0

0

Storting begrotingsreserve EKV

0

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

Overige betalingsverplichtingen

1.646

147

147

147

147

147

147

        

waarvan garantieverplichtingen

4.748.141

22.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

Exportkredietverzekeringen

4.748.141

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

waarvan: aangegane garantieverplichtingen

4.748.141

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

waarvan: vervallen garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Herverzekering leverancierskredieten

0

12.000.000

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

198.506

1.253.178

580.378

150.378

150.378

150.378

150.378

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Opdrachten

12.178

96.034

18.134

18.134

18.134

18.134

18.134

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.134

15.887

17.987

17.987

17.987

17.987

17.987

Uitvoeringskosten herverzekering leverancierskredieten

0

80.000

0

0

0

0

0

Overige uitgaven

44

147

147

147

147

147

147

        

Garanties

186.328

1.086.900

492.000

62.000

62.000

62.000

62.000

Schade-uitkering EKV

184.726

136.900

142.000

62.000

62.000

62.000

62.000

Schade-uitkering herverzekering leverancierskred.

0

950.000

350.000

0

0

0

0

Schade-uitkering Seno-Gom

1.602

0

0

0

0

0

0

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

0

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

Storting begrotingsreserve EKV

0

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

        

Ontvangsten

166.594

514.898

434.914

108.163

108.262

106.450

106.450

        

Garanties

217.575

485.954

331.870

85.119

85.218

83.406

83.406

Premies EKV

63.159

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

Premies herverzekering leverancierskredieten

0

200.000

0

0

0

0

0

Schaderestituties EKV

154.416

25.710

161.626

14.875

14.974

13.162

13.162

Schaderestituties herverzekering leverancierskredieten

0

190.000

100.000

0

0

0

0

        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

‒ 50.981

28.944

103.044

23.044

23.044

23.044

23.044

Onttrekking begrotingsreserve EKV

‒ 50.981

28.944

103.044

23.044

23.044

23.044

23.044

Budgetflexibiliteit

Garanties

Deze uitgaven zijn 100% juridisch verplicht, aangezien deze voortvloeien uit afgesloten exportkredietverzekeringen. Indien de verzekerde risico’s zich materialiseren en aan alle verzekeringsvoorwaarden is voldaan, moet de Staat als verzekeraar tot uitkering overgaan.

Opdrachten

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met ADSB.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Opdrachten

ADSB is de uitvoerder van de ekv-faciliteit. ADSB ontvangt voor de werkzaamheden in het kader van de ekv-faciliteit jaarlijks een vergoeding op basis van een vergoedingsovereenkomst. De Staat neemt daarnaast de uitvoeringskosten van de particuliere kredietverzekeraars voor zijn rekening voor de duur van de uitvoering van de crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten.

Garanties

Voor de ekv-faciliteit is in de begroting een plafond van € 10 mld. opgenomen. Dit is het bedrag dat jaarlijks aan nieuwe verplichtingen kan worden aangegaan.

De garantie «herverzekering leverancierskredieten» betreft een nieuwe, tijdelijke garantie van de Staat als maatregel in de Coronacrisis om te voorkomen dat de kortlopende kredietverlening in de private verzekeringssector stilvalt. Deze garantie is in 2020 ter hoogte van € 12,0 miljard euro opgericht en staat los van het reguliere plafond van € 10 miljard voor exportkredietverzekeringen (zie het kopje Verplichtingen in bovenstaande tabel).

De ekv heeft zowel definitieve als voorlopige juridische verplichtingen in de portefeuille. Indien het voor een exporteur nog onzeker is of de opdracht wordt gegund, maar er voor een offerte wel al financiering geregeld moet zijn, kan een dekkingstoezegging worden afgegeven. Dit is nog geen polis, maar de dekkingstoezegging zal bij daadwerkelijke gunning van een opdracht worden omgezet naar een polis. Gemiddeld wordt ongeveer de helft van de dekkingstoezeggingen uiteindelijk een polis. Als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het risico sterk is verslechterd, is de Staat niet verplicht om een dekkingstoezegging in een polis om te zetten. Schade kan uitsluitend onder een polis worden uitgekeerd. Wanneer zich onder een ekv-polis schade voordoet, zal de Staat bij schade-uitkering doorgaans het betalingsschema van de debiteur volgen. Dit betekent dat het bedrag niet in een keer wordt uitgekeerd, maar gespreid over de resterende looptijd van de verzekering (doorgaans twee betalingen per jaar).

Op basis van een inschatting per sector welke afnemers ernstig, duidelijk of nauwelijks geraakt zijn als gevolg van de COVID-19 maatregelen, volgt op basis van een scenario analyse, een geraamde schade-uitkering voor de herverzekering leverancierskredieten. De raming is met grote onzekerheid omgeven, omdat het onmogelijk is in te schatten wat de impact van de crisis zal zijn op elk individueel bedrijf.

Naar aanleiding van het garantiekader voor risicoregelingen wordt voor de ekv een risicovoorziening opgebouwd. De risicovoorziening fungeert als een buffer om tegenvallers, zoals een grote schade, op te vangen; ontvangsten en uitgaven kunnen bij de ekv sterk over de tijd verspreid zijn.

Tot 2020 werden de toevoegingen aan en de onttrekkingen uit de begrotingsreserve ekv gesaldeerd begroot. Vanaf de eerste suppletoire begroting 2020 en verder worden de toevoegingen aan de begrotingsreserve als uitgaven weergegeven en de onttrekkingen uit de begrotingsreserve als ontvangsten. De raming van de toevoeging aan de begrotingsreserve is gelijk aan de raming van de premieontvangsten (€ 70,2 mln.). Het toevoegen van de premieontvangsten aan de begrotingsreserve is een uitgave voor de Financiënbegroting. De stand van de reserve was ultimo 2019 € 441 mln.

Tabel 38 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve ekv (bedragen x € 1 mln.)

Stand per 1/1/2020

Onttrekking 2020

Toevoeging 2020

Stand per 1/1/2021

Onttrekking 2021

Toevoeging 2021

Stand per 31/12/2021

441

‒ 29

+ 70

482

‒ 103

+ 70

449

Ontvangsten

Garanties

De ontvangsten bestaan uit premies en schaderestituties. De omvang van deze posten wordt beïnvloed door de hoeveelheid afgegeven exportkredietverzekeringen/leverancierskredieten en ontwikkelingen in de kredietwaardigheid van buitenlandse debiteuren/afnemers van leverancierskredieten.

Als er een ekv-polis wordt afgegeven is de verzekerde premie verschuldigd. De premie wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken systematiek. De in Arrangement-verband overeengekomen minimumpremies zijn van belang voor het voorkomen van concurrentieverstoring. De premies dienen het onderliggende risico te reflecteren en bij te dragen aan de kostendekkendheid van de faciliteit.De premieontvangsten van de kredietverzekeraars voor de herverzekering leverancierskredieten komen volledig ten gunste van de Staat.

Schaderestituties op de ekv kunnen uiteraard alleen ontstaan indien eerst uitgaven zijn gedaan in de vorm van schade-uitkeringen. De Club van Parijs is een belangrijk platform waar crediteurlanden informatie delen over betalingsachterstanden van overheden of overheidsbedrijven op publiek gedekte exportkredieten en bilaterale leningen. Deze coördinatie tussen landen verhoogt de schaderestituties van een publieke exportverzekeraar.De schaderestituties voor de herverzekering van de leverancierskredieten komen ten gunste van de Staat. De raming is met grote onzekerheid omgeven, omdat het onmogelijk is in te schatten wat de impact van de crisis zal zijn op elk individueel bedrijf.

Zoals toegelicht onder verplichtingen en uitgaven worden de toevoegingen aan en de onttrekkingen uit de begrotingsreserve van de ekv niet langer gesaldeerd begroot. De geraamde onttrekking uit de begrotingsreserve is gelijk aan de geraamde uitvoeringskosten van Atradius, schades die definitief worden afgeschreven en overige kosten (€ 20,2 mln.). Een onttrekking uit de begrotingsreserve is een ontvangst voor de Financiënbegroting.

Meetbare gegevens

Voor de ekv-faciliteit worden drie indicatoren gehanteerd om inzicht te krijgen in hoeverre de doelstelling wordt behaald. De eerste indicator, die in 2018 voor het eerst werd gebruikt, geeft inzicht in de directe en indirecte bijdrage van de ekv-faciliteit aan het Nederlandse bbp op basis van berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hiervoor wordt aangesloten bij de wijze waarop de doeltreffendheid van de faciliteit (tussen 2010 en 2014) is onderzocht in de beleidsdoorlichting van 2016. De streefwaarde is gebaseerd op historische realisaties.

De tweede indicator is de bedrijfseconomische resultaatbepaling (berb). De berb tracht aan te geven in welke mate de ekv-faciliteit voldoet aan de internationale afspraak om minimaal kostendekkend te zijn. Deze afspraak is gemaakt om te voorkomen dat er concurrentieverstoring kan plaatsvinden. De berb brengt in kaart in welke mate de inkomsten (premies en recuperaties) op de lange termijn de uitgaven (schades en uitvoeringskosten) dekken. Een positieve uitkomst duidt erop dat de faciliteit cumulatief gezien sinds 1999 kostendekkend is gebleken met inachtneming van nog te verwachten schades over de uitstaande risico’s.

De beleidsmatige inzet bij de exportkredietverzekering is erop gericht het aandeel in de portefeuille van transacties die een bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te laten groeien. In 2019 is een model ontwikkeld om te kunnen inventariseren welke transacties als groen gekwalificeerd kunnen worden. Dit model is gebaseerd op de richtlijnen van de International Finance Corporation (onderdeel van de Wereldbankgroep). Begin 2020 is dit model door externe deskundigen gevalideerd. Vanaf 2020 worden alle transacties geclassificeerd en zullen de uitkomsten worden gebruikt om te rapporteren over het aantal groene transacties in de portefeuille.

Tabel 39 Indicatoren
 

2016

2017

2018

2019

Streefwaarde 2020 t/m 2023

Bijdrage bbp in %

0,17%

0,12%

0,11%

n.n.b.

> 0,18%

Berb

€365 mln.

€478 mln.

€518 mln.

€ 555 mln. (voorlopig)

> €0

Nieuw aangegane donkergroene transacties

   

19% (pilot)

n.t.b.

3.6 Artikel 6 Btw-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en andere regionale openbare lichamen als bedoeld in de Wet op het Btw-compensatiefonds hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het Btw-compensatiefonds (BCF) is opgericht om btw weg te nemen als factor in de afweging van decentrale overheden tussen uitbesteden en inbesteden (uitvoering door de eigen organisatie). Decentrale overheden kunnen betaalde btw terugvragen bij het BCF. De betaalde btw moet daarvoor aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag er geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten en provincies btw kunnen terugvragen zijn: inzameling van huisvuil, onderhoud aan gebouwen, straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • het verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • het beheer van het BCF.

C. Beleidswijzigingen

Naar analogie van de normeringssystematiek(zie bijlage 11 van de miljoenennota voor een toelichting) is het accres van het BCF gedurende deze kabinetsperiode bevroren. Daarmee wordt het plafond enkel nog gewijzigd voor taakmutaties en niet voor loon-, prijs- en volumeontwikkelingen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 40 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

3.422.490

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

        

Uitgaven

3.422.490

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Bijdragen aan medeoverheden

3.422.490

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Bijdragen aan gemeenten

2.955.990

3.153.709

3.153.751

3.153.751

3.153.751

3.153.751

3.153.751

Bijdragen aan provincies

466.500

417.621

417.621

417.621

417.621

417.621

417.621

        

Ontvangsten

3.422.490

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Budgetflexibiliteit

De bijdrage van het Rijk ter compensatie van de door decentrale overheden betaalde btw is opgenomen in de Wet op het Btw-compensatiefonds. De wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het BCF. Het Rijk heeft geen invloed op de jaarlijkse uitgaven van het fonds. Met ingang van 2015 is het BCF geplafonneerd32. Dit plafond groeit jaarlijks mee met de uitkomst van de normeringssystematiek. Als er minder geclaimd wordt uit het fonds dan het plafond, dan wordt de ruimte onder het plafond gestort in het Gemeente- en Provinciefonds. Als er meer wordt geclaimd uit het fonds dan het plafond, dan wordt het bedrag boven het plafond teruggevorderd uit het Gemeente- en Provinciefonds. Hierdoor zijn het BCF en het Gemeente- en Provinciefonds communicerende vaten.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen en uitgaven (bijdragen aan medeoverheden)

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BCF dan provincies. Dit declaratiepatroon komt voort uit het feit dat alle gemeentelijke begrotingen tezamen groter zijn dan alle provinciale begrotingen tezamen. In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BCF. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, deze uitgaven komen vaak in aanmerking voor compensatie van btw.

De raming van de uitgaven uit het BCF voor het lopende jaar wordt geëxtrapoleerd voor de jaren daarna. Uitgangspunt voor de raming van het lopende jaar is de beschikking van het afgelopen jaar die in het lopende jaar wordt uitbetaald, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven.

Tabel 41 Geraamd plafond Btw-compensatiefonds (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Plafond

3.680.663

3.812.354

3.953.710

4.062.880

4.176.655

4.307.762

Grondslag

3.671.278

3.791.793

3.906.157

4.042.143

4.183.340

4.183.340

Waarvan overhevelingen i.v.m taakmutaties

7.633

3.273

6.211

6.204

6.204

6.204

Waarvan accres

1.752

17.288

41.342

14.533

‒ 12.889

118.218

Uitgaven

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Waarvan Gemeenten

3.153.709

3.153.751

3.153.751

3.153.751

3.153.751

3.153.751

Waarvan Provincies

417.621

417.621

417.621

417.621

417.621

417.621

Ruimte onder plafond

109.333

240.982

382.338

491.508

605.283

736.390

Waarvan Gemeenten

96.548

212.803

337.629

434.033

534.504

650.280

Waarvan Provincies

12.785

28.179

44.709

57.475

70.779

86.110

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controle- en toezichtsbeleid

Bij de uitvoering van de Wet op het Btw-compensatiefonds is een centrale rol toegekend aan de Belastingdienst. Dit vanwege de nauwe relatie tussen de heffing van de omzetbelasting op grond van de Wet op de omzetbelasting en de compensatie van de omzetbelasting op grond van het BCF. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het Btw-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Algemene wet betreffende rijksbelastingen. Dit betekent onder meer dat het toezicht op het BCF onderdeel uitmaakt van het reguliere toezicht bij gemeenten en provincies. Dit toezicht kan bestaan uit bedrijfsbezoeken waarbij de uitvoering van het BCF beoordeeld wordt, waarbij technische vragen rond het BCF besproken worden tot volledige boekenonderzoeken naar de BCF-claim.

De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaven voor het BCF is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte omzetbelasting. Dit betekent de mogelijkheid van controle achteraf gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte omzetbelasting (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Voornoemde handelswijze met betrekking tot het BCF betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar binnen het algemene beleid zich er op richt om in de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op welke aspecten het meest voor nadere toezichtsactiviteiten in aanmerking komen.

De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Hierbij maakt de Belastingdienst gebruik van de mogelijkheden die klantbehandeling in de actualiteit biedt. Een gemeente of provincie werkt daarbij zichtbaar aan het onderhouden en versterken van de fiscale beheersing, met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare belastingaangiften en opgaven voor het BCF. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid voor naleving van fiscale wet- en regelgeving nemen en zorg dragen voor volledige en juiste aangiften en opgaven. Daarbij krijgt de Belastingdienst zicht op hoe de gemeenten en provincies omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden voor een adequate beheersing daarvan, zijn ingevuld. De gemeenten en provincies beoordelen vervolgens zelf de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen. De resultaten daarvan delen zij met de Belastingdienst. Met deze informatie bepaalt de Belastingdienst in welke mate gesteund kan worden op de interne beheersing en in hoeverre aanvullende eigen werkzaamheden noodzakelijk zijn. Met de gemeenten en provincies kan voornoemde werkwijze in een convenant worden vastgelegd. Ongeacht het afsluiten van een convenant kan, indien daartoe aanleiding bestaat, een boekenonderzoek worden uitgevoerd. Dit kunnen volledige boekenonderzoeken zijn waarvan het BCF onderdeel uitmaakt of deelonderzoeken die specifiek zijn gericht op de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven BCF.

Meetbare gegevens

Tabel 42 Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Percentage gemeenten en provincies waarvan de mogelijkheid tot klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is

96%

95%

95%

95%

Toelichting

Binnen het segment Grote ondernemingen is er voor de grootste bedrijven sprake van individuele klantbehandeling, hieronder zijn alle gemeenten en provincies begrepen. Met individuele klantbehandeling wordt passende behandeling beoogd ter afdekking van de risico’s, gegeven de beschikbare capaciteit. Voor elke gemeente en provincie wordt beoordeeld of deze in aanmerking komt voor klantbehandeling in de actualiteit. Drie gedragscomponenten zijn daarbij bepalend: 1) de mate van transparantie, 2) de mate van fiscale beheersing en 3) de fiscale strategie. De analyse leidt tot een behandelstrategie en de vaststelling of een gemeente of provincie al dan niet voor klantbehandeling in de actualiteit in aanmerking komt. Mocht dit het geval zijn, dan wordt op directieniveau een gesprek gehouden en een aanvullende verkenning uitgevoerd. Het streven is om deze toets in 2021 voor 95% van alle gemeenten en provincies te hebben uitgevoerd .

3.7 Artikel 9 Douane

A. Algemene doelstelling

De Nederlandse Douane heeft op grond van het Douanewetboek van de Europese Unie (DWU) de opdracht om toezicht te houden op het internationale handelsverkeer van de Europese Unie. Op deze wijze draagt de Douane bij aan eerlijke en open handel, de uitvoering van de externe aspecten van de interne markt, van het gemeenschappelijk handelsbeleid en van ander gemeenschappelijk beleid van de Europese Unie dat verband houdt met de handel, en de algemene veiligheid van de toeleveringsketen.

In dit licht neemt Douane maatregelen die met name strekken tot:

  • 1. de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en haar lidstaten;

  • 2. de bescherming van de Europese Unie tegen oneerlijke en illegale handel en de ondersteuning van de legale handel;

  • 3. het garanderen van de veiligheid van de Europese Unie en haar ingezetenen en van de bescherming van het milieu, in voorkomend geval in nauwe samenwerking met andere autoriteiten; en

  • 4. het handhaven van een billijk evenwicht tussen de douanecontroles en de facilitering van de legale handel.

Op grond van Nederlandse wetgeving houdt de Douane toezicht op goederen waarop accijns- en verbruiksbelastingen geheven worden.

De opdracht van de Nederlandse Douane kan worden samengevat in de volgende ABC-doelstellingen: Afdracht, Beschermen, Concurrentie. De Douane draagt bij aan een solide financiering van de Europese en nationale overheid, aan een veilige samenleving en aan een sterke, aantrekkelijke en eerlijke interne markt waarmee de welvaart in de EU en in het bijzonder Nederland wordt bevorderd. Vrijwillige naleving van Europese en nationale wetgeving, risicogericht acteren en gedifferentieerd handhaven zijn hiervoor de basis.

De Douane zoekt ten behoeve van een goede uitvoering van haar opdracht uitdrukkelijk de samenwerking met andere overheidsorganisaties, bedrijfsleven en wetenschap.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën heeft een regisserende rol op het terrein van het Douanebeleid. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving inzake douaneformaliteiten en douanerechten. Dit is hoofdzakelijk Europese wet- en regelgeving. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving inzake binnenlandse accijnzen en verbruiksbelastingen.

De minister bevordert via de inzet van de Douane de naleving van wet- en regelgeving. Dit gebeurt door het leveren van passende en faciliterende dienstverlening door bijvoorbeeld zorg te dragen voor een goed werkend aangiftesysteem. Maar ook door processen juist en tijdig uit te voeren, door adequaat toezicht uit te oefenen en door naleving te stimuleren en waar nodig deze naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

De Douane voert nationaal taken uit voor de ministeries verenigd in het ‘Opdrachtgevers-Opdrachtnemerberaad Douane’ (OOD). In dit gremium spreken de beleidsdepartementen en Douane elkaar periodiek over de toezichts- en handhavingsinzet van de Douane op de uiteenlopende douanetaken. In de begroting van deze ministeries wordt het beleid waarvoor de betreffende minister verantwoordelijk is toegelicht.

Kwantitatieve doelstellingen

De algemene doelstelling van de Douane komt, langs de lijnen van de ABC-doelen, tot uiting in onderstaande meetbare gegevens. Daarnaast zijn de prestatie-indicatoren op bezwaar en klachten uit artikel 1 vanaf dit begrotingsjaar onder artikel 9 opgenomen, waarbij de gepresenteerde waarden betrekking hebben op de douaneprocessen.

Tabel 43 Prestatie-indicatoren Douane

Prestatie-indicator

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Juiste invoeraangiften

91

97

≥100

≥100

Uitvoering afspraken niet-fiscale taken

-1

-

≥95%

≥95%

Waardering bedrijfsleven

107,2

105,8

≥100

≥100

Afgehandelde bezwaren binnen de Awb-termijn

78%

89%

90-95%

≥90%

Afgehandelde klachten binnen de Awb-termijn

98%

98%

90-95%

≥95%

X Noot
1

Waarde 2018 en 2019 niet van toepassing omdat de indicator vanaf 2020 in werking is getreden.

Deze prestatie-indicatoren kunnen - net zoals in 2020 - beïnvloed worden door de wijzigingen in de aantallen aangiften en bijstellingen in het toezicht van de Douane als gevolg van mogelijke effecten van COVID-19. Ook kan de waardering van het bedrijfsleven anders uitvallen door de (tijdelijke) wijzigingen in de uitvoering vanwege het vooropstellen van de gezondheid van medewerkers.

Juiste invoeraangiften

De juistheid van de invoer aangifte is de belangrijkste graadmeter voor het vaststellen van de fiscale compliance. Een juiste invoeraangifte betekent dat de juiste afdracht van de bij invoer verschuldigde belastingen kan worden vastgesteld. Door nalevings-, toezichts- en handhavingsinterventies beïnvloedt de Douane de compliance, met als doel deze jaarlijks op een hoger peil te brengen. De prestatie-indicator Juiste invoeraangiften geeft weer hoe groot het aandeel juiste invoeraangiften is in het totaal aantal invoeraangiften.

Meer specifiek gaat het om de invoeraangiften die voldoen aan de wettelijke eisen voor een juiste aangifte en zijn ingediend in het aangiftesysteem van de Douane. Dit wordt uitgedrukt in een indexcijfer; het jaar 2016 geldt hierbij als indexjaar.

Uitvoering afspraken niet-fiscale taken

De B-doelstelling van de Douane, beschermen van de samenleving, betreft de uitvoering van de niet-fiscale taken die de Douane in opdracht van beleidsdepartementen kent. Deze opdrachtgevende beleidsdepartementen zijn de ministeries van Financiën, van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en Klimaat, van Infrastructuur en Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De realisatie van de jaarlijkse afspraken over de uitvoering van de douanetaken is onderwerp van gesprek in het eerder genoemde ‘Opdrachtgevers-Opdrachtnemerberaad Douane’ (OOD). De prestatie-indicator «Uitvoering afspraken niet-fiscale taken» is via dit beraad in overleg met betrokken partijen ontwikkeld en richt zich op de mate waarin de Douane de (periodieke) afspraken over deze douanetaken uitvoert. Deze indicator is over het jaar 2020 voor het eerst in werking getreden.

Waardering bedrijfsleven

De waardering bedrijfsleven is een indicator voor de doelstelling versterken van de concurrentiepositie (C-doelstelling). Voor het meten en verbeteren van de dienstverlening van de Douane aan het bedrijfsleven wordt het instrument Bewijs van Goede Dienst33 ingezet. Hierin zijn doelstellingen opgenomen die in samenspraak met het bedrijfsleven tot stand zijn gekomen en waaraan zowel de Douane als het bedrijfsleven grote waarde hecht. Met het bedrijfsleven worden ook afspraken gemaakt over verbeteracties rondom dienstverlening en toezichtslasten. De score op deze doelstellingen wordt jaarlijks gemeten. De waardering wordt als index opgenomen met als indexjaar 2015.

C. Beleidswijzigingen

De Douane staat de komende jaren voor diverse uitdagingen en aandachtsgebieden, zoals brexit, COVID-19, ondermijning, pensioengerelateerde personele uitstroom, integriteit en een sterke groei van het aantal aangiften. Dat laatste stelt ook eisen aan de bestendigheid van ICT.

Wat de uitkomst van de brexit-onderhandelingen over een toekomstig partnerschap tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie ook zal zijn, er gaan douaneformaliteiten gelden. De Douane heeft zich in de afgelopen jaren zo goed mogelijk voorbereid, maar dat neemt niet weg dat het een uitdaging zal zijn om de negatieve gevolgen voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk te beperken. De Douane heeft vanuit taken en specifieke expertise haar aandeel in de Rijksbrede en lokale inspanningen in de aanpak van ondermijning.

De uitbraak van het coronavirus (COVID-19) laat de grote impact van omgevingsontwikkelingen op het internationale handelsverkeer, de logistieke stromen en daarmee op de Douane zien. Het werkt door in de processen, organisatie en informatievoorziening van de Douane. Als gevolg van het kabinetsbeleid rond de COVID-19 in 2020 heeft de Douane haar uitvoering in 2020 in korte tijd bijgesteld, waarbij de gezondheid van medewerkers voorop is gezet. De reguliere douaneafhandeling werd gecontinueerd, toezicht en handhaving gaven prioriteit aan veiligheidsrisico’s (waar onder verdovende middelen) en fiscaliteit. De effecten van de econonomische ontwikkelingen werken naar verwachting door in 2021, wat ertoe kan leiden dat de prestatie-indicatoren ook in 2021 worden beïnvloed.

De Douane heeft in de komende jaren te maken met een grote uitstroom van medewerkers, onder andere als gevolg van pensionering, waardoor veel aandacht moet worden besteed aan het werven, selecteren, opleiden en begeleiden van nieuwe medewerkers. Daarnaast vraagt het beschermen van de organisatie en haar medewerkers tegen mogelijke integriteitsschendingen en ondermijningsactiviteiten de voortdurende aandacht van de Douane.

Verder heeft de organisatie te maken met de prognose van een sterke groei van het aantal aangiften onder andere door implementatie van EU wet- en regelgeving en door e-commerce. Dit betekent investeren in ICT om real-time verwerking van grote aantallen aangiften te kunnen doen en de informatiepositie ten behoeve van het toezicht te verbeteren.

Deze factoren stellen eisen aan de handhaving en de ICT van de Douane. De organisatie moet snel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen en op aanpassingen in EU en nationale wetgeving en continuïteit kunnen borgen. In onderdeel F, Douanebeleid en -strategie wordt hier nader op ingegaan.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

In de ontwerpbegroting IX 2020 werden in artikel 9 Douane budgettair enkel de apparaatsbudgetten (personele en materiële uitgaven en apparaatsontvangsten), programma-uitgaven en verplichtingen opgenomen die direct aan de Douane kunnen worden toegerekend. De overige indirecte uitgaven ten behoeve van de douaneprocessen, bijvoorbeeld voor huisvesting, worden gedaan door centrale dienstonderdelen binnen de Belastingdienst en werden derhalve voor de ontwerpbegroting IX 2020 opgenomen en toegelicht in artikel 1 Belastingen.

Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden deze uitgaven in artikel 9 Douane middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht. De toerekening vindt plaats voor alle dienstonderdelen van de Belastingdienst die uitgaven doen ten behoeve van de douaneprocessen, met uitzondering van het dienstonderdeel Informatievoorziening (IV). In paragraaf «E. Toelichting op de financiële instrumenten» staan deze uitgaven uitgesplitst naar te leveren diensten van de Belastingdienst.

Tabel 44 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 Douane (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

393.471

458.388

540.248

541.544

537.379

534.575

533.924

        

Uitgaven (1) + (2)

391.518

446.991

540.248

541.544

537.379

534.575

533.924

        

(1) Apparaatsuitgaven

366.896

416.809

437.863

439.707

435.542

432.738

432.087

        

Personeel

364.127

414.023

430.924

431.776

429.677

429.373

428.722

Eigen personeel

358.089

403.687

421.860

423.772

422.201

423.067

422.416

Inhuur externen

5.885

10.177

8.905

7.845

7.317

6.147

6.147

Overig personeel

153

159

159

159

159

159

159

        

Materieel

2.770

2.786

6.939

7.931

5.865

3.365

3.365

ICT

704

1.235

5.413

6.405

4.352

1.852

1.852

Bijdrage aan SSO's

0

1.524

1.500

1.500

1.487

1.487

1.487

Overig materieel

2.066

27

26

26

26

26

26

        

(2) Programma-uitgaven

24.622

30.182

102.385

101.837

101.837

101.837

101.837

waarvan juridisch verplicht

  

87,8%

    
        

Opdrachten

21.804

28.045

28.881

28.333

28.333

28.333

28.333

ICT opdrachten

1.059

3.831

3.840

3.840

3.840

3.840

3.840

Overige opdrachten

20.745

24.214

25.041

24.493

24.493

24.493

24.493

        

Bijdrage agentschappen

2.818

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

Bijdrage overige agentschappen

2.818

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

2.137

        

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

71.367

71.367

71.367

71.367

71.367

Toegerekende uitgaven van Belastingen

0

0

71.367

71.367

71.367

71.367

71.367

        

Ontvangsten

990

605

605

605

605

605

605

Apparaatontvangsten

990

605

605

605

605

605

605

Budgetflexibiliteit

Opdrachten

Via Europese samenwerking wordt gewerkt aan een DWU wat leidt tot aanpassing van de douaneprocessen. Voor de correcte toepassing van de douanewetgeving worden opdrachten gegeven om ICT-systemen aan te passen. In de Algemene Douanewet staan de toezichtstaken en bevoegdheden uitgewerkt. Voor de uitvoering van de Algemene Douanewet geeft Douane opdrachten voor de inkoop van Douane specifieke middelen, bijvoorbeeld speurhonden, detectiesystemen, werktuigen, meldkamervoorzieningen en laboratoria. De post Opdrachten is naar beste inschatting 50% juridisch verplicht. De verplichtingen worden met name aangegaan voor detectiesystemen.

Bijdrage agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan de Rijksrederij van Rijkswaterstaat en is 100% verplicht vanuit samenwerkingsovereenkomsten.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De toegerekende uitgaven aan Douane zijn voor 100% juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven

Apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor de Douane. De inhuur is onder het rijksbreed afgesproken maximum van 10%.

Materiële uitgaven

Dit betreft de materiële uitgaven van de Douane en omvat Douane specifieke diensten, middelen en communicatie. De standaarddiensten huisvesting en de toerusting van de ambtenaren van de Douane (telefoon, laptop, werkplek, mobiele devices, etc.) loopt via andere dienstonderdelen van de Belastingdienst en deze uitgaven worden verantwoord op artikel 1 Belastingen.

Programma-uitgaven

Opdrachten

Via Europese samenwerking wordt gewerkt aan een DWU wat leidt tot aanpassing van de douaneprocessen. Voor de correcte toepassing van de douanewetgeving worden opdrachten gegeven om ICT-systemen aan te passen. In de Algemene Douanewet staan de toezichtstaken en bevoegdheden uitgewerkt. Voor de uitvoering van de Algemene Douanewet geeft Douane opdrachten voor de inkoop van Douane specifieke middelen, bijvoorbeeld speurhonden, detectiesystemen, werktuigen, meldkamervoorzieningen en laboratoria.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan de Rijksrederij van Rijkswaterstaat en is 100% verplicht vanuit samenwerkingsovereenkomsten

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Een aantal dienstonderdelen van de Belastingdienst doet uitgaven ter ondersteuning van de douaneprocessen. Deze uitgaven worden van de begroting 2021 vanuit artikel 1 Belastingen toegerekend aan artikel 9 Douane en bestaan uit de volgende onderdelen. Hierbij wordt aangetekend dat het nog niet mogeijk is de ICT-uitgaven op te nemen. Dit omdat de activiteiten die de Belastingdient op het gebied van ICT voor Douane verricht erg vervlochten zijn met de ICT-activiteiten voor Toeslagen en de Belastingdienst.

Tabel 45 Toegerekende uitgaven tbv douaneprocessen (bedragen x 1.000)

Activiteit

  

Bedrag

Communicatieactiviteiten

 

€ 1.782

HRM-activiteiten

  

€ 5.687

Huisvesting en facilitaire zaken

 

€ 60.247

Team Handel en Team OLGA grote ondernemingen

€ 2.032

Gegevens- en betalingsverkeer

 

€ 261

Kanaal & Ketenregie en Kanaal Digitaal/ Webcare

€ 767

Internationale Fiscale Behandeling (IFB)

 

€ 589

IV

  

nnb

Totaal

  

€ 71.367

F. Douanebeleid en strategie

Context

Het speelveld waarin de Douane opereert is complex en veranderlijk. Digitalisering en globalisering van de handel, onder meer resulterend in een forse toename van e-commerce zendingen, en nieuwe technologieën zoals artificial intelligence zijn van invloed op (de organisatie van) het werk van de Douane en op de samenwerking met de stakeholders. Het bedrijfsleven verwacht dat de Douane digitalisering benut om haar processen en systemen zo in te richten dat ze optimaal bijdragen aan facilitering van de handel en vermindering van administratieve lasten.

Daarnaast moet Douane inspelen op een gestage stroom nieuwe of gewijzigde wetgeving vanuit Brussel. Ook de samenstelling van het personeelsbestand, met een relatief hoge gemiddelde leeftijd, leidt tot uitdagingen: de komende jaren moet een grote uitstroom vanwege pensionering worden opgevangen. De uitbraak van COVID-19 laat de (grote) impact van omgevings-ontwikkelingen op het internationale handelsverkeer, de logistieke stromen en daarmee op de Douane zien. Dit alles vormt de context van het douanebeleid en de strategie die de Douane voor de komende jaren uitzet.

Beleidskader

Onder handhaving wordt verstaan dienstverlening, toezicht en opsporing. Daarbij wordt rekening gehouden met een billijk evenwicht tussen de douanecontroles en de facilitering van de legale handel. Resulterend in zo min mogelijk oponthoud en lage administratieve lasten.

Douanebeleid

Het beleid van de Douane is compliancegericht, informatiegestuurd en risicogericht toezichthouden en gedifferentieerd handhaven.

Compliancegericht betekent dat veel aandacht wordt besteed aan het beïnvloeden van gedrag om de naleving van regels door bedrijven en burgers te bevorderen.

Informatiegestuurd en risicogericht betekent dat toezicht en handhaving worden uitgevoerd op basis van risicomodellen die gebaseerd zijn op analyse van informatie uit douaneprocessen over goederen, locaties, vervoersmodaliteiten, logistieke stromen, bedrijven, burgers etc. Het uitgangspunt is: hoe groter het risico, des te meer aandacht.

Een gedifferentieerde handhaving wil zeggen dat de activiteiten, van dienstverlening tot opsporing, elkaar aanvullen en aansluiten bij het risico. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met de aard van het bedrijf ‘achter’ de goederenstroom, de aangiften, (volgorde van) douaneprocedures en de locaties. Dat biedt de basis voor het handhavingsbeleid waarmee ingrepen in de logistieke ketens beperkt kunnen blijven tot het noodzakelijke.

Strategie Douane

De Douane heeft in het licht van de eerder genoemde ontwikkelingen een ambitie geformuleerd: ‘De Nederlandse Douane behoort tot de beste douanediensten ter wereld, die door slim te werken legale handel optimaal faciliteert, de samenleving adequaat beschermt, en douanerechten, accijnzen en andere belastingen volgens de wetgeving correct heft en int’. Deze ambitie wordt langs drie doelstellingen programmatisch opgepakt:

  • Eén professionele en integere Douane: De Douane wil een wendbare en integere organisatie zijn, met een evenwichtig personeelsbestand.

    Wendbaar wil zeggen dat de organisatie in staat is zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden. Integer houdt in dat douanepersoneel eerlijk en betrouwbaar is, en volledig ten dienste van de belangen van de Nederlandse en Europese samenleving opereert. Evenwichtig betekent dat het personeelsbestand een goede afspiegeling vormt van de maatschappij en daarmee ook een meer herkenbare overheid wordt, en dat de benodigde kennis en expertise aanwezig zijn bij medewerkers om de omslag naar een data-gedreven organisatie te maken. De Douane zet in op verdere uniformering van processen, ten behoeve van voorspelbaarheid en betrouwbaarheid voor bedrijfsleven en andere handhavingspartners. Ook draagt dit bij aan de verantwoording over de geïnde accijnzen en douanerechten.

    De klantbenadering is professioneel, en stoelt op eenvoud: bedrijven en burgers doen eenvoudig, digitaal zaken met de Douane, hebben eenvoudig inzicht in de relevante regelgeving en lopende transacties en kunnen aangiftes eenvoudig in één keer goed doen. De drempel voor klanten om compliant te zijn aan betreffende wet- en regelgeving, wordt hierdoor verlaagd.

  • Slimme handhaving, soepele logistiek: Om het toezicht effectief en efficiënt te houden, moeten mensen en middelen op een slimme en innovatieve manier worden ingezet. Daarom wordt ingezet op geavanceerd data-gedreven risicobeheer, met behulp van hoogstaande autodetectie en een actorgerichte aanpak. Afhankelijk van de betrouwbaarheid van de bedrijven (AEO en daarop aanvullend normenkader) is een andere controledruk, handhavingsmethodiek en -instrumentarium van toepassing.

    De aansturing en uitvoering van het beleid op het gebied van ondermijnende drugscriminaliteit wordt versterkt.

    Daarnaast doet de Douane al het mogelijke om wet- en regelgeving optimaal te beïnvloeden, door een gerichte interventiestrategie in EU- en andere internationale verbanden, waarmee aandacht wordt gevraagd voor de specifieke uitdagingen waar onze dienst en Nederland voor staan.

  • Data-gedreven organisatie: De Douane wil zich in de uitvoering van zijn werkprocessen in hoge mate laten leiden door data, en de informatie en kennis die daaruit kan worden afgeleid. Met het oog daarop wordt geïnvesteerd in versterking van datamanagement en toepassing van geavanceerde data-analyses.

    Het primaire doel is dat het management van de Douane permanent de beschikking heeft over actuele, betrouwbare en samenhangende sturingsinformatie voor voortgaande verbetering. Data worden eenduidig en consistent vastgelegd, vertaald in bruikbare inzichten, en veilig ter beschikking gesteld aan medewerkers voor de uitvoering van hun taken. De Douane wil zijn informatiepositie waar dat mag en kan, delen met andere overheidsorganisaties, ten behoeve van versterking van de integrale handhaving. Er wordt een platform ontwikkeld waarop overheidspartijen data eenduidig en veilig kunnen uitwisselen. Waar mogelijk wordt ook de uitwisseling met het bedrijfsleven optimaal gefaciliteerd. Daarmee kan de Douane zijn informatiepositie nog verder versterken, en andersom eigen data delen met derden.

Om deze doelen te kunnen verwezenlijken, zet de Douane in op modernisering van het IT-landschap door ontwikkeling van schaalbare en robuuste IT-voorzieningen.

3.8 Artikel 13 Toeslagen

A. Algemene doelstelling

Het uitvoeren van de toeslagregelingen voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die vallen onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

De doelstelling van de Awir is het bewerkstelligen van harmonisatie tussen inkomensafhankelijke regelingen, het bevorderen van klantvriendelijkheid en doelmatigheid door het instellen van één uitvoeringsloket, en het realiseren van een betere aansluiting van inkomensafhankelijke regelingen bij de draagkracht door het gebruik van het actuele inkomen. Dit betreft de huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag.

De uitvoering van Toeslagen is gericht op de toekenningszekerheid binnen de kaders van het huidige stelsel en het toepassen van de menselijke maat daarbij. Hierbij wordt er naar gestreefd dat de benodigde inspanning van de kant van de belanghebbende om de toeslagen te verkrijgen zo beperkt mogelijk is en het toegekende voorschot zoveel mogelijk overeenkomt met de definitief toe te kennen toeslag waardoor terugbetalingen tot een minimum worden beperkt. Verder wordt toezicht gehouden dat gericht is op het voorkomen of snel herstellen van fouten en is sprake van een zorgvuldige en doortastende aanpak van (het risico van) misbruik.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Beleid

De minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de inkomensafhankelijke regelingen. Daarbij gaat het om het te voeren beleid en het opstellen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de daarop gebaseerde regelgeving.

Uitvoering

De minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Toeslagen is belast met de uitvoering van de zorgtoeslag, de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Toeslagen streeft naar klantgerichte dienstverlening aan burgers, de rechtmatige toekenning van toeslagen en efficiënte uitvoering van processen.

C. Beleidswijzigingen

Belangrijk vertrekpunt bij de doorvoering van beleidswijzigingen voor Toeslagen is de positie van de opdrachtgevers, zijnde de beleidsdepartementen van SZW, BZK en VWS. In de begroting van deze ministeries wordt het beleid – waarvoor de desbetreffende minister verantwoordelijk is – toegelicht. Toeslagen gaat over de uitvoering van het beleid binnen de door opdrachtgevers gestelde kaders, niet over het beleid zelf.

Zoals onder meer geconstateerd door de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen hebben ouders die kinderopvangtoeslag ontvingen te maken gehad met een doorgeschoten aanpak van vermeende fouten in hun aanvragen. Daarnaast hebben deze en andere mensen die toeslagen ontvingen, geleden onder de harde kanten van de toeslagenregelgeving. Dat terwijl, zoals in het IBO Toeslagen deel 1 geconstateerd wordt, de gerichtheid en actualiteit34 van het huidige toeslagenstelsel als keerzijde heeft dat het stelsel voor burgers vaak niet begrijpelijk is en tot onzekerheid over hun financiële situatie leidt.

Het kabinet heeft aangegeven naar een stelsel te willen dat meer zekerheid en voorspelbaarheid biedt, waarbij problematische schulden zoveel mogelijk worden voorkomen en de overgang van uitkering naar flexibel werk makkelijker wordt. Tot het moment waarop dit gerealiseerd is, zijn veel mensen afhankelijk van de toeslagen die ze ontvangen. Gedurende deze periode zal waar mogelijk door aanpassing van de wet- en regelgeving meer menselijke maat in het huidige stelsel gebracht worden. Tegelijk ontwikkelt de uitvoering van Toeslagen zich zo dat voldaan wordt aan gerechtvaardigde maatschappelijke verwachtingen.

Vergroten van de menselijke maat in de regelgeving

Bij brief van 27 april 2020 heeft de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane, naar aanleiding van de uitgebrachte rapporten van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Toeslagen, de kabinetsinzet voor een herziening van het toeslagenstelsel uiteengezet. Op basis van het IBO trekt het kabinet de conclusie dat een ander stelsel noodzakelijk is. Vanwege de urgentie van de problematiek neemt het kabinet op korte termijn een aantal maatregelen die het huidige stelsel verbeteren. Allereerst wordt de bestaande hardheidsclausule uitgebreid. Er komt een drempel voor kleine terugvorderingen en nabetalingen. Voor de zorgtoeslag worden niet langer eisen gesteld aan de verzekerdheid van de partner en wordt niet langer uitgegaan van partnerschap met terugwerkende kracht. Verder worden maatregelen onderzocht om de praktische rechtsbescherming van toeslaggerechtigden te verbeteren en wettelijk te verankeren. Dit om de balans tussen Toeslagen en de burger te verbeteren en eerder in gesprek te gaan met de belanghebbende. Het doel hierbij is om zoveel mogelijk bezwaar en beroep achteraf te voorkomen en vroegtijdig in overleg te treden met de belanghebbende. Ook het invorderingsproces wordt grondig tegen het licht gehouden. In het invorderingsproces wordt een aantal maatregelen getroffen waardoor burgers minder hard worden geraakt, bijvoorbeeld door het breder toegankelijk maken van een persoonlijke betalingsregeling. Tevens onderzoekt het kabinet hoe het niet-gebruik verder kan worden tegengegaan. Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer, als onderdeel van het pakket Belastingplan 2021, een afzonderlijk wetsvoorstel met maatregelen ter verbetering van de uitvoerbaarheid van toeslagen.

Herstelorganisatie

In de brief van 27 februari35 is aangegeven dat een crisis- en herstelorganisatie van start is gegaan. Het doel van deze organisatie is om voor alle getroffen ouders een zorgvuldig en snel herstel uit te voeren en de crisis adequaat te bestrijden. De herstelorganisatie heeft vijf taken:

  • het informeren van de ouders via bijeenkomsten en persoonlijke dienstverlening op een open en transparante wijze;

  • het bevorderen van ondersteuning van ouders bij een mogelijke samenloop van problemen, bijvoorbeeld ten aanzien van de schuldsanering;

  • het inrichten van een mensgericht loket (digitaal, telefonisch en fysiek) waar ouders zich kunnen melden en terecht kunnen met hun vragen;

  • het opstellen van uitvoeringsregelingen en beleid om te komen tot compensatie of financiële vergoedingen aan ouders;

  • het zo snel mogelijk vaststellen en op de juiste manier uitkeren van compensatie of financiële vergoedingen.

De herstelorganisatie richt zich op de volgende groepen:

  • Ouders in de CAF11-zaak;

  • Ouders met een met de CAF11-zaak vergelijkbaar dossier;

  • Ouders die geraakt zijn door de hardheid van het stelsel;

  • Ouders met voorheen de kwalificatie ‘opzet/grove schuld’;

  • Burgers die hun dossier hebben opgevraagd.

De herstelorganisatie wordt bestuurd door een strategisch crisisteam, onder leiding van de secretaris-generaal van Financiën, en met ook deelname vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De crisisorganisatie laat zich adviseren door een bestuurlijke adviesraad. De adviesraad bestaat uit experts op het gebied van de kinderopvangtoeslag, zoals relevante brancheverenigingen en maatschappelijke organisaties, experts op (sociaal) juridisch vlak, en experts in crisismanagement. Daarnaast is er een apart ouderpanel en een apart kinderpanel om advies te geven vanuit het perspectief van gedupeerde ouders en kinderen. Op deze manier wordt het meest belangrijke perspectief – dat van betrokken ouders – op continue wijze geborgd in ontwerp en uitvoering.Door middel van de voortgangsrapportage wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en resultaten.

Programma verbetering dienstverlening

Voor 5,3 miljoen huishoudens met 8,8 miljoen burgers daarin betrokken verzorgt Toeslagen jaarlijks meer dan 7 miljoen toeslagen. Naast het oplossen van de problemen uit het verleden moet de uitvoering van de toeslagen verbeteren. De uitvoering wordt klantgerichter gemaakt, met een zo groot mogelijke toekenningszekerheid voor alle toeslaggerechtigden en een behandeling waarin de informatiehuishouding op orde is en alle relevante individuele omstandigheden gemotiveerd kunnen worden meegewogen. Het beleid draagt daaraan bij door vereenvoudigingen door te voeren die het voor burgers en voor de uitvoering begrijpelijker en overzichtelijker maken. Zo kan het aantal (hoge) terugvorderingen verder omlaag worden gebracht, en kan de toekenningszekerheid van het voorschot toenemen en zullen bij definitieve vaststelling de na- en terugbetalingen kleiner zijn.

Het merendeel van de toeslaggerechtigden weet zich goed bediend met het digitaal aanvragen en wijzigen en het geautomatiseerd berekenen en ontvangen van toeslagen. Dat blijkt onder meer uit de Fiscale Monitor 2019 en de IBO Toeslagen deel 1. Zij vragen hun toeslag aan via het Toeslagenportaal en geven daar ook wijzigingen door. Als feiten en omstandigheden daarom vragen moeten burgers kunnen rekenen op meer persoonlijke dienstverlening en maatwerk. Daarom wordt de dagelijkse dienstverlening door Toeslagen aan de burgers uitgebreid. Een concreet voorbeeld hiervan is de wijze waarop ouders voor de kinderopvangtoeslag worden ondersteund bij het actueel houden van hun gegevens. De kinderopvang-instellingen worden gevraagd maandelijks de afgenomen opvanguren in te sturen. Met deze informatie zullen ouders worden geattendeerd als er een aanwijzing is dat de toeslag moet worden bijgesteld. Deze attenderingen zullen via een app worden gestuurd. Deze app komt voor alle ouders ter beschikking. Hierin kunnen ook de gegevens van de toeslagen worden geraadpleegd en wijzigingen worden ingevoerd. Ook zullen ouders telefonisch worden benaderd met deze attenderingen.

Verbeteringen uitvoering kinderopvangtoeslag 

Een van de reeds eerder ingezette verbeteringen is het programma Verbetervoorstellen Kinderopvangtoeslag. SZW en Toeslagen hebben samen en in nauw contact met het maatschappelijke veld maatregelen ontwikkeld en gerealiseerd. Het streven is om over het toeslagjaar 2020 het aantal hoge terugvorderingen terug te brengen naar een derde ten opzichte van 2015. Na afloop van het definitief toekennen over het jaar 2020 in de jaren 2021 ‒ 2022 kunnen de resultaten beoordeeld worden. De tussentijds gemeten effecten laten een positieve ontwikkeling zien.

In 2020 is het gezamenlijke programma van SZW en Toeslagen overgegaan tot de fase van implementatie. De hoofdthema’s van het verbetertraject zijn: eerder signaleren, begeleiden van ouders met kans op een hoge terugvordering, verbeteren van de digitale dienstverlening en verkennen van aanpassing van regelgeving.

Eerder signaleren

De hoeksteen van het verbetertraject is de maatregel om alle kinderopvangorganisaties maandelijks actuele gegevens over de opvang aan Toeslagen te laten leveren. Met deze informatie worden ouders erop geattendeerd als er een aanwijzing is dat de toeslag moet worden bijgesteld. Zo kan de kans op hoge terugvorderingen worden verkleind. Waar blijkt dat ouders meer begeleiding nodig hebben in het goed aanvragen en aanpassen van de toeslag zal dit worden geboden. Deze persoonlijke benadering is eerst op kleine schaal uitgeprobeerd en daarna opengeschaald. Vanaf januari 2021 zullen de leveringen verplicht worden voor kinderopvangorganisaties.

Vanaf 2020 vindt de ook levering van gegevens door DUO, UWV en Inlichtingenbureau op maandelijkse basis plaats. Hierdoor kan Toeslagen over actuele gegevens beschikken over de doelgroepen waar een ruimer recht op toeslag is geregeld. Het risico is dan groter dat bij niet tijdige wijziging hoge terugvorderingen ontstaan. Het gaat om situaties van reintegratie, inburgeren en studeren. Bij afwijkingen van de bij Toeslagen bekende gegevens kan een notificatie naar de aanvrager worden gestuurd. De aanvrager kan vervolgens wijzigingen in de aanvraag doorgeven.

Begeleiden van ouders met een grote kans op terugvorderingen

In het Verbetertraject wordt ingezet op het (proactief) begeleiden van ouders met een grote kans op terugvorderingen. In 2020 wordt gewerkt aan het opstarten van deze begeleiding.

Verbeteren digitale dienstverlening

Door het verbeteren van de digitale dienstverlening wordt het aanvraag- en wijzigingsproces voor de kinderopvangtoeslag makkelijker voor ouders. Er zijn reeds wijzigingen doorgevoerd in het burgerportaal. Een eerste versie van de kinderopvangtoeslag-app is in het voorjaar van 2020 breed beschikbaar gesteld.

Verkenningen op gebied van wetgeving

In het traject zijn twee verkenningen uitgevoerd naar proportioneel vaststellen en 90%-bevoorschotting. In december 2019 heeft dit geresulteerd in een beleidsbesluit waarmee voortaan de kinderopvangtoeslag naar rato van de betaalde facturen kan worden toegekend in plaats van een volledige of geen toekenning. De wetsaanpassing wordt in het Belastingplan 2021 meegenomen. De resultaten van de verkenning van de 90%bevoorschotting zijn aangeboden en meegenomen in het onderzoek IBO Toeslagen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Dit artikel betreft op budgettair gebied voor de begroting 2021 enkel de apparaatsbudgetten (personele en materiële uitgaven en apparaatsontvangsten), programma-uitgaven en verplichtingen die direct aan het dienstonderdeel Toeslagen kunnen worden toegerekend. Overige indirecte uitgaven die betrekking hebben op de Toeslagen, bijvoorbeeld voor huisvesting en ICT, worden gedaan door andere dienstonderdelen binnen de Belastingdienst en blijven derhalve voor de begroting 2021 vermeld op artikel 1 Belastingen. In de groeiparagraaf van de leeswijzer van deze begroting worden de ambities op budgettair gebied toegelicht voor de komende begrotingen.

Tabel 46 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 Toeslagen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

0

118.125

124.556

113.875

107.069

106.569

        

Uitgaven (1) + (2)

0

0

118.125

124.556

113.875

107.069

106.569

        

(1) Apparaatsuitgaven

0

0

118.000

124.431

113.750

106.944

106.444

        

Personeel

0

0

115.040

120.664

113.150

106.344

106.344

Eigen personeel

0

0

84.402

101.378

94.762

97.239

97.239

Inhuur externen

0

0

30.638

19.286

18.388

9.105

9.105

        

Materieel

0

0

2.960

3.767

600

600

100

Overige materiële uitgaven

0

0

2.960

3.767

600

600

100

        

(2) Programma-uitgaven

0

0

125

125

125

125

125

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

0

0

100

100

100

100

100

Overige bijdrage ZBO's/RWT's

0

0

100

100

100

100

100

        

Opdrachten

0

0

25

25

25

25

25

ICT opdrachten

0

0

25

25

25

25

25

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De programma uitgaven betreffen bestuurlijke afspraken met en detacheringen aan de Sociale Verzekeringsbank en daarnaast contacten voor mobile devices. De uitgaven zijn 100% verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor het dienstonderdeel Toeslagen inclusief herstelorganistie.

Materiële uitgaven

Dit betreft de materiële uitgaven van het dienstonderdeel Toeslagen inclusief herstelorganisatie en omvat middelen voor voorlichting, trainingen, ondersteuning voor het herstel Kinderopvangtoeslagen en middelen voor de klankbordgroep.

F. Toeslagen

Toeslagen is belast met de uitvoering van de zorgtoeslag, de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Toeslagen streeft naar klantgerichte dienstverlening aan burgers, de rechtmatige toekenning van toeslagen en efficiënte uitvoering van processen.

Toeslagen streeft – binnen de mogelijkheden van wet- en regelgeving – naar het vergroten van zekerheid voor mensen die toeslagen ontvangen: het toegekende voorschot komt zoveel mogelijk overeen met wat de definitief toe te kennen toeslag zal zijn. Nabetalingen en vooral (grote) terugvorderingen worden zoveel mogelijk voorkomen. Dienstverlening en toezicht zijn erop gericht burgers te helpen een juiste aanvraag in te dienen en (veelgemaakte) fouten te voorkomen. Door het intensiever opvragen en gebruiken van gegevens van derden zorgt Toeslagen ervoor dat het voorschot zoveel mogelijk overeenkomt met wat de definitief vast te stellen toeslag zal zijn. Mensen die dat nodig hebben krijgen maatwerk aangeboden, bijvoorbeeld als er complexe problemen zijn in de rechten en plichten, burgers onvoldoende doenvermogen en/of digitale vaardigheden hebben, of als dit nodig is voor de brede aanpak van schuldenproblematiek. De ontwikkeling van de kennis, de houding en het gedrag van medewerkers die nodig zijn voor deze benadering gaat in 2021 onverminderd door.

Toeslagen voert zijn werk als uitvoerder van de toeslagenregelingen uit op het raakvlak van beleid en maatschappij. Kennis die vanuit de uitvoering verkregen wordt over de gevolgen van beleid en van wet- en regelgeving voor (groepen van) burgers, brengt Toeslagen in in de beleidscyclus. De beleidsfunctie en andere belanghebbenden worden op voet van gelijkwaardigheid betrokken in de dilemma’s en keuzes waarvoor de uitvoerende functie zich geplaatst ziet. Het burgerperspectief is één van de vaste gezichtspunten van de uitvoeringstoetsen waaruit voorgenomen wijzigingen van beleid, wet- en regelgeving door Toeslagen beoordeeld worden.

Naast het optimaliseren van toekenningszekerheid en meer ruimte voor maatwerk en menselijke maat in de dienstverlening en uitvoering wordt ook handhaving op adequaat niveau geborgd. Proactief toezicht dat gericht is op voorkomen of snel herstel van fouten heeft een belangrijke dienstverlenende functie. Dit moet worden geflankeerd door zorgvuldige en doortastende aanpak van (het risico van) misbruik. Fraude met toeslaggelden komt voor in drie verschijningsvormen (fenomenen): misbruik van gegevens, zowel individueel als in georganiseerd verband, uit het Landelijk Register Kinderopvangcentra en Peuterspeelzalen (LRKP), samenspanningsfraude en fraude verbonden aan adressen. De focus bij de aanpak van fraude met toeslagen ligt bij die gevallen waarbij sprake is van het in georganiseerd verband samenspannen van aanvragers en facilitators die daarbij misbruik maken van LRKP-gegevens. Bij deze fenomenen is vaak sprake van het verstrekken van valse stukken. In samenhang met ons toezicht wordt in deze situaties het strafrecht ingezet.

Tabel 47 Prestatie-indicatoren uitvoering toeslagen (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2018

Waarde 2019

Streefwaarde 2020

Streefwaarde 2021

Toekenningszekerheid en tijdigheid van de uitvoering

Het percentage definitief toegekende toeslagen dat niet leidt tot een terug te betalen bedrag > € 500

93,3%

95,1%

>91%

>91%

Definitief vaststellen toeslagen (voortgang jaar t-1)

89,2%

87,8%

85%

≥85%

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

94,2%

91,7%

90 ‒ 95%

>90%

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

98,6%

97,9%

90 ‒ 95%

>95%

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald

99,95%

99,83%

99,9%

99.9%

Aantal ernstige productieverstoringen

7

5

Minder verstoringen dan vorig jaar

Minder verstoringen dan vorig jaar

     

Beleving van burgers

Informeren

-

-

-

n.n.b.

Adequate behandeling

-

-

-

n.n.b.

Gemak

-

-

-

n.n.b.

Corrigerend optreden

-

-

-

n.n.b.

Klanttevredenheid1

telefonie

website

balie

75,3 %

79,2 %

81,8 %

75,2 %

84,6 %

82,3 %

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

Klantontevredenheid2

telefonie

website

balie

9,6 %

5,6 %

5,9 %

8,3 %

2,6 %

6,3 %

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

Aantal ontvangen klachten

2.876

3.206

Minder klachten dan vorig jaar

Minder klachten dan vorig jaar

     

Rechtmatigheid

Rechtmatige toekenning van toeslagen

Gerealiseerd

Gerealiseerd

Fouten en onzekerheden blijven binnen rapporteringstolerantie op artikelniveau

Fouten en onzekerheden blijven binnen rapporteringstolerantie op artikelniveau3

X Noot
1

X Noot
2

X Noot
3

Toelichting per indicator

Toekenningszekerheid en tijdigheid van de uitvoering

Terug te betalen bedragen zoveel mogelijk beperkenToeslagen streeft ernaar het ontstaan van door de burger terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen van toeslagen zoveel mogelijk te beperken. Als kwantitatieve indicator wordt gebruikt: het percentage van het totale aantal definitief toegekende toeslagen waarbij niet terugbetaald hoeft te worden of het terug te betalen bedrag onder € 500 blijft. Voor kinderopvangtoeslag wordt een grens van € 1.000 aangehouden, omdat het bij de toekenningen veelal gaat om hogere bedragen dan bij andere toeslagen. De verstrekking van toeslagen gebeurt aan de hand van voorschotten, hetgeen ertoe kan leiden dat bij de eindberekening na afloop van het jaar nog een aanvullend bedrag moet worden uitgekeerd of dat een deel van het uitgekeerde bedrag moet worden teruggevraagd. De intentie is het aantal terug te betalen bedragen groter dan het normbedrag terug te dringen. De score op deze indicator wordt hoger naarmate aanvragers tijdig mutaties en juiste schattingen doorgeven. De Belastingdienst ondersteunt burgers hierbij. Waar mogelijk worden burgers actief erop geattendeerd dat inkomens of andere grondslagen (gaan) afwijken van die welke tot dan zijn gebruikt. Hierdoor verbetert de compliance. Als het mogelijk is wordt aanpassing van gegevens door de Belastingdienst zelf verzorgd. Een voorbeeld van de ondersteuning bij het tijdig doorgeven van mutaties is de app voor de ontvangers van kinderopvangtoeslag, waarin zij over het doen van wijzigingen genotificeerd worden en gemakkelijk en snel wijzigingen kunnen doorgeven.

De resultaten in het begrotingsjaar kunnen worden beïnvloed gedurende de periode van voorlopige toekenningen, dat wil zeggen door toezichtacties of signaleringen naar burgers in het daaraan voorafgaande jaar.

Definitief vaststellen toeslagenDoel van de prestatie-indicator is dat 85% van de toeslaggerechtigden vóór 31 december van het jaar t+1 de definitieve toekenning krijgt van het toeslagjaar t. De reden waarom de resterende 15% niet volledig definitief toegekend kan worden in t+1 is dat een deel van inkomens- of andere gegevens nog niet bekend zijn.

Afgehandelde bezwaren en klachten binnen Awb-termijnBurgers die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen daartegen bezwaar maken. Als prestatie-indicatoren worden de resultaten van de door Toeslagen behandelde bezwaren en klachten tegen de definitieve toekenningen gebruikt.

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaaldDeze indicator heeft betrekking op het laatste deel van de toeslagenketen: de uitbetaling op een afgegeven beschikking. Van tijdige uitbetaling is sprake als het voorschot voor de komende maand op de 20e van de voorafgaande maand op de rekening van de toeslaggerechtigde is bijgeschreven.

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (damages)Deze indicator meet in welke mate er sprake is van ernstige productieverstoringen binnen Toeslagen welke leiden tot overlast, benadeling of onjuiste informatievoorziening aan burgers en/of bedrijven. Van een productieverstoring is ook sprake wanneer er schade optreedt in de kasstroom van het Rijk of als er afbreuk wordt gedaan aan de compliance. De doelstelling is om het aantal «damages» in 2021 te verminderen t.o.v. 2020. Bij de realisatie van de indicator wordt de impact (aantal geraakte burgers en/of bedrijven) en de ernst van de overlast in ogenschouw genomen.

Beleving van burgers

Burgers geven aan dat Toeslagen hen voldoende informeertDeze nieuwe indicator stelt vast in hoeverre burgers ervaren dat ze door Toeslagen voldoende geïnformeerd worden. Voldoende geïnformeerd betekent dat ze weten wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen.

Burgers geven aan dat ze adequate behandeling hebben ervarenDeze nieuwe indicator geeft de mate aan waarin burgers zich adequaat behandeld voelen op basis van onderzoek naar subjectieve beleving. Om de ervaring van burgers vanaf 2021 inzichtelijk te maken, wordt in 2020 een meetinstrument ontwikkeld.

Burgers geven aan dat zij gemak ervarenDeze nieuwe indicator geeft aan de mate waarin burgers gemak ervaren op basis van onderzoek naar subjectieve beleving.

Burgers en bedrijven geven aan dat zij corrigerend optreden ervarenDeze nieuwe indicator geeft weer in welke mate men ervaart dat Toeslagen corrigerend optreedt.

Klanttevredenheid De indicator klanttevredenheid meet direct na de dienstverlening hoe de persoonlijke insteek ten aanzien van telefoon, website en balie is beleefd door burgers. Deze meting vindt plaats door burgers te bevragen op zowel aspecten die bijdragen aan de klanttevredenheid als op de ervaren klanttevredenheid zelf. De klanttevredenheid voor het kanaal telefonie wordt voor toeslagen afzonderlijk gemeten; de klanttevredenheidcijfers voor de kanalen website en balie geven de scores weer die in totaliteit voor de Belastingdienst-website en -balies worden gemeten

Aantal ontvangen klachtenHet aantal door Toeslagen ontvangen klachten geeft een indicatie van het zorgvulding handelen van Toeslagen in het hele traject waaronder aanvraag, voorschotverlening, muteren, toezicht, definitief toekennen en bezwaarbehandeling. Toeslagen streeft ernaar het aantal ontvangen klachten van burgers jaar op jaar te verminderen.

Rechtmatigheid

Rechtmatige toekenning van toeslagenToeslagen streeft naar een rechtmatige toekenning van toeslagen. Voor het rapporteren van fouten en onzekerheden gelden kwantitatieve rapportagegrenzen op artikelniveau die jaarlijks in de Rijksbegrotingvoorschriften worden vastgelegd. Door een snelle rechtmatige toekenning wordt de toekenningszekerheid vergroot en neemt het vertrouwen in Toeslagen toe en zullen burgers meer geneigd zijn hun verplichtingen na te komen. Om de rechtmatigheid van toeslagen te bevorderen wordt onder andere aandacht besteed aan de kwaliteit van bestanden van derden die worden gebruikt. Bij toeslagen die worden vastgesteld na handmatige behandeling door medewerkers wordt de kwaliteit van de behandeling getoetst.

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 8 Apparaat kerndepartement

A. Apparaatsuitgaven kerndepartement/Tabel Budgettaire gevolgen

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het ministerie van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1), de Douane (zie artikel 9) en Toeslagen (zie artikel 13). Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor personeel (inclusief inhuur externen) en materieel (zoals huisvesting en ICT) voor het kerndepartement.

Tabel 48 Budgettaire gevolgen artikel 8 Apparaat kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

266.444

291.740

283.512

280.172

276.068

276.995

277.125

        

Uitgaven

254.814

291.740

283.512

280.172

276.068

276.995

277.125

        

Personeel kerndepartement

176.463

202.294

195.659

194.774

191.309

192.121

192.121

Eigen Personeel

162.910

193.781

187.433

187.048

183.583

184.395

184.395

Inhuur Externen

12.989

7.990

7.703

7.203

7.203

7.203

7.203

Overig personeel

564

523

523

523

523

523

523

        

Materieel kerndepartement

78.351

89.446

87.853

85.398

84.759

84.874

85.004

ICT

9.891

16.328

13.951

12.451

12.451

12.552

12.552

Bijdrage aan SSO's

42.956

42.944

43.146

43.171

42.481

42.481

42.611

Overig materieel

25.504

30.174

30.756

29.776

29.827

29.841

29.841

        

Ontvangsten

53.560

52.693

51.837

51.837

51.837

51.837

51.837

Uitgaven (en verplichtingen)

Personeel kerndepartement

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement.

Materieel kerndepartement

Dit betreft de materiële uitgaven van het kerndepartement en omvat onder andere zaken zoals bijdragen aan Shared Services Organisaties (SSO’s), ICT en facilitaire diensten.

De ICT uitgaven betreffen onder andere de aanschaf, beheer- en onderhoudskosten van hardware, software en programmatuur. Net als uitgaven voor de aanleg, het beheer en onderhoud van infrastructuur en de bijdragen voor de aan externe partijen uitbestede ICT-dienstverlening. De structurele uitgaven, zoals onderhoud en licenties, zijn overgedragen aan het Shared Service Center-ICT (SSC-ICT).

De bijdrage aan Shared Service Organisaties betreft onder andere huisvesting (Rijksvastgoedbedrijf), uitgaven afname facilitaire voorzieningen bij het Consortium SAFIRE (een pps-consortium voor het faciliteren van het gebouw), ICT, het Financieel Diensten Centrum, bedrijfszorg en beveiliging.

Onder overig materieel vallen onder andere het omslagstelsel Rijkswagenpark, Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en diverse facilitaire uitgaven.

Ontvangsten

Deze post betreft voornamelijk ontvangsten vanuit DRZ en de Auditdienst Rijk (ADR). Tevens zijn er ontvangsten van departementen voor het omslagstelsel Rijkswagenpark en voor de verhuur van interne huisvesting.

B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven ministerie van Financiën

Onderstaande tabel geeft de totale apparaatsuitgaven voor het ministerie van Financiën weer. Dit betreft de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement, de Belastingdienst, de Douane en de ZBO’s en RWT’s.

Voor de Waarderingskamer, de AFM en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat. Met ingang van 2015 is de overheidsbijdrage voor het financieel toezicht in Nederland afgeschaft, conform kabinetsbesluit. De AFM en DNB ontvangen hier dus geen overheidsbijdrage meer voor. Ze ontvangen wel nog een bijdrage voor enkele specifieke werkzaamheden, zoals toezicht op de BES-eilanden.

Tabel 49 Totale apparaatsuitgaven ministerie van Financiën (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatsuitgaven ministerie van Financiën

3.162.357

3.553.973

3.491.293

3.427.010

3.357.761

3.328.669

3.285.806

Totaal departement

3.153.146

3.544.481

3.481.591

3.417.315

3.348.049

3.318.957

3.276.094

Kerndepartement

254.814

291.740

283.512

280.172

276.068

276.995

277.125

Belastingdienst

2.531.436

2.835.932

2.642.216

2.573.005

2.522.689

2.502.280

2.460.438

Douane

366.896

416.809

437.863

439.707

435.542

432.738

432.087

Toeslagen

n.v.t.

n.v.t.

118.000

124.431

113.750

106.944

106.444

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

9.211

9.492

9.702

9.695

9.712

9.712

9.712

Waarderingskamer

2.011

1.987

1.987

1.987

1.987

1.987

1.987

AFM

450

505

705

705

705

705

705

DNB

1.980

2.000

2.010

2.003

2.020

2.020

2.020

NLFI

4.770

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

C. Apparaatsuitgaven kerndepartement per directoraat-generaal

In onderstaande tabel worden de apparaatsuitgaven van het kerndepartement per directoraat-generaal (DG) uitgesplitst. De apparaatsuitgaven van het directoraat-generaal Belastingdienst wordt verantwoord op artikel 1 Belastingen, artikel 9 Douane en artikel 13 Toeslagen.

Tabel 50 Apparaatsuitgaven kerndepartement per DG (bedragen x € 1.000)
 

2021

Totaal kerndepartement

283.512

Generale Thesaurie

25.613

DG Rijksbegroting

28.402

SG/pSG-cluster

208.350

DG Fiscale Zaken

21.147

4.2 Artikel 10 Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 51 Budgettaire gevolgen artikel 10 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

134.102

264.052

226.230

114.971

102.438

84.446

        

Uitgaven

0

129.172

264.094

217.379

114.971

102.438

84.446

        

Nog te verdelen

0

129.172

264.094

217.379

114.971

102.438

84.446

Loonbijstelling

0

7.879

3.103

10.229

5.441

5.169

4.977

Prijsbijstelling

0

13.395

9.713

10.237

9.836

7.138

7.104

Programma onvoorzien

0

104.226

216.756

137.288

44.911

30.126

28.267

Apparaat onvoorzien

0

3.672

34.522

59.625

54.783

60.005

44.098

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Vanuit dit artikel wordt de bij eerste suppletoire begroting 2020 toegekende loon- en prijsbijstelling naar de beleids- en apparaatsartikelen overgeboekt. Bij Voorjaarsnota 2020 heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld voor de compensatie van ouders en het herstellen van toeslagen en voor de transitie en structurele versterking van de Belastingdienst, Toeslagen, Douane en het Kerndepartement. Een deel van deze middelen staat gereserveerd op artikel 10 Nog onverdeeld. Voorts staan op dit artikel middelen gereserveerd voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen. Dit artikel is tevens bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen binnen de begroting van Financiën op te vangen.

5. Beleidsartikelen (Nationale Schuld)

5.1 Artikel 11 Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke kosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 201636. Het Agentschap van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën is namens de minister van Financiën verantwoordelijk voor de financiering van de staatsschuld.

De doelstelling van artikel 11 sluit aan bij de internationaal geaccepteerde uitgangspunten voor schuldmanagement, zoals verwoord door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank in de ‘Revised Guidelines for Public Debt Management’37. Voor de uitvoering van de schuldfinanciering wordt steeds voor meerdere jaren een beleidskader vastgesteld dat is gebaseerd op twee belangrijke pijlers: het financieringsbeleid en het renterisicokader.

Het financieringsbeleid dient er vooral toe het (her)financieringsrisico en het liquiditeitsrisico te beheersen en mitigeren. Het bestaat uit de regels en randvoorwaarden die het Agentschap hanteert bij het gebruik van financiële instrumenten voor het financieren van de staatsschuld. Zo valt niet alleen de keuze voor de schuldinstrumenten en de looptijd hieronder, maar bijvoorbeeld ook de communicatie naar investeerders. Drie kernwaarden staan centraal in het financieringsbeleid: consistentie, transparantie en liquiditeit. Binnen de kernwaarden probeert het Agentschap zo flexibel mogelijk te zijn bij de uitgifte van nieuwe leningen, om bijvoorbeeld veranderingen in de financieringsbehoefte gedurende het jaar op te kunnen vangen.

Het renterisicokader heeft als belangrijkste doel het beheersen van het renterisico; het risico dat de rentelasten op de staatsschuld stijgen door veranderingen in de rente. Gemiddeld genomen geldt dat hoe langer de looptijd van een lening, hoe lager het risico voor de begroting. Immers, bij gemiddeld langere financiering is het gedeelte van de staatsschuld dat jaarlijks opnieuw gefinancierd moet worden, en waarvoor dus de rente opnieuw moet worden vastgesteld, lager. Hierdoor werken tegenvallende renteontwikkelingen minder snel door in de rentelasten. Echter, hoe langer de looptijd van een financieringsinstrument, hoe hoger over het algemeen de rentekosten zijn. Er zal daarom steeds een optimale afweging gezocht moeten worden tussen kosten en risico.

Naast bovengenoemde risico’s en kernwaarden houdt het Agentschap bij het opstellen van het beleidskader verder nog rekening met onder andere valutarisico, kredietrisico (tegenpartijrisico) en operationele risico’s.

Voor de nadere invulling van de schuldfinanciering wordt op basis van het beleidskader jaarlijks in december het financieringsplan gepubliceerd, in de zogeheten Outlook38. Daarin wordt aangegeven wat in het komende kalenderjaar de verwachte financieringsomvang is en hoe het Agentschap de schuldfinanciering zal uitvoeren. De omvang van de kapitaalmarktfinanciering ligt dan (binnen een bepaalde bandbreedte) voor een jaar vast. In 2020 was hier een uitzondering op vanwege corona, waarbij een update van het financieringsplan is gestuurd. Schommelingen in de financieringsbehoefte worden vervolgens opgevangen op de geldmarkt. Deze werkwijze maakt de schuldfinanciering consistent en transparant en draagt daarmee bij aan het betrouwbare imago van de Nederlandse staat op de financiële markten.

Prestatie-indicatoren en kengetallen

Het beleidskader voor de periode 2020-2025 kent twee indicatoren: de gemiddelde looptijd van de schuld- en swapportefeuille en het renterisicobedrag (RRB). Zoals eerder toegelicht, zegt de looptijd iets over de afruil tussen kosten en risico op de langere termijn. Het RRB is het deel van de schuld- en swapportefeuille waarover binnen 12 maanden de rente opnieuw vastgesteld moet worden, uitgedrukt als percentage van de schuld. Het RRB zegt daarmee iets over het renterisico op de korte termijn.

Voor de periode 2020-2025 zal worden ingezet op een gemiddelde looptijd van de schuld- en swapportefeuille, van 6,6 jaar (eindstand 2019) richting de 8 jaar (eind 2025) met een bandbreedte tussen de 6,0 en 8,0 jaar. De grens voor het renterisicobedrag (RRB) is in het nieuwe beleidskader verhoogd van 18% naar 30%.

Tabel 52 Kengetallen risico staatsschuldfinanciering 2019-2025
 

2019

2020-2025

Gemiddelde looptijd staatsschuld (streefwaarden in jaren)

6,4

6,0-8,0

RRB (max.)

18%

30%

C. Beleidswijzigingen

Voor de komende vijf jaar (2020 tot en met 2025) is een nieuw beleidskader ingesteld. In 2025 zal het kader door middel van een beleidsdoorlichting voor het gehele artikel 11 integraal worden geëvalueerd. Daarnaast zal het Agentschap minimaal tweejaarlijks een interne evaluatie uitvoeren. Dit biedt de kans om met beleidskeuzes sneller en flexibeler te kunnen inspelen op ontwikkelingen in de markt (bijvoorbeeld ten aanzien van rente, ECB-beleid, liquiditeit) en om economische en budgettaire ontwikkelingen en vooruitzichten sneller tot uitdrukking te laten komen in het beleidskader voor de financiering van de staatsschuld. Op die manier wordt bereikt dat steeds op basis van de dan geldende omstandigheden wordt bezien of bijstelling van het beleidskader gewenst is, zonder van tevoren een precieze reactiefunctie vast te leggen. Hiermee wordt ook voldoende flexibiliteit gecreëerd, waarvan het belang benadrukt is in de beleidsdoorlichting.

De verlenging van de gemiddelde looptijd richting de 8 jaar zal geleidelijk plaatsvinden, waarbij de looptijd kan fluctueren binnen een bandbreedte van 6 tot 8 jaar. Dit geeft het Agentschap de ruimte om die uitgiftekeuzes te maken die passen bij de voorkeuren van de markt en in het belang zijn van een efficiënte financiering van de staatsschuld, zonder dat daarbij op grote schaal renteswaps moeten worden ingezet. Dit is in lijn met de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting van 2019. In het financieringsplan dat het Agentschap jaarlijks publiceert in december, zal steeds een indicatie worden gegeven van de uit te geven leningen voor het komende kalenderjaar.

In het nieuwe beleidskader is de grens voor het RRB verhoogd van 18% naar 30%. Het RRB zal in de komende periode tijdelijk oplopen als gevolg van de samenstelling van de huidige renteswapportefeuille. Een deel van de renteswaps waarop een vaste rente betaald wordt, loopt in de komende jaren ten einde waardoor naar verhouding meer variabele rente betaald moet worden en het korte termijn renterisico toeneemt. In beginsel betekent dit dat rentebewegingen (negatief én positief) een grotere impact kunnen hebben op de overheidsfinanciën dan onder het huidige beleidskader. Kanttekening hierbij is dat de rentelasten op derivaten, waaronder renteswaps, niet relevant zijn voor het EMU-saldo. Wel zal een eventuele tegenvaller of meevaller op de swapportefeuille van invloed zijn op het niveau van de EMU-schuld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 53 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 Financiering staatsschuld (bedragen x € 1 mln)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

40.638

34.883

20.926

34.645

34.446

33.071

17.389

        

Uitgaven

40.638

34.883

20.926

34.645

34.446

33.071

17.389

waarvan juridisch verplicht

  

99,92%

    
        

Opdrachten

16

16

16

16

16

16

16

Overige kosten

16

16

16

16

16

16

16

        

Rente

5.646

5.013

4.366

3.916

2.727

2.338

2.130

Rente vaste schuld

5.622

5.013

4.366

3.916

2.727

2.338

2.130

Voortijdige beëindiging schuld

23

0

0

0

0

0

0

Rente derivaten kort

1

0

0

0

0

0

0

        

Leningen

34.976

29.854

16.544

30.713

31.703

30.717

15.243

Aflossing vaste schuld

30.053

29.854

16.544

30.713

31.703

30.717

15.243

Mutatie vlottende schuld

4.923

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

22.299

98.171

56.731

62.024

62.544

56.946

38.474

        

Rente

1.241

1.424

2.045

2.076

1.606

1.189

1.013

Rente vlottende schuld

146

315

634

630

586

519

437

Rente derivaten lang

1.095

1.109

1.411

1.446

1.020

670

576

        

Leningen

21.058

96.747

54.686

59.948

60.938

55.757

37.461

Uitgifte vaste schuld

21.058

40.000

54.686

59.948

60.938

55.757

37.461

Mutatie vlottende schuld

0

56.747

0

0

0

0

0

X Noot
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Budgetflexibiliteit

De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de algemene doelstelling bestaan uit renteontvangsten en -betalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld is de budgetflexibiliteit voor dit artikel zeer gering. De uitgaven zijn voor 99,92% als juridisch verplicht aan te merken. Enkele overige kosten (€ 16,3 mln.), zoals advieskosten en drukkosten, zijn niet juridisch verplicht.

Aangezien de (betalings)verplichtingen van de aangegane staatsschuld voortvloeien uit beleids- en bedrijfsvoeringsuitgaven die ten laste van andere begrotingen komen, heeft een verplichtingenbenadering (als begrotingsstelsel) voor de begroting van Nationale Schuld noch uit het oogpunt van budgettaire beheersing, noch uit het oogpunt van budgetrecht meerwaarde ten opzichte van het kasstelsel. Om die reden is in de Comptabiliteitswet 2016 bepaald dat voor de uitgaven ten laste van de begroting van Nationale Schuld de verplichtingen in een jaar gelijk gesteld mogen worden aan de uitgaven in dat jaar.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven en ontvangsten

Rente

Rentelasten en -baten vaste schuld

Onder vaste schuld wordt schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar verstaan. De vaste schuld bestaat voornamelijk uit Nederlandse staatsleningen (Dutch State Loans, DSL’s), waarvoor de rentekosten voor een groot deel vastliggen. Deze rentekosten zijn grotendeels het gevolg van de tekortontwikkeling en schuldopbouw uit het verleden, en van de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Rentelasten en -baten vlottende schuld

Onder vlottende schuld wordt schuld verstaan met een oorspronkelijke looptijd korter dan één jaar. Deze schuld bestaat voor het grootste deel uit schatkistpapier met een looptijd van 3 tot 6 maanden (Dutch Treasury Certificates, DTC’s) en Commercial Paper39 (CP) meestal met een looptijd tussen een week en drie maanden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om tijdelijk overtollige middelen als gevolg van een positief kassaldo uit te zetten op de geldmarkt. Enkele jaren terug, bij positieve rentestanden, werd op de kortlopende leningen rente betaald, en op de uitgezette middelen rente ontvangen. Echter, door de negatieve rente op de geldmarkt is het nu andersom. Om die reden wordt de raming van de rente vlottende schuld voor de jaren 2020-2025 gesaldeerd weergegeven bij de rentebaten. Verder vallen ook de rentebaten over de overgenomen leningen aan ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) onder deze rubriek.

Uitgaven en ontvangsten voortijdige beëindiging schuld

Uit cashmanagementoverwegingen kunnen DSL’s ingekocht worden. Op die manier kunnen grote pieken in de aflossingen worden verkleind en kunnen aflosmomenten worden gekozen die beter aansluiten bij het kasbeheer. Het gaat hier alleen om DSL’s die op het moment van inkoop in de komende 24-maands periode afgelost zouden worden. Het verschil tussen het nominale bedrag dat wordt ingekocht en het bedrag dat daarvoor wordt betaald, wordt tot de rentelasten of rentebaten gerekend. Voortijdige beëindigingen zijn niet EMU-saldorelevant, omdat zij als een financiële transactie worden beschouwd.

Uitgaven en ontvangsten derivaten lang

Binnen het renterisicokader is een streefwaarde gedefinieerd voor de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille en een maximale waarde voor het RRB. Rentederivaten worden gebruikt om op deze waarden bij te sturen. Op deze derivaten wordt zowel rente ontvangen als betaald. Wanneer er per saldo rente betaald respectievelijk ontvangen wordt, wordt dit tot de rentelasten respectievelijk rentebaten derivaten gerekend. In 2021 zijn voor de renteswaps rentebaten voorzien. Deze rentebaten tellen sinds de overgang naar nieuwe Europese boekhoudregels in september 2014 niet meer mee in de bepaling van het EMU-saldo. Zij hebben wel effect op de EMU-schuld.

Uitgaven en ontvangsten derivaten kort

De Staat geeft kortlopend schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Op basis van evaluaties is bepaald dat het optimaal is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief. Daartoe worden Eonia-swaps afgesloten. Eonia is de afkorting van Euro Overnight Index Average. Eonia is het eendaags interbancaire rentetarief voor het eurogebied. Ook hier geldt dat het saldo van de rentebaten en -lasten wordt weergegeven.

Uitgaven en ontvangsten voortijdige beëindiging derivaten

Uit overwegingen van risicomanagement kan besloten worden om renteswaps met een positieve marktwaarde voortijdig te beëindigen. Bij het voortijdig beëindigen van een renteswap met positieve marktwaarde wordt de netto contante waarde van alle toekomstige rentestromen in één keer ontvangen. Deze rentestromen tellen sinds de overgang naar nieuwe Europese boekhoudregels in september 2014 niet meer mee in de bepaling van het EMU-saldo. Zij hebben wel effect op de EMU-schuld. De opbrengsten uit voortijdige beëindiging van swaps worden niet geraamd omdat van tevoren niet bekend is in welke mate van dit instrument gebruik wordt gemaakt.

Leningen

Aflossing vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt. Daarnaast kan vanuit cashmanagementoverwegingen besloten worden DSL’s deels vervroegd af te lossen.

Uitgifte vaste schuld en mutatie geldmarkt

De raming van de uitgifte van vaste schuld is gebaseerd op de jaarlijkse financieringsbehoefte. De financieringsbehoefte bestaat uit de omvang van de af te lossen vaste schuld, de uitstaande schuld op de geldmarkt van het jaar ervoor en de raming voor het kassaldo van de rijksoverheid. Voor toekomstige jaren wordt verondersteld dat de uitstaande schuld op de geldmarkt gelijk blijft en het resterende deel van de financieringsbehoefte op de kapitaalmarkt wordt gedekt door de uitgifte van DSL’s. In deze veronderstelling muteert de geldmarkt niet, maar blijft gelijk. De verwachte verhouding tussen financiering op de geldmarkt en financiering op de kapitaalmarkt wordt jaarlijks bekend gemaakt bij de publicatie van het financieringsplan staatsschuld in december.

Opdrachten

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten voor de Primary Dealers. De Nederlandse staat maakt gebruik van een stelsel van momenteel 13 banken (de Primary Dealers en Single Market Specialist) voor de distributie en promotie van Nederlandse staatsleningen. De Primary Dealers verplichten zich onder andere om DSL’s af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen behoren ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten op de secundaire markt en het quoteren van prijzen voor DSL’s en DTC’s.

5.2 Artikel 12 Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is te zorgen voor een doelmatig en risicoarm kasbeheer van het Rijk en de deelnemers aan het schatkistbankieren en een reductie van de EMU-schuld. De wettelijke basis is geregeld in de Comptabiliteitswet 201640, nader uitgewerkt in de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen41 (voor RWT’s), de Wet financiering decentrale overheden42 (voor decentrale overheden), de Wet financiering sociale verzekeringen43 en de Zorgverzekeringswet44 (voor sociale fondsen) en de Regeling Agentschappen45 (voor agentschappen).

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van het Rijk.

Bij schatkistbankieren heeft de minister van Financiën een beleidsmatige en uitvoerende rol. De uitvoering van het schatkistbankieren is belegd bij het Agentschap van de Generale Thesaurie. Schatkistbankieren houdt in dat deelnemers hun middelen aanhouden bij het ministerie van Financiën (de schatkist) en niet langer bij private partijen buiten de schatkist. Publieke middelen verlaten de schatkist niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Door het samenbrengen van de financieringsbehoefte en de overtollige middelen binnen de collectieve sector wordt de balans van de overheid zo kort mogelijk gehouden. Onder voorwaarden kunnen sommige categorieën deelnemers binnen het schatkistbankieren ook leningen krijgen.

Het betalingsverkeer van het Rijk wordt door commerciële banken uitgevoerd. Periodiek wordt hiertoe het betalingsverkeer, dat verdeeld is over vier percelen, aanbesteed. Het ministerie van Financiën coördineert deze aanbestedingen. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. In 2021 zal perceel C (buitenlands betalingsverkeer) worden aanbesteed.

Prestatie-indicatoren en kengetallen

Voor het schatkistbankieren zijn nog geen prestatie-indicatoren gedefinieerd. Het Agentschap onderschrijft dat een goede indicator van nut kan zijn bij het bepalen of beleid doeltreffend en doelmatig is uitgevoerd. Het definiëren van een goede indicator hangt nauw samen met het ontsluiten van betrouwbare data voor de verantwoording. Hiertoe is in 2019 een aanbesteding gedaan om een nieuw systeem (workflowmanagementsysteem) voor het schatkistbankieren te implementeren. Dit nieuwe systeem is bedoeld om de operationele processen van schatkistbankieren te vereenvoudigen en efficiënter te maken. Deze aanbesteding heeft echter niet geleid tot voldoende concurrentiestelling, waardoor besloten is een nieuwe aanbestedingsprocedure te starten. Deze zal naar verwachting pas in 2020 worden afgerond. Door deze vertraging zijn de ontwikkelingen op dit terrein nog niet ver genoeg om in de begroting van 2021 een goede prestatie-indicator op te nemen. Wel kent het schatkistbankieren een aantal kengetallen die laten zien hoeveel deelnemers er zijn, wat de omvang is van de aangehouden en uitgeleende middelen én wat de bijdrage was aan het reduceren van de EMU-schuld. De EMU-schuld bestaat uit alle schulden van de collectieve sector aan instellingen buiten de overheid. Doordat de deelnemers aan het schatkistbankieren hun overtollige middelen bij het Rijk aanhouden, hoeft het Rijk minder te lenen. Het gevolg is dat de omvang van de totale extern uitstaande schuld van de hele collectieve sector daalt en daardoor de EMU-schuld afneemt.

Tabel 54 Deelnemers en omvang middelen (ultimo 2019)
 

Aantal deelnemers

Overtollige middelen in rekening-courant en deposito

(bedragen x € 1 mld.)

Verstrekte leningen en roodstand

(bedragen x € 1 mld.)

Agentschappen

28

2,4

6,9

RWT’s en derden

234

9,4

4,3

Sociale fondsen

3

8,6

10,1

Decentrale overheden

786

10,3

 

Totaal

1051

30,7

21,3

Tabel 55 EMU-schuldreductie (ultimo 2019)

In miljarden euro

€ 30,7 mld.

In procenten bbp

3,8%

C. Beleidswijzigingen

In 2021 zijn geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 56 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Kasbeheer (bedragen x € 1 mln.)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.384

1.531

1.531

1.531

1.528

1.521

1.518

        

Uitgaven

1.384

1.531

1.531

1.531

1.528

1.521

1.518

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

Rente

28

31

31

31

28

21

18

Rente kasbeheer

28

31

31

31

28

21

18

        

Leningen

1.312

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Verstrekte leningen

1.312

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

        

Mutaties in rekening-courant en deposito's

45

0

0

0

0

0

0

Mutaties in rekening-courant en deposito's

45

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

10.915

3.791

9.142

4.458

3.104

3.700

3.788

        

Rente

110

105

92

86

80

75

70

Rente kasbeheer

109

104

92

86

80

75

70

Voortijdige beëindiging binnen kasbeheer

1

0

0

0

0

0

0

        

Leningen

992

1.298

910

1.157

910

999

1.146

Ontvangen aflossingen

992

1.298

910

1.157

910

999

1.146

        

Mutaties in rekening-courant en deposito's

9.813

2.389

8.140

3.215

2.114

2.625

2.572

Mutaties in rekening-courant en deposito's

9.813

2.389

8.140

3.215

2.114

2.625

2.572

X Noot
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Budgetflexibiliteit

De uitgaven en ontvangsten op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito’s en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven en ontvangsten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: rente, leningen en mutaties in rekening-courant en deposito.

Rente

Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen van het Rijk aan de deelnemers van schatkistbankieren. Deelnemers ontvangen rente over een positief saldo op hun rekening-courant en op de deposito’s die ze bij de schatkist hebben geplaatst. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers aan het Rijk betaalde rente op leningen en op roodstanden in de rekening-courant. De verwachte rentelasten zijn in 2021 lager dan de verwachte rentebaten. Dit komt door de lage rentestand, waardoor de Staat weinig betaalt op positieve saldi. Leningen hebben langere looptijden met bijbehorende hogere rentes waardoor de rentebaten in 2021 hoger zijn dan de rentelasten.

Leningen

De posten verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geven de geraamde uitgifte van nieuwe leningen (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk) weer. Als leningen voortijdig worden beëindigd dan worden deze afgelost tegen de marktwaarde van de lening op dat moment of een boetebedrag. Hierdoor kan gedurende het jaar een extra uitgave of ontvangst voor het Rijk ontstaan. Deze worden geboekt als uitgaven of ontvangsten bij voortijdige beëindiging.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

De posten toename en afname saldi in rekening-courant46 en deposito’s47 geven het bedrag weer dat naar verwachting door alle deelnemers in de schatkist wordt gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). Voor 2021 wordt een instroom van middelen van € 8,1 mld. geraamd.

6. Bijlagen

Bijlage 1: ZBO's en RWT's

Tabel 57 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder het ministerie van Financiën)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Waarderingskamer

ZBO en RWT

Artikel 1

1.987

Link

2022

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

ZBO en RWT

Artikel 2

705

Link

2021

De Nederlandsche Bank (DNB)

ZBO en RWT

Artikel 2

4.897

Link

2021

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

RWT

Artikel 2

0

Evaluatieplicht niet van toepassing

Evaluatieplicht niet van toepassing

Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars (NBM)

RWT

Artikel 2

0

Evaluatieplicht niet van toepassing

Evaluatieplicht niet van toepassing

Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA)

ZBO

Artikel 2

0

Link

2023

Stichting administratiekantoor financiële instellingen (NLFI)

RWT

Artikel 3

5.000

Evaluatieplicht niet van toepassing

Evaluatieplicht niet van toepassing

Tabel 58 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)

Naam organisatie

Ministerie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Kadaster

Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties

ZBO en RWT

Artikel 1

2.006

Kamer van Koophandel

Economische Zaken en Klimaat

ZBO en RWT

Artikel 1

4.345

RDW

Infrastructuur en Waterstaat

ZBO en RWT

Artikel 1

2.900

Nationale Politie

Justitie en Veiligheid

RWT

Artikel 1

971

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Economische Zaken en Klimaat

ZBO

Artikel 2

455

Autoriteit Persoonsgegevens (AP)

Justitie en Veiligheid

ZBO

Artikel 2

0

Bijlage 2: Verdiepingshoofdstuk

Artikel 1 Belastingen

Tabel 59 Uitgaven beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

2.944.639

2.712.152

2.671.587

2.615.639

2.608.723

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

‒ 25.000

‒ 40.000

‒ 16.000

‒ 7.000

‒ 5.000

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

316.663

504.680

230.265

256.995

234.720

 
       

Nieuwe mutaties

      

Individueel keuzebudget

69.500

     

Kasschuiven

‒ 26.966

11.956

15.010

   

Loon- en prijsbijstelling

83.624

76.777

75.699

74.123

74.068

 

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

 

‒ 118.125

‒ 65.367

‒ 63.548

‒ 63.548

 

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

50.000

 

6.546

   

Meerjarige uitvoeringskosten e-commerce

 

19.072

39.349

28.321

28.556

 

Toekenning meerjarige middelen IV-organisatie

  

100.000

77.000

81.500

 

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen Toeslagen»

  

47.185

43.922

43.889

 

Toerekening Douaneartikel

 

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

‒ 71.367

 

Overig & extrapolatie

27.421

13.415

14.541

16.830

16.900

2.908.610

       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.439.881

3.108.560

3.047.448

2.970.915

2.948.441

2.908.610

Tabel 60 Ontvangsten beleidsartikel 1 (bedragen x € 1000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

156.444.315

156.099.799

165.718.196

170.084.672

174.523.966

 

Mutatie nota van wijziging 2020

‒ 75.005

‒ 75.005

‒ 75.005

   

Mutatie incidentele suppletoire begroting

‒ 1.238.275

‒ 554.000

‒ 160.000

‒ 55.000

‒ 33.000

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 361.518

233.940

236.538

234.474

234.474

 
       

Nieuwe mutaties

      

Belasting- en invorderingsrente

20.000

 

15.000

15.000

15.000

 

Belastingontvangsten

‒ 25.837.258

‒ 4.367.784

‒ 11.419.486

‒ 4.926.336

‒ 3.129.202

 

Overig & extrapolatie

6.817

10.975

10.282

12.752

12.752

179.268.441

       

Stand ontwerpbegroting 2021

128.959.076

151.347.925

154.325.525

165.365.562

171.623.990

179.268.441

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Individueel keuzebudget

In het cao Rijk 2018-2020 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een individueel keuzebudget (IKB) per 1 januari 2020. De overgang naar het IKB leidt incidenteel tot hogere personele uitgaven in 2020, omdat onder het IKB het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering eerder worden uitbetaald. Het kabinet heeft in 2019 besloten departementen te compenseren voor deze extra uitgaven.

Kasschuiven

Er worden enkele kasschuiven doorgevoerd. Het betreft onder meer een kasschuif van de middelen die beschikbaar zijn voor het project Beheerst vernieuwen en voor de implementatie van de EU-richtlijn btw e-commerce.

Loon- en prijsbijstelling

De tranche 2020 van de loon- en prijsbijstelling is in de 1e suppletoire begroting toegevoegd aan de begroting van Financiën (artikel 10). De loon- en prijsbijstelling wordt nu naar rato verdeeld over de artikelen.

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

Zoals in de Kamerbrief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën(IXB)’ van 26 juni jl. is vermeld, wordt er een eigenstandig begrotingsartikel ingericht voor Toeslagen (artikel 13). Met deze stap kunnen de activiteiten van, en de inzet van beschikbare middelen voor Toeslagen beter worden verantwoord en door de Kamer worden gevolgd. De directe uitgaven die door het dienstonderdeel Toeslagen inclusief de herstelorganisatie worden gedaan, worden overgeheveld van artikel 1 naar artikel 13. Op termijn zullen in het nieuwe begrotingsartikel ook de uitgaven worden opgenomen van dienstonderdelen binnen de Belastingdienst die taken verrichten die aan het toeslagenproces ondersteunend zijn, bijvoorbeeld op het gebied van facilitaire zaken, ICT, de Belastingtelefoon en heffing en inning.

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

Zoals aangegeven in ‘Kabinetsreactie op het eindrapport van de Advies commissie Uitvoering Toeslagen, het rapport van de ADR en het Zwartboek' en zoals vermeld in de 1e suppletoire begroting van Financiën, heeft het kabinet besloten middelen beschikbaar te stellen om de gevolgen van de handelwijze van de Belastingdienst en de onredelijke hardheid van het toeslagenstelsel zo veel mogelijk te repareren. Dit betreft cumulatief over de jaren 2020, 2021 en 2022 € 390 mln. voor compensatie aan ouders. Hiernaast is € 20 mln. extra beschikbaar gesteld op artikel 10 als gevolg van het besluit tot toekenning van OGS-compensatie. Deze middelen zijn geparkeerd op artikel 10 Nog onverdeeld, in afwachting van besluitvorming over de verantwoording van deze middelen. Hier staat o.a. € 100 mln. in 2020 gereserveerd. Er wordt verder € 50 mln. in 2020 overgeheveld naar artikel 1 ter dekking van uitgaven die in ieder geval op de Financiën begroting worden verantwoord. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar gesteld, cumulatief € 110 mln., voor de uitvoeringskosten ervan door Toeslagen. De middelen in 2022 (€ 20 mln.), die nog gereserveerd stonden op artikel 10, worden nu overgeheveld naar artikel 1 (ca. € 7 mln.) en artikel 13 (ca. € 13 mln.).

Meerjarige uitvoeringskosten e-commerce

De EU-richtlijn btw e-commerce moet op dit moment per 1 januari 2021 geïmplementeerd zijn. De mutatie betreft het meerjarig budget voor de uitvoeringskosten die hiermee samenhangen. De overige uitvoeringskosten worden op artikel 9 Douane begroot.

Toekenning meerjarige middelen IV-organisatie

Voor het op orde brengen van de Belastingdienst zijn er in de 1e suppletoire begroting middelen beschikbaar gesteld voor de IV-organisatie (onder de noemer ‘borgen stabiliteit cruciale processen Belastingdienst’). Dit aangezien ICT aan de basis staat van een goede uitvoering van de bedrijfs­processen van de Belastingdienst. In deze processen worden de gegevens van 15 miljoen burgers en 1,5 miljoen bedrijven verwerkt en uiteindelijk resulteert dit in € 1 miljard belastinginkomsten per dag en honderden miljoenen transacties per jaar. Die basis moet daarom op orde zijn. De middelen voor de jaren 2022 en verder zijn destijds op artikel 10 Nog onverdeeld geparkeerd en worden nu overgeheveld naar artikel 1.

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen toeslagen»

In de 1e suppletoire begroting zijn middelen beschikbaar gesteld voor het herstellen van de Toeslagen-organisatie, onderdeel van ‘Belastingdienst op orde’. De middelen voor 2022 en verder zijn destijds geparkeerd op artikel 10 Nog onverdeeld. Met deze mutatie wordt een deel van de middelen overgeheveld naar artikel 1. Het betreft middelen voor maatwerk en structurele verbetering van de Toeslagen-organisatie, zowel kwalitatief als kwantitatief. De overige middelen worden op artikel 13 Toeslagen verantwoord.

Toerekening Douaneartikel

Zoals gemeld in de brief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën(IXB)’ die 26 juni 2020 aan de Kamer is verzonden, is voor artikel 9 (Douane) het opnemen van uitgaven van dienstonderdelen van de Belastingdienst die samenhangen met de Douaneprocessen een volgende stap in het gekozen groeimodel. Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden deze uitgaven in artikel 9 middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht. Deze mutatie betreft de overheveling van deze middelen van artikel 1 naar artikel 9. De toerekening vindt plaats voor alle dienstonderdelen van de Belastingdienst die uitgaven doen ten behoeve van de Douaneprocessen, met uitzondering van het dienstonderdeel Informatievoorziening (IV).

Ontvangsten

Belasting- en invorderingsrente

Bij de belasting- en invorderingsrente wordt een (structurele) ramingsbijstelling van de ontvangsten verwerkt.

Belastingontvangsten

Zie de Miljoenennota voor een toelichting op de belastingontvangsten.

Verplichtingen

De Belastingdienst werkt aan het verbeteren van het verplichtingenbeheer en contractmanagement. Het verbeterde inzicht is meegenomen in de meerjarenraming verplichtingen en leidt er toe dat beter verantwoord kan worden in welke jaren de Belastingdienst aan te gane verplichtingen verwacht in afwijking van de kasuitgaven (betalingsritme).

Artikel 2 Financiële markten

Tabel 61 Uitgaven beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

26.608

24.258

24.248

22.897

22.897

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

11.294

834

84

84

84

 
       

Nieuwe mutaties

      

UBO-register trusts

1.000

1.000

    

Overig & extrapolatie

566

‒ 39

‒ 39

‒ 60

‒ 60

22.921

       

Stand ontwerpbegroting 2021

39.468

26.053

24.293

22.921

22.921

22.921

Tabel 62 Ontvangsten beleidsartikel 2 (bedragen x € 1000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

9.155

10.255

9.955

7.700

7.700

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 250

     
       

Nieuwe mutaties

      

Extrapolatie

     

8.700

       

Stand ontwerpbegroting 2021

8.905

10.255

9.955

7.700

7.700

8.700

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

UBO-register trusts

Op grond van een wijziging in de anti-witwasrichtlijn wordt er een register van uiteindelijke belanghebbenden ('ultimate befinicial owners' -UBO) voor trusts gebouwd. Het ministerie van Financiën draagt hier voor € 1 mln. aan bij.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Tabel 63 Uitgaven beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

442.176

440.520

440.520

439.020

406.020

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

1.000.000

     

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

5.500

1.750

‒ 1.000

   
       

Nieuwe mutaties

      

Kapitaalinjectie Invest International

 

247.000

147.000

147.000

146.000

 

Opstart Invest International

‒ 3.500

3.500

    

Overig & extrapolatie

129

158

158

126

126

255.146

       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.444.305

692.928

586.678

586.146

552.146

255.146

Tabel 64 Ontvangsten beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

1.816.656

1.875.500

2.015.500

1.953.500

1.918.500

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

22.227

76.350

86.377

102.997

119.618

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

145.000

‒ 495.000

    
       

Nieuwe mutaties

      

Winstafdracht DNB

7.000

‒ 281.000

‒ 396.000

‒ 329.000

‒ 254.000

 

Opbrengst verkoop vermogenstitels

31.344

     

Dividenden staatsdeelnemingen

‒ 527.500

‒ 360.000

‒ 10.000

‒ 10.000

‒ 60.000

 

Extrapolatie

     

1.974.118

       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.494.727

815.850

1.695.877

1.717.497

1.724.118

1.974.118

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Kapitaalinjectie Invest International

Ten behoeve van het opstarten van Invest International (de internationale tak van Invest-NL) worden de gereserveerde middelen overgeboekt van de aanvullende post naar de begroting van Financiën. Voorwaarde voor besteding blijft wel dat de uitgave kan worden vormgegeven als een financiële transactie zonder effect op het EMU-saldo. 

Opstart Invest International

Aangezien het wetgevingstraject vertraagd is, is een kasschuif van € 3,5 mln. van 2020 naar 2021 nodig.

Ontvangsten

Winstafdracht DNB

De winstafdracht van DNB wordt naar beneden bijgesteld. De coronacrisis incl. de extra aankopen in het kader van het Asset Purchase Programme (APP) en het Pandemic Emergency Purchase Programme (PEPP) van de ECB, leidt tot een sterke stijging van het renterisico dat DNB loopt. Om dit risico op te vangen vergroot DNB, conform de gemaakte afspraken met het ministerie van Financiën, haar financiële buffers ten laste van de verwachte winst voor de komende jaren. Dit resulteert in het niet afdragen van de winst aan de Nederlandse staat tot en met 2024.

Dividenden staatsdeelnemingen

De coronacrisis heeft impact op de staatsdeelnemingen. Dit heeft geleid tot een neerwaartse meerjarige bijstelling op de door de Staat te ontvangen dividenden.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

Tabel 65 Uitgaven beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

103.694

208.067

311.099

332.260

355.439

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

260.276

     

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

3.290

11.432

7.762

3.283

5.108

 
       

Nieuwe mutaties

      

Wereldbank

115.465

‒ 122.185

‒ 4.704

‒ 3.127

4.963

 

ESM-rentecompensatie

 

‒ 18.000

‒ 20.000

‒ 20.000

‒ 19.000

 

Overig & extrapolatie

48

48

47

47

47

378.504

       

Stand ontwerpbegroting 2021

482.773

79.362

294.204

312.463

346.557

378.504

Tabel 66 Ontvangsten beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

52.804

142.246

185.595

193.298

191.424

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 7.455

‒ 5.948

‒ 19.059

‒ 20.257

‒ 18.775

 
       

Nieuwe mutaties

      

Extrapolatie

     

190.447

       

Stand ontwerpbegroting 2021

45.349

136.298

166.536

173.041

172.649

190.447

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Wereldbank

Een deel van de in 2021 geraamde bijdrage aan de Wereldbank ter hoogte van ca. € 115 mln. wordt in 2020 betaald om beter aan te sluiten op het kasritme van de Staat. Deze bijstelling is budgetneutraal. Daarnaast is de uitgavenraming in de Financiënbegroting meerjarig bijgesteld naar aanleiding van een aanpassing in het betaalschema. De meerjarige bijstelling heeft betrekking op het betalingsschema voor de 19e kapitaalstorting aan de International Development Association (IDA) en is over de jaren 2021-2026 budgetneutraal.

ESM-rentecompensatie

Het ESM wordt gecompenseerd voor de negatieve rente die het ESM betaalt over het gestalde deposito bij DNB. DNB draagt als onderdeel van de winstafdracht op art. 3 van de Financiënbegroting de rente-ontvangsten af aan het ministerie van Financiën. De huidige raming van de ESM-compensatie door DNB aan het ministerie van Financien is bijgesteld naar nul. Daarom wordt de compensatie van het ministerie van Financien aan het ESM ook bijgesteld naar nul.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Tabel 67 Uitgaven beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

77.244

77.244

77.244

77.244

77.244

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

1.470.000

     

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

70.244

70.244

70.244

70.244

70.244

 
       

Nieuwe mutaties

      

Schade herverzekering leverancierskredieten

‒ 450.000

350.000

    

Uitvoeringskosten herverzekering leverancierskredieten

10.000

     

Kostenvergoeding Atradius

610

2.710

2.710

2.710

2.710

 

Schade EKV

74.900

80.000

    

Overig & extrapolatie

180

180

180

180

180

150.378

       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.253.178

580.378

150.378

150.378

150.378

150.378

Tabel 68 Ontvangsten beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

235.954

91.870

85.119

85.218

83.406

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting

500.000

     

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

20.244

20.244

20.244

20.244

20.244

 
       

Nieuwe mutaties

      

Recuperaties EKV

‒ 140.000

140.000

    

Recuperaties herverzekering leverancierskredieten

‒ 110.000

100.000

    

Begrotingsreserve EKV

8.700

82.800

2.800

2.800

2.800

 

Extrapolatie

     

106.450

       

Stand ontwerpbegroting 2021

514.898

434.914

108.163

108.262

106.450

106.450

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Schade herverzekering leverancierskredieten

In mei is de Kamer geïnformeerd over de bijstelling van de budgettaire effecten van de crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten ten opzichte van de tweede incidentele suppletoire begroting (ISB).48In de tweede ISB was in de ramingen geen rekening gehouden met de vertraging in het uitbetalen van schade-uitkeringen. Bij een betalingstermijn van dertig dagen wordt op zijn vroegst pas 105 dagen nadat een levering is gefactureerd schade uitgekeerd aan de verzekerde. Daarom wordt een deel van de geraamde schade-uitkering (€ 350 mln.) van 2020 doorgeschoven naar 2021. Daarnaast valt de schade-uitkering in 2020 naar aanleiding van de goedkeuringsprocedure van de Europese Commissie (EC) € 100 mln. lager uit.

Uitvoeringskosten herverzekering leverancierskredieten

Zoals in de Kamerbrief over de herverzekering leverancierskredieten gemeld, wordt de raming van de uitvoeringskosten naar aanleiding van de schatting van de externe adviseur voor 2020 met € 10 mln. verhoogd. Daarnaast zal de Staat vanwege het doorlopen van schade-uitkeringen en incasso’s in 2021 de claims- en incassowerkzaamheden van de verzekeraars ook in 2021 voor een deel moeten vergoeden. De schatting van de uitvoeringskosten in 2021 wordt gemaakt op het moment dat er meer duidelijk is over de te verrichten werkzaamheden in 2021.

Kostenvergoeding Atradius

Voor de uitvoerder van de exportkredietverzekering, Atradius DSB (ADSB), is een ophoging van de uitvoeringkosten geraamd voor structurele uitbreiding van de capaciteit. Financiën heeft door gemaakte politieke keuzes en internationale ontwikkelingen nieuwe taken bij ADSB belegd, terwijl ADSB’s capaciteit sinds 2015 constant is gebleven. Om op een toekomstbestendige manier uitvoering te kunnen geven aan de exportkredietverzekering is een structurele ophoging van de uitvoeringkosten benodigd, ter hoogte van € 2,7 mln.

Schade EKV

In april is de Kamer geïnformeerd over de bijdrage van de Staat aan de continuïteit van het bedrijf Royal IHC.49De in de Kamerbrief gemelde voorlopige schade-uitkering van maximaal € 167 mln. wordt nu voor € 155 mln. in de begroting opgenomen, in 2020 en 2021 respectievelijk € 74,9 mln. en € 80,0 mln. Voor de resterende € 12 mln. zal in het najaar ingeschat worden of en in hoeverre dit deel van de schade-uitkering zich zal materialiseren.

Ontvangsten

Recuperaties EKV

Argentinië heeft aangegeven de openstaande vordering van € 140 mln. in 2020 niet te kunnen voldoen en heeft herstructurering aangevraagd bij de Club van Parijs. De uiterste betaaldatum voor deze vordering verstrijkt in 2021, waardoor vooralsnog de voor 2020 geraamde ontvangst wordt geraamd voor 2021.

Recuperaties herverzekering leverancierskredieten

Zoals in de Kamerbrief over de herverzekering leverancierskredieten gemeld, wordt € 100 mln. van de voor 2020 geraamde recuperaties in 2021 geïncasseerd. Daarnaast wordt naar aanleiding van de goedkeuringsprocedure van de EC de recuperaties in 2020 € 10 mln. lager uit dan geraamd.

Begrotingsreserve EKV

Zoals in de Kamerbrief over de bijdrage van de Staat aan de continuïteit van IHC gemeld, wordt de begrotingsreserve aangesproken voor de definitief afgeschreven schade-uitkering aan IHC. De definitief afgeschreven schade-uitkering bedraagt voor 2020 en 2021 respectievelijk € 8,0 en € 80,0 mln. Ook voor de ophoging van de uitvoeringkosten van Atradius DSB (€ 2,8 mln.) wordt de begrotingsreserve aangesproken.

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

Tabel 69 Uitgaven beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

3.426.667

3.426.171

3.426.036

3.426.036

3.426.036

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

3.886

3.273

6.211

6.204

6.204

 
       

Nieuwe mutaties

      

Aanpassing BCF

137.030

141.928

139.125

139.132

139.132

 

Overig & extrapolatie

3.747

    

3.571.372

       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Tabel 70 Ontvangsten beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

3.426.667

3.426.171

3.426.036

3.426.036

3.426.036

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

3.886

3.273

6.211

6.204

6.204

 
       

Nieuwe mutaties

      

Aanpassing BCF

137.030

141.928

139.125

139.132

139.132

 

Overig & extrapolatie

3.747

    

3.571.372

       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.571.330

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

3.571.372

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven en ontvangsten

Aanpassing BCF

Deze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het Btw-compensatiefonds (BCF) op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Artikel 8 Apparaat kerndepartement

Tabel 71 Uitgaven artikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

266.049

265.322

262.991

262.220

264.088

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

9.436

8.372

6.852

2.187

1.187

 
       

Nieuwe mutaties

      

Loon- en prijsbijstelling

7.684

7.658

7.582

7.558

7.617

 

Operatie inzicht in kwaliteit

  

1.928

1.928

1.928

 

Individueel keuzebudget

6.891

     

Overig & extrapolatie

1.680

2.160

819

2.175

2.175

277.125

       

Stand ontwerpbegroting 2021

291.740

283.512

280.172

276.068

276.995

277.125

Tabel 72 Ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

51.837

51.837

51.837

51.837

51.837

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

856

     
       

Nieuwe mutaties

      

Extrapolatie

     

51.837

       

Stand ontwerpbegroting 2021

52.693

51.837

51.837

51.837

51.837

51.837

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Loon- en prijsbijstelling

De tranche 2020 van de loon- en prijsbijstelling is in de 1e suppletoire begroting toegevoegd aan de begroting (artikel 10). De loon- en prijsbijstelling wordt nu naar rato verdeeld over de artikelen.

Operatie Inzicht in Kwaliteit

Om structurele inbedding te garanderen en vervolg te geven aan de inzichten uit de operatie Inzicht in Kwaliteit tot dusver, worden de bijbehorende kosten structureel verwerkt in de begroting. Hierdoor kunnen wij ons blijven inspannen om zoveel mogelijk inzicht te verkrijgen in de resultaten van beleid en daarnaar te handelen door onder andere het blijven ondersteunen van departementen en het doen van vergelijkbare, projectmatige activiteiten.

Individueel keuzebudget

In het cao Rijk 2018-2020 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een individueel keuzebudget (IKB) per 1 januari 2020. De overgang naar het IKB leidt incidenteel tot hogere personele uitgaven in 2020, omdat onder het IKB het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering eerder worden uitbetaald. Het kabinet heeft in 2019 besloten departementen te compenseren voor deze extra uitgaven. Deze compensatie wordt nu aan de personeelsbudgetten van de betreffende artikelen toegekend.

Artikel 9 Douane

Tabel 73 Uitgaven beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

440.852

442.226

440.881

437.088

437.263

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 10.087

6.384

5.734

2.334

‒ 166

 
       

Nieuwe mutaties

      

Individueel keuzebudget

14.500

     

Loon- en prijsbijstelling

14.226

14.266

14.238

14.161

14.167

 

E-commerce

‒ 5.000

6.005

9.324

12.429

11.944

 

Toerekening Douaneartikel

 

71.367

71.367

71.367

71.367

 

Overig & extrapolatie

‒ 7.500

    

533.924

       

Stand ontwerpbegroting 2021

446.991

540.248

541.544

537.379

534.575

533.924

Tabel 74 Ontvangsten beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

605

605

605

605

605

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

      
       

Nieuwe mutaties

      

Extrapolatie

     

605

       

Stand ontwerpbegroting 2021

605

605

605

605

605

605

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Individueel keuzebudget

In het cao Rijk 2018-2020 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een individueel keuzebudget (IKB) per 1 januari 2020. De overgang naar het IKB leidt incidenteel tot hogere personele uitgaven in 2020, omdat onder het IKB het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering eerder worden uitbetaald. Het kabinet heeft in 2019 besloten departementen te compenseren voor deze extra uitgaven.

Loon- en prijsbijstelling

De tranche 2020 van de loon- en prijsbijstelling is in de 1e suppletoire begroting toegevoegd aan de begroting (artikel 10). De loon- en prijsbijstelling wordt nu naar rato verdeeld over de artikelen.

E-commerce

De EU-richtlijn btw e-commerce moet op dit moment per 1 januari 2021 geïmplementeerd zijn. De mutatie betreft het meerjarig budget voor de uitvoeringskosten die hiermee samenhangen. De kosten worden deels gedekt uit de meevaller van € 5 mln. in 2020 door lagere loonkosten binnen Douane. De overige uitvoeringskosten worden op artikel 1 begroot.

Toerekening Douaneartikel

Zoals gemeld in de brief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën(IXB)’ die 26 juni 2020 aan de Kamer is verzonden, is voor artikel 9 (Douane) het opnemen van uitgaven van dienstonderdelen van de Belastingdienst die samenhangen met de Douaneprocessen een volgende stap in het gekozen groeimodel. Vanaf de ontwerpbegroting IX 2021 worden deze uitgaven in artikel 9 middels een systematiek van toerekening weergegeven en toegelicht. Deze mutatie betreft de overheveling van deze uitgaven van artikel 1 naar artikel 9. De toerekening vindt plaats voor alle dienstonderdelen van de Belastingdienst die uitgaven doen ten behoeve van de Douaneprocessen, met uitzondering van het dienstonderdeel Informatievoorziening (IV).

Artikel 10 Nog onverdeeld

Tabel 75 Uitgaven artikel 10 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

175.432

76.971

107.365

89.325

75.778

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

285.405

254.561

366.536

347.668

375.832

 
       

Nieuwe mutaties

      

Individueel keuzebudget

‒ 90.891

     

Kasschuiven

‒ 80.000

62.985

89.368

‒ 21.912

‒ 51.571

 

Loon- en prijsbijstelling

‒ 106.417

‒ 99.546

‒ 98.364

‒ 96.623

‒ 96.633

 

Meerjarige uitvoeringskosten e-commerce

 

‒ 25.077

‒ 28.673

‒ 25.750

‒ 25.500

 

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen toeslagen»

  

‒ 92.920

‒ 94.249

‒ 87.410

 

Toekenning meerjarige middelen IV-organisatie

  

‒ 100.000

‒ 77.000

‒ 81.500

 

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

‒ 50.000

 

‒ 20.000

   

Overig & extrapolatie

‒ 4.357

‒ 5.800

‒ 5.933

‒ 6.488

‒ 6.558

84.446

       

Stand ontwerpbegroting 2021

129.172

264.094

217.379

114.971

102.438

84.446

Tabel 76 Ontvangsten artikel 10 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

0

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties

      
       

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

0

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Individueel keuzebudget

In de cao Rijk 2018-2020 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een individueel keuzebudget (IKB) per 1 januari 2020. De overgang naar het IKB leidt incidenteel tot hogere personele uitgaven in 2020, omdat onder het IKB het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering eerder worden uitbetaald. Het kabinet heeft in 2019 besloten departementen te compenseren voor deze extra uitgaven. Deze compensatie wordt nu aan de personeelsbudgetten van de betreffende artikelen toegekend.

Kasschuiven

Er vinden enkele kasschuiven plaats om middelen in het gewenste ritme te plaatsen. Als eerste bevat het de middelen voor de compensatie van ouders voor de kinderopvangtoeslag. Hiervoor wordt € 70 mln. uit 2020 naar 2021 (€ 60 mln.) en 2022 (€ 10 mln.) geschoven. Daarnaast wordt er € 10 mln. van 2020 naar 2021 geschoven om de uitvoeringskosten voor de implementatie van de EU-richtlijn en EU–verordening voor btw op e-commerce te dekken. Als laatste vinden er enkele kasschuiven plaats om de resterende middelen op de Aanvullende Post voor Beheerst vernieuwen in het gewenste ritme te plaatsen na overheveling naar de Financiënbegroting.

Loon- en prijsbijstelling

De tranche 2020 van de loon- en prijsbijstelling is in de 1e suppletoire begroting toegevoegd aan de begroting (artikel 10). De loon- en prijsbijstelling wordt nu naar rato verdeeld over de artikelen.

Meerjarige uitvoeringskosten e-commerce

De EU-richtlijn btw e-commerce moet op dit moment per 1 januari 2021 geïmplementeerd zijn. In de 1e suppletoire begroting zijn er middelen beschikbaar gesteld voor de bijbehorende uitvoeringskosten. De middelen vanaf 2022 stonden geparkeerd op artikel 10 en worden nu overgeheveld naar artikel 1 Belastingen en artikel 9 Douane. Daarnaast is er een extra bedrag vanuit artikel 10 beschikbaar gesteld voor de uitvoeringskosten.

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen toeslagen»

In de 1e suppletoire begroting zijn middelen beschikbaar gesteld voor het herstellen van de Toeslagen-organisatie, onderdeel van ‘Belastingdienst op orde’. De middelen voor 2022 en verder zijn destijds geparkeerd op artikel 10 Nog onverdeeld. Met deze mutatie wordt een deel van de middelen overgeheveld naar artikel 1 en artikel 13. Het betreft middelen voor maatwerk en structurele verbetering van de Toeslagen-organisatie, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Toekenning meerjarige middelen IV-organisatie

Voor het op orde brengen van de Belastingdienst zijn er in de 1e suppletoire begroting middelen beschikbaar gesteld voor de IV-organisatie (onder de noemer ‘borgen stabiliteit cruciale processen Belastingdienst’). Dit aangezien ICT aan de basis staat van een goede uitvoering van de bedrijfs­processen van de Belastingdienst. In deze processen worden de gegevens van 15 miljoen burgers en 1,5 miljoen bedrijven verwerkt en uiteindelijk resulteert dit in 1 miljard belastinginkomsten per dag en honderden miljoenen transacties per jaar. Die basis moet daarom op orde zijn. De middelen voor de jaren 2022 en verder zijn destijds op artikel 10 Nog onverdeeld geparkeerd en worden nu overgeheveld naar artikel 1.

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het eindrapport van de Advies commissie Uitvoering Toeslagen en zoals vermeld in de 1e suppletoire begroting van Financiën, heeft het kabinet besloten middelen beschikbaar te stellen om de gevolgen van een onredelijk hard toeslagenstelsel zo veel mogelijk te repareren. Dit betreft cumulatief over de jaren 2020, 2021 en 2022 € 390 mln. voor compensatie aan ouders. Hiernaast is € 20 mln. extra beschikbaar gesteld op artikel 10 als gevolg van het besluit tot toekenning van OGS-compensatie. Deze middelen zijn geparkeerd op artikel 10 Nog onverdeeld, in afwachting van besluitvorming over de verantwoording van deze middelen. Er wordt nu € 50 mln. overgeheveld naar artikel 1 voor de compensatie met betrekking tot CAF-gerelateerde dossiers en de meest schrijnende gevallen in 2020. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar gesteld, cumulatief € 110 mln., voor de uitvoeringskosten ervan door Toeslagen. De middelen in 2022 (€ 20 mln.) worden overgeheveld van artikel 10 naar artikel 1 (ca. € 7 mln.) en artikel 13 (ca. € 13 mln.).

Artikel 11 Financiering staatsschuld

Tabel 77 Uitgaven beleidsartikel 11 (bedragen x € 1 mln.)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

35.171

21.383

35.615

36.039

35.174

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 217

‒ 143

‒ 464

‒ 894

‒ 1.224

 
       

Nieuwe mutaties

      

Rente vaste schuld

‒ 71

‒ 313

‒ 505

‒ 699

‒ 879

 

Aflossing vaste schuld

 

‒ 1

‒ 1

   

Extrapolatie

     

17.389

       

Stand ontwerpbegroting 2021

34.883

20.926

34.645

34.446

33.071

17.389

Tabel 78 Ontvangsten beleidsartikel 11 (bedragen x € 1 mln.)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

30.015

21.296

36.831

37.371

39.616

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

‒ 2.917

‒ 3.850

‒ 4.882

‒ 4.909

‒ 8.066

 
       

Nieuwe mutaties

      

Rente vlottende schuld

98

450

479

474

445

 

Rente derivaten

5

21

78

89

56

 

Uitgifte vaste schuld

16.500

38.814

29.518

29.519

24.895

 

Mutatie vlottende schuld

54.470

     

Extrapolatie

     

38.474

       

Stand ontwerpbegroting 2021

98.171

56.731

62.024

62.544

56.946

38.474

X Noot
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven en ontvangsten

De ramingen voor rente en uitgifte schuld zijn bijgesteld als gevolg van een veranderde financieringsbehoefte, nieuwe schulduitgiftes en aangepaste rentepercentages. De financieringsbehoefte is met name toegenomen als gevolg van Covid-19 maatregelen. Door de lage (negatieve) rente heeft dit een dalend effect op de rentelasten van de vaste schuld en een stijgend effect op de rentebaten van de vlottende schuld.

Artikel 12 Kasbeheer

Tabel 79 Uitgaven beleidsartikel 12 (bedragen x € 1 mln.)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

1.531

1.552

1.650

1.781

1.796

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

0

‒ 21

‒ 119

‒ 253

‒ 271

 
       

Nieuwe mutaties

      

Rentelasten kasbeheer

    

‒ 4

 

Extrapolatie

     

1.518

       

Stand ontwerpbegroting 2021

1.531

1.531

1.531

1.528

1.521

1.518

Tabel 80 Ontvangsten beleidsartikel 12 (bedragen x € 1 mln.)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

7.771

9.128

5.759

5.394

4.405

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

281

‒ 2.805

‒ 560

‒ 1.349

‒ 934

 
       

Nieuwe mutaties

      

Rentebaten kasbeheer

‒ 2

‒ 2

‒ 3

‒ 5

‒ 9

 

Aflossingen op leningen

‒ 15

‒ 13

‒ 14

‒ 15

‒ 19

 

Mutaties in rekening-courant en deposito's

‒ 4.244

2.833

‒ 724

‒ 921

257

 

Overig & extrapolatie

1

    

3.788

       

Stand ontwerpbegroting 2021

3.791

9.142

4.458

3.104

3.700

3.788

X Noot
1

Als gevolg van afronding op miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting belangrijkste mutaties

Ontvangsten

Rentebaten kasbeheer

De mutatie van de rentebaten wordt vooral veroorzaakt door de verwachte afname van de roodstand op de rekening-courant van de sociale fondsen.

Aflossingen op leningen

De mutaties in de aflossingen op leningen zijn voornamelijk het gevolg van het verwerken van realisaties van nieuw aangegane leningen.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

De mutaties in de rekening-courant en deposito worden vooral veroorzaakt door mutaties in de rekening-courantstand van de sociale fondsen.

Artikel 13 Toeslagen

Tabel 81 Uitgaven beleidsartikel 13 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 
       

Nieuwe mutaties

      

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

 

118.125

65.367

63.548

63.548

 

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen Toeslagen»

  

45.735

50.327

43.521

 

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

  

13.454

   

Extrapolatie

     

106.569

       

Stand ontwerpbegroting 2021

0

118.125

124.556

113.875

107.069

106.569

Tabel 82 Ontvangsten beleidsartikel 13 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 
       

Nieuwe mutaties

      
       

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

0

Toelichting belangrijkste mutaties

Uitgaven

Vorming begrotingsartikel Toeslagen

Zoals wij in de Kamerbrief ‘Verbeterd inzicht in de begroting van Financiën (IXB)’ van 26 juni jl. hebben vermeld, wordt er een eigenstandig begrotingsartikel ingericht voor Toeslagen (artikel 13). Met deze stap kunnen de activiteiten van, en de inzet van beschikbare middelen voor Toeslagen beter worden verantwoord en door de Kamer worden gevolgd. De directe uitgaven die door het dienstonderdeel Toeslagen, inclusief de herstelorganisatie, worden gedaan, worden overgeheveld van artikel 1 naar artikel 13. Op termijn zullen in het nieuwe begrotingsartikel ook de uitgaven worden opgenomen van dienstonderdelen binnen de Belastingdienst die taken verrichten die aan het toeslagenproces ondersteunend zijn, bijvoorbeeld op het gebied van facilitaire zaken, ICT, de Belastingtelefoon en heffing en inning.

Toekenning meerjarige middelen «Herstellen Toeslagen»

Er zijn in diverse Kamerbrieven en kabinetsreacties toezeggingen gedaan met betrekking tot het versterken en verbeteren van de uitvoering van Toeslagen en het vernieuwen van de dienstverlening tegen de achtergrond van de CAF-11 zaak, de verschillende onderzoeken hiernaar (o.a. commissie AUT, IBO 1 en 2), en de uitspraak van de Hoge Raad in deze zaak. In de Kamerbrief ‘Aanpak problemen Belastingdienst, Douane en Toeslagen’ dd. 27 februari 2020 wordt een overzicht gegeven van de noodzakelijke verbeteringen in de organisatie van de Toeslagen en de vernieuwingsagenda, waarbij het intensiveringsplan van Toeslagen nauw aansluit.

Toeslagen (compensatie ouders en uitvoeringskosten)

Zoals aangegeven in ‘Kabinetsreactie op het eindrapport van de Advies commissie Uitvoering Toeslagen, het rapport van de ADR en het Zwartboek' en zoals vermeld in de 1e suppletoire begroting van Financiën, heeft het kabinet besloten middelen beschikbaar te stellen om de gevolgen van een onredelijk hard toeslagenstelsel zo veel mogelijk te repareren. De uitvoeringskosten in 2022 (€ 20 mln.) worden overgeheveld van artikel 10 naar artikel 1 (ca. € 7 mln.) en artikel 13 (ca. € 13 mln.).

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

Fiscaal

Tabel 83 Door de Staten-Generaal aanvaarde moties die zijn afgerond
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1

2015-2016

Neppérus verzoekt de regering de opbrengst van de nieuwe dieseltoeslag in de mrb in te boeken en terug te sluizen door verdere generieke verlaging van de motorrijtuigenbelasting bij het Belastingplan 2017.

Kamerstukken II 2015-2016, 34 391, nr. 24. Aangenomen 12 april 2016.

Afgerond. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de opbrengst van de fijnstofstoeslag in te zetten ter dekking van het Klimaatakkoord (Kamerstukken II 2018-2019, 32 813, nr. 348). Hiermee beschouwt het kabinet deze motie als afgedaan.

2

2015-2016

Schouten en Groot verzoeken de regering een opkoopregeling uit te werken voor oude dieselbestelauto's die te maken krijgen met de mrb-toeslag en de opbrengsten van de toeslag te bestemmen voor de financiering van de regeling en indien de opkoopregeling niet tijdig tot stand komt, de opbrengst van de mrb-toeslag terug te sluizen in een lagere mrb.

Kamerstukken II 2015-2016, 34 391, nr. 29. Aangenomen 12 april 2016.

Afgerond. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de opbrengst van de fijnstofstoeslag in te zetten ter dekking van het Klimaatakkoord (Kamerstukken II 2018-2019, 32 813, nr. 348). Hiermee beschouwt het kabinet deze motie als afgedaan.

3

2015-2016

Schouten en Groot verzoeken de regering de verdragen met landen op een zwarte lijst te heroverwegen, zodra de zwarte lijst is vastgesteld door de EU.

Kamerstukken II 2015-2016, 25 087, nr. 122. Aangenomen 28 juni 2016.

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 25 087, nr. 256

4

2017-2018

Motie Stoffer cs: verzoekt de regering, opties te schetsen voor de langere termijn om de pijnpunten in de marginale druk, bijvoorbeeld voor eenverdieners, weg te nemen en hierover binnen een jaar te rapporteren aan de Kamer.

Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 86. Aangenomen 29 mei 2018

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, Nr. 8

5

2018-2019

Bruins verzoekt de regering een analyse te maken naar effect flexibilisering arbeidsmarkt op overheidsfinancien.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 210, nr. 8.

Afgerond, antwoord in vorm van kamerbrief verstuurd 2 juli 2020. Nog wel toezegging om vervolganalyse te laten maken door CPB in najaar indien technisch mogelijk. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300, nr. 80

6

2018-2019

Motie van het lid Lodders c.s. over cultuur als vierde pijler in het jaarplan 2020.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 508. Aangenomen 4 juli 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019–2020, 31 066, nr. 539, p. 2

7

2018-2019

Motie van de leden Leijten en Lodders over letselschadevergoedingen.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr. 55. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, Nr. 71/72/73 en Kamerstukken II 2019-2020, 35 026, nr. 75

8

2018-2019

Motie-Lodders/Van Weyenberg over verduurzaming niet ontmoedigen door hogere lokale lasten.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 029, nr. 20. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Deze moties is overgedragen aan mijn collega's van BZK. Hierbij wordt de motie van de lijst gehaald voor het ministerie van Financiën.

9

2018-2019

Motie-Leijten/Laçin over de teruggaveregeling van bpm voor taxivoertuigen.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 029, nr. 21. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Bij de Wet fiscale vergroeningsmaatregelen 2019 is vastgesteld dat de BPM-teruggaaf voor personenauto's die bestemd zijn voor taxivervoer of openbaar vervoer komt te vervallen. De maatregel is met ingang van 1 januari 2020 in werking getreden. Staatsblad 2018, nr. 506.

10

2018-2019

Motie-Lodders over evalueren en monitoren van de effecten van ATAD 1.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 030, nr. 18. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Met de Monitoringsbrief van 29 mei 2020 wordt deze motie afgedaan.

11

2018-2019

Motie-Leijten/Van Weyenberg over een vervolgonderzoek naar geldstromen en belastingconstructies.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 030, nr. 19. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Met de Monitoringsbrief van 29 mei 2020 wordt deze motie afgedaan.

12

2018-2019

Motie-Sent (PvdA) c.s. over een separate doenvermogenstoets voor toekomstige pakketten Belastingplan.

Kamerstukken I 2018-2019, 35 026, I. Aangenomen 18 december 2018

Afgerond. Kamerstukken I 2019-2020, 35 026, nr. S

13

2018-2019

Motie-Snels c.s. over een constructieve opstelling bij het uitwerken van OESO-voorstellen .

Kamerstukken II 2018-2019, 25 087, nr. 234. Aangenomen 23 april 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

14

2018-2019

Motie van het lid Van Weyenberg c.s. over een overzicht van aftrekposten en belastingregelingen. - Staatssecretaris Snel zeg toe aan Kamer tijdens Debat belastingafdracht multinationals 13 juni 2019, meer kwantitatief inzicht te geven in «grondslagversmallers», aftrekposten, vrijstellingen. De staatssecretaris geeft daarbij aan dat dat tussenstanden gegeven kunnen worden, maar voor meer zeggende gegevens meer moeten koersen richting begin 2020.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 369, nr. 21, Aangenomen 18 juni 2019&Staatssecretaris Snel tijdens Debat belastingafdracht multinationals, 13 juni 2019; Handelingen II 2018-2019, nr. 93, item 11, blz. 16

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 623

15

2018-2019

Motie van het lid van Weyenberg c.s. dat verzoekt om het taxivervoer te vergroenen met de afschaffing van de bpm-teruggaafregeling, monitoren gevolgen voor zorg- en doelgroepenverkeer in samenwerking met VWS en dergelijke parten (gemeenten en aanbieders zorg- en doelgroepenverkeer), Kamer informeren tijdens behandeling van Belastingplan 2020.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 029, nr. 22. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Beantwoording Kamervragen, Aanhangsel van de Handelingen, 2018-2019, 3441, d.d. 15-7-2019. In het Belastingplan 2019 is vastgesteld dat de BPM-teruggaaf voor personenauto's die bestemd zijn voor taxivervoer of openbaar vervoer komt te vervallen.

16

2018-2019

Motie Omtzigt/Bruins over een studietoelage uit een fonds van de werkgever - Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2019).

Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr. 49. Aangenomen 15 november 2018

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 4

17

2018-2019

Motie-Ester (ChristenUnie) c.s. over het jaarlijks indexeren van de maximaal onbelaste vrijwilligersvergoeding.

Kamerstukken I 2019-2020, 35 026, G. Aangenomen op 18 december 2018

Afgerond. De Eerste Kamercommissie voor Financiën heeft op 17 december 2019, na de behandeling van het pakket Belastingplan 2020, besloten deze motie als voldaan te beschouwen. Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, A. blz. 1

18

2018-2019

Motie van het lid Omtzigt over verbetering van praktische rechtsbescherming bij belastingzaken.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 468. Aangenomen 21 maart 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20, blz 4-5

19

2019-2020

Motie van de leden Lodders en Van Weyenberg over het doorbreken van de gesloten bestuurscultuur bij de Belastingdienst. De ledenverzoeken de regering, in het eerste kwartaal voorstellen te doen waarbij externen meekijken met de Belastingdienst om zo de gesloten bestuurs-cultuur te doorbreken.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 560. Aangenomen 4 december 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 30 166, nr. 607, p. 7

20

2019-2020

Motie van de leden Van Haga en Baudet over de bureaucratie rond uitstel van belastingen tot een minimum beperken.

Kamerstukken II 2019-2020, 25 295, nr. 165 Aangenomen 25 maart 2020

Afgerond. Kamerstukken II 2019–2020, 35 420, nr. 7 & Stcrt. 2020-26066

21

2019-2020

Gewijzigde motie nr. 170 van lid Krol.

Kamerstukken II 2019-2020, 25 295, nr. 198 Aangenomen 26 maart 2020

Afgedaan. Belastingplichtigen zijn via diverse media geattendeerd op de mogelijkheid tot het vragen van uitstel. Het vragen van uitstel is verder vereenvoudigd, onder andere door automatisch uitstel te verlenen aan bepaalde doelgroepen.

22

2019-2020

Gewijzigde motie van de leden Dik-Faber en Ronnes over het differentiëren van de overdrachtsbelasting (t.v.v. 32847-497) ; nu nr. 504. Integrale visie op de woningmarkt.

Kamerstukken II 2018-2019, 32 847, nr. 504. Aangenomen 19 maart 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 665

23

2019-2020

Motie van het lid Omtzigt c.s. over adviesaanvraag aan de WRR en het CPB over de optimale belastingmix.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 369, nr. 17. Aangenomen 18 juni 2019

Afgerond. Zie onderzoek Nederlandse belastingmix, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

24

2019-2020

Motie van het lid Van Weyenberg c.s. over pleiten voor verlenging van het BEPS-project.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 369, nr. 20. Aangenomen 18 juni 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

25

2019-2020

Motie van de leden Lodders en Van Weyenberg over onderzoek naar de empirische effecten van verstoringen in het globaal evenwicht.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 43. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. Zie onderzoek Belasten van (inkomen uit) aanmerkelijk belang, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

26

2019-2020

Motie van het lid Snels over een onderzoek van de Europese Commissie naar het omzeilen van de meldingsplicht.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 46. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

27

2019-2020

Motie van de leden Omtzigt en Lodders over de implementatie van meetmethoden en de bpm.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 48. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 79

28

2019-2020

Motie van het lid Omtzigt c.s. over de ambitie dat Nederland niet meer voorkomt in de top vijf van doorstroomlanden.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 50. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. In de brief "Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking "d.d. 29-5-2020.

29

2019-2020

Motie van de leden Van Weyenberg en Middendorp over het lage btw-tarief voor toegang tot innovatieve vormen van nieuwsvoorziening.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 53. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 84

30

2019-2020

Motie van het lid Van Weyenberg c.s. over het monitoren van de budgettaire opbrengsten van de bronbelasting op rente en royalty's.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 54. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. In de brief "Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking "d.d. 29-5-2020.

31

2019-2020

Motie van de leden Van Weyenberg en Alkaya over mogelijkheden voor hogere belastingen op vermogens boven de 1 miljoen euro.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 55. Aangenomen 14 november 2019

Afgerond. Zie onderzoek Belasten van vermogen, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

32

2019-2020

Motie-Otten c.s. over onderzoek naar vereenvoudiging van het belastingstelsel.

Kamerstukken I 2019-2020, 35 302, N. Aangenomen 17 december 2019

Afgerond. Zie onderzoek Vereenvoudiging, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

33

2019-2020

Motie van het lid Ronnes c.s. over het bedrag dat corporaties betalen vanwege ATAD.

Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 568. Aangenomen 1 oktober 2019

Afgerond. Voldaan in de brief "Bestedingsruimte en opgaven voor woningcorporaties", d.d. 3-7-2020.

34

2019-2020

Gewijzigde motie van de leden Leijten en Lodders over niet afwijken van de aangenomen motie over besluitvorming op belastingheffing bij unanimiteit (t.v.v. 21501-07-1652).

Kamerstukken II 2018-2019, 21 501-02, nr. 1920. Aangenomen 8 november 2018. En Kamerstukken II 2019-2020, 21 501-07, nr. 1653. Aangenomen 20 februari 2020

Wij respecteren de motie.

35

2019-2020

Motie van het lid Van Haga over onderzoeken of voor het jaar 2020 de werkkostenregeling verhoogd kan worden.

Kamerstukken II 2019-2020, 25 295, nr. 239. Aangenomen 8 april 2020

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 420, nr. 26

36

2019-2020

Motie van de leden Van Haga en Baudet over directe verrekening van het geschatte verlies met de winst in 2019.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 430, nr. 26. Aangenomen 16 april 2020

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 420, nr. 26

37

2019-2020

Motie van de leden Van Haga en Baudet over verruimen van de verliesverrekening van de Vpb.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 430, nr. 25. Aangenomen 16 april 2020

Afgerond. Aanhangel van de Handelingen II 2019-2020, nr. 2883

38

2019-2020

Motie van het lid Leijten c.s. over een grote stem voor degenen die het werk uitvoeren.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 580. Aangenomen 28 januari 2020

Afgerond. In de brief «Aanpak versterking besturing Belastingdienst, Toeslagen en Douane» d.d. 15-7-2020

39

2019-2020

Motie van het lid Bruins c.s. over een haalbaarheidstoets op de voorgenomen ontvlechting.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 584. Aangenomen 28 januari 2020

Afgerond. In de brief «Aanpak versterking besturing Belastingdienst, Toeslagen en Douane» d.d. 15-7-2020

Tabel 84 Door de Staten-Generaal aanvaarde moties die nog niet zijn afgerond
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1

2015-2016

Van Vliet verzoekt de regering bij de volgende evaluatie van de bankenbelasting, de economische effecten zo veel mogelijk mee te nemen en de Kamer dan daarover te rapporteren.

Kamerstukken II 2015-2016, 32 545, nr. 49. Aangenomen 19 april 2016.

In behandeling. Dit wordt behandeld bij de volgende evaluatie van de bankenbelasting in 2021.

2

2016-2017

Motie van het lid Mei Li Vos over na de transitie stapsgewijs de handhaving aanvangen.

Kamerstukken II 2016-2017, 34 036, nr. 34. Aangenomen 4 oktober 2016

In behandeling. Zie daarnaast Kamerbrief d.d. 24 juni 2019 (Kamerstukken II, 2018-2019, 31066, nr. 515) en Kamerbrief d.d. 4 februari 2020 (Kamerstukken II, 2019–2020, 31 066, nr. 595) waar wordt ingegaan op toezicht en handhaving op de kwalificatie van arbeidsrelaties voor de loonheffingen.

3

2016-2017

Leijten verzoekt de regering zich in te spannen voor bindende afspraken tussen het VK en de EU om belastingontwijking te voorkomen.

Kamerstukken II 2016-2017, 21 501-20, nr. 1222. Aangenomen 20 april 2017.

In behandeling. Dit vormt een onderdeel van EU-inzet m.b.t. onderhandelingen met het VK.

4

2017-2018

Snels verzoekt de regering nauwlettend te monitoren of er alsnog onvoorziene of onwenselijke consequenties voor specifieke groepen mensen optreden nav de uitfasering van Hillen en verzoekt bij constatering de Kamer daarover te rapporteren.

Kamerstukken II 2017-2018, 34 819, nr. 15. Aangenomen 23 november 2017.

In behandeling. De maatregel is met ingang van 1 januari 2019 in werking getreden en de regeling Hillen is nu voor 6,66% uitgefaseerd. Op dit moment hebben wij nog geen signalen dat sprake zou zijn van onvoorziene of onwenselijke consequenties voor specifieke groepen mensen.

5

2017-2018

Gewijzigde motie-Essers (CDA) en Geerdink (VVD) c.s. over het voorkomen van dubbele heffingIn deze motie wordt de staatssecretaris verzocht te bevorderen dat in onvoorziene gevallen waarin de richtlijnen ATAD1 en ATAD2 zich er niet tegen verzetten, in de uitvoeringspraktijk, dubbele heffing zoveel mogelijk te voorkomen, voor zover de wet en de daarbij behorende toelichting dit toestaan, en om het komende jaar in gesprek te gaan met de Europese Commissie en andere lidstaten om te bezien of en zo ja, hoe dubbele heffing kan worden weggenomen als de oorzaak in deze richtlijnen is gelegen.

Kamerstukken I 2019-2020, 35 241, H. Aangenomen 17 december 2019

In behandeling. Brief is op 27 maart aan de EC gezonden met daarin: aandacht voor dubbele belastingheffing onder ATAD2 en delen ervaring.

6

2018-2019

Motie Van Weyenberg c.s.; onderzoeken Autoriteit Persoonsgegevens en Nationale Ombudsman de kamer zo spoedig mogelijk informeren.

Staatssecretaris Snel tijdens het AO Stopzetten kinderopvangtoeslag van 4-7-2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 506

Deels voldaan. Onderzoek AP: Kamerstukken II 31066, nr. 683. d.d. 17 juli. - "Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens over de verwerking van de nationaliteitvan aanvragers van kinderopvangtoeslag". Onderzoek NO wordt verwacht in september 2020

7

2018-2019

Motie Omtzigt c.s. om gedupeerde ouders spoedig schadeloos te stellen en daarbij ook te kijken naar afgeronde terugvorderingen over de jaren 2012 en 2013. Tevens het verzoek om een tussenrapportage uiterlijk 1 juli aan de Kamer te zenden.

Staatssecretaris Snel tijdens het AO Stopzetten kinderopvangtoeslag van 4-7-2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 503

In behandeling. Gedeeltelijk afgedaan d.m.v. Kamerbrief d.d. 22 november 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 544. De tussenrapportage zal worden meegenomen in de voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag van september

8

2018-2019

Motie van het lid Leijten over eerbiedigen van de gedragslijn voor strafbare feiten begaan door ambtenaren.

Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, 449. Aangenomen 20 december 2018

Doorlopend. De Belastingdienst respecteert de gedragslijn. In de periodieke motie- en toezeggingenbrief wordt gerapporteerd over het aantal gevallen dat besproken is in het overleg tussen OM, FIOD en Belastingdienst en in hoeveel gevallen dit heeft geleid tot aangifte.

9

2018-2019

Gewijzigde motie van de leden Omtzigt c.s. over de richtlijnen voor de bescherming van klokkenluiders volledig implementeren.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr 509. Aangenomen 4 juli 2019

In behandeling. Naar aanleiding van deze motie is op 31 oktober 2019 aan de Kamer toegezegd de aanbevelingen van de Raad van Europa voor de bescherming van klokkenluiders te implementeren bij de Belastingdienst (31 066, nr. 534). De Minister van Financiën refereerde hieraan in zijn brief van 11 januari jl (31 066, nr. 588). Bij brief van 24 januari 2020  zijn de antwoorden verstuurd op de door uw Kamer gestelde vragen in het Schriftelijk overleg van 11 december naar aanleiding van de eerdere Toezegging (31 066, nr. 597). Over nieuwe ontwikkelingen op dit dossier zal uw Kamer worden geïnformeerd.

10

2018-2019

Motie van het lid Slootweg over één machtigingscode voor belastingaangifte en toeslagen.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 210, nr. 4. Aangenomen 3 juli 2019

In behandeling. Invoering voor belastingseizoen 2020 is niet haalbaar gebleken. In de moties- en toezeggingenbrief van het voorjaar 2021 verwachten we uw Kamer verder te kunnen informeren over de verwachte implementatiedatum.

11

2018-2019

Motie van het lid Omtzigt over opsporen van wanbetalers met een buitenlands kenteken.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 027, 11. Aangenomen 15 november 2018

In behandeling. De Kamer wordt hier binnenkort over geïnformeerd.

12

2018-2019

Motie van het lid Van Der Lee c.s. over voorkomen van dubbele energiebelasting.

Kamerstukken II 2018-2019, 35 000-XIII, nr. 27. Aangenomen 13 november 2018

In behandeling. Door verschillende ontwikkelingen -zoals beschreven in de Kamerbrief fiscale moties en toezeggingen van 12 juni jl. - is het opnemen van een maatregel in het Belastingplan 2021 met inwerkingtreding per 2021 niet haalbaar gebleken. Het kabinet blijft actief inzetten op het uitwerken van een oplossing ter uitvoering van deze motie in overleg met de branche. Dit onderwerp zal een belangrijk onderdeel vormen van de evaluatie van de energiebelasting.

13

2019-2020

Motie van het lid Alkaya over het uitwerken van mogelijke stimuleringsmaatregelen die kunnen worden ingezet als de economische situatie daarom vraagt.

AO Eurogroep/Ecofin op 12 maart 2020, Kamerstukken II 2019–2020, 21 501-07, nr. 1690

In behandeling. Wordt opgepakt bij het schrijven van de miljoenennota

14

2019-2020

Motie van Lodders en Weyenberg over het doorbreken van de gesloten bestuurscultuur bij de Belastingdienst, tijdens plenaire vergadering 10 december 2019.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 560

In behandeling. Hiertoe worden een externe klankbordgroep ingesteld, zoals vermeld in Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 588.

15

2019-2020

Motie van het lid Leijten c.s. over kenbaar maken waarvan ouders worden verdacht bij opzet/grove schuld.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 27-5-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 641

In behandeling.

16

2019-2020

Motie van de leden Van Kooten-Arissen en Leijten over vergelijkbare meldingen meenemen in het externe nader onderzoek. (Onderzoek van Onderzoeksbureau Integriteit Financiën)

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 27-5-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, 647

In behandeling.

17

2019-2020

Motie van het lid Nijboer over zorgen voor diversiteit bij de werving van nieuwe medewerkers, daar de Belastingdienst voor de compensatieregeling 500 medewerkers verwacht nodig te hebben en deze deels nog moet werven.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 17-6-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 34

In behandeling.

18

2019-2020

Motie van het lid Nijboer over heldere tijdsdoelstellingen bij het compenseren van ouders en de Kamer periodiek te informeren over het behalen van deze doelstellingen.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 17-6-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 33

In behandeling.

19

2019-2020

Motie van het lid Leijten dat in alle gevallen die onder de compensatieregelingen komen te vallen gedupeerden eerst hun verhaal mogen doen alvorens de Belastingdienst/Toeslagen zijn bevindingen uiteenzet.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 17-6-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 29

In behandeling.

20

2019-2020

Motie van het lid Leijten om bij het vaststellen van gevolgschade voor gedupeerde ouders coulant om te gaan met wat als gevolgschade van de onterechte terugvordering van toeslagen kan worden aangemerkt.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 17-6-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 27

In behandeling. De richtlijnen voor de Commissie Werkelijke Schade worden uitgewerkt en gedeeld als onderdeel van de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag van september

21

2019-2020

Motie van het lid Omtzigt over recht op een afschrift van het dossier voor ouders in CAF-zaken.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 2-7-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 671

In behandeling.

22

2019-2020

Motie van het lid Omtzigt c.s. over een informatiecampagne over de wet inzake compensatie voor slachtoffers van de toeslagenaffaire.

Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het debat van 2-7-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 672

In behandeling.

23

2019-2020

Gewijzigde motie van de leden Omtzigt en Bruins (t.v.v. 250110-21)

Kamerstukken II 2018-2019, 35 010, nr. 21. Aangenomen 12 september 2019

In behandeling. In de brief van 14 mei 2020 (Voortgang herstelactie kindgebonden budget) is de Kamer over de stand van zaken van deze motie geïnformeerd.

24

2019-2020

Motie Omtzigt c.s. over misstanden melden bij een onafhankelijke instantie, tijdens plenaire vergadering 10 december 2019.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 552. Aangenomen 4 december 2019

In behandeling. In brief van 11 januari 2020 [Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 588] wordt vermeld dat uitvoering wordt gegeven aan de motie Omtzigt door middel van het benoemen van twee personeelsraadspersonen. De personeelsraadspersonen worden benoemd in de Kamerbrief "Aanpak problemen Belastingdienst, Douane en Toeslagen". Kamerstukken II, 2019-2020, 31 066, nr. 607. Rapportage is voorzien in 2021.

25

2019-2020

Gewijzigde motie van het lid Lodders c.s. over een oplossing voor de problematiek van de Nederlandse/Noorse vrachtwagenchauffeurs en Rijnvarenden (t.v.v. 35 110, nr. 10).

Kamerstukken II 2018-2019, 35 110, nr. 13, Aangenomen 4 juli 2019

In behandeling. De gemaakte afspraken ter voorkoming van dubbele belasting zijn inmiddels uitgewerkt en voorgelegd aan de vrachtwagenchauffeurs; de motie is afgedaan voor zover deze betrekking heeft op de vrachtwagenchauffeurs. Voor de Rijnvarenden zijn er tijdelijk geen invorderingsmaatregelen van toepassing. De Kamer wordt spoedig geïnformeerd over de voortgang.

26

2019-2020

Motie van het lid Stoffer over de regeling voor groene beleggingen in box 3 toepassen op investeringen in alternatieve financieringsvormen.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 300, nr. 66. Aangenomen 8 oktober 2019

In behandeling. Niet meer van toepassing door veranderen box 3-stelsel.

27

2019-2020

Motie van het lid Lodders over onderzoek naar modernisering van de reiskostenvergoeding.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 44. Aangenomen 14 november 2019

In behandeling. De Kamer wordt hier binnenkort over geïnformeerd.

28

2019-2020

Motie van het lid Lodders c.s. over het monitoren van administratieve last voor mkb'ers door ATAD 2.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 45. Aangenomen 14 november 2019

In behandeling. In de fiscale moties en toezeggingenbrief van Prinsjesdag 2021 wordt teruggekomen op de gevolgen van deze wet voor de administratieve lastenontwikkeling voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).

29

2019-2020

Motie van het lid Bruins c.s. over de effectiviteit van de CO2-reducerende stimuleringsmaatregelen voor elektrische auto's.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 56. Aangenomen 14 november 2019

In behandeling. De motie Bruins ''monitoring effectiviteit stimulering EV'' wordt uitgevoerd in kader trendrapportage Elektrisch Vervoer. Er zal over worden gerapporteerd in kaderbrief ''hand aan de kraan'' systematiek.

30

2019-2020

Motie van de leden Bruins en Van Weyenberg over varianten waarbij het toeslagenstelsel verdwijnt.

Kamerstukken II 2019-2020 31 066, nr. 558. Aangenomen 10 december 2019

In behandeling. Intentie van de motie wordt door het kabinet onderschreven in de kabinetsreactie IBO Toeslagen van 7 mei 2020; Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 624. Er wordt gewerkt om eind van dit jaar de contouren van een ander stelsel gereed te hebben.

31

2019-2020

Motie van het lid Lodders c.s. over de eerste verbeteringen en alternatieven doorvoeren in het komende Belastingplan.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 582. Aangenomen 28 januari 2020

In behandeling. De uitvoering van deze motie wordt meegenomen in het Belastingplan 2021.

32

2019-2020

Motie van het lid Lodders c.s. over het voorkomen van dubbeling tussen een Europese en een natonale heffing.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 205, nr. 23. Aangenomen 1 april 2020

In behandeling. Passieve motie die blijft gelden tot de Europese Commissie met een voorstel voor een Europese vliegbelasting komt.

33

2019-2020

Motie van het lid Lodders c.s. over monitoren van de effecten van de vliegtaks op regionale vliegvelden.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 205, nr. 24. Aangenomen 1 april 2020

In behandeling. Het wetsvoorstel voorziet al in een evaluatie 2 jaar na inwerkingtreding (amendement Lodders), de gevraagde monitoring in de tussenliggende periode zal na inwerkingtreding plaatsvinden.

34

2019-2020

Motie van het lid Stoffer c.s. over stimuleren van internationeel treinverkeer.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 205, nr. 26. Aangenomen 1 april 2020

In behandeling. Gedeeltelijk beantwoord in Kamerstukken II 2019-2020, 35 205, nr. 31. Verdere beleidsopties worden momenteel onderzocht.

35

2019-2020

Motie van het lid Omtzigt over een ultieme poging tot een oplossing te komen in het SBF-domein.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 668. Aangenomen 2 juli 2020

In behandeling. Deze motie is opgepakt. Wij verwachten uw Kamer in het najaar van 2020 verder te informeren

36

2019-2020

Motie van de leden Omtzigt en Van Weyenberg over oplossingen voor de casussen in het werkdocument van de Belastingdienst.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 670. Aangenomen 2 juli 2020

In behandeling. Bij indiening van het wetsvoorstel «Wet verbetering uitvoering toeslagen» zal een brief n.a.v. de casussen worden meegestuurd. De uitvoering van deze motie wordt meegenomen in het Belastingplan 2021.

37

2019-2020

Motie van het lid Lodders c.s. over beleidsopties voor vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement.

Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 673. Aangenomen 2 juli 2020

In behandeling. Aanvraag voor extern onderzoek wordt momenteel uitgewerkt.

38

2019-2020

Motie van het lid Van der Lee over niet afwachten van de Europese Richtlijn Energiebelasting.

Kamerstukken II 2019-2020, 32 813, nr. 540. Aangenomen 2 juli 2020

In behandeling. Bij uitwerking van de maatregel zal rekening gehouden worden met de motie.

39

2019-2020

Motie van het lid Van der Lee over een positief oordeel over een koolstofheffing aan de grens.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 377, nr. 13. Aangenomen 30 juni 2020

In behandeling.

40

2019-2020

Motie van het lid Slootweg c.s. over een speciale ombudsman voor belastingzaken.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 450, nr. 7. Aangenomen 2 juli 2020

In behandeling.

41

2019-2020

Motie van het Lid Van Dijk over handhaving bij evidente kwaadwillendheid.

Kamerstukken II 2019-2020 31 311, nr. 223, aangenomen 2 juli 2020

In behandeling.

42

2019-2020

Motie van de leden Omtzigt en Lodders over specifieke informatie in de Voortgangsmonitor.

Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, nr. 49. Aangenomen 14 november 2019

De motie is niet uitvoerbaar gebleken. De voortgangsmonitor KA is bedoeld voor het monitoren van afspraken KA en niet voor het monitoren van beleidseffecten. Het kabinet zal uw Kamer dit najaar informeren of en zo ja hoe in de geest van de motie invulling gegeven kan worden aan de monitoring van fiscale klimaatmaatregelen.

43

2019-2020

Motie van de leden Amhaouch en Van Eijs over een internationaal concurrerende regeling voor de versterking van het groeivermogen van jonge bedrijven.

Kamerstukken II 2019-2020, 33 009, nr. 86. Aangenomen 9 juni 2020

In behandeling. Overleg vindt plaats over invulling van de motie.

Tabel 85 Door bewindslieden gedane toezeggingen die zijn afgerond
 

Vergaderjaar

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken / planning

1

2017-2018

Staatssecretaris Snel heeft toegezegd aan de Kamer in de brief van 26 april 2018, om ook op een meer systematische wijze vast te kunnen stellen dat de sturing en de bijbehorende organisatie- en cultuurverandering zich goed ontwikkelt. De staatssecretaris zal de ADR vragen om onderzoek uit te voeren naar de mate waarin de sturing zich verbetert.

Staatssecretaris Snel in de brief van 26 april 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 31 066, nr. 403.

Afgerond. Kamerstukken II 2018–2019, 31 066, nr. 500

2

2017-2018

Minister-president Rutte zegt toe aan Kamerlid Brinkman tijdens de behandeling van de Miljoenennota van 5 december 2017, per fiscaal wetsvoorstel nader te onderbouwen dat het uitvoerbaar is voor de belastingdienst. (T02492)

Minister-president Rutte tijdens de algemene politieke beschouwingen van 5 december 2017. Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3, blz. 21.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 000 IX, nr. 2, p. 10

3

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Snels tijdens het WGO van 6 november 2017 om bij de dividendbelasting de vraag mee te nemen wanneer er gekeken zal worden naar het verdragsbeleid.

Staatssecretaris Snel tijdens het WGO over het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling op 6 november 2017. Kamerstukken II 2017- 2018, 34 788, nr. 11, blz. 34

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 25 087, nr. 256

4

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Weyenberg tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen 9 november 2017 om samen met de minister van SZW aan de slag te gaan met de vervanging van de wet DBA.

Staatssecretaris Snel tijdens de AFB op 9 november 2017. Handelingen II 2017-2018, nr. 20, item 16, blz. 83

Afgerond. Behandeld in Kamerbrief "Voortgang werken als zelfstandige". Zie ook de toezegging op 17 juni 2020; Staatssecretaris Vijlbrief tijdens het AO ZZP op 17 juni 2020: ongecorrigeerd verslag, blz. 66.

5

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan kamerlid Rij tijdens Algemene Financiële Beschouwingen om de evaluatie van de eigenwoningregeling (die nu gepland staat voor 2020) te vervroegen naar 2019.

Staatssecretaris Snel tijdens Algemene Financiële Beschouwingen, 12 december 2017. Handelingen I 2017-2018, nr. 12, item 7, blz. 60

Afgerond. De evaluaties zijn afgerond en in december 2019 naar de Kamer gezonden, voorzien van kabinetsreactie. Kamerstukken 2019-2020, 32 847, nr. 583

6

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Omtzigt tijdens het Plenair debat over problemen bij het innen van belastingen van 21 juni 2018, om in het kader van het verbeterplan fiscaal stelsel om een aantal experts uit te nodigen om structureel en fundamenteel na te denken over de toekomst van het belastingstelsel en de Belastingdienst. Ook toegezegd om een update over de wijze waarop dit onderzoek gedaan gaat worden in het najaar 2018 te geven.

Staatssecretaris Snel tijdens plenair debat over problemen bij het innen van de belastingen 21 juni 2018; Handelingen II 2017-2018, nr. 97, item 7, blz. 18

Afgerond. Ingevuld met publicatie Bouwstenen, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

7

2017-2018

Staatssecretaris Wiebes zegt tijdens het WGO 7 november 2016 aan de Tweede Kamer toe deze jaarlijks te informeren over het gebruik op de regeling voor het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer. Staatssecretaris Wiebes herhaalt de toezegging tegenover de Eerste Kamer in de nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2017 op 9 december 2016.Staatssecretaris Snel herhaalt de toezegging van zijn voorganger in de fiscale moties en toezeggingenbrief aan de Eerste Kamer. Over de jaren 2018 en 2019 wordt de Kamer na afloop van het kalenderjaar tegen het einde van het eerste kwartaal geïnformeerd.

Staatssecretaris Wiebes tijdens het WGO op 7 november 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 70, blz. 93.Staatssecretaris Wiebes in Nota naar aanleiding van Verslag Belastingplan 2017 9 november 2017; Kamerstukken 2016-2017, 34 552, G, blz. 37-38.Staatssecretaris Snel in fiscale moties en toezeggingenbrief aan de Eerste Kamer 5 april 2018; Kamerstukken I, 34 785, H, blz. 2

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

8

2017-2018

Minister voor Rechtsbescherming Dekker zegt toe aan Kamerlid Snels tijdens het debat over het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructie, 5 september 2018, om samen met staatssecretaris Snel en met de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs te bespreken wat een Code Belastingadviseurs en een eed van belastingadviseurs zouden kunnen bijdragen aan een debat in de sector over het eigen handelen en de eigen cultuur. Het bureau Bureau Financieel Toezicht zal daarbij worden betrokken. De Kamer zal worden geïnformeerd over de uitkomsten.

Minister Dekker (Rechtsbescherming) tijdens debat over het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, 5 september 2018; Handelingen II 2017-2018, nr. 105, item 8, blz. 17

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

9

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Lodders tijdens het WGO Belastingplan 2019, 9 november 2018, om onderzoek te gaan doen naar alternatieve uitvoerders (van de wet) in het kader van vereenvoudiging van het belastingstelsel.

Staatssecretaris Snel tijdens WGO Belastingplan 2019, 9 november 2018; Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr. 62, p.25

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 590

10

2017-2018

Minister-president Rutte zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schalk (SGP) tijdens behandeling van de miljoenennota 2018, 5 december 2017, toe te blijven kijken naar mogelijkheden om de fiscale kloof voor eenverdieners te dichten.

Minister-president Rutte tijdens behandeling miljoenennota 2018, 5 december 2017; Handelingen I 2017-2018, nr. 11, item 3, blz. 21

Afgerond. De afgelopen jaren is, bijvoorbeeld tijdens de augustusbesluitvorming en bij de behandeling van het Belastingplan, veel aandacht geweest voor de positite van eenverdieners en hoe maatregelen voor deze groep uitpakken. Ook bij toekomstige besluitvormingsmomenten wordt deze aandacht gehandhaafd. Deze toezegging beschouw ik daarmee als afgedaan.

11

2017-2018

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerleden Leijten en Omtzigt tijdens een wetgevingsoverleg, inzake Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling, op 6 november 2017, te monitoren hoe het aantal coöperaties en het aantal houdstercoöperaties zich ontwikkelt.

Staatssecretaris Snel tijdens wetgevingsoverleg inzake Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling, 6 november 2017; Kamerstukken II 2017-2018, 34 788, nr. 11, blz. 30

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 000 IX, nr. 19

12

2017-2018

De staatssecretaris van Financieën zal de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Sent (PvdA), schriftelijke informeren over hoe de door de WRR ontwikkelde «doenvermogentoets» wordt toegepast bij het wijzigen van belastingwetgeving.

Kamerstukken I, 2017-2018, 34 785, K, p.14

Afgerond. Kamerstukken I 2019-2020, 35 026, nr. S

13

2018-2019

Toezegging om de vaktechnische inbedding van Toeslagen in de Belastingdienst te verbeteren.

Staatssecretaris Snel in een brief van 11-10-2018. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 434

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 28 april 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630

14

2018-2019

De Autoriteit Persoonsgegevens doet onderzoek naar de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals nationaliteit bij de Belastingdienst. De staatssecretaris zegt toe de uitkomsten van hun onderzoek met belangstelling af te wachten en elke medewerking te verlenen.

De staatssecretaris tijdens het debat van 11 juni 2019Kamerstukken II 2018-2019 31 066, nr. 490, pag. 7

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 683. d.d. 17 juli. «Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens over de verwerking van de nationaliteitvan aanvragers van kinderopvangtoeslag»

15

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamer tijdens het vragenuur van 22 januari 2019, om te onderzoeken of de Douane bij de screening van medewerkers verdere stappen kan zetten.

Staatssecretaris Snel tijdens het vragenuur van 22 januari 2019. Handelingen II 2018-2019, nr. 43, item 3.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 31 934 nr. 23

16

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Omtzigt in het Algemeen Overleg van 5 september 2019, dat hij de Kamer voor het eind van het jaar zal informeren over hoe de Belastingdienst de richtlijnen van de Raad van Europa over klokkenluiders heeft geïmplementeerd. (zie ook Motie).

Staatssecretaris Snel tijdens het Algemeen Overleg van 5 september 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 520.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 534

17

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de leden Snels en Van Weyenberg in het Algemeen Overleg van 17 juli 2019, dat hij de Kamer bij de volgende voortgangsrapportage over de Belastingdienst zal informeren over de invulling van het externe onderzoek naar de opvolging van de aanbevelingen van de commissie onderzoek Belastingdienst – commissie Joustra-Borstlap – over met name de cultuur bij de Belastingdienst.- Van Weyenberg: Het was een breder dan die Commissie. De staatssecretaris bevestigt dit.

Staatssecretaris Snel tijdens het Algemeen Overleg van 17 juli 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 513.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 523

18

2018-2019

Staatssecretaris Snel heeft eerdere toezegging herbevestigd. De brief over afhandeling van letselschade komt na de zomer.

Staatssecretaris Snel tijdens het Algemeen Overleg van 17 juli 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 513.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr. 71/72/73 en Kamerstukken II 2019-2020, 35 026, nr. 75

19

2018-2019

Staatssecretaris Snel heeft toegezegd om aan te sluiten bij het traject Maatwerk in dienstverlening (ABD Topconsult).

Staatssecretaris Snel in een brief aan de Kamer van 11 juni 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 490.

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 538

20

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Rij tijdens het mondeling overleg van 29 januari 2019 over de belastingdienst, het Jaarplan van de Belastingdienst te verzenden aan de Eerste Kamer.

Staatssecretaris Snel tijdens het mondeling overleg van 29 januari 2019, Kamerstukken I 2018-2019, 31 066, nr. D.

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066 nr 539

21

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Rij tijdens het mondeling overleg van 29 januari 2019, de ex postanalyse van de uitvoeringstoetsen aan de Eerste Kamer aan te bieden.

Staatssecretaris Snel tijdens het mondeling overleg van 29 januari 2019, Kamerstukken I 2018-2019, 31 066, nr. D, p. 13

Afgerond. Kamerstukken I 2019-2020, 35 302, A

22

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt de Kamer toe in de brief van 31 oktober 2019, om de invoering van de roettax per 1 januari 2020 te realiseren.

Staatssecretaris Snel in de brief van 31 oktober 2018. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 438.

Afgerond. Staatsblad 2019, 449

23

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamer tijdens het debat van 21 maart 2019, om in gesprek te gaan met de Nationale Ombudsman.

Staatssecretaris Snel tijdens het debat van 21 maart 2019. Handelingen II 2018-2019, nr. 65.

Afgedaan.

24

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt lid van Rooijen toe in de brief aan de Kamer van 1 oktober 2018, terug te komen op de ICT-doorlichting waar om is verzocht.

Staatssecretaris Snel in een brief aan de Kamer van 1 oktober 2018. Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 433, blz. 1

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 589

25

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamerleden Snels, Omtzigt en Stoffer tijdens de behandeling van Belastingplan 2019, 14 november 2018, te kijken naar bouwstenen voor vereenvoudiging van het stelsel.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 23, item 10, blz. 7

Afgerond. Ingevuld met publicatie Bouwstenen, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

26

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Köhler tijdens behandeling Pakket Belastingplan 2019, 11 december 2018, zowel wat de corporaties betalen aan vennoot-schapsbelasting als wat zij betalen aan verhuurderheffing, in een rapportage ook naar de Eerste Kamer te sturen.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 11 december 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 11, item 14, blz. 1

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 29453, nr. 493

27

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamer in brief Herziening Belastingstelsel 17 april 2019, Onderzoek naar het belasten van huurinkomsten. Wordt meegenomen in bouwstenen verbetering belastingstelsel, maar ook kijken welke mogelijkheden er bestaan binnen de bestaande wet- en regelgeving, om in ieder geval toezicht en handhaving op dergelijke structuren te verbeteren.

Staatssecretaris Snel in brief Herziening Belastingstelsel, 17 april 2019; Kamerstukken I, 2018-2019, 32 140, B, blz. 9

Afgerond. Zie onderzoek Belasten van vermogen, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

28

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Omtzigt tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019 per brief, 12 november 2018, om in contact te zullen treden met de Nationale ombudsman om te bezien of het nodig en mogelijk is iets te doen voor mensen die (mede) als gevolg van de bbz-problematiek in de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen (WSNP) zijn beland en de Tweede Kamer over de uitkomsten schriftelijk te informeren.

Staatssecretaris per brief m.b.t. behandeling Belastingplan 2019, 12 november 2018; Kamerstukken II, 2018-2019, 35 026, nr. 38, blz. 3

Afgerond. Kamerstukken 2018-2019, 35 00-IX, nr. 19

29

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Weyenberg tijdens behandeling belastingplan 2019, 14 november 2018, bij de mogelijke integratie van de dividendbelasting en de bronbelasting op dividenden (moment nog niet bekend) wordt bekeken of heffing van bronbelasting op uitdelingen van winst door non-houdstercoöperaties aan leden gevestigd in een laagbelastende jurisdictie wenselijk is.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 22, item 10, blz. 32

Afgerond. Met de Monitoringsbrief van 29 mei 2020 wordt deze motie afgedaan

30

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamer tijdens plenaire behandeling van Pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018, de uitkomsten van het onderzoek naar marginale druk met de Kamer te delen voor het zomerreces.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018/29, nr. 23, item 10, blz. 9

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35302 nr. 8. Brief ‘Onderzoek marginale druk’ naar de Kamer verzonden. (de tabellen zijn met het belastingplan als bijlage opgenomen)

31

2018-2019

Tijdens de behandeling Belastingplan 2019, 14 november 2018, zegt staatssecretaris Snel toe aan kamerlid Omtzigt de opstellers van het Handboek Loonheffingen nadrukkelijk zal vragen om de informatie nog verder te verduidelijken, zodat de mogelijkheden niet alleen helder zijn voor de inspecteur maar ook voor de werkgever. Het gaat om opties die werkgevers hebben voor vergoeding van scholingskosten van kinderen van werknemers te verduidelijken.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 23, item 10, blz. 45

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300 IX, nr. 4, blz. 3

32

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt aan kamerlid Schalk toe tijdens Algemene Financiele beschouwingen op 20 november 2018, toe om te kijken naar de mogelijkheden om bijvoorbeeld voor de behandeling van het Belastingplan geüpdatete informatie over de marginale druk te verstrekken. Dit aangezien een update van de tabel die vorig jaar naar de Kamer is gestuurd (voor de jaren 2016, 2018 en 2021) niet mogelijk is.

Staatssecrtaris Snel tijdens de Algemene Financiële Beschoudingen, 20 november 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 8, item 8, blz. 46

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35302 nr. 8. Brief ‘Onderzoek marginale druk’ naar de Kamer verzonden. (de tabellen zijn met het belastingplan als bijlage opgenomen)

33

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Ester tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen, 20 november 2018 om, ook met de minister van BZK, de komende periode onderzoek te doen naar (het belasten van) inkomsten uit verhuur. Daarnaast heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij het voornemen heeft om dit thema een van de bouwstenen te laten zijn voor een stelselherziening.

Staatssecretaris Snel tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen 20 november 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 8, item 8, blz. 47

Afgerond. Zie onderzoek Belasten van vermogen, zie Kamerstukken I 2019-2020, 32 140, nr. D

34

2018-2019

Voetbalmakelaarsarrest: Staatssecretaris Snel zegt toe in het memorie van antwoord Belastingplan 2019 van 30 november 2018: Vooruitlopend op een wijziging van de Wet IB 2001 in een beleidsbesluit aangegeven hoe de Belastingdienst met dit arrest in de praktijk zal omgaan. Dit besluit zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2019 verschijnen

Staatssecretaris Snel in memorie van antwoord Belastingplan 2019, 30 november 2018; Kamerstukken I 2018-2019, 35 026, D, blz.15

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

35

2018-2019

Voetbalmakelaarsarrest: Staatssecretaris Snel zegt toe in Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2019 van 7 december 2018, dat terugwerkende kracht aan het besluit zal worden verleend tot en met 9 februari 2017, zijnde de datum waarop het HvJ EU het voetbalmakelaarsarrest heeft gewezen.

Staatssecretaris Snel in Nota naar aanleiding van verslag Belastingplan 2019, 7 december 2018; Kamerstukken I 2018-2019, 35 026, F, blz. 8

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 20

36

2018-2019

Tijdens de plenaire behandeling Belastingplan 2019 in de EK zegt Staatssecretaris Snel aan kamerlid Schalk toe dat hij samen met de minister SZW gaat onderzoeken welke mogelijkheden er op de lange termijn nog zijn om de resterende pijnpunten in de marginale druk te beperken. En hij zegt ook dat in dit onderzoek specifiek gekeken zal worden naar de positie van de een- en tweeverdieners.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 11 december 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 11, item 12, blz. 11

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 302, Nr. 8

37

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de commissie van Financiën tijdens het debat over de belastingplicht van multinationals, 13 juni 2019, een brief, vóór het AO Fiscale Beleidsagenda 2019 van 27 juni, een brief naar de Kamer met daarin de personele invulling van de externe begeleidingsgroep, een verslag van de eerste bijeenkomst en een uitgebreide onderzoeksopzet, te sturen.

Staatssecretaris Snel tijdens debat over de belastingplicht van multinationals, 13 juni 2019; Handelingen II 2018-2019, nr. 93, item 11, blz. 15

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 52 en Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 54

38

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan kamerleden Lodders en Nijboer tijdens het Algemeen Overleg op 19 juni 2019, een brief over afhandeling letselschade (motie-Lodders/Leijten) nog in de zomer te sturen aan de Kamer.

Staatssecretaris Snel tijdens Algemeen Overleg, 19 juni 2019; Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 513, blz. 45

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr. 71/72/73 en Kamerstukken II 2019-2020, 35 026, nr. 75

39

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Omtzigt tijdens behandeling Pakket Belastingplan 2019, 14 november 2019, jaarlijks aan te geven hoeveel woningcorporaties aan vennootschapsbelasting en verhuurderheffing betalen.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 23, item 10, blz. 30

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 29 453, nr. 493

40

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan kamerlid Azarkan tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan op 14 november 2018 er naar te streven, het wetsvoorstel dat strekt tot introductie van een bronbelasting op rente- en royalty-betalingen naar laagbelaste jurisdicties, uiterlijk op Prinsjesdag 2019 in te dienen.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 23, item 10, blz. 32

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, 35 000 IX, nr. 19, blz. 19

41

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Weyenberg tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, met de voorjaarnota de Kamer te informeren over de compensatie van de draf- en rensport.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling Pakket Belastingplan, 13 november 2019; Handelingen II 2019-2020, nr. 23, item 8 blz. 25

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 24 557, nr. 169

42

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt aan kamerlid Omtzigt toe tijdens de behandeling pakket Belastingplan 2019 dat hij wil laten onderzoeken of de inkeerregeling voor meer situaties dan nu het geval is, kan worden uitgesloten. Tegelijkertijd dat de mensen die te goeder trouw een verbetering kenbaar kunnen maken zonder meteen beboet te worden.

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling pakket Belastingplan 2019, 14 november 2018; Handelingen II 2018-2019, nr. 23, item 10, blz. 45

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019,- 35 000 IX, nr. 19, blz. 13

43

2018-2019

Minister Hoekstra tijdens het vragenuur: Vragen Van Weyenberg, 5 februari 2019, zegt toe aan de Kamer, met een kleine slag om de arm, netjes en prudent onderzoek te doen, hierover te rapporteren aan de Kamer en indien er reden is tot actie, dit misschien op te nemen in Belastingplan 2020.

Minister Hoekstra tijdens het vragenuur, 4 februari 2019; Handelingen II 2018-2019, nr. 49, item 4, blz. 1

Afgerond. Kamerstukken II 2018-2019, ‒ 35 000 IX, nr. 19, blz. 15

44

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Lodders tijdens een Algemeen Overleg op 27 juni 2019, op de constatering dat start-ups minder hard groeien en of hij een beeld heeft bij de oorzaak hiervan, deze vraag door te leiden naar de collega van EZK. Zodat dit kan worden meegenomen in een volgende brief of debat.

Staatssecretaris Snel tijdens een Algemeen Overleg, 27 juni 2019; Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 58, blz. 42

Afgerond. Dit is doorgegeven aan EZK.

45

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan Kamerlid Van Weyenberg tijdens het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën op 27 juni 2019, om zijn collega van EZK er aan te herinneren dat er snel een reactie aan de Kamer moet komen met betrekking tot de ambtenaar van de NFIA die in een belastingcomité bij de AmCham zat.

Staatssecretaris Snel tijdens een Algemeen Overleg, 27 juni 2019; Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 58, blz. 57

Afgerond. Dit is doorgegeven aan EZK.

46

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan de Kamer, tijdens AO Herziening Belastingstelsel, 27 juni 2019 dat hij het voorstel om de hoogte van het vennootschapsbelastingtarief te koppelen aan de loonontwikkeling en de daarmee opgedane ervaring in andere landen, zoals Zuid-Korea, mee zal geven aan de commissie belastingheffing multinationals en de commissie die onderzoek doet naar de toekomst van de vennootschapsbelasting in het kader van bouwstenen voor een beter belastingstelsel, en de Kamer in de rapportages over deze onderzoeken over dit voorstel te informeren.

Staatssecetaris Snel tijdens AO Herziening Belastingherziening, 27 juni 2019; Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 58, blz. 39

Afgerond. Dit idee is meegegeven aan de commissie belastingheffing multinationals.

47

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Sent (Pvda) en Köhler (SP) tijdens plenaire behandeling Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, 11 december 2018, toe een afschrift te zenden van de rapportage aan de Tweede Kamer waarin hij ingaat op de ontwikkelingen bij de woningcorporaties ten aanzien van de verhuurderheffing, de vennootschapsbelasting en de beperking van de renteaftrek (ATAD1).

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, 11 december 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 11, item 14, blz. 1

Afgerond. Afgedaan in de beantwoording van Kamervragen

48

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Sent (Pvda) en Köhler (SP) tijdens plenaire behandeling Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, 11 december 2018, toe een afschrift te zenden van de rapportage aan de Tweede Kamer waarin hij ingaat op de ontwikkelingen bij de woningcorporaties ten aanzien van de verhuurderheffing, de vennootschapsbelasting en de beperking van de renteaftrek (ATAD1).

Staatssecretaris Snel tijdens behandeling Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, 11 december 2018; Handelingen I 2018-2019, nr. 11, item 14, blz. 1

Afgerond. Afgedaan in de beantwoording van Kamervragen

49

2018-2019

Staatssecretaris Snel zegt toe aan het Kamerlid Omtzigt tijdens het Algemeen Overleg 'Raad voor Economische en Financiële Zaken', 5 juni 2019, een verduidelijking in een vervolgbrief te sturen over kwalificatie van pensioenenfondsen in het kader van de btw.

Staatssecretaris Snel tijdens AO 'Raad voor Economische en Financiële Zaken, 5 juni 2019; Kamerstukken II 2018-2019, 21 501-07, Nr. 1617, blz. 34

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 300-IX, nr. 4

50

2019-2020

Beantwoording vragen van de Commissie Financiën (bijlage bij Kamerbrief 29 november 2019). De AP doet onderzoek naar de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals (tweede) nationaliteit bij de Belastingdienst/Toeslagen. Om het onderzoek niet te belasten worden nu geen stukken openbaar gemaakt. De aanvullende brief die naar de AP is gezonden wordt na afronding van het onderzoek en na afstemming met de AP aan de Kamer verzonden, zo zegt staatssecretaris Snel toe.

Staatssecretaris Snel in een brief van 29-11-2019. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 550

Afgerond. Beantwoord in Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 683: ‘Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens’.

51

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de effecten voor Toeslagen en andere uitkeringen van een eventuele compensatie/schadevergoeding te vergoeden (dit is al bekend).

Staatssecretaris Snel tijdens het debat van 4-12-2019. Handelingen II 2019-2020, nr. 32 item 6 en item 3

Afgerond. Beantwoord in Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 574: ‘Compensatie ouders CAF 11 en gedane toezeggingen’.

52

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe om alle systemen en processen in de uitvoering van Toeslagen te toetsen in het licht van de geldende wet- en regelgeving. Met een verkenning hiervan is reeds een start gemaakt.

Staatssecretaris van Financiën, 18-12-2019, Kamerstukken II, 31 066, nr. 568

Afgerond. De Kamer is hierover nader geïnformeerd middels de Voortgangsrapportage, die tegelijkertijd met dit overzicht eind april naar de Tweede Kamer is gestuurd. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630

53

2019-2020

Staatssecretaris Snel zegt toe op korte termijn te antwoorden op de brief van de Nationale ombudsman met vervolgvragen over de kwestie rondom aanpassingen van de systemen van Toeslagen conform wet- en regelgevingen nieuwe jurisprudentie.

Staatssecretaris Snel in een brief van 18-12-2019 Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 568, p. 2

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 596 bijlage 2 en 3 vragen van de Nationale ombudsman en antwoorden

54

2019-2020

De minister zegt toe aan het lid Omtzigt contact op te nemen met de OR en de vakbonden omtrent de twee raadspersonen.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 4

Afgerond. Het instellingsbesluit voor de Raadspersonen is in de Staatscourant gepubliceerd; referentie: Stcrt-2020-21177 - Besluit personeelsraadspersonen. Onderdeel van de introductie van de raadspersonen is een kennismaking met de OR en bonden. De personeelsraadspersonen zijn inmiddels aangesteld en de gesprekken zullen nog plaatsvinden.

55

2019-2020

De minister zegt toe aan Kamerlid Leijten n.a.v. mail van mensen die bericht ontvangen hadden geen fraudeur te zijn en hun dossier zouden ontvangen.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 52

Afgerond. Kamerbrief 13 maart (Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613)

56

2019-2020

De staatssecretaris wil een hardheidsclausule invoeren waardoor het mogelijk wordt om maatwerk te bieden in situaties van ernstige onbillijkheden die volgen uit het toeslagensysteem. Conform de motie van het lid Ronnes geeft de staatssecretaris een update over de geïdentificeerde gevallen in de eerdergenoemde voortgangsrapportage.

De staatssecretaris in de brief van 13-3-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613, p. 2

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 28 april 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630

57

2019-2020

Voor beschikkingen die Toeslagen wegens de vijfjaarstermijn niet meer kan herzien, wordt op dit moment aan een wettelijke hardheidsregeling gewerkt. De staatssecretaris zegt toe dit voorstel op korte termijn bij de Kamer in te dienen.

Staatssecretaris Van Huffelen in de voortgangsrapportage Toeslagen van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, bijlage 1, pag. 30

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 2, Art. 49, lid 6

58

2019-2020

N.a.v. Kamerstukken II 2019-2020 nr. 31 066, nr. 615 bijlage d.d. 20-3-20 heeft dhr. Biemond de opdracht gekregen de second opinion uit te voeren. Op 27 februari jl. is aan uw Kamer gemeld dat de second opinion binnen twee maanden gereed zou zijn. De staatssecretaris zegt toe om de Kamer te informeren over de bevindingen van dhr. Biemond aangaande de second opinion.

Staatssecretaris Van Huffelen in de voortgangsrapportage Toeslagen van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, pag. 5

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 655

59

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe in het spoedwetsvoorstel de uitbreiding van de bestaande hardheidsclausule en de invoering van een zogenoemde hardheidsregeling in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), z.s.m. bij de Kamer in te dienen.

Staatssecretaris Van Huffelen in de voortgangsrapportage Toeslagen van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, pag. 3

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 2 Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in verband met uitbreiding van de hardheidsclausule en invoering van een hardheidsregeling en een vangnetbepaling (Wet hardheidsaanpassing Awir)

60

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe op zo kort mogelijke termijn regelgeving zal introduceren om de compensatie, reparatie en herstel mogelijk te maken. In de kabinetsreactie is aangegeven dat zowel voor de compensatie van ouders gedupeerd in CAF-dossiers als voor ouders gedupeerd door de hardheid van het stelsel op korte termijn regelgeving komt.

Staatssecretaris Van Huffelen in de voortgangsrapportage Toeslagen van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, pag. 3

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 2, Art. 49

61

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de Kamer nader te informeren over de mogelijkheden tot versterking van het interne privacytoezicht. De functionaris voor gegevensbescherming (FG) zoals bedoeld in de AVG, maakt daarvan deel uit.

Staatssecretaris Vijlbrief in de brief over FSV van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 632, pag. 4

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 681. Brief over FSV-onderzoek en projectcode 1043, pag. 10 d.d. 10-07-2020

62

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe op korte termijn een document, met de rode draad uit gesprekken van de Directeur-Generaal Belastingdienst met een aantal medewerkers die in meer of mindere mate betrokken zijn geweest bij het MT Fraudebestrijding, te verstrekken.

Staatssecretaris Van Huffelen in de brief van 27-5-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 658

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 661 d.d. 4 juni In de brief schetste de Staatssecretaris dat het niet ging om leden van het (voormalige) MT Fraude maar om drie lagere functionarissen binnen de Belastingdienst en Toeslagen. Het betrof personeelsvertrouwelijke contacten tussen ambtenaren en hun werkgever. Mede daarom was het niet passend om deze e-mails van deze medewerkers te verstrekken.

63

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe toegezegd te onderzoeken of en hoe (delen van) de e-mails waarin de betrokkenheid en medewerking van bepaalde medewerkers aan het ADR-onderzoek wordt besproken kunnen worden gedeeld.

Staatssecretaris Van Huffelen in het debat over het stopzetten van de kinderopvangtoeslag op 27-5-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 75, item 2, pag. 9

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 661 d.d. 4 juni In de brief schetste de Staatssecretaris dat het niet ging om leden van het (voormalige) MT Fraude maar om drie lagere functionarissen binnen de Belastingdienst en Toeslagen. Het betrof personeelsvertrouwelijke contacten tussen ambtenaren en hun werkgever. Mede daarom was het niet passend om deze e-mails van deze medewerkers te verstrekken.

64

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de ministeriële regeling voor de compensatieregeling (uitwerking van uitwerking van het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken) en de ministeriele regeling rondom de hardheidsregeling naar de Kamer te sturen, samen met de uitvoeringstoets.

Staatssecretaris Van Huffelen in de NnavV van 10-6-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 11 , pag. 2-3

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 41 "Publicatie en inwerkingtreding van de ministeriële verzamelregeling Awir"

65

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de Kamer op kortst mogelijke termijn nader te informeren over de hersteloperatie en de maatregelen die zijn genomen, naar aanleiding van de fouten bij aanlevering informatie aan Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF/Toeslagen.

Staatssecretaris Van Huffelen in de brief van 23-6-2020 over de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF/Toeslagen. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 676

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 685. d.d. 10 juli. in de bijlage zijn de antwoorden op de vragen van de heer Omtzigt bijgevoegd, als ook de daarbij gevraagde documenten, twee algemene memo’s en 22 samenvattingen van CAF-zaken, waarbij privacygevoelige gegevens onleesbaar zijn gemaakt.

66

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe deze zomer met een voorstel te komen voor extern toezicht. Dit n.a.v AO Belastingdienst op 4 maart jl. en in de Kamerbrief van 27 april jl. over de Fraude Signalering Voorziening (FSV) heeft de staatssecretaris reeds toegezegd de Kamer deze zomer te informeren over extern toezicht op de Belastingdienst.

De staatssecretaris tijdens het AO Belastingdienst van 23-6-2020.

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 688, d.d. 10 juli «Brief Extern toezicht op de Belastingdienst»

67

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe extra waarborgen in te bouwen zodat de informatie op basis waarvan dossiers beoordeeld worden en uiteindelijk besluiten worden genomen, in de toekomst juist en volledig is. In dat kader zal op zijn minst iedere twee maanden een externe doorlichting plaatvinden op de kwaliteit van de processen en producten van de herstelorganisatie.

De staatssecretaris van Financiën. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. C, pag.9

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 685, d.d. 10 juli: Er worden extra waarborgen ingebouwd zodat de informatie op basis waarvan dossiers beoordeeld worden en uiteindelijk besluiten worden genomen, in de toekomst juist en volledig is.

68

2019-2020

Het oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens, zal zoals eerder toegezegd, ook steeds met de Kamer worden gedeeld.

Staatssecretaris Snel in een brief van 22-11-2019. Kamerstykken II 2019-2020, 31 066, nr. 544

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, nr. 31 066, nr. 683. d.d. 17 juli. «Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens over de verwerking van de nationaliteitvan aanvragers van kinderopvangtoeslag»

69

2019-2020

Toezegging door minister aan het lid Omtzigt om de Kamer middels twee brieven te informeren over 2) een statusoverzicht met daarin waar het kabinet staat betreft de verschillende groepen in het dossier, betreft de aanbevelingen van de Commissie Donner, met de zaken die de komende weken nog uit te sorteren zijn en betreft de opvolging van de gesprekken met de ouders. Toegezegd is dat de brieven niet de donderdag voor het zomerreces worden verstuurd, maar eerder. Niet is toegezegd door wie deze brieven worden verstuurd, wel is toegezegd dat er ‘kabinetsbreed’ naar deze brieven wordt gekeken.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 30

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, nr. 31 066, nr. 679

70

2019-2020

Toezegging door minister aan het lid Omtzigt om de Kamer middels twee brieven te informeren over 1) hoe het kabinet reflecteert op de aanwijzingen o.a. vanuit 5 Hoge colleges van Staat, met daarin een alomvattender reflectie op de vraag hoe dit kon gebeuren, hoe de signalen gemist konden worden en wat de lessons learned zijn. Toegezegd is dat de brieven niet de donderdag voor het zomerreces worden verstuurd, maar eerder. Niet is toegezegd door wie deze brieven worden verstuurd, wel is toegezegd dat er Kabinetsbreed naar deze brieven wordt gekeken.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 25

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

71

2019-2020

Toezegging door Minister-President aan het lid Omtzigt dat de regering reflecteert op de toeslagenaffaire en de lessons learned en deze zal delen met de Kamer.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 17

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

72

2019-2020

Toezegging door Minister-President aan het lid Omtzigt dat een tussenstand van de stand van zaken m.b.t. de afwikkeling van de toeslagenaffaire, voor de zomer naar de Kamer zal worden gestuurd.

Minister Hoekstra tijdens het debat op 21-1-2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 43, item 26, pag. 17

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

73

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe dat de Kamer naar verwachting eind maart een kabinetsreactie op het IBO Toeslagen ontvangt. Daarin zal ook de route worden geschetst om te komen tot een nieuw stelsel. In de kabinetsreactie op het Interdepartementale Beleidsonderzoek naar toeslagen zullen we benoemen welke maatregelen dit kabinet nog wil gaan nemen en waar nog nader onderzoek nodig is zodat een volgend kabinet verdere stappen kan zetten naar een aangepast stelsel.

Staatssecretaris Vijlbrief en Van Huffelen in een brief van 27-2-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 607

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 624 d.d. 30 april «Kabinetsinzet Toeslagen (IBO Toeslagen Deelonderzoek 2)»

74

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de Kamer te informeren over het voorstel voor het vervangen van het Toeslagenstelsel zoals de Kamer ons heeft opgeroepen in de motie Stoffer c.s. .

Staatssecretaris Vijlbrief en Van Huffelen in een brief van 27-2-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 607, p. 14

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 322, nr 414. d.d. 1 juli «Verzamelbrief Kinderopvang juni 2020»

75

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe de Kamer te informeren over het meerjarig plan tot versterking en vernieuwing van de dienstverlening van Toeslagen, zoals de Kamer ons heeft opgeroepen in de motie Stoffer c.s.

Staatssecretaris Vijlbrief en Van Huffelen in een brief van 27-2-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 607, p. 14

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

76

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe een voortvarende uitvoering van maatregelen van de Adviescommissie en de overige maatregelen te nemen, als belangrijke stap in een langdurig traject waarbij vooral de daden op het gebied van klantgerichte dienstverlening en wijziging van de regeling tellen. De Kamer zal daarbij stap voor stap worden meegenomen.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 13-3-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613, p. 2

Afgerond. De eerste aanzet hiertoe is gedaan middels de Kamerbrief van 13 maart 2020, Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613. Met het aannemen van de spoedwet Awir (30 juni) is de regeling gewijzigd. Overige ontwikkelingen zijn en worden in de Voortgangsrapportages Kinderopvangtoeslag beschreven.

77

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe, zodra de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) haar onderzoek heeft afgerond, de Kamer over de uitkomsten van dat onderzoek en zijn reactie daarop te informeren.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 13-3-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613, p. 20

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 683, d.d. 17 juli: ‘Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens’.

78

2019-2020

Toezegging n.a.v. de unaniem aangenomen motie Bruins/Van Weyenberg om varianten te onderzoeken ter vervanging van het huidige stelsel dat zicht biedt op een toekomstig beter en menselijker systeem. In de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen zullen we benoemen welke stappen op korte en lange termijn worden gezet en waar nader onderzoek nodig is richting een nieuw stelsel.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 13-3-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 613, p.15

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 624 d.d. 30 april «Kabinetsinzet Toeslagen (IBO Toeslagen Deelonderzoek 2)»

79

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe via Webinars contact te houden met ouders. Het is een goede manier om veel ouders tegelijkertijd over één specifiek onderwerp te kunnen spreken.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630 pag. 2

Afgerond. In de Voortgangsrapportages Kinderopvangtoeslag die 28 april en 2 juli naar de Tweede Kamer zijn gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630 en Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

80

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe een vervolgbijeenkomst met 13 gemeenten te plannen. Inmiddels is met drie van de 13 gemeenten, Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven, een pilot gestart om te bezien hoe we burgers bredere ondersteuning kunnen bieden dan alleen compensatie en reparatie van kinderopvangtoeslag.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020, Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, pag. 2

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die op 2 juli naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

81

2019-2020

Begin april heeft de AP ten behoeve van haar onderzoek nog nadere vragen gesteld. De vragen zijn inmiddels beantwoord. De staatssecretaris zegt toe de resultaten van het onderzoek na afronding met de Kamer te delen.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, bijlage 1, pag. 15

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 683, d.d. 17 juli: ‘Reactie op rapport Autoriteit Persoonsgegevens’.

82

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe het tweede deelrapport van de IBO Toeslagen, vergezeld van een kabinetsreactie op beide delen, binnenkort aan de Kamer aan te bieden.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020 Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, bijlage 1, pag. 18 en bijlage 2, pag. 6

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 624 d.d. 30 april «Kabinetsinzet Toeslagen (IBO Toeslagen Deelonderzoek 2)»

83

2019-2020

De staatssecretaris heeft opdracht gegeven een intern onderzoek te doen naar verbetermogelijkheden, met name op het gebied van dossiervorming. Wanneer de resultaten bekend zijn, kan ik ook een duidelijker tijdpad en plan van aanpak met uw Kamer delen. De resultaten worden in april opgeleverd. De staatssecretaris zegt toe de Kamer vóór het zomerreces te informeren over deze bevindingen en de daarmee gepaard gaande aanpassingen in de voortgangsrapportage.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, bijlage 2, pag. 40

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

84

2019-2020

Binnenkort zal een plan van aanpak voortgang van de afhandeling bezwaarschriften met uw Kamer worden gedeeld om de opgelopen achterstanden in het reguliere proces in te lopen. Deze achterstanden omvatten ook de hoger dan gewenste voorraad bezwaarschriften en lagere tijdigheid.

Staatssecretaris Van Huffelen in een brief van 28-4-2020. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 630, bijlage 2, pag. 44-45

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt toegelicht dat de voorradden weer op een beheersbaar niveau zitten. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

85

2019-2020

Staatssecretaris Van Huffelen zegt toe aan Kamerlid Snels een brief aan de Ombudsman op te stellen om te vragen of hij «een oogje in het zeil wil houden» of de uitvoering met een menselijke maat gebeurt.

De staatssecretaris in het debat Wet hardheidsaanpassing Awir van 10 juni 2020. Handelingen II 2019-2020, nr. 81, item 9

Afgerond. Brief naar de Ombudsman verzonden d.d. 16 juni. Reactie van de Ombudsman retour op 13 juli.

86

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe over de pilot met gemeenten, de voortgang en de uitkomsten hiervan via de voortgangsrapportage op de hoogte houden. Binnen de pilot is gekozen voor een proces waarbij Belastingdienst/Toeslagen de burger doorverbindt met de gemeente om een afspraak in te plannen.

De staatssecretaris zegt toe in de nota n.a.v. het verslag van 10 juni 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 11

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679. Over eventuele aanvullende informatie zal de Kamer op de hoogte gehouden via toekomstige voortgangsrapportages.

87

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe voor de zomer het programmaplan van het samen met SZW uitgevoerde programma Verbetervoorstellen Kinderopvangtoeslag aan te leveren. Hierover is de taatssecretaris in gesprek met collega-bewindspersonen.

De staatssecretaris zegt toe in de nota n.a.v. het verslag van 10 juni 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 11

Afgerond. Kamerstukken II 2019-2020, 31 322, nr. 414, d.d. 1 juli. «Verzamelbrief Kinderopvang juni 2020»

88

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe in de voortgangrapportages Toeslagen te rapporteren over de raming en uitvoering van de herstelactie. Bij het vaststellen van deze ramingen zijn aannames gedaan over het aantal compensatie- en herstelgerechtigde ouders en de omvang van de verwachte herzieningen. Gedurende de uitvoering van compensatie en herstel zullen deze aannames regelmatig worden gevalideerd.

De staatssecretaris zegt toe in de nota n.a.v. het verslag van 10 juni 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 11

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31 066, nr. 679

89

2019-2020

De staatssecretaris zegt toe in Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslagen, de Kamer te informeren over de voortgang van het proces. Belastingdienst/Toeslagen probeert door middel van werkafspraken zo goed mogelijk te waarborgen dat procesverstoringen voorkomen worden. Zo worden de handmatig verwerkte beschikkingen en betalingen altijd door een tweede medewerker gecontroleerd. Ook wordt gewaarborgd dat deze beschikkingen aansluiten bij de reguliere systemen zodra de IV-aanpassingen gereed zijn.

De staatssecretaris zegt toe in de nota n.a.v. het verslag van 10 juni 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 11

Afgerond. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II, 2019-2020, 31 066, nr. 679

90

2019-2020

Staatssecretaris Van Huffelen zegt toe voor ouders met kwalificatie opzet/grove schuld de mogelijkheid te onderzoeken om de compensatieregeling uit te breiden voor deze ouders. De staatssecretaris zegt toe hier in het vervolg van het debat op 17 juni met de Kamer in gesprek te gaan.

De staatssecretaris zegt toe in de Kamerbrief van 16 juni 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 35 468, nr. 39

Afgerond. Voor deze groep is aanvullende compensatie beschikbaar gemaakt. In de Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag die 2 juli 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd, wordt hier nader op ingegaan. Kamerstukken II 2019-2020, 31